CConstaterende datHillegom
Koppel je AI →
Document · PDF

02. Ruimtelijke onderbouwing Noorderlaan 1A Hillegom.pdf

Gemeenteraad 31 maart 2026, gemeente HillegomBij agendapunt: 6: Adviesrecht BOPA-procedure overkapping Noorderlaan 1A15.066 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving (GoFlo) t.b.v. Buitenplanse omgevingsplanactiviteit

Noorderlaan 1a Hillegom

Gemeente Hillegom

5 maart 2026

INHOUD TOELICHTING

1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3 1.4

Aanleiding en doelstelling Plangebied Geldend omgevingsplan Leeswijzer

3 3 4 6

2

Bestaande en nieuwe situatie

7

3

Beleidskader

14

3.1 3.2 3.3 3.4

Algemeen Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

14 14 17 26

4

Omgevingsaspecten

29

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13

Milieueffectrapportage (m.e.r.) Milieuzonering Omgevingsveiligheid Bodem Geluid Luchtkwaliteit Gezondheid Water Natuur Archeologie Cultuurhistorie Duurzaamheid Verkeer en parkeren

29 29 32 34 34 36 37 37 41 44 46 47 47

5

Economische uitvoerbaarheid

48

5.1 5.2

Inleiding Conclusie

48 48

6

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

49

6.1 6.2

Overleg Zienswijzen

49 49

7

Belangenafweging en conclusie

50

7.1 7.2

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties Eindconclusie

50 50

Bijlage 1. Advies overkapping Noorderlaan 1a Hillegom, Adviesbureau Clevin, 13 juni 2024 Bijlage 2. Stikstofrapportage Noorderlaan 1a Hillegom, VdZ Ruimtelijk Advies, 27 februari 2026

1 1.1

Inleiding Aanleiding en doelstelling Het voornemen bestaat om bij de bloembollen- en bolbloemenkwekerij van Van Rijssel & Zonen aan de Noorderlaan 1a in Hillegom een overkapping met een oppervlakte ca. 1.000 m2 te realiseren. De overkapping dient voor de opslag van de kuubskisten en watertrays/broeibakken. Er bestaan hiertegen geen ruimtelijke of stedenbouwkundige bezwaren. Het plan is wel in strijd met het omgevingsplan. Nu het om een ruimtelijk gewenst initiatief gaat, kan worden meegewerkt aan het plan. In dit geval is dit mogelijk door af te wijken van het omgevingsplan met een Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). De juridische grondslag voor de BOPA is de vergunningplicht in artikel 5.1 lid 1 onder a jo. art. 5.2 Omgevingswet en artikel 5:21, tweede lid, onder b. Omgevingswet. Daar wordt bepaald dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. In de begripsbepalingen van de Omgevingswet staat wat een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is: Buitenplanse omgevingsplanactiviteit: activiteit, inhoudende: a.een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of b.een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan.

Toepassing van dit artikel vereist dat gemotiveerd wordt waarom het plan passend is met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL, Evenwichtige Toedeling van Functies aan Locaties, artikel 8.0a, tweede lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving, Bkl). Dat gebeurt in dit document, inhoudende een goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving (GoFlo).

1.2

Plangebied Het plangebied is gelegen aan de Noorderlaan 1a, direct ten noorden van het dorp Hillegom, staat kadastraal bekend HLG01-A-8711 en meet 21.529 m2.

Plangebied, ingezoomd 3

Plangebied uitgezoomd

1.3

Geldend omgevingsplan Ter plaatse geldt het Omgevingsplan Buitengebied en de Zanderij, vastgesteld op 15 juli 2021. Dit plan kent algemene en specifieke regels, gekoppeld aan kaarten met werkingsgebieden. Als eerste de toets aan de voorbeschermingsregels: artikel 2.2b bouw en gebruiksacitviteiten zoals toegestaan in voorafgaand aan het bestemmingsplan 'Omgevingsplan Buitengebied en de Zanderij' geldende ruimtelijke plannen, zijn uitgezonderd van deze verbodsbepaling. De ontwikkeling dient daarmee getoetst te worden aan Landelijk gebied 1997 1e herziening: Strijdig Artikel 2.3c omgevingsvergunning mogelijk voor dringend bedrijfsbelang. Het bedrijfsbelang is door Clevin aangetoond Verdere toetsing aan bestemmingsplan Omgevingplan Buitengebied en de Zanderij is daarmee niet aan de orde. Relevant is dus het bestemmingsplan Landelijk Gebied 1997, vastgesteld op 13 september 1997. Er is in dat bestemmingsplan een enkelbestemming Agrarische doeleinden met aanduidingen bollencultuur (b) en handels- en exportactiviteiten toegestaan (h). Het getal 6 duidt de maximale goothoogte die is toegestaan voor bedrijfsgebouwen. De gronden op de kaart aangewezen voor "Agrarische doeleinden" (A) zijn bestemd voor: a. b. ter plaatse van de subbestemming Ab: bollenteeltbedrijven; ter plaatse van de subbestemming At: akker-, bollenteelttuinbouwbedrijven alsmede gemengde tuinbouwbedrijven; en c.

ter plaatse van de subbestemming Ag: akkerbouw-, tuinbouw-, bollenteelt- en glastuinbouwbedrijven alsmede gemengde tuinbouwbedrijven; alsmede: d. ter plaatse van de gronden met de nadere aanwijzing (h): handelsen exportactiviteiten als deel van de bedrijfsvoering.

4

Zoals aangegeven, dient de overkapping voor de opslag bij de bloembollen- en bolbloemenkwekerij van Van Rijssel & Zonen. In zoverre past het gebruik dus binnen het bestemmingsplan Landelijk Gebied.

Uitsnede Omgevingsplan Landelijk Gebied 1997 Voor de agrarische bedrijfsvoering mag voorts per hectare beschikbare teeltgrond ten hoogste 250 m² aan bedrijfsgebouwen, geen kassen zijnde, en overkappingen binnen een bouwvlak worden opgericht met een maximumoppervlakte van 3.000 m² per bedrijf, waarbij per bedrijf in ieder geval 500 m² aan bedrijfsgebouwen, waaronder overkappingen, mag worden opgericht, een en ander met dien verstande dat: uitsluitend op de gronden met de nadere aanwijzing (h) maximaal 50% van de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen en overkappingen mag worden opgericht c.q. gebruikt ten behoeve van handels- of exportactiviteiten; het gezamenlijke grondoppervlak aan kassen per bedrijf ten hoogste mag bedragen: op de gronden met de subbestemming At 3.000 m²; op de gronden met de subbestemming Ab 1.500 m²; met dien verstande dat op de gronden met de nadere aanwijzing (m) geen kassen zijn toegestaan. De bedrijfsbebouwing van Van Rijssel overschrijdt in de huidige situatie al het maximum van 3.000 m2. Achtereenvolgens gelden verder een aantal parapluplannen. Allereerst het Parapluplan Parkeren (vastgesteld 2017-01-26, waarin in essentie is geregeld dat er voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein aanwezig dienen te zijn. Zie hiervoor hoofdstuk 2.

Verder geldt er een Parapluplan Wonen, Hillegom, (vastgesteld 2020-10-15), een parapluplan Snippergroen (vastgesteld 2021-01-28), een Paraplubestemmingsplan Bedrijventerreinen & Flitsbezorgdiensten (vastgesteld 2023-09-21) en een Crisisen herstelwet bestemmingsplan aanvullende bouw- en gebruiksregels Hillegom (vastgesteld 2024-05-30). Deze zijn allen voor dit plan niet relevant en worden daarom buiten beschouwing gelaten.

5

1.4

Leeswijzer Deze ETFAL/GoFlo is opgebouwd uit zeven hoofdstukken. Het volgend hoofdstuk beschrijft de bestaande en toekomstige situatie (hoofdstuk 2). Hoofdstuk 3 geeft een overzicht van het ruimtelijke beleidskader van de verschillende overheden waaraan het plan moet voldoen. Hoofdstuk 4 bevat de milieu- en de omgevingsaspecten van het plan. De GoFlo besluit met hoofdstukken over de economische uitvoerbaarheid (Hoofdstuk 5), de maatschappelijke uitvoerbaarheid (hoofdstuk 6) en een eindconclusie (hoofdstuk 7).

6

2

Bestaande en nieuwe situatie Het plangebied is gelegen in de bollenstreek van Zuid-Holland, dat er vroeger heel anders uitzag. Voordat de zanderijgronden werden afgegraven ten behoeve van de bollenteelt, bepaalden de overwegend noord-zuid georiënteerde strandwallen het beeld. De oude strandwallen zijn grotendeels afgegraven, maar bepalen nog steeds de huidige richting van belangrijke landschappelijke structuren: de bewoningslijnen, de trekvaart tussen Leiden en Haarlem, de spoorlijn en de rechte wegen hebben overeenkomstig de natuurlijke onderlegger een noordzuid-oriëntatie. De oorspronkelijke hoogteverschillen tussen strandwallen en strandvlakten zijn afgevlakt door afgraving van de wallen. Het zand van de oude duinen op de strandwallen werd later ook gebruikt voor stadsuitbreiding en wegenaanleg. Zo ontstond vanaf de achttiende eeuw een zanderijenlandschap, gekenmerkt door hoge wegen, bollenvelden en een rechthoekig patroon van brede watergangen.

(oorspronkelijke) opbouw Duin- en bollenstreek, bron Cultuurhistorische Atlas Duinen bollenstreek Karakteristiek zijn de rechte wegen met beukenhagen, houtwallen en houtsingels die een stuk boven het maaiveld liggen, op het oorspronkelijke duinniveau. De verkavelingsstructuur is regelmatig en (min of meer) oost-west georiënteerd (loodrecht op de noord-zuidverbindingen). Haaks op de strandwal werden verbindingswegen aangelegd die zodoende meer oost-west georiënteerd zijn. De Noorderlaan is een historische oost-west weg, maar doodlopend, en dat was historisch vermoedelijk ook zo, dus het zal geen verbindende functie gehad hebben, hooguit als wandelpad. Na de Franse revolutie raakten buitenplaatsen in verval. In de overblijvende moestuinen begonnen de tuinlieden van de buitenplaatsen voor zichzelf. Ze experimenteerden met het telen van bloembollen en het veredelen van nieuwe soorten planten en bloemen. Aanvankelijk teelde men bloembollen als bijverdienste, maar al snel bleek dat tulpen, hyacinten en narcissen uitstekend gedijen op deze zandgronden. In de tweede helft van de negentiende eeuw kwam de export naar het buitenland op gang en verhuisden veel kwekerijen rondom Haarlem naar Heemstede en Bennebroek, later naar Hillegom, Lisse, Sassenheim, Voorhout, Warmond, Noordwijkerhout en Noordwijk. Ook boeren in dat gebied stapten over op bloembollenteelt. 7

Noorderlaan (doodlopend) zichtbaar op historische kaart De massaproductie van bloembollen kwam pas goed op gang nadat in 1880 het stoomgemaal bij Katwijk in gebruik was genomen. Hierdoor kon de grondwaterstand beter gereguleerd worden. De uitbreiding van de bloembollencultuur hield ongeveer gelijke tred met de grootschalige afzandingen in het duingebied. In 1904 werd door twee eigenaren van buitenplaatsen de kalkzandsteenfabriek Arnoud in Hillegom opgericht. Daarmee startte het op grote schaal afzanden van de duinen tussen Hillegom en Lisse en veranderde het gebied definitief. Op enkele plaatsen zijn de oude reliëfs nog waarneembaar. In het uiterste noorden ligt nog een klein niet afgegraven restant van de oude beboste strandwal. Als bescherming tegen de zeewind werden de bollenpercelen omzoomd met ligusterhagen en meidoornhagen. Tussen de bedden met bloembollen werden beukenhagen geplant. In de 20e eeuw zijn veel bollenschuren gebouwd, die speciaal zijn ontworpen voor het drogen, opslaan en verwerken van bloembollen. Na de oogst in de zomer moeten bloembollen namelijk eerst drogen voordat ze bewerkt kunnen worden. Na de komst van elektriciteit in de Bollenstreek in 1922 stapten veel bollenkwekers over op het drogen met warme lucht. Er kwamen ventilatoren in de schuur en luchtroosters in de gevels. De ventilatiedeuren werden vervangen door kleinere stalen ramen.

Bollenschuur uit 1930 met stalen ramen en ventilatieroosters

8

Ook de methoden voor opslag, transport en logistiek veranderden in de loop der tijd. Bloembollen bewaarde men voortaan in gaasbakken. Dat zijn houten kisten met een bodem van metaaldraad, die op elkaar gestapeld een verplaatsbare bollenstelling vormen. Met name vanaf de jaren ’70 van de 20e eeuw hebben diverse bollenbedrijven een sprong in de schaal gemaakt en zijn ze gaan moderniseren. Meer en meer zijn bloemen en bollen in kassen geproduceerd. Aan de Noorderlaan zijn diverse grootschalige bloem- en bollenbedrijven gevestigd. De weg kent een smal profiel en aan weerszijde zijn zowel bedrijfswoningen, bedrijfsgebouwen en kassen aanwezig. Een slootje begeleid de weg.

Impressies plangebied en omgeving 9

Het straat-en bebouwingsbeeld wordt gedomineerd door de divers bedrijfsbebouwing met een vrij hoge bebouwingsdichtheid. Het landschap kan nauwelijks beleefd worden. Het bedrijf van Van Rijssel is deels zichtbaar vanaf de weg en gaat deels schuil achter bedrijfswoningen. Er is ruim 9.000 m2 aan bedrijfsbebouwing aanwezig, voor een groot deel betreft het kassen. De gebroeders I.C. van Rijssel (69 jaar) en J.G.P. van Rijssel (58 jaar) exploiteren sinds 1992 in firmaver-band, onder de naam "Fa. P. van Rijssel & Zn", een bloembollenkwekerij, -broeierij en -exportbedrijf aan de Noorderlaan 1a te Hillegom. Naast deze activiteiten worden er op het bedrijf ook bollen voor derden gekoeld. T.E. van Rijssel (23 jaar), zoon van J.G.P. van Rijssel is de beoogd bedrijfsopvolger en werkt nu als vaste kracht mee in het bedrijf en treedt binnenkort formeel toe tot de firma. De firma beschikt in totaal over circa 40 hectare grond, waarvan ca. 32 ha in de Haarlemmermeer ligt, en die op basis van geliberaliseerde pachtovereenkomsten van maximaal 6 jaar beheerd worden in opdracht van een bouw- en ontwikkelmaatschappij, grotendeels door middel van verhuur aan derden. Voor de teelt gebruikt het bedrijf zelf totaal ca. 17 ha, waarvan circa 6,2 hectare in eigendom is en gelegen is bij of nabij het bedrijfscentrum en nog ca 2 hectare in Hillegom wordt gepacht.

Het teeltplan bestaat anno 2024 uit 4 ha tulpen, 12 ha narcissen en 1 ha lobularis (wilde narcis). De narcissen worden geoogst en "droog" verkocht. Jaarlijks worden er op het bedrijf ca. 8.000.000 tulpen gebroeid in 3- 4 ronden. Er wordt gebroeid op water met grote watertray 's op roltafels. Ca. 90% van de tulpen wordt ingekocht. De totale oppervlakte aan bedrijfsgebouwen bedraagt 3.314 m2 en de totale oppervlakte aan glas/ kassen 5.757 m2. Het bedrijf beschikt in een bedrijfsgebouw over ca. 1.500 m2 aan koelcellen, waarvan een deel weer wordt verhuurd aan derden voor het koelen van bollen. Daarnaast staan in de bedrijfsgebouwen sorteermachi-nes, tractoren, bossnijmachine en overige machines. De werkzaamheden op het land worden door de loonwerker uitgevoerd, de interne werkzaamheden in eigen beheer. In het bedrijf is 1 vaste arbeidskracht in dienst en in drukke perioden zijn er ca. 35 losse arbeidskrachten werkzaam. De jaaromzet bedraagt 1,5 - 1, 75 mln./jr. Er is een plan ontwikkeld om een overkapping te realiseren ten behoeve van de opslag van kuubskisten en watertrays/broeibakken. De overkapping worst gerealiseerd direct ten zuiden van bestaande bedrijfsbebouwing, kent een oppervlakte van 1.000 m2 (20 m bij 50 m) en een hoogte van 5 m. Zie navolgende situatieschets, plattegrond en doorsneden.

Uitgaande van een arbeids-/bezoekersextensief bedrijf in het buitengebied en de gemeentelijke parkeernorm hiervoor van 1,05 park. per 100 m² BVO zijn 10x 1,05 = 10,5 → ~ 11 parkeerplaatsen nodig, die ook worden gerealiseerd, zie navolgende situatieschets. Voor de watercompensatie is een oppervlakte aangehouden van 15% van de nieuw aan te brengen verharding/overkapping, ofwel 150 m2. Dit wordt gerealiseerd (zie navolgende afbeelding: rode arcering).

10

Situatieschets, plattegrond en doorsneden nieuwe situatie, getekend TPS b.v.

11

Er is een aantal redenen waarom de behoefte aan overkapte opslagruimte er is: •

• • •

er wordt buitenopslagruimte gehuurd voor de kuubskisten aan de Pastoorslaan, maar in verband met aanstaande woningbouw wordt de huur opkorte termijn beëindigd; op dit moment moeten de kisten over de openbare weg worden verreden wat uit oogpunt van efficiency en duurzaamheid niet gewenst is; er is behoefte aan een droge opslagruimte naast de huidige bedrijfsruimten voor de kuubskisten, de watertray's; de huidige kuubskisten zijn versleten en er worden nieuwe kuubskisten gekocht en deze wil men meteen schoon en droog kunnen opbergen.

De fa. van Rijssel heeft op dit moment geen plannen om te gaan uitbreiden, bijvoorbeeld om meer bollen te gaan broeien of telen. Het gaat nu dus om het verbeteren van de efficiency, om kosten te besparen en om verdere verduurzaming te realiseren. Er wordt duurzaam gewerkt door bijvoorbeeld het broeien van tulpen op water en het bedrijf voldoet aan de benodigde certificeringen om duurzaam te werken, zoals Global GAB. Door de opslag te concentreren op de bedrijfslocatie neemt ook de hoeveelheid verkeer af. Het plan bestendigt een bestaand agrarisch bollenbedrijf hetgeen bijdraagt aan de vitaliteit van de sector, hetgeen een beleidswens is van de gemeente, regio en provincie (zie hoofdstuk 1 en 3). Tevens vindt verduurzaming plaats. Dit zijn allen positieve aspecten. In een advies heeft Adviesbureau Clevin geoordeeld dat er behoefte is aan een overkapping van 1.000 m2 en voor het beoogd gebruik1. De overkapping is vanaf de straat niet zichtbaar dus er zijn geen effecten op het straat- en bebouwingsbeeld. Vanaf andere zijden valt de overkapping weg tegen het silhouet van de bestaande bebouwing. Zodoende is er ook geen negatief effect op het landschap. Positief effect op het landschap is dat er minder buitenopslag zal plaatsvinden. De beoogde activiteiten leiden niet tot geluid- of geuroverlast, het betreft immers ‘stille opslag’.

De overkapping komt achter deze gebouwen

1 Advies overkapping Noorderlaan 1a Hillegom, Adviesbureau Clevin, 13 juni 2024

12

De afstand tot belendende percelen van de nieuwe woningen is meer dan 2 m (afstand artikel 5.50 Burgerlijk Wetboek om voldoende privacy te garanderen) en er kan ruimschoots voldaan worden aan zowel de lichte als de strenge TNO-norm2. Zodoende is er geen onaanvaardbare schending van de privacy of onaanvaardbare schaduwwerking voor derden. Van een onevenredige aantasting van uitzicht is ook geen sprake. Er bestaan samengevat geen stedenbouwkundige of ruimtelijke bezwaren om mee te werken aan het plan. Andere tekening als hier opgenomen en in de aanvraag zijn er niet, maar omdat de locatie schuil gaat achter bebouwing en niet zichtbaar is vanaf de straat en zeer beperkt vanuit andere richtingen, volstaat dit in dit geval om de impact in te schatten, en voornoemd stedenbouwkundige conclusie te kunnen trekken. In navolgende hoofdstukken volgt de toets aan het ruimtelijk relevant beleid van diverse overheden en milieu- en omgevingsaspecten.

2 De 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 fe-

bruari – 21 oktober (gedurende 8 maanden ) in midden vensterbank binnenkant raam. De 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam.

13

3 3.1

Beleidskader Algemeen Planologische besluitvorming dient te passen binnen de ruimtelijke kaders op alle verschillende overheidsniveaus. Ter verkenning van de beleidsruimte wordt daarom in dit hoofdstuk het ruimtelijk (relevante) beleid weergegeven.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1

Nationale Omgevingsvisie 2021 De kaders van het rijksbeleid op het gebied van de fysieke leefomgeving zijn opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De NOVI is op 11 september 2020 vastgesteld. Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat immers voor een aantal urgente opgaven, die zowel lokaal, nationaal als wereldwijd spelen. Het zijn grote en complexe opgaven op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Deze opgaven zullen Nederland flink veranderen. De toenemende druk op de fysieke leefomgeving vraagt daarbij om een actiever Rijksoverheid. De NOVI stelt een integrale aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Regie vanuit het Rijk betekent echter niet het centraliseren van taken en verantwoordelijkheden; wel het geven van richting op grote opgaven en regie op goed samenspel, zowel publiek als publiek/privaat. In de NOVI zijn de genoemde opgaven samengevat in vier prioriteiten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. een duurzaam en economisch groeipotentieel; 3. sterke en gezonde steden en regio's; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Om dit te bereiken worden 21 nationale belangen benoemd in de NOVI waarop de nationale overheid zich richt. Deze hebben onder andere betrekking op het zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften, het waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem, het beperken van klimaatverandering, het waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen, het behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang en het verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. Deze 21 nationale belangen hebben ook een relatie met het Besluit kwaliteit leefomgeving, zie ook paragraaf hierna.

14

Beoordeling en conclusie Er zijn geen Rijksbelangen in het geding, behoudens het belang van de zorgvuldige belangenafweging, zie hiervoor paragraaf 3.2.3. 3.2.2

Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en instructieregels Rijk In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan onder meer regels over omgevingswaarden, instructieregels en beoordelingsregels. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden. Uit het tweede lid van artikel 8.0b van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) volgt dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geweigerd wordt als: a) de activiteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van instructie(regel)s; b) de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan (opvolger van het voorbereidingsbesluit); c) de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door provincie of Rijk, belemmert.

De hoofdonderwerpen waarvoor het Bkl instructieregels (met het oog op een ETFAL) bevat zijn hieronder opgesomd, in cursief is er steeds aan getoetst: • Waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2): er is op de planlocatie geen sprake van veiligheidsrisico’s • Beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3) zie hiervoor hoofdstuk 4 • Beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; zie hiervoor hoofdstuk 4 • Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 5.129g Bkl); zie hiervoor hoofdstuk 2, voor de ladder zie navolgende paragraaf • Het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden; in dit plan is dit niet aan de orde • Het behouden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; in dit plan is dit niet aan de orde • Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8) in dit plan is dit niet

aan de orde Beoordeling en conclusie Het plan valt niet binnen de reikwijdte van één van de voornoemde onderwerpen uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het plan is niet strijdig met het Besluit kwaliteit leefomgeving.

3.2.3

Ladder voor duurzame verstedelijking Het laatste nationale belang, zorgvuldige afweging, is verankerd in artikel

15

5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De regeling komt er op neer dat van bepaalde ontwikkelingen nut en noodzaak dient te worden aangetoond. In artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). (..) 2.Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid.

Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Wat onder ‘stedelijke ontwikkeling’ en ‘bestaand stedelijk gebied’ wordt verstaan is in het Bro opgenomen en verder uitgekristalliseerd in jurisprudentie. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het Bro ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’.

Onder ‘bestaand stedelijk gebied’ verstaat het Bro een ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Niet elke ontwikkeling van stedelijke aard wordt door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS) aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder. Uit enkele uitspraken (zie onder meer 201308263/2/R4 en 201302867/1/R4- 201501297/1/R4) blijkt dat plannen tot 11 woningen niet als stedelijke ontwikkeling zijn aan te merken. Een uitbreiding van een bedrijfsgebouw met 400 m² wordt ook niet gezien als geen nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 23 april 2014; ECLI:NL:RVS:2014:1442 en dat geldt ook voor de uitbreiding van een kantoor met 540 m² (ABRvS 24 augustus 2016; ECLI:NL:RVS:2016:2319). Ook inpandige functiewijzigingen zijn in beginsel niet als stedelijke ontwikkeling aan te merken. Zie onder meer een uitspraak van de ABRvS van 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2316) of de uitspraak van de ABRvS van 21 januari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:96) inzake een functiewijziging van een restaurant. Uitzondering hierop vormt een ontwikkeling waarvan de aard en impact zodanig substantieel is dat 16

deze aanleiding geeft de ontwikkeling wel als stedelijke ontwikkeling te merken. Een functiewijziging naar een hotel met 160 kamers is daar een voorbeeld van (ECLI:NL:RVS:2016:1064). Beoordeling en conclusie Onderhavig plan betreft het realiseren van een overkapping dat gelet op de geringe ruimtelijke impact niet als stedelijke ontwikkeling valt aan te merken. De ontwikkeling leidt niet tot een uitbreiding van bedrijfsactiviteiten, zowel qua aard als omvang, er komt geen personeel of verkeer bij (sterker nog dit neemt af). De behoefte hoeft zodoende dus ook niet te worden aangetoond.

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1

Omgevingsvisie Zuid-Holland (2024) Wat wil de provincie bereiken? Het bestuur en de provinciale organisatie is weerbaar, betrouwbaar, transparant, legitiem en handelt integer. De kwaliteit van beleid en de taakuitvoeringen zijn structureel op orde, het bestuur is weerbaar tegen ondermijning en oneigenlijke druk en er wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheden van digitalisering. Het omgevingsbeleid en participatie worden vormgegeven en uitgevoerd. Door samenwerking internationaal, nationaal en binnen het Interprovinciaal Overleg (IPO) gaat Zuid-Holland strategische allianties aan. Daartoe werkt de provincie aan het vormgeven, coördineren en uitvoeren van beleid, public affaires en lobby. Aanleiding De verbinding en wisselwerking tussen beleidsdoelen en -prestaties van het domein bestuur en het omgevingsbeleid dragen bij aan het versterken van de slagkracht van decentrale overheden. De basis voor die bijdrage, is een daadkrachtig provinciaal bestuur dat betrouwbaar, transparant, weerbaar en integer is. De basis voor het handelen van het provinciale bestuur en de organisatie ligt daarbij in de provincie- en de ambtenarenwet, de omgevingswet, in de WOO (Wet Open Overheid), de wet Bibob (Bevorderen integriteitsbeoordelingen openbaar bestuur) en de ambtsinstructie van de commissaris van de Koning.

Motivering Provinciaal Belang Samen met andere overheden en partners werkt de provincie aan oplossingen voor de complexe opgaven waar de samenleving voor staat. Het welslagen daarvan draagt bij aan het functioneren van en aan het vertrouwen in het openbaar bestuur en de democratie. De maatschappelijke opgaven waar overheden voor staan zijn complexer geworden, terwijl middelen schaarser zijn. Die opgaven stoppen niet bij de provinciegrens en worden ook beïnvloed door (inter)nationale ontwikkelingen. Daarom wil de provincie optrekken met anderen en functioneren als één overheid en daarbij leren van én met andere overheden, aan ons verbonden partijen en andere partners. Waar dat kan en passend is, zal de provincie een voorbeeldfunctie vervullen en via lobbyactiviteiten draagvlak en middelen organiseren om doelen te bereiken. De provincie voert beleidscoördinatie uit op het omgevingsbeleid.

17

Nadere uitwerking Programma Omgevingsbeleid De provincie heeft een actuele en digitale lange termijn agenda Omgevingsbeleid, Omgevingsvisie, Omgevingsverordening en Omgevingsprogramma. Het omgevingsbeleid is modulair vormgegeven, dit betekent continu werken aan actualisatie. Er zijn zeven ambities benoemd: 1. Samenwerken aan Zuid-Holland. 2. Bereikbaar Zuid-Holland. 3. Schone energie voor iedereen. 4. Een welvarend Zuid-Holland. 5. Naar vitale balans water, natuur en landbouw. 6. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland. 7. Gezond en veilig Zuid-Holland. De beleidsdoelen geven aan wat de provincie wil bereiken. De beleidsdoelen zijn een uitwerking van de ambities en komen voort uit de begroting.

De 20 beleidsdoelen zijn: 1-1 Beter Bestuur 1-2 Sterke Samenleving 2-1 Snel van A naar B 2-2 Beheer en onderhoud: op orde en duurzaam 2-3 Veilig en duurzaam 3-1 Schone en duurzame elektriciteitsvoorziening 3-2 Verduurzaming gebouwde omgeving 3-3 Duurzaam energie- en grondstoffensysteem in de industrie 4-1 Innovatie: richting duurzaam en digitaal 4-2 Creëren van een rijk vestigingsklimaat 4-3 Erfgoed, cultuur en toerisme 5-1 Gezonde natuur 5-2 Toekomstbestendige landbouw 5-3 Leven met water 6-1 Voldoende juiste woningen op de juiste plek 6-2 Vitaliteit en kwaliteit in de leefomgeving 6-3 Afspraken met regio’s 7-1 Bevorderen verbetering milieukwaliteit en gezondheid 7-2 Gezonde en bewegingsvriendelijke leefomgeving 7-3 Klimaatbestendig Zuid-Holland, opgewassen tegen de effecten van klimaatverandering en bodemdaling Daarbij streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Met het provinciaal omgevingsbeleid sluiten we aan op de maatschappelijke doelen van de omgevingswet: het doelmatig benutten van de fysieke leefomgeving voor maatschappelijke opgaven en het bereiken en in stand houden van een goede omgevingskwaliteit. Omgevingskwaliteit is het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen. Het gaat het hier om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit

18

(belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid). Om de verschillende waarden en kenmerken te kunnen benoemen en tot hun recht te laten komen, is gekozen voor een ordening in vier lagen: 1. Laag van de ondergrond 2. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen 3. Laag van de stedelijke occupatie 4. Laag van de beleving Op de ruimtelijk kwaliteitskaart ligt het plangebied op de kaart van cultuur- en natuurlandschappen in het bollenlandschap.

Bollenlandschap Bollenlandschap Het bollenlandschap is ontstaan door het vergraven van oude duinen en strandwallen en de aanleg van een fijnmazig vaartenstelsel ten behoeve van de bollenteelt. Kenmerkend is de afwisseling van kleurrijke bollenvelden (seizoensgebonden), verspreide bebouwing en begroeiing, vaarten en sloten. Bijzonder zijn de (restanten van) landgoederen en oude duinen. De ruimtelijke structuur wordt bepaald door een afwisseling van parallel aan de kustlijn gelegen open en verdichte zones. De kwaliteit en herkenbaarheid van dit landschap komen steeds verder onder druk door toenemende bedrijfsbebouwing en verstedelijking die niet geënt is op een samenhangende en herkenbare ruimtelijke structuur. Mede door intensivering van de bollenteelt raakt het gebied daarmee steeds verder versnipperd. Het zicht op de bollenvelden wordt door bebouwing steeds meer beperkt. Dit betekent dat een ontwikkeling bijdraagt aan een samenhangende en herkenbare ruimtelijke structuur, op een logische plek in deze structuur ligt en toekomstbestendig is. Opgave hierbij is om de intensivering in de landbouw en de verstedelijking te koppelen aan een versterking van de landschappelijke structuur. Ambities Verbeteren van de beleefbaarheid en de aantrekkelijkheid van het unieke ontginningslandschap (bollenteelt).

− Het behouden en versterken van het zicht op de bollenvelden en het contrast tussen de open vlakten en de bestaande verdichte zones (bebouwing en beplanting). − Koesteren van bebouwing die het gebied haar identiteit verleent zoals bollenschuren en arbeiderswoningen. − Bedrijfsuitbreiding wordt zoveel mogelijk gekoppeld aan landschapsbouw, bijvoorbeeld door aanplant van erfbeplanting.

19

−

Aantrekkelijkheid van het bollengebied versterken door landschapsbouw, bijvoorbeeld door: o toevoegen van beplanting op de strandwallen (lanen, houtwallen, bosschages, hagen). o aanplant van hagen in het zanderijenlandschap. o aanleg van natuurvriendelijke oevers langs noord-zuid gerichte watergangen in de strandvlaktes en langs het boezemwater (zie ook Handleiding bedrijfsuitbreiding Duin- & Bollenstreek).

Richtpunten: • Ontwikkelingen dragen bij aan het contrast tussen de open en nog gave strandvlakten en de voor de bollenteelt in cultuur genomen (afgezande) oude duinen en strandwallen. • Verdichting vindt plaats in reeds bestaande verdichte zones. • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud en versterking van het zicht op de bollenvelden en de aantrekkelijkheid van het bollenlandschap. Herstructurering van het greenportgebied door landschapsverbetering, de sanering van verrommeling en schaalvergroting en intensivering gaat gepaard met de ambitie om het bollenareaal en de waardevolle graslanden te behouden. Daarnaast is er een integrale wateropgave voor de het greenportgebied. Het behoud van bollenareaal in de streek voor de greenport gebeurt door middel van bollengrondcompensatie voor ontwikkeling van functies die niet direct aan de bollenteelt zijn gerelateerd. Deze bollengrondcompensatie verloopt via de greenportontwikkelingsmaatschappij en voldoet aan de regels zoals ook in de Verordening ruimte zijn opgenomen. Relevant zijn voorts de gebiedsprofielen. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit vormen een uitwerking van de kwaliteitskaart en de richtpunten op gebiedsniveau en zijn opgesteld in samenwerking met regionale partijen. Ze bieden een gebiedsspecifieke handreiking voor het omgaan met ruimtelijke kwaliteit bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Het plangebied ligt binnen het gebiedsprofiel Duin- en Bollenstreek. De Duin- en Bollenstreek is onderdeel van het binnenduinlandschap, dat zich achter de Hollandse kustboog uitstrekt van Hoek van Holland naar Den Helder. De bodemkundige ondergrond van de binnenduinrand bestaat uit een patroon van strandwallen en strandvlakten parallel aan de jonge duinen. De Zuid-Hollandse Bollenstreek is een bijzonder onderdeel van de kuststrook, omdat het reliëfrijke patroon van strandwallen en strandvlakten hier sinds het einde van de 18de eeuw is geëgaliseerd. Delen van de strandwallen zijn afgegraven ten behoeve van wegenaanleg en stadsuitbreidingen. Daardoor kwam de afgevlakte zandige bodem dichter boven het grondwater te liggen en ontstonden er uitstekende condities voor de bollenteelt. Vervolgens zijn ook delen van de natte en venige strandvlakten omgespoten om ze als bollengrond te kunnen gebruiken. Het verschil tussen de strandwallen en -vlakten is in dit gebied niet meer goed herkenbaar in het reliëf. Op enkele plekken is nog de oorspronkelijke parallelle ligging van strandvlakten en strandwallen zichtbaar; vooral in het zuidelijke deel van de Bollenstreek waar in de natte strandvlaktes nog delen als grasland in gebruik zijn.

20

De Bollenstreek is door de transformatie van het landschap een specifiek onderdeel van het Hollandse binnenduinlandschap geworden; met zijn kenmerkende zanderijlandschappen en veel verspreide bewoning is het gebied minder lommerrijk dan de aangrenzende binnenduinlandschappen van Haarlem en Wassenaar. Deze zanderijlandschappen zijn vooral heel karakteristiek langs de westrand van de strandwal Sassenheim-Lisse en ter plaatse van de voormalige Oosterduinen bij Noordwijkerhout. Door de hoofdlijnen van het landschap is de Bollenstreek wel onderdeel van, en verbonden met het Hollandse kustlandschap als geheel. De smalle rij duinen, de spoorlijn, de Haarlemmertrekvaart, de doorgaande autowegen en de reeks kernen op de strandwal tussen Haarlem en Leiden zijn noord-zuid gerichte patronen die ook buiten het gebied doorlopen. In deze patronen is het onderscheid strandwal-strandvlakte nog wel herkenbaar. De trekvaart tussen Leiden en Haarlem is hiervan een opvallend voorbeeld. Deze vaart werd in 1657 in de laag gelegen strandvlakte aangelegd. Twee eeuwen later werd het spoor langs deze trekvaart gelegd, met als gevolg dat deze lijnen op afstand van de dorpen op de strandwal lopen.

Vanwege de sterke noord-zuid gerichtheid van het wegenpatroon en het feit dat de Bollenstreek vanuit de noordelijke randstad gezien achter de Haarlemmermeerpolder ligt is de Bollenstreek in oost-west richting slecht ontsloten. De Hollandse kust is een geliefd woongebied en die druk op het grondgebruik is ook in de Bollenstreek merkbaar. De afweging in hoeverre er bollengrond wordt opgegeven voor woningbouw of recreatieterreinen is de laatste decennia intensief gevoerd en heeft inmiddels geleid tot afspraken over het minimaal te handhaven areaal bollengrond. AMBITIES • In inrichting van de wegen en bebouwingslinten het onderscheid strandwallen en strandvlaktes zichtbaar maken; • Doorzichten naar de duinen, landgoederen en de binnenduinrand behouden; • Waar mogelijk opgaande beplanting op de strandwallen aanbrengen; • Behoud van de karakteristieken van het zanderijlandschap: het raster van brede waterlopen en de hoger gelegen, met hagen beplante wegen. Bollentapijt Het bollengebied heeft één dominant grondgebruik: de bollenteelt, met als specialisatie de hyacintenteelt. De kalkrijke bodem van de afgegraven strandwallen en de goed te controleren grondwaterspiegel vormen ideale omstandigheden voor de bollenteelt. In de lente is de hele Bollenstreek een kleurig tapijt. De rest van het jaar zijn de agrarische gronden veelal kaal.

Vanuit de trein is de ervaring van de bloeiende bollenvelden elk jaar weer een feest. Vanaf de doorgaande wegen in de Bollenstreek is die ervaring minder spectaculair. De N206 is grotendeels ingeplant met struweel en provinciale wegen die vanaf de A44 de Bollenstreek in leiden gaan grotendeels door een gebied dat verdicht is met bedrijfsbebouwing. De bollengrond strekt zich uit van de rand van de jonge duinen tot aan de bebouwingskernen Hillegom, Lisse en Sassenheim op de strandwal. In de Intergemeentelijke Structuurvisie Greenport (ISG)is vastgelegd dat er altijd 2625 ha eerste klas 21

bollengrond (grond geschikt voor hyacintenteelt) gehandhaafd moet blijven. Het verlies van oppervlakte van deze bollengrond moet gecompenseerd worden: door het slopen van bebouwing, het verbeteren van de kwaliteit van tweede klas bollengrond of door het omzetten van daarvoor aangewezen graslanden. Deze regel is een harde garantie voor het behoud van productiegrond en voor het behoud van open ruimte. De Bollenstreek geldt als greenport voor de bollenteelt. Het gaat hier om het complex van teelt, handel en kenniscentrum. Door de verspreide bebouwing langs de wegen wordt de ruimtelijke opbouw van het bollenlandschap ervaren als kamers: vlakke open ruimtes met verdichte randen. In het Landschapsperspectief van de ISG is aangegeven in welke kamers er nog verdichting van bebouwing mag plaatsvinden, waar dat alleen onder voorwaarden mag plaatsvinden (ja, mits) en waar gestreefd wordt naar het actief vergroten van de openheid. Uit die beleidskeuzes komt het beeld naar voren dat langs de binnenduinrand, in de strandvlaktes langs de Haarlemmertrekvaart en ten zuiden van de Keukenhof de openheid actief wordt vergroot. Hier kunnen daardoor grootschalige open zones ontstaan, die de landschapsstructuur zichtbaar maken. In delen van het waardevolle zanderijlandschap ten westen van Lisse is verdichting door bebouwing onder voorwaarden mogelijk.

Het is een ontwerpopgave hoe hierbij de landschappelijke karakteristieken behouden kunnen blijven. De bollenteelt is nog steeds aan een sterke intensivering en schaalvergroting onderhevig. Het is een productielandschap met veel dynamiek, waar grondruil en verbetering van de ontsluiting en ontwatering nog steeds aan de orde is. Aan deze verbetering van de productieomstandigheden is ook de ambitie van de landschapsbouw toegevoegd: compenserende maatregelen die een ondernemer moet treffen om te kunnen uitbreiden. Het maken van een groen landschappelijk kader kan zorgen voor een natuurlijke windbeschutting voor de bollen en voor een betere recreatieve ontsluiting van het landschap. Sterke groene randen van de kamers vormen een duidelijk landschappelijk kader voor de bebouwing. Het landschappelijke raamwerk laat uitbreiding van bestaande bedrijven of nieuwe bebouwing toe, zonder dat het beeld te rommelig wordt. Een zorgvuldige vormgeving en positionering van de bebouwing is belangrijk voor de beeldkwaliteit van het productielandschap.

AMBITIES • De specifieke kwaliteiten van het landschap als bollentuin versterken door zones open te houden en groene randen langs de kamers op de strandwallen te maken; • Vanuit de oost-west wegen de verschillende landschappen zichtbaar maken; • Entrees en randen van het bollentapijt accentueren; • Aan bollenteelt gekoppelde bedrijfsgebouwen goed vormgeven verspreid door het landelijk gebied. • Woonlandschap De Duin- en Bollenstreek is een kustlandschap, een productielandschap voor de tuinbouw en een woonlandschap. Het is een verstedelijkt gebied, met een grote variatie in woonvormen: tuinderswoningen, arbeidershuisjes, landhuizen, stedelijke linten, buurtschappen, kernen op de strandwal, kernen in de binnenduinrand, recreatiewoningen, 22

duinvilla’s, klooster, instituten en voormalige instituten die tot woningen zijn getransformeerd. De bollenteelt brengt specifieke bebouwing met zich mee: bollenschuren, ondersteunend glas en aan de bollenteelt gelieerde bedrijvigheid en transport. Juist die menging en variatie is een karakteristiek van het gebied. In de loop van de tijd hebben zich niet alleen langs de noord-zuid verlopende wegen maar ook langs de oost-west wegen bebouwingslinten ontwikkeld. Het is kenmerkend voor de bebouwingslinten dat ze bijna altijd uit een mix aan woningen bestaan, die een verschillende omvang en ouderdom hebben. Bijna alle lintbebouwing is aan twee zijden van de weg gesitueerd. In de Bollenstreek ligt de opgave om naast de voorziene uitbreiding van de woonkernen in het buitengebied nog 600 Greenport-woningen te bouwen. Dit kan deels geclusterd worden uitgevoerd, en deels ook gespreid door het gebied. Deze bouwopgave kan worden benut om landschappelijke verschillen in het gebied te versterken. Waar bollenbedrijven stoppen doet zich in de linten de opgave voor om de sloop van bedrijvengebouwen te compenseren door woningbouw. Hierbij gaat het om een zorgvuldige inpassing van de bebouwing in het lint. AMBITIES • Voorkomen dat de kernen aan elkaar groeien; • Behouden en versterken diversiteit van het woonlandschap; • Benutten bouwopgave voor het versterken van de landschapsstructuur.

Drie soorten ruimtelijke ontwikkeling Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: - De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied (‘korrelgrootte’) bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het ‘laadvermogen’ van een coulisselandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder. - Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid. Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is. Er wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling; inpassing, aanpassing en transformatie.

23

Inpassing wordt gedefinieerd als “een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap, dorp of stad. De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de maat en de aard van de bestaande kenmerken van een gebied. De ontwikkeling speelt zich af op het niveau van een kavel. Een voorbeeld hiervan dat expliciet genoemd wordt is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied of een woning in een lint. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks en wordt voldaan aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met topkwaliteit”. Het plan valt gelet hierop onder de categorie ‘inpassing’ te scharen: uitbreiding van een bestaand agrarisch bedrijf. De openheid wordt niet aangetast omdat er in de huidige situatie geen sprake is van doorzichten naar het achterliggende open gebied. Het initiatief is zodoende in overeenstemming met de Omgevingsvisie. Beoordeling en conclusie Het plan doet geen afbreuk aan de omgevingskwaliteit, draagt bij aan het versterken van het economisch klimaat, meer specifiek de bollensector. Het plan is zodoende in overeenstemming met de Omgevingsvisie. 3.3.2

Omgevingsverordening 2021 De provincie Zuid-Holland kiest ervoor om in aanloop naar de komst van de Omgevingswet twee belangrijke kerninstrumenten van deze wet – de omgevingsvisie en de omgevingsverordening – op basis van huidig recht vast te stellen. Deze verordening integreert achttien verordeningen met het oog op het vereenvoudigen en harmoniseren van de provinciale regels voor de fysieke leefomgeving. Relevant voor dit plan is met name de regel over ruimtelijke kwaliteit: Artikel 7.43a (borgen ruimtelijke kwaliteit) 1 Een omgevingsplan laat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling alleen toe als de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. Beoordeling en conclusie De functie is passend binnen het gebied/ de gebiedsidentiteit en is van kleinschalige aard zodat het gaat om inpassen. In hoofdstuk 2 is gelet op de verordening de ontstaansgeschiedenis beschreven, het plan doet hier geen afbreuk aan. De ruimtelijke kwaliteit blijft met dit plan dus per saldo gelijk. Van belang in dit verband is ook dat er een gebied met beschermingscategorie 3 geldt ter plaatse. Dit betreft de ligging in landelijk gebied. Een omgevingsplan voor een locatie met beschermingscategorie 3 als bedoeld in artikel 7.42, derde lid, kan ontwikkelingen mogelijk maken die kunnen

24

vallen onder soort inpassen, aanpassen of transformeren en die in overeenstemming zijn met artikel 7.43h. Zie eerder dit hoofdstuk, het gaat om inpassen en er vindt geen afbreuk van de landschappelijke kwaliteiten plaats. Ook is relevant de ligging in bollenteeltgebied. De volledige regeling die hierbij hoort luidt: Artikel 7.58 (bollenteeltgebied) 1 Een omgevingsplan voor het bollenteeltgebied, laat primair bollenteeltbedrijven, bestaande gemengde bollenteelt- en glastuinbouwbedrijven en bestaande stekbedrijven toe, evenals de daarbij behorende voorzieningen. 2 Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan voorzien in kassen: a.bij een volwaardig bollenteeltbedrijf tot ten hoogste 3.000 m2 per bedrijf; b.bij een bestaand volwaardig gemengd bollenteelt- en glastuinbouwbedrijf tot ten hoogste 6.000 m2 per bedrijf; c.bij een bestaand volwaardig stekbedrijf tot ten hoogste 6.000 m2 per bedrijf. 3 In afwijking van het tweede lid, onder a, kan het omgevingsplan voorzien in kassen tot meer dan 3.000 m2 bij een volwaardig bollenteeltbedrijf, mits: a.tegenover de uitbreiding van de bestaande kassen in gelijke mate de duurzame sanering staat van kassen elders binnen het bollenteeltgebied; b.de ruimtelijke kwaliteit binnen het bollenteeltgebied per saldo wordt verbeterd; en c.de te saneren kassen zijn opgericht voor 1 januari 2014.

4 Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan ook voorzien in greenportwoningen en compensatiewoningen. 5 Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan ook voorzien in uitbreiding van bestaande handels- en exportbedrijven op locaties binnen het bollenteeltgebied, mits: a.dit noodzakelijk en doelmatig is voor de bedrijfsvoering; b.verplaatsing naar een bedrijventerrein geen reële mogelijkheid is; en c.de ruimtelijke kwaliteit niet significant wordt aangetast. 6 Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan bij uitzondering een andere ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maken als sprake is van een zwaarwegend algemeen belang en er geen reële andere mogelijkheid is. 7 In afwijking van het eerste lid, kan het omgevingsplan beperkte uitbreiding van bestaande bebouwing of functies of wijziging daarvan naar een andere functie toelaten, mits aangetoond is dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het bollenteeltgebied. 8 Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan bij uitzondering huisvesting voor short- en midstayverblijf van arbeidsmigranten toelaten voor een periode van maximaal 15 jaar na ingebruikname van de huisvestingslocatie als: a.er geen herstructureringsplannen aanwezig zijn; en b.de bollenteeltfunctie daarna wordt hersteld.

9 In aanvulling op het zevende en achtste lid, houdt het omgevingsplan voor de huisvesting voor short- en midstay-verblijf van arbeidsmigranten rekening met de volgende voorwaarden: a.er is sprake van een goed woon- en leefklimaat; b.de huisvesting is zo mogelijk zichtbaar vanaf de openbare weg; c.de locatie is goed ontsloten vanaf de openbare weg; en d.de locatie ligt op een redelijke afstand van voorzieningen binnen de kernen. 10 Een omgevingsplan voor het bollenteeltgebied, bedoeld in het eerste lid, dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling anders dan bollenteelt toestaat in een gebied dat in het voorgaande omgevingsplan is aangewezen voor bollenteelt, voorziet in

25

compensatie van bollenteeltgebied door een overeenkomst hierover met de Greenport Ontwikkelingsmaatschappij Duin- en Bollenstreek. 11 Voor zover ten behoeve van de compensatie van bollenteeltgebied, bedoeld in het tiende lid graslanden worden gebruikt, dan wordt daarvoor het compensatiegebied bollenteelt gebruikt. Dit plan voorziet in een uitbreiding van een bollenbedrijf en past binnen dit artikel. Er zijn ter plaatse nog andere werkingsgebieden van toepassing, die evenwel geen relevantie hebben voor dit plan en daarom buiten beschouwing gehouden kunnen worden, zie navolgende afbeelding. Zodoende past het plan binnen de Omgevingsverordening.

Uitsnede provinciale omgevingsverordening

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Omgevingsvisie Hillegom Duurzame (proef)tuin van Holland 2019, actualisatie 2021 Met de omgevingsvisie zet de gemeente de koers uit op weg naar 2030. De gemeente wil met een heldere visie aangeven waar de gemeente naar toe wil. Zo kan de gemeente haar positie bepalen en - waar dat nodig is - stelling nemen. De omgevingsvisie is daarbij de kapstok voor het toekomstig beleid en initiatieven. Duurzaamheid is hierbij het leidend principe. Hillegom wil een duurzame gemeente zijn. Daarnaast is veiligheid van belang voor de leefbaarheid. Risicovolle activiteiten worden daarom niet toegelaten op plaatsen waar ze conflicteren met de leefbaarheid. Onder een gezonde leefomgeving valt ook de aanwezigheid van voldoende groen en een goede bodemkwaliteit. De ambitie is het woon- en leefklimaat te verbeteren.

26

Beoordeling en conclusie Het plangebied ligt op de visiekaart binnen het gebiedsdeel de duurzame bloementuin, waarvoor een vijftal ambities zijn benoemd.

Uitsnede visiekaart Omgevingsvisie

In de Duurzame bloementuin staat de verbetering van de landschappelijke kwaliteit en de economische vitaliteit voorop. De open bollenvelden vormen in het voorjaar een prachtige bloementuin die vele toeristen uit binnen- en buitenland trekt. Oude bollenschuren zijn waardevolle cultuurhistorische elementen in dit unieke landschap. Het bollengebied is als onderdeel van de Greenport Duin- & Bollenstreek van grote economische waarde voor Nederland. Bedrijven uit deze regio verzorgen bijna tweederde van de mondiale handel en export van bloembollen. De openheid van de bollenvelden in combinatie met het karakteristieke slotenpatroon van de zanderijen is een gewaardeerde karakteristiek die de gemeente wil behouden. Het is daarom belangrijk om ‘verrommeling’ tegen te gaan. Dit betekent onder meer dat gestreefd wordt naar uitplaatsing van dat (grootschalige), dat vervallen schuren en verwaarloosde bedrijven worden gesaneerd of opgeknapt en dat nieuwe en bestaande bebouwing goed wordt ingepast. Maatwerkoplossingen voor bedrijfssanering of -verplaatsing zijn mogelijk onder de voorwaarden dat zo een actie bijdraagt aan een (ruimtelijke) kwaliteitsverbetering en de duurzaamheidsambities. Beoordeling en conclusie Het plan sluit aan op de Omgevingsvisie, nu een bestaand bollenbedrijf bestendigd wordt. De overkapping heeft verder geen noemenswaardige invloed op het landschap. 27

Het plan past binnen de Omgevingsvisie. Positief effect op het landschap is dat er minder buitenopslag zal plaatsvinden. De gemeente faciliteert de schaalvergroting, intensivering en herstructurering die noodzakelijk zijn voor een rendabele bedrijfsvoering indien per saldo kwaliteitsverbetering optreedt door bijdrage te leveren aan: • •

• • • •

een 100% emissieloze en residuvrije teelt met een duurzaam bodemgebruik; landschappelijke kwaliteitsverbetering met behoud of versterking van de gebiedskarakteristieken, waaronder (de beleving/zichtbaarheid van) cultuurhistorische elementen, openheid en structuren; het realiseren van een robuust klimaatbestendig watersysteem; het verhogen van de karakteristieke natuurwaarden; het bollentoerisme; energiebesparing en/of de opwekking van duurzame energie.

Voor een plan als deze (een overkapping), is het niet goed mogelijk bij te dragen aan landschapsverbetering, verhogen natuurwaarden of bollentoerisme. Wel zijn er positieve gevolgen op het gebied duurzaamheid, watersysteem (er wordt extra water gerealiseerd) en energiebesparing. Zie hiervoor meer in detail hoofdstuk 2. De aanleiding en noodzaak volgt voorts uit het adviesrapport van Clevin, zie bijlage.

28

4

Omgevingsaspecten

4.1

Milieueffectrapportage Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag om een Bopa volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage. Dit gebeurt overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit. Of een besluit over een project-mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van het project van de initiatiefnemer. In kolom 4 staan de besluiten genoemd waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan. Beoordeling en conclusie Het plan voorziet in het realiseren van een overkapping van 1.000 m2. Het gaat niet om een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld onder J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit.

Het plan ligt in bestaand stedelijk gebied en de gewenste uitbreiding is ten opzichte van de totale oppervlakte van de huidige bedrijfsvoering als kleinschalig aan te merken. Het totale plangebied, waarin het bedrijf is gevestigd, heeft een oppervlakte van 21.529 m2, hiervan is ruim 10.000 m2 bebouwd met bedrijfsbebouwing. Mede gezien de geringe planomvang is geen sprake van een stedelijke ontwikkelingsproject en daarom is geen vormvrije m.e.r beoordeling noodzakelijk. Mer-plicht op grond van natuurbescherming Een Mer plicht kan ook ontstaan vanwege wet- en regelgeving omtrent natuurbescherming. Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen aangewezen worden als Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijngebieden (Natura 2000). Met het opstellen van een plan mag het plan de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitattypen en de habitats van soorten niet verslechteren en het plan mag geen verstorend effect hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Nu het plangebied niet is gelegen binnen beschermd natuurgebied en er ook geen effecten zijn op de instandhoudingsdoelstellingen van enig Natura 2000-gebied (zie meer in detail paragraaf 4.10), ontstaat er ook geen Mer plicht als gevolg van regelgeving omtrent natuurbescherming.

4.2

Milieuzonering Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en

29

milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: 1. het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; 2. het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet sprake zijn van een zorgvuldige belangenafweging. Voor een bedrijventerrein is milieuzonering hierbij één van de te beschouwen aspecten, naast aspecten als stedenbouwkundige opzet, verkeer, bodem, luchtkwaliteit, archeologie, water, bebouwingshoogte, bouwvlakken etc. Met het instrument milieuzonering wordt een ruimtelijk kader vastgelegd voor de toelating van bedrijven ten opzichte van woningen en andere gevoelige bestemmingen, met enerzijds als doel het borgen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en anderzijds het borgen van ruimte voor bedrijven om hun bedrijf uit te oefenen. Met milieuzonering nieuwe stijl (Activiteiten en Milieuzonering, VNG, 2024) wordt specifiek dit onderdeel van de goede ruimtelijke ordening anders ingevuld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.hillegom.nl/api/v1/meetings/1816/documents/24331