02. Bundel geanonimiseerde ingekomen zienswijzen.pdf
Tekst van het document
ZIENSWIJZE 2 Aan: De colleges van B&W van de gemeenten Hillegom, Katwijk, Lisse, Noordwijk en Teylingen. Datum: 19 juli 2025.
Zienswijze Bedrijfsleven Bollenstreek (verder BB) op “Programma landelijk gebied en duurzame greenport Duin en Bollenstreek: Ingediend door: Bedrijfsleven Bollenstreek, namens de drie betrokken verenigingen Noordwijkse Ondernemers Vereniging, Business Platform Teylingen en Ondernemend Hillegom door Willem Heemskerk, voorzitter. Reden: reactie op de beperkende tekst zoals geformuleerd in het program inzake ruimte voor bedrijven. Bijlagen: Manifest Ruimte voor bedrijven. Onderstaande tekst komt uit het program zoals dit voorligt: Een bedrijvige regio met respect voor de omgeving Ondernemers en bedrijven in de Duin- en Bollenstreek zorgen voor banen en inkomen. In het Programma LGDG heeft bedrijvigheid een belangrijke plek, met tegelijk oog voor het landschap. Bedrijven die geen relatie hebben met de Greenport, kunnen vooral uitbreiden op bestaande bedrijventerreinen. Zo kan het landelijk gebied gebruikt worden voor bedrijven die juist wel een relatie hebben met de Greenport. De Duin- en Bollenstreek is grensverleggend in maakindustrie die veel kennis vraagt. Kennisen innovatie helpen de economie verder te ontwikkelen. Bedrijven die hieraan bijdragen krijgen de mogelijkheid om te groeien. 1e schriftelijke reactie Bedrijfsleven Bollenstreek: Op 22 oktober 2024 heeft BB als volgt gereageerd: Naar aanleiding van de op 16 oktober jl.
ontvangen presentatie met betrekking tot de herijking ISG willen wij, namens Bedrijfsleven Bollenstreek (verder BB), het volgende meegeven. BB is overigens een koepelorganisatie welke drie leden kent, namelijk de Noordwijkse Ondernemers Vereniging, Business Platform Teylingen en Ondernemend Hillegom. Door diverse deelnemers uit de gremia van BB is in de spons-fase van dit traject ruimte gevraagd voor een drietal uitdagingen: Ruimte voor Bedrijven, Ruimte voor Wonen en Mobiliteit. Na kennisneming van de presentatie met de vier daarin geschetste denkmodellen zien we onze input onvoldoende terug.
De aandacht voor ruimte voor bedrijven is vanuit ons perspectief ruim onvoldoende en als die al wordt benoemd is deze specifiek gericht op een aantal sectoren en niet -zoals je zou mogen verwachten bij een herijking- op alle in de Duin en Bollenstreek aanwezige sectoren. Naar onze mening is dit een te enge benadering van het belang van de totale economie in de streek. De benodigde ruimte voor bedrijven is recent, rapport 5 maart 2024, door STEC in beeld gebracht middels de Bedrijfsterreinen Strategie Duin en Bollenstreek. Wij onderschrijven de bevindingen uit dit rapport. Het valt op dat er alleen bij de denkrichting 1. ‘business as usual’ een verwijzing te vinden is naar de regionale bedrijfsterreinen strategie. Dat dit bij de overige denkrichtingen niet wordt benoemd vinden wij verontrustend. Uit het STEC rapport blijkt dat er een schrijnend tekort is aan ruimte voor bedrijven. Bedrijven vormen de motor van de regio (denk aan werkgelegenheid, (financiële) ondersteuning van het verenigingsleven en culturele activiteiten in de regio, etc.). Voorkomen moet worden dat die motor stilvalt. In het kader van de herijking van de iSG kunnen de uitkomsten uit het STEC rapport, naar de mening van BB, niet worden genegeerd.
In de strategische Agenda Ruimte Duin- en Bollenstreek uit 2012 worden de Zone A44 Sassenheim en Mobilliteitshub Noordelijke Bollenstreek met name genoemd als potentiegebieden. Wij vinden dat deze met name genoemde potentiegebieden moeten worden meegenomen in de herijking ISG Daarnaast vinden de ondernemers dat het aspect ‘bereikbare regio’ in alle 4 de denkrichtingen onvoldoende aandacht krijgt. In de Bollenstreek dreigt ‘een verkeersinfarct’. Het is in ieders belang, ook de agrarische sector, dat dit aspect bij voorrang wordt opgepakt. Bij de provincie wordt dit onderkend. Wij missen dit in alle 4 de denkrichtingen. Voor BB is de bereikbaarheid van de regio topprioriteit en ziet dit ook graag bij de herijking van het ISG als zodanig terug. In dit kader verwijzen we naar een recent verschenen haalbaarheidsstudie, welke is aangeboden aan de provincies Noord- en Zuid-Holland en de gemeenten in de Bollenstreek, inzake doortrekken van de N207 naar de N206. Uit deze studie blijkt dat dit dé oplossing voor de bereikbaarheid van de streek is. En groot aantal branche organisaties, waaronder BB, onderschrijft deze studie. Uiteraard zien de ondernemers ook dat de ruimte in de Bollenstreek schaars is en dat er keuzes gemaakt moeten worden.
Echter vinden wij ook dat dit moet worden afgewogen met als basis beleidsstukken die in ieder geval het brede spectrum moet dekken en recht doen aan de stand van de regio, economie en woningbouwopgaven in 2024.. In de voorgestelde denkbeelden zien wij de belangen voor de ondernemers onvoldoende terug. 2e schriftelijke reactie Bedrijfsleven Bollenstreek: Op 11 november 2024 heeft BB als volgt gereageerd: Na kennis te hebben genomen van de inhoud van de storyroom en input van de drie voorzitters van de aangesloten ondernemersverenigingen hierbij een vervolgreactie.
Op 22 oktober j.l. heb ik namens de drie ondernemersverenigingen onderstaande mail verzonden nav de sessie die d.d. 8 oktober heeft plaatsgevonden. In deze mail ook de vier van belang zijnde bijlagen. Ik heb deze in deze mail wederom bijgevoegd. Wat opvalt is dat wij van de door ons gegeven input niets terugzien. Er wordt veelal ingezoomd op het agrarisch bedrijfsleven. Wij willen met nadruk aangeven dat het bedrijfsleven in de Bollenstreek bestaat uit meer dan alleen agrarische bedrijven. Bovenstaand heb ik onze opmerkingen en aanvullingen al verwoord. Deze geven goed weer waar onze zorgen liggen. Vanuit de ondernemersverenigingen is de zorg echter alleen maar toegenomen door de beperkte scoop van de weergegeven bevindingen. Wij zien de belangen voor de werkgevers en de daaraan gekoppelde werkgelegenheid onvoldoende terug. Afrondende reactie: In het programma landelijk gebied en duurzame greenport Duin en Bollenstreek is te weinig aandacht en ruimte voor de noodzakelijke uitbreiding van bedrijfsterreinen zoals verwoord in het rapport 5 maart 2024 en door STEC in beeld gebracht middels de Bedrijfsterreinen Strategie Duin en Bollenstreek.
Manifest Bedrijfsleven Bollenstreek Werken (Is er binnen de grenzen van de Bollenstreek nog wel voldoende ruimte voor bedrijven) De Bollenstreek wordt naast een fantastische woonlocatie, ook gezien als een economische regio. Maar we doen het niet zo goed als we de uitkomsten van bijvoorbeeld bureau Louter mag geloven. Dus ligt daar een uitdaging als het gaat om stimulering van de economie. Vanuit de lokale overheid is in 2018 de Economic Board opgezet om een economische impuls te geven aan deze streek. Middels een aantal businesscases zijn er initiatieven ontplooid om, met een groeiambitie, te komen tot meer hoogwaardige bedrijvigheid en daarmee ook meer banen. Daarvoor is ruimte nodig, ruimte die in deze streek beperkt aanwezig is en welke met grote vraagstukken als mobiliteit, woningbouw en historisch besef al op lijkt te zijn voor we de uitdaging kunnen en willen oppakken. Maar als je balans wilt tussen werken, wonen en recreëren zal je toch balans moeten vinden in de samenhang tussen de factoren die deze streek zijn invulling geven. Uit onderzoek blijkt dat er voor de komende jaren behoefte is aan ongeveer 20 tot 25 hectare aan bedrijfsterreinen. Uit gegevens blijkt ook dat de laatste jaren te weinig bedrijfsterrein is ontwikkeld en dat deze ontwikkeling nu onder druk staat door de grote vraag naar bouwgrond voor de realisatie voor woningbouw.
Op zich een ontwikkeling die past in de huidige tijdgeest. Echter het gaat altijd om balans tussen wonen, werken en recreëren. Dan kan en mag je als lokale overheid de vraag naar bedrijfsterreinen niet negeren. Vanuit Bedrijfsleven Bollenstreek hebben we een aantal aandachtspunten benoemd welke in dit manifest zijn opgenomen. Kanttekening daarbij is dat wij de wijsheid en de oplossing ook niet panklaar hebben, maar we denken dat onze uitgangspunten richting kunnen geven. Onze algemene beleidsuitgangspunt is dat wij ieder initiatief welke leidt tot uitbreiding van bedrijfsterreinen zullen ondersteunen. Uitgangspunten: •
Bedrijfsterreinen worden over het algemeen op het maaiveld bebouwd. Hoger bouwen is in sommige gevallen zeker mogelijk maar onvoldoende onder de aandacht.
•
Half verdiept parkeren scheelt parkeerplaatsen en kan leiden tot verdichting van de beschikbare hectaren bedrijfsterrein.
•
Revitalisering en verdichting van bestaande terreinen krijgt nog onvoldoende aandacht en kan winst genereren.
•
De LES laat zien dat veel behoefte is aan wind en zonne-energie. In de streek zijn al op een paar plekken zonnepanelen op het maaiveld geplaatst. Dat is gezien de beperkte ruimte onvoorstelbaar.
•
Gebruik de daken van bedrijven en overheidsgebouwen om plaatsing zonnepanelen te realiseren.
•
Zorg voor een goede ontsluiting van de bedrijfsterreinen en aansluiting op bestaand of nieuw te realiseren wegennet met voldoende capaciteit.
•
Zorg bij de invulling van bedrijfsterreinen voor vestiging van intensieve bedrijven welke ook bijdraagt aan de creatie van voldoende arbeidsplaatsen.
•
Zorg bij realisatie ook voor dat kan worden voldaan aan de gevraagde energiebehoefte.
ZIENSWIJZE 3
Aan de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Hillegom, Katwijk, Lisse, Noordwijk en Teylingen
Datum Betreft
21 juli 2025 Zienswijze Ontwerp Programma Landelijk Gebied en Duurzame Greenport Duin- en Bollenstreek
Stek Wilhelminalaan 3 Hillegom Postbus 126, 2160 AC Lisse 0252 430 500 info@stek-wonen.nl www.stek-wonen.nl NL65 RABO 0336 5872 36 BTW nr. NL0025.286.42.B.01 KVK Den Haag 28023790
Geacht college, Met interesse hebben wij kennisgenomen van het Ontwerp Programma Landelijk Gebied en Duurzame Greenport Duin- en Bollenstreek. Het document laat zich lezen als een doortimmerde en samenhangende visie op de verdere ruimtelijke ontwikkeling van de regio. Met name zijn we verheugd over de aandacht voor het wonen in de Bollenstreek. De conclusie dat er een groot tekort is aan betaalbare woningen voor diverse doelgroepen (met name starters, jongeren en senioren) kunnen we van harte delen en onderstrepen. Evenals de conclusie dat de nu bekende nieuwbouwplannen binnen de stads- en dorpsgrenzen niet toereikend zijn om in de toekomstige behoefte te voorzien. Daarvoor is de regionale woningnood te groot, het huidige planaanbod (hoewel niet onaanzienlijk) te gering, en het toevoegen van nieuwbouw in bestaande wijken en buurten te complex. Prognosemodellen laten zien dat, mede als gevolg van migratiepatronen en gezinsverdunning, de uitbreidingsbehoefte in elk geval tot 2040 zal doorgroeien. Naast kwantitatieve tekorten is er ook sprake van een forse kwalitatieve opgaaf: zo zorgen gezinsverdunning en vergrijzing ervoor dat de bestaande woningvoorraad onvoldoende aansluit bij de toekomstige vraag. Wij ondersteunen dan ook van harte de inzet om 50 ha aan grond in het buitengebied t.b.v.
(nu nog) de bouw van greenportwoningen aan te wenden voor reguliere woningbouw, waarvan minimaal 65% in het betaalbare prijssegment. Dit zou een wezenlijke bijdrage leveren aan het benodigde volume aan bouwgrond voor o.a. sociale huur- en middenhuurwoningen in de Bollenstreek. En daarmee perspectief bieden voor woningzoekenden uit de Bollenstreek. Met vriendelijke groet, Joke van den Berg bestuurder
1/1
ZIENSWIJZE 4 Aan: colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Hillegom, Katwijk, Lisse, Noordwijk en Teylingen Betreft Ontwerp PLGDG
Geachte colleges, Stichting Duinbehoud maakt graag gebruik van de mogelijkheid voor indienen van een zienswijze. Stichting Duinbehoud behartigt het natuurbelang in en rond het Nederlands Duingebied, de kustzone die bestaat uit het strand, de duinen en het strandwallenlandschap. Met belangstelling heb ik het ontwerp PLGDG gelezen. Ik ben blij met de uitgangspunten dat water en bodem sturend zijn, dat het open landschap wordt bevorderd, dat natuurgebieden worden versterkt en kansen voor natuurontwikkeling en groen/blauwe dooradering worden benut. Ook zijn we als Stichting Duinbehoud blij dat er gekozen is voor beperkte extra woningbouw, tegen de bebouwde kom van de gemeentekernen, die in de plaats komt van (nog niet geplande) verspreide Greenportwoningen. Graag wil ik voor de toekomst van de duin- en bollenstreek het volgende meegeven: Het is een mooi streven dat water en bodem sturend zijn, maar dit wordt niet concreet uitgewerkt. Tijdens de bijeenkomst op 10 juli van de RO Duin- en Bollenstreek in Voorhout bleek ook bij de presentatie van het Hoogheemraadschap van Rijnland en de daarop volgende discussie dat dit onderwerp zich nog niet goed laat sturen, en meer ruimtelijke ordening hierover wenselijk is.
De uiteindelijke doelstelling is volledige realisatie van de NNN, met daarin: - robuuste ecologische verbindingen tussen de noordduinen, Leeuwenhorst en landgoed Offem - een ecologische noord-zuid verbinding tussen Coepelduynen en de Noordduinen, zowel aan de kant van strand en zeereep als aan de binnenduinrand. - Verdere natuurontwikkeling langs de gehele binnenduinrand, als hydrologische buffer en als buffergebied voor recreanten, om de duingebieden te ontzien. Bijvoorbeeld inrichting van de Mient Kooltuin als natuur- en recreatiegebied i.v.m. de geplande nieuwe woonwijk Valkenhorst. Stichting Duinbehoud heeft een uitgebreid onderzoek gedaan naar de kansen en mogelijkheden langs de binnenduinrand, zie het rapport “Kansen voor versterking van de natuur in en rond Natura 2000-gebieden”, door Marc Janssen en Marijke Langeveld, hier bijgevoegd. Het is geen eenvoudige puzzel om de NNN te realiseren en de groen/blauwe dooradering van 3,9% naar 7% van het areaal te tillen, en tegelijkertijd 50 ha woningbouw te realiseren en de bestaande bedrijven in stand te houden.
KvK 41165217
-
ANBI 8024.18.764
-
Donaties IBAN NL38 ASNB 8804 5141 32
-
Zakelijk IBAN NL07 TRIO 0197 9880 67
Dit mag niet ten koste gaan van bestaande natuurwaarden en biodiversiteit, zoals in de bestaande graslanden en akkers. Realisatie van de doelen moet waar mogelijk worden gezocht in de sanering van de aanwezige “verrommeling” Stichting Duinbehoud is geen voorstander van een nieuwe oost-west verbinding voor verkeer in de noordelijke bollenstreek. Dit versnippert de streek nog verder, het gaat ten koste van bollengrond, en kan leiden tot een ongewenste landschappelijke scheiding, met onderbreking van zichtlijnen. Nut en noodzaak voor deze verbinding ontbreken in elk onderzoek. Mochten er vragen zijn naar aanleiding van deze zienswijze kan contact met mij worden opgenomen. Stichting Duinbehoud denkt graag aan de voorkant met plannen mee. Met vriendelijke groet,
Marion Bilius Stichting Duinbehoud Duinconsulent Noordwijk en AWD marionbilius55@gmail.com 06 2314 8458
KvK 41165217
-
ANBI 8024.18.764
-
Donaties IBAN NL38 ASNB 8804 5141 32
-
Zakelijk IBAN NL07 TRIO 0197 9880 67
Kansen voor versterking van de natuur in en rond Natura 2000-gebieden Ruimte voor dieren en planten in de binnenduinenrand van Zuid-Holland
november 2024 Marc Janssen en Marijke Langeveld Stichting Duinbehoud
1
Inhoudsopgave 1. Inleiding....................................................................................3 2. Doel van dit project..................................................................... 3 Gidssoorten als basis............................................................4 3. Beschrijving binnenduinrand.........................................................5 Geschiedenis........................................................................5 Herstel van de binnenduinrand...............................................6 4. Gidssoorten van de binnenduinrand...............................................7 Zoogdieren..........................................................................9 Vogels................................................................................17 Reptielen en amfibieën.........................................................25 Insecten............................................................................. 27 5. Biotopen van de binnenduinrand..................................................34 1. Wateren.........................................................................35 2. Riet en ruigte..................................................................36 3. Struweel.........................................................................37 4.
Bosgebieden...................................................................38 5. Graslanden.....................................................................40 6. Akkers............................................................................42 7. Bebouwde kom................................................................43 6. Kansen voor versterking van de biodiversiteit.................................45 1. Rood in het groen, groene buffers......................................46 2. Graslanden.....................................................................59 3. Groen/Blauwe dooradering................................................75 4. Groen om de woning........................................................98 5. Waterbuffers..................................................................102 6. Zilte natuur....................................................................104 Bijlagen en literatuur.....................................................................106 Bijlage 1 – Overzicht van habitattypen en habitatrichtlijnsoorten in Natura2000 gebieden van de duinen van Zuid-Holland.............106 Bijlage 2 – Gespreksverslag workshop 20 september...............107 Verantwoording afbeeldingen en literatuur..............................111
2
1.
Inleiding
Het verbeteren van de natuurkwaliteit rondom Natura 2000-gebieden is één van de mogelijke maatregelen die wordt genoemd in de natuurdoelanalyses voor het bereiken van de Natura 2000-doelstellingen. Deze verkenning richt zich op het instellen van zogenaamde bufferzones of overgangsgebieden langs de binnenduinrand, deels in combinatie met het realiseren van ecologische verbindingen. Deze overgangsgebieden kunnen ruimte bieden voor waterbuffering, recreatie-opvang of het afvangen van stikstofdepositie en vormen een aanvullend leefgebied voor flora en fauna. Dit laatste geldt met name voor diersoorten die voorkomen in de Natura 2000-gebieden en die door een goede inrichting van de overgangsgebieden de ruimte krijgen voor verbetering van hun leefgebied.
2.
Doel van dit project
In dit project worden de kansen en mogelijkheden verkend voor het verbeteren van de leefomstandigheden van (groepen) diersoorten die voorkomen in Natura 2000-gebieden door het inrichten van overgangsgebieden langs de binnenduinrand tussen Hoek van Holland en De Zilk. Het werkgebied wordt weergegeven in figuur 1. Door de leefomstandigheden voor de geselecteerde diersoorten te verbeteren worden ook de kansen voor een vegetatieontwikkeling verbeterd die passen bij de binnenduinrand. Vervolgens worden in dit rapport Figuur 1 - in lichtgroen gearceerd het werkgebied van dit project, met maatregelen benoemd voor inrichting en beheer die nuttig of nodig zijn rode pijlen de ecologische verbindingen. voor de gewenste ontwikkeling. De adviezen die hieruit voortvloeien zijn generiek van aard: ze zijn gebaseerd op basisprincipes die gelden voor de gehele binnenduinrand en kunnen op meerdere locaties worden toegepast. Het werkgebied van dit project loopt van Hoek van Holland tot aan De Zilk. Om vanuit een algemene beschrijving tot een tastbaar beeld en concrete maatregelen te komen, is in het kader van het project een veldverkenning uitgevoerd, waarbij is gekeken naar kansrijke locaties voor verbetering van het leefgebied van de gidssoorten. De kansrijke locaties zijn op kaart aangegeven en verduidelijkt met tekst en illustraties.
3
De uitkomsten van dit project leiden nog niet direct tot maatregelen die gereed zijn voor uitvoering. Daarvoor zal eerst het gesprek moeten worden gevoerd met de grondeigenaar, met het bevoegd gezag en zal financiering moeten worden gevonden. Dit project is bedoeld om richting te geven, als een leidraad. Gidssoorten als basis De inhoudelijke adviezen in dit rapport zijn gebaseerd op het verbeteren van het leefgebied van 19 diersoorten: de gidssoorten voor de binnenduinrand. In hoofdstuk 4 van deze rapportage worden de gekozen gidssoorten beschreven. De selectie van de soorten staat niet op zich: hun aanwezigheid gaat samen met de aanwezigheid van andere diersoorten, plantensoorten en biotopen. Het gaat om soorten die voorkomen in het duingebied en waarvan het leefgebied kan worden verbeterd door inrichting en/of beheer van overgangsgebieden. De gidssoorten staan ook model (of geven een indicatie) voor de kwaliteit van de natuur in de overgangsgebieden. Leidend bij de keuze van de gidssoorten zijn de zogenaamde icoonsoorten van de provincie Zuid-Holland (Provincie Zuid-Holland, 2024) De soortengroepen waaruit een selectie is gemaakt betreft insecten (bijen, vlinders, libellen en waterjuffers), amfibieën, vleermuizen, vogels en kleine zoogdieren. Per soort worden de belangrijkste habitats omschreven en wordt aangegeven waar zij momenteel in ZuidHolland voorkomen.
Vervolgens worden voor deze gidssoorten de kansen en mogelijkheden voor het verbeteren van het leefgebied in beeld gebracht door (kleinschalige) inrichtingsmaatregelen, zoals een aangepast maaibeheer, het benutten van overhoekjes, aangepast peilbeheer of groenbeheer. Hierbij wordt gezocht naar kansen en mogelijkheden in de openbare ruimte, maar ook op particuliere gronden (landgoederen, golfbanen, tuinen, slootkanten, enz.). De begrenzing van de overgangsgebieden wordt flexibel ingevuld. De gewenste verbeteringsmaatregelen voor het leefgebied van diersoorten kan in voorkomende gevallen ook betrekking hebben op het Natura 2000gebied zelf. Dieren stellen aan hun leefomgeving eisen voor voedsel, voortplanting en veiligheid. Hiervoor moeten de meeste dieren zich tijdens hun levenscyclus kunnen verplaatsen in het landschap. Een gebied is geschikt voor een diersoort wanneer er continu aan de vier V’s wordt voldaan. Bij de inrichting en het beheer van nieuwe leefgebieden moet gewerkt worden aan de beschikbaarheid van voedsel, ruimte voor de voortplanting, voldoende veiligheid en aan ecologische verbindingen met omliggende leefgebieden (zie ook https://www.natuurkennis.nl/thema-s/fauna/fauna/v-s-voor-fauna/).
4
3.
Beschrijving binnenduinrand
Geschiedenis De rand van het duingebied aan de landzijde wordt van oorsprong gekenmerkt door een geleidelijke overgang van zand naar veen of kleigrond. Dit levert een enorme variëteit op aan biotopen en microklimaten. De natuurlijke hoogteverschillen van het duingebied zorgen voor afwisselend warme, koude, droge en vochtige plaatsen. Ook de dynamiek van verstuiving kan langs de binnenduinrand verschillen: delen die de kans hebben gekregen om dicht te groeien bieden ruimte voor het ontstaan van bos, terwijl delen die nog open zijn, of die open worden gehouden, grip geven aan de wind op het kale zand. Dit zorgt weer voor klimaatschommelingen en ruimte voor andere vegetatietypen. Lager gelegen delen die langere tijd onder water staan kunnen gaan vervenen. Za ndige hoger gelegen delen verder naar het binnenland zijn onder invloed van regenwater kalkarm geworden en kunnen een biotoop bieden voor heide, terwijl plekken waar zand vanaf de kust nog in kan waaien kalkrijk zijn. Lager gelegen delen in het binnenland kunnen gevoed worden met schoon, afstromend regenwater of met kalkrijke kwel uit het duingebied. Ook dit heeft weer een positieve invloed op de vegetatieontwikkeling en waterkwaliteit. De binnenduinrand is kortom zeer rijk aan variaties in vegetatieopbouw, bodemsamenstelling, vochtgehalte, humusgehalte en kalkgehalte.
Al die microklimaten zorgen weer voor een rijke plantengroei en gevarieerd dierenleven. Ook voor trekvogels, die tijdens het migreren vaak de kustlijn volgen, zijn de duinen van groot belang als foerageergebied. (Bakker, 1986) Figuur 2 – agrarisch gebruik en vegetatiestructuren in het De binnenduinrand kende in het verleden een geleidelijke gradiënt van duin duinzoomgebied in het verleden (B) en heden (A) (Bakker, 1986) naar het binnenland. Hier en daar vond er in de duinen kleinschalig agrarisch gebruik plaats, en er was geen intensieve beweiding of grootschalige akkerbouw.
Met de ontginning van de duinen voor wegenbouw, landbouw (bollenteelt, veenweide, glastuinbouw) en woningbouw is de binnenduinrand op veel plaatsen drastisch veranderd (figuur 3). Ook het vastleggen van de duinen
5
met naaldbomen en loofbos zorgt voor scherpe randen en minder geleidelijke overgangen. Op zich is het laten ontstaan van loofbos geen verkeerde ontwikkeling: het hoort bij de successie van het landschap, echter is op een aantal plaatsen de overgang van open duin naar bos zeer scherp geworden en heeft het unieke open duin en open struweelduinlandschap plaats moeten maken. In de huidige situatie wordt de binnenduinrand gekenmerkt door een intensief grondgebruik voor wonen, werken, recreëren en de productie van voedsel- en siergewassen. Dit gaat gepaard met harde overgangen tussen natuur en cultuur met beperkte ruimte voor planten en dieren. Op veel plaatsen is het duingebied afgegraven, in cultuur gebracht of bebouwd. Ook zijn wegen en paden aangelegd op de rand van duinen en agrarisch land en is het afstromend duinwater verdwenen uit het landschap. In schematische zin veranderde de invloed van de mens van evenwijdig aan de gradiënt ('overal weide' in de duinen tot in de polder), naar dwars op de gradiënt (geen invloed in de duinen, bollenteelt pal naast de duinen en melkveehouderij in de polder) (figuur 2). Herstel van de binnenduinrand Langs de binnenduinrand zijn afgelopen 30 jaar op diverse locaties natuurherstelprojecten uitgevoerd. Onder andere de projecten Hertenkamp, De Klip en Lentevreugd hebben mooie resultaten laten zien.
Op deze locaties is een binnenduinrand ingericht met belangrijke kenmerken van het oorspronkelijke landschap. Maar op de meeste plaatsen is herstel niet mogelijk: andere maatschappelijke functies hebben hun plek veroverd, het duinzand is verdwenen. Wat wel mogelijk is, is om op beperkte schaal meer ruimte te bieden aan flora en fauna die een binding heeft met de binnenduinrand. Dit kan bijvoorbeeld door te kijken waar overgangen in (vegetatie)structuren meer geleidelijk kunnen worden aangebracht en door kwelwater uit de duinen langer vast te houden. In hoofdstuk 5 wordt een overzicht van biotopen en herstelmogelijkheden beschreven.
Figuur 3 - Op deze foto is de harde scheiding tussen duinen en agrarisch gebruik duidelijk zichtbaar (Het Laantje, Noordwijk).
6
4.
Gidssoorten van de binnenduinrand
In dit project is gekeken naar maatregelen die bijdragen aan het leefgebied van 19 diersoorten in de binnenduinrand. In dit project is een selectie gemaakt van diersoorten die kenmerkend zijn voor de duinen en de binnenduinrand. Voor het maken van deze selectie zijn ongeveer dertig deskundigen geraadpleegd uit het netwerk van Stichting Duinbehoud. Op basis van de suggesties van de deskundigen en op basis van literatuuronderzoek is een aantal soorten geselecteerd. Dit overzicht is aangevuld met de icoonsoorten van Provincie ZuidHolland die voorkomen in de duinen of de binnenduinrand. Er zijn verschillende criteria waarop de keuze van de gidssoorten is gebaseerd. Een reden van selectie kan zijn dat een soort door meerdere deskundigen werd voorgesteld, of dat er een wens bestaat om een soort op een bepaalde locatie te krijgen. Ook kan het zijn dat een soort een sleutelrol vervult bij het creëren en in stand houden van leefgebied, denk bijvoorbeeld aan het konijn en verschillende bestuivers. Een ander argument om voor een soort te kiezen kan zijn dat het een dier is dat bij mensen tot de verbeelding spreekt, zoals de veldleeuwerik, de nachtegaal, het konijn of de ijsvogel.
Daarnaast viel de keuze op soorten die model staan voor een bepaald leefgebied dat kenmerkend is voor de binnenduinrand en daarmee ook voor een groot aantal andere soorten, bijvoorbeeld: schoon water (glassnijder, ijsvogel), soorten die oudere bomen bewonen (boomklever, rosse vleermuis), bestuivers (zilveren fluitje, bruin blauwtje, weidehommel). Enkele soorten werden geselecteerd omdat zij baat hebben bij het verbinden van verschillende leefgebieden, en het aanbrengen van verbindingen het binnenland in. Zo is de tureluur zowel afhankelijk van de kust als van weiden in het binnenland ( (Vogelbescherming, 2024). Zo vliegt de meervleermuis vanuit de bunkers in de duinen via watergangen, heggen en hagen naar het jachtgebied (bijvoorbeeld Nieuwkoop) (Zoogdiervereniging, 2024). En zo leeft de dwergmuis zowel in dichte struiken, als in rietoevers, als in akkerranden (Zoogdiervereniging, 2024). Soorten die icoonsoort zijn van Provincie Zuid-Holland kregen voorkeur boven soorten die dat niet zijn. Uiteindelijk is gekozen voor vier zoogdieren, zeven vogels, één reptiel, één amfibie en zes insectensoorten. In dit hoofdstuk geven we een beschrijving van de geselecteerde gidssoorten. Daarbij wordt ook het leefgebied beschreven, het voedsel en de “begeleidende soorten”: dieren of diergroepen die baat hebben bij het verbeteren van het leefgebied van deze soort.
Op basis van de informatie over de landschappelijke en ecologische eisen kunnen biotopen worden ingericht en beschermd. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens een aantal leefgebieden beschreven, waarbij een verwijzing gemaakt wordt naar de gidssoorten die profiteren van een verbetering van dit leefgebied. Tenslotte wordt in hoofdstuk 6 een overzicht gegeven van maatregelen in de binnenduinrand die bijdragen aan het verbeteren van dit leefgebied. Dit is deels generiek van aard en deels gespecificeerd per locatie.
7
8
Zoogdieren Konijn (Oryctolagus cuniculus) icoonsoort Zuid-Holland status: Rode Lijst kwetsbaar Biotopen: halfopen, zandige, drogere kruidenrijke landschappen Voedsel: grassen en kruiden Begeleidende soorten: zandhagedis, solitaire bijen, bestuivers, vogels Beschrijving: Konijnen leven in holen en hebben daarom een voorkeur voor zandige bodems waarin het makkelijk graven is. Ze prefereren halfopen landschappen zoals (duin)graslanden met struweel en mijden vochtige terreinen zoals moeras en veen of zware klei, omdat ze daarin geen holen kunnen graven. Ook in open polderlandschap ontbreekt het konijn veelal. Konijnen dragen met hun graas- en graafgedrag op een natuurlijke wijze bij aan het in stand houden van stuivend, open duin en duingraslanden. Ze gaan (hoog opgaande) vergrassing en verstruweling tegen en zorgen voor kleinschalige dynamiek (Aggenbach, 2018), waardoor de vegetatiesuccessie plaatselijk wordt teruggezet en er door verstuiving vers zand aan de oppervlakte komt. Herstel van gezonde konijnenpopulaties wordt dan ook als essentiële bijdrage gezien voor het herstel en behoud van kruidenrijke duinen. Konijnen selecteren individuele planten en bijten delen van planten af, kiezen voor de stengels, bladeren, bloemen of wortels.
Zij zorgen met hun eigen grazen en graven voor korte vegetaties en bezorgen kruiden een competitief voordeel ten opzichte van de overblijvende grassen (Crawley, 1990) (Ten Harkel, 1996); (Isermann, 2010). Dit is voor veel insectensoorten (denk aan solitaire bijen en verschillende bestuivers), de zandhagedis en indirect daarmee ook verschillende vogelsoorten zeer voordelig. Het konijn is hiermee een echte sleutelsoort voor het duin. Reden om deze soort op te nemen als gidssoort Het konijn is een echte sleutelsoort voor een diverse en dynamische duinnatuur en gevarieerd landschap. In de binnenduinrand is het konijn op sommige locaties nog talrijk, bijvoorbeeld op duingraslanden, golfterreinen, in parken en op sportvelden. De door konijnen begraasde gebieden gaan vaak samen met een rijke en gevarieerde kruidenvegetatie. Diverse in dit project opgenomen gidssoorten Figuur 4 - Verspreidingskaart konijn in Zuid-Holland hebben baat bij de talrijke aanwezigheid van konijnen. Het konijn is onder andere een wenssoort voor de locatie Solleveld/Duinvallei Watergat.
9
Hoe we deze soort willen ondersteunen Konijnen zijn erg honkvast en zullen niet snel hun leefgebied verlaten. Het dier kan worden ondersteund door daar waar gezonde populaties aanwezig zijn, het leefgebied bescherming te geven en waar mogelijk te vergroten, bijvoorbeeld met het verwijderen van struweel of het verwijderen van barrières. Er lopen op dit moment enkele pilots in de duinen om konijnen uit te zetten in gebieden waar geen konijnen meer aanwezig zijn.
(Zoogdiervereniging, 2024), (Jasja J.A. Dekker, 2017)
10
Dwergmuis (Micromys minutus) status: niet bedreigd Biotopen: hoog opgaande, dichte vegetaties, riet, struweel, kreupelhout, hagen, houtwallen Voedsel: zaden, granen, vruchten, bessen, mossen, paddenstoelen, wortels, insecten, rupsen Begeleidende soorten: nachtegaal, blauwborst, Noordse woelmuis Beschrijving: De dwergmuis is Europa’s kleinste knaagdier. De dieren zijn niet zwaarder dan 11 g. Door de lage dichtheden waarin de dwergmuis voorkomt en hun leven in hoge vegetaties zijn dwergmuizen vaak moeilijk waar te nemen. In de winterperiode zijn ze ook overdag actief, ’s zomers voornamelijk ’s nachts. De omvang van de leefgebieden verschilt sterk naar gelang de aard en hoogte van de vegetatie. Gemiddeld beslaat een leefgebied circa 400 m2. Per jaar kunnen er 2-4 worpen zijn, met gemiddeld vijf jongen. Aantallen in de herfst kunnen zowel lokaal als door de jaren heen sterk fluctueren; dichtheden van meer dan 200 dieren per ha zijn bekend. In Nederland komt de dwergmuis vrijwel overal voor en kan hij lokaal vrij algemeen zijn. Op de Waddeneilanden is de dwergmuis waarschijnlijk met stro ingevoerd. De dwergmuis komt voor in hoog gras, zeggen en graan- en rietvelden, ruigten en dijkbegroeiing, maar ook in kreupelhout, houtwallen, hagen, braamstruiken en in de duinen. Hij heeft geen duidelijke voorkeur voor droge of natte gebieden.
Vooral de aanwezigheid van hoog opgaande dichte vegetatie is van belang. De soort komt nauwelijks voor in intensief gemaaide gebieden. In de winter zoeken de dieren soms graanschuren, hooimijten of strobalen op. Van het voorjaar tot het najaar leeft de dwergmuis voornamelijk bovengronds en dan vooral in hoge grassen, planten en aren en is ’s nachts actief. In de winter leven ze meer op de grond en zijn dan meer overdag actief. De dwergmuis heeft een gevarieerd menu en eet zowel plantaardig als dierlijk voedsel. Zo eet hij zaden, granen, vruchten, bessen, knoppen, jonge scheuten, zacht fruit, mossen, paddenstoelen, wortels en grassen. Daarnaast eet hij ook insecten, motten, sprinkhanen en rupsen. Reden om deze soort op te nemen als gidssoort: Hoewel de dwergmuis overal in Nederland wel voorkomt, is hij nergens algemeen. De soort heeft baat bij ecologisch maai- en oeverbeheer, kunstmest- en gifvrije landbouw, houtwallen en struweelbegroeiing. Door het voor de dwergmuis leefbaarder te maken, worden ook veel andere soorten ondersteund.
Figuur 5 Verspreidingskaart dwergmuis in Zuid-Holland
11
Hoe we deze soort willen ondersteunen: Ecologisch maaibeheer, extensiveren landbouw (minder kunstmest en bestrijdingsmiddelen), aanleg of uitbreiding struweel en houtwallen, ecologisch oeverbeheer.
(Zoogdiervereniging, 2024)
12
Meervleermuis (Myotis dasycneme) icoonsoort Zuid-Holland status: niet bedreigd Biotopen: bunkers en woningen, groot open water, kanalen en beken, bosranden, vochtige weilanden Voedsel: in de avond boven water en oevers vliegende insecten Begeleidende soorten: amfibieën, waterinsecten, andere gebouwbewonende vleermuissoorten Beschrijving: De meervleermuis (Myotis dasycneme) is een grote vleermuis, met een gewicht van 14-20 gram en lange relatief brede vleugels met een spanwijdte van 20 tot 30 cm. De meervleermuis jaagt in een snelle rechtlijnige vlucht in lange trajecten vlak boven groot open water en langs oevers van plassen, meren, kanalen, rivieren en vaarten. Ook worden regelmatig meervleermuizen waargenomen boven vochtige weilanden en bosranden, binnen een straal van 500 meter van water. Ze jagen vooral op die insecten die op het wateroppervlak zitten of daar vlak boven vliegen. Boven oevers en langs vegetatie vangen ze insecten (vooral dansmuggen) uit de lucht. De watervleermuis is de enige Nederlandse vleermuissoort met een vergelijkbare jachttechniek. Meervleermuizen jagen tot op 10-20 km van de verblijfplaats. Grote afstanden naar het uiteindelijke jachtgebied worden vooral via kanalen, beken, vaarten en brede sloten afgelegd. Boven land volgen ze vaak lijnvormige landschapselementen als bomenrijen, houtwallen en dijken.
De meervleermuis is waarschijnlijk onze snelste vleermuis. Bij het jagen behalen ze soms snelheden tot wel 35 km/u. Belangrijke overwinteringsplaatsen zijn bunkers in de duinen van Zuid- en NoordHolland. Ze zijn gevoelig voor lichtvervuiling. Reden om deze soort op te nemen als gidssoort De meervleermuis is een icoonsoort voor Provincie Zuid-Holland. Deze vleermuis maakt dagelijks gebruik van de gehele gradiënt van de binnenduinrand en heeft baat bij een grote variëteit landschapselementen en kleinschalig cultuurlandschap, waar ook veel andere dier- en plantensoorten baat bij hebben. Kolonies zijn bekend van omgeving Nieuwkoop, Reeuwijk en Gouda. Meervleermuizen verbinden Nieuwkoop met de duingebieden via een netwerk van watergangen. De bunkers in de duinen zijn een belangrijke overwinteringsplaats en er overwinteren enige honderden dieren in bunkers tussen Den Haag en Wassenaar. Figuur 6 Verspreidingskaart meervleermuis in Zuid-Holland
13
Andere vleermuissoorten profiteren mee van de bescherming van de meervleermuis. Hoe we deze soort willen ondersteunen Verbindingen van bunkers in het duin naar open water meer naar het binnenland, bijvoorbeeld via kleine landschapselementen als heggen en hagen, natuurvriendelijke oevers en wateren.
(Zoogdiervereniging, 2024)
14
Rosse vleermuis (Nyctalus noctula) icoonsoort Zuid-Holland status: Rode Lijst kwetsbaar Biotopen: oude bomen, open terrein, water en moeras Voedsel: grote kevers en nachtvlinders Begeleidende soorten: grote kevers en nachtvlinders, boombewonende vleermuizen, boomklever Beschrijving: De rosse vleermuis is een van de grootste vleermuissoorten van West-Europa, met een gewicht van rond de dertig gram en een spanwijdte van 32-40 cm. De naam houdt verband met de kleur van de vacht, die roodbruin (rossig) is. De vlucht van de rosse vleermuis doet enigszins denken aan die van de gierzwaluw: hoog en snel. De afstand tussen dagrustplaats en jachtgebied wordt in de regel in een snelle rechte vlucht afgelegd, op een hoogte van honderd meter of meer. Jachtplaatsen liggen meestal in open terrein, waar met snelle duiken op insecten gejaagd wordt. De rosse vleermuis jaagt vooral boven water en moerassige gebieden en jaagt ook wel bij straatverlichting. De prooien bestaan vaak uit grote kevers en nachtvlinders, maar ook wel uit kleine, in zwermen vliegende dansmuggen. Jachtperioden liggen vooral in de avond- en ochtendschemering, en duren ongeveer een uur. Tussentijds keren de dieren terug naar hun verblijfplaatsen. In Midden-Europa staat de rosse vleermuis bekend als een trekkende soort.
In het noorden van Duitsland worden in de zomer kraamkolonies gevonden, maar zijn in de winter geen of weinig dieren aanwezig. Met behulp van ringonderzoek zijn in het verleden ook in Nederland waarnemingen gedaan die wijzen op trek. Anderzijds zijn er gebieden waar tijdens alle seizoenen rosse vleermuizen gevonden kunnen worden, zodat onduidelijk is of ook 'onze' rosse vleermuizen trekken. De rosse vleermuis is in West-Europa een uitgesproken boombewonende soort. Zowel solitaire mannetjes, groepen vrouwtjes met jongen, als dieren in winterslaap gebruiken boomholten als onderkomen. Doordat de rosse vleermuis tamelijk luidruchtig is, en de geluiden ook zonder hulpmiddelen vaak goed te horen zijn, zijn de verblijfplaatsen relatief makkelijk te vinden. Zodoende is het gebruik van boomholten door de rosse vleermuis ook al lange tijd bekend. Reden om deze soort op te nemen als gidssoort Figuur 7 Verspreidingskaart rosse vleermuis in Zuid-Holland
15
De Rosse vleermuis is een icoonsoort voor Provincie Zuid-Holland. De soort is gebonden aan oude bomen: door de landgoedbossen in stand te houden, wordt het leefgebied van deze soort, en andere soorten beschermd. Hoe we deze soort willen ondersteunen In stand houden van bossen in combinatie met het versterken van moeraszones.
(Zoogdiervereniging, 2024)
16
Vogels Tureluur (Tringa totanus) status: Rode Lijst afnemend Biotopen: vochtige kruidenrijke, laat gemaaide graslanden met pollige structuur, slootjes en plasdras. Natte, open duinvalleien. Buiten broedtijd zoute milieus, getijdengebieden (Waddenzee en Delta), ondiepe plassen en slikjes in binnenland. Voedsel: wormen, spinnen, insecten tijdens broeden, daarbuiten mollusken, kreeftachtigen, kleine visjes, kikkervisjes Begeleidende soorten: weidevogels, bodemdieren, amfibieën, waterinsecten Beschrijving De tureluur is een niet zo algemene weidevogel, die als niet-broedvogel vooral op het wad te vinden is. De tureluur is te vinden in vochtige, kruidenrijke, laat gemaaide graslanden met een pollige structuur en veel slootjes, greppels en plasdras, kwelders, natte, open duinvalleien, heiden en venen. Buiten de broedtijd vooral in zoute milieus, in getijdengebieden (Waddenzee, Delta), maar ook in ondiepe plassen en slikjes in het binnenland. Het voedsel bestaat in de broedtijd vooral wormen, insecten, spinnen. Buiten de broedtijd ook mollusken (wadslakjes), kreeftachtigen (vlokreeftjes), ook wel kleine visjes en kikkervisjes. De tureluur broedt territoriaal en monogaam, maar paren kunnen dicht bij elkaar broeden, in half-kolonies. Nest op grond, meestal goed verborgen tegen een pol gras; vouwt gras over het nest. Legtijd april-juni (in het noorden).
Eén broedsel, meestal vier eieren. Broedduur: 23-24 dagen, beide geslachten broeden. Jongen zijn nestvlieders en worden door beide ouders gehoed, maar vaak alleen door het mannetje; vaak ook splitst de familie zich. Jongen vliegvlug na 23-25 dagen. Grotendeels trekvogel, maar deel IJslandse en WestEuropese tureluurs nagenoeg standvogel. Noord-Scandinavische en Russische populaties trekken verst naar het zuiden (West-Afrika); IJslandse populatie overwintert vooral in West-Europa (Waddenzee). Reden om deze soort op te nemen als gidssoort Weidevogel die aan de kust gebonden is en voordeel heeft bij weidevogelbeheer. De aanwezigheid van de Tureluur gaat vaak samen met een rijke fauna in en langs de oever van watergangen.
Figuur 8 Verspreidingskaart tureluur in Zuid-Holland
17
Hoe we deze soort willen ondersteunen Peilverhoging, ecologisch beheer greppels en slootkanten, kruidenrijk weiland, uitgesteld maaibeheer, lage beweidingsdichtheid.
(Vogelbescherming, 2024)
18
Nachtegaal (Luscinia megarhynchos) icoonsoort Zuid-Holland status: Rode Lijst kwetsbaar Biotopen: dichte braamstruwelen met brandnetels in bosranden en houtwallen en dichte struwelen in de duinen Voedsel: insecten, oorwurmen, spinnen, regenwormen, aangevuld met allerlei bessen Begeleidende soorten: dwergmuis, diverse zangvogels, insecten en spinnen Beschrijving: De nachtegaal heeft een sterke voorkeur voor struikgewas voor hun dekking. Meestal is dit in loofbossen met een goed ontwikkelde struiklaag, maar ook in dichte houtwallen. Dichte braamstruwelen met brandnetels in bosranden en houtwallen en struwelen in de duinen zijn favoriet. Het voedsel wordt gevonden in de dikke strooisellaag op de bodem. Het zwaartepunt van de verspreiding ligt in de duinstrook. Het menu van de nachtegaal bestaat uit allerlei dierlijk voedsel, insecten, oorwurmen, spinnen, hooiwagens en regenwormen. Dit wordt aangevuld met verschillende soorten bessen. Zoekt lopend voedsel op de grond, op vaak donkere plekken in struweel. Nachtegalen broeden vanaf half mei. Ze hebben jaarlijks één legsel met 3-7 eieren. Broedduur 13-14 dagen. Nesten worden laag op de grond gemaakt in struikgewas en vaak tussen brandnetels of takken die op de grond liggen. De jongen blijven 12-13 dagen op het nest zitten. Als ze zijn uitgevlogen worden ze nog tot 2 weken door de ouders verzorgd.
Vanaf juli trekken de nachtegalen naar Afrika, half september zijn de meeste vertrokken. Kijktip Vogelbescherming: duingebied bij Wassenaar. Reden om deze soort op te nemen als gidssoort Typische soort voor dichter duinstruweel waar ook veel andere diersoorten gebruik van kunnen maken als leefgebied en/of rustgebied. De fabelachtige zang van deze verder onopvallende vogel brengt de duinen tot leven. Hoe we deze soort willen ondersteunen Tegen gaan van verdere bosvorming in de duinen en aanplant van (meidoorn) struweel langs wegen en paden langs de binnenduinrand.
Figuur (Vogelbescherming, 2024)9 - Verspreidingskaart 19 nachtegaal in Zuid-Holland
Blauwborst (Luscinia svecica) icoonsoort Zuid-Holland status: algemeen Biotopen: overgang rietmoeras naar moerasbos. Gevarieerd nat, insectenrijke omgeving. Open delen en struweel- en loofboombegroeiing. Voedsel: insecten, larven, wormen, slakjes, bessen en zaden Begeleidende soorten: amfibieën, libellen en juffers, dwergmuis, vleermuizen Beschrijving: De blauwborst heeft een voorkeur voor gevarieerde, natte en insectenrijke gebieden met open delen en een struweel- en loofboombegroeiing, met een niet geheel bedekte bodem. De geleidelijke overgang van rietmoerassen naar moerasbos vormt een uitstekend leefgebied (Oostvaardersplassen, Biesbosch, Lauwersmeer). Dit type habitat is in Nederland flink toegenomen in de afgelopen decennia, hetgeen ook de reden is waarom de blauwborst het zo goed doet in ons land. Ook in akkers, onder meer met koolzaad. Op het menu van de blauwborst staan vooral insecten, larven, wormen en slakjes. Het dieet wordt aangevuld met bessen en zaden. Zoekt vooral voedsel op de grond in de beschutting. De blauwborst broedt vanaf april tot in juli. Jaarlijks zijn er één of twee legsels, met elk 3-7 eieren. Broedduur 12-14 dagen. Het nest wordt op de grond gemaakt, verstopt tussen de vegetatie, aan de binnenkant bekleed met pluisjes en/of paardenhaar. De jongen zitten 13-14 dagen op het nest.
Alle in Nederland broedende blauwborsten vertrekken tussen eind juli en september naar de overwinteringsgebieden op het Iberisch schiereiland en westelijk Afrika (vaak ten zuiden van de Sahara). De soort is flink toegenomen doordat het geschikte habitat is toegenomen. Eet insecten, larven, wormen en slakjes, aangevuld met bessen en zaden. Zoekt vooral voedsel op de grond in beschutting. Reden om deze soort op te nemen als gidssoort Opvallende vogel met uitbundige zang. Icoonsoort Zuid-Holland. Voorkeur voor insectenrijke gebieden. Hoe we deze soort willen ondersteunen Door ruimte te maken van natte natuur met riet en open struweel en moerasbos.
(Vogelbescherming, 2024)
20 Figuur 10 - Verspreidingskaart blauwborst in ZuidHolland
IJsvogel (Alcedo atthis) status: sinds 2017 niet meer op de Rode Lijst Biotopen: Visrijk, zoet en (met bos) omsloten water. Langzaam stromende beken, plassen, vennen en meren, moeras, park Voedsel: visjes, waterinsecten Begeleidende soorten: vis, libellen en juffers, fuut, waterkevers Beschrijving: de ijsvogel is vooral een vogel van beken en rivieren met zoet, stromend water, maar broeden ook aan stilstaand water (vooral in Nederland). Ze komen voor bij meren, moeras, oevers, park en tuin, plassen, rietland en ruigte, rivieren en vennen. IJsvogels duiken in helder, liefst stromend water naar bij voorkeur visjes maar ook naar waterinsecten, zoals libellenlarven. IJsvogels stellen prijs op enkele bomen of struiken langs de oever, bij wijze van uitvalsbasis. Zitten dan vaak stil op een laaghangende tak boven het water te loeren naar visjes. Voordat hij duikt 'bidt' de ijsvogel even boven het water. Broedt vanaf februari/maart. Ze graven tunnels van zeker een 0,5 meter in zandige of lemige oevers, in wanden maar ook wel tussen wortels van bomen of in een kunstmatige ijsvogelwand. Meerdere legsels per jaar van meestal 6-7 eieren. Man en vrouw broeden de eieren in 19-21 dagen uit. De jongen zitten zo'n 22-28 dagen op het nest voor ze uitvliegen.
's Winters ook te zien bij meer open en brak of zout water, op zoek naar voldoende voedsel - kleine visjes, waterinsecten en dergelijke - en ijsvrij, helder water om dat voedsel te kunnen bemachtigen. De ijsvogel trekt niet weg. Bij koude winters gaat hij op zoek naar voedsel en verlaat zijn territorium. Reden om deze soort op te nemen als gidssoort Opvallende vogel met behoefte aan schoon, visrijk water. Geeft een indicatie voor goede waterkwaliteit. Hoe we deze soort willen ondersteunen Schoon kwelwater uit de duinen vasthouden via aanleg en verbreden van duinrellen en op geschikte locaties ijsvogelwandjes maken.
(Vogelbescherming, 2024)
Figuur 11 - Verspreidingskaart ijsvogel in Zuid-Holland 21
Boomklever (Sitta europaea) icoonsoort Zuid-Holland status: algemeen Biotopen: soortenrijke oudere bossen met loofbomen met veel stamoppervlak, enkele open plekken. Parken en tuinen. Voedsel: insecten in de schors van bomen, zaden en noten Begeleidende soorten: boombewonende vleermuizen, spechten Beschrijving: De boomklever komt voor in soortenrijke oudere bossen met loofbomen met veel stamoppervlakte. Enkele open plekken zijn uitstekend geschikt voor de boomklever. De soort is ook in parken en tuinen te zien. Het voedsel van de boomklever wordt gezocht door nauwkeurig de schors van bomen te inspecteren op insecten. Ook zaden en noten worden gegeten; boomklevers kunnen dan ook gezien worden terwijl ze verwoed inhakken op een met de poten vastgehouden vrucht. Boomklevers hakken of metselen hun nestopening precies op maat met modder zodat grotere soorten er niet in kunnen. Ze broeden vaak in oude spechtennesten. Bodem van het nest wordt bedekt met schilfers dennenschors en dode blaadjes. Boomklevers die in nestkasten broeden, maken soms een versterkt dakoverstek boven de invliegopening. Ze leggen één of twee keer eieren vanaf april met per legsel meestal 6-9 eieren. Boomklevers verblijven het gehele jaar in hun territorium. Jonge boomklevers zwerven rond. De populatie is laatste kwart van 20e eeuw ruim verdubbeld dankzij ouder en gevarieerder bos.
Reden om deze soort op te nemen als gidssoort Aanwezigheid van oude bomen met rijkdom aan insecten. Hoe we deze soort willen ondersteunen Profiteert van een bos met veel structuur. Oudere bomen, voornamelijk inheemse eiken bieden veel voedsel. Dode en afstervende bomen laten staan, bosverjonging stimuleren.
Figuur (Vogelbescherming, 2024)12 22 Verspreidingskaart boomklever in Zuid-Holland
Grauwe klauwier (Lanius collurio) status: Rode Lijst bedreigd Biotopen: ruige, halfopen gebieden met opslag van struweel of jong geboomte Voedsel: grote insecten, hagedissen, kleine zoogdieren, jonge vogels Begeleidende soorten: grote insecten, zandhagedis, rosse vleermuis Beschrijving: De grauwe klauwier is een broedvogel van ruige, halfopen gebieden met opslag van struweel of jong geboomte, kleinschalige en gevarieerde landschappen. De aanwezigheid van flink wat grote insecten als kevers, bijen en hommels is erg belangrijk, zij vormen de hoofdmoot van het menu. Verder worden hagedissen, kleine zoogdieren en jonge vogels gegeten. Foerageert vaak typisch vanaf hoge tak boven in struik, om vanaf daar naar de grond te duiken. Vangt soms ook insecten in vlucht. De naam ‘klauwier’ slaat op de gewoonte van de vogels om prooidieren op te hangen aan de doornen van bramen of andere stekelige struiken en die later op te eten. Broedt van half mei-juli, in een grote struik of kleine boom. Heeft één legsel met meestal 4-6 eieren. Broedduur 12-16 dagen. Het vrouwtje broedt, soms assisteert het mannetje daarbij. Slordig nest meestal relatief laag (1-1,5 meter) in dicht stekelig struikgewas. In de eerste week na het uitkomen blijft het vrouwtje bij de jongen, en verzamelt alleen het mannetje voedsel. Vliegvlug na 14-16 dagen.
Lange-afstandstrekker; vliegt vanaf eind juli-september oostelijk om de Middellandse Zee heen (evenals vogels uit Spanje!), om te overwinteren in zuidelijk Afrika, in Kenia, Tanzania en ten zuiden van Congo. Tot het midden van de vorige eeuw was de grauwe klauwier een typische en verspreide broedvogel van het kleinschalige cultuurland en van 'woeste gronden'. Bolwerken waren de duinstreek, de oostelijke zandgronden en Zuid-Limburg. Reden om deze soort op te nemen als gidssoort Indicatie voor kleinschalige akker- en weidelandschappen, veel structuur en diversiteit. Teken van aanwezigheid van grote insecten en hoog aanbod kleine gewervelden. Karakteristieke soort. Hoe we deze soort willen ondersteunen Stimuleren halfopen, structuurrijke vegetaties met heggen en hagen.
(Vogelbescherming, 2024)
Figuur 13 - Verspreidingskaart grauwe klauwier 23 in Zuid-Holland
Veldleeuwerik (Alauda arvensis) status: Rode Lijst gevoelig Biotopen: open landschappen, zoals heide en duinen, graslanden en akkerbouwgebieden. Buiten de broedtijd vooral op stoppelvelden. Voedsel: insecten op de grond tijdens de broedtijd, granen en zaden in de winter Begeleidende soorten: patrijs, graspieper, gele kwikstaart Beschrijving: de veldleeuwerik broedt in open landschappen, zoals heide en duinen. Veldleeuweriken broeden ook vaak in graslanden en open akkerbouwgebieden. Buiten de broedtijd vooral op stoppelvelden. Tijdens de broedtijd zoekt de veldleeuwerik op de grond vooral naar insecten, in de winter eet hij vooral granen en zaden. Het nest bevindt zich op de grond in open terrein zoals heide, duinen en het agrarisch gebied. De nesten zijn goed verborgen op de grond, maar wel in het open veld. Na 2 weken broeden komen de eieren uit en 8 dagen later zijn de jongen groot genoeg om uit het nest te stappen. Nog weer 10 dagen later kunnen ze vliegen. Veldleeuweriken die in Nederland broeden, trekken voor een deel weg naar Frankrijk of Engeland. Najaarstrek van eind september tot in november, met een hoogtepunt in oktober. In Nederland zijn in die periode vooral Scandinavische vogels te zien die ten dele doortrekken naar Engeland en Zuidwest-Frankrijk De uitbundige zang van de veldleeuwerik kan op mooie dagen in het voorjaar gehoord worden.
De spectaculaire zangvluchten van het mannetje brengen het landschap tot leven. Helaas gaat het zeer slecht met de veldleeuwerik en is deze soort een van de grootste slachtoffers van de intensieve landbouw en verruiging van de duinen. Spectaculaire zangvluchten van het mannetje, brengen het landschap tot leven. Reden om deze soort op te nemen als gidssoort Indicator van extensief gebruikte akkers en van kruidenrijke duinen. De soort lijkt succesvol in het bollengebied (ANLV Geestgrond) en is een doelsoort voor natuurcompensatie bouwlocatie Valkenhorst. Hoe we deze soort willen ondersteunen Extensiveren maaibeheer graslanden en bermen, minder gebruik kunstmest en bestrijdingsmiddelen.
(Vogelbescherming, 2024)
24 Figuur 14 - Verspreidingskaart veldleeuwerik in ZuidHolland
Reptielen en amfibieën Zandhagedis (Lacerta agilis) icoonsoort Zuid-Holland status: Rode Lijst kwetsbaar Biotopen: kalkarm: struikheideterreinen, kalkrijk: open struweelduin Voedsel: kleine ongewervelden Begeleidende soorten: konijn, zandbewonende insectensoorten, grauwe klauwier Beschrijving: In Nederland is de verspreiding van de zandhagedis gebonden aan de hogere zandgronden, met name de ligging van stuwwallen, kust- en rivierduingordels is zeer goed herkenbaar in het verspreidingspatroon. De kustduinen en de Veluwe vormen samen de twee belangrijkste kerngebieden. Er zijn duidelijke dichtheidsverschillen in herpetogeografische districten: de zandgronden in Noord- en Oost-Nederland (delen van het Oost- en ZuidNederlands en delen van het Veluws/Drents district) zijn veel minder dicht bezet dan de Veluwe (onderdeel van het Veluws/Drents district) en het duindistrict. In de Zeeuwse duinen ontbreekt de soort, net als op Texel en Ameland. Op Schiermonnikoog is de soort uitgestorven. In het binnenland en in de kalkarme duinen wordt de zandhagedis vooral aangetroffen in droge struikheideterreinen. In de kalkrijke duinen komen de meeste zandhagedissen voor in het open struweelduin. Reden om deze soort op te nemen als gidssoort De zandhagedis is een icoonsoort voor Provincie Zuid-Holland en een gidssoort voor zandgronden, algemeen in de duinen.
Door de zandhagedis te beschermen wordt ook leefgebied gecreëerd voor verschillende in het zand groeiende bijensoorten en de zandhagedis staat op het menu van verschillende roofvogels en de grauwe klauwier. Hoe we deze soort willen ondersteunen De zandhagedis kan worden ondersteund door het creëren van open struweelduin, kleinschalige stuifplekken en het tegengaan van bosontwikkeling.
(RAVON, 2024)
Figuur 15 - Verspreidingskaart zandhagedis in Zuid-Holland
25
Rugstreeppad (Epidalea calamita) icoonsoort Zuid-Holland status: Rode Lijst gevoelig Biotopen: Vochtige duinvalleien, pionier en veenweide Voedsel: kleine insecten en spinnen Begeleidende soorten: libellen en juffers, fuut, amfibieën Beschrijving: de rugstreeppad komt zowel voor in duingebied, het rivierengebied en lokaal in veengebied en oude droogmakerijen. Kenmerkend zijn de nachtelijke zangkoren tijdens zachte en vochtige nachten in het voorjaar. Het is een soort van vaak zandige situaties met een jonge dynamiek. Begeleidende soorten in vochtige duinvalleien zijn onder meer geoorde fuut, dodaars, pantserjuffers, zwervende heidelibel, geelvlekheidelibel, azuurwaterjuffer, nauwe korfslak, zilte waterranonkel, moeraswespenorchis en parnassia. In het veengebied gaat het onder meer om de heikikker, ringslang en andere soorten van een goede waterkwaliteit. Voor de voortplanting is de rugstreeppad afhankelijk van ondiepe wateren, die vrij snel opwarmen. Vaak wordt gebruik gemaakt van tijdelijke poeltjes en plassen, maar ook slootjes en vennen kunnen geschikt zijn. Reden om deze soort op te nemen als gidssoort Icoonsoort voor Provincie Zuid-Holland die veel aanwezig is in de duinen en een indicator van een goede waterkwaliteit. Hoe we deze soort willen ondersteunen Door ruimte te maken voor vochtige natuur met ondiepe (tijdelijke) poeltjes die vrij snel opwarmen.
(RAVON, 2024)
Figuur 16 - Verspreidingskaart rugstreeppad in Zuid-Holland 26
Insecten Bruin blauwtje (Aricia agestis) status: Rode Lijst gevoelig Biotopen: zandige kruidenrijke vegetatie, kleinschalige akkers, zandgronden Voedsel/waardplanten: viooltjes, koninginnekruid, slangenkruid Begeleidende soorten: vlinders en andere bestuivers Beschrijving: het bruin blauwtje komt van oudsher voor in de duinen, maar inmiddels ook in grote delen van Nederland. De eerste vlinders verschijnen begin mei. De vlinders besteden relatief veel tijd, circa 60% van de dag, aan het zoeken naar nectar van verschillende kruiden, ook van soorten die niet vaak door andere vlinders worden gebruikt, zoals boerenwormkruid en gewoon duizendblad. Jacobskruiskruid is echter favoriet. Voor het Bruin blauwtje geschikte graslanden worden gevonden in de duinen, op dijken en rivierduintjes, in wegbermen en op opgespoten en ruderale terreinen. De vlinder vliegt vooral op warme, droge plaatsen en heeft een voorkeur voor gebieden met een afwisseling van open grond en begroeide plaatsen. De waardplanten zijn diverse soorten ooievaarsbek en de gewone reigersbek Reden om deze soort op te nemen als gidssoort Door maatregelen te nemen om het bruin blauwtje te steunen profiteren ook veel andere vlinders.
Hoe we deze soort willen ondersteunen Het bruin blauwtje kan worden ondersteund met ecologisch berm- en dijkbeheer (extensief en gefaseerd maaien) en door dichtgegroeid duinstruweel weer open te maken.
(Vlinderstichting, 2024)
Figuur 17 - Verspreidingskaart bruin blauwtje in ZuidHolland
27
Argusvlinder (Lasiommata megera) icoonsoort Zuid-Holland status: niet bedreigd, gaat achteruit Biotopen: veenweides, bloemrijke graslanden, dijken, slootkant, bloemenbermen Nectar: braam, rode klaver, akkerdistel, vlinderstruik Waardplanten: diverse overblijvende grassen Begeleidende soorten: weidevogels, weidehommel Beschrijving: de Argusvlinder komt in heel Nederland voor, maar is de laatste jaren sterk achteruit gegaan. Je vind de Argusvlinder langs slootkanten, wegen, dijken, heggen en bosranden. De eerste vlinders verschijnen eind april. Zij voeden zich met nectar van verschillende planten: in het voorjaar bijvoorbeeld braam en rode klaver, ´s zomers akkerdistel of vlinderstruik. Voor het afzetten van de eitjes is er een voorkeur voor planten die groeien op beschutte warme plaatsen. Voorbeelden daarvan zijn kuiltjes die door konijnen zijn gegraven of diepe sporen van vee. Ook kiest het vrouwtje doorgaans polletjes die op schaars begroeide plaatsen staan, bijvoorbeeld open plaatsen langs greppels of paden. Het vrouwtje zet de eitjes afzonderlijk af op de stengels of toppen van de bladeren. Ook vrijliggende wortels van grassen, bijvoorbeeld langs een slootkant, worden gebruikt. Jonge rupsen voeden zich voornamelijk ´s nachts, maar oudere eten ook overdag. De argusvlinder overwintert als half volgroeide rups, vlakbij de bodem tussen verdorde planten, stenen of struiken.