01. Was-Wordt-Lijst APV Hillegom.pdf
Tekst van het document
-
inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
-
houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;
-
collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;
-
incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;
-
gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer;
-
gevoelige ruimte: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;
voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; b. inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; c.
d. collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; e. incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; f.
-
gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer;
-
onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.
houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;
geluidsgevoelige gebouwen: woningen en gebouwen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige gebouwen met uitzondering van gebouwen behorende bij de betreffende inrichting;
g. geluidsgevoelige terreinen: terreinen die op grond van artikel 1 van de Wet geluidhinder worden aangemerkt als geluidsgevoelige terreinen met uitzondering van terreinen behorende bij de betreffende inrichting; h. onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt; i.
sportgelieerde activiteit: sportactiviteiten van een sportvereniging;
j.
activiteit van maatschappelijk belang: activiteit die bijdraagt aan het algemeen belang van de gemeente.
Toelichting: Enkele definities zijn aangepast en nieuwe begrippen toegevoegd om de toepassing van deze afdeling te verduidelijken.
Artikel 4:2 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten
Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten
1. De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit gelden niet voor door het college aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
1. De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit gelden niet voor door het college aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht bedoeld in artikel 3.148, eerste lid van het Besluit gelden niet voor door het college aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht bedoeld in artikel 3.148, eerste lid van het Besluit gelden niet voor door het college aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.
3. Een aanwijzing bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer delen van de gemeente.
3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer delen van de gemeente Hillegom.
4. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 5. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6. Op de dagen bedoeld in het eerste lid wordt het, binnen de bebouwing van de inrichting, ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit uiterlijk om 01.00 uur beëindigd. 7. de dagen bedoeld in het eerste lid wordt het, op het buitenterrein van de inrichting, ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 219a en 2.20 van het Besluit – uiterlijk om 01.00 uur beëindigd. 8. Het college kan voorwaarden stellen bij de aan te wijzen collectieve
4. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 5. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6. Het equivalente geluidsniveau Leq, T veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 70 dB(A) en 82 dB(C), gemeten op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen. 7. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 8. In geval er in- en aanpandige woningen zijn mag het equivalente geluidniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, niet meer bedragen dan 55 dB(A) in een
festiviteiten met betrekking tot de geluidsnormen en tijdstippen.
geluidsgevoelige ruimte van de woning. 9. Op de dagen bedoeld in het eerste lid wordt het, binnen de bebouwing van de inrichting, ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit uiterlijk om 01.00 uur beëindigd. 10. Op de dagen bedoeld in het eerste lid wordt het, op het buitenterrein van de inrichting, ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 219a en 2.20 van het Besluit – uiterlijk om 01.00 uur beëindigd. 11. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid kan het college afwijken van de in het zesde lid genoemde geluidsnormen en van de in het negende en tiende lid bepaalde eindtijden.
Toelichting: Artikel 4:2 is uitgebreid met geluidsnormen en eindtijden voor collectieve festiviteiten, zodat duidelijkheid ontstaat over de toegestane geluidsniveaus en voorwaarden. Hiermee is de tekst volledig en sluit deze aan bij de juiste inhoudelijke eisen. Artikel 4:3 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten
Artikel 4:3 Melding incidentele festiviteiten
1. Het is een inrichting toegestaan maximaal zes incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.
1. Het is een inrichting toegestaan maximaal zes incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college.
2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal zes incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid van het Besluit
2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal zes incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid van het Besluit
niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.
niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.
3. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.
3. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.
4. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het, binnen de bebouwing van de inrichting, ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17,2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit – van zondag tot en met donderdag uiterlijk om 24.00 uur beëindigd en op zaterdagnacht (de nacht van vrijdag op zaterdag) en zondagnacht (de nacht van zaterdag op zondag) uiterlijk om 01.00 uur.
4. Het equivalente geluidsniveau Leq, T veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 70 dB(A) en 82 dB(C), gemeten op de gevel van geluidgevoelige gebouwen.
5. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het, op het buitenterrein van de inrichting, ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit – van zondag tot en met donderdag uiterlijk om 24.00 uur beëindigd en op zaterdagnacht (de nacht van vrijdag op zaterdag) en zondagnacht (de nacht van zaterdag op zondag) uiterlijk om 01.00 uur. 6. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid binnen de bebouwing van de inrichting na 23.00 uur blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. 7. Het college kan afwijken van de in het zesde lid genoemde geluidsnormen en van de in het zesde en zevende lid bepaalde eindtijden.
5. In geval er in- en aanpandige woningen zijn mag het equivalente geluidniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, niet meer bedragen dan 55 dB(A) in een geluidsgevoelige ruimte van de woning. 6. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het, binnen de bebouwing van de inrichting, ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17,2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit – van zondag tot en met donderdag uiterlijk om 24.00 uur beëindigd en op zaterdagnacht (de nacht van vrijdag op zaterdag) en zondagnacht (de nacht van zaterdag op zondag) uiterlijk om 01.00 uur. 7. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het, op het buitenterrein van de inrichting, ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit – van zondag tot en met donderdag uiterlijk om 24.00 uur beëindigd en op zaterdagnacht (de nacht van vrijdag op zaterdag) en zondagnacht (de nacht van zaterdag op zondag) uiterlijk om 01.00 uur. 8. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid binnen de bebouwing van de inrichting na 23.00 uur blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk
doorlaten van personen of goederen. 9. Het college kan afwijken van de in het vierde en vijfde lid genoemde geluidsnormen en van de in het zesde en zevende lid bepaalde eindtijden. Toelichting: Artikel 4:3 is aangevuld met geluidsnormen en aanvullende voorwaarden om duidelijkheid te bieden over de toegestane geluidsniveaus tijdens incidentele festiviteiten. Hiermee wordt de regeling concreter en beter handhaafbaar, terwijl de bestaande uitzonderingsmogelijkheid voor het college behouden blijft.
Artikel 4:5 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:5 Onversterkte muziek
Artikel 4:5 Onversterkte muziek
(Vervallen)
1. Het is verboden onaanvaardbare overlast te veroorzaken bij het binnen inrichtingen ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid van het Besluit. 2. Indien aan de normen van tabel e worden voldoen is in ieder geval geen sprake van onaanvaardbare geluidsoverlast, met dien verstande dat: a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheiduitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; c.
de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder, zoals die wet en dat besluit
luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; d. bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast; e. Tijden
23.00 –
07.00 –
19.00 –
19.00 uur
23.00 uur
LAr.LT op de gevel in gevoelige gebouwen
50 dB
45 dB
40 dB
(A)
(A)
Lar.LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
35 dB
30 dB
25 dB
(A)
(A)
LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen
70 dB
65 dB
60 dB
(A)
(A)
LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen
55 dB
50 dB (A)
45 dB (A)
07.00 uur
(A)
(A)
(A)
(A)
3. Voor de duur van zes uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het tweede lid. 4. Bij overschrijding van de normen van tabel e in het tweede lid kan het college ontheffing verlenen van de normen onder voorwaarden.
5. Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het gehele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is dit artikel niet van toepassing. 6. Het tweede lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in artikel 4:2, artikel 4:2a en artikel 4:3. Toelichting: Artikel 4:5 over onversterkte muziek wordt opnieuw opgenomen omdat het bij een eerdere wijziging ten onrechte was vervallen. De nieuwe versie is gebaseerd op het artikel dat in Lisse nog van kracht was en is aangevuld met normen en uitzonderingen, zodat het artikel nu inhoudelijk compleet is voor alle drie de gemeenten.
Artikel 4:6 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:6 Overige geluidhinder
Artikel 4:6 Overige geluidhinder
1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.
1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.
2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
3. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van bouwwerkzaamheden.
3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening en op evenementen als bedoeld in artikel 2:24 en straatoptredens als bedoeld in artikel 2:9 van deze verordening.
4. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, of de provinciale omgevingsverordening.
Toelichting: Artikel 4:6 is aangevuld met een expliciete uitzondering voor evenementen en straatoptredens zoals bedoeld in artikel 2:24 en 2:9 van deze verordening. Hiermee is het artikel inhoudelijk compleet.
Artikel 4:9a wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:9a Verbod oplaten ballonnen
Artikel 4:9a Verbod oplaten ballonnen
1. Onder ‘ballon’ wordt verstaan: een licht omhulsel van welk materiaal dan ook gevuld met een gas dat lichter is dan lucht of gevuld met hete lucht afkomstig van vuur of een brandstofelement.
1. Het is verboden ballonnen, van welk materiaal dan ook, door middel van hete lucht afkomstig van vuur, dan wel door middel van helium of andere gassen, op te laten stijgen.
2. Het is verboden om ballonnen op te laten in de open lucht, waaronder tevens moet worden begrepen het organiseren ervan.
2. Onder een ballon wordt in ieder geval verstaan: herdenkingsballon, biologisch afbreekbare ballon, vuurballon, gelukslampion, alle wensballonen, papierballon en geluksballon.
3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 4. Het verbod is niet van toepassing op: a. ballonnen waarbij de richting en/of hoogte door menselijk ingrijpen wordt bepaald (een luchtballon voor personenvervoer); b. ballonnen die noodzakelijk zijn voor bijvoorbeeld meteorologische of andere wetenschappelijke waarnemingen. 5. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Toelichting: Artikel 4:9a is aangepast om alle vormen van ballonnen, ongeacht materiaal of type, onder het verbod te brengen. Daarbij zijn specifieke voorbeelden van ballonsoorten toegevoegd om duidelijkheid te bieden en interpretatieverschillen te voorkomen. Ontheffing is niet langer mogelijk vanwege de negatieve gevolgen voor milieu en dierenwelzijn.
Artikel 5:5 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:5 Voertuig- en scheepswrakken
Artikel 5:5 Voertuig- en scheepswrakken
1. Het is verboden een voertuig of vaartuig dat rij- of vaartechnisch in onvoldoende staat van onderhoud
1. Het is verboden om een voertuig of vaartuig te parkeren of gestald te houden op een openbare plaats
en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren en/of in openbaar water te plaatsen of te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.
en/of openbaar water in de gemeente, indien: a. het voertuig niet is verzekerd overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM); b. de geldigheidsduur van de Algemene Periodieke Keuring (APK) is verlopen; c.
het voertuig is geschorst bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW);
d. het voer- of vaartuig klaarblijkelijk niet wordt gebruikt voor regulier verkeer en een verwaarloosde of vervallen indruk maakt, waardoor deze bijdraagt aan een beeld van verloedering in de omgeving; of e. het voer- of vaartuig rij- en vaarttechnisch in onvoldoende staat van onderhoud verkeert en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving. Toelichting: Artikel 5:5 wordt gewijzigd door het verbod uit te breiden zodat niet alleen wrakken, maar ook voertuigen zonder APK, zonder WAM-verzekering of met RDW-schorsing kunnen worden aangepakt. Dit geeft handhaving een duidelijke grondslag om stilstaande voertuigen die niet meer aan toelatingseisen voldoen te verwijderen. Het doel is het tegengaan van parkeerdruk, verloedering en het verbeteren van de leefbaarheid in de openbare ruimte.
Artikel 5:6 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:6 Kampeermiddelen en andere voertuigen
Artikel 5:6 Kampeermiddelen en andere voertuigen
1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:
1. Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan, camper, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede
a.
langer dan op drie achtereenvolgende dagen te
plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; b.
voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt: a.
langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente;
b.
op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.
4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Toelichting: Artikel 5:6 is gewijzigd door het eerste lid uit te breiden met een opsomming van voertuigen om te verduidelijken welke kampeermiddelen en vergelijkbare voertuigen onder het verbod vallen. Daarnaast komt de ontheffing uit het tweede lid te vervallen. Het toestaan van ontheffingen voor (kampeer)voertuigen die meerdere parkeerplaatsen innemen vergroot de parkeerdruk, zeker bij langdurig parkeren. Dit is ongewenst in woonwijken en tast het uiterlijk aanzien en de leefbaarheid aan. Bovendien kan het toelaten van één geval een precedent scheppen, waardoor handhaving bemoeilijkt wordt.
Artikel 5:8 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:8 Grote voertuigen
Artikel 5:8 Grote voertuigen
1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op
2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op
een door het college aangewezen openbare plaats, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.
een door het college aangewezen openbare plaats, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.
3. Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.
3. Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.
4. Het verbod in het tweede lid is voorts niet van toepassing op campers, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de openbare plaats worden geplaatst of gehouden.
4. Het verbod in het tweede lid is voorts niet van toepassing op campers, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de openbare plaats worden geplaatst of gehouden.
5. Het college kan, anders dan voor laden en lossen, van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.
5. Het college kan, anders dan voor laden en lossen, van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.
6. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
6. Het college kan gebieden aanwijzen waar alleen geparkeerd mag worden door grote voertuigen. 7. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Toelichting: Artikel 5:8 is gewijzigd door de toevoeging van een nieuw lid dat het college de bevoegdheid geeft om gebieden aan te wijzen waar uitsluitend grote voertuigen mogen parkeren. Deze wijziging is doorgevoerd om de regeling in overeenstemming te brengen tussen de HLT-gemeenten.
Artikel 5:18 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden
Artikel 5:18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden
1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.
1. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.
2. Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan.
2. Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan.
3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als:
3. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen
a.
b.
de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand; een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang.
4. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
ten aanzien van standplaatsen. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als: a.
de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand;
b.
een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang.
5. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Toelichting: Artikel 5:18 is gewijzigd omdat bij een eerdere wijziging het derde lid per abuis is verwijderd. Dit lid is opnieuw opgenomen om het college de mogelijkheid te geven nadere regels te stellen in het belang van de openbare orde en de woon- en leefomgeving. Artikel 5:25 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:25 Ligplaats vaartuigen
Artikel 5:25 Ligplaats vaartuigen
1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op of in openbaar water.
1. Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op of in openbaar water.
2. Het college kan gedeelten van openbaar water aanwijzen waar met vergunning ligplaats kan worden ingenomen.
2. Het college kan gedeelten van openbaar water aanwijzen waar met vergunning ligplaats kan worden ingenomen.
3. Het verbod is niet van toepassing op vaartuigen die ligplaats innemen bij woningen die grenzen aan openbaar water, mits het een vaartuig betreft waar van de rechthebbende de eigenaar is van het aangrenzende perceel.
3. Het verbod is niet van toepassing op vaartuigen die ligplaats innemen bij woningen die grenzen aan openbaar water, mits het een vaartuig betreft waar van de rechthebbende de eigenaar is van het aangrenzende perceel.
4. Het verbod is voorts niet van toepassing op vaartuigen die ligplaats innemen in een gebied waarvoor de gemeente een privaatrechtelijke overeenkomst heeft
4. Het verbod is voorts niet van toepassing op vaartuigen die ligplaats innemen in een gebied waarvoor de gemeente een privaatrechtelijke overeenkomst heeft
gesloten voor het exploiteren van dat gebied.
gesloten voor het exploiteren van dat gebied.
5. Onder ligplaats innemen, hebben dan wel beschikbaar stellen wordt verstaan het (laten) afmeren en het vervolgens doen of laten liggen van een vaartuig aan of op de oever, aan de oeverbescherming, aan of op een natuurlijke of een voor dit doel aangebrachte voorziening of aan een ander vaartuig, anders dan voor aanleggen.
5. Onder ligplaats innemen, hebben dan wel beschikbaar stellen wordt verstaan het (laten) afmeren en het vervolgens doen of laten liggen van een vaartuig aan of op de oever, aan de oeverbescherming, aan of op een natuurlijke of een voor dit doel aangebrachte voorziening of aan een ander vaartuig, anders dan voor aanleggen.
6. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water:
6. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water:
a.
nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente;
a.
nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente;
b.
beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.
b.
beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.
7. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet, de Wet milieubeheer of het Binnenvaartpolitiereglement. 8. Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente. 9. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.
7. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Besluit bouwwerken leefomgeving, de Wet milieubeheer of het Binnenvaartpolitiereglement. 8. Het college kan aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het uiterlijk aanzien van de gemeente. 9. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.
Toelichting: De verwijzing naar het Besluit bouwwerken leefomgeving is aangepast om dubbele vermelding te voorkomen; de inhoudelijke strekking van het artikel blijft ongewijzigd.
Artikel 5:36 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 5:36 Verboden plaatsen
Artikel 5:36 Verboden plaatsen
1. Incidentele asverstrooiing is verboden op andere plaatsen dan:
1. Incidentele asverstrooiing is verboden op:
a.
Verharde delen van de weg;
a.
Verharde delen van de weg;
b.
Gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen;
b.
Gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen;
2. Het college kan een besluit nemen waarin de plaatsen genoemd in het eerste lid voor een bepaalde termijn worden onttrokken aan de mogelijkheid voor asverstrooiing. 3. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod voor het verstrooien op andere plaatsen dan op de plaatsen genoemd in het eerste lid. 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
2. Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat op andere plaatsen dan die genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt. 3. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, onder a. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Toelichting: Artikel 5:36 is aangepast om een foutieve formulering in het eerste lid te corrigeren. De overige bepalingen blijven ongewijzigd.
Artikel 6:5 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 6:5 Overgangsbepaling
Artikel 6:5 Overgangsbepaling
1. Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze
1. Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze
verordening.
verordening.
2. Op aanvragen om een vergunning, ontheffing of een ander besluit op grond van de Algemene plaatselijke verordening (2020), waarop bij de inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, wordt met toepassing van deze verordening een beslissing genomen. 3. Besluiten ter uitvoering of handhaving van bepalingen van de Algemene plaatselijke verordening (2020), worden geacht te zijn genomen ter uitvoering of handhaving van deze verordening. 4. Op bezwaarschriften tegen besluiten op grond van de Algemene plaatselijke verordening (2020), waarop bij de inwerkingtreding van deze verordening nog niet is beslist, wordt met toepassing van deze verordening een beslissing genomen. 5. De intrekking van de verordening bedoeld in artikel 6.4 heeft geen gevolgen voor de geldigheid van de op basis van die verordening vastgestelde nadere regels, beleidsregels, aanwijzingsbesluiten, mandaatbesluiten en delegatiebesluiten, als de rechtsgrond waarop die besluiten zijn gebaseerd ook is opgenomen in deze verordening. Toelichting: Verwijderde tekst heeft betrekking op de intrekking van de oude APV (APV 2020).