01. Was-Wordt-Lijst APV Hillegom.pdf
Tekst van het document
Was-wordt-tabel eerste wijziging van de Algemene plaatselijke verordening Hillegom 2024 Inleiding Onder iedere wijziging wordt een beknopte toelichting gegeven op de wijziging. De uitgebreide toelichting over het hele artikel is terug te vinden in de toelichting op de APV. Bovenaan de lijst worden kleine tekstuele aanpassingen aangegeven als deze aanpassingen door de gehele verordening op dezelfde wijze worden toegepast. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Deze wet heeft gevolgen voor de Algemene plaatselijke verordening (APV), omdat de APV ook bepalingen bevat die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Tot 2030 geldt een overgangsfase waarin regels uit de APV geleidelijk moeten worden opgenomen in het omgevingsplan. Na afloop van deze fase vervallen deze regels van rechtswege. Hoewel de APV van Hillegom in 2024 al technisch is aangepast aan de Omgevingswet, is in 2025 gestart met een bredere herziening van de APV. Deze herziening omvat zowel inhoudelijke als redactionele wijzigingen. De eerste wijziging van de APV wordt in 2026 ter besluitvorming aan de gemeenteraad voorgelegd. De herziening is ingegeven door:
•
Nieuwe inzichten en beleidsontwikkelingen;
•
De wens om de APV beter te laten aansluiten op de systematiek van de Omgevingswet;
•
Praktische ervaringen met de toepassing van de huidige APV;
•
Juridische actualisatie van bepalingen en grondslagen.
Deze was-wordt-tabel is een hulpmiddel om snel inzichtelijk te hebben welke inhoudelijke wijzigingen er zijn in de gewijzigde APV ten opzichte van de huidige APV. In onderstaand overzicht zijn de oude en nieuwe tekst naast elkaar gezet. Hierin is met kleur aangegeven wat de verschillen zijn. De verschillende kleuren betekenen het volgende: Rood = verwijderd Groen = nieuwe tekst (zelf opgesteld) Blauw = uit de model-APV van de VNG De wijzigingen: HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1:1 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 1:1 Definities
Artikel 1:1 Definities
In deze verordening wordt verstaan onder:
In deze verordening wordt verstaan onder:
-
-
bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;
bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;
-
beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;
-
beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;
-
bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet;
-
bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet;
-
bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;
-
bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;
-
bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;
-
bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994;
-
college: het college van burgemeester en wethouders;
-
college: het college van burgemeester en wethouders;
-
gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving;
-
gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;
-
handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;
-
handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;
-
motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
-
motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
-
openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;
-
openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;
-
openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties;
-
openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties;
-
parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
-
parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;
-
rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht;
-
rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht;
-
recreatief nachtverblijf: het zich bevinden op een kampeerterrein of een kampeerplaats of in een kampeermiddel tussen 22.00 uur en 06.00 uur;
-
recreatief nachtverblijf: het zich bevinden op een kampeerterrein of een kampeerplaats of in een kampeermiddel tussen 22.00 uur en 06.00 uur;
-
voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990,
-
voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990,
met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; -
weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.
met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; -
weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.
Toelichting: Artikel 1:1 is gewijzigd om de definitie van ‘bevoegd gezag’ en ‘gebouw’ in lijn te brengen met de model-APV van de VNG en de Omgevingswet. Dit zorgt voor actuele en juridisch juiste begrippen.
Artikel 2:9 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen
Artikel 2:9 Vertoningen op openbare plaatsen
1. Het is toegestaan akoestische muziek ten gehore te brengen in de openbare ruimte, mits:
1. Het is toegestaan akoestische muziek ten gehore te brengen in de openbare ruimte, mits:
a.
de plaats niet langer dan een uur wordt ingenomen;
a.
de plaats niet langer dan een uur wordt ingenomen;
b.
de afstand tussen de ene en de andere plaats die wordt ingenomen minimaal 75 meter is;
b.
de afstand tussen de ene en de andere plaats die wordt ingenomen minimaal 75 meter is;
c.
de plaats niet eerder die dag is ingenomen; of
c.
de plaats niet eerder die dag is ingenomen; of
d.
verkeersstromen niet worden gehinderd.
d.
verkeersstromen niet worden gehinderd.
2. De burgemeester kan openbare plaatsen aanwijzen waar het verboden is akoestische muziek ten gehore te brengen en het bepaalde in het eerste lid onder a tot en met d niet van toepassing is.
2. De burgemeester kan openbare plaatsen aanwijzen waar het verboden is akoestische muziek ten gehore te brengen en het bepaalde in het eerste lid onder a tot en met d niet van toepassing is.
3. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar of filmoperateur op te treden op of aan de door de burgemeester aangewezen openbare plaatsen.
3. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, of filmoperateur op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu aangewezen openbare plaatsen.
4. De burgemeester kan de werking van de verboden als bedoeld in het tweede en derde lid beperken tot bepaalde dagen en uren.
4. De burgemeester kan de werking van de verboden als bedoeld in het tweede en
derde lid beperken tot bepaalde dagen en uren. 5. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. 6. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Toelichting: Artikel 2:9 is gewijzigd om de bevoegdheid van de burgemeester om plaatsen aan te wijzen op grond van belangen zoals openbare orde, veiligheid, volksgezondheid en milieu te verduidelijken. Daarnaast is een ontheffingsmogelijkheid toegevoegd, inclusief toepassing van de positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen (Awb). Dit biedt meer flexibiliteit voor het toelaten van straatartiesten, straatfotografen, tekenaars of filmoperateurs voor bijvoorbeeld culturele evenementen of incidentele optredens. Dit voorkomt dat het artikel te rigide is en maakt maatwerk mogelijk.
Artikel 2:10 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de openbare plaats
Artikel 2:10 Voorwerpen op of aan de openbare plaats
1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het college een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.
1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het college een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.
2. Een vergunning kan worden geweigerd:
2. Een vergunning kan worden geweigerd:
a.
als er naar het oordeel van het college een belemmering voor de bruikbaarheid van de openbare plaats is;
a.
als er naar het oordeel van het college een belemmering voor de bruikbaarheid van de openbare plaats is;
b.
als het gebruik schade toebrengt of toe kan brengen aan de openbare plaats;
b.
als het gebruik schade toebrengt of toe kan brengen aan de openbare plaats;
c.
als op hetzelfde moment de openbare plaats op een andere wijze niet beschikbaar is; of
c.
als op hetzelfde moment de openbare plaats op een andere wijze niet beschikbaar is; of
d.
als in afwijking van artikel 1.8 de aanvraag voor een vergunning korter dan twee weken voor ingebruikname van de openbare plaats is aangevraagd.
d.
als in afwijking van artikel 1.8 de aanvraag voor een vergunning korter dan twee weken voor ingebruikname van de openbare plaats is aangevraagd.
3. Ontheffingen verleend op grond van de vorige verordening die ten tijde
3. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en
van de inwerkingtreding van deze verordening van kracht waren, worden door het college ambtshalve omgezet in een vergunning.
leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen, spandoeken en reclame-uitingen en geveltuinen. 4. Het verbod is niet van toepassing op:
4. Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen voor terrassen, uitstallingen, spandoeken en reclame-uitingen en geveltuinen.
a.
evenementen als bedoeld in artikel 2:24;
b.
standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;
c.
terrassen als bedoeld in artikel 2:28;
d.
het plaatsen van reclame- en aankondigingsborden op van gemeentewege aangegeven locaties op basis van een met de gemeente gesloten overeenkomst;
e.
het van gemeentewege plaatsen van verkiezingsborden ten behoeve van politieke partijen;
f.
door of met toestemming van het college en indien van toepassing via een verleende omgevingsvergunning aangelegde geveltuinen;
g.
overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.
5. Het verbod is niet van toepassing op: a.
evenementen als bedoeld in artikel 2:24;
b.
standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17;
c.
terrassen als bedoeld in artikel 2:28;
d.
het plaatsen van reclame- en aankondigingsborden op van gemeentewege aangegeven locaties op basis van een met de gemeente gesloten overeenkomst;
e.
f.
g.
het van gemeentewege plaatsen van verkiezingsborden ten behoeve van politieke partijen; door of met toestemming van het college en indien van toepassing via een verleende omgevingsvergunning aangelegde geveltuinen; overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.
6. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
5. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Toelichting: Artikel 2:10 is gewijzigd omdat het derde lid over het omzetten van ontheffingen volgens de vorige verordening niet langer relevant is. Daarom is dit lid vervallen. De overige bepalingen zijn ongewijzigd gebleven.
Artikel 2:11 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
2. De vergunning wordt verleend:
2. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:
a. als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, als de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; b. door het college in de overige gevallen. 3. Het verbod is niet van toepassing op a. overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak; en b. plaatsing van e-laadpalen als dit geschiedt overeenkomstig daarvoor vastgestelde beleidsregels. 4. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. 5. Op de vergunning bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
a. in het belang van de bruikbaarheid van de weg; of b. in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente. 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing als in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke taken worden verricht. 4. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. 5. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van kabelgoten voor laadkabels.
Toelichting: Aanpassing doorgevoerd vanwege onjuistheden in het artikel. Artikel 2:15 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp
Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp (zicht en verkeersveiligheid)
Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.
Het is verboden beplanting, een voorwerp of reclame aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.
Toelichting: Artikel 2:15 is aangepast om duidelijk te maken dat ook reclame onder het verbod valt. Dit voorkomt dat reclame-uitingen het zicht belemmeren en draagt bij aan de verkeersveiligheid.
Artikel 2:24 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:24 Definities
Artikel 2:24 Definities
1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
a.
bioscoop- en theatervoorstellingen;
a.
bioscoop- en theatervoorstellingen;
b.
markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22;
b.
markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet en artikel 5:22;
c.
kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
c.
kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
d.
het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;
d.
het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;
e.
betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
e.
betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
f.
activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39;
f.
activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39;
g.
sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f.
2. Onder evenement wordt mede verstaan:
g.
sportwedstrijden, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f.
2. Onder evenement wordt mede verstaan:
a.
een herdenkingsplechtigheid;
a.
een herdenkingsplechtigheid;
b.
een braderie;
b.
een braderie;
c.
een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg;
c.
een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg;
d.
een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;
d.
een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;
e.
een straatfeest of buurtbarbecue op één dag (klein evenement);
e.
een straatfeest of buurtbarbecue op één dag (klein evenement);
f.
een vechtsportgala.
f.
een vechtsportgala.
3. In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij:
3. In deze afdeling wordt onder klein evenement verstaan een eendaags evenement waarbij:
a.
het evenement een straatfeest, buurtbarbecue of kleinschalige activiteit in de open lucht betreft;
a.
het evenement een straatfeest, buurtbarbecue of kleinschalige activiteit in de open lucht betreft;
b.
het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 100 personen;
b.
het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 100 personen;
c.
de activiteiten plaatsvinden tussen 09.00 uur en 24.00 uur;
c.
de activiteiten, inclusief opbouw en afbouw, plaatsvinden tussen 09.00 uur en 24.00 uur;
d.
geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 09.00 uur en na 24.00 uur, voorts dient in dit tijdsbestek het maximaal toelaatbare gemiddelde geluidsniveau (meetperiode 1 minuut) van 65 dB(A) op de gevels van omringende woningen niet te wordt overschreden. Als er geen woningen aanwezig zijn dan geldt de genoemde geluidsnorm op een afstand van 25 meter van het evenement;
d.
geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 09.00 uur en na 24.00 uur, voorts dient in dit tijdsbestek het maximaal toelaatbare gemiddelde geluidsniveau (meetperiode 1 minuut) van 65 dB(A) op de gevels van omringende woningen niet te wordt overschreden. Als er geen woningen aanwezig zijn dan geldt de genoemde geluidsnorm op een afstand van 25 meter van het evenement;
e.
het evenement geen of zeer geringe beperking van het gebruik van de openbare weg veroorzaakt en het derhalve niet noodzakelijk is om één of meerdere verkeersmaatregelen te treffen;
e.
f.
het evenement geen of zeer geringe beperking van het gebruik van de openbare weg veroorzaakt en het derhalve niet noodzakelijk is om één of meerdere verkeersmaatregelen te treffen; er te allen tijde minimaal 3.50 meter van de rijbaan beschikbaar blijft ten
behoeve van de hulpdiensten; g. er enkel objecten van een geringe constructie worden geplaatst, bijv. een kleine partytent, springkussen, barbecue etc.; en h. er geen alcohol bedrijfsmatig wordt verstrekt.
f.
er te allen tijde minimaal 3.50 meter van de rijbaan beschikbaar blijft ten behoeve van de hulpdiensten;
g. maximaal vijf kleine objecten worden geplaatst, waarvan ten hoogste één springkussen; ieder object heeft een oppervlakte van maximaal 15 m², met uitzondering van het springkussen dat maximaal 25 m² mag bedragen; en h. er geen alcohol bedrijfsmatig wordt verstrekt.
Toelichting: Artikel 2:24 is gewijzigd om de definitie van een klein evenement te verduidelijken en beter af te bakenen. Daarnaast zijn de voorwaarden voor het plaatsen van objecten aangescherpt: maximaal vijf kleine objecten, waaronder één springkussen, met duidelijke maximale oppervlakten. Deze wijzigingen zorgen voor meer duidelijkheid voor organisatoren van evenementen en handhaving. Artikel 2:25 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:25 Evenement
Artikel 2:25 Evenement
1. Het is verboden zonder een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
1. Het is verboden zonder een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
2. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als de organisator ten minste twee weken voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester.
2. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als de organisator ten minste twee weken voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester.
3. De burgemeester kan binnen een week na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
3. De burgemeester kan binnen een week na ontvangst van de melding besluiten een klein evenement te verbieden, als er aanleiding is te vermoeden dat daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
4. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994.
4. Het verbod geldt niet voor activiteiten in (horeca)bedrijven die in de uitoefening van het bedrijf gebruikelijk zijn.
5. In afwijking van artikel 1:2, eerste lid, beslist de burgemeester binnen dertien weken op een aanvraag evenementenvergunning.
5. Het verbod is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148, van de Wegenverkeerswet 1994.
6. In afwijking van artikel 1:8, tweede lid, kan de vergunning worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan dertien weken voor de beoogde datum van het beoogde evenement is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. 7. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
6. In afwijking van artikel 1:2, eerste lid, beslist de burgemeester binnen dertien weken op een aanvraag evenementenvergunning. 7. In afwijking van artikel 1:8, tweede lid, kan de vergunning worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan dertien weken voor de beoogde datum van het beoogde evenement is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is. 8. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 1:6 en 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd intrekken of wijzigen indien naar zijn oordeel: a. dit noodzakelijk is voor de openbare orde en veiligheid of de bescherming van het woonen leefklimaat in de omgeving van het evenement; b. de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen en goederen niet kan worden gewaarborgd; c.
de zedelijkheid of gezondheid van bezoekers niet kan worden gewaarborgd;
d. het gelet op een gebeurtenis van nationale omvang en betekenis op de dag van het evenement of daags voor het evenement gezien het effect op het gemeenschapsleven niet wenselijk is dat het evenement plaatsvindt of wordt voortgezet; e. dit voor de bescherming van een krachtens de Gemeentewet ingestelde markt nodig is; f.
de voor handhaving van de openbare orde en veiligheid tijdens het evenement noodzakelijke politie-en/of hulpverleningscapaciteit een onevenredig beroep op de beschikbare bezetting doet;
g. tegen de organisator van het evenement in de drie jaar voorafgaand aan het evenement
een bestuurlijke sanctie is genomen; h. de inhoud of uitstraling van het evenement niet past bij het imago of de belangen van de gemeente Hillegom. 9. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Toelichting: Artikel 2:25 is gewijzigd om de toepassing van het evenementenverbod en de vergunningverlening te verduidelijken en te uniformeren binnen de gemeenten Hillegom, Lisse en Teylingen. Het vierde lid is toegevoegd zodat duidelijk is dat het verbod niet geldt voor gebruikelijke activiteiten in (horeca)bedrijven. Daarnaast zijn in het achtste lid de weigeringsgronden toegevoegd, overgenomen uit de APV van Lisse, zodat er een eenduidig kader ontstaat voor het weigeren, intrekken of wijzigen van vergunningen op basis van openbare orde, veiligheid, leefbaarheid en gemeentelijk imago.
Afdeling 4 van hoofdstuk 2 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
AFDELING 4 TOEZICHT OP OPENBARE INRICHTINGEN
AFDELING 4 TOEZICHT OP OPENBARE INRICHTINGEN EN TERRASSEN
Toelichting: De titel van afdeling 4 wordt aangepast en uitgebreid zodat duidelijker wordt waar dit onderdeel van de APV betrekking op heeft. Artikel 2:27 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:27 Definitie
Artikel 2:27 Definitie
In deze afdeling wordt verstaan onder:
In deze afdeling wordt verstaan onder:
•
1. openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen al dan niet voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt. Onder een openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis, afhaal- en
openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt. Onder een openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis, afhaalzaak of
elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte.
bezorgzaak of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte.
•
terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt.
2. terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt.
•
exploitant: de natuurlijke perso(o)n(en) of rechtspersoon voor wiens rekening en risico de inrichting wordt gedreven.
3. exploitant: de natuurlijke perso(o)n(en) of rechtspersoon voor wiens rekening en risico de inrichting wordt gedreven.
•
leidinggevende: de natuurlijke persoon, die onmiddellijk leiding geeft aan een onderneming.
4. leidinggevende: de natuurlijke persoon, die (onmiddellijk) leiding geeft aan een onderneming.
Toelichting: Artikel 2:27 is aangepast om expliciet afhaal- en bezorgzaken onder de reikwijdte van de exploitatievergunningplicht te brengen. Dit betekent dat ook deze ondernemingen voortaan een vergunning moeten aanvragen en kunnen worden getoetst op grond van de Wet Bibob. Uit praktijkervaring blijkt dat afhaal- en bezorgzaken een risicovolle branche vormen voor ondermijnende activiteiten. Door deze wijziging wordt het mogelijk om dergelijke risico’s beter te beheersen. Overige horecavormen waren al vergunningplichtig; met deze aanpassing wordt een gelijk speelveld gecreëerd voor alle horecaondernemingen.
Artikel 2:29 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:29 Sluitingstijd
Artikel 2:29 Sluitingstijd
1. Openbare inrichtingen zijn gesloten tussen 01.00 uur en 06.00 uur. Terrassen zijn gesloten tussen 23.00 uur en 09.00 uur in de maanden juni, juli en augustus en in de overige maanden tussen 22.00 uur en 09.00 uur.
1. Openbare inrichtingen zijn gesloten tussen 01.00 uur en 06.00 uur. Terrassen zijn gesloten tussen 00.00 uur en 09.00 uur in de maanden juni, juli en augustus. In de overige maanden zijn terrassen gesloten op donderdag t/m zaterdag tussen 23.00 uur en 09.00 uur en op zondag t/m woensdag tussen 22.00 uur en 09.00 uur.
2. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd voor een openbare inrichting of een terras. Voor een openbare inrichting als bedoeld in
2. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd.
artikel 2:28, vierde lid onder a t/m e, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de inrichting die het betreft. 4. Het in het eerste, tweede en vierde lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. 5. Op het vierde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd voor een openbare inrichting of een terras. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, vierde lid onder a t/m e, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de inrichting die het betreft. 4. Het in het eerste, tweede en vierde lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. 5. Op het vierde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Toelichting: Artikel 2:29 is aangepast om de sluitingstijden voor terrassen te verruimen in de zomermaanden en in de weekenden van de overige maanden. Deze wijziging komt voort uit een wens van horecaondernemingen in Hillegom om meer flexibiliteit te bieden aan hun gasten. Concreet zijn de sluitingstijden in de zomermaanden met één uur verlengd. Voor de overige maanden geldt deze verruiming uitsluitend in de weekenden, om mogelijke overlast voor omwonenden zoveel mogelijk te beperken.
Artikel 2:34 wordt als volgt toegevoegd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:34 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat
(Vervallen)
1. In dit artikel wordt verstaan onder: -
exploitant: natuurlijke persoon of de bestuurder van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon, voor wiens rekeningen risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;
-
beheerder(s): de natuurlijke persoon of personen die door de exploitant is of zijn aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten;
-
bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk
gebouw, niet zijnde een seksinrichting of een daarbij behorend perceel of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is. 2. De burgemeester kan gebouwen, gebieden, bedrijfsmatige activiteiten of een combinatie daarvan aanwijzen waarvan in of rondom dat gebouw, dat gebied of ten gevolge van die bedrijfsmatige activiteit naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat dan wel aannemelijk is dat deze onder druk kan komen te staan. 3. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen dat valt onder het aanwijzingsbesluit als bedoeld in het tweede lid. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: -
in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;
-
als de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;
-
de exploitant of beheerder(s) in enig opzicht van slecht levensgedrag is;
-
als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;
-
als niet voldaan is aan de bij of krachtens lid vijf en zes gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;
-
als er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of
Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; -
als de vestiging of de exploitatie van het bedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, een geldend ruimtelijk exploitatieplan, een geldende beheersverordening, een geldend voorbereidingsbesluit of de Wet milieubeheer. 5. De burgemeester vraagt de gegevens op die hij voor zijn beoordeling nodig acht. Daartoe worden in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden begrepen: -
de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en, als deze niet ook de beheerder is, van de beheerder(s);
-
het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend en waarop de exploitant en, als deze niet ook de beheerder is, de beheerder(s) kunnen worden bereikt;
-
een uittreksel van de inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel voor de bedrijfsmatige activiteiten waarvoor vergunning wordt aangevraagd;
-
als het van toepassing is, de verblijftitel van de exploitant en, als deze niet ook de beheerder is, van de beheerder(s);
-
een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant en, als deze niet ook de beheerder is, de beheerder(s)gerechtigd zijn om in Nederland arbeid te verrichten;
-
een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd.
6. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen als:
-
zich een situatie voordoet als bedoeld in het vierde lid;
-
door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast;
-
de voorwaarden uit de vergunning of de plichten voortvloeiend uit dit artikel niet worden nageleefd;
-
de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat in of vanuit het bedrijf strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;
-
er in het kader van de bedrijfsmatige activiteiten strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden; of
-
de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd of gewijzigd en niet voldaan is aan het bepaalde in het negende lid.
7. Als een bedrijf wordt uitgeoefend in strijd met het verbod, als bedoeld in het derde lid, of als een situatie als bedoeld in het zevende lid zich voordoet, kan de burgemeester de sluiting van het bedrijf bevelen. 8. De exploitant is verplicht binnen drie dagen na een verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens de burgemeester daarvan schriftelijk in kennis te stellen. Als het mogelijk is verleent de burgemeester een gewijzigde vergunning. 9. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerderaanwezig is.
10. De exploitant en de beheerder zien erop toe dat in het bedrijf geen strafbare feiten plaatsvinden. 11. Exploitanten die op het moment van inwerkingtreding van een aanwijzingsbesluit, bedoeld in het tweede lid, onder de werking van dit besluit vallen, moeten binnen drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit beschikken over de vergunning als bedoeld in het derde lid. Nieuwe exploitantenmoeten eerst over een vergunning beschikken alvorens zij hun bedrijf kunnen exploiteren. 12. Op de vergunning bedoeld in het derde en negende lid is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wetbestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Toelichting: Artikel 2:34 komt te vervallen omdat het artikel verplaatst wordt naar 2:81 conform model-APV van de VNG.
Artikel 2:48a wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:48a Hinderlijk gebruik lachgas
(Vervallen)
1. Het is verboden op een openbare plaats lachgas recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, als dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken. 2. Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college ter bescherming van de openbare orde of het woonof leefklimaat aangewezen gebied lachgas recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat
gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben. 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt in ieder geval onder hinder verstaan: a. vervuiling van de openbare plaats; b. geluidsoverlast; c.
intimiderende uitingen of gedragingen;
d. gevaarzettend gedrag; e. gedragingen die de leefbaarheid en veiligheid van omwonenden aantasten. Toelichting: Artikel 2:48a vervalt conform het model-APV van de VNG. Sinds 1 januari 2023 valt lachgas onder de Opiumwet, waardoor het gebruik en bezit strafbaar is op grond van landelijke wetgeving. Een aanvullende bepaling in de APV is daarom niet langer nodig. Artikel 2:50a wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:50a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties
Artikel 2:50a Messen en andere voorwerpen als steekwapen
(Vervallen)
1. Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen of in daaraan grenzende voor het publiek openstaande gebouwen of op bij die gebouwen behorende erven messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben. 2. Het verbod geldt niet voor messen of voorwerpen die zodanig zijn ingepakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik gereed zijn. 3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover het wapens betreft als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie.
Toelichting: Artikel 2:50a is opgenomen conform model-APV van de VNG. Het verbod richt zich op het bij zich hebben van messen en andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt op aangewezen openbare plaatsen en gebouwen. Hiermee wordt preventief opgetreden tegen aantasting
van de openbare orde en veiligheid, aanvullend op de Wet wapens en munitie. Het artikel bevat uitzonderingen voor ingepakte messen en regelt dat messen en wapens uit de Wwm buiten de werking van dit artikel vallen. Hierdoor kan handhaving juridisch correct uitgevoerd worden en proportioneel blijven. Artikel 2:58 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:58 Verontreiniging door honden
Artikel 2:58 Verontreiniging door honden
1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.
1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden en niet in staat is om de uitwerpselen te verwijderen.
3. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid niet van toepassing is. 4. De eigenaar of houder van een hond is verplicht om, wanneer hij zich met de hond op een openbare plaats bevindt, een doeltreffend middel bij zich te hebben dat geschikt is voor verwijdering van uitwerpselen.
3. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid niet van toepassing is. 4. De eigenaar of houder van een hond is verplicht om, wanneer hij zich met de hond op een openbare plaats bevindt, een doeltreffend middel bij zich te hebben dat geschikt is voor verwijdering van uitwerpselen.
Toelichting: Artikel 2:58 is gewijzigd om duidelijk te maken dat de uitzondering alleen geldt voor personen die zich door een geleidehond of sociale hulphond laten begeleiden én vanwege hun handicap niet in staat zijn om de uitwerpselen te verwijderen. Artikel 2:71 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:71 Definitie
Artikel 2:71 Definitie
In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.
In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.
Toelichting: De definitie van consumentenvuurwerk is aangepast conform model-APV van de VNG door de verwijzing naar de categorieën F1, F2 en F3 te verwijderen. De inhoudelijke strekking blijft ongewijzigd. Artikel 2:74 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:74 Drugshandel op straat
Artikel 2:74 Drugshandel op straat
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen of substanties als bedoeld in de artikelen 2, 2a of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Toelichting: Artikel 2:74 is aangepast conform de model-APV van de VNG. Met ingang van 1 juli 2025 is artikel 2a aan de Opiumwet toegevoegd, waarin nieuwe psychoactieve stoffen (designerdrugs) onder de werking van de wet vallen. Door deze stoffen expliciet te noemen, sluit de APV beter aan op de actuele wetgeving en wordt duidelijk dat ook deze middelen onder het verbod vallen.
Artikel 2:74a wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik
Artikel 2:74a Openlijk drugsgebruik
Het is verboden op of aan een openbare plaats, op een voor het publiek toegankelijke plaats of in een voor het publiek toegankelijk gebouw, middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingshandelingen daartoe te treffen of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen en/of stoffen voorhanden te hebben.
Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen of substanties als bedoeld in de artikelen 2, 2a of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.
Toelichting: Artikel 2:74a is gewijzigd conform de model-APV van de VNG. De toevoeging van artikel 2a van de Opiumwet maakt het noodzakelijk om nieuwe psychoactieve stoffen expliciet op te nemen. Hiermee wordt voorkomen dat gebruik of bezit van deze middelen op openbare plaatsen tot onduidelijkheid leidt en blijft het verbod effectief tegen overlast en onveiligheid. Artikel 2:78 wordt als volgt gewijzigd:
Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen
Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen
1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid, aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een bevel geven zich gedurende ten hoogste 24 uur niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.
1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid, aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een tijdelijke verbod opleggen om gedurende ten hoogste 24 uur in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.
2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een bevel geven zich gedurende ten hoogste acht weken niet in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden. 3. Een bevel krachtens het tweede lid kan slechts worden gegeven als het strafbare feit of de openbare orde verstorende handeling binnen zes maanden na het geven van een eerder bevel, gegeven op grond van het eerste of tweede lid, plaatsvindt. 4. De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid gestelde bevelen, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.
2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie tenminste eenmaal een tijdelijk verbod is opgelegd als bedoeld in dat lid en die binnen zes maanden na een eerder tijdelijk verbod opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste acht weken in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn. 3. De burgemeester beperkt het krachtens het eerste of tweede lid opgelegde verbod, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een tijdelijk verbod. 4. Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens het eerste of tweede lid opgelegd verbod. 5. Indien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid.
Toelichting: Artikel 2:78 is gewijzigd conform model-APV van de VNG. De wijziging verduidelijkt dat de burgemeester een tijdelijk verbod (gebiedsontzegging) kan opleggen bij (dreigende) openbare ordeverstoring of overlastgevend gedrag. Nieuw is de expliciete strafbaarstelling van overtreding van het verbod en de bepaling dat geen gebiedsontzegging wordt opgelegd als de officier van justitie al een gedragsaanwijzing heeft gegeven. Hiermee wordt de bevoegdheid van de burgemeester duidelijker omschreven en afgestemd op landelijke richtlijnen. Artikel 2:80 wordt als volgt toegevoegd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 2:80 Sluiting voor publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat besluiten tot de gehele of gedeeltelijke sluiting van een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 2:30, eerste lid, of artikel 13b van de Opiumwet voorziet. 3. De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf. 4. Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is. 5. Het is verboden een gesloten gebouw of erf te bezoeken, als bezoeker daarin of daarop te verblijven of een bezoeker daarin of daarop te laten verblijven zonder toestemming van de burgemeester. 6. De burgemeester kan een sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.
Toelichting: Artikel 2:80 is toegevoegd conform model-APV van de VNG om de burgemeester een expliciete bevoegdheid te geven tot sluiting van voor het publiek openstaande gebouwen of bijbehorende erven in het belang van de openbare orde of ter voorkoming van overlast en aantasting van het woon- en leefklimaat. Het artikel is gebaseerd op de algemene verordenende bevoegdheid van de raad (artikel 149 Gemeentewet) en vormt een aanvulling op bestaande sluitingsbevoegdheden, zoals artikel 13b Opiumwet en artikel 174a Gemeentewet. Hiermee wordt een juridisch kader geboden voor situaties waarin malafide ondernemingen, illegale gokactiviteiten of andere ernstige verstoringen plaatsvinden.
Artikel 2:81 wordt als volgt toegevoegd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst Artikel 2:81 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. bedrijfsmatige activiteit: activiteit in de uitoefening van een beroep of bedrijf, die niet valt onder de vergunningplicht bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet of de artikelen 2:28 of 3:3; b. beheerder: natuurlijk persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteit; c.
exploitant: natuurlijk persoon of bestuurder van een rechtspersoon of tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend.
2. De burgemeester kan in het belang van de leefbaarheid, de openbare orde en veiligheid of ter voorkoming van een nadelige beïnvloeding daarvan bedrijfsmatige activiteiten en gebouwen of bij die gebouwen behorende erven of gebieden aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is. 3. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester
een door hem aangewezen bedrijfsmatige activiteit uit te oefenen in een door hem aangewezen gebouw, op een bij dat gebouw behorend erf of in een door hem aangewezen gebied. 4. De exploitant vraagt de vergunning aan door gebruik te maken van een door de burgemeester vastgesteld formulier, waarbij in elk geval de volgende gegevens worden verstrekt: a. voor welke bedrijfsmatige activiteit de vergunning wordt gevraagd; b. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en beheerder; c.
het adres en telefoonnummer van de locatie waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend;
d. het nummer van inschrijving in het Handelsregister; e. voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant en beheerder; f.
voor zover van toepassing, een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant en beheerder gerechtigd zijn om in Nederland arbeid te verrichten;
g. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over het gebouw of erf te beschikken waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend; h. een verklaring omtrent het gedrag van de exploitant en beheerder. 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. als de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;
b. als de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; c.
als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;
d. als niet voldaan is aan de bij of krachtens het vierde lid gestelde eisen voor de aanvraag; e. als er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; f.
als het uitoefenen van de bedrijfsmatige activiteit in strijd is met het omgevingsplan of de Wet milieubeheer.
6. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijfsmatige activiteit waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als de bedrijfsmatige activiteit aan de vereisten voldoet. 7. Het is verboden het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is. 8. De exploitant of de beheerder ziet erop toe dat in of vanuit het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend geen strafbare feiten plaatsvinden. 9. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning intrekken of wijzigen als de omstandigheden sinds de
vergunningverlening zijn gewijzigd, doordat: a. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; b. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten die verband houden met de bedrijfsmatige activiteit of toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; c.
er in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden;
d. er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; e. de exploitant de bedrijfsmatige activiteit heeft beëindigd of gewijzigd; of f.
redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is.
10. Als de bedrijfsmatige activiteit in strijd met de vergunning of het verbod wordt uitgeoefend of als een van de situaties bedoeld in het negende lid van toepassing is, kan de burgemeester, onverminderd het bepaalde in artikel 2:80, een besluit nemen tot sluiting van het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend. 11. De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit tot sluiting aan op of nabij de toegang van het
voor het publiek openstaande gebouw of erf. 12. Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is. 13. Het is eenieder verboden een overeenkomstig het tiende lid gesloten gebouw of erf te betreden of daarin te verblijven. 14. De burgemeester kan de sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 15. In afwijking van het derde lid geldt het verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit al een onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteit verricht, voor die bestaande activiteit op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of, als dat eerder is, met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering van een door hem aangevraagde of intrekking van een aan hem verleende vergunning. 16. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Toelichting: Artikel 2:81 wordt toegevoegd conform model-APV van de VNG. Dit artikel vervangt het huidige artikel 2:34, dat daarmee komt te vervallen. Het nieuwe artikel 2:81 sluit inhoudelijk aan op artikel 2:80 en is breder geformuleerd dan de bestaande tekst van artikel 2:34. Hoewel beide artikelen in essentie dezelfde materie regelen, biedt artikel 2:81 een betere aansluiting op de opbouw van de APV en het nieuwe artikel 2:80.
Artikel 3:8 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 3:8 Eisen met betrekking tot de vergunning
Artikel 3:8 Eisen met betrekking tot de vergunning
1. De vergunning vermeldt in ieder geval:
1. De vergunning vermeldt in ieder geval:
a.
de naam van de exploitant;
a.
de naam van de exploitant;
b.
indien van toepassing, die van de beheerder;
b.
indien van toepassing, die van de beheerder;
c.
voor welke activiteit de vergunning is verleend;
c.
voor welke activiteit de vergunning is verleend;
d.
het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;
d.
het adres waar het seksbedrijf wordt uitgeoefend;
e.
het vaste telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;
e.
het telefoonnummer dat in advertenties voor het seksbedrijf zal worden gebruikt;
f.
indien van toepassing, het adres van de onder dat seksbedrijf vallende seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend;
f.
indien van toepassing, het adres van de onder dat seksbedrijf vallende seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend;
g.
de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden;
g.
de voorschriften en beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden;
h. de geldigheidsduur van de vergunning;
h. de geldigheidsduur van de vergunning;
i.
i.
het nummer van de vergunning.
2. De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning of een afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in de seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend, en tevens dat aan de buitenzijde van de seksinrichting zichtbaar is dat hij over een vergunning voor die seksinrichting beschikt.
het nummer van de vergunning.
2. De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning of een afschrift daarvan zichtbaar aanwezig is in de seksinrichting waarvoor de vergunning mede is verleend, en tevens dat aan de buitenzijde van de seksinrichting zichtbaar is dat hij over een vergunning voor die seksinrichting beschikt.
Toelichting: Dit artikel is gewijzigd om het woord ‘vaste’ bij telefoonnummer te verwijderen.
Artikel 4:1 wordt als volgt gewijzigd: Bestaande tekst
Nieuwe tekst
Artikel 4:1 Definities
Artikel 4:1 Definities
In deze afdeling wordt verstaan onder:
In deze afdeling wordt verstaan onder:
-
a. Besluit: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct
Activiteitenbesluit milieubeheer: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct
voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; -
Besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet;