01. Onderbouwing BOPA uitbreiding Padelhill Haarlemmerstraat 18-20.pdf
Tekst van het document
Padel staat bekend als sport die geluidoverlast met zich meebrengt. In de Handreiking Padel en Geluid wordt de geluidoverlast van padelbanen beoordeeld als 10 dB hoger dan tennisbanen. In het onderhavige geval gaat echter om een padelfunctie die volledig indoor plaatsvindt. Het initiatief kan aangemerkt worden als sporthal in de VNG Handreiking ‘Activiteiten en Milieuzonering’. Een sporthal vormt op het gebied van geur geen belemmering voor gevoelige functies en valt voor wat betreft geluid in positie ‘2’, met een aanbevolen afstand van 50 meter. Om geluidsoverlast te verminderen, zullen bedrijfsactiviteiten die potentieel tot hinder kunnen leiden voor omliggende woningen, inpandig en met gesloten deuren en ramen plaatsvinden. Dat gebeurt in de huidige situatie al, ook in de
pagina 34 van 48
zomer met hogere buitentemperaturen. Aangezien de activiteit zich in een hal bevindt, wordt de geluidoverlast gemitigeerd. Dit geldt voor zowel de huidige padelhal als de nieuwe padelhal met de uitbreiding. De entree van de padelhal aan de westzijde (uitbreiding) leidt bovendien niet rechtstreeks naar de banen, waardoor geluidoverlast verder afneemt. Overige geluidbronnen als het parkeren en de ontsluiting zijn niet voorzien aan de zijde van woningen in de omgeving. Er zijn geen installaties op het dak zoals airconditioning aanwezig en ook in de toekomstige situatie worden die niet aangebracht.
Geconcludeerd kan worden dat het aspect milieuzonering geen belemmering vormt voor het initiatief. De toekomstig padelhal met gesloten deuren en ramen kan gezien worden als mitigerende maatregel. Daarnaast heeft de omgeving het karakter van een gemengd woongebied. De uitbreiding van de padelhal leidt niet tot een aantasting van het aanvaardbare woon- en leefklimaat van omliggende woningen.
7.6
Luchtkwaliteit
De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in en nabij de zogenoemde aandachtsgebieden aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO 2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Er is een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan luchtvervuiling: niet in betekenende mate (NIBM). Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.
Standaardgevallen NIBM, conform artikel 5.54 Bkl.
2.
Op een andere manier zoals de NIBM-tool of detailberekeningen.
Planspecifiek De planlocatie ligt niet in een aandachtsgebied luchtkwaliteit zoals bedoeld in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Tevens wordt de ontwikkeling van gebouwen met een woonfunctie tot maximaal 1.500 woningen (één ontsluitingsweg) per definitie aangemerkt als een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarmee is het project in het kader van het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar. Verder is met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De concentraties NO2, fijnstof PM10 en fijnstof PM2.5 bedragen respectievelijk 13,4 μg/m³. 15,2 μg/m³ en 7,4 μg/m³. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 μg/m³ voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De wettelijke grenswaarden worden hier niet overschreden. Het aspect luchtkwaliteit vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
pagina 35 van 48
7.7
Archeologie en cultuurhistorie
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Een gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met cultureel erfgoed. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Daarnaast zijn er algemene rijksregels: in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels voor erfgoedactiviteiten. Artikel 13.8 Bal geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht (13.7 Bal). Gemeenten bepalen zelf of ze voor hun erfgoedbeleid archeologische beleidskaarten en/of cultuurhistorische waardenkaarten (laten) ontwikkelen.
De archeologische verwachtingen en cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in archeologische en cultuurhistorische dubbelbestemmingen. Deze dubbelbestemmingen worden opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. In de bruidsschat is een algemene vrijstelling van het archeologisch onderzoek opgenomen in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid met een oppervlakte van minder dan 100 m². Gemeenten kunnen hier wel van afwijken door een andere oppervlakte op te nemen.
Planspecifiek Om de archeologische waarde van het plangebied te bepalen is het bestemmingsplan ‘Fordmuseum’ geraadpleegd. Het plangebied heeft grotendeels de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 1’. De archeologische waarde wordt bepaald door de afgegraven strandwal met kalkrijke top. Bij deze verwachtingswaarde geldt een vrijstellingsgrens bij werkzaamheden met een oppervlakte van minder dan 100 m2 en een diepte van minder dan 30 cm. De beoogde ingreep betreft het verwijderen van het bestaande dak, het ophogen van de muren, het plaatsen van een nieuw dak en het intern verbouwen van de hal. Er vinden geen bodemingrepen plaats, waardoor archeologisch onderzoek noodzakelijk is.
7.8
Bodem
Een omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Een bodemgevoelige locatie en een bodemgevoelig gebouw worden als volgt gedefinieerd:
▪
Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw;
pagina 36 van 48
▪
Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m² valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw.
Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89k Bkl).
Planspecifiek De ontwikkeling leidt niet tot bodemgevoeliger gebruik dan is toegestaan in de huidige situatie. Tevens vinden geen bodemingrepen plaats. Bodemonderzoek wordt niet nodig geacht. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het initiatief.
7.9
Omgevingsveiligheid
Gemeenten nemen in hun omgevingsplan regels op over omgevingsveiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen toestaan of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. De belangrijkste regels over omgevingsveiligheid zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) opgenomen. In het Bkl worden activiteiten met externe veiligheidsrisico’s risicobronnen genoemd. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden en kunnen effecten hebben op kwetsbare gebouwen en locaties. Kwetsbare gebouwen en locaties Bij het bepalen van de kwetsbaarheid van een gebouw of locatie wordt gekeken naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is, de aanwezigheidsduur van personen en in hoeverre personen zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. Er wordt onderscheid gemaakt tussen beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen. Beperkt kwetsbaar gebouwen en locaties zijn onder meer verspreid liggende woningen en recreatieterreinen voor nachtverblijf van ten hoogste 50 personen. Kwetsbare gebouwen en locaties zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing) en locaties bestemd voor recreatief nachtverblijf voor meer dan 50 personen.
Een gebouw is zeer kwetsbaar als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen, zoals onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang en dagverblijven. De volledige beschrijving is opgenomen in bijlage VI van het Bkl. Een gemeente kan andere categorieën van locaties of gebouwen dan die in bijlage VI staan een vergelijkbare bescherming bieden. Daarnaast kan ze categorieën meer bescherming bieden, door bijvoorbeeld sommige kwetsbare gebouwen als zeer kwetsbaar te behandelen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is het risico dat 1 persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties is in het Bkl (artikel 5.7) een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico opgenomen van ten hoogste één op de miljoen per jaar (10-6/jaar). In het omgevingsplan moet deze grenswaarde ‘in acht worden genomen’. Het in acht nemen betekent dat het bevoegd gezag er niet van mag afwijken. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR (plaatsgebonden risico) 10-6-contour van een
pagina 37 van 48
activiteit worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moet het bevoegd gezag rekening houden met een standaardwaarde (PR 10-6-contour) voor het plaatsgebonden risico. 'Rekening houden met' betekent een inhoudelijke sturing op de belangenafweging. Er kan van de standaardwaarde afgeweken worden. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Dit is opgenomen in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Aan het groepsrisico wordt voldaan door in het aandachtsgebied geen (zeer, beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties toe te laten. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat kan ook door het beperken van het aantal personen of de verblijftijd van personen in deze gebouwen of op deze locaties.
Risicobronnen Activiteiten met externe veiligheidsrisico’s worden risicobronnen genoemd. Voor deze activiteiten moet de gemeente regels opnemen in het omgevingsplan. Het gaat onder meer om activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Voor een groot aantal van de risicovolle activiteiten gelden vaste afstanden. Deze staan in het Bal of in het Bkl. In het Bal gaat het om activiteiten zonder vergunningplicht met relatief kleine afstanden. In het Bkl staan afstanden voor zowel vergunningplichtige als niet-vergunningplichtige activiteiten.
Planspecifiek De betreffende sportfunctie waar een groot deel van de dag personen aanwezig zijn is een kwetsbaar gebouw. Om het aspect omgevingsveiligheid/externe veiligheid te beoordelen is de Atlas Leefomgeving geraadpleegd. Onderstaande kaart brengt de risicobronnen in de omgeving in beeld.
pagina 38 van 48
Kaart externe veiligheid (bron: Atlas Leefomgeving)
Transportroutes gevaarlijke stoffen Nabij de planlocatie bevinden zich geen transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Over de Haarlemmerstraat (N208) kunnen (incidenteel) gevaarlijke stoffen vervoerd worden. Onaanvaardbare veiligheidsrisico’s worden niet verwacht, gelet op de aard van de functie en het feit dat geen aandachtspunten aan de Haarlemmerstraat toegekend zijn. Buisleidingen De dichtstbijzijnde buisleiding ligt circa 1 kilometer afstand van de planlocatie. Dit betreft een aardgastransleiding. Het plangebied ligt buiten de aandachtsgebieden en het plaatsgebonden risico van deze leiding, waardoor gevolgen in geval van een calamiteit niet verwacht worden. Risicovolle activiteiten Op circa 115 meter afstand ten zuiden van de planlocatie bevindt zich een aardgasstation en 300 meter afstand ten noorden van de planlocatie bevindt zich een particuliere opslag voor propaangas, waarvan de veiligheidsafstanden niet tot de planlocatie reiken. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het aspect omgevingsveiligheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
pagina 39 van 48
7.10 Natuur Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening gehouden te worden met de natuurwaarden ter plaatse. De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Bij een ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden dat voldaan wordt aan natuurregelgeving uit de Omgevingswet. Activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten worden flora- en fauna-activiteiten genoemd. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Een activiteit die significant nadelig kan zijn voor een Natura 2000-gebied wordt een Natura 2000-activiteit genoemd. Verder bevat de Omgevingswet regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen. Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Omgevingswet zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden) en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen voor habitattypen en -soorten opgesteld.
Deze instandhoudingsdoelstellingen geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud, of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in gunstige staat te brengen. In het kader van de gebiedsbescherming is ook het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk is opgebouwd uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones, en heeft ook ten doel om de structuur te laten aansluiten op ecologische verbindingszones in het buitenland. Het NNN is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van:
▪
aanwezige dier- en plantensoorten;
▪
typen natuurlijke habitats;
▪
leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen.
Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. Soortenbescherming Om de natuur te beschermen, geeft het Rijk regels voor flora- en fauna-activiteiten. Voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor dieren en planten kan een omgevingsvergunning nodig zijn. De beschermde soorten blijven in twee groepen verdeeld:
▪
strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;
▪
andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.
Voorts geldt dat iemand die weet of kan weten dat een flora- en fauna-activiteit nadelig kan zijn voor natuurbescherming, zich altijd moet houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit. De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. De zorgplicht moet nageleefd worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
pagina 40 van 48
Houtopstanden Er gelden rijksregels als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij vellen kan een herbeplantingsplicht gelden. In het Besluit activiteiten leefomgeving worden echter uitzonderingen genoemd, zoals voor houtopstanden binnen stedelijk gebied, op erven of in tuinen en met een oppervlakte van minder dan 10 are.
Planspecifiek Het initiatief voorziet in bouw- en sloopwerkzaamheden in de bestaande bebouwing en de herinrichting van het voorgelegen terrein. Het bestaande gebouw kan mogelijk een verblijfsplaats bieden voor beschermde soorten. Om die reden is een quickscan natuur uitgevoerd (ECONU, 24 januari 2026, zie bijlage 2). Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Natuurnetwerk Nederland, Groene contour of belangrijk weidevogelgebied. Het Natuurnetwerk Nederland bevindt zich op ongeveer 400 meter afstand. Binnen de planlocatie zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Het plangebied ligt op minimaal 2,3 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied ‘Kennemerland Zuid’. Vanwege de afstand van het Natura 2000-gebied tot het plangebied zijn negatieve effecten zoals geluid, licht, optische verstoring en trillingen niet aan de orde. Gelet op de afstand tot Natura 2000-gebieden en de aard en omvang van de ontwikkeling kunnen effecten als gevolg van stikstofemissie op Natura 2000- gebieden op voorhand niet uitgesloten worden. Derhalve is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd (Buro SRO, 25 november 2025, zie bijlage 3 en 3a). Er is één berekening met AERIUS Calculator uitgevoerd, waarin zowel de aanlegfase als de gebruiksfase (bestaand en uitbreiding) gevat zijn.
Voor de stikstofemissie van de aanlegfase is gerekend met de uitstoot die ontstaat als gevolg van de te gebruiken mobiele werktuigen, de voertuigbewegingen van personeel en materialen van en naar de bouwplaats, het stationair draaien van het vrachtverkeer en de koude starts van het licht verkeer. In ditzelfde rekenjaar (2026) is ook gerekend met de uitstoot die ontstaat in de gebruiksfase als gevolg van de verkeersgeneratie en de koude starts van het licht verkeer. Uit de berekening voor de aanleg- en de gebruiksfase volgt dat er geen resultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j voor de Natura 2000-gebieden zijn. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat de stikstofemissie die plaatsvindt in de aanleg- en gebruiksfase geen significante gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden. Er is geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit benodigd. Soortenbescherming De ecologische quickscan (ECONU, 24 januari 2026, zie bijlage 2) onderzoekt de aanwezigheid van beschermde soorten en de eventuele impact van het beoogde initiatief op deze soorten. De bebouwde omgeving van het plangebied maakt het ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten, als biotoop voor beschermde insecten, als leefgebied voor vissen, als voortplantingshabitat voor reptielen en amfibieën en als foerageer- en broedgebied voor algemene vogelsoorten.
De bebouwing is ongeschikt voor gebouwbewonende soorten zoals huismussen en gierzwaluwen en er zijn geen bomen aanwezig voor nesten. Het perceel wordt incidenteel gebruikt als foerageergebied, maar er is voldoende foerageergebied op andere locaties aanwezig, zodat vogels weinig last zullen hebben van de voorgenomen initiatieven.
pagina 41 van 48
Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. De voorgenomen activiteit heeft geen negatief effect op het foerageergebied van de vleermuis. Er zijn voldoende alternatieven in de omgeving aanwezig en het plangebied blijft geschikt als foerageergebied. Door het verwijderen van het bestaande dak komt de spouwmuur open te liggen en zijn negatieve effecten op de verblijfplaatsen van vleermuizen mogelijk. Hier is aanvullend onderzoek naar gedaan door ECONU op 24 januari 2026 (zie bijlage 4). In het plangebied zijn gewone dwergvleermuizen, ruige dwergvleermuizen, watervleermuizen, rosse vleermuizen en laatvliegers waargenomen. Dit betreffen foeragerende en overvliegende vleermuizen zonder verblijfplaats. In de omgeving van het plangebied zijn enkele zomer- en paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen aangetroffen. De betekenis van het plangebied als foerageergebied is niet beschermd, waarmee geen essentiële foerageergebieden verstoord worden. De grote hoeveelheid waargenomen vleermuizen maakt dat er gesproken kan worden van een essentiële vliegroute over het plangebied, en essentiële verblijfplaatsen in de omgeving die niet verstoord mogen worden. Mitigerende maatregelen zijn noodzakelijk om schadelijke handelingen en negatieve effecten uit te sluiten. Deze worden verderop in de paragraaf uiteengezet.
Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. In het plangebied zijn geen grondgebonden zoogdieren aangetroffen. De omgeving van het plangebied is dusdanig verstedelijkt dat kleine marterachtigen beperkt voorkomen. Tot slot worden geen Rode-lijst soorten in het gebied verwacht, afgezien van enkele bomen voor de spotvogel. Het is mogelijk dat bij de werkzaamheden een vogel, grondgebonden zoogdier of amfibie wordt gedood of een rustplaats beschadigd/vernield wordt. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode uitgevoerd te worden (maart-juli). Wanneer dit wel het geval is, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden. Amfibieën en grondgebonden zoogdieren mogen niet gedood worden. Om dit te voorkomen dienen de dieren gevangen te worden of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Hiervoor is geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Houtopstanden Er worden geen houtopstanden geveld om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken. Mitigerende maateregelen De verblijfplaatsen en essentiële vliegroute mogen niet verstoord worden tijdens de bouw en het gebruik van de padelhal. De mitigerende maatregelen ten behoeve van het behoud van de essentiële vliegroute bestaan uit:
▪
Bij de werkzaamheden wordt overdag gewerkt;
▪
Er worden geen zware machines in de directe omgeving van de aangetroffen verblijfplaatsen neer gezet;
▪
Er worden geen materialen opgeslagen bij de aangetroffen verblijfplaatsen;
▪
Er wordt in de avond/nacht geen bouwverlichting in de omgeving van de verblijfplaatsen gezet;
▪
Langs de sloot aan de achterzijde wordt geen extra verlichting toegepast;
▪
Bij het gebruik van de padelbaan wordt in principe niet aan de achterzijde bij de sloot geparkeerd in de avond/nacht.
Voor de vleermuizen en vogels geldt dat de zorgplicht nageleefd moet worden. Dat betekent dat de planning van de werkzaamheden nagedacht moet worden over maatregelen om deze soorten zo min mogelijk te verstoren.
pagina 42 van 48
Door het toepassen van deze mitigerende maatregelen wordt voorkomen dat de verblijfplaatsen in de omgeving en de essentiële vliegroute boven de sloot verstoord worden. Er is dan ook geen sprake van een flora en faunaactiviteit. Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor het initiatief, mits de bovenstaande maatregelen nageleefd worden.
7.11 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Beleid De Omgevingswet verplicht overheden om een aantal programma’s vast te stellen ten aanzien van het aspect water. Dit zijn hoofdzakelijk het Nationaal Water Programma dat door het Rijk is vastgesteld, het Regionaal Water Programma dat door de provincie wordt vastgesteld en het Waterbeheerprogramma van het waterschap. De grenzen van beperkingengebieden voor waterstaatswerken in beheer bij het Rijk staan in de Omgevingsregeling.
De grenzen van beperkingengebieden voor regionale waterstaatswerken staan in de waterschapsverordening. Tot slot stelt elk waterschap een waterschapsverordening op. Nationaal Water Programma Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Provinciaal Waterprogramma Het regionaal waterprogramma van de provincie Zuid-Holland bestaat uit zes beleidskeuzes en uitwerkingen die betrekking hebben op waterveiligheid, waterkwaliteit, bodemdaling, waterrecreatie en vaarwegen. Deze thema’s worden ook gebiedsgericht uitgewerkt. Het regionaal waterprogramma speelt in op klimaatadaptatie als één van de hoofdthema’s zodat het beleid duurzaam en toekomstgericht wordt ingericht.
pagina 43 van 48
Hoogheemraadschap van Rijnland Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de waterschapsverordening de keur en de algemene regels van het hoogheemraadschap vervangen. In de waterschapsverordening ‘de Rijnlandse Keur’ (vastgesteld op 29 september 2025) staan alle regels die bepalen, welke activiteiten, waar mogen plaatsvinden en onder welke voorwaarden. De verordening is opgebouwd in 3 delen. Het eerste deel heeft algemene regels en gaat ondanks de invoering van de Omgevingswet in gebruik. Deel 2 gaat alleen in gebruik met de omgevingswet en deel 3 gaat in gebruik zonder de Omgevingswet.
Planspecifiek Watercompensatie Met de beoogde ontwikkeling wordt geen bebouwd of verhard oppervlak toegevoegd aan de locatie. De voorzijde van het perceel wordt vergroend, waardoor het verhard oppervlak licht afneemt. Waterafvoer Het afvalwater van de uitbreiding van de padelhal is aangesloten op het gemeentelijk rioolsysteem. Het hemelwater wordt niet aangesloten op het gemeentelijke riool en wordt gescheiden afgevoerd. Hemelwater wordt zo lang mogelijk vastgehouden binnen het plangebied. Waterkeringen Het plangebied ligt niet in de beschermingszone van een waterkering. Oppervlaktewater Het plangebied grenst aan de oostzijde (de achterkant van het samengestelde bedrijvengebouw) aan een primaire watergang met beschermingszone. Binnen de beschermingszone van de watergang zijn geen ingrepen voorzien. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het initiatief
7.12 Mer-beoordeling De milieueffectrapportage (MER) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een MER is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (MER) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing wordt verstaan. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMBrichtlijn.
pagina 44 van 48
Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije merbeoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één mer-beoordelingsprocedure. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een mer(beoordelings)plicht geldt aangewezen. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, dan is er een merplicht. Als het project voldoet aan de voorwaarden in kolom 3, dan is er een mer-beoordelingsplicht. Een mer-beoordeling bestaat uit twee verplichte stappen.
▪
Stap 1: Mededeling van de initiatiefnemer aan het bevoegd gezag.
▪
Stap 2: Beslissing bevoegd gezag over wel of geen milieueffectrapportage benodigd is.
De initiatiefnemer van een mer-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag. De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud zoals opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit. Dit kan een aparte aanmeldnotitie zijn. Het bevoegd gezag beoordeelt de informatie uit de mededeling en houdt bij de mer-beoordeling rekening met de criteria uit Bijlage III van de mer-richtlijn. De drie hoofdcriteria zijn opgenomen in bijlage III van de Europese richtlijn: 1.
de kenmerken van het project;
2.
de plaats van het project;
3.
de kenmerken van de potentiële effecten.
Planspecifiek Onderhavig plan is mogelijk aan te merken als stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Uit uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het inmiddels vervallen Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Om te kunnen beoordelen of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, dienen verschillende zaken afgewogen te worden. Navolgende punten zijn argumenten om het project niet als stedelijk ontwikkelingsproject aan te merken:
▪
de ontwikkeling vindt plaats in een bestaand bedrijfspand aan het (bebouwde) lint;
▪
de ontwikkeling brengt beperkte milieugevolgen met zich mee.
Wanneer bovenstaande punten afgewogen worden leidt dit tot de conclusie dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals beschreven in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Dit betekent dat er geen mer(beoordelings)plicht geldt.
pagina 45 van 48
8
Financiële haalbaarheid
Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Het gaat over overheidskosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het exploitatieplan als publiekrechtelijk instrument komen te vervallen. Het publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het bevoegd gezag kan voorschriften verbinden aan een vergunning voor een BOPA. Deze voorschriften mogen betrekking hebben op het gebied waar de omgevingsvergunning voor geldt en de aangevraagde ontwikkeling. De overheid (meestal een gemeente) en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: een zogenoemde ‘anterieure overeenkomst’. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag. Naast het kostenverhaal kan ook een ‘financiële bijdrage gebiedsontwikkeling’ worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied. Als er geen overeenkomst is gesloten, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden.
Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal in dat geval publiekrechtelijk. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning. Wanneer een omgevingsvergunning wordt verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt is artikel 4.5 Awb van toepassing en dient een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten te worden.
Planspecifiek Gelet op artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit is er geen grondslag voor het verhalen van kosten door de gemeente. De gemeentelijke kosten worden via de legesverordening verhaald. Een overeenkomst over nadeelcompensatie, die de gemeente en de initiatiefnemer kunnen sluiten, is wel benodigd. Het ruimtelijke plan is financieel uitvoerbaar.
pagina 46 van 48
9
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling betreft de uitbreiding van Padelhill aan de Haarlemmerstraat 34 van zes naar elf padelbanen. Voor de uitbreiding wordt het naastgelegen bedrijfsgebouw aan de Haarlemmerstraat 18 gebruikt. Om te kunnen voldoen aan de eisen die gelden voor padelbanen wordt de hoogte van het gebouw vergroot. Met het initiatief worden de ruimtelijke kwaliteit en de noordelijke entree van Hillegom verbeterd. Het initiatief is getoetst aan het beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente. Hieruit blijkt dat het initiatief in lijn is met dit beleid. Vanuit de aspecten van de fysieke leefomgeving komen ook geen belemmeringen voort. Gesteld kan worden dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
pagina 47 van 48
pagina 48 van 48