Ontwerp bestemmingsplan Hollestraat 20-22 Nederasselt
Tekst van het document
Hollestraat 20-22 Nederasselt
bestemmingsplan Hollestraat 20-22 Nederasselt
Inhoudsopgave
Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Geldend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
6 6 6 7 7
Hoofdstuk 2 Gebiedsvisie 2.1 Bestaande situatie 2.2 Toekomstige situatie
9 9 10
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid 3.4 Conclusie
11 11 12 14 15
Hoofdstuk 4 Milieu- & omgevingsaspecten 4.1 Verkeer & parkeren 4.2 Bodem 4.3 Geluid 4.4 Milieuzonering 4.5 Luchtkwaliteit 4.6 Geur 4.7 Externe veiligheid 4.8 Waterhuishouding 4.9 Ecologie 4.10 Archeologie & cultuurhistorie 4.11 Leidingen 4.12 Vormvrije MER-beoordeling
16 16 16 17 19 21 22 23 25 27 29 31 31
Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen 5.2 Bestemmingen
33 33 34
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
36 36 36
Bijlagen bij toelichting
38
Bijlage 1
Bodemonderzoek
39
Bijlage 2
Quickscan flora en fauna
40
Bijlage 3
Stikstofdepositieonderzoek
41
Bijlage 4
AERIUS-berekening aanlegfase
42
Bijlage 5
AERIUS-berekening gebruiksfase
43
Bijlage 6
Archeologisch vooronderzoek
44
Bijlage 7
Beoordeling archeologisch vooronderzoek
45
Bijlage 8
Zienswijzennotitie
46
2
bestemmingsplan "Hollestraat 20-22 Nederasselt" (ontwerp)
bestemmingsplan Hollestraat 20-22 Nederasselt
Regels
48
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
49 49 53
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4
Bestemmingsregels Wonen Waarde - Archeologische verwachting 1
54 54 56
Hoofdstuk 3 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9
Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Overige regels
58 58 59 60 61 62
Hoofdstuk 4 Artikel 10 Artikel 11
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
63 63 64
Bijlagen bij regels
66
Bijlage 1
Memo waterberging
67
Bijlage 2
Specificaties sloot
68
Bijlage 3
Landschappelijke inpassing
69
bestemmingsplan "Hollestraat 20-22 Nederasselt" (ontwerp) 3
bestemmingsplan Hollestraat 20-22 Nederasselt
4
bestemmingsplan "Hollestraat 20-22 Nederasselt" (ontwerp)
bestemmingsplan Hollestraat 20-22 Nederasselt
Toelichting
bestemmingsplan "Hollestraat 20-22 Nederasselt" (ontwerp) 5
bestemmingsplan Hollestraat 20-22 Nederasselt
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Op het onbebouwde stuk grond, tussen Hollestraat 20 en 22 te Nederasselt (gemeente Heumen), is de initiatiefnemer voornemens een vrijstaande woning met garage te realiseren. Hiertoe heeft de initiatiefnemer in mei 2019 een principeverzoek ingediend. Het college van de gemeente Heumen heeft op 6 april 2021 besloten in principe medewerking te verlenen aan dit verzoek. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken, moet het geldende bestemmingsplan voor de gronden in het plangebied worden herzien. Onderhavig bestemmingsplan voorziet hierin.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied ligt aan de zuidkant van de kern Nederasselt en is onderdeel van het bebouwingslint aan de Hollestraat. Kadastraal maakt het plangebied onderdeel uit van de percelen die bekend staan als gemeente Heumen, sectie B, nrs 1280 en 664. Het plangebied heeft een oppervlakte van 1.640 m2 en wordt begrensd door: Noordzijde: de Hollestraat; Oostzijde: de zijdelingse woonperceelsgrens van Hollestraat 22 (perceel nrs. 1341, 173 en 665); Zuidzijde: de grens van perceel nr. 1335 (behorend bij Maasdijk 11a); Westzijde: Jan Heurkenspad; links van deze weg is Hollestraat 20 (perceel nr. 1130) gelegen.
Globale ligging plangebied (rode stip) Navolgende afbeelding toont globaal de ligging en begrenzing van het plangebied in de omgeving. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding:
6
bestemmingsplan "Hollestraat 20-22 Nederasselt" (ontwerp)
bestemmingsplan Hollestraat 20-22 Nederasselt
Globale begrenzing plangebied (rode omkadering)
1.3
Geldend bestemmingsplan
Voor de gronden in het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Kernen Heumen, Overasselt, Nederasselt en Molenhoek ', zoals de gemeenteraad dat heeft vastgesteld op 27 juni 2013. Ter plaatse van het plangebied gelden de bestemmingen 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' en 'Groen'. Daarnaast is het gehele plangebied voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde Archeologische verwachting 1'.
Uitsnede geldend bestemmingsplan met globale aanduiding plangebied (rode omkadering)
1.4
Leeswijzer bestemmingsplan "Hollestraat 20-22 Nederasselt" (ontwerp) 7
bestemmingsplan Hollestraat 20-22 Nederasselt
Het bestemmingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven en regels waarin de bepalingen voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridische bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. De toelichting kan globaal opgedeeld worden in vier delen. Inleiding en beschrijving plangebied In hoofdstuk 1 zijn de aanleidingen en het kader voor de planherziening beschreven. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie van het plangebied. Verantwoording Hoofdstukken 3 en 4 geven de achtergronden, toelichting en motivatie op de gemaakte keuzen weer die uiteindelijk hebben geleid tot de uitgewerkte planopzet. In dit planonderdeel worden onder meer het (beleids)kader en de milieuaspecten uiteengezet. Juridische planbeschrijving In hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet beschreven. Doel is een nadere onderbouwing te geven wat met het plan wordt beoogd en hoe de instrumenten regels en verbeelding hierbij worden gehanteerd.
Uitvoerbaarheid Het laatste deel (hoofdstuk 6) gaat in op de financieel-economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
8
bestemmingsplan "Hollestraat 20-22 Nederasselt" (ontwerp)
bestemmingsplan Hollestraat 20-22 Nederasselt
Hoofdstuk 2 2.1
Gebiedsvisie
Bestaande situatie
Het plangebied is een (nog) onbebouwd perceel te midden van een relatief dicht bebouwd dorpslint. Binnen de bebouwde kom is aan weerszijden van de historisch oude Hollestraat woonbebouwing aanwezig. De rooilijn van de bebouwing volgt de weg en heeft kleine verspringingen. Het straatbeeld is afwisselend door een mix van vrijstaande woningen aan de ene kant van de weg en twee-kappers aan de andere kant van de weg. De woningen bestaan voornamelijk uit één of twee bouwlagen en een kap. Ter plaatse van het plangebied is een open plek. Het perceel bestaat uit omheind grasland, zonder beplanting. Op navolgende afbeeldingen is de bestaande bebouwing langs het dorpslint weergegeven, evenals een impressie van het plangebied:
Omliggende bebouwing met globale aanduiding plangebied (rode omkadering)
Bestaande situatie plangebied (met links Hollestraat 22 en rechts Hollestraat 20)
bestemmingsplan "Hollestraat 20-22 Nederasselt" (ontwerp) 9
bestemmingsplan Hollestraat 20-22 Nederasselt
2.2
Toekomstige situatie
In de toekomstige situatie wordt passend binnen het stedenbouwkundige profiel van de Hollestraat, één vrijstaande woning met zadeldak gerealiseerd, die qua vorm en materiaalgebruik aansluit bij de bestaande bebouwing, maar een eigen individuele uitstraling heeft en haaks staat op de Hollestraat. Ten oosten van de woning wordt een garage met inrit (van 3 m breed) gerealiseerd. Deze bieden plaats aan minimaal 3 parkeerplaatsen. De voorgevelrooilijn is achter de monumentale boerderij (nr. 20) gelegen. Verder is de woning zo ver als mogelijk aan de oostzijde van het perceel gesitueerd om de rijksmonumentale boerderij de ruimte te geven, waarbij rekening is gehouden met een afstand van 3 m tot de zijdelingse perceelsgrens. Aan de voorzijde van de woning (buiten het perceel) wordt een zone van twee meter vanaf de kant van de weg gerealiseerd. In deze zone blijft de bestaande situatie gehandhaafd (met uitzondering van de inrit) in verband met de aanwezige waterbergende capaciteit ter plaatse. Daarnaast wordt aan de linkerzijde van het perceel deels op eigen terrein, deels op openbaar terrein een sloot (met bloemrijk grasland) gerealiseerd ten behoeve van de waterberging (zowel van het perceel als van de openbare ruimte). De capaciteit van deze sloot is minimaal 66,4 mm/ha. Het gehele perceel wordt landschappelijk ingepast.
De voorzijde van het perceel wordt voorzien van een lage, geschoren haag, zodat er vanaf de Hollestraat een doorkijk is naar het achterliggende landschap. Meer naar de achterzijde van het perceel (richting de dijk) is de haag iets hoger. Aan de achterzijde van het perceel wordt een bij het oeverwallandschap passende houtwal gerealiseerd. Deze is goed voor de biodiversiteit en kan worden gezien als een natuurlijke overgang naar het achterliggende landschap. Op de navolgende afbeelding is globaal de beoogde situering van de nieuw te bouwen woning (met garage) en de landschappelijke inpassing weergegeven:
Impressie beoogde toekomstige situatie (met landschappelijke inpassing)
10
bestemmingsplan "Hollestraat 20-22 Nederasselt" (ontwerp)
bestemmingsplan Hollestraat 20-22 Nederasselt
Hoofdstuk 3
Beleidskader
3.1
Nationaal beleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de opvolger van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), waarin het Rijk een lange termijn visie geeft op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt keuzes te maken. Bij de afweging van keuzes wordt bij voorkeur gekozen voor slimme combinaties van functies, wordt uitgegaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden en worden beslissingen niet uitgesteld of doorgeschoven. De nationale belangen en opgaven waarop het Rijk wil sturen en richting wil geven, komen samen in de volgende vier prioriteiten: Ruimte maken voor klimaatadaptatie en energietransitie; De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden; Steden en regio's sterker en leefbaarder maken; Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de prioriteiten uit de NOVI. De NOVI vormt geen belemmering voor dit plan. 3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) borgt een aantal van de nationale ruimtelijke belangen die deel uitmaken van het beleid, zoals beschreven in de voorganger van de NOVI, oftewel de SVIR. Op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt, vervalt het Barro. De regels van het Barro worden dan vervangen door het Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL). Het BKL wordt de uitwerking, in regelgeving, van het beleid dat in de NOVI staat. Zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is, is het Barro nog van toepassing. In het Barro, ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 14 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in provinciaal beleid en gemeentelijke bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro voor de opgenomen onderwerpen regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Planspecifiek Voor onderhavig plangebied zijn geen specifieke doelstellingen geformuleerd. Het Barro is niet specifiek van toepassing op het plangebied. 3.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
De reeds in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerde 'ladder voor duurzame verstedelijking' is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet in de toelichting een onderbouwing worden opgenomen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De ladder wordt in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven: 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.'
bestemmingsplan "Hollestraat 20-22 Nederasselt" (ontwerp) 11
bestemmingsplan Hollestraat 20-22 Nederasselt
In het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking wordt ten aanzien van de definitie van bestaand stedelijk gebied de definitie uit het Bro gehanteerd: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.' Volgens de nota van toelichting bij het Bro moet worden bekeken of door het benutten van leegstaande verstedelijkingsruimte in bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in de behoefte. Zoals ook volgt uit de uitspraak van 24 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4654) kunnen, naar het oordeel van de Raad van State, planologische mogelijkheden waarvan nog geen gebruik is gemaakt, als leegstaande verstedelijkingsruimte worden aangemerkt. Een dergelijke locatie wordt gezien als onderdeel van het bestaand stedelijk gebied. Planspecifiek Conform actuele jurisprudentie wordt een ontwikkeling van twaalf woningen of meer gezien als stedelijke ontwikkeling. Aangezien onderhavig bestemmingsplan de bouw van slechts één woning mogelijk maakt, is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling zoals gedefinieerd in het Bro. Het doorlopen van de ladder is daarmee niet noodzakelijk. 3.1.4
Conclusie
In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Algemeen
Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de 'Omgevingsvisie Gaaf Gelderland' vastgesteld. De bijbehorende geactualiseerde en geconsolideerde 'Omgevingsverordening Gelderland (januari 2023)' hebben Provinciale Staten op 21 december 2022 vastgesteld. In de Omgevingsvisie staan de hoofdlijnen van het beleid en in de Omgevingsverordening de regels en afspraken om de opgaven uit de Omgevingsvisie te realiseren. De Omgevingsvisie en –verordening zijn dynamische instrumenten. Doordat wetten veranderen of door de komst van nieuwe initiatieven, kijkt de provincie 2 keer per jaar of de plannen moeten worden aangepast. 3.2.2
Omgevingsvisie
De komende decennia komt er veel op Gelderland af: het energievraagstuk, klimaatverandering, uitputting van grondstoffen, kwetsbare biodiversiteit, digitalisering, internationalisering. Deze zaken vragen stevige antwoorden en oplossingen als investering in de toekomst. Met de schaarse ruimte en de vele uiteenlopende belangen en inzichten gaat dit niet vanzelf. De provincie zet in de Omgevingsvisie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Gezond en veilig; dat is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat is ook voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En dat is ook aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid. Schoon en welvarend; dat is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat is ook het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen, alsmede het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie.
Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang, zoals goed bereikbare voorzieningen, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen en een mooie natuur. Ook goed wonen hoort daarbij. Gelderland heeft op woongebied een bijzondere positie met uiteenlopende stedelijke en landelijke woonkwaliteiten. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand verstedelijkt gebied het vertrekpunt. De provincie geeft de voorkeur aan het benutten van bestaande gebouwen en het concentreren van bebouwing. Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, kan er aan de randen van steden of
12
bestemmingsplan "Hollestraat 20-22 Nederasselt" (ontwerp)
bestemmingsplan Hollestraat 20-22 Nederasselt
dorpen uitgebreid worden. De dynamiek op de woningmarkt is groot. Mensen worden ouder, wonen steeds langer alleen en zelfstandig, worden steeds meer energiebewust en zijn mobieler dan vroeger, waardoor ze ook meer en makkelijker verhuizen. Het grootste deel van de woningen die in 2050 in Gelderland nodig zijn, staat er al. Maar deze woningen zijn niet klaar voor de toekomst en moeten aangepast of vervangen worden. Voor de provincie staat een goede balans tussen de vraag en aanbod van woningen in verschillende prijscategorieën voorop, ook voor specifieke doelgroepen. De meeste woningen zijn verre van energieneutraal en klimaatbestendig. De provincie stimuleert innovaties op dit terrein, zoals het aardgasloos maken van bestaande woningen en het verduurzamen van woonwijken. Daarnaast is de provincie met haar partners in gesprek over hoe het vraagstuk van klimaatadaptatie en wonen slimmer aangepakt kan worden. Voldoende groene ruimte, koele plekken, opvang van water in het licht van de klimaatverandering is immers van belang, zeker met het oog op de gezondheid van de Gelderlanders. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling sluit aan bij het vertrekpunt dat zoveel mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied gebouwd wordt. De beoogde woning versterkt immers een relatief dicht bebouwd dorpslint in de bebouwde kom van de kern Nederasselt.
Daarnaast wordt de woning met veel groen landschappelijk ingepast en wordt gedeeltelijk op eigen terrein een sloot gerealiseerd ten behoeve van de waterinfiltratie. Dit draagt bij aan de provinciale ambities op het gebied van klimaatadaptatie. Voor onderhavige plangebied zijn verder geen specifieke doelstellingen geformuleerd in de Omgevingsvisie. De Omgevingsvisie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 3.2.3
Omgevingsverordening
De Omgevingsverordening vormt de juridische doorwerking in regels van het beleid uit de Omgevingsvisie. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Planspecifiek In artikel 2.2 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan alleen nieuwe woningen mogelijk maakt, als de ontwikkeling past binnen een door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale woonagenda. Aangezien het toevoegen van één wooneenheid passend is binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma (dat op zijn beurt past binnen de subregionale woonagenda, zie subparagraaf 3.3.2), is de voorgenomen ontwikkeling niet strijdig met de Omgevingsverordening. Voor onderhavige plangebied zijn verder geen specifieke regelingen geformuleerd in de Omgevingsverordening.
Vandaar dat de Omgevingsverordening geen belemmering vormt. 3.2.4
Conclusie
In het plangebied zijn geen provinciale belangen in het geding.
bestemmingsplan "Hollestraat 20-22 Nederasselt" (ontwerp) 13
bestemmingsplan Hollestraat 20-22 Nederasselt
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Omgevingsvisie gemeente Heumen
Op 26 oktober 2023 heeft de gemeenteraad de Omgevingsvisie Heumen vastgesteld. Deze Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ruimtelijke keuzes en contouren voor het grondgebied van de gemeente Heumen. De kern Nederasselt is één van de drie kleine kernen in de gemeente Heumen. Ten aanzien van woningbouw wordt prioriteit gelegd op het beantwoorden van de lokale behoefte. Er zijn op dit moment binnen Nederasselt geen uitbreidingslocaties voorzien. Wel is er op bestaande versteende locaties ruimte voor het incidenteel toevoegen van woningen in het bestaand stedelijk gebied (inbreiding). Er wordt dan binnen en aansluitend op het dorpse karakter gebouwd. Planspecifiek Door onderhavig bestemmingsplan vindt een stedenbouwkundige versterking van een dorpslint plaats. Het bebouwingslint ten zuiden van de Hollestraat wordt aangevuld met één vrijstaande eengezinswoning, passend binnen de bestaande korrelgrootte en situering van de aanwezige lintbebouwing. Ook wordt de woning landschappelijk ingepast waarbij rekening wordt gehouden met een doorkijk naar het achterliggende landschap. Daarmee past het plan binnen de woningbouwkaders uit de gemeentelijke structuurvisie. 3.3.2
Woonvisie Heumen 2017
De gemeenteraad heeft de 'Woonvisie Heumen 2017' op 14 december 2017 vastgesteld. Bij het opstellen van de woonvisie zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: De bestaande woningvoorraad staat centraal, nieuwbouw dient als aanvulling; De gemeente Heumen is onderdeel van een regionale woningmarkt en handelt binnen de bandbreedte van het (sub)regionale en door de provincie goedgekeurde woningbouwprogramma en de regionale huisvestingsverordening; Het overgrote deel van de woningvoorraad is in handen van particuliere woningbezitters. De invloed van de gemeente op de woningvoorraad is daardoor beperkt. Woningbezitters zijn primair zelf verantwoordelijk voor de eigen woning; De gemeente Heumen kent een rijke traditie van samenwerken met verschillende partners, zoals de woningcorporatie, inwoners, maatschappelijke organisaties, ondernemers en andere overheden. Het motto van de woonvisie is: 'prettig wonen in een groene en landelijke omgeving'. Om dit te bereiken zijn vier ambities geformuleerd: Prettig wonen voor alle levensfasen en inkomensklassen; Prettig wonen in een duurzame omgeving; Prettig zo lang als mogelijk zelfstandig wonen; Prettig wonen in leefbare kernen. Planspecifiek Voor de gemeenten Berg en Dal, Beuningen, Druten, Heumen, Mook en Middelaar, Nijmegen en Wijchen is sinds 15 december 2020 de nieuwe gezamenlijk regionale 'Woonagenda Nijmegen e.o.
2020-2030' van kracht. Op basis van een analyse van de regionale behoefte, kunnen in de regio gedurende de looptijd van de agenda circa 20.500 woningen worden gebouwd. Voor Heumen komt dit neer op circa 635 woningen. De voorgenomen ontwikkeling van één wooneenheid past kwantitatief gezien binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma van 635 woningen en daarmee binnen de subregionale woonagenda. Ook draagt de ontwikkeling kwalitatief bij aan de ambities uit de woonvisie. De lokale toevoeging van één vrijstaande woning levert een bijdrage aan het behoud van een evenwichtige leeftijdsopbouw, ten behoeve van de leefbaarheid in de kern Nederasselt. Daarnaast wordt de woning met veel groen landschappelijk ingepast, zodat geheel aan het motto van de woonvisie 'prettig wonen in een groene en landelijke omgeving' wordt voldaan.
14
bestemmingsplan "Hollestraat 20-22 Nederasselt" (ontwerp)
bestemmingsplan Hollestraat 20-22 Nederasselt
3.3.3
Conclusie
In het plangebied zijn geen gemeentelijke belangen in het geding.
3.4
Conclusie
Het plan is passend binnen c.q. niet strijdig aan het beleid van de verschillende overheden.
bestemmingsplan "Hollestraat 20-22 Nederasselt" (ontwerp) 15
bestemmingsplan Hollestraat 20-22 Nederasselt
Hoofdstuk 4
Milieu- & omgevingsaspecten
4.1
Verkeer & parkeren
4.1.1
Verkeer
Om inzicht te bieden in de mate van verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling, die met dit bestemmingsplan wordt gefaciliteerd, moet de verkeersaantrekkende werking worden bepaald. Daarvoor is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de bouw van één vrijstaande woning. Op basis van de CROW-publicatie geldt voor één vrijstaande woning een maximale verkeersgeneratie van 8,6 motorvoertuigbewegingen, op een gemiddelde weekdag, uitgaande van een ligging in 'niet stedelijk' gebied, in de 'rest bebouwde kom'. Het plangebied wordt ontsloten via een inrit aan de Hollestraat. Aangezien het om een relatief beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen gaat en de Hollestraat voldoende capaciteit heeft om deze toename op te vangen, leidt de beoogde ontwikkeling niet tot een onacceptabele verkeerstoename. Het aspect 'verkeer' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. 4.1.2
Parkeren
Ter waarborging van voldoende parkeervoorzieningen hanteert de gemeente Heumen het gemiddelde van de bandbreedtes van de parkeernormen uit de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren'. Voor vrijstaande woningen, in 'niet stedelijk' gebied, in de 'rest bebouwde kom', geldt een gemiddelde parkeernorm van 2,3 parkeerplaatsen per woning, inclusief 0,3 parkeerplaatsen per woning voor bezoekers. Dit betekent dat op het perceel moet worden voorzien in tenminste drie parkeerplaatsen. Hiertoe is voldoende ruimte op eigen terrein. In de regels van dit bestemmingsplan is een regeling opgenomen, zodat met de realisatie van de woning wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.2
Bodem
4.2.1
Regelgeving
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat, indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig moet worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Wet bodembescherming heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. Op grond van de Woningwet en de Bouwverordening moet voor elke individuele bouwlocatie aangetoond worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing, alvorens een omgevingsvergunning kan worden verleend.
16
bestemmingsplan "Hollestraat 20-22 Nederasselt" (ontwerp)
bestemmingsplan Hollestraat 20-22 Nederasselt
Bij het opstellen van een bestemmingsplan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/herzien van een bestemmingsplan alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen, bouwen, graven/ophogen). Bij nieuwe ontwikkelingen moet bekeken worden of de bodemkwaliteit een belemmering op kan leveren voor de realisering hiervan. Bijna altijd is het mogelijk om bodem geschikt te maken voor het gewenste gebruik. Het is echter mogelijk dat een plan financieel onuitvoerbaar wordt, bijvoorbeeld omdat de kosten van de sanering te hoog zijn. Bij een wijziging van de bestemming of van de functie wordt een bodemonderzoek alleen noodzakelijk geacht, indien deze wijziging tevens een meer gevoelige vorm van bodemgebruik inhoudt. 4.2.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Vanwege de herontwikkeling van het plangebied naar de milieugevoelige functie 'wonen' zijn er diverse (bodem)onderzoeken uitgevoerd naar de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem, inclusief asbest (Verhoeven Milieutechniek, 17 juni 2021). Deze bodemonderzoeken zijn als Bijlage 1 bij de toelichting gevoegd. Op basis van de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat er geen verslechtering van de bodemkwaliteit heeft plaatsgevonden. Met uitzondering van verhoogde gehalten voor zink in de bovengrond, zijn geen noemenswaardige verontreinigingen aangetoond in de bodem (inclusief OCB en asbest). Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan ons inziens dan ook geen belemmeringen tegen de voorgenomen herontwikkeling van de locatie, rekening houdend met onderstaande opmerkingen aanbevelingen. De aangetroffen verhoogde gehalten voor zink in de grond hebben een regionaal karakter, gerelateerd aan de dempen van de klei uit de Maas tijdens de kanalisatie omstreeks 1930. Er is sprake van een zogenaamde ‘homogene verdeling van de verontreiniging’. De provincie Gelderland heeft de onderzoeken beoordeeld en ingestemd dat sprake is van een homogene verontreiniging (niet perceelsgebonden) welke in het verleden in het desbetreffende gebied is aangebracht als ophooglaag. Daarnaast vormen de gemeten zinkgehalten geen dusdanige (gezondheids)risico’s dat sanerende maatregelen noodzakelijk zijn.
Nader onderzoek op grond van de Wbb wordt niet noodzakelijk geacht. Wel dient bij toekomstige graafwerkzaamheden rekening gehouden te worden dat mogelijk aanvullende onderzoeken/keuringen of maatregelen worden verlangd, aangezien de grond bij afvoer niet geschikt is voor een woonbestemming of zelfs sterk verontreinigd kan zijn. Geadviseerd wordt om dan in overleg te treden met de gemeente omtrent de te nemen vervolgstappen. Aanvullend wordt geadviseerd om, na verwijdering van de momenteel aanwezige vegetatie, nog een maaiveldinspectie uit te voeren, zodat een definitieve uitspraak kan worden gedaan over de contactzone. Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.3
Geluid
4.3.1
Regelgeving
Belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Overeenkomstig de Wgh zijn (spoor-)wegen en industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen voorzien van zones. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een toetsing uitgevoerd moet worden. Daarbij beperkt de Wgh zich tot een toetsing ter plaatse van zogenaamde geluidsgevoelige objecten. Dit zijn onder andere woningen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen, kinderdagverblijven, woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonboten.
bestemmingsplan "Hollestraat 20-22 Nederasselt" (ontwerp) 17
bestemmingsplan Hollestraat 20-22 Nederasselt
Wegverkeer Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) moet bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in artikel 82 t/m 85 van de Wgh in acht worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in artikel 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor: de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in artikel 1 Wgh en art 1.2 Bgh - het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012); de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg; functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in artikel 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat, indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen.
Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in artikel 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk. Burgemeester en wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting. Railverkeer Langs landelijke spoorwegen liggen referentiepunten, waarvoor is vastgelegd hoeveel geluid de spoorlijn mag produceren, zogenaamde geluidsproductieplafonds (GPP's). De hoogte van de geluidsproductieplafonds is vastgelegd in het geluidsregister. De grootte van de zone van een spoorweg is afhankelijk van het geluidsproductieplafond en is vastgelegd in artikel 1.4a uit het Besluit geluidhinder (Bgh). De zone van een spoorweg ligt aan beide zijden van de spoorweg en wordt gemeten van de buitenste spoorstaaf. De wettelijke zone van een spoorweg is afhankelijk van de toegestane geluidsbelasting op het referentiepunt uit het geluidregister. 4.3.2
Doorvertaling bestemmingsplan
De Hollestraat kent een snelheidsregime van 30 km/u en is zodoende niet voorzien van een onderzoekszone. Het plangebied is wel gelegen in de geluidszone (200 m) van de ten zuiden van het plangebied gelegen weg, de Maasdijk (met een snelheidsregime van 60 km/u). Aangezien de verkeersintensiteiten op deze weg echter dermate laag zijn en de overige wegen rondom het plangebied een snelheidsregime van 30 km/u kennen, zal de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet worden overschreden. Nader onderzoek naar wegverkeerslawaai is niet noodzakelijk. Ook akoestisch onderzoek naar railverkeerslawaai hoeft niet plaats te vinden, omdat het plangebied niet is gelegen binnen de geluidszone van een spoorlijn. Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
18
bestemmingsplan "Hollestraat 20-22 Nederasselt" (ontwerp)
bestemmingsplan Hollestraat 20-22 Nederasselt
4.4
Milieuzonering
4.4.1
Regelgeving
Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van inrichtingen en/of bedrijven worden gerealiseerd, zal een milieukundig onderzoek uit moeten wijzen in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige inrichtingen en of bedrijven. Maar ook andersom moet aandacht worden besteed aan de rechten van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering in de directe omgeving zullen beperken. Datzelfde geldt uiteraard ook voor de situatie dat inrichtingen en/of bedrijven wijzigen in de nabijheid van bestaande gevoelige functies. Via de milieuwetgeving wordt milieuhinder zoveel mogelijk voorkomen. Alle bedrijven en inrichtingen die in potentie hinder zouden kunnen veroorzaken, moeten een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer of moeten middels een melding aantonen dat zij aan de hierin gestelde richtwaarden kunnen voldoen. De gestelde richtwaarden zijn veelal vertaald in minimale afstanden tussen de inrichtingen waar activiteiten plaatsvinden en de milieugevoelige functies in de directe omgeving. Behalve van de aard en omvang van een bedrijf of inrichting, is deze mede afhankelijk van de omgevingskarakteristiek. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor bijvoorbeeld drukke woonwijken of een gemengd gebied.
Voor het vaststellen van de genoemde minimum richtafstanden tussen inrichtingen en milieugevoelige functies worden in de regel de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied.
Richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' Voorgaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Indien de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Indien niet aan de richtafstanden wordt voldaan, is een nadere beschouwing dan wel onderzoek nodig. 4.4.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Het plangebied is onderdeel van de lintbebouwing aan de Hollestraat, met overwegend een woonbestemming. Vandaar dat de richtafstanden voor het omgevingstype 'rustige woonwijk' van toepassing zijn. In de omgeving van het plangebied komen de volgende bedrijven en voorzieningen voor: J. Thijssenstraat 5: een cafetaria, uit milieucategorie 1, met een richtafstand van 10 m. Gezien de ligging op circa 130 m ten noorden van het plangebied, wordt aan deze richtafstand voldaan. Klokstraatje 7: kleine begraafplaats, uit milieucategorie 1, met een richtafstand van 10 m. Gezien de ligging op circa 150 m ten westen van het plangebied, wordt aan deze richtafstand voldaan. Kerklaantje 17: een dorpshuis uit milieucategorie 2, met een richtafstand van 30 m. Gezien de ligging op tenminste circa 190 m ten noordwesten van het plangebied, wordt aan deze richtafstand voldaan. Als gevolg van de beoogde planontwikkeling worden geen bedrijven in hun bedrijfsvoering geschaad en de toekomstige woning ondervindt geen overlast van bedrijvigheid. Er is dus sprake van een goed
bestemmingsplan "Hollestraat 20-22 Nederasselt" (ontwerp) 19
bestemmingsplan Hollestraat 20-22 Nederasselt
woon- en leefklimaat. Het aspect 'milieuzonering' vormt geen belemmering voor uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
20
bestemmingsplan "Hollestraat 20-22 Nederasselt" (ontwerp)
bestemmingsplan Hollestraat 20-22 Nederasselt
4.5
Luchtkwaliteit
4.5.1
Regelgeving
In het kader van een planologische procedure moet worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij moet het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld worden gebracht. De Wet luchtkwaliteit van 15 november 2007 - inmiddels opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) - gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Projecten moeten worden beoordeeld op basis van de voormalige Wet luchtkwaliteit c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor vergunningverlening als: er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden.
In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. 4.5.2
Doorvertaling bestemmingsplan
In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Voorliggend initiatief maakt de realisatie van maximaal één woning mogelijk en valt dus binnen de NIBM-regeling. Daarom is onderzoek op grond van de Wet luchtkwaliteit niet noodzakelijk. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn aan de hand van de Grootschalige Concentratieen Depositiekaarten (GCN en GDN), de jaargemiddelde concentraties NO 2, PM10 en PM2,5 bepaald ter hoogte van het plangebied. Daaruit blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden van 40 µg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) niet worden overschreden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
bestemmingsplan "Hollestraat 20-22 Nederasselt" (ontwerp) 21
bestemmingsplan Hollestraat 20-22 Nederasselt
4.6
Geur
4.6.1
Regelgeving
Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningsplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt: voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv)) geldt een maximale geurbelasting) op een geurgevoelig object; voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en nietconcentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, zie navolgende tabel:
Binnen bebouwde kom
Buiten bebouwde kom
Concentratiegebied
Niet-concentratiegebied
diercategorieën Rgv
maximum 3 ouE/m³
maximum 2 ouE/m³
andere diercategorieën
minimum 100 m t.o.v. geurgevoelig object
minimum 100 m t.o.v. geurgevoelig object
diercategorieën Rgv
maximum 14 ouE/m³
maximum 8 ouE/m³
andere diercategorieën
minimum 50 m t.o.v. geurgevoelig object
minimum 50 m t.o.v. geurgevoelig object
Geurnormen Wgv De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. Regeling geurhinder en veehouderij In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop: de geurbelasting wordt bepaald; de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object) wordt gemeten. Activiteitenbesluit Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee). Geur bij niet-agrarische bedrijven Het voorkomen van (nieuwe) geurhinder is het algemene uitgangspunt in het rijksbeleid.
Dit uitgangspunt is uitgewerkt in het landelijk informatiedocument ‘Handleiding Geur Industrie’ en beschrijft de methodiek voor de bepaling van het aanvaardbaar hinderniveau voor geur ten gevolge van bedrijfsmatige activiteiten. Vanwege het lokale aspect van geurhinder is de hoogte van het aanvaardbaar hinderniveau niet landelijk vastgelegd. Het bevoegd gezag moet daar een eigen afweging in maken. De provincie Gelderland heeft deze afweging uitgewerkt in de ‘Beleidsregels geur bedrijven (niet-veehouderijen) Gelderland 2017’ voor de industriële bedrijven waarvoor de provincie het bevoegde gezag is. Daarin is het aanvaardbaar geurhinderniveau vertaald naar streef-, richt- en grenswaarden. De streefwaarde is de waarde waaronder geen sprake is van hinder. De grenswaarde is de waarde waarboven sprake is van ernstige hinder. Over het algemeen wordt een geurcontour tussen streef- en grenswaarde als aanvaardbaar geurhinderniveau vastgesteld en vastgelegd in de milieuvergunning voor een industrieel geurrelevant bedrijf.
22
bestemmingsplan "Hollestraat 20-22 Nederasselt" (ontwerp)
bestemmingsplan Hollestraat 20-22 Nederasselt
4.6.2
Doorvertaling bestemmingsplan
In de directe omgeving van het plangebied is geen sprake van (niet-)agrarische bedrijven met een geurcontour die (deels) over het plangebied gelegen is. Bovendien zijn tussen de omliggende (niet)agrarische bedrijven en het plangebied reeds andere gevoelige woonbestemmingen gelegen, die maatgevend zijn voor de bedrijfsvoering van de betreffende (niet-)agrarische bedrijven. Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.7
Externe veiligheid
4.7.1
Regelgeving
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten. In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas. Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied).
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Het besluit is op 27 oktober 2004 in werking getreden. Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Daarin wordt geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico's langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van Gasunie zijn het meest relevant. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) in werking getreden. Het Bevt verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. 4.7.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Op navolgende afbeelding is een uitsnede weergegeven van de provinciale risicokaart. Hierop is informatie weergegeven ten aanzien van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, transportroutes en buisleidingen:
bestemmingsplan "Hollestraat 20-22 Nederasselt" (ontwerp) 23
bestemmingsplan Hollestraat 20-22 Nederasselt
Uitsnede risicokaart met globale aanduiding plangebied (blauwe stip) Inrichtingen c.q. bedrijven Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting. In het noordwesten van de kern Nederasselt is een Gasunie meet en regelstation aanwezig. Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg Het transport van gevaarlijke stoffen over de A73 is gelet op de grote afstand tot het plangebied niet relevant. De 10-6 plaatsgebonden risicocontour wordt vanuit de as van de weg gemeten en bedraagt 10 m. Het plasbrandaandachtsgebied bedraagt 30 m uit de zijkant van de weg. Deze zones liggen buiten het plangebied. Vervoer van gevaarlijke stoffen over het water De kern Nederasselt ligt ten noorden van de Maas. Het transport van gevaarlijke stoffen over de Maas is gelet op de ruime afstand tot het plangebied, niet relevant. De vaarwegen zijn conform het Basisnet water zwarte vaarwegen en hiervoor geldt dat de 10-6 plaatsgebonden risicocontour niet buiten de waterlijn komt. Het plasbrandaandachtsgebied ligt op 25 m langs de vaarweg. Deze zones liggen buiten het plangebied. Vervoer van gevaarlijke stoffen door een buisleiding Ten noorden van Nederasselt ligt een gasleiding. Deze ligt op grote afstand van het plangebied, waardoor het risico voor overlijden nihil is.
Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid bij een zwaar ongeval. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid.
24
bestemmingsplan "Hollestraat 20-22 Nederasselt" (ontwerp)
bestemmingsplan Hollestraat 20-22 Nederasselt
Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.8
Waterhuishouding
4.8.1
Regelgeving
Waterschap Rivierenland Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 “Koers houden, kansen benutten” bepalend voor het waterbeleid. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterketen. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat is voor plannen met een toename van verharding compenserende waterberging nodig. In feite is waterberging extra ruimte in sloten. Hiermee kan (regen)water uit de omgeving worden opgevangen. Technisch gezien is waterberging de ruimte tussen het zomerwaterpeil in de sloot en de bovenzijde van de oever. Het waterschap bepaalt aan de hand van normbuien hoeveel waterberging nodig is. Er zijn vuistregels vastgesteld voor de benodigde waterberging in ruimtelijke plannen.
De benodigde ruimte voor waterberging dient berekend te worden op basis van maatgevende regenbuien, de toename aan verhard oppervlak en de maximaal toelaatbare peilstijging in de watergangen. Voor plannen met een toename aan verharding kan de vuistregel van 436 m³ per hectare verharding worden gebruikt bij bui T=10+10% en 664 m³ bij bui T=100+10%. De maatgevende afvoer bedraagt 1,5 l/s/ha. Bij een bui T=10+10% mag het waterpeil in principe maximaal 0,3 m stijgen. Bij een regenbui die eenmaal per 100 jaar kan voorkomen (T= 100+10%) mag het waterpeil stijgen tot de laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Bij de keuze van het soort bergingsvoorziening hanteert het waterschap de trits vasthouden-bergenafvoeren. In aansluiting hierop hanteert het waterschap de volgende voorkeursvolgorde: Hemelwater vasthouden door hergebruik of infiltratie; Hemelwater bergen in open water (of droogvallende watergang); Hemelwater bergen in kunstmatige bergingsvoorzieningen (wadi, bassins, kratten, kelders). Indien een infiltratievoorziening wordt gerealiseerd moet de bodem van de voorziening zich gelijk of hoger dan de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) bevinden en mag bij een ontwerpbui T=100+10% het systeem tot aan maaiveld gevuld zijn. De ledigingstijd van het systeem bedraagt 48 tot 96 uur.
Gemeente Heumen Het (hemel)waterbeleid van de gemeente Heumen is onder meer vastgelegd in het Verbreed gemeentelijk rioleringsplan 2018 - 2022. Voor alle nieuwbouwplannen binnen de gemeente Heumen geldt dat het regenwater op eigen perceel verzameld en verwerkt dient te worden. Het regenwater mag niet meer bij het vuilwaterriool worden aangesloten of oppervlakkig afstromen naar de openbare ruimte. De gemeente Heumen conformeert zich aan het beleid van het waterschap. De eis vanuit het waterschap voor solitaire infiltratiesystemen (dus zonder overloop op een sloot) dienen minimaal 66,4 mm/m² verhard oppervlak te kunnen bergen. Bij een systeem met een overloop op het watersysteem van het waterschap moet minimaal 43,6 mm/m² verhard oppervlak geborgen worden, waarbij maximaal 1,5 l/s/ha op het watersysteem mag worden geloosd. Voor het aansluiten van water of een overloop op het watersysteem van het waterschap moet een vergunning worden aangevraagd of moet een melding worden gemaakt.
bestemmingsplan "Hollestraat 20-22 Nederasselt" (ontwerp) 25
bestemmingsplan Hollestraat 20-22 Nederasselt
De wijze van infiltreren, bergen en verwerken van het hemelwater op eigen terrein is ter invulling van de perceeleigenaar. Bij de keuze en aanleg van een voorziening dient te worden voorkomen dat er afval in het hemelwatersysteem wordt geloosd. Daarnaast dient gebruik te worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwproducten en werkwijzen. Er wordt derhalve geadviseerd gebruik te maken van niet uitloogbare bouwmaterialen of materialen die voorzien zijn van een keurmerk. Daarnaast dient een voorziening bij voorkeur inspecteerbaar en reinigbaar te zijn. Het systeem dient binnen 48 uur weer leeg te zijn zodat de volledige bergingscapaciteit weer beschikbaar is. De gemeente adviseert binnen stedelijk gebied om minimaal 20 tot 30 mm in een voorziening te bergen met een overloop op eigen terrein. De overloop mag daarbij geen overlast voor de omgeving opleveren. 4.8.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Bestaande situatie In de huidige situatie is de beoogde locatie van de woning in gebruik als onbebouwd (intensief beheerd) grasland, zonder (opgaande) beplanting. Er is geen oppervlakteverharding aanwezig. Waterkeringen In het voorliggende plangebied zijn geen waterkeringen aanwezig. Watergangen Het plangebied grenst niet aan een watergang en valt ook niet binnen de beschermingszone van een watergang. Watercompensatie Er is een verhardingsbalans opgesteld om te laten zien hoe de bestaande situatie en de toekomstige situatie zich tot elkaar verhouden: Dakoppervlak (m²) Terreinoppervlak (m²)
Onverhard (m²) Totaal (m²)
Bestaande situatie
0
0
1.640
1.640
Toekomstige situatie
250
200
1.190
1.640
Verschil
+250
+200
450
0
Uit de verhardingsbalans blijkt dat de hoeveelheid verhard oppervlak met maximaal 450 m 2 toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie. Tot op heden heeft de initiatiefnemer nog geen gebruik gemaakt van de vrijstelling van 500 m² in stedelijk gebied, vandaar dat er in principe geen sprake is van een bergingsopgave voor de 450 m² extra verhard oppervlak. Dit betekent dat er op basis van het beleid van het waterschap geen compensatie hoeft plaats te vinden. Het verhard oppervlak wordt afgekoppeld. Grondwater Het plan is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. In en om het plangebied is geen grondwateroverlast bekend. Ingrepen voorkomend uit dit plan zullen het functioneren van het grondwatersysteem niet beïnvloeden. Zie hiertoe ook de memo waterberging, zoals deze is opgenomen in Bijlage 1 bij de regels. Riolering en hemelwaterafvoer Voor de afvoer van het afvalwater is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor de rioolaansluiting. Het hemelwater wordt niet gekoppeld aan het rioolsysteem, maar wordt op het eigen perceel verwerkt. De gemeente heeft als voorwaarde gesteld dat er een waterbergingscapaciteit wordt gerealiseerd met een capaciteit van 66,4 mm/ha (omgerekend betreft dit 109 m3). Er is gekozen om deels op eigen terrein, deels openbaar een sloot aan te leggen zowel ten behoeve van infiltratie van het perceel als van de openbare ruimte.
Deze sloot heeft een waterbergingscapaciteit van min. 66,4 mm/ha. Zie voor de specificaties van de sloot Bijlage 2 bij de regels. Waterkwaliteit Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die het hemelwater in
26
bestemmingsplan "Hollestraat 20-22 Nederasselt" (ontwerp)
bestemmingsplan Hollestraat 20-22 Nederasselt
contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Afkoppeling van hemelwater zorgt ervoor dat het aantal riooloverstorten laag is. Ook dit komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede. Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van het inzamelings- en transportstelsel van afvalwater, kortom de riolering, ligt bij de gemeente. Het Waterschap is verantwoordelijk voor de zuivering van het aangeleverde afvalwater. Het Waterschap is de beheerder van het totale watersysteem en van de waterkeringen. Het onderhoud van de waterkeringen en hoofdwatergangen is tevens de verantwoordelijkheid van het Waterschap. Het onderhoud van de overige watergangen ligt bij particulieren, de gemeente en andere instanties. Conclusie Het aspect 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.9
Ecologie
4.9.1
Regelgeving
In 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt drie oude wetten: de Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming: Natura 2000), de Flora- en faunawet (soortenbescherming) en de Boswet (kapvergunningen). Soortenbescherming Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien moet voor de start van die werkzaamheden ontheffing worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan moet duidelijk zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten.