CConstaterende datHeumen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage XII vast te stellen bestemmingsplan - toelichting bijlage 7 archeologish onderzoek

Raad 21 oktober 2021, gemeente HeumenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Garstkampsestraat 7 Overasselt12.606 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Aangezien de verbruiningshorizont hier niet is aangetast door akkerbouw of bij het ophogen van het erf is de kans klein dat eventuele vuursteenvindplaatsen zijn aangetast. Deze zones behouden een hoge verwachting op vuursteenvindplaatsen uit de periode Laat-Paleolithicum tot en met Neolithicum. In situ vondsten uit deze periode kunnen in de top van de Bw-horizont verwacht worden (vanaf ca. 50 à 60 cmmv). Door verbruining zijn sporen mogelijk slechts herkenbaar, de spoorzichtbaarheid zal vanaf de onderzijde van de verbruininghorizont beter worden (vanaf 70 à 90 cm). Het is echter de vraag of de veelal ondiepe sporen uit de steentijd nog herkenbaar zijn op dat niveau. De zones waar een leemlaag is afgezet in het Vroeg-Holoceen lagen lager, waardoor het hogere rivierduin/de terrasrestrug aantrekkelijker was voor bewoning. De Laag van Wijchen en de dieper gelegen pleistocene terrasafzettingen hebben daardoor een lage verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit de periode Laat-Paleolithicum tot en met Neolithicum. Ter hoogte van de verspoelde flank van het rivierduin/de terrasrestrug zullen vuursteenvindplaatsen zijn aangetast en daar geldt een verwaarloosbare kans dat er nog een intacte vuursteenvindplaats aanwezig is. Een deel van de gebouwen in het plangebied zijn (grotendeels) diep onderkelderd hier is de kans op een intacte vindplaats verwaarsloosbaar.

Nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd bestaan niet alleen uit fragmenten aardewerk, maar ook uit diepere sporen zoals paalgaten en afvalkuilen. Deze sporen kunnen tot in de C-horizont reiken. Aangezien het potentiële archeologische sporenniveau in de top van de C-horizont intact is aangetroffen, blijft de hoge archeologische verwachting uit het bureauonderzoek om archeologische resten uit de perioden Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) aan te treffen voor het plangebied gehandhaafd ter hoogte van het rivierduin/de terrasrestrug. Ter hoogte van de delen van het plangebied met een door een oeverwaldoorbraak verspoelde afzetting zijn geen diepe verstoringen waargenomen na deze verspoeling. Op basis van Willemse (2006) wordt aangenomen dat deze verspoeling heeft plaatsgevonden in de Romeinse tijd. Ook in deze periode kan het hoger gelegen deel van het plangebied aantrekkelijk zijn dan de lager gelegen randen van het terrein. De verwachting langs de randen van het gebied zal laag zijn voor de periode Neolithicum t/m IJzertijd (de periode die verspoeld is) en middelhoog voor de periode Romeinse tot en met Volle Middeleeuwen. Ook hier geldt dat verbruining (homogenisatie door bioturbatie) de visuele herkenbaarheid van sporen kan hebben aangetast.

Ter hoogte van het rivierduin/de terrasrestrug zullen de sporen vanaf 70 à 90 cm goed herkenbaar zijn. Sporen van landbouw-nederzettingen uit de periode vanaf het Neolithicum kunnen dieper reiken. Ter hoogte van de crevasse-afzetting (verspoelde rivierduin/terrasrestug) komt de zandige C-horizont voor vanaf 110 cm -mv in de boringen waar geen leemlaag onder het lemige zand voorkomt. De spoorzichtbaarheid zal hier over een grotere diepte beperkt zijn. Vondsten en matig tot slecht herkenbare sporen kunnen hier onder de bouwvoor voorkomen.

KSP Archeologie

27

De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de lage verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd bij te stellen.

KSP Archeologie

28

4

Conclusie en advies

4.1

Conclusie

Het doel van het archeologisch bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op basis van de verwachte landschappelijke ligging op een rivierduin nabij een restgeul is aan het plangebied een hoge verwachting toegekend voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13 e eeuw). Voor de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd heeft het plangebied een lage verwachting door het ontbreken van historische bebouwing in het plangebied. Het plangebied is onderdeel van een luchtlandingsterrein uit de Tweede Wereldoorlog, maar op basis van het gemeentelijk beleid en informatie van de eigenaar worden geen specifieke archeologische resten in of nabij het plangebied verwacht. Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Uit het booronderzoek is gebleken dat enkel in het centrum van het plangebied bovenstaande verwachting behouden kan worden. Daar is een rivierduin of terrasrestrug aanwezig. Het potentiële archeologische niveau, is op de meer dan 1 m onderkelderde bebouwing na, niet verstoord. In situ vondsten kunnen hier verwacht worden vanaf 50 à 60 cm -mv, een goed leesbaar sporenvlak vanaf 70 à 90 cm -mv.

Langs de randen van het rivierduin/de terrasrestrug is een door een oeverwaldoorbraak (crevasse) verspoelde rivierduin/terrasrestrug aanwezig. Deze verspoeling heeft in de Romeinse tijd (Willemse 2006) plaatsgevonden. Door de verspoeling is de kans op intacte vuursteenvindplaatsen en vindplaatsen van landbouwende samenleving voorafgaand aan de verspoeling klein. De hoge verwachting voor vuursteenvindplaatsen en nederzettingen van landbouwers tot en met de IJzertijd kan hier verlaagd worden naar een lage verwachting. De crevasse kan hierna geschikt zijn voor bewoning, al lag het rivierduin/de terrasrestrug dan nog steeds hoger en was die geschikter voor bewoning. De randen van het plangebied hebben daardoor een aangepaste middelhoge verwachting voor de periode IJzertijd tot en met Volle Middeleeuwen. Voor de overige perioden geldt een lage verwachting. Een goed leesbaar sporeniveau wordt hier verwacht vanaf 110 cm-mv. Vondsten en minder goed leesbare sporen kunnen onder de bouwvoor voorkomen. De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de lage verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd bij te stellen. Tijdens een booronderzoek kan geen archeologische vindplaats worden aangetroffen, ten hoogste archeologische indicatoren die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats.

Een waardestelling conform protocol 4003, VS06 is dan ook niet van toepassing. 4.2

Beantwoording van de onderzoeksvragen •

Wat is de opbouw van de ondergrond en is het bodemprofiel intact? Het centrale deel van het plangebied ligt op een rivierduin of terrasrestrug. Hier is buiten de onderkelderde bebouwing sprake van een intacte bodemopbouw. In situ vondsten van een eventuele vindplaats kunnen hier verwacht worden vanaf 50 à 60 cm -mv, een goed leesbaar sporenvlak vanaf 70 à 90 cm -mv. Aan de randen van het plangebied is het zand van een rivierduin of terrasrestrug verspoeld. In situ vondsten van een eventuele vindplaats kunnen hier verwacht worden onder de bouwvoor, een goed leesbaar sporenniveau vanaf 110 cm -mv.

•

Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied op basis van het bureauonderzoek en wordt deze door het veldonderzoek bevestigd? Op basis van het bureauonderzoek was een hoge archeologische verwachting voor het plangebied opgesteld voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle

KSP Archeologie

29

Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Het booronderzoek heeft uitgewezen dar deze verwachting in het centrale deel van het plangebied behouden kan blijven. Langs de randen van het plangebied geldt na het booronderzoek voor resten uit archeologische perioden tot en met de IJzertijd een lage verwachting en voor archeologische resten vanaf de Romeinse tijd tot en met de Volle Middeleeuwen een middelhoge verwachting. De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de lage verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd bij te stellen. •

In hoeverre wordt het (potentiële) archeologische niveau bedreigd door de voorgenomen ontwikkeling van het gebied? Het potentiële archeologische (vondsten)niveau is intact en bevindt zich op een diepte vanaf 0,3 à 0,6 m beneden maaiveld. Graafwerkzaamheden dieper dan het humeuze dek kunnen archeologische resten aantasten. Behalve als deze graafwerkzaamheden plaatsvinden op locaties die al verstoord zijn door de aanleg van diepe kelders onder de bestaande bebouwing.

4.3

Selectieadvies

Op basis van de aard en intactheid van de bodem in het plangebied is een eventuele archeologische vindplaats binnen het plangebied niet uitgesloten.

Voorgestelde strategie: karterend boren Aangezien vuursteenvindplaatsen met name bestaan uit een vondstniveau en archeologische sporen door verbruining mogelijk slecht te herkennen zijn wordt een vervolgonderzoek voorgesteld in de vorm van een karterend booronderzoek. Met een karterend booronderzoek wordt aan de hand van archeologische indicatoren (houtskool, aardewerk, fosfaat) in kaart gebracht of er aanwijzingen zijn voor een archeologische vindplaats. In het centrum van het plangebied moet dit booronderzoek geschikt zijn om zowel steentijdvindplaatsen (vindplaatsen met een strooiing van overwegend vuursteen) als huisplaatsen met een strooiing van overwegend aardwerk uit jongere perioden op te sporen. Aan de hand van de Leidraad inventariserend veldonderzoek, Deel karterend booronderzoek (Tol e.a. 2012) wordt hier een booronderzoek aanbevolen in een verspringend grid van 20 x 25 m (ca. 20 boringen per ha). Het sediment uit de potentiële archeologische lagen wordt gezeefd over een maaswijdte van 4 mm (methode E1, brede zoekoptie). Langs de randen van het plangebied hoeft het onderzoek alleen geschikt te zijn om huisplaatsen op te sporen. Uit een test bij boring 3 blijkt dat het lemige zand nog te zeven is over 3 mm. Vindplaatsen zijn dan met karterend booronderzoek op te sporen met methode C1. Hierbij worden boringen in een grid van 30 x 35 m gezet (ca. 10 boringen per ha).

Op basis van het verkennend booronderzoek is het nog niet mogelijk om de exacte begrenzing aan te geven van het verspoelde rivierduin/terraszand en het niet verspoelde deel.

Uitgesloten zones voor archeologisch onderzoek Op basis van het archeologisch onderzoek wordt voorgesteld de archeologische onderzoeksplicht / archeologische dubbelbestemming te laten vervallen ter hoogte van gebouwen die (deels) onderkelderd zijn.

Voorgestelde strategie: alleen onderzoek ter hoogte van ingrepen Op dit moment staan niet in het gehele plangebied dat een onderzoeksplicht/dubbelbestemming behoud op basis van dit onderzoek ingrepen gepland die dieper reiken dan de (humeuze) ophoging. Indien het bevoegd gezag en de initiatiefnemer geen bezwaar hebben tegen het gedeeltelijke behoud van archeologische dubbelbestemming in het plangebied zal daarom niet het gehele plangebied onderzocht hoeven te worden. Bovendien zal het behoud van de woning op dit moment een eventuele vindplaats deels in-situ behouden blijven en heeft in het algemeen behoud in situ van archeologisch

KSP Archeologie

30

vindplaatsen ook de voorkeur. Archeologisch onderzoek (incl. proefsleuven) zou niet destructiever moeten zijn dan de daadwerkelijke ingrepen. Ingrepen die geen archeologische ingrepen bedreigen: Het verwijderen van bestrating en puinhoudend wegcunet tot 30 cm-mv zal geen bedreiging vormen voor archeologische resten. In de hogere gelegen delen rondom de volledig onderkelderde schuur en de paardenbak zal egalisatie van het terrein (afgraving tot 30 cm-mv en toekomstige gebruik als tuin) ook geen schade toebrengen aan het archeologisch bodemarchief. De woning blijft behouden. De fundering van de kelder ten noorden van de woning wordt verwijderd, maar deze is reeds uitgesloten van vervolgonderzoek. Sloop/verwijder ingrepen die wel archeologische resten bedreigen Graafwerkzaamheden voor het eventueel verwijderen van ondergrondse funderingen van de niet onderkelderde aanbouw ten oosten van de woning en de bijgebouwen in het zuidoosten zullen met de huidige inzichten nog archeologische begeleid moeten worden. In de huidige plantekeningen wordt de T-vorm van het woonhuis teruggebracht naar een rechthoek. Als de oostelijke vleugel van het huis wordt gesloopt, dan is op dit moment daarbij nog een ondergrondse sloopbegeleiding nodig. Langs de zuidrand van het plangebied worden diverse bomen verwijderd.

Als het wortelstelsel ook verwijderd dient te worden dan wordt geadviseerde de stobben uit te frezen en het overige wortelstelsel zoveel mogelijk in de bodem te laten. Dan is geen archeologische begeleiding nodig. Na het elke stap van het archeologisch onderzoek in de omgeving van deze sloopactiviteiten kan hier opnieuw een afweging voor gemaakt worden. Advies nieuwe woningen en bijgebouwen Op basis van één van de familieleden van het initiatief wordt de meest noordelijke nieuwe woning volledig gepland ter hoogte van de volledig onderkelderde stal. Deze bouw zou dan plaats kunnen vinden zonder nader archeologisch onderzoek. Het is op dit moment nog onduidelijk hoe het nieuwe woningblok in het zuiden van het plangebied gefundeerd gaat worden. Hier is wel enige overlap met de reeds aanwezige bosstrook. Intensiever booronderzoek (karterend booronderzoek) kan ook meer inzicht geven in hoeverre de bodem reeds verstoord is in deze zone. Het is nog onduidelijk hoe de bijgebouwen gefundeerd gaan worden, mogelijk is deze fundering dermate licht dat archeologisch onderzoek hier niet nodig is. Dit is het geval als er bijvoorbeeld gebuikt maakt wordt van een smalle strokenfundering van 30 cm of plaatfundering waar de basis ondieper dan 30 cm -mv ligt.

Als op basis van het karterend booronderzoek enkel voor de aanleg van een bouwblok archeologisch onderzoek nodig is, dan zou het gravend onderzoek plaats kunnen vinden door een archeologische begeleiding van het graven van de bouwput. Advies nieuwe bomen Naast de woningen met bijgebouwen staan ook nieuwe boomgaarden en bomenrijen gepland. Het planten van deze bomen zal slechts voor een lokale verstoring van eventueel aanwezige archeologische resten zorgen, maar door wortelgroei kan een grotere zone op termijn verstoord raken. Aangezien het potentiële archeologische niveau zich boven de grondwaterspiegel bevindt is de kans groot dat bomen door het potentiële niveau zullen wortelen. Archeologisch onderzoek kan daardoor in deze zones niet bestaan uit een archeologische begeleiding van de plantwerkzaamheden. Als de uitkomsten van het karterend booronderzoek daar aanleiding toe geven zal in de zones waar een bomen gepland staan een proefsleuvenonderzoek en eventueel een daaropvolgende opgraving plaats moeten vinden.

Omvang karterend booronderzoek gezien het huidige inzicht van de ingrepen Gezien het huidige inzicht in de omvang van de ingrepen wordt op dit moment een karterend booronderzoek geadviseerd in de zones waar bomen verwijderd en gepland worden en in zones waar

KSP Archeologie

31

woningen en bijgebouwen gepland staan. Die zone is globaal gelijk aan de oostelijke helft van het plangebied en de boomgaard ten oosten van de huidige woning. Op basis van het karterend booronderzoek moet duidelijk worden waar een gravend archeologisch voorafgaand of tijdens de grondroerende activiteiten nodig is.

Voorbehoud Bovenstaand advies vormt een zogenaamd selectieadvies. KSP Archeologie wijst erop dat dit selectieadvies nog niet betekent dat reeds bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen namelijk eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Heumen), die vervolgens een selectiebesluit neemt. Het uitgevoerde onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Het onderzoek is erop gericht om de kans op het aantreffen dan wel vernietigen van archeologische waarden bij bouwwerkzaamheden in het plangebied te verkleinen. Aangezien het onderzoek is uitgevoerd door middel van een steekproef kan echter, op basis van de onderzoeksresultaten, de aan- of afwezigheid van eventuele archeologische waarden niet met zekerheid gegarandeerd worden. Indien bij graafwerkzaamheden archeologische waarden worden aangetroffen, dienen deze conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10, bij de minister gemeld te worden. In de praktijk kan de vinder terecht bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (T 033 – 4217 456 of info@cultureelerfgoed.nl) zodat de vondst geregistreerd wordt in het centraal archeologische informatiesysteem. Daarnaast wordt het advies gegeven om de vondst ook bij de gemeente te melden.

KSP Archeologie

32

Literatuur Boeken, rapporten en artikelen Bakker, H. de & Schelling, J. (1989). Systeem van de bodemclassificatie voor Nederland: de hogere niveaus. (Tweede druk bewerkt door Brus, D.J. & Wallenburg C. van) Centrum voor Landbouwpublikaties en Landbouwdocumentatie, Wageningen. Berendsen, H.J.A. (2005). Landschappelijk Nederland. Perspectief Uitgevers, Utrecht. Centraal College van Deskundigen Archeologie (2018). Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1. Stichting voor Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, Gouda. Haartsen, A. (2009). Ontgonnen Verleden. Regiobeschrijvingen provincie Gelderland Bureau Lantschap. Kremer, H. (2008) Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen, Plangebied Hoogstraat te Overasselt. Synthegra rapport P0502812. Klooster, E. van der (2021). Archeologisch bureauonderzoek Hoogstraat 4 te Overasselt, Gemeente Heumen, KSP-rapport 20875 (nog niet beoordeeld door de bevoegde overheid, versie 27 januari 2021). Normalisatie Instituut (1990). NEN-5104:1989 grondmonsters. Nederlands Normalisatie Instituut, Delft.

Nederlands

NL, Classificatie van onverharde

Stouthamer, E., Cohen, K.M. & Hoek, W.Z. (2015). De vorming van het land: geologie en geomorfologie. Perspectief Uitgevers, Utrecht. Tol, A.J., Verhagen J.W.H.P., Verbruggen M. (2012). Leidraad inventariserend veldonderzoek versie 2.0. Deel: karterend booronderzoek. Stichting voor Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, Gouda. Willemse, N.J. (2006). Gemeente Heumen, Een archeologische verwachtingskaart met AMZ-adviezen, RAAP-rapport 1216 Kaartmateriaal Actueel Hoogtebestand van Nederland (2008 – heden). AHN3, grid 0,5 x 0,5m: www.ahn.nl en de ruwe data via https://geodata.nationaalgeoregister.nl/ahn3/extract/ Archeologische Monumenten Kaart (2014). Geraadpleegd via https://zoeken.cultureelerfgoed.nl. Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG): https://bagviewer.kadaster.nl Basisregistratie Grootschalige Topografie via WMTS-server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/tiles/service/wmts?request=GetCapabilities&service=WMTS Basisregistratie Topografie Achtergrondkaarten (BRT-A) via WMTS-server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/tiles/service/wmts?request=GetCapabilities&service=WMTS Bestemmingsplan: www.ruimtelijkeplannen.nl

KSP Archeologie

33

Bodemkwaliteit: www.bodemloket.nl Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000 versie 2018 (gepubliceerd in de Basis Registratie Ondergrond december 2019). Wageningen Environmental Research. Geraadpleegd via https://geodata.nationaalgeoregister.nl/bzk/bro-bodemkaart/atom/v1_0/bro-bodemkaart.xml. Bonnebladen en Topografische kaarten van Nederland schaal 1:25.000: www.topotijdreis.nl (Kadaster). Brouwer, F. & M.M. van der Werff, (2012). Vergraven gronden: Inventarisatie van ‘diepe’ grondbewerkingen, ophogingen en afgravingen. Wageningen, Alterra, Alterra-rapport 2336. Cohen, K.M., Stouthamer, E., Hoek W.Z./Berendsen, H.J.A./Kempen, H.F.J. (2009): Zand in banen. Zanddieptekaarten van het Rivierengebied en het IJsseldal in de provincies Gelderland en Overijssel , Arnhem (Provincie Gelderland, 3rd fully revised edition). Cohen, K.M., Stouthamer, E., Pierik, H.J. & Geurts, A.H. (2012). Digitaal Basisbestand Paleogeografie van de Rijn‐Maas Delta. Dept. Fysische Geografie. Universiteit Utrecht. Digitale Dataset. http://persistent‐ identifier.nl/?identifier=urn:nbn:nl:ui:13‐nqjn‐zl Cohen, K.M. (2017): Digitalisering legacy onderzoeksboringen UU deltaonderzoek 1975-1990, easydataset:74935; DOI:10.17026/dans-zcv-knya).

Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond: https://www.dinoloket.nl Digitale Kadastrale kaart van Nederland v4 via WMS server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/kadastralekaart/wms/v4_0?service=WMS&version=1.3.0&request=GetCapabilities Dirks, G.H.P. & Nieuwenhuizen, W. (2013). HISTLAND: historisch-landschappelijk informatiesysteem. Wageningen, Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, WOt-werkdocument 331. Geologische overzichtskaart van Nederland, schaal 1:600.000. Geraadpleegd via https://www.grondwatertools.nl/geologische-overzichtskaart. Referentie: Mulder, E.F.J. de, Geluk, M.C., Ritsma, I.L., Westerhof, W.E. & Wong, T.E. (2003). De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen/Houten. Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000 versie 2019 (gepubliceerd in de BasisRegistratie Ondergrond maart 2020). Alterra, Wageningen UR. Geraadpleegd via https://geodata.nationaalgeoregister.nl/bzk/brogmm/atom/v1_0/index.xmlLegenda: Maas, G. J., S. P. J. v. Delft & A. H. Heidema. (2017). "Toelichting bij de legenda Geomorfologische kaart van Nederland 1:50 000 (2017)." http://legendageomorfologie.wur.nl/. Wageningen, Wageningen Environmental Research. Grondwatertrappenkaart van de bodemkaart 1:50.000 versie tot 2006: http://geoplaza.vu.nl/ data/dataset/bodemkaart-van-nederland/resource/2398cef7-957e-4ba5-b218-08ac275d72fb.

Indicatieve Kaart Militair Erfgoed: www.ikme.nl KLIC-meldingen via www.kadaster.nl Keunen, L.J., Veen, S. van der, Willemse N.W. (2013). Een verscheidenheid aan landschappen tussen Maas

en Nederrijkswald. Actualisatie archeologische waarden- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Heumen. RAAP-rapport 2739

KSP Archeologie

34

Luchtfoto Beeldmateriaal / PDOK 25 cm RGB via WMTS server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/luchtfoto/rgb/wmts?request=GetCapabilities&service=wmt s Kadastrale kaarten 1811-1832. http://beeldbank.cultureelerfgoed.nl Rijksmonumenten (2019): Geraadpleegd via openbaar/wfs

WFS server: https://data.geo.cultureelerfgoed.nl/

Topografische kaart van Nederland schaal 1:25.000 (rasterbestand) via WMS server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/top25raster/wms?request=GetCapabilities&service=wms. Kadaster. Topografische kaart van Nederland schaal 1:10.000 (rasterbestand) via WMS server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/top10nlv2/wms?request=GetCapabilities&service=wms V.1 & V.2 inslagen in Nederland: vergeltungswaffen.nl Vooronderzoek en Opsporing niet-gesprongen explosieven: https://www.explosievenopsporing.nl/veobommenkaart/ Websites Geologische eenheden (formaties): https://www.dinoloket.nl/stratigrafische-nomenclator

KSP Archeologie

35

Bijlage 1

KSP Archeologie

Geomorfologische kaart

Bijlage 2

KSP Archeologie

Bodemkaart

Bijlage 3

KSP Archeologie

Archeologische gegevens

Bijlage 4

KSP Archeologie

Boorpuntenkaart

KSP Archeologie

Bijlage 5 Boorbeschrijvingen Projectnummer

: 21038

Boring

X (m RD)

Y (m RD) Z (m+NAP) via AHN3

Project

: Overasselt Garstkampsestraat 7

1

182986

419324

8,86

Datum

: 8 april 2021

2

183008

419417

9,06

Beschrijver

: Erwin van der Klooster

3

183095

419381

8,85

Type grond

: rivierduinzand (verwachting)

4

183058

419366

9,52

5

183034

419325

9,18

6

183021

419370

9,40

Horizont

Opmerkingen

Boordiameter

: 7 cm boven grondwater, 3 cm onder grondwater. Bij boring 3 de bovenste 100 cm met 12 cm

Bijzonderheden

: gwt > 160 cm in de meeste boringen. Bij boringen 1 en 3 rond 100 cm-mv

Boring

Diepte in cm

Textuur

Humus

Kleur

1

20

Z3s3

h2

dgrbr

80

Z3s2

br

rond 60 cm witte mortel

Bw

Verspoeld zand

170

Lz3

br

fe2

Cg

Laag van Wijchen

190

Lz3

gr

fe2

Cgr

Laag van Wijchen

200

Z4s1

gr

C

Pleistoceen zand

300

leeg,vermoedellijk zand

Boring

Diepte in cm

Textuur

Humus

Kleur

2

40

Z3s2

h2

dbrgr

Aap

110

Z3s3

br

Bw

eolisch zand

160

Z4s1

ge

C

scherp, Kreftenheye?

200

Z4s1

or

300

leeg,vermoedellijk zand

Boring

Diepte in cm

Textuur

3

50 90

Bijzondere bestanddelen

Vondsten

Ap

C

Bijzondere bestanddelen

nat

Horizont

Opmerkingen

Vondsten

C C

Kleur

Bijzondere bestanddelen

Horizont

Z3s2

lgrbr

g1

Ah

Opmerkingen Vondsten bijna niet te onderscheiden van Bw

Z3s3

br

Bw

verspoeld zand

150

Lz3

br

C

Laag van Wijchen

270

Lz3

gr

Cgr

Laag van Wijchen

300

leeg,vermoedellijk zand

C

Kreftenheye

Boring

Diepte in cm

Textuur

Humus

Kleur

Bijzondere bestanddelen

Horizont

Opmerkingen

4

50

Z3s2

h2

dbrgr

bst1

Aap

60

Z3s2

dbrgr/dbr

A/Bw

75

Z3s2

dbr

Bw1

in rivier(duin)zand

90

Z3s2

br

Bw2

110

Z3s1

br/ge

Bw/C

160

Z3s1

ge

C

in rivier(duin)zand matig gesorteerd, matig afgerond. Rivierduin? matig gesorteerd, matig afgerond

Boring

Diepte in cm

Textuur

Humus

Kleur

Horizont

Opmerkingen

5

20

Z3s2

h1

grbr

Ah

110

Z3s3

br

Bw

verspoeld zand

150

Z5s1

ge

C

Kreftenheye

Boring

Diepte in cm

Textuur

Humus

Kleur

Bijzondere bestanddelen

Horizont

Opmerkingen

6

50

Z3s2

h2

dbrgr

bst1

Aap

70

Z3s2

br

Bw

120

Z4s1

ge

C

Humus

fe2, mn3conc

Bijzondere bestanddelen

Pagina 1 van 1

in rivier(duin)zand matig gesorteerd, matig afgerond

Vondsten

Vondsten

Vondsten

KSP Archeologie

Bijlage 6

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken

Samengesteld door E.A. Schorn (BAAC) naar aanleiding van de publicatie: De steentijd van Nederland (2005). Onder redactie van: Jos Deeben, Erik Drenth, Marie-France van Oorsouw en Leo Verhart.

KSP Archeologie

KSP Archeologie

Archeologische periodes volgens het Archeologisch Basis Register Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

KSP Archeologie

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10560059/1