CConstaterende datHeumen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage XII vast te stellen bestemmingsplan - toelichting bijlage 7 archeologish onderzoek

Raad 21 oktober 2021, gemeente HeumenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Garstkampsestraat 7 Overasselt12.606 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase Garstkampsestraat 7 te Overasselt Gemeente Heumen

KSP Archeologie

Colofon Versie Status KSP Rapport Auteur ISSN Foto’s en afbeeldingen Beheer en plaats documentatie Autorisatie Datum autorisatie

: : : : : : :

1.0 Niet beoordeeld door bevoegde overheid 21038 E. van der Klooster (senior KNA Prospector) 2542-7490 KSP Archeologie KSP Archeologie te Duiven

: :

E.A. Schorn (senior KNA Prospector) 12 april 2021

www.ksparcheologie.nl | info@ksparcheologie.nl

Disclaimer Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder bronvermelding. KSP Archeologie aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit onderhavig onderzoek of de gegeven adviezen. KSP Archeologie beschikt over het Procescertificaat Archeologie dat is verleend op basis van de beoordelingsrichtlijn SIKB 4000 voor protocol 4002 ‘bureauonderzoek’. Wanneer de certificatie-eisen strijdig zijn met de eisen van de bevoegde overheid, dan gaat KSP Archeologie uit van de eisen van de bevoegde overheid omdat die sanctioneerbaar zijn.

KSP Archeologie

2

Inhoudsopgave Samenvatting 1 Inleiding 1.1 Onderzoekskader 1.2 Afbakening plan- en onderzoeksgebied 1.3 Overheidsbeleid 1.4 Toekomstige situatie 1.5 Onderzoeksdoel en vraagstellingen 2 Bureauonderzoek 2.1 Huidige situatie 2.2 Beschrijving van aardwetenschappelijke gegevens 2.3 Historische situatie en mogelijke verstoringen 2.4 Beschrijving van archeologische gegevens 2.5 Beschrijving van de ondergrondse bouwhistorische waarden 2.6 Gespecificeerde archeologische verwachting 2.7 Conclusie en advies bureauonderzoek 3 Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase 3.1 Werkwijze 3.2 Veldsituatie 3.3 Beschrijving en interpretatie van de boorgegevens 3.4 Archeologische indicatoren 3.5 Toetsing van de archeologische verwachting 4 Conclusie en advies 4.1 Conclusie 4.2 Beantwoording van de onderzoeksvragen 4.3 Selectieadvies Literatuur Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6

6 7 7 7 7 8 9 11 11 13 16 19 22 22 24 25 25 25 25 26 27 29 29 29 30 33

Geomorfologische kaart Bodemkaart Archeologische gegevens Boorpuntenkaart Boorbeschrijving Overzicht geologische en archeologische tijdvakken

Lijst van afbeeldingen Figuur 1: Het plangebied op de topografische kaart schaal 1:10.000 (bron: Kadaster). 5 Figuur 2: Geplande sloopactiviteiten (bron: Bu-Ro Ester) 8 Figuur 3: Mogelijke inrichtingsschets, optie 1 (via Bu-Ro Ester) 9 Figuur 4: Mogelijke inrichtingsschets, optie 2 (via Bu-Ro Ester) 9 Figuur 5: Te slopen meest westelijke schuur (links) en gebied tussen westelijke en oostelijke schuur (rechts) via BuRo Ester 12 Figuur 6: Historisch kaartmateriaal uit de 20e eeuw (www.topotijdreis.nl). 12 Figuur 7: Het plangebied op de Paleogeografische kaart van de Rijn-Maasdelta (Cohen e.a. 2012) 13 Figuur 8: Het plangebied op de zandbanen/dieptekaart (Cohen e.a. 2009) 14 Figuur 9: Het plangebied en de omliggende omgeving op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (bron: www.ahn.nl). 15 Figuur 10: Het plangebied op de kadastrale minuut uit het begin van de 19 e eeuw (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl). 17 Figuur 11: Het plangebied op de kaart uit 1870, Bonneblad (bron: www.topotijdreis.nl). 18 Figuur 12: Het plangebied op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (bron: www.ahn.nl). 19 Figuur 13: Het plangebied op de archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Heumen (Keunen e.a. 2013) 21

KSP Archeologie

3

Lijst van tabellen Tabel 1: Overzicht van de AMK-terreinen en vondstmeldingen binnen een straal van 500 m rondom het plangebied (bron: archis.cultureelerfgoed.nl). Tabel 2: Overzicht van de onderzoeksmeldingen binnen een straal van 500 m rondom het plangebied (bron: archis.cultureelerfgoed.nl). Tabel 3: Specifieke archeologische verwachting per periode voor het plangebied.

KSP Archeologie

20 21 22

4

Administratieve gegevens KSP Projectnummer Opdrachtgever Uitvoerder/projectleider Bevoegde overheid Deskundige namens bevoegde overheid Onderzoeksmelding Provincie Gemeente Toponiem Centrum-coördinaat Kadastrale gegevens Periode uitvoering onderzoek

: : : : :

21038 Bu-Ro Ester KSP Archeologie, E. van der Klooster (senior KNA Prospector) Gemeente Heumen N.M.A. Arts

: : : : : : :

5010849100 Gelderland Heumen Garstkampsestraat x: 183035 y: 419.355 Overasselt sectie G percelen 775 (gedeeltelijk) en 776 April 2021

Figuur 1: Het plangebied op de topografische kaart schaal 1:10.000 (bron: Kadaster).

KSP Archeologie

5

Samenvatting KSP Archeologie heeft een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase (IVO-(O)verig); booronderzoek) uitgevoerd voor de locatie aan de Garstkampsestraat 7 in Overasselt (gemeente Heumen). Het onderzoek is uitgevoerd voor de aanvraag van een bestemmingsplanwijziging en de toekomstige omgevingsvergunningen voor grondroerende werkzaamheden. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op basis van de verwachte landschappelijke ligging op een rivierduin nabij een restgeul is aan het plangebied een hoge verwachting toegekend voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13 e eeuw). Voor de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd heeft het plangebied een lage verwachting door het ontbreken van historische bebouwing in het plangebied. Het plangebied is onderdeel van een luchtlandingsterrein uit de Tweede Wereldoorlog, maar op basis van het gemeentelijk beleid en informatie van de eigenaar worden geen specifieke archeologische resten in of nabij het plangebied verwacht. Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase.

Uit het booronderzoek is gebleken dat enkel in het centrum van het plangebied bovenstaande verwachting behouden kan worden. Daar is een rivierduin of terrasrestrug aanwezig. Het potentiële archeologische niveau, is op de meer dan 1 m onderkelderde bebouwing na, niet verstoord. In situ vondsten kunnen hier verwacht worden vanaf 50 à 60 cm -mv, een goed leesbaar sporenvlak vanaf 70 à 90 cm -mv. Langs de randen van het rivierduin/de terrasrestrug is een door een oeverwaldoorbraak (crevasse) verspoelde rivierduin/terrasrestrug aanwezig. Deze verspoeling heeft in de Romeinse tijd (Willemse 2006) plaatsgevonden. Door de verspoeling is de kans op intacte vuursteenvindplaatsen en vindplaatsen van landbouwende samenleving voorafgaand aan de verspoeling klein. De hoge verwachting voor vuursteenvindplaatsen en nederzettingen van landbouwers tot en met de IJzertijd kan hier verlaagd worden naar een lage verwachting. De crevasse kan hierna geschikt zijn voor bewoning, al lag het rivierduin/de terrasrestrug dan nog steeds hoger en was die geschikter voor bewoning. De randen van het plangebied hebben daardoor een aangepaste middelhoge verwachting voor de periode IJzertijd tot en met Volle Middeleeuwen. Voor de overige perioden geldt een lage verwachting. Een goed leesbaar sporeniveau wordt hier verwacht vanaf 110 cm-mv.

Vondsten en minder goed leesbare sporen kunnen onder de bouwvoor voorkomen. De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de lage verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd bij te stellen. Op basis van de aard en intactheid van de bodem in het plangebied is een eventuele archeologische vindplaats binnen het plangebied niet uitgesloten. Ter hoogte van de gebouwen die (deels) onderkelderd zijn worden geen archeologische resten meer verwacht. Binnen de andere delen zal een archeologisch vervolgonderzoek nodig zijn bij grondroerende werkzaamheden voor het verwijderen of aanbrengen van bomen en funderingen. Voor het verwijderen van verharding en andere grondroerende werkzaamheden tot 30 cm -mv wordt geen archeologisch vervolgonderzoek nodig geacht. Gezien de archeologische verwachting en de verbruining wordt een karterend booronderzoek de meest geschikte methode om eventueel aanwezige vindplaatsen op te sporen. Als bij het karterend booronderzoek aanwijzingen voor een archeologische vindplaats aangetroffen worden zal voorafgaand of tijdens de bouw gravend archeologisch onderzoek nodig zijn om deze vindplaatsen te waarderen en indien nodig ex-situ te behouden door middel van een opgraving. Een uitgebreid selectieadvies is gegeven in paragraaf 4.3.

De gemeente bepaalt uiteindelijk of, waar en hoe het archeologisch vervolgonderzoek moet plaatsvinden.

KSP Archeologie

6

1

Inleiding

1.1

Onderzoekskader

In opdracht van Bu-Ro Ester heeft KSP Archeologie een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase (IVO-(O)verig); booronderzoek) uitgevoerd voor de locatie aan de Garstkampsestraat 7 in Overasselt (gemeente Heumen). Het onderzoek is uitgevoerd voor de aanvraag van een bestemmingsplanwijziging en de toekomstige omgevingsvergunningen voor grondroerende werkzaamheden. Het onderzoek is uitgevoerd conform de beoordelingsrichtlijn SIKB 4000 (versie 4.1) met bijbehorende protocollen (KNA 4.1) 4002 (bureauonderzoek bij landbodems) en 4003 (inventariserend veldonderzoek, overig) (www.sikb.nl). Voor de in dit rapport gebruikte geologische en archeologische tijdsaanduidingen wordt verwezen naar Bijlage 6. Geologische formaties, laagpakketten en lagen worden beschreven conform https://www.dinoloket.nl/stratigrafische-nomenclator. 1.2

Afbakening plan- en onderzoeksgebied

Het plangebied is gelijk aan het onderzoeksgebied waarvoor het archeologische onderzoek is uitgevoerd. Het plangebied is ca. 1,1 ha groot en ligt aan de Garstkampsestraat 7 in Overasselt (Figuur 1). Het plangebied is gelijk aan het huidige erf dat in de zuidwesthoek grenst aan de Garstkampsestraat. Aan de overige zijden liggen houtwallen en/of landbouwgrond. 1.3

Overheidsbeleid

In 1992 heeft Nederland het Europese ‘Verdrag van Malta’ ondertekend. In het verdrag is de omgang met het Europees archeologische erfgoed geregeld. Belangrijk daarin is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Het wettelijk kader voor de archeologische monumentenzorg is vastgelegd in de Erfgoedwet. Daarnaast hebben de verschillende overheden (het rijk, de provincie en de gemeentes) archeologiebeleid vastgelegd. Gemeenten houden bij de vaststelling van een bestemmingsplan of het verlenen van een vergunning altijd rekening met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden (Wet ruimtelijke ordening). Volgens het bestemmingsplan ‘Buitengebied Heumen 2009’ geldt voor het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 1’. Dit betekent dat bij bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 0,4 m archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Aangezien deze ondergrenzen bij de realisatie van de nieuwbouwplannen worden overschreden (zie paragraaf 1.4), is archeologisch onderzoek noodzakelijk.

In het kader van de bestemmingsplanwijziging en vergunningaanvraag en de omvang van het gebied is voor het plangebied gekozen voor een archeologisch vooronderzoek dat bestaat uit een bureauonderzoek gecombineerd met een verkennend booronderzoek.

KSP Archeologie

7

1.4

Toekomstige situatie

Het plan is om de bestaande stallen en schuren te slopen (Figuur 2) en enkele woningen terug te bouwen met boomgaarden (Figuur 3 en Figuur 4). De bestaande woning aan de Garstkampsestraat 7 blijft behouden. Voor zover bekend is binnen het plangebied geen bodem- en/of grondwatersanering nodig in het kader van de milieuhygiëne. Het waterpeil c.q. bodempeil binnen het plangebied kan mogelijk veranderen door de geplande bodemingrepen. Op het terrein zijn nu namelijk diverse hoogteverschillen aanwezig (Figuur 12). De nieuwe woningen zullen in de toekomst worden verkocht (binnen de familie) en/of verhuurd waardoor de bouwblokken nieuwe eigenaren of gebruikers kunnen krijgen.

Figuur 2: Geplande sloopactiviteiten (bron: Bu-Ro Ester)

KSP Archeologie

8

Figuur 3: Mogelijke inrichtingsschets, optie 1 (via Bu-Ro Ester)

Figuur 4: Mogelijke inrichtingsschets, optie 2 (via Bu-Ro Ester)

1.5

Onderzoeksdoel en vraagstellingen

Bureauonderzoek Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde, archeologische verwachting, met behulp van informatie van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen het omschreven onderzoeksgebied.

KSP Archeologie

9

Het resultaat is een standaardrapport bureauonderzoek met een gespecificeerde archeologische verwachting en een advies. Op basis hiervan wordt vastgesteld of vervolgonderzoek nodig is en zo ja, welke strategie hierbij het beste gevolgd kan worden.

Inventariserend Veldonderzoek Het doel van het inventariserend veldonderzoek (IVO) (landbodems) is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek. Het gaat om gebiedsgericht onderzoek door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en of verwachte archeologische waarden in het onderzoeksgebied. Het resultaat van het IVO is een standaardrapport IVO-O met een waardering en een inhoudelijk (selectie)advies (buiten normen van tijd en geld). Aan de hand hiervan kan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) worden genomen. Indien er onvoldoende gegevens voor waardering en selectieadvies zijn, kunnen deze niet opgesteld worden. Er kan dan worden geadviseerd tot vervolgonderzoek of om af te zien van verder onderzoek. Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden, d.w.z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Het inventariserend veldonderzoek kent drie fasen: een verkennende, een karterende en een waarderende fase. Voor goed uitgevoerd archeologisch onderzoek is het niet altijd nodig om al deze fasen te doorlopen dat hangt af van de situatie. Dit onderzoek betreft een verkennend onderzoek.

De verkennende fase heeft als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap (bodemopbouw) die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Hiermee worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor mogelijk vervolgonderzoek. Om de bovenstaande doelstelling te realiseren, zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld: • Wat is de opbouw van de ondergrond en is het bodemprofiel intact? • Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied op basis van het bureauonderzoek en wordt deze door het veldonderzoek bevestigd? • In hoeverre wordt het (potentiële) archeologische niveau bedreigd door de voorgenomen ontwikkeling van het gebied?

KSP Archeologie

10

2

Bureauonderzoek

2.1

Huidige situatie

Om de huidige situatie en mogelijke verstoringen van de bodem in kaart te brengen zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • Huidige topografische kaart (Figuur 1); • Luchtfoto uit 2019 (via PDOK); • Grondwatertrappen op de Bodemkaart schaal 1:50.000 versie 2006 (via geoplaza.vu.nl); • Rijksmonumenten (via archis.cultureelerfgoed.nl): geen monumenten aanwezig; • Gemeentelijke monumenten (via wikipedia.nl): geen gemeentelijke monument; • Informatie van de opdrachtgever over het plangebied; • Informatie over ondergrondse tanks (www.bodemloket.nl); • Informatie over kabels en leidingen (KLIC-melding); • Informatie over de huidige bebouwing: Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) (bagviewer kadaster.nl). • Historisch kaartmateriaal (www.topotijdreis.nl) Het plangebied is momenteel in gebruik als boerenerf. De woning aan de straatzijde is volgens de BAG gebouwd in 1932. Dat kan op basis van historisch kaartmateriaal kloppen (Figuur 6). Dit jaartal staat ook op de eerste steen van het huis. Het huis en erf zijn sinds 1932 in handen geweest van dezelfde familie. Drie generaties aan familieleden hebben op het erf gewoond. De bebouwing heeft een kelder van ca. 6 x 4 m waarin je kan staan (ca. 3 m diep). De ligging van de kelder is indicatief aangeduid op Bijlage 4. Ook bij de aanbouwen van het huis met voormalige stallen zijn kelders aanwezig, dit maal voor mest.

Deze kelder is 1,5 m diep. Ten noorden van deze kelder heeft een verdiepte bietenopslag gestaan die tevens 1 m diep was (zie ook Bijlage 4). Het grote voormalige bedrijfsgebouw ten noorden van de woning (Figuur 5, links) is volgens de BAG ook gebouwd in 1932. Deze oogt jonger en is op basis van historisch kaartmateriaal gebouwd tussen ca. 1970 en 1978. Volgens een lid van de familie die het terrein in eigendom heeft is deze stal gebouwd in 1965. Het grote bedrijfsgebouw in het noordoosten is volgens de BAG gebouwd in 1977. Deze is op basis van historisch kaartmateriaal gebouwd tussen ca. 1978 en 1988. Het bouwjaar van 1977 wordt door het familielid bevestigd. Beide grote bedrijfsgebouwen zijn onderkelderd (Figuur 2). De oostelijke grote bedrijfshal heeft volgens de familie van de eigenaar een binnenmaat van 125 cm diep, met betonvloer erbij zal dit voor een verstoring tot 1,5 m-mv gezorgd hebben. De westelijke grotere bedrijfshal heeft langs de gehele oostzijde een 3 m brede mestput van wederom een binnendieptemaat van 125 cm. Langs het merendeel van de westzijde is een mestgrup aanwezig van ca. 75 à 100 cm breed met een binnendieptemaat van ca. 1 m. Het bijgebouwtje met de containers ervoor (Figuur 5, rechts) is volgens de BAG gebouwd in 2020. Het gaat om een stacaravan, niet op permanente bebouwing die gefundeerd is.

In het zuidoosten van het plangebied staan bijgebouwen die volgens de BAG veelal ook in 1932 gebouwd zijn. Het middelste bijgebouw (oostelijke helft van het westelijke bijgebouw in het zuidoosten op Figuur 2) is gebouwd in 1965. Op basis van historisch kaartmateriaal lijken de twee oudste bijgebouwtjes gebouwd te zijn tussen 1940 en 1962. Op basis van historische kaartmateriaal hebben verspreid over het erf diverse andere bijgebouwtjes gestaan in het plangebied.

KSP Archeologie

11

Figuur 5: Te slopen meest westelijke schuur (links) en gebied tussen westelijke en oostelijke schuur (rechts) via Bu-Ro Ester

Figuur 6: Historisch kaartmateriaal uit de 20e eeuw (www.topotijdreis.nl).

De aanwezige bebouwing is door de gemeente (wikipedia) of het rijk (archis.cultureelerfgoed.nl) niet aangemerkt als historisch waardevol. Rondom de bebouwing is verharding aanwezig in de vorm van klinkers. Er zijn geen ondergrondse tanks bekend (www.bodemloket.nl). Van de woning zijn huisaansluitingen bekend (KLIC-melding.nl) Aan de kaarteenheden op de bodemkaart (Bijlage 2) waren tot 2006 gemiddelde grondwaterstanden gekoppeld door middel van zogenaamde grondwatertrappen (I t/m VII). Het plangebied wordt naar verwachting gekenmerkt door een diepe grondwaterstand (grondwatertrap VI). Dit betekent dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen 40 - 80 cm en de gemiddeld laagste grondwaterstand dieper dan 120 cm beneden maaiveld wordt aangetroffen.

KSP Archeologie

12

2.2

Beschrijving van aardwetenschappelijke gegevens

Om het landschap ter plaatse en rondom het plangebied in kaart te brengen, zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • Geologische overzichtskaart van Nederland schaal 1:600.000 (https://www.grondwatertools.nl/ geologische-overzichtskaart); • Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000 versie 2019 (BRO 2020, Maas e.a. 2017); • Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000 versie 2018 (BRO 2019); • Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) (www.ahn.nl, AHN3 grid 0,5 x 0,5 m); • Paleogeografische kaart van de Rijn-Maas delta (Cohen e.a. 2012) en de zanddieptekaart van het rivierengebied van Overijssel en Gelderland Cohen e.a. 2009). Het plangebied ligt in het rivierengebied tussen de Maas (huidige hoofdtak van de Rijn) en de Waal. In de ondergrond bevinden zich oude rivierafzettingen van de Formatie van Kreftenheye, die tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien, zijn gevormd (ca. 115.000 – 11.755 jaar geleden). De rivieren hebben in deze koude periode voornamelijk een vlechtend patroon gehad, gekenmerkt door meerdere geulen en een onregelmatige afvoer. Voorlopers van de Rijn en Maas hebben in een brede vlakte een dik pakket zand en grind afgezet (Formatie van Kreftenheye) (Stouthamer et al. 2015).

Ter plaatse van het plangebied is de vlakte in de ondergrond, die de actieve riviervlakte vormde van laatglaciale meandergordels zich binnen dit vlechtende rivierenstelsel hebben ingesneden. De buiten het plangebied gelegen kaartvlakken met nummer 702 zijn aan het einde van het Allerød verlaten (tussen 12.900 en 10.950 jaar geleden). De riviervlakte waarbinnen het plangebied ligt is aan het begin van het Preboreaal / einde Late Dryas (10.950 – 10.150 jaar geleden, Figuur 7, 703) verlaten. Ten zuiden van het plangebied ligt een geul (707, Figuur 7). Cohen e.a. (2012) waar ook in het Preboreaal nog sediment is afgezet door de restgeulen van dit systeem.

Figuur 7: Het plangebied op de Paleogeografische kaart van de Rijn-Maasdelta (Cohen e.a. 2012)

KSP Archeologie

13

De top van de pleistocene riviervlakte wordt binnen het plangebied verwacht binnen 1 m (Figuur 8). Het rivierzand wordt afgedekt door verwaaid rivierzand dat is afgezet in de vorm van een rivierduin. In/nabij de noordwesthoek van het plangebied is een geologische boring bekend (B46A1191). Tot de einddiepte van de boring (2,4 m-mv / mv op 8,85 m +NAP) is matig fijn tot matig grof zand aanwezig dat geclassificeerd is als de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Delwijnen (rivierduinzand). Op de geologische overzichtskaart komt het rivierduinzand (Laagpakket van Delwijnen binnen de Formatie van Boxtel) pas voor in een zone die 900 m ten westen van het plangebied ligt en wordt in het plangebied rivierklei en -zand (Formatie van Echteld) met inschakelingen van veen (Formatie van Nieuwkoop) verwacht. Gezien de schaal van de overzichtskaart wordt de zanddieptekaart in combinatie met de geologische boring als betrouwbaarder geacht. De geomorfologische kaart (Bijlage 1) geeft een vergelijkbaar beeld als de zanddieptekaart, als is de rivierduin (code B57, Bijlage 1) hier iets smaller getekend. De restgeul (707, Figuur 7) is hier aangeduid als een overloop- of crevassegeul (code R44, Bijlage 1). Het is niet uitgesloten dat een deel van de geul later is gereactiveerd door de Maas.

Figuur 8: Het plangebied op de zandbanen/dieptekaart (Cohen e.a. 2009)

KSP Archeologie

14

Veelal zal het rivierduinzand zijn verwaaid in de laatste koude periode (Late Dryas, watervoerende zones 703 Figuur 7) en zijn afgezet in zones die toen droger lagen (Allerødzones 502, Figuur 7). Mogelijk is de reep met rivierduinzand met pleistoceen rivierzand binnen 1 m op Figuur 7 ook onderdeel geweest van de zone die al in het Allerød verlaten is. De restgeul (nr 707) heeft dan mogelijk de rivierduin geërodeerd. Een andere latere erosie door een crevassegeul is niet uitgesloten. Op de archeologische waarden -en verwachtingenkaart is alleen het plangebied grotendeels gekarteerd als een rivierduin (code Esh, Figuur 13). Het overige hogere deel (Figuur 9, AHN) van het plangebied en globaal de zone die als rivierduin is aangeduid op de geomorfologische kaart / zanddieptekaart is een overstoven crevasse-afzetting (code ROcS, Figuur 13) op de archeologische waarde- en verwachtingenkaart. De RO code staat voor oeverafzettingen van de Maas. Volgens de toelichting op de voormalige beleidskaart (Willemse 2006): “De specifieke archeologische verwachting voor meandergordelafzettingen is met name afhankelijk van de ouderdom van de afzettingen en (daarmee samenhangend) de mate waarin die zijn afgedekt door jongere afzettingen. Voor de gemeente Heumen betreft het voornamelijk oeverafzettingen van de Maas die pas vanaf circa 3000 voor Chr.

(begin Subboreaal) zijn ontstaan … De meeste oeverafzettingen van de Maas na 100 voor Chr. liggen dicht tegen de huidige Maasloop aan in het buitendijkse gebied. Langs de huidige Maasloop werden in de Laat Romeinse tijd (vanaf ca. 250 tot 500 na Chr.) op de komafzettingen van de Neder- en Overasseltsche Broek en langs de flanken van de rivierterrassen en rivierduinen oeverafzettingen afgezet. In de 9e en 10e eeuw na Chr. werden de laatRomeinse oeverafzettingen nogmaals afgedekt door een relatief dik pakket zwak tot matig zandige klei dat ten oosten en noordoosten van Overasselt op de komafzettingen is afgezet. In dit geval gaat het om oeverwaldoorbraakafzettingen (crevasse-afzettingen). Deze afzettingen zijn vaak diep in komgebieden doorgedrongen.” “De in de Late Middeleewen opgetreden zandverstuivingen op de rivierduinen hebben een deel van de Karolingische crevasse-afzettingen afgedekt met stuifzand (kaartbijlage 1: code ROCs), waardoor deze mogelijk goed zijn geconserveerd (hoge archeologische verwachting).”

Figuur 9: Het plangebied en de omliggende omgeving op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (bron: www.ahn.nl).

KSP Archeologie

15

Op de bodemkaart staan ter hoogte van het plangebied kalkloze poldervaaggronden met zavel en lichte klei in de bovengrond en een ondergrond (40 tot 100 cm-mv) die bestaat uit zware klei op zavel en lichte klei (profielverloop 3) of uit zware klei (profielverloop 4) gekarteerd (code Rn67C). Op de bodemkaart is de smalle rivierduin niet gekarteerd. Op de bodemkaart staan ter hoogte van de brede rivierduin ten westen van de geul zandgronden gekarteerd (Bijlage 2). De oostelijke helft van die rivierduin is gekarteerd als hoge bruine enkeerdgrond (code bEZ30, Bijlage 2) Een enkeerdgrond is een zandgrond met een humeus dek dat dikker is dan 50 cm. Dit dikke humeuze dek is veelal ontstaan door het aanbrengen van plaggen. Elders op het rivierduin komen vorstvaaggronden voor. Dit zal het oorspronkelijke bodemtype zijn voorafgaand aan het opbrengen van het humeuze dek. Vorstvaaggronden hebben onder de humeuze bovengrond een verbruiningshorizont. Door de droge omstandigheden, het mineraalrijke rivierzand en door grote activiteit van het bodemleven is hier de bovengrond tot grote diepte aangereikt met humus. Bij de bruine enkeerdgronden is het dan ook de vraag of deze niet grotendeels door een natuurlijk proces bruin gekleurd zijn. De kans is groot dat in het plangebied ook een vorstvaag- of enkeerdgrond aanwezig is. 2.3

Historische situatie en mogelijke verstoringen

Om de historische situatie en mogelijke verstoringen van de bodem in kaart te brengen zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • Oude kadasterkaarten: kadastrale minuut en oorspronkelijk aanwijzende tafels 1811 – 1832 voor toenmalige eigenaar/gebruiker (beeldbank.cultureelerfgoed.nl); • Historische kaarten uit de afgelopen 200 jaar (www.topotijdreis.nl); • Historisch-landschappelijk informatiesysteem, Histland (Dirkx & Nieuwenhuizen 2013), geraadpleegd via archis.cultureelerfgoed.nl: Stroomrugontginning totaal veranderd sinds 1850; • Cultuurhistorische regiobeschrijving Gelderland (CultGIS/Haartsen 2009). Land van Maas en Waal; • Archeologische en overige cultuurhistorische rapporten van onderzoek binnen het onderzoeksgebied: is niet van toepassing; • Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (www.ikme.nl): onderdeel van operatieterrein Market Garden en onderdeel van luchtlandingszone O.

• V.1 & V.2 inslagen in Nederland (vergeltungswaffen.nl): geen inslagen bekend die voor een bodemverstoring gezorgd kunnen hebben; • Uitgevoerd onderzoek niet gesprongen explosieven (https://www.explosievenopsporing.nl/veobommenkaart/): Er is geen vooronderzoek bekend; • Topografische kaart van Nederland (Figuur 1); • Informatie over de huidige bebouwing: Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) (bagviewer kadaster.nl); • Bouw-/constructietekeningen van te slopen of te wijzingen historische bouwwerk: eigenaar had voldoende en betrouwbare informatie over de gebouwen in het plangebied. • Gegevens van milieukundig bodemonderzoek (www.bodemloket.nl): Voor het gebied Overasselt-Noord is een ‘Indicatief onderzoek’ uitgevoerd in 1995. • Luchtfoto uit 2019 (PDOK); • Geomorfologische kaart van Nederland, Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000: en/of Vergraven gronden project Alterra (Brouwer & Van der Werff 2012: hierop zijn geen bodemverstoringen t.p.v. het plangebied aangegeven; • Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) (www.ahn.nl): hierop zijn mogelijke ophogingen en afgravingen zichtbaar; • In het kader van dit onderzoek zijn geen archieven geraadpleegd omdat een gerichte vraagstelling ontbreekt.

KSP Archeologie

16

Hieronder volgt een beschrijving van het historische gebruik (bebouwing, grondgebruik, historische wegen etc.) van het plangebied en de directe omgeving. Daarnaast is gekeken of er sprake is van (mogelijke) bodemverstoringen en/of bodemvervuilingen (aard, omvang, diepteligging en locatie) binnen het plangebied. Het plangebied is onderdeel van de Gelderse cultuurhistorische regio Land van Maas en Waal. Het is een Holoceen rivierengebied met pleistocene rivierduinen. Op rivierduinen zijn de oudste menselijke resten aangetroffen uit het Mesolithicum, maar Paleolithische resten zijn niet uitgesloten. De rivierduinen, maar ook de oeverwallen van de rivieren zijn vanaf het Neolithicum aantrekkelijke locaties geweest voor landbouw(ende samenlevingen). In de loop van de Vroege Middeleeuwen ontstaan dan ook de dorpen op de oeverwallen en rivierduinen (Haartsen 2009). Haartsen (2009) karakteriseert Overasselt als een dorp dat ontstaan is op een oeverwal. Voor de historische ontwikkeling is historisch kaartmateriaal geraadpleegd. Voor de toenmalige gemeente Overasselt is in 1820 een verzamelplan gemaakt. Op het specifieke minuutblad (Sectie B, blad 2, Figuur 10) is het plangebied onbebouwd. Het toenmalige perceel en het stratenpatroon komt in hoofdlijnen nog overeen met de huidige kadastrale percelering en stratenpatroon.

Het toenmalige perceel 361 is volgens de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels een stuk bouwland dat in handen was van grondeigenaar A.F.W. Munter uit Doorn. Deze had tevens het grote perceel ten oosten en noorden van het plangebied in bezit. Ca. 100 m ten zuidwestenvan het plangebied liggen twee historische boerderijen (Bakelaar en De Poel) en ca. 250 m ten zuiden van het plangebied staat een kerk. Op de bonneblad van rond 1870 (Figuur 11) is het landgebruik binnen het plangebied vergelijkbaar. Het plangebied blijft tot in het begin de 20e eeuw een stuk akkerland (Figuur 6). In de loop van de 20e eeuw is een boerenerf ontstaan. Het plangebied is ook deels in gebruik geweest als boomgaard.

Figuur 10: Het plangebied op de kadastrale minuut uit het begin van de 19e eeuw (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl).

KSP Archeologie

17

Overasselt is onderdeel van de brede zone waar resten van operatieterrein/slagveld Market-Garden aan het eind van de Tweede Wereldoorlog. Het plangebied ligt zelfs in de dropzone/het luchtlandingsterrein O. “Luchtlandingsterreinen kunnen onderverdeeld worden in twee groepen: landingszones en dropzones (‘lz’ en ‘dz’ in geallieerde termen). Op landingszones werd met behulp van zweefvliegtuigen (‘gliders’) materieel aangevoerd, terwijl op de dropzones met behulp van parachutes mensen en materieel werden aangevoerd. Veel van de luchtlandingsterreinen zijn geallieerd, maar er komen ook Duitse terreinen voor, zoals bij Rotterdam. Een luchtlandingsterrein is een planmatig fenomeen waar in korte tijd mens en materieel werd aangevoerd dat zich snel diende te concentreren op zogenaamde ‘rendez-vous points’. Om die reden zijn normaal gesproken geen mangaten te verwachten; met trok snel verder. Op de landingszones werden de achtergebleven zweefvliegtuigen normaliter verbrand.” (www.ikme.nl) Op de archeologische waarden en – verwachtingen kaart van de gemeente Heumen is nader in kaart gebracht waar specifieke archeologische resten te verwachten zijn uit de Tweede Wereldoorlog. Deze staan op die kaart niet in of nabij het plangebied aangeduid (Figuur 13).

Een huidig familielid waarvan de overgrootouders en vader op het erf woonden in de Tweede Wereldoorlog gaf aan dat binnen enkele kilometers rondom het erf geen sprake was van een luchtlandingsgebied. Op het erf hebben naar zijn weten ook geen oorlogshandelingen plaatsgevonden. Het huis was wel deels een tijdelijke onderkomen voor geallieerde officieren. Binnen het plangebied zijn geen bodemverontreinigingen, saneringen of ondergrondse olietanks, benzinepompinstallaties en dergelijke bekend waardoor archeologische resten mogelijk verloren zijn gegaan (www.bodemloket.nl).

Figuur 11: Het plangebied op de kaart uit 1870, Bonneblad (bron: www.topotijdreis.nl).

De bodem kan zijn aangetast door werkzaamheden door het eeuwenlange gebruik als akkerland. Gemiddeld reikt de bodembewerking ten behoeve van de landbouw tot 30 – 50 cm beneden maaiveld. Het zuiden van het plangebied is in gebruik geweest als boomgaard (of erf met bomen) en hier kunnen lokaal diepere bodemverstoringen aanwezig zijn. De twee grotere bedrijfsgebouwen zijn onderkelderd,

KSP Archeologie

18

hier wordt over een aaneengesloten gebied een diepe bodemverstoring verwacht. Het is niet uit te sluiten dat voor de kleinere bijgebouwen en de woning ook een bouwput is gegraven tot in het zand. Op een detail-beeld van het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN, Figuur 12) is te zien dat het terrein duidelijk hoger ligt. Gezien de reliëfverschillen is de hoogteligging niet alleen het gevolg van de ligging op een rivierduin. Met name rondom het grootste bijgebouw zijn hoogte zichtbaar die mogelijk antropogeen zijn (een zone rond 9,6 m +NAP). In de rode ellips komen enkele ronde laagtes voor met maaiveldhoogtes rond 9,1 m + NAP. 9,1 m +NAP is ook globaal de hoogte van de niet opgehoogde delen. In het noordoosten komen hoogtes voor rond 8,8 m +NAP. Mogelijk ligt deze zone buiten het rivierduin. Dat zou in overeenstemming zijn met Figuur 13.

Figuur 12: Het plangebied op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (bron: www.ahn.nl).

2.4

Beschrijving van archeologische gegevens

Om een beeld te krijgen van de archeologische gegevens, zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • Archeologische Monumenten Kaart (AMK) (via archis.cultureelerfgoed.nl); • Beschermde archeologische Rijksmonumenten (via archis.cultureelerfgoed.nl); • Archeologische onderzoeken en vondstlocaties uit het Archeologische Informatiesysteem (Archis) (archis.cultureelerfgoed.nl); • Digitaal Archief (DANS) Rapporten en onderzoeksgegevens van archeologisch onderzoek (https://easy.dans.knaw.nl/); • Historische kaarten (zie paragraaf 2.3); • Gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingskaart (Keunen e.a. 2013). Binnen het plangebied zijn geen archeologische monumenten (AMK-terreinen), onderzoeksmeldingen en vondstmeldingen aanwezig. In een straal van 500 m rondom het plangebied zijn één AMK-terrein,

KSP Archeologie

19

dertien onderzoeksmeldingen en acht vondstlocaties gemeld (Tabel 1 en Tabel 2, Bijlage 3). De meldingen liggen allemaal rond Overasselt in de gemeente Heumen tenzij anders vermeld in Tabel 1. De bekende archeologische gegevens geven een beeld dat de rivierduinen rijk is aan archeologische vindplaatsen uit alle perioden tussen het Neolithicum en het heden. AMK-terrein

48

Locatie

Aard terrein/waarde

133 m Z

Kerkterrein van zeer hoge archeologische waarde: Terrein met daarin de resten van een Middeleeuwse kerk. Deze werd mogelijk al in de 10de eeuw gebouwd. Het terrein ligt op een verhoging. Het koor van de kerk is nog aanwezig en werd in 1984/1985 gerestaureerd. Bij de restauratie is gebleken dat de funderingen van toren en schip nog aanwezig zijn. Ze werden niet weggegraven MEV-MEL

Vondstmelding

Locatie

Type onderzoek

Aard vondstlocatie/resultaten

Veldkartering 1986

2730318100

362 m Z Kraaijenberg

Vuursteen afslag (NEO). Divers laatmiddeleeuws aardewerk (Pingsdorf, Paffrath, Siegburgs (Proto)steengoed, grijsbakkend)

2730326100

379 m Z Kraaijenberg

Veldkartering 1986

Vuursteenafslag en handgevormd aardewerk (NEOM)

2730545100

362 m Z Kraaijenberg

Niet archeologisch graafwerk 1986

IJzersmelterij (datering niet bekend of MEVC-D; MELA-B) met divers laatmiddeleeuws aardewerk en gedraaid vroeg middeleeuws aardewerk.

2766794100

307 m Z; administratief

Collectiebeschrijving 1974

Scandinavische vuursteendolk/speerpunt (BRONSVMA)

Niet archeologisch graafwerk 1996

Bouwvoor met materiaal uit de 12e tot 15e eeuw, esdek met enkel fragmenten blauwgrijs aardewerk op opgestoven zand (zonder vondsten) op lichtbruin (door pieren?) gevlekt zand. In de beschrijving verder geen melding van oudere vondsten, maar bij de vondstmelding ook melding van gedraaid aardewerk (ROM), handgevormd aardewerk en vuursteenafslagen (IJZ) en zandsteen/kwartsiet en dierlijk bot (IJZ-ROM)

2892902100

483 m Z Oude Keefsebaan

2906315100

233 m Z NH Kerk

Onbepaald, 1989

Tufsteen fundering en nadere beschrijving van kerk op AMK-terrein (MEVD-MELA)

3078198100

379 m Z Kraaijenberg

Niet archeologisch graafwerk 1986

Grafveld: crematie met kommen, borden, kruiken en bekers van TS, TN en geverfd aardewerk (ROMM)

3130830100

254 m W

Onbepaald

Kogelpot aardewerk (MELB) nabij N.H. kerk

Tabel 1: Overzicht van de AMK-terreinen en vondstmeldingen binnen een straal van 500 m rondom het plangebied (bron: archis.cultureelerfgoed.nl).

Direct ten zuidwesten van het plangebied is een bureauonderzoek uitgevoerd in 2007 en in 2008 een karterende booronderzoek. Kremer (2008) geeft aan dat het plangebied op basis van het bureauonderzoek uit 2007 een hoge verwachting had voor archeologische resten uit de periode Mesolithicum tot en met Vroege Middeleeuwen en een middelhoge verwachting voor resten uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd (Kremer 2008). Waarom het plangebied niet deels een hoge verwachting heeft is onduidelijk, want een deel van de huisplaats ‘Bakelaar’ zou ook zeker in het onderzoeksgebied uit 2007/2008 hebben gelegen. Voor de historische situatie lijkt enkel kaartmateriaal vanaf het eind van de 19e eeuw te zijn gebruikt, aangezien de middelhoge verwachting gebaseerd is op de nabije ligging van de historische kern en de historische Hoogstraat. Binnen het plangebied van 1.450 m² zijn 6 karterende boringen gezet (41 boringen per ha). Het karterende booronderzoek is door de aanwezigheid van een puinpakket uitgevoerd met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm i.p.v. 15 cm. Het sediment is gezeefd. Een recent bureauonderzoek 86 m ten zuidwesten van het plangebied bevestigd had een hoge verwachting voor alle perioden, incl. de Late Middeleeuwen tot Nieuwe tijd door de verwachte ligging van de huisplaats ‘Bakelaar’ in dat gebied (van der Klooster 2021).

KSP Archeologie

20

Onderzoeksmelding

Locatie

Type onderzoek

Aard resultaten

Begeleiding 2003

Vondsten uit verstoorde/gebiorturbeerde stratigrafie o.a. vuursteen bijl (NEOL), handgevormd aardewerk (BRONSL), dikwandig aardewerk (ROM) en aardewerk (MEVD-MELB)

Booronderzoek 2001

Diverse vondsten uit uiteenlopende perioden uit een niet-intacte vondstlaag, bodem tot 40 à 70 cm-mv verstoord.

Bureauonderzoek 2007

Niet afgemeld

Karterend booronderzoek 2008

Geen indicatoren → geen vervolg.

Karterend booronderzoek 2008

Niet afgemeld

Proefsleuven 2009

Vondsten zonder sporen (BRONS-IJZ). Noorden: restgeul met een waterput (IJZ). Nederzetting (IJZL-ROM). Zuiden: Nederzetting (BRONS-IJZ).

Bureau- en karterend booronderzoek 2011

Geroerde bouw met daarin grijsbakkend aardewerk (12e – 14e eeuw) en baksteenfragmenten (16e tot 18e eeuw) en recenter materiaal. Vermoedelijk ex-situ materiaal (opgebracht) → geen verder vervolg

2070970100

2081079100

322 m W Hoogstraat

2177048100 2233278100 2188153100

112 m W

2207641100

2257432100

405 m NW Schoonenburgseweg

2317648100

2317656100

207 m W Lijsterstraat

4676100100

Booronderzoek 2019

Oude geulloop met meerdere paalsporen met drie bewoningsfases: IJzertijd, 7e – 8e eeuw en Late Middeleeuwen

4726694100

166 m Z Valkstraat 3

Proefsleuven 2019

4942023100

86 m ZW Hoogstraat 4

Bureauonderzoek 2021

Van der Klooster (2021): advies booronderzoek in het noorden ivm historische woonplaats

274 m W Hoogstraat 17

Bureau- en booronderzoek 2021

Nog geen eerste bevindingen

4949014100

Tabel 2: Overzicht van de onderzoeksmeldingen binnen een straal van 500 m rondom het plangebied (bron: archis.cultureelerfgoed.nl).

Figuur 13: Het plangebied op de archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Heumen (Keunen e.a. 2013)

KSP Archeologie

21

Volgens de (geactualiseerde) archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Heumen uit 2013 (Keunen e.a. 2013) valt het plangebied binnen de categorie ‘hoge verwachting, mogelijk goede conservering’ (licht oranje kleur, Figuur 13). Het is een zone met een hoge verwachte dichtheid aan archeologische resten uit alle perioden. De resten liggen vlak onder het maaiveld en zijn daardoor kwetsbaar. Het plangebied ligt en noorden van de linie uit de tachtigjarige oorlog (witte lijnen). Er worden geen specifieke resten uit de Tweede Wereldoorlog verwacht zoals stellingen (linies), (verdwenen) spoorlijnen en of tijdelijke militaire begraafplaatsen. 2.5

Beschrijving van de ondergrondse bouwhistorische waarden

basis van de monumentenlijsten (paragraaf 2.1) zijn binnen het plangebied geen (ondergrondse) bouwhistorische resten aanwezig. Op grond van het historisch kaartmateriaal (paragraaf 2.3) en de archeologische gegevens (paragraaf 2.4) worden deze ook niet verwacht, omdat alle bebouwing uit de jaren ’30 van de vorige eeuw of jonger is. 2.6

Gespecificeerde archeologische verwachting

Op de gemeentelijke archeologische waarden- en verwachtingenkaart is aan het plangebied een hoge archeologische verwachting toegekend voor alle perioden (Figuur 13). Op basis van de gegevens uit het bureauonderzoek (paragraaf 2.1 t/m 2.5) is voor het plangebied een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld (samengevat in Tabel 3). Deze verwachting zal in de onderstaande tekst worden toegelicht. Periode Laat-Paleolithicum – Neolithicum

Verwachting Hoog

Neolithicum – Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw)

Hoog

Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw)– Nieuwe tijd

Laag

Verwachte kenmerken vindplaats Bewoningssporen, tijdelijke kampementen, vuursteen artefacten, haardkuilen Nederzetting: cultuurlaag, (paal)kuilen, greppels, fragmenten aardewerk, natuursteen, gebruiksvoorwerpen Begravingsresten: kringgreppel, fragmenten aardewerk (urn), verbrande botresten Huisplaats: cultuurlaag, (paal)kuilen, greppels, bakstenen, fragmenten aardewerk, gebruiksvoorwerpen

Diepteligging sporen Onder een eventueel plaggendek of onder de bouwvoor vanaf de top van de rivierduin. Onder een eventueel plaggendek of onder de bouwvoor vanaf de top van de rivierduin tot in de C-horizont

Vanaf maaiveld tot diep in de Chorizont

Tabel 3: Specifieke archeologische verwachting per periode voor het plangebied.

Het landschap heeft met name voor de prehistorische mens een belangrijke rol gespeeld in de keuze voor een bewoningslocatie. Het plangebied ligt op een rivierduin die gevormd kan zijn na het Allerød. Nabij het plangebied ligt een geul die in het Preboreaal (Mesolithicum) geen sediment meer afzette nabij het plangebied, wat niet wegneemt dat deze restgeul nog langer watervoerend kan zijn geweest. Gezien de ouderdom van de te verwachte afzettingen kunnen in het plangebied vindplaatsen aanwezig zijn vanaf het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Jager-verzamelaars uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum kozen als woon- en verblijfplaats vaak voor de hoger liggende terreingedeelten in het landschap, bij voorkeur in de buurt van open water zoals een beekdal of vennetje. Water was een belangrijk gegeven, niet alleen voor het lessen van de dorst. Nabij water heerst er ook een grotere biodiversiteit wat de jacht en het verzamelen van plantaardig voedsel vergemakkelijkt. Archeologische vindplaatsen uit deze periode komen dus met name voor op overgangen van nat naar droog (de zogenaamde gradiëntzones). Aangezien het plangebied op een rivierduin nabij een riviergeul ligt, is aan het plangebied een hoge verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum.

KSP Archeologie

22

1. 2. 3. 4.

5.

6. 7. 8.

Datering: Laat-Paleolithicum – Neolithicum. Complextype: kampement/vuursteenvindplaats. Omvang: een paar vierkantenmeter (klein) tot enkele honderden vierkantenmeters (groot). Diepteligging: het potentiële archeologische niveau ligt onder het plaggendek of onder de bouwvoor in de top van de oorspronkelijke verbruiningslaag (vanaf ca. 30 à 50 cm -mv). Eventuele diepere grondsporen zoals haardkuilen kunnen tot in het dekzand (C-horizont) reiken. Gaafheid en conservering: door het historisch landgebruik als bouwland in de 19e en 20e eeuw is de kans groot dat er sprake is van een plaggendek. De oorspronkelijke bodem kan geheel zijn opgenomen in het plaggendek. De kans dat een intacte vuursteenvindplaats aanwezig is wordt daarom reëel geacht. Wel kan de aanwezigheid van een vuursteenvindplaats worden aangetoond op basis van concentraties van fragmenten vuursteen in het plaggendek en/of in de onderliggende bodem. Locatie: hele plangebied. Uiterlijke kenmerken: Vuursteenvindplaatsen worden gekenmerkt door een vuursteenspreiding (artefacten, afslagen e.d.) en eventueel sporen in de vorm van ondiepe haardkuilen. Mogelijke verstoringen: vuursteenvindplaatsen zijn kwetsbaar voor bodemingrepen omdat ze zich in de top van de oorspronkelijke verbruiningsbodem bevinden. Door landbewerking kan het archeologische vondstenniveau geheel zijn opgenomen in het plaggendek of de bouwvoor.

Doordat vuursteenvindplaatsen met name bestaan uit ondiepe sporen zijn ze zeer kwetsbaar. Ter hoogte van de onderkelderde bebouwing zijn deze zeer waarschijnlijk verstoord.

Vanaf het Neolithicum ontstaan in onze streken de eerste landbouwculturen die gekenmerkt worden door sedentaire nederzettingen. In de beginperiode combineert men akkerbouw met het jagen en verzamelen, maar geleidelijk stapt men over naar akkerbouw en veeteelt. In de periode vanaf het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) heeft men een voorkeur voor hoger en droger gelegen gebieden, die geschikt waren voor akkerbouw. Aangezien het plangebied op een rivierduin ligt, is aan het plangebied een hoge verwachting toegekend voor vindplaatsen uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13 e eeuw). 1. 2. 3.

4.

5.

6. 7.

8.

Datering: Neolithicum – Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Complextype: vindplaatsen vanaf het Neolithicum bestaan uit nederzettingssporen en/of sporen van begravingen. Omvang: nederzettingsterreinen of grafvelden/begravingen variëren in grootte van enkele honderden tot duizenden vierkante meters en kunnen zich soms over meerdere hectaren uitstrekken. Diepteligging: het potentiële archeologische niveau ligt onder het plaggendek of de bouwvoor in de top van de oorspronkelijke verbruiningsbodem (vanaf ca. 30 à 50 cm -mv). De (diepere) grondsporen reiken tot in het rivierduinzand (C-horizont). Gaafheid en conservering: het archeologische sporenniveau in de top van de C-horizont zal naar verwachting goed zijn beschermd door het plaggendek dat op basis van het historisch landgebruik verwacht kan worden. Wel kan (een deel van) het vondstniveau in de onderzijde van het plaggendek zijn opgenomen. Locatie: hele plangebied. Uiterlijke kenmerken: De nederzettingen worden gekenmerkt door permanente woningen die vaak diep in de grond gefundeerd waren. Waterputten werden gegraven voor de watervoorziening terwijl in en nabij de nederzetting afvalkuilen werden gegraven om afval te begraven. Naast nederzettingsresten kunnen ook begravingen voorkomen. Restanten hiervan kunnen bestaan uit kringgreppels, fragmenten aardewerk (urnen), crematieresten, inhumaties e.d.

De sporen kunnen diep in de bodem reiken. Vondstmateriaal van de nederzetting kan door landbewerking in het bovenliggende plaggendek terecht zijn gekomen. Mogelijke verstoringen: de kans dat het archeologische sporenniveau in de top van de Chorizont is verstoord, wordt klein geacht. De verzamelde gegevens in het bureauonderzoek

KSP Archeologie

23

geven geen aanwijzingen voor diepe (recente) bodemverstoringen in het gehele plangebied. Ter hoogte van de onderkelderde bedrijfsbebouwing is een verstoring goed mogelijk, maar dit zal ook moeten blijken uit de diepteligging van het potentiële archeologisch niveau in de boringen rondom de bebouwing. Ook de aanwezigheid van bomen en boomgaarden kan voor een (lokale) diepe verstoring hebben gezorgd. Vanaf de Late Middeleeuwen verandert het bewoningspatroon. Bewoning concentreert zich in dorpen, steden en bewoningsclusters. Rondom deze dorpen ligt het landbouwareaal dat instaat voor de voedselvoorziening van de inwoners. In deze periode is de landschappelijke ligging van het gebied niet meer doorslaggevend voor de locatiekeuze. Het plangebied ligt buiten de historische kern. De Garstkampsestraat is een historische weg, maar er zijn geen aanwijzingen dat in het plangebied historische bebouwing heeft gestaan. Voor de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd is dan ook een lage archeologische verwachting opgesteld. Door de ligging binnen het operatieterrein en zelfs binnen het luchtlandingsterrein kunnen resten uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn. “De slaghandelingen (op operatieterreinen) weerspiegelen zich vooral in een verspreiding van verschillende munitieartikelen.

Daarnaast kunnen meer statische structuren worden verwacht, zoals resten van stellingen, versperringen, loopgraven, ondersteunende posten e.d. Ook inslagen van granaten en mortieren kunnen worden verwacht, vaak in de vorm van beschadigingen aan bestaande bouw of bomen en als microreliëf.” (www.ikme.nl) “Op luchtlandingsterreinen kunnen parachutes en achtergebleven uitrustingsstukken worden verwacht, ook afgeworpen materieel kan achtergebleven zijn. Op landingszones zijn brandplekken terug te vinden van verbrande zweefvliegtuigen. Eventueel hebben op de rendez-vous points soldaten zich ingegraven en/of hebben hier de nacht doorgebracht.” (www.ikme.nl) Op de archeologische waarden en – verwachtingen kaart van de gemeente Heumen is nader in kaart gebracht waar specifieke archeologische resten te verwachten zijn uit de Tweede Wereldoorlog. Deze staan op die kaart niet in of nabij het plangebied aangeduid. Ook op basis van informatie van een familielid wiens ouders en vader op het erf woonden in de Tweede Wereldoorlog worden geen specifieke ondergrondse resten of risico’s op (niet) gesprongen conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog verwacht. Er is daarom een lage verwachting gegeven aan resten uit de Tweede Wereldoorlog en het is niet aannemelijk dat oorlogshandelingen uit de Tweede Wereldoorlog voor een verstoring van het bodemarchief hebben geleid. 2.7

Conclusie en advies bureauonderzoek

Het doel van het archeologisch bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op basis van de verwachte landschappelijke ligging op een rivierduin nabij een restgeul is aan het plangebied een hoge verwachting toegekend voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13 e eeuw). Voor de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd heeft het plangebied een lage verwachting door het ontbreken van historische bebouwing in het plangebied. Het plangebied is onderdeel van een luchtlandingsterrein uit de Tweede Wereldoorlog, maar op basis van het gemeentelijk beleid en informatie van de eigenaar worden geen specifieke archeologische resten in of nabij het plangebied verwacht. Het advies is om deze hoge verwachting te toetsen door middel van een Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase. Met dit onderzoek wordt de bodemopbouw in kaart gebracht en wordt de intactheid van de bodem en het potentiële archeologische niveau vastgesteld.

KSP Archeologie

24

3

Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase

3.1

Werkwijze

Op basis van de hoge is een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Voor het verkennende booronderzoek is uitgegaan van een boordichtheid van 6 boringen per hectare. Aangezien het plangebied een oppervlakte heeft van 1,1 ha zijn 6 boringen gezet (Bijlage 4). Vanwege de terreinomstandigheden (bebouwing, verhardingen, begroeiing etc.) zijn de boringen zo gelijkmatig mogelijk over het plangebied verdeeld. Boring 1 is daarbij gezet in een lager gelegen deel van het plangebied waar op basis van de geomorfologische kaart een geul aanwezig zou kunnen zijn. Boring 2 en 3 zijn in de lager gelegen delen gezet die volgens de gemeentelijke verwachtingenkaart geen onderdeel zijn van het rivierduin. Dit zijn tevens de delen die op basis van het AHN minder zijn opgehoogd en waar de bodem mogelijk minder geroerd kan zijn. De exacte boorlocaties is uitgezet met een handheld GPS toestel. De hoogteligging van de boringen ten opzichte van NAP is geschat op basis van het AHN. De boringen zijn geplaatst met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. De boringen zijn uitgevoerd tot minimaal 20 cm in de C-horizont (het rivierduinzand). Indien onder het (verspoelde) rivierduinzand sprake was van een kleilaag is geboord met een guts met een diameter van 3 cm. Bij het merendeel van de boringen is getracht om tot 1,5 à 3,0 m door te boren om meer inzicht te krijgen in de geologische opbouw.

Het opgeboorde sediment is verbrokkeld en versneden en met het blote oog geïnspecteerd op de aanwezigheid van archeologische indicatoren zoals houtskool, vuursteen en aardewerk. De boringen zijn beschreven conform de NEN 5104 en de bodemclassificatie volgens De Bakker & Schelling (1989) (Bijlage 5). Aangezien tijdens het veldwerk duidelijk werd dat er geen sprake is van diepe bodemverstoringen is een inschatting gemaakt of karterende booronderzoek door middel van zeven haalbaar is als vervolgtraject. Bij de bovenste meter van boring 3 is daarom afgeweken van bovenstaande methode. Daar is geboord met een Edelmanboor met een diameter van 15 cm. Het op die manier opgeboorde sediment is gezeefd over een maaswijdte van 3 mm. 3.2

Veldsituatie

Tijdens het veldwerk zijn geen bijzonderheden waargenomen qua hoogteligging. De door een familielid van de eigenaar van het terrein aangegeven informatie over mestkelders is visueel bevestigd. 3.3

Beschrijving en interpretatie van de boorgegevens

3.3.1

Lithologie en geologie

In het opgehoogde centrum van het plangebied (boringen 4 en 6) bestond het sediment onder de humeuze ophoging tot de einddiepte van 1,2 à 1,6 m uit zwak tot matig siltig matig fijn tot zeer grof zand. De onderzijde was veelal zwak siltig en grof en voelde scherper aan dat de bovenzijde. Doordat in deze zones geen leem/kleilaag (Laag van Wijchen) is waargenomen is onduidelijk of het gaat om een hoger gelegen terrasrest (Formatie van Kreftenheye) of hetzelfde zand dat als een duin vanuit drooggevallen delen van het terras zijn afgezet (rivierduinzand, Laagpakket van Delwijnen, Formatie van Boxtel).

KSP Archeologie

25

In de niet opgehoogde noordwesthoek (boring 2) en zuidoosthoek (boring 5) van het plangebied was de bovenzijde van het zandpakket onder de bouwvoor tot ca. 110 cm-mv sterk siltig (lemig). Daaronder was zwak siltig matig grof tot zeer grof zand aanwezig. In de laagste delen van het plangebied in de zuidwesthoek (boring 1) en noordoosthoek (boring 3) was de situatie enigszins vergelijkbaar met boringen 2 en 5. Onder de sterk siltige/lemige zand is hier een sterk zandige leemlaag waargenomen tussen respectievelijk 80-190 cm en 90 en 270 cm-mv. In boring 1 is tussen 190 en 200 cm -mv hier nog een dun laagje matig grof zand waargenomen. Bij het gutsen tot 300 cm-mv kwam bij deze boringen de guts leeg terug, vermoedelijk loop het grove zand hier dieper door of komt daar grof zand voor. Het grove zand zou dan lithostratigrafisch gezien pleistoceen rivierzand zijn (Formatie van Kreftenheye) en de leemlaag daarboven de Laag van Wijchen. De leemlaag was niet humeus en daardoor niet typisch voor een geulvulling die in het zuidwesten van het plangebied verwacht zou kunnen worden. De meest aannemelijke verklaring voor het hoge leem/silitgehalte in de zandlaag die veelal onder de bouwvoor is waargenomen is verspoeling van de flank van het hoger gelegen pleistocene terras / rivierduin door een crevasse / oeverwaldoorbraak.

3.3.2

Bodem

Onder de deels opgebrachte humeuze lagen is in alle boringen een bruine laag waargenomen. In de boringen met (verstoven) pleistoceen zand is deze laag goed te duiden als een verbruiningshorizont (Bw-horizont) die op rivierduinen en hoger gelegen terrasresten voorkomt. Bij boring 4 was deze horizont zeker 30 cm dik, maar mogelijk 50 cm dik. Onder de bruine laag was een gebiorturbeerde laag (Bw/C-horizont) aanwezig van 20 cm waar de bruine laag vermengd was met het gele dieper gelegen zand (C-horizont). In boring 6 was de laag ca. 20 cm dik. Deze gronden zijn van nature als vorstvaaggrond te typeren. Door de dikte van de humeuze bovengrond van 50 à 60 cm zijn het technisch gezien enkeerdgronden. Het merendeel van deze ophoging hangt samen met ophogingen om het huidige erf op te hogen, waardoor het niet een typisch plaggendek te noemen is. Het lemige zand van de vermoedelijk door een oeverwaldoorbraak verspoelde flanken van een hoger gelegen zandig deel van het pleistocene rivierlandschap kan ook aan verbruining onderhevig zijn geweest. De verbruiningshorizont is hier echter net zo dik als door een oeverwaldoorbraak verspoelde flankafzetting. Er kan daarom ook sprake zijn van een verspoelde Bw-horizont. Grondwater is bij de boringen met een leemlaag waargenomen in de top van de leemlaag.

In de boringen waar enkel (lemig) zand voorkomt is geen grondwater waargenomen binnen 1,6 m-mv. Een Bw-horizont kan zich ook enkel vormen in een zone boven de grondwaterspiegel, omdat actief bodemleven daaronder niet aanwezig is. Waar de Bw-horizont net zo dik is als de lemige zandlaag van 110, 70, 180 en 90 cm in respectievelijk boringen 1, 2, 3 en 5 is dit echter geen aannemelijke diepte voor een Bw-horizont. Een (groot) deel van de bruine laag zal een verspoelde Bw-horizont zijn gemengd met klei en silt van een verspoelde oever. In de top kan sinds de verspoeling een Bw-horizont gevormd zijn. Op basis van Willemse (2006) heeft deze verspoeling waarschijnlijk plaatsgevonden in de Laat-Romeinse tijd. 3.4

Archeologische indicatoren

Bij de controle van het opgeboorde bodemmateriaal zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen die kunnen wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Het booronderzoek had overigens een verkennend karakter. De afwezigheid van archeologische indicatoren zegt dan ook niets over de kans dat een vindplaats binnen het plangebied aanwezig is.

KSP Archeologie

26

3.5

Toetsing van de archeologische verwachting

De opbouw in boringen 4 en 6 heeft een textuur en bodemkundige horizontopbouw die aansluit bij de archeologische verwachting uit het bureauonderzoek. Er lijkt sprake van een rivierduin, maar het is niet geheel uitgesloten dat er sprake is van een hoger gelegen terrasrestrug. Voor de archeologische verwachting maakt dit geen verschil. Rondom de rivierduin wordt op basis van de gemeentelijke archeologisch verwachtingskaart een overstoven crevasse verwacht. Op basis van de boringen lijkt er eerder sprake van een door een crevase(oeverwaldoorbraak) verspoelde top van een rivierduin of hoger gelegen terrasrestrug. In het zuidwesten of ten zuidwesten van het plangebied wordt een crevassegeul of een vroeg-Holocene restgeul verwacht. Het lemige pakket in het zuidwesten en noordoosten van het plangebied duidt op een overstromingsvlakte van restgeulen uit het Vroeg-Holoceen. Vuursteenvindplaatsen van jagers-verzamelaars bestaan voornamelijk uit strooiing van fragmenten vuursteen en ondiepe grondsporen, zoals haardkuilen, in de bovengrond van de oorspronkelijke verbruiningshorizont in het pleistocene zand. Het rivierduin of de terrasrestrug is sinds de afzetting in het Laat-Paleolithcum niet overdekt geraakt. In deze zone kunnen vuursteenvindplaatsen aanwezig zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10560059/1