Bijlage XII Archeologisch vooronderzoek Molenstraat te Heumen
Tekst van het document
Eco, ana ARCHEOLOGISCH BUREAUONDERZOEK EN VERKENNEND BOORONDERZOEK MOLENSTRAAT
TE HEUMEN GEMEENTE HEUMEN
Archeologie
Shas te
S
=
archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Molenstraat te Heumen
Opdrachtgever
Rapportnummer
18436.003
Versienummer'
2
Datum
Vestiging
24 oktober 2023
Brabant
ER Blocconsuttancy.nl Opsteller
5.1.2e
5.1.2e
cyemesweee, VIA en de heer drs.
Paraaf , |
Kwaliteitscontrole Paraaf
. “
}5.1.2e] 5.1.22 | MA 5.195.1 VA)
ae
© Econsultancy bv, Boxmeer Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) ‘Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.
wer \ Administratieve gegevens plangebied Projectcode
18436.003
Kadastrale gegevens
Gemeente Heumen, sectie C, nummer 2846
Omvang plangebied
Circa 2.760 m*
Kaartblad
46 A (1:25.000)
Coérdinaten centrum plangebied
X: 187.947/Y: 419.603
Bevoegde overheid
Gemeente Heumen
Kerkplein 6
6581 AC ERE ARCHIS3
Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.)
Bureauonderzoek
5269523100
Tel:
Email:
heumen.nl
Booronderzoek
5272552100
Archeoregio NOaA
Limburgs zandgebied
Beheer en plaats documentatie
Econsultancy, Boxmeer/ Provinciaal Archeologisch Depot Gelderland
Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOIA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid
Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.
Rapport 18436.003 versie 2
er \ SAMENVATTING
Econsultancy heeft in opdracht van in juni 2022 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Het plangebied is gelegen aan de Molenstraat te Heumen in de gemeente Heumen. In het plangebied zullen woningen worden gerealiseerd. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vioeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden. Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen.
Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Uit het onderzoek is een middelhoge verwachting gekomen voor de perioden Laat-Paleolithicum t/m Neolithicum en Vroege-Middeleeuwen. De Bronstijd t/m Romeinse tijd, Late-Middeleeuwen en Nieuwe tiid hebben een hoge archeologische verwachting gekregen. Resultaten inventariserend veldonderzoek
Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) blijkt dat de bodemopbouw in het plangebied een uniform beeld oplevert. De top bestaat uit een bruingrijze bouwvoor die circa 50 tot 70 centimeter dik is. Vanwege het gebruik als landbouwgrond bevindt zich onder de bouwvoor een geel bruin gevlekte ploeglaag. In de ploeglaag zijn brokken van waarschijnlijk een B-horizont waargenomen. Op een diepte van 50 tot 70 centimeter onder het maaiveld bevindt zich de C-horizont. Deze bestaat uit bruingrijs, matig fijn, sterk siltig, zwak grindig zand. De sedimenten van de C-horizont kunnen als glaciofluviale afzettingen worden geinterpreteerd. Conclusie
Uit het booronderzoek blijkt dat circa 0,50 tot 0,70 m -mv is verploegd. In deze bovenste laag konden archeologische indicatoren uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd voorkomen. De eerder opgestelde hoge archeologische verwachting is daarom na het booronderzoek bijgesteld naar middelhoog, omdat deze archeologische overblijfselen door verploeging zijn verstoord. De in het bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting Dlijft voor de perioden Paleolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen hetzelfde, omdat deze resten dieper in de bodem worden verwacht.
Rapport 18436.003 versie 2
coho
Advies
Gezien de in dit onderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een waarderend proefsleuvenonderzoek. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Bovenstaand betreft een advies, opgesteld door Econsultancy. Het advies dient ter goedkeuring voorgelegd te worden aan de bevoegde overheid (gemeente Heumen). Na beoordeling wordt door de bevoegde overheid een besluit genomen.
Rapport 18436.003 versie 2
coho
INHOUDSOPGAVE
2.1 222 2.3.
2.5
Doelstelling en onderZoekSVragen ......... cece cece eeeeeeeeeeceeeseaeeeeetseeteettettteeteeeeesteeee T (MOthOd OR éesssiivsceccdeesasteaceitesuai elated s wesncleatve atceedaas thea cae veues ake tidenon aati | Afbakening en huidige situatie van het plangebied..0...... eet 2 ~“TOGKOMSTGES Sitlalle si cesevecssvsecviesssicecd ae cdivuesteeiapvaticets aaeckeavesncaisstvaceeeesercestedenctavecciceesseee4 Aardwetenschappelijke QEQeVeNns 00... ce eeeeeceeeeneeeeeeceeeereeereeeseeesaeenaessaeesaeeseeeeesnteees@
2.7. 2.8 2:9:
Beschrijving van het historische gebruik ..0..... eee eee cece ecee cee cee testes seetneeteeeneees OD Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel .............c ee cece eee cee teeter eee 12 “COnclusie: DULEAUONACIZOCKccetcdssestheacteseedacarstvadsranssiaavesestiacttisceacstae dette aacoessenrensttada
2A.
2.6
3
Archeologische Waarden ..........cccceeccecseeceeseeceneeeceeeecseeeseeceereesaeesseeeessaseesseesstesssseesereessee
INVENTARISEREND VELDONDERZOEE......00....0
cece cee e cee eee te eee teeee tte n teense TD
3.1 Doelstelling en onderZoekSvragen ......... eee eect cence eteee teeters eeeetereseeeteressestesene TO BZ, - HIVIGUNOC Sick, seacesetet es astetae cca arecetssenezs Stat eek ocetec tee cme gteh oths eee eae es tee ae feat Shee cl) 3.3 Conclusie veldonderZoek........... ees eeecceesceeeseeeeeacecnsneeeccecesneeeaaeseeeeesaeeeeaeesnseeteeeesseeeereee 16 4
CONCLUSIE: EN: ADVIES: Acciona A
Rapport 18436.003 versie 2
ola
elo a i
es eee vce Uh
coho QR LIJST VAN TABELLEN
Tabel I. Tabel Il. Tabel Ill. Tabel lV. Tabel V.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Gespecificeerde archeologische verwachting Hoofdlijn bodemopbouw
LIJST VAN AFBEELDINGEN
Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3.
Het plangebied op de topografische kaart (1:25.000). Het plangebied op de kadastrale kaart. Het plangebied op een luchtfoto uit 2022.
Figuur 5. Figuur 6.
Het plangebied op de geomorfologische kaart. Het plangebied op het actueel hoogtebestand (AHN3).
Figuur 9. Figuur 10. Figuur 11. Figuur 12. Figuur 13. Figuur 14. Figuur 15. Figuur 16. Figuur 17.
Het plangebied op de Kadastrale Minuutkaart uit 1817. Het plangebied op de Militaire topografische kaart uit 1870. Het plangebied op de Militaire topografische kaart uit 1899. Het plangebied op de Militaire topografische kaart uit 1931. Het plangebied op de Topografische kaart uit 1950. Het plangebied op de Topografische kaart uit 1970. Het plangebied op de Topografische kaart uit 1990. Het plangebied op de Topografische kaart uit 1990. Boorpunten geprojecteerd op een luchtfoto uit 2022.
Figuur 4. — Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart.
Figuur 7. | Het plangebied op de bodemkaart. Figuur 8. | Archeologische waarden en onderzoeken in de omgeving van het plangebied.
BIJLAGEN
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken AMk-terreinen Onderzoeksmeldingen
Bijlage 5
Bewoningsgeschiedenis van Nederland
Bijlage 7
Boorprofielen
Bijlage 4 | Vondstmeldingen
Bijlage6 = AMZ-cyclus
Rapport 18436.003 versie 2
wer \ 1.
INLEIDING
Econsultancy heeft in opdracht van een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Molenstraat te Heumen in de gemeente Heumen (zie figuur 1). De initiatiefnemer heeft voornemens twee woningen binnen het plangebied te realiseren. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4).
Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in juni 2022 door [EEE ERT MA (Archeoloog)
en EEE troleerd door
2
eeeleccme SEEMS
(Senior KNA Prospector en Senior KNA Archeoloog). Het rapport is geconeeeeecmeee, VIA (Senior KNA Prospector en Senior KNA Archeoloog).
BUREAUVUONDERZOEK
2.1.
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappeliike, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. 2.2
Methoden
Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24-05-2018) en conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Ne-
derlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24-05-2018, protocol 4002), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LSO5. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06.2
Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht: >
>
afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LSO2);
2 SIKB.
Rapport 18436.003 versie 2
Pagina1 van 20
er \ > >
>
beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).
Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd:
> > > >
het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMk); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket);
>
literatuur en historisch kaartmateriaal;
> >
bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000);
>
recente luchtfoto’s;
>
het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN);
oe > >
2.3
de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Gelderland; de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Heumen; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging.
Afbakening en huidige situatie van het plangebied
Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 500 meter rondom het plangebied.*
Het plangebied, Circa 2.760 m2, ligt aan de Molenstraat, ongeveer 0,7 kilometer ten oosten van de kern van Heumen in de gemeente Heumen (zie figuur 1 en figuur 2). Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich in het noordwesten van het plangebied op een hoogte van circa 12,2 m +NAP. In het noorden ligt een lager gelegen strook op 9,7 m +NAP. Het overige gedeelte van het plangebied ligt gemiddeld op 10,0 m +NAP. Het gebied is kadastraal bekend als gemeente Heumen, sectie C, nummer 2846. Volgens de topografische kaart van Nederland, 46 A (1:25.000), zijn de coérdinaten van het midden van het plangebied X: 187.947/ Y: 419.603.
Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens.
3 Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied.
Rapport 18436.003 versie 2
Pagina 2 van 20
wer \ De onderzoekslocatie betreft een (voormalig) agrarisch perceel. In de directe omgeving liggen woonhuizen met tuinen, begraasde weides en agrarische percelen (zie figuur 3).
Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan ‘Buitengebied, Lierdal gemeente Heumen’ (vastgesteld op 26-03-2015). Volgens dit bestemmingsplan heeft het plangebied een dubbelbestemming Waarde — Archeologische verwachting 1. Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 40 cm beneden maaiveld.+
Volgens de archeologische beleidskaart van gemeente Heumen ligt het plangebied in een zone met een hoge archeologische verwachting (zie figuur 4).°
Huidig milieuonderzoek Gelijktijdig met het archeologisch bureauonderzoek is er voor het plangebied een milieuhygiénisch bodemonderzoek uitgevoerd door Econsultancy (rapportnummer: 18436.002). De resultaten van het milieuhygiénisch bodemonderzoek waren ten tijde van het uitvoeren van dit archeologisch onderzoek nog niet bekend.
Provincie Gelderland Omgevingsrapportage Provincie Gelderland Omgevingsrapport geeft inzicht in maatregelen die de afgelopen jaren getroffen zijn om de bodemkwaliteit in Gelderland in kaart te brengen (bodemonderzoek) of te herstellen (bodemsanering). Ook laat de Omgevingsrapportage zien waar vroeger (bedrijfs-) activiteiten hebben plaatsgevonden die extra aandacht verdienen. Daarnaast worden op de Omgevingsrapportage voormalige potentieel bodembedreigende bedrijfsactiviteiten weergegeven. Het raadplegen van Provincie Gelderland Omgevingsrapport geeft voor het plangebied aan dat geen
informatie is aangetroffen.® 2.4
Toekomstige situatie
Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. De initiatiefnemer is voornemens de bestemming van het perceel te wijzigen om op de locatie twee
woningen te realiseren. De bouwkavels zullen elk 950 m? zijn. Verdere bouwplannen, waaronder de
4 Portaal voor Ruimtelijke Plannen; Omgevingsrapportage provincie Gelderland. 5 Keunen et al. ® Bodemloket.
Rapport 18436.003 versie 2
Pagina 3 van 20
wer \ diepte van de verstoring, zijn nog niet bekend. De geplande werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord.
2.5
Aardwetenschappelijke gegevens
Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel I.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied
Geologie’
Formatie van Drenthe (DR), Laagpakket van Schaarsbergen (NUDRSC), glaciofluviale
afzettingen (grof zand en grind)
Landschappelijke ontwikkeling Het plangebied ligt in het Rijk van Nijmegen, op de overgang van de stuwwal van Nijmegen naar het dal van de Maas. De stuwwal van Nijmegen is gevormd tijdens de voorlaatste ijstijd, het Saalien (375.000 — 130.000 jaar geleden) en bestaat uit door Scandinavisch landijs opgestuwde Pleistocene rivierafzettingen. Tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien (115.000 — 10.000 jaar geleden) worden op de flanken van de stuwwal sneeuwsmeltwaterafzettingen van de Formatie van Boxtel afgezet. In het laatste deel van het Weichselien, het Laat-Pleniglaciaal (13.000 — 10.000 jaar gelden) wordt op de smeltwaterafzettingen een dunne laag dekzand (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden) afgezet.
Sinds de vorming van de stuwwal in het Saalien stroomt de Maas en soms ook de Rijn (Niersdal-Rijn) ten zuidwesten van de stuwwal. De Maas ligt op circa 470 meter van het plangebied. Gedurende het Pleniglaciaal (73.000 — 13.000 jaar geleden), het koudste deel van het Weichselien (115.000 — 11.600 jaar geleden) ontstaat hier een brede rivierviakte, waarin grof zand en grind wordt afgezet. Deze afzettingen worden tot de Formatie van Kreftenheye gerekend. Deze formatie wordt beschreven als geelgrijs tot grijsbruin matig tot uiterst grof zand en is matig tot sterk grindhoudend met plaatselijk fijn tot zeer
grof grind. Daarnaast komen in mindere mate siltige kleilagen voor, met sporadische kleiige veenlaag-
jes. Door een combinatie van tektonische opheffing, zeespiegelfluctuaties en veranderingen in sediment ontstaan rivierterrassen. De rivier snijdt zich in zijn eigen rivierviakte in en er ontstaat een nieuwe rivierviakte op lager niveau. De restanten van de oudere riviervlakte blijven dan achter als terrasresten, die hoger liggen dan de jongere riviervlakte.
7 De Mulder et al., 2003.
® Wageningen Environmental Research, 2017. ° Stichting voor Bodemkartering, 1976.
Rapport 18436.003 versie 2
Pagina 4 van 20
er \ Het plangebied ligt volgens de beddinggordelkaart op een Laat-Pleniglaciaal terras. Dit is gevormd tijdens het Laat-Pleniglaciaal, tussen 20.000 en 13.000 jaar geleden. Dit terras wordt ook wel het Laagterras genoemd.
DINO"® Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO.
In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd.’' Hieruit blijkt dat de ondergrond in een boring ten noordoosten van het plangebied tot 1,20 m -mv bestaat uit fiin zand. Hieronder zit tot 5,10 -mv matig grof, sterk siltig zand. Daarna volgt tot 11,00 m -mv een grove categorie zand welke sterk siltig is. Vanaf 13,30 m -mv zit een kleiige, matig humeuze, sterk zandige leemlaag. De laag daaronder bestaat uit matig grof, sterk zandig zand. Kijkend naar de geomorfologische kaart ligt de boring in een eerdere glooiing van sneeuwsmeltwaterafzettingen. Een tweede boring ten westen van het plangebied heeft tot 2,80 m -mv lagen zwak tot matig humeus, sterk siltig klei welke tot 1,50 m -mv zwak zandig is en daaronder sterk zandig. Onder deze laag zit uiterst grof, sterk grindig, zwak siltig zand. De onderste laag bestaat uit zwak humeus, zwak zandig, sterk siltig klei. Een soortgelijike ondergrond is in het plangebied te verwachten. De locatie van deze boring is namelijk ook te karteren als terrasvlakte, afgezet op een brede rivierviakte gedurende het Pleniglaciaal. Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) geeft de mate van reliéf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied binnen een terrasvlakte (M42) (zie figuur 5).
Soms bevat een terrasvlakte een duidelijk patroon van meanderende geulen en tussenliggende hogere
vlakke delen.’? De terrasviakte is ontstaan tijdens het Pleniglaciaal, door een combinatie van tektonische opheffing, zeespiegelfluctuaties en veranderingen in sediment. De rivier snijdt zich in zijn eigen rivierviakte in en er ontstaat een nieuwe rivierviakte op lager niveau. De restanten van de oudere riviervilakte blijven achter als terrasresten, die hoger liggen dan de jongere riviervlakte.
Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)**
Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliéf in het plangebied.
1° Dinoloket. DINO boornummers B46A0044 en B46A1563.
12 NGR/Wageningen Environmental Research.
13, AHN.
Rapport 18436.003 versie 2
Pagina 5 van 20
er \ Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich in het noordwesten van het plangebied op een hoogte van circa 12,2 m +NAP. In het noorden ligt een lager gelegen strook op een hoogte van 9,7 +NAP. Het overige gedeelte van het plangebied ligt gemiddeld op 10,0 m +NAP. Op de AHN is te zien dat het plangebied ten westen van een stuwwal ligt. Deze stuwwal is tijdens het Saalien gevormd en bestaat uit door Scandinavisch landijs opgestuwde Pleistocene rivierafzettingen. De stuwwal bereikt op sommige locaties een hoogte van ruim 75 m +NAP. Het plangebied ligt op een laag gelegen gebied aan de voet van de stuwwal op circa 10 m +NAP. Bodemkunde™
Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied gekarteerd als oude rivierkleigronden (KRd1) (zie figuur 7). Dit zijn hooggelegen gronden in het oude rivierkleilandschap langs de Maas en de Niers. Plaatselijk komt reliéf voor, veroorzaakt door twee tot drie meter diepe, ingesneden erosiegeulen, waarin veengronden of laaggelegen kleigronden worden aangetroffen.
De gronden hebben een 25 tot 30 cm dikke, donker grijsbruine bouwvoor met 2 tot 3% humus. Hieronder zijn ze tot meer dan 120 cm diepte bruin tot geelbruin van kleur. Soms komen vanaf 70 tot 80 cm diepte roestviekken en mangaanconcreties voor. Vrijwel overal bevatten de gronden op 100 tot 120 cm diepte 8 tot 12% lutum. De gronden zijn gevoelig voor verslempen van de bovengrond waarbij na opdroging gemakkelijk korstvorming optreedt. Onder de bouwvoor hebben de gronden vaak een verdichte ploegzool. Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte viekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) weergegeven.
Tabel Il geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de
grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van| tot VII van respectievelijk ex-
treem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. Tabel Il.
Grondwatertrappenindeling'”
Grondwater-
trap
IV
v
vi
vil"
Vill
Cec CC Cre Ea CX ")
Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld
Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI, VIl en VIII) zijn Zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. Ook is het Stichting voor Bodemkartering, 1976. ‘5 Locher & De Bakker, 1990.
Rapport 18436.003 versie 2
Pagina 6 van 20
er \ grondwaterpeil een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten, hoe beter de ontwatering hoe slechter de conservering. Het plangebied bevindt zich in een gebied dat wordt gekenmerkt met een grondwatertrap VII. Voor zones met grondwatertrap VII en bodemtype KRd1 gelden overwegend zeer ruime mogelijkheden voor kleivruchtwisseling (grote oogstzekerheid) en kleigrasland. Daarnaast zijn de gronden ook goed geschikt voor loof- en naaldhout. Vanwege de diepe grondwaterstand is niet te verwachten dat de toekomstige bebouwing het grondwaterpeil zal beinvloeden. 2.6
Archeologische waarden
Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).'® In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 8. Hierop staan de in ARCHIS geregistreerde AMK-terreinen, waarnemingen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen binnen een straal van 500 meter weergegeven. Aangezien de gemeentelijke beleidskaart een hoger detailniveau heeft dan de landelijke IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarde) is de IKAW voor het onderzoek niet geraadpleegd. Cultuurhistorische Waardenkaart Provincie Gelderland "’
De Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Gelderland geeft inzicht in de archeologische, historisch-stedenbouwkundige en de historisch-geografische waarden van de regio.
Volgens de CHW-kaart van de provincie Gelderland heeft het plangebied geen trefkans op de aanwezigheid van archeologische waarden. Wel geeft de CHW-kaart aan dat aan de overkant van de straat van de noordoostelijke hoek van het plangebied een beschermd monument pand staat welke een nijverheids- en industriéle functie had. Daarnaast ligt het plangebied in een gebied waar, in het verleden, op de hogere plateaus werd ontgonnen.
AMk-terreinen binnen het onderzoeksgebied"™ De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde). Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieén; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Het plangebied ligt niet binnen een AMK-terrein. Binnen het onderzoeksgebied ligt én AMK-terrein ten oosten van het plangebied (zie bijlage 2 en figuur 8). Het AMK-terrein (nummer 43) binnen het onderzoeksgebied geeft aan dat er menselijke activiteiten hebben plaatsgevonden in de Late-Bronstijd tot en met de Romeinse tijd. Zo zijn in het AMK-terrein
16 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. ‘7 Geoportaal Gelderland. 18 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort.
Rapport 18436.003 versie 2
Pagina 7 van 20
wer \ resten van een urnenveld, nederzetting en een Romeinse weg aangetroffen. Daarnaast is aardewerk van de Nederrijnse grafheuvel-cultuur aangetroffen.
In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksqgebied"® Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal elf archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat daarbij om bureauonderzoeken, booronderzoeken (verkennend/karterend), proefsleufonderzoeken en opgravingen (zie bijlage 3 en figuur 8).
Onderzoeksmeldingsnummer 222704010079 Aan de Molenstraat te Heumen is op 70 meter ten noorden van het plangebied een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Bij het archeologische booronderzoek is in het westelijk deel van het plangebied zandig oud (en aan het opperviak waarschijnlijk ook jonge) rivierklei aangetroffen met daaronder vanaf 40-80 cm -mv zwak grindhoudend, matig grof rivierzand. In de sterk zandige rivierklei zijn ooivaaggronden ontwikkeld. Het bodemprofiel was, met uitzondering van boring 12 en 18, intact. In het oostelijk deel van het plangebied zijn grindhoudende, matig grove hellingafzettingen aanwezig. Het plaggendek was bruin van kleur en had een dikte van 60-120 cm, waarbij het plaggendek in het uiterste oosten het dikste was. Naar het westen toe werd het plaggendek dunner en kleiiger. De oorspronkelijke podzolgrond was niet meer onder het plaggendek aanwezig. In geen van de boringen zijn indicatoren aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor het plangebied geen vervolgonderzoek geadviseerd.
Onderzoeksmeldingsnummer 2312244100?!
Aan de| 5.1.22 | 5.1.20 | 105 meter ten oosten van het plangebied, is een bureau- en booron-
derzoek uitgevoerd. Uit het bureauonderzoek volgde een hoge verwachting voor alle perioden. Tijdens het veldonderzoek is in boring 2 in het onderste deel van het eerddek een fragment aardewerk uit de Romeinse tijd aangetroffen. Aangezien het fragment in het onderste deel van het eerddek is aangetroffen ligt het waarschijnlijk niet in situ, maar is het tijidens de bemesting van het land tijdens de Middeleeuwen opgebracht. De aanwezigheid van het fragment wijst echter wel op de aanwezigheid van menselijke activiteiten in de omgeving van het plangebied en mogelijk ook ter plaatse van het plangebied. Daarom blijft de hoge verwachting voor de perioden Neolithicum tot en met de Middeleeuwen bestaan, waarbij er met name resten uit de perioden Romeinse tijd tot en met de Middeleeuwen worden verwacht. Vanwege de sporen van recente vergraving van de bovenste 55 a 115 cm van het bodemprofiel is de hoge verwachting voor de Nieuwe tijd bijgesteld naar laag. Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor het plangebied geen vervolgonderzoek noodzakelijk geacht, mits er niet wordt afgeweken van de voorgenomen plannen in huidige vorm. Het toekomstige appartementencomplex komt grotendeels op dezelfde plek te staan als de huidige bebouwing.
In de rest van het plangebied, waar een archeologisch kansrijke laag is aangetroffen zijn alleen garageboxen gepland, die niet diep gefundeerd worden. Dit betekent dat de archeologisch kansrijke laag in situ behouden kan blijven. Wetenschappelijke publicaties, archieven en provinciaal archeologisch depot
19 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. 20 Archeologisch informatiesysteem Archis3, geen rapportage beschikbaar.
21 Leuvering & ES 2014. Rapport 18436.003 versie 2
Pagina 8 van 20
wer \ In het kader van dit bureauonderzoek zijn wetenschappelijke publicaties in de vorm van archeologische rapporten geraadpleegd. Daarnaast is het bouwarchief geraadpleegd. Het archeologisch depot is niet
geraadpleegd, aangezien dit geen meerwaarde zou hebben voor het onderzoek. Vondstmeldingen binnen het onderzoeksgebied”
In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan vijf vondstmeldingen geregistreerd (zie bijlage 4 en figuur 8).
De vondsten die rondom het plangebied zijn gedaan laten zien dat er menselijke activiteiten hebben plaats gevonden in het onderzoeksgebied in de perioden lJzertijd, Romeinse tijd en de Nieuwe tijd. 2.7.
Beschrijving van het historische gebruik
In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegen- en Kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de tweede helft van de 20° eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van voor de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld.
Korte bewoningsgeschiedenis van Heumen”? In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 5.
Heumen ligt op een hooggelegen Pleistoceen rivierterras tussen het Holocene rivierenlandschap in het westen en het fluvioglaciale landschap van de stuwwal en spoelzandwaaiers in het oosten. Daarmee neemt het aardkundig een heel eigen positie in ten opzichte van de omgeving. Op het rivierterras ontwikkelde zich langs de Dorpsstraat een bewoningskern rond de Georgiuskerk. Deze kerk werd aanvankelijk gesticht als kapel die resorteerde onder de kerk van Overasselt. De stichting heeft zeer waarschijnlijk plaatsgevonden in de 13° eeuw door de heren van Heumen. Dat blijkt niet
alleen uit het feit dat het de status van kapel had, maar ook omdat [ERS een typisch laatmiddel-
eeuwse ridderheilige was. De heren van Heumen hadden het patronaatsrecht. In de vroege 15° eeuw werd de kapel tot kerk verheven en ontstond de parochie Heumen. Rond deze kerk ontwikkelde zich een nederzetting van ambachtslieden en ‘kleine luiden’. De neogotische kerk in Heumen brandde in 1944 af; de huidige kerk werd in 1952 in gebruik genomen en is een ontwerp van uit Vught. Heumen kende een lokale elite, die in de 13° eeuw in schriftelijke bronnen wordt aangeduid als ‘ridder’. Mogelijk zijn dit ministerialen van de abdij Saint-Valéry-sur-Somme geweest. Meer weten we over de heren van Groesbeek, die tussen 1343 en 1348 de heerlijkheid Heumen verwierven. Zij lieten tevens
het kasteel te Heumen bouwen en droegen dat op aan hertogl5.1.2e] 5.1.2e J die hen er vervolgens
in 1402 mee beleende. Heumen, Malden en Groesbeek waren toen verenigd in een personele unie.
22 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort. 23 Willemse, 2006.
Rapport 18436.003 versie 2
Pagina 9 van 20
er \ Vermoedelijk is het kasteel in 1809 en 1880 in twee fasen gesloopt. In 1939 verdween het laatste bijgebouw.
De rivierduinen van de Overasseltse en Hatertse Vennen vormen een bijzonder landschap te midden van een verder overwegend open rivierenlandschap. Anders dan de Wijchense Boskant was dit gebied in de loop van de Nieuwe tijd vrijwel volledig ontbost geraakt. In het tweede kwart van de 19° eeuw was het een vrij open heidelandschap met veel natte laagten en vennen. Alleen bij Heumen en aan de zuidwestrand van het gebied kwam opgaand bos voor. Tussen 1909 en 1931 raakte het gebied bedekt met naaldbos. Er was sprake van actieve ontwatering en grootschalige bebossing met grove den. Delen van het gebied werden in landbouwgrond omgezet. Historisch kaartmateriaal
De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel Ill.
Geraadpleegd historisch kaartmateriaal
Kadastrale minuut*
Periode
Kaartblad
Omschrijving plangebied
1817
Gemeente | 1:2.500 Heumen,
Het plangebied is in gebruik als | Ten noorden van het plangebouwland. bied loopt een weg, de huidige
Sectie C, Blad 01
Bijzonderheden/directe om-
geving
Molenstraat. De huidige N271 loopt ten oosten van het plangebied. De omliggende kavels zijn veelal in gebruik als bouwland.
Militaire topografische kaart?®
1870
572
1:50.000 | Binnen het plangebied is langs | Ten noord- en zuidoosten zijn de zijde aan de Molenstraat
de Molenweg en N271 ver-
telijke grens van het plangebied bestaat uit een onverharde weg.
plangebied zijn meerdere gebouwen aanwezig, met name langs de wegen.
bebouwing aanwezig. De oos-_ | hard. In de omgeving van het
Militaire topografische kaart
1899
572
1:50.000 | Net binnen of buiten het plangebied is een gebouw bijge-
Afwisselend weidegrond en bouwland. Meer gebouwen
bouwd. Daarnaast is het plan- | langs de huidige N271.
gebied in gebruik als grasland.
Militaire topografische kaart
1931
572
1:50.000 | Geen gebouwen binnen het
Vergelijkbaar met 1899.
Topografische kaart
1950
46A
1:25.000 | Net binnen of buiten het plan-
Steeds meer grasland en min-
Topografische kaart
1970
46A
1:25.000 | Binnen het plangebied is tegen | Vergelijkbaar met 1950.
Topografische kaart
1990
46A
1:25.000 | Het plangebied is in zijn geheel | Vergelijkbaar met 1970.
Topografische kaart
2019
46A
1:25.000 | Geen veranderingen ten op-
plangebied aanwezig.
gebied (noordwestelijke punt) is een gebouw aanwezig.
der bouwland. Daarnaast zijn rond het plangebied meer gebouwen bijgebouwd.
de Molenstraat een gebouw bijgebouwd.
in gebruik als grasland. Er zijn geen gebouwen aanwezig.
zichte van 1990.
Ten noordoosten van het plangebied is een woonwijk gebouwd.
4 Beeldbank Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. 5 Topotijdreis (bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel).
Rapport 18436.003 versie 2
Pagina 10 van 20
wer \ Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal is bekend dat het plangebied zeker vanaf het begin van de 19° eeuw in gebruik was als bouwland (zie figuur 9 t/m figuur 16). In 1870 is langs de Molenstraat bebouwing aanwezig, waar op de kaart van 1899 een gebouw is bijgekomen. Deze gebouwen zijn in 1931 niet meer op de historische kaarten aanwezig. Vanaf 1899 wordt het plangebied niet meer gebruikt als bouwland, maar als grasland. Vanaf 1950 is op het randje van het plangebied een gebouw aanwezig, het is niet met zekerheid te zeggen of dit gebouw net binnen of buiten het plangebied is gebouwd. In 1970 is een gebouw langs de Molenstraat aanwezig. Op de kaart van 1990 is te zien dat het plangebied in gebruik is als grasland en dat alle bebouwing is verdwenen. Dit is tot de kaart van 2019 het geval. Op de kaart van 1817 staan de huidige Molenstraat en N271 al aangegeven. Deze straten zijn vanaf 1870 verhard. De kavels rond het plangebied zijn in 1817 veelal in gebruik als bouwland, welke vanaf 1950 steeds meer veranderen naar grasland. Vanaf 1870 verschijnen in het steeds meer gebouwen. Deze liggen met name langs de huidige Molenstraat en N271. Op de kaart van 2019 is te zien dat ten noordoosten van het plangebied een woonwijk is gebouwd.
Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Het plangebied ligt niet binnen een 50 m attentiezone van zowel rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten als een MIP monument.
Bouwhistorische gegevens Bij de gemeente Heumen is bij het gemeentelijk archief een aanvraag gedaan tot inzage van bouwdossiers voor de bebouwing binnen het plangebied. Binnen het tijdsbestek van het opstellen van het bureauonderzoek is op deze aanvraag geen reactie gekomen.
Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. Van de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) wordt duidelijk dat het plangebied midden in het operatieterrein ligt waar Operatie Market Garden is uitgevoerd. Operatie Market Garden was een grootschalig Geallieerd offensief met als doel de vestiging van een bruggenhoofd ten noorden van de NederRijn tussen Arnhem en het IJsselmeer om de Duitse troepen in het westen van Nederland af te snijden. Ten westen van het operatieterrein ligt de Maaslinie. De Maaslinie diende als vertragingslinie om het Nederlandse leger de tijd te geven de achterliggende Peel-Raamstelling in gereedheid te brengen.6 Het plangebied ligt tussen drie locaties waar munitie onschadelijk is gemaakt. Daaromheen zijn meer locaties bekend waar hetzelfde heeft plaatsgevonden.?’ Uit deze bronnen blijkt dat in het plangebied archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog te verwachten zijn. Aanvullende informatie
Heemkunde Vereniging Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de plaatselijke Heemkundevereniging Heemkunde Malden (d.d. 16-06-2022) , maar hiervan is geen reactie ontvangen. 26 Indicatieve kaart Militair Erfgoed. 27 VEO Bommenkaart.
Rapport 18436.003 versie 2
Pagina 11 van 20
er \ 2.8
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel
Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel IV.
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Gespecificeerde verwachting
(Laat-)Paleolithicum
Middelhoog
Mesolithicum
Middelhoog
Neolithicum
Middelhoog
Te verwachten complextype/resten
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
Kampementen, vuursteenstrooiingen en | In de top van de glaciofluviale afzettin-
vuurstenen gebruiksvoorwerpen
gen en/of terrasviakte met eventuele Holocene overstromingsklei
Kampementen, vuursteenstrooiingen en | In de top van de glaciofluviale afzettin-
vuurstenen gebruiksvoorwerpen
gen en/of terrasviakte met eventuele Holocene overstromingsklei
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, In de top van de glaciofluviale afzettingrafvelden, rituele plaatsen: kleine frag- | gen en/of terrasviakte met eventuele menten aardewerk, natuursteen en vuur- | Holocene overstromingsklei stenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen
Bronstijd
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen,
In de top van de glaciofluviale afzettin-
grafvelden, rituele plaatsen: kleine frag- | gen en/of terrasviakte met eventuele menten aardewerk, natuursteen en vuur- | Holocene overstromingsklei stenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
lJzertijd
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen, In de top van de glaciofluviale afzettingrafvelden, rituele plaatsen: kleine frag- | gen en/of terrasviakte met eventuele menten aardewerk, natuursteen, metaal- | Holocene overstromingsklei resten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Romeinse tijd
Hoog
Akkerlaag en/of nederzettingssporen,
In de top van de glaciofluviale afzettin-
grafvelden, rituele plaatsen: kleine frag- | gen en/of terrasviakte met eventuele menten aardewerk, natuursteen, metaal- | Holocene overstromingsklei resten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen
Vroege-Middeleeuwen
Middelhoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaal-
In de top van de glaciofluviale afzettin-
gen en/of terrasviakte met eventuele
resten, glasresten, houtskool, botresten, | Holocene overstromingsklei
organische resten en gebruiksvoorwerpen
Late-Middeleeuwen
Hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaal-
In de top van de glaciofluviale afzettingen en/of terrasviakte met eventuele
resten, glasresten, houtskool, botresten, | Holocene overstromingsklei
organische resten en gebruiksvoorwerpen
Nieuwe tijd
Hoog
Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaal-
Onder maaiveld / In de top van de glaciofluviale afzettingen en/of terrasvlakte
organische resten en gebruiksvoorwer-
klei
resten, glasresten, houtskool, botresten, | met eventuele Holocene overstromingspen
Rapport 18436.003 versie 2
Pagina 12 van 20
er \ Uit de landschappelijke ligging op een overgang van een terrasviakte naar een daluitspoelingswaaier, blijkt dat het plangebied vanaf het Paleolithicum gunstig is geweest voor jagers en verzamelaars en vanaf het Neolithicum voor landbouwers. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied sporen van menselijke activiteit zijn waar genomen uit de IJzertijd, Bronstijd, Romeinse tijd en Nieuwe tijd.
Door archeologisch onderzoek is er een goed beeld van waar de jagers en verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jagers en verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie. Ze leefde van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels. Dit soort voedsel was met name te vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte gronden, de gradiéntzone, en dichtbij water, zoals vennen en beken. Op dit soort locaties was ook drinkwater bereikbaar.2® Het plangebied ligt op 500 meter van de Maas en op een hooggelegen
terrasviakte. Dit is een gunstige locatie geweest voor jagers en verzamelaars, echter zijn in het onder-
zoeksgebied geen archeologische resten uit deze periode aangetroffen. Daarom is de verwachting voor het Paleolithicum en Mesolithicum middelhoog. Voor de landbouwers zijn andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie. Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor. Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en een
goede afwatering van belang.”9 De locatie van het plangebied is gunstig voor de landbouwers, namelijk in een hoger gelegen gebied. Echter is er geen indicatie aangetroffen wat wijst op de aanwezigheid van de landbouwers. Daarom heeft deze periode een middelhoge verwachting gekregen. De Bronstijd tot en met de Vroege-Middeleeuwen tijd hebben een hoge verwachting gekregen. Binnen het onderzoeksgebied ligt een AMK-terrein waar archeologische resten uit de Late-Bronstijd, lJzertijd en Romeinse tijd zijn aangetroffen. Vanaf de Middeleeuwen zijn schriftelijke bronnen bekend die de bekende locatiekeuzes en archeologische gegevens kunnen aanvullen. Vanaf de 13° eeuw wordt de locatie langs kruisingen en splitsingen van doorgaande en lokale wegen ook van belang voor de locatiekeuze van een nederzetting. Deze
nederzettingen kunnen zijn gegroeid tot de hedendaagse gehuchten en woonkernen.*° In de Late-Middeleeuwen is Molenhoek mogelijk een klein gehucht geweest, bestaande uit enkele huizen (‘Hooven’) langs de verbindingsroute Nijmegen-Gennep. Daarom hebben de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd een hoge verwachting gekregen.
De archeologische resten worden verwacht onder het bouwvoor en in de C-horizont en in de top van de oorspronkelijke C-horizont (glaciofluviale afzettingen). Aan en direct onder het maaiveld worden archeologische resten verwacht uit de Nieuwe tijd. De vondstenlaag van deze resten zal zich niet dieper bevinden dan circa 30 cm beneden het maaiveld. Archeologische sporen worden verwacht in de top van de C-horizont. Organische resten en metaal zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. Bodemverstoring
+
it 2005.
29 ERS weerme ct al. 2005. 8° Renes, 1999.
Rapport 18436.003 versie 2
Pagina 13 van 20
wer \ Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als bouwland en grasland. Daarnaast hebben enkele gebouwen in het plangebied gestaan. Door ploegen en bouwactiviteiten kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, mogelijk verloren zijn gegaan.
2.9
Conclusie bureauonderzoek
Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Uit het onderzoek is een middelhoge verwachting gekomen voor de perioden Laat-Paleolithicum t/m Neolithicum en Vroege-Middeleeuwen. De Bronstijd t/m Romeinse tijd, Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd hebben een hoge archeologische verwachting gekregen. Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend veldonderzoek, verkennend booronderzoek. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met als doel om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Tevens dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.
3
3.1.
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied. Tevens dient te worden vastgesteld wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. 3.2
Methoden
Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een verkennend booronderzoek, onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24-05-2018) en Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24-05-2018 protocol 4003), specificatie VSO3. Voor het inventa-
riserend veldonderzoek is op 27 juni 2022 door [EEA EE. MA (Archeoloog) en de heer
(Senior KNA Archeoloog en Senior KNA Prospector) een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld. Het veldwerk is uitgevoerd op 5juli 2022. Het gehele plangebied was toegankelijk, maar was wel begroeid met mais.
Rapport 18436.003 versie 2
Pagina 14 van 20
er \ De boringen zijn verspreid binnen het plangebied gezet. In totaal zijn er met behulp van een edelmanboor (diameter 7 cm) vijf boringen tot maximaal 1,20 m -mv gezet (figuur 17), tot minimaal 30 cm in de C-horizont. De boringen zijn lithologisch conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode beschreven.*' De exacte locatie van de boringen (x-, y- en z-waarden) is vastgelegd met behulp van dGPS.
Aan de hand van het opgeboorde materiaal is beoordeeld of er wel, geen of slechts deels sprake is van een gaaf bodemprofiel. Tevens is gekeken naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geinspecteerd op het voorkomen van archeologische indicatoren, zoals fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand leem en bot. Resultaten
Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorprofielen en worden in bijlage 7 weergegeven. Op basis van deze boorprofielen kunnen de hoofdlijnen van de bodemopbouw als volgt worden weergegeven.
De bodemopbouw kan als volgt worden beschreven: Tabel V.
Hoofdlijn bodemopbouw
De vijf geplaatste boringen geven een vrij uniform beeld. In alle vijf de boringen is een A-C profiel aangetroffen. De top van de bodemopbouw bestaat uit een 50 tot 70 cm dik pakket matig fijn, matig siltig bruingrijs zand. Aan de onderkant van dit pakket zijn brokken B-Horizont aangetroffen. We interpreteren deze laag als bouwvoor, waarin aan de onderkant verploegde podzolafzettingen zijn opgenomen. Onder de A-horizont ligt de C-Horizont, die bestaat uit matig fijn, slecht gesorteerd, sterk siltig, zwak grindig bruingrijs zand. Het gaat hier om glaciofluviatiele afzettingen. De overgang tussen de twee lagen is scherp.
De boringen zijn gezet en de lagen zijn beschreven door Ea en | 5.1.20
|
Het aangetroffen bodemprofiel komt niet overeen met het bodemtype zoals weergegeven op de Bodemkaart van Nederland (zie § 2.5). Op basis van de Bodemkaart kan deze bodem als een rivierkleigronden (KRd1) geinterpreteerd worden. Ook op de Molenstraat is in een aantal boringen rivierklei aangetroffen. Het is niet helemaal duidelijk waarom deze klei niet in onze boringen aanwezig zijn. Het kan zijn dat het is afgegraven, dat ze hier nooit zijn afgezet of dat de rivier de klei later weer heeft opgeruimd. We zien in de boorprofielen geen aanwijzingen voor ontgrondingen of afgravingen. Archeologische indicatoren 31 Bosch, 2005.
Rapport 18436.003 versie 2
Pagina 15 van 20
er \ In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen. Het gaat hier echter om een verkennend bodemonderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beinvioeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen. 3.3
Conclusie veldonderzoek
Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) blijkt dat de bodemopbouw in het plangebied een uniform beeld oplevert. De top bestaat uit een bruingrijze bouwvoor die circa 50 tot 70 centimeter dik is. Vanwege het gebruik als landbouwgrond bevindt zich onder de bouwvoor een geviekte ploeglaag. In de ploeglaag zijn brokken van waarschijnlijk een B-horizont waargenomen. Op een diepte van 50 tot 70 centimeter onder het maaiveld bevindt zich de C-horizont. Deze bestaat uit bruingrijs, matig fijn, sterk siltig, zwak grindig zand. De sedimenten van de C-horizont kunnen als glaciofluviale afzettingen worden geinterpreteerd.
Uit het booronderzoek blijkt dat circa 0,50 tot 0,70 m -mv is verploegd. In deze bovenste laag konden archeologische indicatoren uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd voorkomen. De eerder opgestelde hoge archeologische verwachting is daarom na het booronderzoek bijgesteld naar middelhoog, omdat deze archeologische overblijfselen door verploeging zijn verstoord. Waarschijnlijk zijn alleen diepgaande sporen nog aanwezig. De in het bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting kan voor de perioden Paleolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen worden gehandhaafd.
4
CONCLUSIE EN ADVIES
Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. In het bijzonder verhoogt de aanwezigheid van de ligging van het plangebied op een terrasviakte de kans daarop. Daarom is aansluitend een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) blijkt dat de bodemopbouw in het plangebied een uniform beeld oplevert. Het bodemprofiel bestaat uit bouwvoor met brokken B-horizont op glaciofluviale afzettingen. Op basis van dit bodemprofiel wordt de middelhoge archeologische verwachting voor alle archeologische perioden gehandhaafd. We adviseren om de ondergrens van de beleidskaart aan te houden:
Gezien de in dit onderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een waarderend proefsleuvenonderzoek. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen.
Rapport 18436.003 versie 2
Pagina 16 van 20
ccohaen XR Bovenstaand advies is van Econsultancy. De resultaten van onderhavig onderzoek dienen te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Heumen). De bevoegde overheid neemt vervolgens een besluit.
Rapport 18436.003 versie 2
Pagina 17 van 20
er \ LITERATUUR
Bosch, J.H.A., 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2. Utrecht (TNOrapport, NITG 05-043-A). Keunen, L.J., S. van der Veen & N.W. Willemse, 2013: Een verscheidenheid aan landschappen tussen Maas en Nederrijkswald; actualisatie archeologische waarden- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Heumen, Weesp.
Leuvering, J.H.F. & R. Nillesen, 2014: Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, karterend booronderzoek, Rijksweg 262 te Heumen, Doetinchem.
Locher, W.P. & H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. Malmberg, Den Bosch.
Locher, W.P. & H. de Bakker, 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 2: Bodemgeografie. Malmberg, Den Bosch.
Louwe Kooijmans,. L.P., P.W. van den Broeke, H. Fokkens & A. van Gijn (red.), 2005: Nederland in de prehistorie. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. Maas, G., P. van Delft, & H. Heidema, 2017: Toelichting bij de legenda Geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000. (Wageningen Environmental Research).
Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff & T.E. Wong, 2003: De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen. Renes, J., 1999: Landschappen van Maas en Peel. Een toegepast historisch-geografisch onderzoek in het streekplangebied Noord- en Midden-Limburg. Eisma, Leeuwarden.
Stichting voor Bodemkartering, 1976: Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 45 Oost/Vierlingsbeek. Veenendaal, L. & T.H.L. Hos, 2022: Plan van Aanpak booronderzoek Molenstraat te Heumen (18436.003), gemeente Heumen. Econsultancy, Boxmeer.
Wageningen Environmental Research, 2017: Geomorfologische Kaart van Nederland (2017), schaal 1:50.000.
Willemse, N.W., 2006: Gemeente Heumen. Een archeologische verwachtingskaart met AMZ-adviezen (RAAP-rapport 1216).
BRONNEN
Aalst, J.W. van (2021) ‘OpenTopo.nl’; internetsite, februari 2022. https://www.imergis.nl/asp/opentopo400.htm
Rapport 18436.003 versie 2
Pagina 18 van 20
er \ AHN; internetsite, juli 2022. http://www.ahn.nl