CConstaterende datHeumen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage V vast te stellen bestemmingsplan - toelichting

Raad 21 oktober 2021, gemeente HeumenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Garstkampsestraat 7 Overasselt15.766 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Bij het toekennen van een nieuwe woonfunctie dient inzichtelijk gemaakt te worden dat in de omgeving van de locatie geen bedrijven of inrichtingen voorkomen die het woon- en leefklimaat dusdanig slecht beïnvloeden, dat de nieuwe woningen niet toegestaan kunnen worden.

Bestemmingsplan ‘Garstkampsestraat 7, Overasselt’ | toelichting | augustus 2021

33

Aan de hand van de (indicatieve) lijst ´Bedrijven en Milieuzonering´, uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG, 2009), is een eerste toets uitgevoerd van de milieuhygiënische situatie ter plaatse van de Garstkampsestraat. Eén van de belangrijkste bouwstenen bij milieuzonering is de richtafstandenlijst. Deze lijst biedt voor een scala aan typen bedrijvigheid de richtafstanden tot gevoelige bestemmingen vanwege geur, stof, geluid en gevaar. Daarnaast zijn indices voor verkeersaantrekkende werking, bodem, lucht en visueel opgenomen in de lijst. De opgenomen richtafstanden betreffen indicatief de aan te houden afstand tussen hinder veroorzakende en milieugevoelige functies. Indien dit voldoende gemotiveerd wordt kan hiervan afgeweken worden. De afstand dient (in principe) te worden gemeten vanaf de bestemmingsgrens van de inrichting tot de milieugevoelige functie. Bij het bepalen van de richtafstanden zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: • •

• •

•

Het betreft ‘gemiddeld’ moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen. De richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstypen ‘rustige woonwijk’. Wanneer sprake is van ‘gemengd gebied’ kan de richtafstand met één trede worden verlaagd; De richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten. Bij activiteiten met ruimtelijk duidelijk te onderscheiden deelactiviteiten (zoals productie, opslag, kantoren, parkeerterreinen) kunnen deze deelactiviteiten desgewenst als afzonderlijk te zoneren activiteiten worden beschouwd, bijvoorbeeld bij ligging van de activiteit binnen zones met een verschillende milieucategorie. De richtafstand geldt tussen enerzijds de grens van de bestemming die bedrijven (of andere milieubelastende functies) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunningvrij bouwen mogelijk is. De gegeven afstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Dit betekent dat gemotiveerd afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn.

De richtafstanden zijn weergegeven in afstandsklassen. De richtafstanden voor de te onderscheiden bedrijfstypen zijn afgeleid van: • • •

in Nederland aanvaarde normen voor de emissies door milieubelastende activiteiten; in Nederland voorgeschreven of aanvaarde grens- en richtwaarden voor de immissies bij woningen en andere milieugevoelige bestemmingen; ervaringen en waarnemingen met betrekking tot de omvang en schadelijkheid van emissies door activiteiten.

De grootste afstand voor geur, stof, geluid en gevaar is bepalend voor de indeling in de milieucategorie. De volgende tabel geeft inzicht in het verband tussen de afstand en de milieucategorie.

Bestemmingsplan ‘Garstkampsestraat 7, Overasselt’ | toelichting | augustus 2021

34

Milieucategorie Richtafstand 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Tabel: Milieucategorieën met bijbehorende richtafstanden VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering

Het perceel aan de Garstkampsestraat wordt omringd door onbebouwde agrarische gronden. Op enige afstand zijn een aantal burgerwoningen en enkele bedrijfslocaties gelegen. In onderstaande afbeelding zijn de bedrijfsfuncties in de omgeving aangeduid. In de navolgende tabel is de omschrijving van de bedrijvigheid en toetsing ten opzichte van het initiatief opgenomen. 1

2

3 6 4 7

5

Afbeelding 24. Bedrijvigheid in de omgeving (bron: ruimtelijkeplannen.nl, bewerkt)

Bestemmingsplan ‘Garstkampsestraat 7, Overasselt’ | toelichting | augustus 2021

35

1. 2. 3. 4.

5. 6.

7.

Toegestane bedrijvigheid Milieucategorie Minimale o.g.v. bestemmingsplan VNG-lijst aanbevolen afstand VNGlijst in rustige woonwijk (meter) Agrarisch bedrijf - 3.2 100 melkrundvee Bedrijf, agrarisch verwant 3.1 50 - paardenhouderij Recreatie – volkstuinen* 2 30 Bedrijf – verkooppunt 3.1 50 motorbrandstoffen met lpg** Maatschappelijk - 1 10 museum Gemengd – detailhandel 1/ 1 10/ 10 en zakelijke dienstverlening Maatschappelijk - religie 2 30

Daadwerkelijke Voldoet afstand (meter) ja/ nee

280

ja

340

ja

80 90

ja ja

155

ja

190

ja

230

ja

* Een volkstuinencomplex is niet exact als zodanig opgenomen in de VNG-lijst. Aansluiting is gezocht bij de categorie ‘Tuinbouw en Akkerbouw en fruitteelt’ gezien het vergelijkbaar gebruik. Overigens is een volkstuinencomplex in de regel geen inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. ** Uitgaande van doorzet < 1000 m3/ jaar. Het tankstation zal over afzienbare tijd verdwijnen, zie ook paragraaf 4.8.

Voor alle omliggende inrichtingen wordt voldaan aan de richtafstanden uit de VNG-brochure. In navolgende paragrafen wordt voor de specifieke milieuthema’s nog een toets uitgevoerd voor de relevante bedrijven. De nieuw te realiseren woningen vormen voor omliggende bedrijven en inrichtingen nooit de meest nabijgelegen gevoelige functie (zie ook bovenstaande afbeelding). In alle gevallen zijn er reeds woningen dichterbij gelegen. De nieuwe woningen zullen dan ook geen beperkende werking hebben voor het functioneren en de mogelijkheden van de omliggende bedrijvigheid. Conclusie Uit deze analyse blijkt dat in de omgeving van het plangebied aan de Garstkampsestraat geen bedrijfsactiviteiten aanwezig zijn, die een onevenredige belemmering vormen voor de ontwikkeling. Op basis van het voorgaande kan redelijkerwijs worden gesteld dat een goed woonen leefklimaat zal worden geboden. De ontwikkeling zorgt ook niet voor een belemmering van de bedrijfsactiviteiten in de omgeving, omdat in alle gevallen reeds bestaande woningen op kortere afstand van de inrichtingen zijn gelegen. Tenslotte hebben de nieuw te realiseren woningen geen negatieve invloed op de milieuhygiënische kwaliteit van de directe omgeving en de aldaar aanwezige functies.

Bestemmingsplan ‘Garstkampsestraat 7, Overasselt’ | toelichting | augustus 2021

36

4.4.

Bodem

Bij een functiewijziging dient gemotiveerd te worden dat de bodemkwaliteit ter plaatse van het plangebied voldoende is ten opzichte van de in het plan toegelaten bestemming/ functie. De (milieuhygiënische) bodemkwaliteit moet geschikt zijn voor de volgens de bestemming toegestane functie(s). In het kader van voorliggende bestemmingswijziging is door BodemInzicht een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd op basis van de richtlijnen zoals deze zijn vastgelegd in de norm NEN5740. De onderzoeksrapportage (Verkennend bodemonderzoek Garstkampsestraat 7 te Overasselt. BodemInzicht, 25 maart 2021) is opgenomen als bijlage 3 bij deze toelichting. De conclusie van het onderzoek luidt samengevat als volgt: In het plangebied zijn geen verontreinigingen aangetoond die aanleiding vormen voor het uitvoeren van nader of aanvullend bodemonderzoek. De resultaten van het onderzoek stemmen niet overeen met de vooraf opgestelde hypothese. De resultaten vormen echter geen aanleiding om de onderzoeksstrategie aan te passen. De bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie vormt geen belemmering voor de beoogde bestemmingswijziging en nieuwbouw van woningen. Conclusie Het aspect ‘bodemkwaliteit’ legt geen beperkingen op aan de gewenste ontwikkeling binnen het plangebied.

4.5.

Geluid

Geluidhinder kan ontstaan door verschillende activiteiten. Hierbij kan gedacht worden aan weg- en railverkeer, maar ook aan industriële activiteiten. De Wet geluidhinder, de Wet milieubeheer en het Bouwbesluit geven normen weer voor de hoogst acceptabele geluidbelasting en minimale geluidwering bij geluidgevoelige functies, zoals woningen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen bestaande en nieuwe situaties. Wegverkeerslawaai Op grond van de Wet geluidhinder dient voor nieuwe geluidgevoelige objecten getoetst te worden aan de geluidbelasting vanaf omliggende zoneplichtige wegen. Het plan voorziet in de realisatie van een nieuwe geluidgevoelige functies en is gelegen in de nabijheid van de Garstkampsestraat, Laagstraat en Hoogstraat. Ten behoeve van de ontwikkeling is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten zijn vastgelegd in de rapportage ‘Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. Garstkampsestraat 7 te Overasselt’ (Target advies, 21 december 2020. Bijlage 4). Uit de resultaten van de berekeningen, die in het kader van het akoestisch onderzoek zijn uitgevoerd, kunnen de volgende conclusies worden getrokken: •

De geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op zowel de Garstkampsestraat als de N846 (Hoogstraat) overschrijdt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van het bouwplan;

Bestemmingsplan ‘Garstkampsestraat 7, Overasselt’ | toelichting | augustus 2021

37

•

•

•

Voor het bepalen van de gecumuleerde waarde dient de totale geluidbelasting (exclusief aftrek artikel 110g Wet geluidhinder) te worden berekend van alle zoneplichtige (spoor)wegen, industrie en luchtvaart met een geluidbelasting boven de voorkeursgrenswaarde. Aangezien er geen sprake is van overschrijding van de voorkeursgrenswaarde is dit in voorliggend plan niet aan de orde; In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de cumulatie bepaald inclusief alle gemodelleerde geluidbronnen. Ter bepaling van de milieukwaliteit in de omgeving is deze gecumuleerde waarde getoetst aan de ‘methode Miedema’. De maximale gecumuleerde waarde, welke voornamelijk wordt bepaald door de Garstkampsestraat, bedraagt 50 dB, waarmee gesteld kan worden dat er sprake is van de kwalificatie ‘redelijk’ en daarmee van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; Aangezien de cumulatieve geluidbelasting kleiner of gelijk is aan 53 dB, namelijk 50 dB, is een nader onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevel niet nodig. Bij toepassing van standaard bouwmaterialen is een binnenniveau van 33 dB gewaarborgd.

Industrielawaai De eventuele geluidsinvloed van omliggende bedrijven en inrichtingen op het plangebied is reeds getoetst in paragraaf 4.3. Aan de, op grond van de VNG-brochure, aanbevolen afstanden wordt voldaan. Een nader akoestisch onderzoek is dan ook niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect geluid legt, zowel voor het onderdeel ‘wegverkeer’ als voor het onderdeel ‘industrielawaai’, geen beperkingen op aan de beoogde functiewijziging en woningbouwontwikkeling aan de Garstkampsestraat.

4.6.

Luchtkwaliteit

Wet Luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking en staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (Wm, hoofdstuk 5). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: • • • •

Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. Een project leidt - al dan niet per saldo - niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Een project draagt ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging. Een project past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of binnen een regionaal programma van maatregelen.

Hierna wordt ingegaan op het feit dat het initiatief ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, waardoor luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering vormen.

Bestemmingsplan ‘Garstkampsestraat 7, Overasselt’ | toelichting | augustus 2021

38

‘Niet in betekenende mate (NIBM)’ In het Besluit NIBM is vastgelegd wanneer een project niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Een project is NIBM als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: • •

Aantonen dat een project binnen de grenzen van een categorie uit de Regeling NIBM valt. Er is dan geen verdere toetsing nodig, het project is in ieder geval NIBM. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project voldoet aan het 3% criterium. Ook als een project niet kan voldoen aan de grenzen van de Regeling NIBM, is het mogelijk om alsnog via berekeningen aan te tonen, dat de 3% grens niet wordt overschreden.

Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden. De Regeling NIBM geeft voor een aantal soorten van projecten een (getalsmatige) invulling aan de NIBM-grens. Het gaat daarbij om woningbouwprojecten, kantoorprojecten en enkele inrichtingen (bijvoorbeeld landbouwinrichtingen). Als een project binnen de begrenzing van de Regeling NIBM valt, dan is geen verdere toetsing aan de grenswaarden nodig. Het project geldt dan als een NIBMproject en kan doorgaan zonder dat extra maatregelen worden genomen. Tevens is er dan geen luchtkwaliteitsonderzoek nodig. De 3% is als volgt gekwantificeerd: •

•

Voor woningbouw geldt dat de 3% grens is vastgesteld op 1.500 woningen (bij 1 ontsluitingsweg) en op 3.000 woningen in het geval van 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Voor kantoren geldt dat de 1% grens is vastgesteld op 100.000 m 2 bruto vloeroppervlakte kantoorgebouwen (bij 1 ontsluitingsweg) en op 200.000 m 2 bruto vloeroppervlakte kantoorgebouwen in het geval van 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.

Bij voorliggend initiatief is sprake van beëindiging van een agrarisch bedrijf en ontwikkeling van vier nieuwe woningen binnen het plangebied. Deze omvang is dusdanig beperkt, dat de ontwikkeling ruimschoots binnen de NIBM-grens valt. Het plan geldt dan ook als een NIBM-project. Huidige achtergrondconcentratie Naast het effect dat het plan heeft op de luchtkwaliteit dient ook gekeken te worden naar de luchtkwaliteit in het plangebied zelf. In de nieuwe situatie is immers sprake van nieuwe gevoelige objecten. Het woon- en leefklimaat ter plaatse wordt deels bepaald door de luchtkwaliteit. Op grond van de Wet zijn grenswaarden opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties voor onder andere fijnstof (PM10). De grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie bedraagt 40 μg/m3. Vanaf 1 januari 2015 geldt tevens een grenswaarde voor PM2,5 waaraan door het bevoegd gezag bij vergunningverlening moet worden getoetst. Deze grenswaarde is opgenomen in de Wet milieubeheer en bedraagt 25 μg/m3 voor de jaargemiddelde concentratie.

Bestemmingsplan ‘Garstkampsestraat 7, Overasselt’ | toelichting | augustus 2021

39

Voor de kortdurende blootstelling van de mens aan piekconcentraties van NO2 geldt een grenswaarde van 200 μg/m3 voor het uurgemiddelde van NO2, die niet vaker dan 18 maal per kalenderjaar mag worden overschreden. De norm voor langdurende blootstelling van de bevolking is de grenswaarde van 40 μg/m3 voor de jaargemiddelde NO2-concentratie. Sinds een aantal jaren wordt de achtergrondconcentratie van de luchtkwaliteit gemonitord door de (landelijke) overheid. Zowel de totale situatie, als de invloed van verschillende stoffen en componenten, worden hierbij in de gaten gehouden. Woningen zijn gevoelige functies voor het aspect luchtkwaliteit. De situatie is dan ook getoetst aan de hand van de beschikbare gegevens uit de verspreidingskaarten (Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland, Rijksdienst voor Volksgezondheid en Milieu). Ter hoogte van het plangebied is sprake van de volgende waarden: Waarde plangebied Grenswaarde (μg/m3) (μg/m3) - 2020 (gegevens 2020) PM10 17 40 PM2,5 11 25 NO2 14 40 Zoals blijkt uit bovenstaande tabel wordt voor de belangrijkste luchtkwaliteitscomponenten binnen het plangebied voldaan aan de grenswaarden. De luchtkwaliteit ter plaatse legt dan ook geen belemmeringen op aan de beoogde ontwikkeling.

Conclusie Door het feit dat de ontwikkeling ‘NIBM’ is, kan geconcludeerd worden dat er geen negatieve gevolgen zullen zijn voor het aspect luchtkwaliteit. Daarnaast wordt er ruim voldaan aan de grenswaarden van de achtergrondconcentraties. Hierdoor is te concluderen dat er ook sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Geconcludeerd wordt dan ook dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de beoogde bestemmingswijziging aan de Garstkampsestraat.

4.7.

Veehouderij en geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is op 1 januari 2007 in werking getreden. De Wgv kent bescherming toe aan zogenaamde geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in algemeen om gebouwen bestemd voor wonen en verblijf, zoals woningen en bedrijfsgebouwen. Deze wet schrijft afstanden voor tussen een veehouderij en geurgevoelige objecten die moeten worden gehanteerd bij de verlening van een omgevingsvergunning milieu aan een agrarisch bedrijf waar vee wordt gehouden. De beoogde ontwikkeling voorziet in de beëindiging van een (intensieve) veehouderij. De geuremissie vanuit de inrichting naar de omgeving verdwijnt deze planwijziging definitief. In de nieuwe situatie bestaat het gebruik uitsluitend uit wonen. De beoogde functie in het plangebied heeft dan ook geen (negatieve) invloed op de omgeving voor het aspect geur. Binnen het plangebied wordt wel een nieuwe geurgevoelige functie toegestaan. Bestemmingsplan ‘Garstkampsestraat 7, Overasselt’ | toelichting | augustus 2021

40

Voor de voorgrondbelasting worden bedrijven individueel beoordeeld. Om te beginnen kan hiervoor gebruik worden gemaakt van de VNG-lijst Bedrijven en milieuzonering, waar ‘geur’ één van de toetsaspecten is. Op de veehouderijen in de omgeving van het plangebied worden rundvee en paarden gehouden. In beide gevallen betreft het vaste afstand dieren, waarvoor buiten de bebouwde kom een afstand van 50 meter geldt. Zoals blijkt uit paragraaf 4.3 bevindt de meest nabijgelegen veehouderij zich op 280 meter, waarmee ruimschoots aan de minimale afstand wordt voldaan. Voor de volledigheid is tevens de beschikbare informatie omtrent veehouderijen en inrichtingen in I-GO veehouderijen geraadpleegd. Hieruit blijkt dat binnen een afstand van 500 meter van het plangebied geen dieren worden gehouden waarvoor emissiefactoren zijn vastgesteld. Een nadere toets is dan ook niet noodzakelijk. Gezien het beperkt aantal veehouderijen in de omgeving en type bedrijven mag worden aangenomen dat de achtergrondbelasting, de cumulatieve geurbelasting, dusdanig laag is dat ter plaatse van het plangebied sprake is van tenminste een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Afbeelding 25: Locaties veehouderijbedrijven en milieu-inrichtingen in omgeving plangebied (bron: Publieke Geoviewer I-GO)

Op basis van het vorenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect geur geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

Bestemmingsplan ‘Garstkampsestraat 7, Overasselt’ | toelichting | augustus 2021

41

4.8.

Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege: • • • •

het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen door bedrijven (inrichtingen); het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, waterwegen, spoorwegen en buisleidingen); het gebruik van luchthavens; het gebruik van windturbines.

Voor inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) het belangrijkste toetsingskader. Hierin zijn bijvoorbeeld grenswaarden, richtwaarden en oriënterende waarden opgenomen voor het zogenaamde plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Daarnaast is er specifieke wetgeving voor de opslag van vuurwerk en munitie. Voor transport van gevaarlijke stoffen is met name de Wet vervoer gevaarlijke stoffen relevant. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) in werking getreden, waarmee het verplicht is geworden transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd, vast te leggen in het bestemmingsplan. Verder is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van belang (Bevb). Voor luchthavens geldt specifiek beleid, dat deels nog in ontwikkeling is. De regels over externe veiligheid en windturbines zijn opgenomen in het Activiteitenbesluit. De laatste twee onderdelen zijn niet relevant voor dit bestemmingsplan. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet getoetst worden aan het externe veiligheidsbeleid. In ruimtelijke plannen moet worden ingegaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering

Bestemmingsplan ‘Garstkampsestraat 7, Overasselt’ | toelichting | augustus 2021

42

in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants, zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Risicovolle activiteiten In het kader van het plan moet bekeken worden of er in of in de nabijheid van het plan sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan. Plangebied Ten zuidwesten van het plangebied is een garagebedrijf/ tankstation gelegen (Hoogstraat 4). Binnen de inrichting is onder meer een LPG-pomp aanwezig. Voor deze locatie, met het daarop gevestigde tankstation en de supermarkt, wordt herontwikkeling met woningen beoogd. Met de initiatiefnemer is reeds een overeenkomst gesloten, ter uitvoering van deze herbestemming en inrichting. In de toekomstige situatie zijn er in of in de omgeving van het plangebied dan ook geen risicobronnen (meer) aanwezig.

Er gelden vanuit het aspect externe veiligheid geen beperkingen voor de herontwikkeling van de locatie.

4.9.

Waterparagraaf

Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient er op basis van Europees beleid, Rijksbeleid en provinciaal beleid rekening gehouden te worden met de aanwezige watersystemen en waterketens. Het waarborgen en zorgdragen voor een goede afvoer en doorstroming van water moet verplicht opgenomen worden in ieder plan. Derhalve moet ieder plan voorzien zijn van een waterparagraaf. Rijksbeleid Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is van toepassing. In dit plan is het waterbeleid op hoofdlijnen omschreven en zijn de ruimtelijke aspecten die de doelstellingen die hieruit voorkomen opgenomen. Het Rijksbeleid richt zich met name op de waterveiligheid t.a.v. de grote rivieren; de Maas, Waal en Rijn en de kustlijn, de omgang met zoetwatergebieden, de algemene waterkwaliteit en grote watergebieden zoals Rijn-Maas delta, IJsselmeer gebied etc. De beoogde ontwikkeling is van dermate kleine omvang dat het rijksbeleid geen gevolgen dan wel consequenties heeft voor onderhavig plan. Waterschap Rivierenland Het plangebied is gelegen binnen het werkgebied van Waterschap Rivierenland. De visie van Waterschap Rivierenland is vervat in het Waterbeheerprogramma 2016-2021 “Koers houden, kansen benutten”. Dit programma is op 22 december 2015 in werking getreden. Met het

Bestemmingsplan ‘Garstkampsestraat 7, Overasselt’ | toelichting | augustus 2021

43

programma blijft het waterschap op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om het afvalwater effectief te zuiveren. De belangrijkste punten uit het Waterbeheerprogramma zijn: •

• •

Een veilig rivierengebied: Verbeteren en versterken dijken en boezemkades met daarnaast oog voor oplossingen door een aangepast ruimtelijke inrichting en door risicobeheersing (bijv. evacuatie); Het duurzaam en doelmatig zuiveren van afvalwater door o.a. centralisatie van zuiveringen en van slibverwerkingen; Anticiperen op klimaatveranderingen: een robuust en ecologisch gezond watersysteem dat voldoende water van goede kwaliteit biedt aan landbouw, natuur, stedelijk gebied en recreatie.

Bij nieuwe ruimtelijke plannen wordt gekeken naar de waterbelangen. Hiertoe wordt een watertoets uitgevoerd. Deze toets geeft het volledige proces weer: vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen. Daarnaast heeft het waterschap waar nodig nog toegespitst beleid en beleidsregels op de verschillende thema’s/speerpunten uit het waterbeheerplan en heeft het waterschap een eigen verordening; de Keur. De Keur Waterschap Rivierenland 2014 bevat gebods- en verbodsbepalingen met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. In de Keur zijn regels opgenomen om te voorkomen dat dijken en oevers beschadigen. Ook zijn er regels voor het onderhoud van sloten, beken, rivieren en andere waterlopen om de waterafvoer in dit oppervlaktewater te waarborgen. Op de leggers staan de oppervlaktewateren en dijken aangegeven die in beheer zijn het bij waterschap en waarop de Keur van toepassing is. Het plangebied Garstkampsestraat 7 grenst niet aan dijken of aan oppervlaktewater. De Keur speelt bij de ontwikkeling dan ook geen rol. Oppervlaktewater Binnen of direct grenzend aan het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. In de directe omgeving zijn wel enkele (a en b) watergangen gelegen. Het initiatief heeft hierop geen invloed.

Hemelwater Het plangebied is in de huidige situatie deels bebouwd, deels verhard en deels onverhard. Met het voorliggende plan wijzigen de bebouwing en verharding. In onderstaand overzicht worden de oppervlaktes in de huidige en toekomstige situatie weergegeven:

Bestemmingsplan ‘Garstkampsestraat 7, Overasselt’ | toelichting | augustus 2021

44

Bedrijfswoning, om te zetten naar burgerwoning (Voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen Erfverharding Nieuw te realiseren woningen + bijgebouwen Nieuwe toerit en verharding bij woningen

Huidige Toekomstige 2 situatie (m ) situatie (m2) 260 260 1.390 0 1.600 0 0 610 0 720

Totaal Afname bebouwd/ verhard oppervlak

3.250

1.590 1.660

Als gevolg van de beoogde ontwikkeling zal het bebouwd en verhard oppervlak in het plangebied met zo’n 1.660 m2 afnemen. Ter plaatse van de landschappelijke inpassing, (sier-)tuin en hobbyweide is infiltratie van hemelwater in de toekomstige situatie zonder beperkingen mogelijk. De toename van infiltratiemogelijkheden heeft een positieve invloed op de (grond)waterhuishoudkundige situatie in het plangebied en omgeving. Daarnaast wordt door het verdwijnen van de veehouderij op de locatie de kans op verontreiniging van het grond- of nabijgelegen oppervlaktewater geminimaliseerd. Ondanks de afname van verhard en bebouwd oppervlak wordt binnen het plan ingezet op opvang, hergebruik en infiltratie van hemelwater. In het plangebied is sprake van veel onbebouwde ruimte, die mogelijkheden biedt om het hemelwater ter plaatse te laten infiltreren. Voor het afstromend hemelwater van verhard oppervlak (daken en verharding) dient voor de opvang en berging van hemelwater gerekend te worden met een statische bergingseis van 66,4 mm/m2. De berging dient binnen het plangebied te worden gerealiseerd en mag uit bovengrondse en ondergrondse bergingsvoorzieningen bestaan. Vanuit de bergingsvoorzieningen dient het hemelwater te infiltreren in de ondergrond. De voorziening dient na 48 uur weer leeg te zijn.

Hemelwater mag en kan niet op het vuilwater riool worden aangesloten ook niet met een overloop. En mag niet naar de omgeving afstromen. De uitwerking van het hemelwatersysteem vindt plaats in een waterhuishoudkundig plan, dat uiterlijk bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de nieuwe woningen wordt aangeleverd.

Bestemmingsplan ‘Garstkampsestraat 7, Overasselt’ | toelichting | augustus 2021

45

Afbeelding 26: Toetslagen Watertoets omgeving Garstkampsestraat 7 (bron: dewatertoets.nl)

Afvalwater Het (huishoudelijk) afvalwater van de nieuwe woningen wordt aangesloten op het vuilwaterdeel van de bestaande riolering. Door initiatiefnemer wordt hiertoe een plan uitgewerkt, dat onderdeel uitmaakt van de omgevingsvergunningaanvraag. De kosten voor planvorming, aanleg en onderhoud zijn voor rekening van initiatiefnemer. De bestaande woning is reeds aangesloten op de riolering. Watertoets In het kader van de planvoorbereiding is de digitale watertoets doorlopen voor het initiatief. De resultaten zijn te vinden in bijlage 5. Op basis van de oppervlakte van het plangebied valt het initiatief in de ‘normale watertoetsprocedure’. Uit de toets van de verschillende lagen en waarden van de watertoets blijkt dat er geen relevante belangen van Waterschap Rivierenland gemoeid zijn met het plan. Als gevolg van de ontwikkeling is er sprake van een afname van het bebouwd en verhard oppervlak, waardoor de infiltratiemogelijkheden in het plangebied toenemen. Overleg met het waterschap is dan ook niet noodzakelijk. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het initiatief geen belemmeringen oplevert voor de waterhuishoudkundige situatie en dat de waterhuishoudkundige situatie ook geen belemmeringen oplevert voor de herontwikkeling van Garstkampsestraat 7. Een nadere uitwerking van zowel het hemel- als het afvalwatersysteem vindt plaats in het kader van de omgevingsvergunningaanvraag.

4.10.

Wet natuurbescherming

Bij iedere ontwikkeling dienen de eventuele gevolgen ten aanzien van de natuurbescherming inzichtelijk gemaakt te worden. Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Natuurbeschermingswet 1998 (gebiedsbescherming), de Flora- en Fauna wet (soortenbescherming) en de Boswet zijn opgegaan in deze overkoepelende wet. Uitgangspunt van

Bestemmingsplan ‘Garstkampsestraat 7, Overasselt’ | toelichting | augustus 2021

46

de wet is dat beschermde gebieden en soorten niet aangetast mogen worden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Gebiedsbescherming Door het Rijk zijn in Nederland Natura 2000-gebieden aangewezen. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de Vogel- en Habitatrichtlijnen. Voor deze gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen bepaald. Het is verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000 gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Provincies hebben daarnaast de bevoegdheid om gebieden naar keuze, gelegen buiten het Natuurnetwerk Nederland, aan te wijzen en te beschermen via eigen provinciaal beleid. Deze gebieden worden aangeduid als ‘bijzondere provinciale natuurgebieden’, onderscheidenlijk ‘bijzondere provinciale landschappen’. Natura 2000-gebieden en ook andere natuurgebieden kunnen schade ondervinden door diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, optische verstoring, verzuring en vermesting. Soortenbescherming In Nederland komen ongeveer 30.000 soorten dieren en planten voor.

De Wnb regelt de bescherming van circa 300 in het wild voorkomende soorten inheemse planten en dieren. In de Wnb is onder meer bepaald dat beschermde diersoorten niet mogen worden gedood, gevangen of verontrust en beschermde plantensoorten niet geplukt, uitgestoken of verzameld mogen worden. Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor in het wild levende dieren en planten. Daarnaast is het niet toegestaan om hun directe leefomgeving, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren. In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming van beschermde flora- en fauna opgenomen. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes omschreven. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing en vrijstelling kan worden verleend. Er zijn drie beschermingsregimes, de soorten op basis van de Vogelrichtlijn, de soorten op basis van de Habitatrichtlijn en de andere soorten genoemd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Onderzoek Garstkampsestraat Ten behoeve van de gewenste ontwikkeling binnen het plangebied is een quickscan ecologische waarde en een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd. De resultaten zijn verwoord in de ‘Rapportage QuickScan Ecologische waarden en rapportage AERIUS-calculatie Garstkampsestraat 7, Overasselt’ (Ecolybrium, 17 februari 2021. Bijlage 6).

Uit de quickscan Ecologische waarden volgen de volgende conclusies: •

Op de onderzoekslocatie zijn geen jaarrond beschermde nesten van vogels aanwezig en/of te verwachten. Nader onderzoek is daarmee niet noodzakelijk. Ter plekke van de locatie komt zeer af en toe een (kerk)uil rusten op de zolderruimte van de

Bestemmingsplan ‘Garstkampsestraat 7, Overasselt’ | toelichting | augustus 2021

47

•

•

•

•

• •

•

boerderijwoning. Gelet op de zeer beperkt aangetroffen sporen, kan gesteld worden dat het hier dan ook niet gaat om een frequent gebruikte locatie en zeker niet om een broedlocatie; De stallen en de woonboerderij bieden geen stabiel klimaat voor vleermuizen en vormen geen geschikte locatie als vaste rust- en verblijfplaats voor vleermuizen. De onderzoekslocatie maakt voorts geen onderdeel uit van essentieel foerageergebied en/of migratieroute. Nader onderzoek is daarmee niet aan de orde. Het gebied zal gedurende de zomerperiode wel onderdeel uitmaken van het jachtgebied van vleermuizen. Echter zullen de aantallen en het aantal soorten wat er jaagt zeer minimaal zijn; De locatie vormt geen geschikt leefgebied (voortplantingsplekken) voor marterachtigen zoals steenmarter, hermelijn en wezel. Effecten op deze soorten zijn dan ook geheel uit te sluiten. Nader onderzoek is daarmee niet aan de orde; Er komen mogelijk enkele algemeen voorkomende soorten grondgebonden zoogdieren voor die het gebied gebruiken als foerageergebied/leefgebied. Hierbij valt te denken aan diverse muizensoorten, bruine rat, egel en mogelijk konijn. Echter kan geconcludeerd worden dat hier sprake is van werken onder voorwaarden van de Algemene Zorgplicht (zorgvuldig werken). Overtredingen van verbodsbepalingen op zwaarder beschermde soorten (zoals das) treden niet op.

De das komt in de directe omgeving voor, echter maakt de planlocatie geen onderdeel uit van het primaire foerageergebied van deze soort. Hiervoor is er onvoldoende geschikt foerageergebied (weiland) aanwezig op de onderzoekslocatie; Soorten als vaatplanten, reptielen, vissen, dagvlinders, nachtvlinders, libellen, amfibieën en overige ongewervelden zijn binnen de begrenzing van de onderzoekslocatie geheel niet te verwachten. Dit komt omdat er geen optimale habitats aanwezig zijn voor deze soort(groep)en; Beschermde vaatplanten zijn eveneens op basis van het aanwezige habitat en het ontbreken van optimale groeiomstandigheden geheel uit te sluiten; De meest verstorende werkzaamheden (sloop en nieuwbouw) dienen buiten de kwetsbare periode van broedvogels uitgevoerd te worden. Dus buiten de periode half maart-half juli. Wanneer de werkzaamheden voorafgaande aan deze periode starten met doorloop tot binnen deze periode dan zullen vogels niet zo snel nesten gaan maken in de directe werksfeer. Indien vogels (of andere soorten) dit wel doen dan leidt dit echter niet tot een moedwillige verstoring, aangezien de soorten er dan zelf voor gekozen hebben zich hier te vestigen. Normaliter zullen soorten dit niet doen; In het kader van de Wet natuurbescherming kan gesteld worden dat er geen verdere vervolgonderzoeken en/of een ontheffingsprocedure noodzakelijk zijn.

Als extra kwaliteitsbijdrage wordt in de Quickscan geadviseerd een nestlocatie voor de kerkuil te plaatsen in de bestaande woning om deze soort een mogelijke nieuwe, extra nestlocatie te bieden. Uit de rekenresultaten van het stikstofdepositieonderzoek blijkt dat de gewenste ontwikkeling in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase niet leidt tot nadelige effecten van stikstofdepositie op Natura-2000 gebieden. Uitgangspunt hierbij is dat bouwmaterieel gebruikt wordt met bouwjaar 2014 of jonger en per werktuig de vermelde hoeveelheid bedrijfsuren wordt gehanteerd zoals vermeld in bijlage 6. Aan deze voorwaarden dient de aannemer zich voor de sloop en bouw te

Bestemmingsplan ‘Garstkampsestraat 7, Overasselt’ | toelichting | augustus 2021

48

houden. De berekening maakt duidelijk dat het project doorgang kan vinden zonder dat aanvullend onderzoek en/of een ontheffing ‘Wet natuurbescherming’ nodig is, indien tijdens de bouwfase de uitgangspunten van de berekening worden aangehouden. Conform de factsheet “Woningbouwplannen, stikstof en Natura 2000-gebieden” is er tevens geen passende beoordeling noodzakelijk. Het aspect ‘stikstofdepositie’ leidt ook niet tot een belemmering voor de beoogde bestemmingswijziging.

4.11.

Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect ‘archeologie’ in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt: • •

De archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard; Er dient vroeg in het proces van ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect ‘archeologie’.

De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag indien het gaat om het toetsen van de archeologische onderzoeken en Programma’s van Eisen. Om de bescherming op gemeentelijk niveau te borgen heeft de gemeente een archeologische waarden- en verwachtingskaart opgesteld. De waardering zoals die is toegekend aan het gemeentelijk grondgebied is doorvertaald in bestemmingsplannen. Het gehele plangebied heeft de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 1’. Op basis van deze bestemming zijn de gronden mede bestemd voor doeleinden ter bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden. Om dit te bereiken is een archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 500 m2. Een uitzondering wordt gemaakt voor situaties waar de bodem al dieper dan 40 cm is gewoeld of indien de archeologische waarde op basis van andere, goedgekeurde, informatie al voldoende is vastgesteld. Werkzaamheden dieper dan 40 cm en over een oppervlak groter dan 500 m2 zijn in beginsel omgevingsvergunningplichtig (omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden). In het plangebied worden de voormalige bedrijfsgebouwen gesloopt en vier nieuwe woningen gebouwd (één maal vrijstaand en één maal drie-onder-één kap).

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten zijn vastgelegd in de rapportage ‘Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase Garstkampsestraat 7 te Overasselt Gemeente Heumen’ (KSP Archeologie, 12 april 2021. Bijlage 7). Uit het onderzoek blijkt dat het potentiële archeologische (vondsten)niveau binnen het plangebied intact is en zich bevindt op een diepte vanaf 0,3 à 0,6 m beneden maaiveld. Graafwerkzaamheden dieper dan het humeuze dek kunnen archeologische resten aantasten, met uitzondering van de reeds verstoorde delen. Op basis van het bureau- en booronderzoek geldt voor het centrale deel van het plangebied een hoge archeologische verwachting voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en Bestemmingsplan ‘Garstkampsestraat 7, Overasselt’ | toelichting | augustus 2021

49

met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Voor het gehele plangebied geldt een lage verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd. Langs de randen van het plangebied geldt na het booronderzoek voor resten uit archeologische perioden tot en met de IJzertijd een lage verwachting en voor archeologische resten vanaf de Romeinse tijd tot en met de Volle Middeleeuwen een middelhoge verwachting. Voorgesteld wordt een vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een karterend booronderzoek, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de onderkelderde gebouwen. Het bevoegd gezag, de gemeente Heumen, heeft op 15 april 2021 een selectiebesluit genomen, overeenkomstig het bovenstaande advies. Conform dit besluit is een karterend booronderzoek uitgevoerd.

Afbeelding 27: Archeologische beleidskaart (bron: gemeente Heumen)

De resultaten van het vervolgonderzoek zijn vastgelegd in de rapportage ‘Inventariserend Veldonderzoek, karterende fase Garstkampsestraat 7 te Overasselt Gemeente Heumen’ (KSP Archeologie, 16 juli 2021. Bijlage 8). met het onderzoek in het oostelijk deel van het plangebied is

Bestemmingsplan ‘Garstkampsestraat 7, Overasselt’ | toelichting | augustus 2021

50

meer inzicht gekregen in de bodemopbouw, bedekking van het pleistocene rivier(duin)zand en verspoelingen. De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de lage verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd bij te stellen. Wel bleek de bodem ter hoogte van de bosrand in het zuidoosten van het plangebied diep verstoord te zijn. Door het ontbreken van archeologische indicatoren kan de verwachting voor alle archeologische perioden in het onderzoeksgebied naar een lage verwachting worden bijgesteld. Een vervolgonderzoek is niet noodzakelijk en de archeologische dubbelbestemming in het onderzochte gebied kan komen te vervallen. Ter hoogte van de niet middels karterend booronderzoek onderzochte delen van het plangebied moet de huidige archeologische dubbelbestemming behouden blijven, met uitzondering van de gronden ter hoogte van gebouwen die (deels) onderkelderd zijn. Door de gemeente Heumen is naar aanleiding van het vervolgonderzoek een selectieadvies uitgebracht: “De gemeente is akkoord met het advies voor het laten vervallen van de dubbelbestemming archeologie in het nu gekarteerde onderzoeksgebied.” De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 1’ blijft dan ook gehandhaafd in een beperkt deel van het plangebied. Voor het overige zijn de gronden vrijgegeven voor het aspect archeologie.

Cultuurhistorie De gemeente Heumen beschikt over een eigen cultuurhistorisch beleidskader en een beleidskader dat is opgesteld met de buurgemeenten Beuningen, Druten en Wijchen. Voor een toetsing aan het laatstgenoemde beleidskader wordt verwezen naar paragraaf 3.3.2. Onderdeel van het gemeentelijk beleidskader ‘Een verscheidenheid aan landschappen tussen Maas en Nederrijkswald. Actualisatie archeologische waarden- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waarden kaart van de gemeente Heumen’ (november 2013) zijn een ‘Waardenkaart cultuurhistorie’ en ‘Waarderingskaart cultuurhistorie’. Uit de waardenkaart blijkt dat de (bedrijfs-)woning Garstkampsestraat 7 is aangewezen als beeldbepalend/ karakteristiek pand. Bij de beoogde herontwikkeling wordt dit pand behouden en in gebruik genomen als burgerwoning. Hiermee is het behoud van de cultuurhistorische waarde verzekerd. De Garstkampsestraat staat aangeduid als een weg van voor 1832. Ook deze weg blijft ongewijzigd bij de ontwikkeling. Een deel van de locatie is aangewezen als ‘overig vlakvormig groen’. Bij de herontwikkeling blijft het bestaande groen waar mogelijk aanwezig. Dit wordt versterkt door de nieuwe aanplant in het kader van het landschappelijk inpassingsplan. Hierbij is expliciet rekening gehouden met de landschappelijke en cultuurhistorische structuur.

De ontwikkeling brengt dan ook geen onevenredige schade toe aan cultuurhistorische elementen in of in de omgeving van het plangebied.

Bestemmingsplan ‘Garstkampsestraat 7, Overasselt’ | toelichting | augustus 2021

51

Afbeelding 28: Waardenkaart cultuurhistorie (bron: gemeente Heumen)

Afbeelding 29: Waarderingskaart cultuurhistorie (bron: gemeente Heumen)

Op de waarderingskaart is de locatie aangewezen als ‘middelmatig’. Door de (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen wordt geen bijdrage geleverd aan de cultuurhistorische waarde van het gebied. Bij de herinrichting van de locatie is onder andere gekeken naar archeologie en Bestemmingsplan ‘Garstkampsestraat 7, Overasselt’ | toelichting | augustus 2021

52

cultuurhistorie, naar de historisch-ruimtelijke situatie, de landschapsstructuur, kavelstructuur en de morfologie en korrelgrootte in het gebied. Met deze elementen als uitgangspunt is een zorgvuldige visie en inrichting bepaald. De toe te voegen woningen en met name de te realiseren erfbeplanting zullen hun positieve bijdrage leveren aan de cultuurhistorische karakteristiek van het gebied. Conclusie Gezien de beoogde verstoring van de ondergrond is archeologisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 7 en 8). Op grond van het onderzoek is een groot deel van het plangebied, waaronder de gronden waar de nieuwe woningen geprojecteerd zijn, vrijgegeven voor het aspect ‘archeologie’. Bij de ontwikkeling is geen sprake van aantasting van de cultuurhistorische waarden op de locatie of in de omgeving.

4.12.

Verkeer en parkeren

Verkeer Op dit moment heeft het plangebied één ontsluiting vanaf de Garstkampsestraat (zuidwestzijde bouwvlak). Ten behoeve van de nieuwe woningen wordt een ontsluiting toegevoegd, die de ingang vormt van de groene laan. De aan te leggen laan ligt op privé terrein, en vormt geen onderdeel van de openbare wegenstructuur. Dit betekent dat initiatiefnemers zelf verantwoordelijk zijn voor een passende en veilige inrichting (aanleg en onderhoud) van deze ontsluiting. Ook betekent het dat afvalinzameling zal plaatsvinden aan het begin van de laan, aan de openbare weg. De bestaande inrit aan de westzijde blijft in gebruik voor de woning Garstkampsestraat 7. De verkeersbewegingen ten dienste van het agrarisch bedrijf verdwijnen in de toekomstige situatie in zijn geheel. In plaats daarvan komen de verkeersbewegingen door de bewoners van de nieuwe woningen. Door de beëindiging van het agrarisch bedrijf zullen de verkeersbewegingen, met name van vrachtverkeer, per saldo afnemen. De Garstkampsestraat is zodanig vormgegeven dat deze de verkeersbewegingen van enkele extra woningen eenvoudig kan verwerken. Parkeren Door de beëindiging van het agrarisch bedrijf neemt de parkeer- en stallingsbehoefte op de locatie voor deze functie af. Voor de op te richten woningen is voldoende ruimte aanwezig om op eigen terrein te voorzien in de parkeerbehoefte.

Conclusie Het initiatief zal geen negatieve consequenties met zich meebrengen voor de verkeers- en parkeersituatie ter plaatse.

Bestemmingsplan ‘Garstkampsestraat 7, Overasselt’ | toelichting | augustus 2021

53

5.

Juridische planopzet

5.1.

Planstukken

Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en voorliggende toelichting. Bij de regels en toelichting horen een aantal bijlagen. De verbeelding en regels vormen de juridisch bindende elementen van het plan.

5.2.

Verbeelding

Op de verbeelding is de begrenzing van het plangebied vastgelegd, evenals de van toepassing zijnde bestemmingen in dit plan. De verbeelding is getekend op een digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1.000. De uitgangspunten uit de SVBP2012 zijn toegepast bij het tekenen van de bestemmingen en aanduidingen. Tevens is aangesloten op de systematiek die de gemeente Heumen hanteert voor de bestemmingen, zoals opgenomen in het plangebied. Het plangebied wordt gevormd door het agrarisch bouwvlak, aangevuld met de nieuwe laan met daaraan gekoppelde beplanting. De enkelbestemming voor de gronden ter plaatse van de ontsluiting met groeninpassing wijzigt niet ten opzichte van de geldende bestemming. Wel wordt voor het deel waarop de beplanting is voorzien, een specifieke aanduiding opgenomen.

5.3.

Regels

De regels zijn, conform de SVBP2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken: • • • •

Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels.

Bij de opzet van de regels is aansluiting gezocht bij het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Heumen 2009’ en enkele herzieningen voor soortgelijke initiatieven in de gemeente. 5.3.1.

Inleidende regels

In de inleidende regels staan de bepalingen die nodig zijn om de overige regels goed te kunnen lezen en toepassen. Daar waar begrippen zijn gedefinieerd in het Bro of de SVBP2012 zijn deze overgenomen. De begripsbepalingen (artikel 1) bevatten uitleg van de in het plan gebruikte begrippen die niet tot de algemeen bekend veronderstelde begrippen gerekend worden of in dit plan een specifieke uitleg kennen. De wijze van meten (artikel 2) bevat technische regelingen met betrekking tot het bepalen van hoogtes, oppervlaktes, etc..

Bestemmingsplan ‘Garstkampsestraat 7, Overasselt’ | toelichting | augustus 2021

54

5.3.2.

Bestemmingsregels

Voor het plangebied gelden de enkelbestemmingen ‘Agrarisch met waarden – Landschap’ en ‘Wonen’. De bestemmingsregelingen beginnen, overeenkomstig de SVBP2012, met een bestemmingsomschrijving, waarin in algemene bewoordingen wordt aangegeven waarvoor de gronden, waaraan de bestemming is toegekend, gebruikt mogen worden. Deze bestemmingsomschrijving wordt gevolgd door de bouwregels, waarin staat aangegeven onder welke voorwaarden bebouwing van deze gronden is toegestaan. Afhankelijk van de bestemming en de noodzakelijke regeling kunnen de bouwregels worden gevolgd door nadere eisen, specifieke gebruiksregels, omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (voormalige aanlegvergunning), omgevingsvergunning voor het slopen van bouwwerken (voormalige sloopvergunning) en wijzigingsbevoegdheden. Ook kunnen afwijkingsregels voor bebouwing en gebruik zijn opgenomen. Voor de delen van het plangebied waar de (hoofdstructuur van de) landschappelijke inpassing voorzien is, is een specifieke aanduiding opgenomen. Op grond van de regels geldt voor de gronden met deze aanduiding de verplichting om de inpassing conform het inpassingsplan te realiseren. De reeds geldende dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 1’ blijft van toepassing voor een beperkt deel van het plangebied.

Deze bestemming, gericht op de bescherming van eventuele archeologische resten in de bodem, kent dezelfde opbouw als de genoemde enkelbestemmingen. 5.3.3.

Algemene regels

Dit hoofdstuk bevat een aantal algemene regels, voor het gehele plangebied. Artikel 7: Anti-dubbeltelregel De anti-dubbeltelbepaling moet op grond van het Besluit ruimtelijke ordening worden opgenomen om bijvoorbeeld te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 9: Algemene gebruiksregels In dit artikel wordt aangegeven welk gebruik voor het gehele plangebied in elk geval als strijdig gebruik wordt beschouwd. Artikel 11: Algemene afwijkingsregels In deze regels wordt aan het bevoegd gezag de bevoegdheid gegeven om af te wijken van een aantal in het plan gestelde bouw- en gebruiksregels. Het gaat onder meer om beperkte afwijkingen, afwijkingen ten behoeve zend-, ontvangst- en sirenemasten en afwijken ten behoeve van kortdurende festiviteiten.

Bestemmingsplan ‘Garstkampsestraat 7, Overasselt’ | toelichting | augustus 2021

55

Artikel 12: Algemene wijzigingsregels In dit artikel is een aantal wijzigingsmogelijkheden opgenomen. Met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid ex artikel 3.6 Wro kunnen, onder voorwaarden, de volgende wijzigingen worden doorgevoerd; • • 5.3.4.

Wijzigen naar water, groen – landschappelijke beplanting en/ of natuur; Wijzigen voor het verwijderen van de archeologische dubbelbestemming. Overgangs- en slotregels

In de overgangsregels is het overgangsrecht vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Als laatste is de slotbepaling opgenomen, waarin de benaming van het plan is geregeld.

Bestemmingsplan ‘Garstkampsestraat 7, Overasselt’ | toelichting | augustus 2021

56

6.

Uitvoerbaarheid

6.1.

Economische uitvoerbaarheid

De voorgenomen beëindiging en sloop van het agrarisch bedrijf aan de Garstkampsestraat 7 en realisatie van één vrijstaande woning en een woongebouw met 3 woningen betreft een particulier initiatief. Datzelfde geldt voor de daartoe benodigde bestemmingsherziening. De initiatiefnemer, die eigenaar van de betreffende gronden is, fungeert als financiële drager van het onderhavige plan en heeft voor de uitvoering de benodigde financiële middelen gereserveerd. Tot de uitvoering behoren ook de aanleg van nutsvoorzieningen en realisatie van de benodigde ontsluitingsstructuur. De gemeente beperkt zich tot het verlenen van planologische medewerking aan de uitvoering van het plan. Voor het overige zijn er geen gemeentelijke financiën met het project gemoeid. Overeenkomstig de bepalingen in hoofdstuk 6 van de Wet ruimtelijke ordening is voor voorliggende ontwikkeling geen exploitatieplan noodzakelijk. Met de gemeente wordt een anterieure overeenkomst gesloten, waarin ook het onderdeel ‘planschade’ wordt verankerd.

6.2.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De bestemmingswijziging vindt plaats op een perceel dat eigendom is van de initiatiefnemer. Het plan zorgt voor een verbetering van de visuele en milieukundige uitstraling van de locatie door het verdwijnen van de verouderde veehouderij en daarbij behorende bedrijfsgebouwen. De voorgenomen landschappelijke inpassing zorgt voor kwaliteitswinst. Met het initiatief worden woningen gebouwd voor doelgroepen senioren en jongeren, waaraan veel behoefte is. Er mag worden aangenomen dat tegen onderhavig plan geen overwegende bezwaren bestaan. Het Dorpsplatform Overasselt is reeds op de hoogte gebracht van de beoogde planontwikkeling en heeft hiervoor een aanbeveling afgegeven.

6.3.

Procedure

Het ontwerp van het bestemmingsplan ‘Garstkampsestraat 7, Overasselt’ doorloopt de procedure van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het ontwerp bestemmingsplan heeft vanaf 11 juni 2021 tot en met 22 juli 2021 voor eenieder ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn zijn geen zienswijzen ingediend tegen het plan. De raad stelt het bestemmingsplan vast. Het vastgestelde bestemmingsplan wordt vervolgens nog zes weken voor een ieder ter inzage gelegd. Tijdens deze ter inzage termijn hebben belanghebbenden de mogelijkheid hun bezwaren kenbaar te maken middels een beroep bij de Raad van State.

Bestemmingsplan ‘Garstkampsestraat 7, Overasselt’ | toelichting | augustus 2021

57

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10560055/1