CConstaterende datHeumen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage V Vast te stellen bestemmingsplan – toelichting

Raad 2 februari 2023, gemeente HeumenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan "Oude Boterdijk, Heumen"15.769 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Verantwoording Over A73 worden gevaarlijke stoffen vervoerd. De risico’s zijn met name gelegen in ongelukken6: - met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch scenario). Het besluitgebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de A73. De kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen binnen het plangebied is zeer klein. Er bestaan geen feitelijke mogelijkheden om middels dit bestemmingsplan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp direct te beïnvloeden. De bestrijding vindt voor zover mogelijk plaats bij de risicobron. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het plangebied bij eventuele calamiteiten over het algemeen goed bereikbaar is voor de hulpdiensten.

De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de weg een ramp voordoet (zelfredzaamheid).

Door de ligging binnen het invloedsgebied van het transport van toxische vloeistoffen en brandbare gassen wordt hierna alleen ingegaan op een toxisch scenario in de vorm van een toxische gaswolk en het ontstaan van een BLEVE. Toxische gifwolk Voor blootstelling aan een toxische gaswolk, biedt “schuilen” in combinatie met het sluiten van ramen en deuren de eerste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Nieuwe bouwwerken zijn veelal goed geïsoleerd, waardoor deze woningen voor na het incident, een goede bescherming bieden tegen

6

Gezien de afstand tussen het plangebied en de A73 reiken de effecten van een BLEVE niet tot het.

Hoofdstuk 4

30

het binnendringen van het toxisch gas. De personen in het plangebied zijn in het algemeen als zelfredzaam te beschouwen. Vluchten is een andere wijze van zelfredzaamheid bij een toxische gaswolk. Het plangebied is goed ontsloten en er zijn vluchtroutes in meerdere richtingen aanwezig. Algemeen Van belang is verder dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en mogelijk in de toekomst via NL-alert. Verder informeert de veiligheidsregio c.q. gemeente haar inwoners over de handelingsstrategie bij calamiteiten.

Conclusie Vanuit het aspect ‘externe veiligheid’ bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.2.6 Milieuzonering Algemeen Een goede ruimtelijke ordening voorziet onder andere in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven of inrichtingen) en gevoelige functies (zoals woningen) kan dit gerealiseerd worden. Het is aan de ene kant zaak om te voorkomen dat er hinder en gevaar voor gevoelige bestemmingen ontstaat en aan de andere kant dient aan bedrijven voldoende zekerheid te worden geboden dat zij niet in hun activiteiten worden beperkt door nieuwe gevoelige functies. Om te bepalen of tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies voldoende afstand in acht wordt genomen, wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009. In deze publicatie worden indicatieve richtafstanden gegeven voor de vier ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De gegeven afstanden zijn richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in specifieke situaties mogelijk zijn (indien benoemd en gemotiveerd).

Toetsing De beoogde woningen vormen zelf geen functie die volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ gezoneerd dient te worden ten opzichte van milieugevoelige functies in de omgeving. Medewerking aan dit project is echter pas mogelijk indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in de woning gegarandeerd is, alsmede dat bedrijven in de omgeving door de woonfunctie niet in hun activiteiten worden gefrustreerd. In de directe omgeving van het plangebied zijn slechts enkele niet-woonfuncties gelegen. Dit betreffen hoofdzakelijk maatschappelijke- en bedrijfsbestemmingen. De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor doeleinden ten behoeve van onderwijs, openbaar bestuur, religieuze functies, sport- en spelaccommodaties, medische-sociale functies, maatschappelijke en culturele functies.

Hoofdstuk 4

31

Dit zijn functies die behoren tot maximaal milieucategorie 2. De richtafstand tussen deze functies en woningen bedraagt ingevolge voornoemde brochure 10 (milieucategorie 1) of 30 (milieucategorie 2) meter in het gebiedstype ‘rustige woonwijk’. Als de omgeving wordt aangemerkt als ‘gemengd gebied’ kunnen de richtafstanden volgens de brochure met één afstandstrap worden verlaagd. In een gemengd gebied zou voor een milieucategorie 2 bedrijf zodoende een richtafstand van 10 meter tot gevoelige objecten, zoals woningen, kunnen worden aangehouden. Onderhavig plangebied is gezien de omliggende menging van functies (diverse maatschappelijke functies, wonen en kantoor) aan te merken als een ‘gemengd gebied’. In de directe nabijheid van het plangebied is een beperkt aantal inrichtingen gelegen. Hiervan wordt in de onderstaande tabel een overzicht gegeven. Hierbij is uitgegaan van de maximale milieucategorie op basis van het vigerend bestemmingsplan. In de laatste kolom ‘afstand’ wordt de afstand tussen het bestemmingsvlak en de uiterste grens van het plangebied weergegeven. Bestemming

Functie

Cat.

Richtafstand

Richtafstand ‘gemengd

Afstand

gebied’ ‘Bedrijf’

Smederij

3.1

50 m

30 meter

10 m

‘Maatschappelijk’

Basisschool

2

30 m

10 meter

190 m

‘Maatschappelijk’

Diverse centrumfuncties

2

30 m

10 meter

210 m

Tabel 1: Overzicht omliggende bestemmingen en richtafstanden

Op basis van de bovenstaande tabel is zichtbaar dat enkel ten aanzien van één inrichting niet voldaan kan worden aan de richtafstand. Dit betreft de smederij aan de overkant van het plangebied aan de Oude Boterdijk. De ligging ten opzichte van dit bedrijf, en de in het bestemmingsplan opgenomen gebiedsaanduiding ‘geluidzone – industrie’, is reeds beschreven in paragraaf 4.2.2. ‘Geluidhinder’. Geconcludeerd kan worden dat uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek industrielawaai blijkt dat het bedrijf niet beperkt wordt in haar bedrijfsvoering (en de vergunde activiteiten). Hiermee vormt de ligging van de woningen ten opzichte van deze bedrijvigheid geen belemmering. De beoogde drie woningen liggen verder op ruim voldoende afstand van de overige twee maatschappelijke functies, te weten de basisschool en diverse centrumfuncties. De maatschappelijke inrichtingen worden derhalve door onderhavige ontwikkeling niet beperkt in haar beschikbare geluidruimte. Daarnaast worden de woningen ook niet belemmert door de ligging ten opzichte van deze maatschappelijke functies. Tussen de opgesomde maatschappelijke functies en het plangebied bevinden zich daarnaast al meerdere reeds bestaande woningen. Deze dichterbij gelegen woningen zijn daarmee bepalender voor de ontwikkelingsmogelijkheden van deze maatschappelijke functies.

Conclusie Vanuit het aspect ‘bedrijven en milieuzonering’ bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van onderhavig planvoornemen.

Hoofdstuk 4

32

4.2.7 M.e.r.-plicht Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Die geldt nu voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de Dlijst valt. In het Besluit milieueffectrapportage zijn in artikel 2, lid 1 als activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (en waarvoor op grond van de Wet milieubeheer dus de verplichting geldt om een milieueffectrapportage op te stellen), aangewezen de activiteiten die behoren tot een in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit genoemde categorie. De beoogde ontwikkeling komt in het besluit m.e.r. niet voor in de bijlage C. Er is dus geen sprake van een verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Daarnaast is het de vraag of de beoogde ontwikkeling wel onder categorie D11.2 (stedelijk ontwikkelingsproject) van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. valt.

Jurisprudentie Voor wat betreft de vraag óf sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraken van 15 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:694), 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) en 18 juli 2018 (ECLI:RVS: 2018:2414) bepaald dat:  het begrip ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ ruimte laat voor interpretatie;  het afhangt van de concrete omstandigheden van het geval of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit-mer, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen;  het antwoord op de vraag of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan, niet doorslaggevend is voor het zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit-mer. Uit jurisprudentie is duidelijk geworden welke concrete omstandigheden een kunnen rol spelen bij het bepalen of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Daarbij spelen onder meer aspecten als ‘aard’ en ‘omvang’ van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol. Onderstaand worden een aantal aspecten benoemd die een rol spelen bij de vraag of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject.

 de concrete omstandigheden van het geval, waarbij de aard en omvang van het project van belang zijn; Onderhavige ontwikkeling voorziet in de realisatie van 3 woningen. Daarnaast wordt voorzien in de realisatie van een kleinschalige parkeergelegenheden op eigen terrein. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 1.706 m2.  het gebied waarin de ontwikkeling plaats zal vinden; De beoogde ontwikkelingen vinden allemaal plaats binnen bestaand stedelijk gebied. Daarnaast grenzen de ontwikkelingen direct aan een reeds bestaande woonpercelen.

Hoofdstuk 4

33

de uitbreiding van de bebouwing (indien sprake is van een bestaand gebouw); In de huidige situatie staat er een schuur op het plangebied, en is het plangebied verder grotendeels onbebouwd. Onderhavig plan voorziet in de sloop van de schuur en de realisatie van 3 woningen. De netto oppervlakte aan bebouwing zal hierdoor slechts in beperkte mate toenemen. de mogelijkheden op grond van het bestemmingsplan; Het plangebied is gelegen binnen het vigerend bestemmingsplan ‘Kernen Heumen, Overasselt, Nederasselt en Molenhoek’, dat is vastgesteld door de gemeenteraad van Heumen op 27 juni 2013. De gronden hebben reeds deels de bestemming ‘Wonen’ en ‘Tuin’. De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn in principe reeds geschikt voor de beoogde woonfunctie. Ter plaatse van de bestemming ‘Tuin’ zijn de gronden bestemd voor tuinen, parkeren en ondergeschikte bouwdelen van op de aangrenzende gronden staande (hoofd)gebouwen van woningen (zoals bijvoorbeeld stoepen). Het functioneel gebruik van de gronden binnen het plangebied ten behoeve van een woonfunctie is derhalve reeds toegestaan. Enkel de feitelijke realisatie van hoofdgebouwen is nog niet toegestaan. de milieugevolgen. De beoogde ontwikkeling heeft in navolging van de uitwerking in hoofdstuk 4 geen nadelige milieugevolgen.

Conclusie Onderhavige ontwikkeling vindt plaats binnen bestaand stedelijk gebied, waarbij de ontwikkeling een beperkte omvang heeft en voornamelijk voorzien wordt in kleinschalige infrastructurele voorzieningen en de realisatie van 3 woningen. Bovendien zal middels onderhavig planvoornemen de reeds bestaande schuur worden gesloopt. Daarnaast zijn er geen belemmerende milieuaspecten voorzien, welke een negatieve invloed hebben op de beoogde ontwikkeling of omliggende omgeving. Gezien de aard, omvang, milieugevolgen en ligging kan gesteld worden dat onderhavig initiatief niet kan worden aangemerkt als een ‘stedelijk ontwikkelingsproject’ als bedoeld in categorie D11.2 van het Besluit m.e.r. Zodoende is geen m.e.r.- of (al dan niet vormvrije) m.e.r.-beoordeling noodzakelijk.

4.3 Archeologie en cultuurhistorie 4.3.1 Archeologie In de Erfgoedwet is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect ‘archeologie’ in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Erfgoedwet zijn als volgt:  De archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard;  Er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect archeologie. De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag waar het gaat om het toetsen van bestemmingsplannen op het aspect archeologie en de uit onderzoek voortkomende rapporten.

Hoofdstuk 4

34

Toetsing De onderzoekslocatie ligt volgens de Archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Heumen (2013) grotendeels in een zone met een lage archeologische verwachting. Het westelijk deel van de onderzoekslocatie ligt in een zone met een hoge archeologische verwachting.

Uitsnede Archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Heumen (plangebied in het rode kader)

Conform het vigerend bestemmingsplan geldt voor het gehele plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 1’. De voor ‘Waarde - Archeologische verwachting 1’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor bescherming en veiligstelling van de te verwachten archeologische waarden van de gronden. Het is binnen deze dubbelbestemming verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,40 m vanaf maaiveld, over een oppervlakte van meer dan 200 m 2.

Hoofdstuk 4

35

Deze grenswaarden van 200 m2 wordt ten aanzien van het planvoornemen overschreden en derhalve is een archeologisch onderzoek7 uitgevoerd door ADC ArcheoProjecten. Hieronder worden de conclusies uit het onderzoek beschreven. Voor een volledige weergaven van de rapportage wordt verwezen naar de separate bijlagen Noordelijk plandeel ADC ArcheoProjecten adviseert om het noordelijk deel van het plangebied waar de huidige stal is gesitueerd, vrij te geven voor wat betreft archeologie. Zuidelijk plandeel In het zuidelijk deel van het plangebied, momenteel in gebruik als grasland, kan een vindplaats daterend vanaf het Laat-Paleolithicum niet worden uitgesloten. Al zal de informatiewaarde van een eventuele vindplaats waarschijnlijk niet groot zijn door de kleine afmetingen van het terrein, kan er voor worden gekozen om middels enkele karterende boringen te controleren of er al dan niet sprake is van een vindplaats. Als dit geen vondstmateriaal oplevert, wordt verder onderzoek niet nodig geacht en kan het plangebied naar verwachting worden vrijgegeven. Extra karterende boringen kunnen plaatsvinden met een 12 cm boor in een boorgrid van 13x15 m waarbij het opgeboorde materiaal moet worden gezeefd met een 3 mm zeef conform de KNA leidraad karterend booronderzoek. Hiermee kan een eventuele middelgrote vuursteenvindplaats worden opgespoord.

Ook kan hiermee een nederzetting worden opgespoord die wordt gekenmerkt door een vondsstrooiing van overwegend aardewerk. Zodoende is voor het zuidelijke deel een vervolgonderzoek uitgevoerd in de vorm van een proefsleuvenonderzoek8. Hieronder worden de bevindingen van het uitgevoerde proefsleuvenonderzoek samengevat. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Voorafgaand aan de ontwikkeling is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Op basis van bureauen booronderzoek en de daaruit voortgekomen gegevens ten aanzien van vindplaatsen in de directe omgeving van het onderzoeksterrein werden bewoningssporen uit de late prehistorie (ijzertijd) en jonger verwacht. Het proefsleuvenonderzoek stelde die verwachting voor het onderzoeksterrein echter bij naar Late Middeleeuwen tot heden, waarbij werd vastgesteld dat het terrein in elk geval binnen twee afzonderlijke, elkaar mogelijk deels overlappende perioden gebruikt is. Er werden namelijk sporen en vondsten uit de Late Middeleeuwen / Nieuwe tijd en uit de eerste helft van de 20e eeuw, deels specifiek te relateren aan de Tweede Wereldoorlog, aangetroffen. De verwachting op basis van het proefsleuvenonderzoek is uiteindelijk bij de direct daarop volgende definitieve opgraving bevestigd. Het merendeel van de sporen is namelijk aan de vindplaats uit de Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd te relateren.

Daarnaast zijn in totaal zijn zes kuilen uit de eerste helft van de 20e eeuw aangetroffen, waaronder een mogelijk schuttersputje of mangat en een afvalkuil die met zekerheid in de Tweede Wereldoorlog dateren. 7 8

ADC ArcheoProjecten, Oude Boterdijk – Batavierenstraat (Sectie I, Nr. 963) te Heumen,gemeente Heumen, projectnr.: 5424, d.d. 22 april 2021 ADC ArcheoProjecten, proefsleuvenonderzoek Oude Boterdijk te Heumen, projectnr. 5955_4230562, d.d. november 2022

Hoofdstuk 4

36

Conclusie archeologie Er zijn tijdens het onderzoek een aantal opgravingen gedaan. Deze zijn in het desbetreffende rapport allemaal omschreven. Het gehele plangebied is opgegraven en is zodoende vrijgegeven. Er bevinden zich geen archeologisch waardevolle objecten meer in het plangebied. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 4.3.2 Cultuurhistorie Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a Bro) dient in het plan rekening gehouden te worden met cultuurhistorie. Cultuurhistorie heeft onder andere betrekking op de historische stedenbouwkundige en historisch geografische waarden in het gebied. In het plan moet beschreven worden hoe met de in het gebied aanwezige waarden en de aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. Toetsing De gemeente Heumen heeft samen met de gemeenten Beuningen, Druten en Wijchen de beleidsnota ‘Cultuurhistorie: samen in verscheidenheid’ opgesteld.

De beleidsnota geeft een visie en ambitie op de omgang met het (bovengrondse) cultureel erfgoed in de vier gemeenten.

Uitsnede cultuurhistorische waarderingskaart (plangebied in het rode kader)

Hoofdstuk 4

37

Blijkens de provinciale cultuurhistorische waardenkaart worden er, ten aanzien van de thema’s historische geografie en historische stedenbouw en archeologie, geen waarden toegekend aan het plangebied. Volgens de Cultuurhistorische waarderingskaart van de gemeente Heumen is aan het plangebied een zeer lage waardering toegekend. Het planvoornemen vormt tevens een opvulling van een gat aan het bebouwingslint aan de Oude Boterdijk. In de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich verder geen cultuurhistorische waarden. Derhalve kan geconcludeerd worden dat er vanuit cultuurhistorie geen belemmeringen zijn ten aanzien van onderhavig planvoornemen. Conclusie cultuurhistorie Vanuit het aspect cultuurhistorie bestaan er geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling.

4.4 Leidingen en infrastructuur Blijkens het geldende bestemmingsplan en de Risicokaart Nederland zijn in of rond het plangebied geen kabels of leidingen gelegen met een planologisch relevante beschermingszone die van invloed zou kunnen zijn op de voorgenomen ontwikkeling.

4.5 Ecologie Algemeen De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid De provinciale groenstructuur, bestaande uit beschermingszones van verschillende typen (waaronder de Goudgroene en Zilvergroene natuurzones), is ruimtelijk vastgelegd in het POL welke is vastgesteld op 12 december 2014.

De Goudgroene natuurzone vormt het netwerk aan bestaande natuurgebieden (voormalige EHS) en nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. De beheergebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot de Zilvergroene natuurzone. In het

Hoofdstuk 4

38

Provinciaal Natuurbeheerplan zijn de na te streven doelen weergegeven op het gebied van (agrarisch) natuur- en landschapsbeheer. De feitelijke beleidsmatige gebiedsbescherming vindt plaats middels de uitwerking van het provinciaal beleid in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Soortenbescherming Wat betreft soortenbescherming is de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. De soortenbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend.

Vanaf 1 januari 2017 moet, onder de Wet natuurbescherming, bij ruimtelijke ontwikkelingen naast de zorgplicht ook rekening gehouden worden met juridisch zwaarder beschermde soorten vanuit nationaal en Europees oogpunt. Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit ‘bijlage A en B’ van de Wet natuurbescherming. Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). Op de ‘Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten’ van het Ministerie van LNV (augustus 2009) wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën vogelnesten. Van de meeste vogelsoorten zijn de nesten uitsluitend beschermd wanneer deze tijdens de broed- en nestperiode in gebruik zijn. Het gaat om soorten die jaarlijks nieuwe nesten maken. Van een aantal soorten roofvogels en uilen, koloniebroeders en gebouw bewonende vogelsoorten (‘categorie 1-4 soorten’) zijn de nesten en de functionele leefomgeving jaarrond beschermd. Ten slotte is er een categorie nesten van vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed, maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om, als die broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen (‘categorie 5-soorten’).

Vooralsnog is het uitgangspunt dat deze indeling gehandhaafd blijft, totdat de provincies deze hebben aangepast en vastgesteld. Houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbe-

Hoofdstuk 4

39

scherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Toetsing In het kader van onderhavig plan is door BRO een quickscan flora en fauna9 uitgevoerd ter plaatse van het plangebied. Hieronder worden conclusies uit dit onderzoek kortstondig toegelicht. Voor een volledige weergave van de rapportage wordt verwezen naar de separate bijlagen. Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, “Sint Jansberg”, bevindt zich op circa 5,1 kilometer afstand ten oosten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect als gevolg van storingsfactoren als toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het plangebied zijn externe effecten als gevolg van aspecten als licht, geluid en trillingen uitgesloten. Gezien de aard van de voorgenomen ontwikkeling, is mogelijk sprake van een toename aan stikstofuitstoot. Negatieve effecten vanwege stikstofdepositie op Natura 2000gebieden kunnen niet op voorhand worden uitgesloten.

Daarom is een AERIUS-berekening10 uitgevoerd voor de aanleg- en de gebruiksfase. Uit deze berekeningen blijkt dat bij beide fasen geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar. Vanuit het aspect stikstofdepositie zijn er hierdoor geen belemmeringen voor de voorliggende ontwikkeling. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige rapportage. Het plangebied is niet gelegen binnen het Gelders natuurnetwerk (GNN) of de Groene ontwikkelingszone (GO). Het dichtstbijzijnde onderdeel van het GNN ligt ongeveer 164 meter ten noorden van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het GNN wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

Soortenbescherming Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen:  Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten;  In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. 9

BRO, Quickscan Flora en Fauna Oude Boterdijk te Heumen. d.d. 1 maart 2021 BRO, AERIUS-berekening voor Oude Boterdijk, Heumen. d.d. 17 mei 2022

10

Hoofdstuk 4

40

Houtopstanden Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt en er geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Conclusie Vanuit de aspecten ‘gebiedsbescherming’, ‘soortbescherming’ en ‘houtopstanden’ bestaan er geen belemmeringen in relatie tot onderhavige ontwikkeling.

4.6 Verkeer en parkeren Verkeer Het voorliggende initiatief betreft de toevoeging van 3 woningen, met stedelijkheidsgraad ‘weinig stedelijk’ in ‘rest bebouwde kom.’ De verwachte verkeersaantrekkende werking van het planvoornemen is berekend op basis van de CROW-publicatie 381 "Toekomstbestendig parkeren". Hierbij is uitgegaan van drie vrijstaande koopwoningen in ‘rest bebouwde kom’ van de gemeente Heumen (weinig stedelijke gemeente). In totaal worden er 2711 verkeersbewegingen per etmaal gegenereerd op een gemiddelde weekdag met de voorgenomen ontwikkeling. De woningen binnen onderhavig plangebied worden direct ontsloten op de Oude Boterdijk. Gezien het wegprofiel van de omliggende wegen kan deze verkeersgeneratie in voldoende mate worden opgevangen. Het gebied blijft goed ontsloten voor (langzaam) verkeer. Parkeren In het kader van parkeerbehoefte is eveneens gebruik gemaakt van de CROW-publicatie ‘Toekomstbestendig parkeren: Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’ (2018). Hierbij is gebruik gemaakt van dezelfde omgevingstypen (te weten: woningen categorie ‘koophuis, vrijstaand’ met stedelijkheidsgraad ‘weinig stedelijk’ in ‘rest bebouwde kom’). Conform CROW-publicatie 381 is binnen onderhavig geval sprake van een minimale parkeerbehoefte van 1,9 parkeerplaatsen per woning en maximaal 2,7 parkeerplaatsen per woning.

Wanneer uitgegaan wordt van de maximale parkeerbehoefte geldt dat er per woonkavel 3 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. De gemeente heeft reeds aangegeven dat parkeerplaatsen op eigen terrein dienen te worden opgeleverd. Gezien de omvang van de kavels kan de bekeerbehoefte op eigen terrein worden opgevangen Vanuit het aspect bestaan derhalve geen belemmeringen. Conclusie Vanuit de aspecten ‘verkeer en parkeren’ bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van onderhavig plan.

11

Voor de volledigheid zijn ook twee zware vrachtbewegingen meegenomen per week (bewegingen voor bijvoorbeeld een vuilniswagen

Hoofdstuk 4

41

4.7 Waterhuishouding Beleidskader Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld. Nationaal:  Nationaal Waterplan;  Waterbeleid voor de 21ste eeuw (WB21);  Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW);  Waterwet. Provinciaal:  Regionaal Waterprogramma Gelderland;  Omgevingsverordening Gelderland. Beleid waterschap Op 27 november 2015 heeft het bestuur van Waterschap Rivierenland het Waterbeheerprogramma 2016-2021 vastgesteld, met als titel ‘Koers houden, kansen benutten.’ Met dit programma blijft het waterschap op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om het afvalwater effectief te zuiveren. Bij de uitvoering van het programma beweegt het waterschap mee met de (klimaat)veranderingen om ons heen en benut zij de kansen die zich voordoen in de regio. Het waterbeheerprogramma beschrijft wat het waterschap in de planperiode (2016-2021) wil bereiken en hoe zij dat willen bewerkstelligen.

De drie speerpunten van het Waterbeheerprogramma zijn:  Veel dijkverbeteringen: in het waterbeheerprogramma staat bescherming tegen overstromingen voorop. In de komende jaren zullen veel dijkverbeteringen in het rivierengebied plaatsvinden. Daarbij houdt het waterschap rekening met nieuwe normen voor waterveiligheid en met de belangen van de omgeving. Dijkverbeteringen worden op veel plaatsen innovatief uitgevoerd. Hierdoor kan het waterschap de overlast voor de omgeving beperken en efficiënter werken.  Innovatie bij zuivering afvalwater: rioolwater is niet langer alleen maar afvalwater; het is ook een bron van nuttige energie en grondstoffen. In het waterbeheerprogramma neemt het waterschap zich voor steeds meer technieken toe te passen om grondstoffen en energie terug te winnen uit het afvalwater.  Klimaatbestendig watersysteem: het klimaatbestendig maken van het watersysteem is een van de aandachtspunten in het beheerprogramma. De zorg voor de bescherming van het drinkwater is een wettelijke taak van de provincie. De provincie Gelderland heeft in de omgevingsverordening de bescherming van het water meegenomen in de kaart ‘Water en Milieu’. Conform deze kaart liggen er met het oog op onderhavig plangebied geen specifieke waterkundige waarden.

Hoofdstuk 4

42

Kenmerken van het watersysteem Grondwater en waterkwaliteit Het plangebied ligt niet binnen een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied of een boringsvrije zone. Het is van belang in het plangebied verontreiniging als gevolg van afstromend hemelwater te voorkomen. Om de waterkwaliteit te garanderen wordt geadviseerd bij de aanleg van de in het plangebied te realiseren gebouwen geen gebruik te maken van uitlogende materialen. Daarnaast dient het gebruik van strooizout en chemische onkruidbestrijdingsmiddelen in het plangebied zoveel mogelijk te worden voorkomen. Oppervlaktewater Binnen het plangebied en de directe omgeving bevindt zich conform de ‘Leggerkaart’ van Waterschap Rivierenland geen primair oppervlaktewater waarmee rekening gehouden dient te worden. Middels de voorliggende ontwikkeling wordt ook geen primair oppervlaktewater gerealiseerd. Hemel- en afvalwater Het afvalwater binnen het plangebied zal geloosd worden op het bestaande rioolstelsel. Het hemelwater dat terechtkomt op de nieuw op te richten bebouwing wordt niet afgevoerd via het riool, maar afgekoppeld. Het regenwater dat afstroomt van de daken en verhardingen wordt binnen het plangebied opgevangen en geïnfiltreerd. Het regenwater zal in géén geval afgegeven mogen worden op het gemeentelijke rioleringsstelsel.

Omdat middels het voorliggende bestemmingsplan slechts een kader wordt gecreëerd waarbinnen het toekomstig bouwplan dient te worden gerealiseerd, is in dit bestemmingsplan geen uitwerking van het infiltratiesysteem tot op detailniveau opgenomen. De exacte wijze waarop met hemelwater zal worden omgegaan, wordt uitgewerkt in het kader van de in de toekomst aan te vragen omgevingsvergunning voor het bouwen. Overleg waterbeheerder Waterschap Rivierenland heeft aangegeven dat plannen waarbij de toename van de hoeveelheid verhard oppervlak kleiner dan 1.500 m² bedraagt, niet hoeven te worden voorgelegd aan het watertoetsloket. Aangezien de toename van de hoeveelheid verhard oppervlak minder zal bedragen dan 1.500 m² en er voor het overige geen waterschap belangen in het geding zijn, hoeft het initiatief niet aan het waterschap te worden voorgelegd. Conclusie Als gevolg van de realisatie van de woningen treden geen negatieve effecten op met betrekking tot de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse en staat het aspect water de uitvoering van het plan niet in de weg.

Hoofdstuk 4

43

5.

JURIDISCHE ASPECTEN

5.1 Planonderdelen Het onderhavige bestemmingsplan is vervat in een verbeelding, de planregels en de toelichting. De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van de aanwezige bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk worden de diverse bepalingen artikelsgewijs besproken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding zijn de bestemmingen weergegeven. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. Ten aanzien van de gehanteerde bestemmingsplanregels in onderhavig plan is aansluiting gezocht bij het vigerend bestemmingsplan ‘Kernen Heumen, Overasselt, Nederasselt en Molenhoek’, zoals vastgesteld op 27 juni 2013 door de gemeenteraad van de gemeente Heumen.

Het onderhavige bestemmingsplan is opgesteld conform de landelijke richtlijn voor bestemmingsplannen (SVBP 2012), alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

5.2 Toelichting op de verbeelding De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:500. Opgenomen is een bestemming ‘Wonen’. Ter plaatse van de bestemming ‘Wonen’ zijn in totaliteit maximaal 3 woningen voorzien binnen twee bouwvlakken. Voor het noordelijke bouwvlak is de maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 1’ opgenomen. Voor het zuidelijke bouwvlak is de maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 2’ opgenomen. Zodoende zijn ter plaatse van het zuidelijke bouwvlak maximaal twee woningen toegestaan, maar kan hier in potentie ook maar één woning gerealiseerd worden. Aan de voorzijde is de bestemming ‘Tuin’ opgenomen.

Hoofdstuk 5

44

5.3 Toelichting op de planregels De regels leggen de gebruiksmogelijkheden van de gronden en de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing vast. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten:  Hoofdstuk 1: Inleidende regels;  Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels;  Hoofdstuk 3: Algemene regels;  Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels. 5.3.1 Inleidende regels Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken / percelen gemeten moeten worden. 5.3.2 Bestemmingsregels De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd:  bestemmingsomschrijving;  bouwregels;  nadere eisen;  afwijken van de bouwregels;  specifieke gebruiksregels;  afwijken van de gebruiksregels;  omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;  omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;  wijzigingsbevoegdheid.

Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. De bestemmingsomschrijving betreft de centrale bepaling van elke bestemming. Het betreft een omschrijving waarin limitatief de functies worden genoemd, die binnen de bestemming zijn toegestaan. De bouwregels zijn direct gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving. Ook het gebruik van gronden

Hoofdstuk 5

45

en bebouwing is gekoppeld aan de bestemmingsomschrijving. In de bouwregels staan uitsluitend bepalingen die betrekking hebben op het bouwen. Bouwregels zijn dan ook alleen van toepassing bij de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning. De afwijking van de bouwregels geven het bevoegd gezag de bevoegdheid om onder voorwaarden afwijking te verlenen van een specifieke regel. De specifieke gebruiksregels vormen een nadere concretisering van het toegestane gebruik. De afwijking van de gebruiksregels heeft tot doel bepaald gebruik wat eerder is uitgesloten onder voorwaarden wel toe te laten. Onderstaand worden de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht. ‘Tuin’ De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen, parkeren en ondergeschikte bouwdelen van op de aangrenzende gronden staande (hoofd)gebouwen van woningen (zoals stoepen, stoeptreden, hellingbanen, funderingen, balkons, erkers, entreeportalen, veranda's, overkappingen en afdaken). Daarnaast zijn bijbehorende bebouwing, voorzieningen voor de waterhuishuiding en (on)bebouwde gronden toegestaan. ‘Wonen’ De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor woningen, al dan niet in combinatie met een aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsmatige activiteit, bed & breakfast en/of kamerverhuur.

Daarnaast zijn de gronden bestemd voor bijbehorende bebouwing, wegen en paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven. Hoofdgebouwen mogen uitsluiten binnen het bouwvlak gerealiseerd worden. Hoofdgebouwen mogen worden gebouwd in de vorm van vrijstaande woningen. Ook is de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ opgenomen. Het aantal woningen mag niet meer bedragen dan hier aantal woningen dat binnen deze maatvoering is aangegeven. De afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt bij vrijstaande woningen minimaal 2,5 meter. De diepte alsook de breedte van nieuw te bouwen woningen mag maximaal 15 meter bedragen. De goothoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 6 meter. Daarnaast mag de bouwhoogte van een hoofdgebouw niet meer bedragen dan 10 meter. De gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen per hoofdgebouw mag maximaal 50 m2 bedragen. 5.3.3 Algemene regels In de Anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning waarin uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk.

Hoofdstuk 5

46

In de Algemene bouwregels zijn nadere bepalingen opgenomen omtrent bestaande afwijkende maatvoeringen en ondergronds bouwen. In de Algemene gebruiksregels is een nadere bepaling opgenomen met betrekking het strijdig gebruik van de gronden. De Algemene afwijkingsregels verschaft het bevoegd gezag de gewenste beleidsruimte om bij de uitvoering van het plan te kunnen inspelen op gegevens of situaties die vooraf niet bekend kunnen zijn. In het artikel Overige regels zijn de overige zaken geregeld die niet elders kunnen worden ondergebracht, te weten de aanvullende werking Bouwverordening en verwijzingen naar geldende wet- en regelgeving. 5.3.4 Overgangs- en slotregels In de regel Overgangsrecht is geregeld in hoeverre en onder welke voorwaarden bestaande gebouwen en het bestaand gebruik van gronden en bouwwerken mogen afwijken van het plan. In de Slotregel is aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 5

47

6.

HANDHAVING

Een bestemmingsplan is voor de gemeente een belangrijk instrument om haar ruimtelijk beleid vorm te geven. Door middel van een combinatie van positieve bestemmingen en het uitsluiten van bepaalde activiteiten en functies kan een sturing plaatsvinden van gewenste en ongewenste ontwikkelingen. Een belangrijk aspect hierbij is de handhaving en het toezicht op de naleving van het bestemmingsplan. Deze handhaving is van cruciaal belang om de in het plan opgenomen ruimtelijke kwaliteiten ook op langere termijn daadwerkelijk te kunnen vasthouden. Daarnaast is de handhaving van belang uit een oogpunt van rechtszekerheid: alle bewoners en gebruikers dienen door de gemeente op een zelfde wijze daadwerkelijk aan het plan worden gehouden. In dit bestemmingsplan is daarom allereerst gestreefd naar een zo groot mogelijke eenvoud van in het bijzonder de planregels. Hoe groter de eenvoud (en daarmee de toegankelijkheid en leesbaarheid), hoe groter in de praktijk de mogelijkheden om toe te zien op de naleving van het plan. Bewust zijn in het plan geen detailbepalingen opgenomen die – hoewel misschien op zichzelf niet onwenselijk – in de praktijk niet kunnen worden gehandhaafd. In het verlengde daarvan is zoveel mogelijk afgezien van bepalingen die door de bewoners en andere gebruikers als een onnodige beperking van hun vrijheid kunnen worden gevoeld.

Hoe minder knellend de planregels zijn, hoe kleiner de kans dat het met de regels wat minder nauw wordt genomen. In de praktijk worden op den lange duur immers ook alleen die regels gerespecteerd waarvan door de betrokkenen de noodzaak en de redelijkheid wordt ingezien. In de bouwregels zijn maten opgenomen die van toepassing zijn op gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Te realiseren gebouwen en andere bouwwerken moeten voldoen aan deze maatvoering, zo niet, dan kan het college van burgemeester en wethouders geen omgevingsvergunning voor het bouwen verlenen. Gebruiksregels zijn opgenomen om gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken en ongewenste ontwikkelingen uit te sluiten. Toetsing aan de gebruiksregels is aan de orde bij functiewisseling of nieuwvestiging. Het gemeentebestuur draagt de verantwoordelijkheid om toe te zien op de naleving van de opgenomen regels in het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 6

48

7.

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

Ingevolge artikel 1.3.1. van het Bro dienen burgemeester en wethouders te besluiten en te publiceren of er terinzagelegging van het bestemmingsplan plaatsvindt, of er zienswijzen kunnen worden ingediend en of er een onafhankelijke adviesinstantie advies uitbrengt. Ook is in artikel 1.3.1. Bro bepaald dat het voornemen tot het voorbereiden van een bestemmingsplan waarbij geen MER wordt opgesteld, dient te worden gepubliceerd conform artikel 3:12 lid 1 en 2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en langs elektronische weg. Inspraak Voor dit bestemmingsplan wordt géén inspraakprocedure gevolgd. Het plan wordt direct als ontwerp ter inzage gelegd, waarbij voor een ieder de mogelijkheid bestaat een zienswijze op het plan in te dienen. Vooroverleg Volgens artikel 3.1.1. Bro dient vooroverleg te worden gevoerd met diensten van het Rijk, provincie en het waterschap. Deze instanties kunnen aangeven dat in bepaalde gevallen vooroverleg niet noodzakelijk is. Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moeten burgemeester en wethouders, indien niet is aangegeven dat van vooroverleg kan worden afgezien, daarom overleg plegen met het Waterschap, met andere gemeenten wiens belangen bij het plan betrokken zijn en met de betrokken rijks- en provinciale diensten.

Zienswijzen Het ontwerp bestemmingsplan heeft overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.8 Wro vanaf 18 augustus 2022 tot en met donderdag 29 september 2022 zes weken ter inzage gelegen. In het kader van deze terinzagelegging is een zienswijze ingediend. Voor een weergave van de zienswijze en voor een inhoudelijke standpuntbepaling naar aanleiding van de zienswijze wordt verwezen naar de Nota zienswijzen, welke als bijlage is gevoegd.

Hoofdstuk 7

49

8.

PROCEDURE

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit:  Openbare kennisgeving van het ontwerpbestemmingsplan;  Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan Gedeputeerde Staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten;  Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht;  Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend;  Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien Gedeputeerde Staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling;  Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden;  Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Hoofdstuk 8

50

BRO heeft vestigingen in Boxtel | Amsterdam | Venlo www.bro.nl

Hoofdstuk 8

54

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12120913/1