Bijlage V Vast te stellen bestemmingsplan – toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan ‘Oude Boterdijk, Heumen’ Gemeente Heumen Vast te stellen
Bestemmingsplan ‘Oude Boterdijk, Heumen’ Gemeente Heumen Vast te stellen
Rapportnummer BRO:
P04059
IMRO:
NL.IMRO.0252.HEbpOudeBoterdijk-VA01
Datum:
november 2022
Opdrachtgever:
Particulier
Projectteam BRO:
DAd
Ontwerp:
augustus 2022
Vaststelling:
november 2022
Trefwoorden:
Bestemmingsplan, woningen, Oude Boterdijk, Heumen.
Bron foto kaft:
Hollandse hoogte 14
Beknopte inhoud:
Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld ten behoeve van de realisatie van drie grondgebonden woningen aan de Oude Boterdijk in de kern Heumen (gemeente Heumen).
BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl
TOELICHTING
2
INHOUDSOPGAVE
1. INLEIDING
3
2. GEBIEDSPROFIEL EN BESLUITPROFIEL 2.1 Gebiedsprofiel 2.2 Besluitprofiel 2.3 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten
6 6 7 9
3. BELEIDSKADER 3.1 Rijksbeleid
11 11
3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening 3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking) 3.2 Provinciaal beleid
11 12 13 14
3.2.1 Omgevingsvisie ‘Gaaf Gelderland’ 3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland 3.3 Regionaal beleid
14 15 15
3.3.1 Woonagenda subregio Nijmegen en omstreken 2017-2027 3.4 Gemeentelijk beleid
15 17
3.4.1 Structuurvisie Heumen 2025 3.4.2 Woonvisie gemeente Heumen
17 18
4. ONDERZOEK 4.1 Economische uitvoerbaarheid 4.2 Milieuaspecten
21 21 22
4.2.1 Bodem 4.2.2 Geluidhinder 4.2.3 Luchtkwaliteit 4.2.4 Geurhinder 4.2.5 Externe veiligheid 4.2.6 Milieuzonering 4.2.7 M.e.r.-plicht 4.3 Archeologie en cultuurhistorie
22 24 25 26 27 31 33 34
4.3.1 Archeologie 4.3.2 Cultuurhistorie 4.4 Leidingen en infrastructuur 4.5 Ecologie 4.6 Verkeer en parkeren
34 37 38 38 41
Inhoudsopgave
1
4.7 Waterhuishouding
42
5. JURIDISCHE ASPECTEN 5.1 Planonderdelen 5.2 Toelichting op de verbeelding 5.3 Toelichting op de planregels
44 44 44 45
5.3.1 Inleidende regels 5.3.2 Bestemmingsregels 5.3.3 Algemene regels 5.3.4 Overgangs- en slotregels
45 45 46 47
6. HANDHAVING
48
7. MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
49
8. PROCEDURE
SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Verkennend en aanvullend bodemonderzoek Bijlage 2: Explosieven onderzoek Bijlage 3: Akoestisch onderzoek Bijlage 4: ADC ArcheoProjecten Bijlage 5: Proefsleuvenonderzoek en archeologische opgravingen Bijlage 6: Quickscan Flora en Fauna Bijlage 7: AERIUS-berekening
Inhoudsopgave
2
1.
INLEIDING
Aanleiding Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op de realisatie van drie wooneenheden op gronden aan de Oude Boterdijk te Heumen, in de gemeente Heumen. Op het plangebied is reeds een oude opstal in de vorm van een schuur gesitueerd, welke met het oog op de voorgenomen ontwikkeling gesloopt zal worden. De rest van het plangebied is braakliggend terrein. Zodoende voorziet het planvoornemen in een inbreiding binnen de kern Heumen.
Globale ligging plangebied op topografische kaart (in blauwe kader)
In het vigerende bestemmingsplan ‘Kernen Heumen, Overasselt, Nederasselt en Molenhoek’ heeft het plangebied grotendeels de bestemming ‘Wonen’ en deels de bestemming ‘Tuin.’ Op gronden met de bestemming ‘Wonen’ is het gebruik van de gronden voor woondoeleinden reeds toegestaan. Echter is het plangebied ook gelegen op een locatie met de gebiedsaanduiding ‘geluidzone – industrie.’ Binnen deze geluidszone mag volgens het vigerende bestemmingsplan geen geluidsgevoelige bebouwing worden toegevoegd. Daarnaast geldt conform artikel 14 ‘Wonen’ uit het vigerend bestemmingsplan dat het aantal woningen niet meer mag bedragen dan het op het moment van terinzagelegging van het ontwerpplan bestaande aantal woningen. Derhalve staat de huidige bestemming geen extra woningen ter plaatse van het plangebied toe.
Hoofdstuk 1
3
Gezien het bovenstaande is de realisatie van drie beoogde woningen op de betreffende locatie in strijd met het bestemmingsplan. Door middel van een wijziging van het bestemmingsplan kan de beoogde ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk worden gemaakt. Vigerend bestemmingsplan In het plangebied vigeert het bestemmingsplan ‘Kernen Heumen, Overasselt, Nederasselt en Molenhoek’, dat is vastgesteld door de gemeenteraad van Heumen op 27 juni 2013. Het plangebied omvat grotendeels de bestemming ‘Wonen’ en deels de bestemming ‘Tuin.’
Uitsnede vigerend bestemmingsplan ‘Kernen Heumen, Overasselt, Nederasselt eb Molenhoek’ (plangebied in het rode kader)
Enkelbestemmingen Ter plaatse van de bestemming ‘Wonen’ zijn de gronden bestemd voor woningen, al dan niet in combinatie met een aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsmatige activiteit, met bijbehorende bebouwing, wegen en paden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven. Ter plaatse van de bestemming ‘Tuin’ zijn de gronden bestemd voor tuinen, parkeren en ondergeschikte bouwdelen van op de aangrenzende gronden staande (hoofd)gebouwen van woningen (zoals bijvoorbeeld stoepen). Dubbelbestemming Daarnaast geldt voor het gehele plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 1.’ De voor ‘Waarde - Archeologische verwachting 1’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor bescherming en veiligstelling van de te verwachten archeologische waarden van de gronden. Het is binnen deze dubbelbestemming verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende
Hoofdstuk 1
4
werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,40 m vanaf maaiveld, over een oppervlakte van meer dan 200 m2. Een nadere uiteenzetting ten aanzien van het aspect ‘Archeologie’ vindt plaats in paragraaf 4.3. Gebiedsaanduiding Verder is het plangebied gelegen op een locatie met de gebiedsaanduiding ‘geluidzone – industrie.’ Op de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘geluidzone - industrie’ mag, ongeacht het bepaalde in de afzonderlijke bestemmingen, geen geluidsgevoelige bebouwing worden opgericht, tenzij een hogere waarde is vastgesteld. Het aspect ‘Akoestiek’ (industrielawaai) zal nader worden toegelicht in paragraaf 4.2.2. in deze toelichting. Afweging Op basis van het vigerend bestemmingplan ‘Kernen Heumen, Overasselt, Nederasselt en Molenhoek’ is de beoogde realisatie van de drie woningen niet toegestaan. Het plangebied is gelegen in een gebied met de gebiedsaanduiding ‘geluidszone – industrie’, en daarnaast is enkel het huidig aantal woningen toegestaan op moment van de ter inzagelegging van het vigerende bestemmingsplan. Door middel van een wijziging van het bestemmingsplan kan de beoogde ontwikkeling juridischplanologisch mogelijk worden gemaakt.
Leeswijzer De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 2 worden het gebiedsprofiel, het besluitprofiel en de ruimtelijke & stedenbouwkundige effecten toegelicht. Vervolgens worden de hoofdlijnen van beleid van het Rijk, de provincie, de regio en de gemeente beschreven in hoofdstuk 3. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de milieuaspecten die van invloed zijn op het plangebied. Het juridisch kader komt naar voren in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 wordt de handhaving van het planweergegeven. In hoofdstuk 7 volgt de maatschappelijke uitvoerbaarheid en tot slot is in hoofdstuk 8 de procedure aangegeven.
Hoofdstuk 1
5
2.
GEBIEDSPROFIEL EN BESLUITPROFIEL
2.1 Gebiedsprofiel Het plangebied is gelegen in de kern Heumen. Heumen maakt onderdeel uit van de gelijknamige gemeente en ligt globaal gezien tussen de kernen Overasselt, Malden en Molenhoek (Limburg). Verder ligt ten westen van Heumen de rivier de Maas en ten oosten het Maas-Waalkanaal. Heumen is eveneens gelegen aan de verkeersaders A73 en N271. De kern Heumen telt circa 1.700 inwoners. De ruimtelijke structuur van het dorp wordt bepaald door de kruisende lijnen van de Dorpsstraat/Boomgaard en de Oude Boterdijk, waar het plangebied aan is gelegen. De historische bebouwing bevindt zich namelijk langs deze wegen. In de nabije omgeving van het plangebied, aan de Dorpsstraat, is het hart van het dorp te vinden met de twee kerken aan een ruim plein. Ten noordwesten van het plangebied heeft een grootschalige uitbreiding van de kern Heumen plaatsgevonden met circa 90 woningen. De kern Heumen wordt gekenmerkt door een groenstructuur met bomenlanen en kleine paadjes.
Globale ligging plangebied op luchtfoto (in het rode kader)
Hoofdstuk 2
6
Meer specifiek omvat het plangebied de percelen, kadastraal bekend als Heumen, sectie I, nummers 829, 830 en 963. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 1.761 m2. Het plangebied is hierbij gelegen in de bebouwde kom van de kern Heumen. Het plangebied is gelegen op de hoek van de Oude Boterdijk met de Batavierenstraat. In de huidige situatie is aan de bovenkant van het plangebied reeds een oude opstal in de vorm van een schuur gesitueerd. De rest van het perceel is braakliggend terrein. Direct ten westen grenzend aan het plangebied (op perceelnummer 812) is reeds een woning gesitueerd. Aan de overkant van de straat (Oude Boterdijk) is een smederij gelegen. Voor de rest is het plangebied gelegen in een rustige woonwijk, voornamelijk omgeven met andere woningen.
Ligging plangebied op luchtfoto met kadastrale percelen (plangebied rood omlijnd)
2.2 Besluitprofiel Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van drie vrijstaande woningen mogelijk binnen het plangebied aan de Oude Boterdijk te Heumen. Deze ontwikkeling is op basis van het huidige bestemmingsplan ‘Kernen Heumen, Overasselt, Nederasselt en Molenhoek’ niet toegestaan. Een gedeelte van de gronden is reeds bestemd voor wonen, maar het plangebied ligt in een gebied met de
Hoofdstuk 2
7
gebiedsaanduiding ‘geluidzone – industrie’ (hier is niet rechtstreeks woningbouw toegestaan) en daarnaast is enkel het huidig aantal woningen toegestaan op moment van de ter inzagelegging van het vigerende bestemmingsplan. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in een gebruiks- en functiewijziging van de betreffende gronden, waarmee de beoogde ontwikkeling van drie vrijstaande woningen mogelijk wordt gemaakt. Wat betreft de regels wordt binnen het voorliggende bestemmingsplan aansluiting gezicht bij het bestemmingsplan ‘Kernen Heumen, Overasselt, Nederasselt en Molenhoek’ dat is vastgesteld door de gemeenteraad van Heumen op 27 juni 2013. De bouw- en gebruiksmogelijkheden sluiten hierdoor aan op de reeds geldende regels voor woningen binnen dit gebied.
Concreet gezien zullen ten aanzien van bouw- en gebruiksmogelijkheden hoofdzakelijk de navolgende randvoorwaarden gehanteerd worden: Hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak gerealiseerd worden; In totaliteit mogen er maximaal 3 woningen gebouwd worden binnen het plangebied; De afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt bij vrijstaande woningen minimaal 2,5 meter; De voorgevel moet gesitueerd worden in de voorste bouwgrens; In navolging van de bepaling omtrent de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens en situering van de voorgevel is het huidige reeds aanwezige bouwvlak qua uiterste situering gehandhaafd; De diepte en breedte van de woningen mag maximaal 15 meter bedragen; De goothoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 6 meter; De bouwhoogte van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 10 meter; Binnen het nieuwe bestemmingsplan is het plangebied bestemd voor ‘Wonen’ en ‘Tuin’. Daarnaast zijn twee bouwvlakken opgenomen, waarbij de realisatie van één woning mogelijk is binnen het noordelijk vlak. Daarnaast is de realisatie van maximaal twee woningen mogelijk binnen het zuidelijk vlak. Hiermee is rekening gehouden, omdat de woningmarkt zal bepalen of er behoefte is aan twee woningen binnen dit plandeel.
De situering van het bouwvlak geeft ook de mogelijkheid om maar één woning te realiseren, waarbij qua positionering enige flexibiliteit is voorzien. In de onderstaande afbeelding is de nieuwe functionele indeling van het plangebied weergegeven op basis van de reeds benoemde randvoorwaarden.
Hoofdstuk 2
8
Uitsnede verbeelding met functionele indeling plangebied
2.3 Ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten Het voorliggende bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van drie vrijstaande woningen mogelijk, op een perceel waar momenteel een oude opstal gesitueerd is (in de vorm van een schuur) en voor het overige deel braakliggend terrein is. Vanuit functioneel opzicht is woningbouw wenselijk op deze locatie, gezien de ligging binnen een bestaande woonwijk in de kern Heumen. Middels deze ontwikkeling wordt een inbreidingslocatie in een woonwijk op een passende manier ingevuld. Verder sluit de bebouwing qua hoogte en opbouw aan bij de omliggende stedenbouwkundige structuur. Wat betreft de bouw- en gebruiksmogelijkheden wordt aansluiting gezocht bij het moederplan ‘Kernen Heumen, Overasselt, Nederasselt en Molenhoek.’ De nieuwe bebouwing zal hierdoor qua situering en maatvoering aansluiten bij de omliggende woningen. Qua situering zullen de zuidelijke woning(en) met de voorzijde naar de te realiseren toegangsweg gepositioneerd worden, te weten de Oude Boterdijk. Ten aanzien van de woning op het noordelijk gedeelte van het plangebied is situering van de voorgevel voorzien aan de Batavierenstraat (echter gezien de situering van het bouwvlak en hoekligging kan dit ook plaatsvinden aan de Oude Boterdijk).
Hoofdstuk 2
9
Aan de voorzijde van de woningen zijn (groene) voortuinen beoogd. Hierdoor wordt het groene karakter van de dorpskern gewaarborgd. Een ander relevant aspect vanuit stedenbouwkundig oogpunt is dat het grootste gedeelte van het plangebied reeds een geruim aantal jaren braakliggend is, en er een oude opstal is gesitueerd in de vorm van een schuur. Middels onderhavig plan wordt kwalitatief hoogwaardige bebouwing ter plaatse van het plangebied gerealiseerd. Dit heeft een positieve invloed op het stedenbouwkundig beeld en de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. De nieuwbouw is van hoge kwaliteit en past beter in het straatbeeld dan het nu braakliggende terrein en de oude schuur. Om een goede ruimtelijke inpassing te garanderen wordt in het kader van de uiteindelijke omgevingsvergunningaanvraag het bouwplan getoetst door de commissie ruimtelijke kwaliteit, zodat de op te richten bebouwing qua vormgeving passend is in het heersende straatbeeld en de woningen ook kwalitatief passen in de omgeving. Concluderend kan gesteld worden dat de voorgenomen ontwikkeling vanuit stedenbouwkundig en ruimtelijk oogpunt passend en wenselijk in de omgeving is. De realisatie van het plan heeft, zowel op korte als op (middel)lange termijn, geen negatieve ruimtelijke effecten tot gevolg op de omgeving.
Hoofdstuk 2
10
3.
BELEIDSKADER
3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 heeft het Rijk vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI omvat een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; Duurzaam economisch groeipotentieel; Sterke en gezonde steden en regio’s; Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes.
Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. De nationale overheid richt zich in de NOVI op 21 verschillende nationale belangen: 1. Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; 2. Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; 3. Waarborgen en versterken van grensoverschrijdende en internationale relaties; 4. Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; 5. Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften; 6. Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; 7. In stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit;
Hoofdstuk 3
11
8. Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; 9. Zorg dragen voor nationale veiligheid en ruimte bieden voor militaire activiteiten; 10. Beperken van klimaatverandering; 11. Realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening, die in 2050 CO₂-arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; 12. Waarborgen van de hoofdinfrastructuur voor transport van stoffen via (buis)leidingen; 13. Realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie; 14. Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); 15. Waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; 16. Waarborgen en versterken van een aantrekkelijk ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat; 17. Realiseren en behouden van een kwalitatief hoogwaardige digitale connectiviteit; 18. Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie; 19. Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang; 20. Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; 21. Ontwikkelen van een duurzame visserij. Afweging Bij de realisatie van het voorliggende initiatief is sprake van een dermate kleinschalige ontwikkeling dat geen nationale belangen in het spel zijn.
De beoogde ontwikkeling is dan ook niet in strijd met de nationale belangen zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden en in de jaren daarna hebben nog diverse wijzigingen plaatsgevonden. In de AMvB Ruimte zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen. De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Hoofdwegen en landelijke spoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Natuurnetwerk Nederland, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament, IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde en Ruimtereservering parallelle Kaagbaan. Afweging Het Barro heeft voor wat betreft de genoemde onderwerpen en gezien de aard en kleinschaligheid van het project, geen gevolgen voor de nieuw te bouwen woningen.
Hoofdstuk 3
12
3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Ladder voor duurzame verstedelijking) Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen is per 1 oktober 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6 Bro) opgenomen. De ladder ziet op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De ladder is een motiveringsinstrument dat verplicht moet worden toegepast bij elk ruimtelijk besluit dat een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ mogelijk maakt. Wat er onder een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt verstaan, is in artikel 1.1.1 Bro bepaald: “De ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.” Uit de jurisprudentie komt naar voren dat het wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling van enige omvang moet zijn.1 Per 1 juli 2017 is een gewijzigde Ladder in werking getreden.
Hierin is de tekst van de Ladder teruggebracht naar de essentie, namelijk de noodzaak om aan te geven dat de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte plus een motivering indien de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” (artikel 3.1.6 lid 2 Bro). Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. Afweging In het voorliggende geval wordt de realisatie van drie woningen mogelijk gemaakt. Het toevoegen van drie woningen is in lijn met de uitspraak2 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 juni 2017 een dermate kleinschalige ontwikkeling dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro.
Dit betekent dat artikel 3.1.6, lid 2 Bro niet van toepassing is. Het beoogde initiatief vereist zodoende geen toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Volledigheidshalve dient opgemerkt te worden dat de ontwikkeling plaatsvindt op een locatie binnen bestaand stedelijk gebied, waardoor wordt aangesloten bij het principe van ‘zorgvuldig ruimtegebruik’.
1
O.a. ABRS 1 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1503), ABRS 18 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:428) en ABRS 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2319). 2 Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Uitspraak 201608869/1/R3, ECLI:NL:RVS:2017:1724, 28 juni 2017
Hoofdstuk 3
13
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie ‘Gaaf Gelderland’ De omgevingsvisie ‘Gaaf Gelderland’ is de meest recente structuurvisie van de provincie Gelderland. In deze omgevingsvisie wordt in hoofdlijnen het beleid van de provincie Gelderland opgesomd en nader toegelicht. Belangrijke thema’s die hierbij een rol spelen zijn ruimte, energie, klimaat, water, mobiliteit, economie, natuur en landbouw. De uitwerking van de Omgevingsvisie vindt plaats in sectorale of regionale programma's, waaronder de Regionale Energiestrategieën, Programma Mobiliteit, en Regionale Woonagenda's. De omgevingsvisie ‘Gaaf Gelderland’ wordt beschreven aan de hand van vier belangrijke doelstellingen. Hierbij ligt de focus op duurzaamheid, verbondenheid en een krachtige economie. De Omgevingsvisie omschrijft de doelstelling als volgt: Gezond: een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, en de bescherming van flora en fauna; Veilig: voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En aandacht voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid; Schoon: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen.
En het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie; Welvarend: een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Om deze doelstellingen te kunnen realiseren heeft de omgevingsvisie ‘Gaaf Gelderland’ vijf wettelijke verplichte planfiguren opgenomen. Deze verplichte planfiguren zijn: ruimtelijk beleid, waterbeleid, milieubeleid, natuur- en landschapsbeleid, en verkeers- en vervoersbeleid. Bij het ruimtelijke beleid is het provinciaal belang het vergroten van de ruimtelijke kwaliteit, het vergroten van klimaatbestendigheid en behoud van natuur- en landschappelijke kwaliteit. De kwantitatieve regionale opgave bij wonen is eveneens van provinciaal belang. Als juridische basis gebruikt de provincie de ladder voor duurzame verstedelijking die het Rijk heeft vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Afweging In paragraaf 3.1.3 is beoordeeld dat, vanwege de kleinschaligheid van onderhavig planvoornemen, niet getoetst hoeft te worden aan de Ladder van Duurzame Verstedelijking bij de bouw van drie woningen. Hierdoor is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro.
Derhalve is onderhavig planvoornemen in lijn met het beleid dat is opgesteld in de structuurvisie ‘Gaaf Gelderland.’
Hoofdstuk 3
14
3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland De doelstellingen uit de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland zijn juridisch vertaald in de Omgevingsverordening Gelderland. De verordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de Provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De Omgevingsverordening heeft de status van een Ruimtelijke verordening in de zin van artikel 4.1 Wet ruimtelijke ordening. Afweging In hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op onderzoeksaspecten, waaronder milieu, water, verkeer en bodem. Hier zal worden toegelicht waarom onderhavig planvoornemen ruimtelijk inpasbaar wordt geacht ten aanzien van deze aspecten. Vanuit de omgevingsverordening Gelderland ontstaan dus geen belemmeringen met betrekking tot onderhavig planvoornemen.
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Woonagenda subregio Nijmegen en omstreken 2017-2027 Op 13 maart 2018 is de regionale woonagenda voor de regio Nijmegen en omstreken vastgesteld. In deze woonagenda geven de samenwerkende gemeenten, te weten Berg en Dal, Beuningen, Druten, Heumen, Mook en Middelaar, Nijmegen en Wijchen, aan waar zij de komende jaren op willen inzetten. Deze woonagenda zijn daarmee afspraken gemaakt over de toekomstige woonopgaven. De betrokken gemeenten gaan met de regionale woonagenda aan de slag met het bouwen van duurzame wijken en verbeteren van de bestaande woningvoorraad. Deze Woonagenda is opgesteld met betrokkenheid van de provincie Gelderland. Samen met alle woonpartners zijn drie ambities geïdentificeerd die de kern vormen van de visie. De ambities geven weer waar de subregio zich de komende jaren op gaat richten. 1. Beschikbaar en betaalbaar: snel én verantwoord inspelen op behoefte. De subregio heeft de ambitie om snel maar verantwoord gehoor te geven aan de actuele woningvraag. Dus mét oog voor de bestaande woningvoorraad, beschikbaarheid en betaalbaarheid voor de verschillende doelgroepen, duurzaamheidsdoelstellingen en flexibele mogelijkheden en door een passende woningmarktsturing nieuwe stijl. 2. Diversiteit versterken.
Hoofdstuk 3
15
De subregio wil woningen toe voegen waar aantoonbaar behoefte aan is, mét kwaliteit. Om te voorkomen dat in de subregio alleen maar ‘meer van hetzelfde’ komt wil de subregio dan ook kansen benutten om nieuwe woonmilieus en woonvormen te ontwikkelen, zodat de subregio een breed aanbod aan kwaliteit kan blijven aanbieden aan huidige en nieuwe inwoners. Daar hoort ook een flexibele woningvoorraad bij, die duurzaam kan meebewegen met de veranderende omstandigheden. Maar zeker ook een breder scala aan vernieuwende woonvormen en woonmilieus. 3. Op en top duurzaam en flexibel! De woningvoorraad kan alleen blijven voldoen aan de veranderende woonbehoeften als ze duurzamer en flexibeler wordt. Vanwege de omvang ervan moet de meeste aandacht uitgaan naar de kwalitatieve verbetering van de bestaande woningvoorraad. Zowel op het gebied van duurzaamheid (energiebesparing, alternatieve energieopwekking, klimaatadaptie) als op het gebied van aanpassingsmogelijkheden voor veranderende doelgroepen. Vanzelfsprekend kan nieuwbouw hier ook aanvullend een rol spelen. We (ver)bouwen woningen en wijken met het oog op de toekomst. We bouwen geen woningen die op termijn de opgave voor bijvoorbeeld levensloopbestendigheid en duurzaamheid vergroten.
Als er een tekort is aan bepaalde soorten woningen of er een scheve verhouding bestaat tussen vraag en aanbod moet de woningvoorraad worden aangevuld door transformatie of nieuwbouw. Nieuwbouw is dus een aanvulling op de bestaande woningvoorraad en mag er niet mee gaan concurreren. Dit om te voorkomen dat de zwakkere delen van de bestaande woningvoorraad verloederen.
Richtlijn voor woningbouw per gemeente in subregio Nijmegen en omstreken voor de periode 2017-2027
De subregio hanteert hiervoor een richtlijn. Deze richtlijn is een indicatieve verdeling van het regionaal maximaal aantal te realiseren woningen in de periode 2017 tot 2027. De richtlijn is een houvast op
Hoofdstuk 3
16
grond van de meest recente spiegel van prognoses en kennis over de behoefte. In de bovenstaande tabel is opgenomen hoeveel woningen per gemeente de komende jaren beoogd zijn. De subregionale woonagenda geeft aan dat er gestuurd moet worden op het aanbod en de vraag, de veroudering van woningen, inspelen op het toevoegen van woningen in gewenste milieus en sturing op de woningmarkt nieuwe stijl. Afweging Onderhavig planvoornemen betreft de toevoeging van drie woningen in de kern Heumen. In de Woonagenda van de subregio Nijmegen en omstreken is opgenomen dat binnen de gemeente Heumen 450 woningen zijn beoogd. Het initiatief valt binnen de voorziene capaciteit voor woningbouw in de gemeente Heumen en is daarmee niet strijdig met de regionale woonagenda.
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie Heumen 2025 De structuurvisie Heumen is door de gemeenteraad vastgesteld op 13 februari 2014. Deze structuurvisie is van toepassing op het hele grondgebied van de gemeente Heumen, en bovendien interactief met de inwoners van de gemeente opgesteld. De gemeente kiest hiermee voor een meer terughoudende rol waarin zij minder taken zelf gaan doen en meer een regierol op zich zal nemen. Belangrijke thema’s in de structuurvisie zijn onder andere wonen en werken, recreatie en toerisme, natuur en landschap, verkeer, cultuurhistorie en duurzaamheid belicht. Het woningbouwprogramma wordt gestuurd op basis van de kwaliteiten van een locatie en de lokale behoefte. Voor Malden geldt dat geen uitbreiding meer aan de orde is, maar alleen inbreiding. In de drie overige kernen wordt met name ingezet op uitbreiding. Deze uitbreidingen vinden gefaseerd plaats in relatie tot de behoefte in het dorp op locaties aan de randen van het dorp. Bij de uitbreiding is aandacht voor de verweving van de kwaliteiten van landschap en dorp met als doel het landschap/ het buitengebied ook tot bij het bestaande dorp te brengen. Inbreiding is mogelijk op bebouwde percelen waar functiewijzigingen plaatsvinden en niet mogelijk op bestaande open ruimten, tenzij er hierdoor een stedenbouwkundige versterking van een dorpslint plaatsvindt.
Het plangebied is in de structuurvisie gelegen binnen het gebied ‘Kleine kernen’ (afbeelding 10). In de structuurvisie wordt verder per kern ingegaan op de positie binnen de gemeente en de regio en is vervolgens een ruimtelijke visie uiteengezet. Het gebied ‘Kleine kernen’ bestaat uit de dorpen Heumen, Overasselt en Nederasselt. De visie die de gemeente voor het gebied ‘Kleine kernen’ heeft is dan ook afgestemd op deze dorpen. Binnen het dorp Heumen is de visie gericht op: Toekomstige dorpsuitbreiding vindt plaats in Heumen-Noord. Na deze uitbreiding is het dorp 'af'; Het gebied tussen het dorp en de A73 wordt landschappelijk recreatief ingezet voor het dorp; De relatie met de Maas wordt versterkt door het brengen van de Maas naar het dorp; Recreatieve en horecavoorzieningen worden gekoppeld aan het Kerkplein in relatie tot het brengen van de Maas naar het dorp;
Hoofdstuk 3
17
De Maasdijk in het dorp wordt voor langzaam verkeer meer toegankelijk gemaakt; Rondom het dorp wordt een padennetwerk gerealiseerd, mede ook richting de Maas; De toegankelijkheid vanuit het dorp naar het Heumensbos wordt verbeterd; Nieuwbouw is vooral gericht op eengezinswoningen voor gezinnen. Waar mogelijk worden (levensloopbestendige en betaalbare) meergezinswoningen gebouwd, met een eerste nadruk op jongeren.
Uitsnede gebiedskaart Structuurvisie Heumen 2025 met plangebied bij de rode marker
Afweging De Oude Boterdijk is een centrale weg gelegen in de kern Heumen. Aan de Oude Boterdijk is sprake van een bebouwingslint met woningen gelegen aan weerzijden van de straat. Op de hoogte van onderhavig plangebied is sprake van een braakliggende locatie in het reeds bestaande bebouwingslint. Middels onderhavig planvoornemen zal derhalve worden voorzien in de opvulling van dit bebouwingslint, aangezien een braakliggend terrein wordt herontwikkeld naar 3 woningen. Het planvoornemen betreft dus een inbreiding binnen bestaand stedelijk gebied. Het planvoornemen is hiermee niet in strijd met, de door de gemeente Heumen opgestelde, Structuurvisie Heumen 2025. 3.4.2 Woonvisie gemeente Heumen De gemeente Heumen ziet de situatie op de woningmarkt veranderen. Veranderingen in wetgeving en in de samenleving hebben hun weerslag op de woningmarkt. De gemeente wil verantwoordelijkheid
Hoofdstuk 3
18
nemen om richting te geven aan de gewenste ontwikkeling van de lokale woningmarkt. Deze woonvisie gaat daarbij niet alleen over woningen en nieuwbouw. Het gaat om prettig wonen in de verschillende kernen, met aandacht voor de verbinding met zorg, openbare ruimte, voorzieningen, sociale structuur. Samen bepalen deze factoren het woonklimaat in onze kernen. Kernvisie voor de gemeente Heumen is: ‘prettig wonen in een groene en landelijke omgeving.’ Om dit te bereiken zijn vier ambities geformuleerd: 1. De gemeente Heumen wil een samenleving zijn waar mensen uit alle levensfasen en inkomensklassen de kans hebben om prettig te wonen. 2. Gemeente Heumen wordt gezien als koploper in de verduurzaming van de woningvoorraad. 3. Mensen met een zorg- of ondersteuningsbehoefte kunnen zo lang als mogelijk zelfstandig wonen. 4. De groene omgeving en de leefbare kernen maken onze gemeente een prettige plek om te wonen. De gemeente hanteert bij nieuwbouwplannen de volgende algemene uitgangspunten: De gemeente geeft voorkeur aan transformatie van bestaande functies, boven nieuwbouw. Inbreidingsplannen krijgen de voorkeur boven uitbreidingsplannen. De gemeente kijkt eerst of er ruimte is binnen de bebouwde kom conform de Ladder voor Duurzame verstedelijking. Dit staat soms op gespannen voet met de wens om de waardevolle open ruimten in de kernen te handhaven.
Woonontwikkelingen moeten de identiteit van de kernen versterken. Nieuwbouw moet zorgvuldig ingepast worden in de bestaande omgeving, vanwege de openheid en het groen in de gemeente. De behoefte per kern is het vertrekpunt voor de spreiding van woningbouw, en dus niet de beschikbare plancapaciteit. Nieuwbouw is energieneutraal. Hiervoor maken we anterieure afspraken met ontwikkelaars over de energieprestaties van nieuwbouwwoningen. Om het woningbouwprogramma goed aan te laten sluiten op de behoefte per kern heeft de gemeente per kern accenten gezet. Deze accenten komen terug in het navolgende overzicht.
Accent per kern
Hoofdstuk 3
19
Afweging In de woonvisie is opgenomen dat de gemeente eerst kijkt of er ruimte is voor transformatie en inbreiding binnen de bebouwde kom. Daarnaast moet nieuwbouw zorgvuldig worden ingepast in de bestaande omgeving. Onderhavig planvoornemen voorziet in het oprichten en toevoegen van 3 woningen in de bebouwde kom van de kern Heumen. De Oude Boterdijk, waar het planvoornemen zal worden gesitueerd, is een van de historische bouwlinten in de kern Heumen. Onderhavig planvoornemen zal voorzien in het opvullen van een braakliggende locatie in het bestaande bouwlint. Hierdoor is sprake van een inbreiding binnen de bebouwde kom van de kern Heumen. Tevens is er een oude opstal gesitueerd op het plangebied in de vorm van een schuur. Deze schuur zal worden gesloopt en op de plaats van deze schuur zal 1 van de 3 woningen worden gesitueerd. Derhalve is ten aanzien van onderhavig planvoornemen sprake van transformatie binnen de bebouwde kom van de kern Heumen. Daarnaast geven cijfers in de Woonvisie gemeente Heumen weer dat er in de kern Heumen behoefte is aan 10 tot 15 woningen per jaar. De nadruk hierbij ligt op het realiseren van woningen met een mix van rij- en (half)vrijstaande (koop)woningen. Het realiseren van 3 woningen sluit derhalve aan bij de Woonvisie gemeente Heumen.
De uitgangspunten die door de gemeente Heumen zijn opgesteld in de Woonvisie gemeente Heumen vormen geen belemmering voor het onderhavige initiatief.
Hoofdstuk 3
20
4.
ONDERZOEK
Bij de toekenning van de nieuwe bestemming aan de locatie dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, externe veiligheid en milieuzonering voor de locatie wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van de gewenste ingreep voor de aspecten archeologie en cultuurhistorie, leidingen en infrastructuur, ecologie, waterhuishouding, verkeer, duurzaamheid en economische uitvoerbaarheid. De hieruit voortgekomen bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht. Per paragraaf wordt de achtergrond uiteengezet, waarna wordt aangegeven wat de onderzoeksresultaten en/ of conclusies zijn.
4.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie (Afdeling 6.4 Wro) in werking getreden. In de Grondexploitatiewet is bepaald dat de gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel waarin mogelijkheden voor een bouwplan gecreëerd worden, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Deze verplichting vervalt indien de gronden volledig in eigendom zijn van de gemeente. Indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd, kan de gemeente afzien van het opstellen van een exploitatieplan. Eveneens is de gemeente niet verplicht een exploitatieplan vast te stellen in bij het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangegeven gevallen waar de verhaalbare kosten uitsluitend de aansluiting van een bouwperceel op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen, of niet opweegt tegen de bestuurlijke lasten (artikel 6.12, lid 2, aanhef, juncto artikel 6.2, lid 1 Bro). Een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de wet, wordt onder andere aangewezen als een bouwplan betreft voor de bouw van een of meer woningen.
Er is in onderhavig geval dus sprake van een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, waardoor een verplichting tot kostenverhaal geldt. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente zal hiertoe een anterieure overeenkomst en een planschadeovereenkomst afgesloten worden.
Hoofdstuk 4
21
4.2 Milieuaspecten 4.2.1 Bodem Algemeen Formeel gezien dient in het kader van een bestemmingswijziging (over het algemeen middels een bodemonderzoek) aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Aangezien de ontwikkeling voorziet in het realiseren van woningen, wat gevoelige functies zijn, dient er aangetoond te worden dat de bodem hiervoor geschikt is. Onderzoek In het kader van onderhavig plan is door Aeres Milieu een verkennend bodem- en asbestonderzoek3 uitgevoerd. Hieronder worden conclusies uit dit onderzoek kortstondig toegelicht. Voor een volledige weergave van de rapportage wordt verwezen naar de separate bijlagen. Tijdens de uitgevoerde veldwerkzaamheden zijn in het opgeboorde bodemmateriaal op het noordelijk terreindeel resten baksteen en puin aangetroffen. Ter plaatse van boorpunt 8 op het zuidelijk terreindeel zijn in het traject van 0 tot 0,8 m-mv zintuiglijk sporen slakken aangetroffen. Op het maaiveld en in het uitgegraven bodemmateriaal uit de asbestinspectiegaten zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Uit de analyseresultaten blijkt dat de bovengrond van het noordelijk terreindeel licht verhoogd is met zware metalen (kobalt, lood, zink) en OCB’s (DDT/DDD/DDE en gamma-HCH).
Het separaat geanalyseerde grondmonster M3 (boring 8, traject 0 -0,5 m-mv) met zintuiglijk waargenomen slakken is matig verhoogd met zink en licht verhoogd met cadmium, koper, lood, nikkel, PAK en som DDE. De bovengrond van het zuidelijk terreindeel is licht verhoogd met cadmium, koper en som DDE. De ondergrond (klei) van het noordelijk terreindeel is licht verhoogd met lood. In het freatisch grondwater afkomstig uit peilbuis 8 zijn geen van de onderzochte componenten gemeten in een gehalte verhoogd ten opzichte van de streefwaarde. In de geanalyseerde grondmengmonsters van het asbest in bodem onderzoek zijn verhoogde asbestconcentraties aangetoond. De berekende asbestconcentratie in mengmonster ABM1 (toplaag rondom stal) overschrijdt het criterium (= 50 mg/kg d.s.) voor nader onderzoek. Opgemerkt wordt dat hierbij geen bundels vezels (te verwachten bij verwering van dakplaten) aangetroffen zijn maar wel asbesthoudend isolatiemateriaal. Naar aanleiding van het aangetoonde matig verhoogde gehalte aan zink in de bovengrond van boorpunt 8 is een afperkend onderzoek uitgevoerd naar de aard en omvang van de verontreiniging met zink. Uit de analyseresultaten van de verticale afperking ter plaatse van boorpunt 8 blijkt dat het traject van 0,5 tot 0,8 m-mv sterk verhoogd is met zink en licht verhoogd is met overige zware metalen.
De aangetoonde matige en sterke verhoogde gehalten aan zink in het bodemtraject van respectievelijk 0
3
Aeres Milieu, Verkennend en aanvullend bodem- en asbestonderzoek Oude Boterdijk ong. te Heumen, projectnr.: AM21076, d.d. 3 juni 2021
Hoofdstuk 4
22
tot 0,5 m-mv en 0,5 tot 0,8 m-mv ter plaatse van boorpunt 8 zijn waarschijnlijk te relateren aan de aangetroffen bijmenging met slakken. In de geanalyseerde grondmonsters voor de verticale en horizontale afperking zijn geen of slechts licht verhoogde gehalten aangetroffen. Op basis van de resultaten van het aanvullend onderzoek kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van boring 8 geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met zink. De aangetroffen verontreiniging met zink ter plaatse van boorpunt 8 betreft een puntverontreiniging van beperkte omvang. Explosieven Het plangebied is verdacht op het voorkomen van ongesprongen conventionele explosieven (CE). Ter plaatse zal een explosievenonderzoek worden uitgevoerd. ECG heeft op de locatie een non-realtime detectie uitgevoerd4. De aanleiding van de detectie was het aantreffen van (restanten van) OO waaronder een handgranaat door archeologisch bedrijf ADC ArcheoProjecten. Doordat het projectgebied reeds tot een diepte van circa 1m1 -mv is ontgraven door ADC (zie afbeelding 1 rapport), is de bodemstructuur niet meer zoals die ten tijde van WOII. De ontgravingsdiepte van het archeologisch opsporingsonderzoek, circa 1m1 -mv, is bepaald aan de hand van de foto’s en beschrijvingen beschreven in het onderzoeksrapport1 van ADC.
Dit samen maakt dat een aanvullend onderzoek van ECG vanaf een diepte van 1m1 -mv niet mogelijk zonder de geroerde laag weer te verwijderen. Daarnaast is een schuttersput (zie afbeelding 1 rapport) aangetroffen waarvan de onderkant tevens is blootgelegd. Dit betekend dat dumpmunitie niet dieper ligt dan bodem schuttersput (zie afbeelding 2, rapport). Advies explosieven Het advies van ECG is om geen aanvullend onderzoek te laten verrichten daar de laag waar de meeste munitie zich in bevindt reeds is ontgraven door ADC. Mocht er in de toekomst dieper gegraven worden dan de reeds geroerde bodemlaag, dan kunnen eventuele aangetroffen OO behandeld worden als spontane vondst. Het protocol ‘Spontane vondsten’ treedt dan in werking. Dit protocol is als bijlage 1 bij het explosievenrapport gevoegd. Conclusie De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling ter plaatse van het zuidelijke plandeel. Echter ten aanzien van de aangetoonde verhoogde asbestconcentratie in de bodem (noordelijk plandeel) wordt wel geadviseerd om na de asbestverwijdering en sloop van de stal/schuur een nader onderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van asbest in bodem om vast te stellen of sprake is van een asbestverontreiniging.
Derhalve is binnen onderhavig bestemmingsplan ter plaatse van het noordelijk gedeelte van het plangebied de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – bodemsanering’ opgenomen. Hieraan is in de planregels een voorwaardelijke verplichting gekoppeld, welke erop toeziet dat ter plaatse geen grondroerende activiteiten (graven of andere grondbewerking) mogen plaatsvinden. Daarnaast waarborgt deze regeling dat er pas
4
ECG, briefrapport Oude Boterdijjk 40a, Heumen, kenmerk: 305-022-BR-01, d.d. 4 oktober 2022
Hoofdstuk 4
23
gebouw mag worden ten behoeve van de functie ‘Wonen’ en ‘Tuin’ indien een nader onderzoek is uitgevoerd naar de aanwezigheid van asbest in de bodem en indien noodzakelijk sanerende maatregelen hebben plaatsgevonden. Hierbij dienen de gronden na uitvoering van mogelijk sanerende maatregelen geschikt bevonden te zijn voor de functie ‘Wonen’ en/of ‘Tuin’. Om te waarborgen dat de gronden na sloop van de stal worden gesaneerd zal het saneringsbedrijf een eindcontrole uitvoeren. Hierbij wordt gekeken of er nog belemmeringen in de grond zijn en zal duidelijk worden gemaakt dat er geen sprake meer is van asbestverontreiniging in de gronden. 4.2.2 Geluidhinder Algemeen Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de realisatie van geluidsgevoelige objecten, dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer, industrie en spoorwegen. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een onderzoekszone van een (spoor)weg, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen.
In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een onderzoekszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt. Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten zoals woningen binnen een dergelijke onderzoekszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op deze gebouwen of terreinen. Weg- en verkeerslawaai De omliggende wegen rondom het plangebied bestaan uitsluitend uit 30 km/h wegen. Derhalve is een akoestisch onderzoek ten aanzien van weg- en verkeerslawaai niet noodzakelijk. Industrielawaai Binnen het vigerende bestemmingsplan is een hindercirkel opgenomen (gebiedsaanduiding ‘geluidzone - industrie’), waarbinnen geen hoofdgebouw (woning) mag worden gerealiseerd. Onderhavig plan voorziet echter wel in de realisatie van woningbouw. Derhalve is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd5. Doel van het onderzoek is om aan te tonen dat de realisatie van drie nieuwe woningen het bestaande metaalverwerkingsbedrijf aan de Oude Boterdijk niet zal beperken qua milieuactiviteiten. Hieronder worden de conclusies uit het onderzoek beschreven. Voor een volledige weergaven van de rapportage wordt verwezen naar de separate bijlagen.
Het bedrijf beschikt over standaard geluidvoorschriften. Er is niet eerder een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de werkelijke geluiduitstraling. Aangezien nabij het bedrijf reeds bestaande woningen 5
K+ Adviesgroep, Akoestisch onderzoek 3 percelen Oude Boterdijk te Heumen, projectnr.: Nm210058aaA0.quro_02, d.d. 3 februari 2021.
Hoofdstuk 4
24
zijn gelegen die qua geluid bepalender zullen zijn dan de geplande drie nieuwe woningen, kan volstaan worden met een beknopt akoestisch onderzoek. In eerste instantie is voor de huidige situatie het maximaal mogelijke bronvermogen bepaald, waarbij het bedrijf bij de bestaande woningen kan voldoen aan de vergunde geluidvoorschriften. Vervolgens zijn de geluidbelastingen bepaald ter plaatse van het bestemmingsvlak van de drie nieuwe woningen. Ter plaatse van de drie beoogde nieuwe woningen binnen het plangebied blijkt dat de etmaalwaarde ten hoogste 47 dB(A) zal bedragen en daarmee onder de vergunde etmaalwaarde van 50 dB(A) zal blijven. Op grond van het akoestisch onderzoek is derhalve aangetoond dat de drie nieuwe woningen het bedrijf niet belemmeren in haar bedrijfsvoering (en daarmee de vergunde activiteiten niet beperken). Conclusie Vanuit het aspect geluidhinder zijn er geen belemmeringen voor onderhavig planvoornemen. 4.2.3 Luchtkwaliteit Algemeen De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen zijn beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a.
Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het Besluit NIBM De wet stelt bij een (dreigende) grenswaardenoverschrijding aanvullende eisen en beperkingen voor ruimtelijke plannen die "in betekenende mate" (IBM) leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast moet uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening afgewogen worden of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het plan "niet in betekenende mate" (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project is NIBM, als aannemelijk is dat het project een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m 3 voor zowel fijnstof en NO2. Als de 3% grens voor PM10 of NO2 niet wordt overschreden, dan hoeft geen verdere toetsing aan grenswaarden plaats te vinden.
Hoofdstuk 4
25
Regeling NIBM Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:
Woningen (maximaal)
Minimaal 1 ontsluitingsweg 3%-norm 1500
minimaal 2 ontsluitingsweg 3%-norm 3000
Bij de voorgenomen ontwikkeling is er slechts sprake van de realisatie van in totaal 3 woningen, waarmee binnen het 3% criterium van de NIBM-grens gebleven wordt. De voorgenomen ontwikkeling draagt hierdoor ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse goed genoeg is om een goed woon- en leefmilieu te kunnen waarborgen. Ingevolge de Wet milieubeheer bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³ en voor PM10 40 µg/m³. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. Volgens de NSL-monitoringstool (monitoringsronde 2019) is de concentratie PM2,5 ter plaatse lager dan 13 µg/m³ en de concentratie PM10 lager dan 20 µg/m³. De concentratie NO2 is eveneens lager dan 23 µg/m³. Uit de NSL-monitoringstool volgt dan ook dat de luchtkwaliteit ter plaatse de toevoeging van woningen niet in de weg staat. Naar verwachting zal door voortschrijdende technologie de luchtkwaliteit in Nederland nog verder verbeteren. Ook in de toekomst zal de locatie dus niet bezwaarlijk zijn in het kader van de luchtkwaliteit. Conclusie Gezien de bestaande concentraties is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a.
Daarnaast draagt het project niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging, waarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid 1 onder c. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer. 4.2.4 Geurhinder Algemeen Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dienen te worden getoetst aan de normen uit de per 1 januari 2007 in werking getreden Wet geurhinder en Veehouderij (Wgv). Als gevolg van deze wet worden normen gesteld voor de bouw van nieuwe geurgevoelige objecten (gebouwen voor menselijk wonen en menselijk verblijf). Er dient voor deze objecten sprake te zijn van een goed woon- en leefklimaat.
Hoofdstuk 4
26
Toetsing In de directe omgeving van het plangebied is geen sprake van agrarische bedrijven met een geurcontour die over het plangebied gelegen is. Volledigheidshalve dient daarnaast opgemerkt te worden dat tussen omliggende agrarische bedrijven en de beoogde woningen binnen het plangebied reeds andere gevoelige woonbestemmingen gelegen zijn. Deze woningen dienen als maatgevend gezien te worden voor de bedrijfsvoering van de agrarische bedrijven. Conclusie Voor wat betreft het aspect geurhinder zal in de woningen sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.2.5 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Beleid Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Verder is op 1 april 2015 het Basisnet in werking getreden.
Deze wet omvat regels voor het vaststellen van het maximaal toegestane risico door het vervoer van gevaarlijke stoffen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, het overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). In het Bevi en het Bevt is een verplichting tot verantwoording van het groepsrisico opgenomen. Er is sprake van een groepsrisico zodra het plan in het invloedsgebied ligt van een risicovolle activiteit. Het
Hoofdstuk 4
27
betrokken bestuursorgaan moet, al dan niet in verband met de totstandkoming van een besluit, expliciet aangeven hoe de diverse factoren die bijdragen aan de hoogte van het groepsrisico (waaronder zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid) zijn beoordeeld en eventuele in aanmerking komende maatregelen, zijn afgewogen. Een belangrijk onderdeel van de verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen Het Basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het Basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen, hoofdwaterwegen en hoofdspoorwegen.
(Beperkt) kwetsbare objecten Er moet worden getoetst aan het Bevi, het Bevt en het Bevb wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. Een woning is conform het Bevi een kwetsbaar object. Verdere toetsing aan de externe veiligheid is dan ook vereist in het kader van onderhavig plan. Toetsing Door het IPO is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risico veroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, LPG-tankstations enzovoorts. Daarnaast is de risicokaart Basisnet opgesteld, waarop het landelijk netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staat aangegeven. Op de onderstaande afbeelding volgt een uitsnede van de Risicokaart Nederland met daarop de ligging van het plangebied weergeven.
Hoofdstuk 4
28
Uitsnede Risicokaart Nederland met ligging plangebied rode pijl
Risicovolle bedrijvigheid Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting. In de kern Heumen zijn geen risicovolle inrichtingen gevestigd. Risicovol transport over wegen Het plangebied ligt op circa 440 meter van de autosnelweg A73. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van de A73 (afrit 3 (Malden) – afrit 5 (Haps)) bedraagt 10 meter. Het plasbrandaandachtsgebied bedraagt 30 m uit de zijkant van de weg. De ligging en de afstand ten opzichte van deze vervoersassen levert geen directe belemmeringen op. Conform artikel 8 van het besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) moet er in het bestemmingsplan ingegaan worden op de benoemde onderwerpen van artikel 8 als het plangebied binnen 200 meter is gelegen van een transportroute. Aangezien in onderhavige situatie dit niet het geval is, is een verdere uitwerking niet opgenomen in onderhavig bestemmingsplan. Risicovol transport over spoorwegen In de directe omgeving van het plangebied vindt geen transport plaats over spoorwegen.
Hoofdstuk 4
29
Risicovol transport over waterwegen Het plangebied is gelegen in de nabijheid van de Maas en het Maas-Waalkanaal. De Maas en het Maas-Waal kanaal hebben beide een PR 10-6 contour van 0 meter. Het plaatsgebonden risico vormt dus geen knelpunt. Voor de hoogte van het groepsrisico van de Maas zijn personendichtheden binnen een zone van 200 meter bepalend (zogenaamde afkapgrens). Het plangebied is gelegen buiten de contouren van zowel het plaatsgebonden risico als van het groepsrisico met betrekking tot de Maas en Maas-Waalkanaal. De ligging ten opzichte van beide waterwegen vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig planvoornemen. Risicovol transport buisleidingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen buisleidingen gelegen, welke een belemmering vormen voor de beoogde woningbouwontwikkelingen binnen het plangebied. Verantwoording groepsrisico Aspect De mogelijkheden ter voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval.