Bijlage III vast te stellen bestemmingsplan - Toelichting (incl. stikstofberekening en watertoets)
Tekst van het document
Inventarisatie risicobronnen Op basis van de risicokaart van de provincie Gelderland ligt het plangebied in de nabijheid van de autosnelweg A73 en de vaarwegtrajecten Maas en Maas-Waalkanaal.
Maas-Waalkanaal
A73
Maas
Afbeelding 9. Uitsnede risicokaart met plangebied rood omcirkeld
Transport gevaarlijke stoffen Binnen de gemeente Heumen worden gevaarlijke stoffen vervoerd per weg. Dit betreft voornamelijk doorgaand vervoer over de A73 maar ook zeer beperkt bestemmingsverkeer over provinciale en gemeentelijke wegen zoals de N271. Voor de N271 is geen PR en GR opgenomen. Tabel 5. Risicoafstanden van de omliggende wegen
Weg
PR-plafond 10-6 contour
Risicoplafond
A73: afrit 3 (Malden) – afrit 5 (Haps)
10 meter
3428
Vastgesteld
Afstand tussen plangebied en de weg 600 meter 22
Het plangebied is niet gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontour van deze snelweg. Volgens artikel 8 van het besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) moet er in het bestemmingsplan ingegaan worden op de benoemde onderwerpen van artikel 8 als het plangebied binnen 200 meter is gelegen van een transportroute. Aangezien in onderhavige situatie dit niet het geval is, is een verdere uitwerking niet opgenomen in dit bestemmingsplan. Vervoer over het water Een deel van de zuidgrens van de gemeente Heumen wordt gevormd door de Maas, een binnenvaartroute waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Daarnaast ligt Heumen voor een belangrijk deel aan het Maas-Waalkanaal waarover ook gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen per water is in het kader van het Basisnet een risicoplafond vastgesteld die voor beide routes gelijk is. De Maas is gelegen op een afstand van 630 meter ten zuiden van het plangebied. Het Maas-Waal kanaal is gelegen op een afstand van 540 meter ten westen van het plangebied. Tabel 6. Risicoafstanden van de omliggende wegen
Binnenvaartroute
Maas en Maas-Waal kanaal
LF1, brandbare vloeistof 803
LF2, brandbare vloeistof 2710
LT1, toxische vloeistof 40
GF3, brandbaar gas 289
GT3, toxisch gas 258
PAG*
25-50 meter
* wordt gemeten vanaf de begrenzingslijn van de Rijksvaarweg (art 5.1 Waterwet).
De Maas en het Maas-Waal kanaal hebben beide een PR 10-6 contour van 0 meter. Het plaatsgebonden risico vormt dus geen knelpunt. Voor de hoogte van het groepsrisico van de Maas zijn personendichtheden binnen een zone van 200 meter bepalend (zogenaamde afkapgrens; hierbuiten heeft de aanwezigheid van personen nauwelijks of geen invloed op de hoogte van het groepsrisico). Aangezien de personendichtheid binnen deze zone beperkt is, moet gesteld worden dat de Maas en het Maas-Waalkanaal geen relevant groepsrisico heeft ter hoogte van de kern Heumen. Het plangebied is gelegen buiten de contouren van zowel het plaatsgebonden risico als van het groepsrisico met betrekking tot de Maas en Maas-Waalkanaal. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor de realisatie van de woning.
5.2
Kabels en leidingen
Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er geen sprake van een dergelijke dubbelbestemming in of in de nabijheid van het plangebied. Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterbedrijf Vitens bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen.
Vastgesteld
23
5.3
Natuur
5.3.1 Gebiedsbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming het geldend wettelijk kader wanneer het gaat om natuurbescherming. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, Boswet en de Flora- en faunawet. De beleidsmatige natuurbescherming die voorheen was vastgelegd in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is opnieuw vastgelegd, maar heeft een andere naam gekregen namelijk Natuur Netwerk Nederland (NNN). Daarnaast is de specifieke soortenbescherming geëvalueerd en gemonitord. Op basis daarvan is de soortbescherming voor sommige soorten gewijzigd. Sommige soorten worden daardoor beter beschermd, andere soorten komen in een lager beschermingsregime of worden nieuw toegevoegd. De algemene zorgplicht blijft bestaan voor alle inheemse flora- en fauna. (Nieuwe) ontwikkelingen kunnen namelijk negatieve gevolgen hebben voor beschermde flora- en faunasoorten. Bij negatieve effecten van ontwikkelingen kan onder andere gedacht worden aan: optische verstoring door het toevoegen van bebouwing, verlies van oppervlakte, verdroging of vernatting, vermesting en verzuring, verstoring door licht, geluid, trilling en dergelijke. Bij ruimtelijke planvorming is daarom een toetsing aan de natuurwetgeving verplicht. Natura 2000 Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden.
Het doel van de Natura 2000 is het behouden en herstellen van de biodiversiteit in de Europese Unie. Aan de hand van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn worden de Natura 2000-gebieden aangewezen. De Wet Natuurbescherming beschermt de Natura 2000-gebieden. In de directe omgeving van het plangebied liggen geen Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde wettelijk beschermde natuurgebied, het Natura 2000-gebied Sint Jansberg, ligt op circa 5 kilometer afstand van het plangebied. In de Wnb is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura2000-gebieden een Wnb-vergunning vereist is. Over een afstand van 5 km of meer zijn negatieve effecten vanuit het plangebied op de Natura2000-gebieden uit te sluiten, behoudens wat betreft verzuring en/of vermesting. Verzuring en vermesting zijn een van de mogelijk negatieve effecten van een initiatief op een Natura2000-gebied en kan een groot bereik hebben daar stikstof (in de vorm van NOx of NH3), welke verzuring en vermesting veroorzaakt, door de atmosfeer kan neerslaan in een Natura2000-gebied. Door middel van het rekeninstrument AERIUS Calculator wordt de stikstofdepositie op Natura2000-gebieden als gevolg een initiatief berekend.
Als gevolg van onderhavig initiatief kan de emissie van stikstof vanuit het plangebied toenemen vanwege, in dit geval, het gebruik van de woning en het verkeer van en naar de locatie. Volgens AERIUS Calculator leidt het gebruik van één vrijstaande woning tot een emissie van 3,0 kg/jaar NOx. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Er is uitgegaan van de volgende gegevens: ▪ Functie: koop, huis, vrijstaand ▪ Gebiedstype: rest bebouwde kom, weinig stedelijk Op basis van de kencijfers genereert een dergelijke woning per etmaal minimaal 7,8 en maximaal 8,6 verkeersbewegingen. Uitgaande van een worst-case benadering genereert het initiatief dagelijks 8,6 verkeersbewegingen, veroorzaakt door 4,3 voertuigen (elk arriverend voertuig vertrekt weer en genereert dus per saldo 2 verkeersbewegingen). Vanwege het karakter van het initiatief wordt verondersteld dat de voertuigen van en naar de locatie lichte voertuigen betreffen (personenauto’s). Uit de ingevoerde gegevens blijkt dat door de toename van het verkeer de emissie NOx met 0,3 kg/jaar toeneemt vanuit de locatie.
Vastgesteld
24
De stikstofemissie neemt door het initiatief toe met 3,3 kg NOx per jaar. Dit leidt op basis van AERIUS Calculator niet tot een toename van stikstofdepositie ter plaatse van de Natura2000-gebieden. Het initiatief leidt derhalve niet tot extra verzuring of vermesting in Natura2000-gebieden.
Afbeelding 10. Uitsnede berekening AERIUS Calculator
Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een netwerk van nieuw aan te leggen en bestaande natuurgebieden. Het doel van NNN is om natuurgebieden met elkaar te verbinden en zo te vergroten. Hierdoor ontstaat er een netwerk dat functioneert als één groot natuurgebied. Voor het Natuurnetwerk Nederland geldt op basis van het Rijksbeleid (Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening) de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. Dit houdt in dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan als de wezenlijke kenmerken of waarden van een gebied significant aantasten. Het NNN is veelal opgedeeld in provinciale natuurgebieden, waaronder het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het GNN bestaat enerzijds uit alle gebieden met een natuurbestemming binnen de voormalige Gelderse Ecologische Hoofdstructuur (EHS) en anderzijds uit het zoekgebied voor nieuwe natuur. In de Groene ontwikkelingszone worden natuur- en landschapselementen aangelegd ter verbetering van de migratiemogelijkheden voor planten en dieren. In de omgeving van het plangebied liggen onderdelen van het GNN. Daarnaast liggen in de omgeving van het plangebied ook gronden die onderdeel uitmaken van de Groene ontwikkelingszone.
Op circa 400 meter ten noord van het plangebied ligt het dichtstbijzijnde onderdeel van het Gelders Natuurnetwerk. Daarnaast ligt op circa 160 meter ten zuiden van het plangebied het dichtstbijzijnde onderdeel van de Groene ontwikkelingszone. Het plangebied maakt zelf geen onderdeel uit van het Gelders Natuurnetwerk en dus ook niet van het Natuurnetwerk Nederland.
Vastgesteld
25
400 meter
240 meter
600 meter
160 meter
Afbeelding 11. Uitsnede kaart Natuurbeheerplan met daarop weergegeven het GNN
Daar het plangebied zich niet bevindt in het GNN en de afstand tussenbeide ruim is, vormt het initiatief derhalve geen belemmering voor de aanleg of instandhouding van het GNN en NNN. 5.3.2 Soortenbescherming Om het voorkomen van flora en fauna in het plangebied aan te tonen en het effect van de bouw van de woning hierop te onderzoeken is een flora- en faunainspectie4 uitgevoerd. Algemene vogels In de opgaande vegetatie in het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan. Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen (mogelijk) zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in Gelderland een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud.
Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst.
4
Faunaconsult, Flora- en fauna-inspectie, De Boomgaard 1 Heumen, 25 maart 2021
Vastgesteld
26
5.4
Waterhuishouding
In het Besluit Ruimtelijke Ordening, dat sinds 1 november 2013 is ingegaan, is opgenomen dat het verplicht is om een watertoets te verrichten. Het is dan ook noodzakelijk om in de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen een waterparagraaf op te nemen. In de waterparagraaf wordt een beschrijving gegeven over de manier waarop rekening wordt gehouden met de waterhuishouding als gevolg van het plan. In de paragraaf wordt dan ook een beschrijving gegeven van de beleidsuitgangspunten, waterhuishoudkundige situatie en wateropgaven in het plangebied, (motivatie van) meest geschikte oplossingen en ruimtelijke consequenties daarvan. Indien aan de orde is tevens het advies van het waterschap in de waterparagraaf verwerkt. 5.4.1 Beleid Op 27 november 2015 heeft het bestuur van Waterschap Rivierenland het Waterbeheerprogramma 2016-2021 vastgesteld, met als titel “Koers houden, kansen benutten”. Met dit programma blijft het waterschap op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om het afvalwater effectief te zuiveren. Bij de uitvoering van het programma beweegt het waterschap mee met de (klimaat)veranderingen om ons heen en benut zij de kansen die zich voordoen in de regio. Het waterbeheerprogramma beschrijft wat het waterschap in de planperiode (2016-2021) wil bereiken en hoe zij dat willen bewerkstelligen.
De drie speerpunten van het Waterbeheerprogramma zijn: ▪ Veel dijkverbeteringen: in het waterbeheerprogramma staat bescherming tegen overstromingen voorop. In de komende jaren zullen veel dijkverbeteringen in het rivierengebied plaatsvinden. Daarbij houdt het waterschap rekening met nieuwe normen voor waterveiligheid en met de belangen van de omgeving. Dijkverbeteringen worden op veel plaatsen innovatief uitgevoerd. Hierdoor kan het waterschap de overlast voor de omgeving beperken en efficiënter werken. ▪ Innovatie bij zuivering afvalwater: rioolwater is niet langer alleen maar afvalwater; het is ook een bron van nuttige energie en grondstoffen. In het waterbeheerprogramma neemt het waterschap zich voor steeds meer technieken toe te passen om grondstoffen en energie terug te winnen uit het afvalwater. ▪ Klimaatbestendig watersysteem: het klimaatbestendig maken van het watersysteem is een van de aandachtspunten in het beheerprogramma De zorg voor de bescherming van het drinkwater is een wettelijke taak van de provincie. De provincie Gelderland heeft in de omgevingsverordening de bescherming van het water meegenomen in de kaart ‘Water en Milieu’. Conform deze kaart liggen in het plangebied geen specifieke waterkundige waarden. Waterhuishoudkundige situatie Op de leggerkaarten van waterschap Rivierenland is te zien dat binnen het plangebied geen oppervlaktewater ligt.
Rond het plangebied zijn verschillende watergangen gelegen. Ten oosten van het plangebied is een A-watergang gesitueerd. Op basis van de Keur mag binnen een zone van 7 meter van de insteek van de watergang met beschermingszone A niet zonder vergunning van het waterschap worden gebouwd. Het plangebied bevindt zich ruimschoots buiten deze zone. Een vergunning van het waterschap is derhalve niet benodigd. Bodemgesteldheid en grondwater Op de Bodemkaart van Nederland worden de gronden van het plangebied aangeduid als ooivaaggronden bestaande uit lichte zavel. De bodem heeft een zeer diepe ontwateringsklasse en de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) ligt 140 cm onder het maaiveld. Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland. Vastgesteld
27
Water in relatie tot ontwikkeling Door het toekennen van de planologische mogelijkheid om de grond te verharden (in de vorm van een woning, bijgebouwen en erfverhardingen) neemt het verhard oppervlak in relatie tot de huidige situatie toe. Iedere toename van verhard oppervlak dient zoveel mogelijk ‘hydrologisch neutraal’ te geschieden. Bij het realiseren van een inrit moet rekening worden gehouden met de huidige afvoer van het wegwater in de bermen. De inrit dient op 5 meter afstand van de bomen te worden gesitueerd zodat de huidige afvoer van het wegwater in stand blijft. Hemelwater Met het oprichten van de woning zal nieuw verhard oppervlak worden toegevoegd. De realisatie van nieuw verhard oppervlak moet waterneutraal worden uitgevoerd. Dit betekent dat initiatiefnemer voldoende compenserende maatregelen moet nemen, zodat het oppervlaktewatersysteem na het gereedkomen van de verharding niet zwaarder wordt belast dan voordien. Dit kan onder andere bereikt worden door het graven van nieuwe oppervlaktewaterlichamen, het vergroten van bestaande oppervlaktewaterlichamen of het aanleggen van wadi’s. Initiatiefnemer moeten bij de aanvraag omgevingsvergunning zelf aangeven op welke manier en waar de compensatie gaat plaatsvinden. Ten behoeve van het afkaderen van het aspect water is er een watertoets uitgevoerd. Deze is bijgevoegd in de bijlagen.
Uit de ingevoerde gegevens volgt dat er sprake is van een ruimtelijk plan dat een geringe invloed heeft op de taken en belangen van het waterschap. In deze fase van de planvorming kan volgens het waterschap worden volstaan met dit automatisch gegenereerd wateradvies. Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen worden er geen bezwaren verwacht tegen het initiatief. Riolering Bij de nieuwe ontwikkeling moet het afvalwater worden aangesloten op de riolering. Het huishoudelijk afvalwater zal aangesloten worden op het bestaande (druk)rioleringssysteem van de gemeente Heumen.
5.5
Archeologie en cultuurhistorie
5.5.1 Archeologie Sinds 1 september 2007 is de nieuwe Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) van kracht. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. In 2013 is het rapport ‘Actualisatie archeologische waarden- en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart’ vastgesteld. Dit rapport vormt de basis voor het beleid op het gebied van archeologie en cultuurhistorie. Het rapport bevat een actualisatie van de archeologische waarden- en verwachtingskaart van 2006.
Vastgesteld
28
Afbeelding 12. Uitsnede archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Heumen, plangebied rood omcirkeld
Conform de archeologische waarden- en verwachtingskaart van de gemeente Heumen is het plangebied geleden in een archeologisch en bouwhistorisch kansrijke locaties. Voor het plangebied geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 1’. Vanwege deze dubbelbestemming is archeologisch onderzoek benodigd als meer dan 200 m2 van de aanwezige bodem verstoord wordt met een ontwikkeling. Op basis van de resultaten van het onderzoek blijkt dat in het plangebied (mogelijk) archeologische resten bedreigd worden door de voorgenomen bodemingrepen. Om het archeologisch relevante niveau niet te verstoren wordt aanbevolen geen bodemingrepen dieper dan 20 cm –mv uit te voeren. Mochten bij de geplande bouw toch diepere bodemingrepen nodig zijn, dan wordt een archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. Gezien de prospectiekenmerken en de geringe omvang van het plangebied wordt geadviseerd de gespecificeerde verwachting te toetsen in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (inventariserend veldonderzoek: karterende/waarderende fase) ter plaatse van de toekomstige bebouwing. Gezien de geringe omvang van de nieuwbouw is het verstandig rekening te houden met een doorstart naar een opgraving (met omvang van de bouwput).
Voorafgaand aan de uitvoering van een dergelijk gravend onderzoek dient een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld en te worden voorgelegd aan de bevoegde overheid (gemeente Heumen). Het vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek is inmiddels in gang gezet. Resultaten van dit onderzoek zijn nog niet voorhanden, het plangebied is om die reden nog niet vrijgegeven. Zo lang het plangebied nog niet is vrijgegeven door het bevoegd gezag wordt de archeologische waarde planologisch geborgd door het toekennen van een archeologische dubbelbestemming. Vanwege de hoge archeologische verwachting is op basis van het gemeentelijk archeologisch beleid de bestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 1’ aan het plangebied toegekend. Door deze dubbelbestemming is planologisch geborgd dat het terrein niet verstoord mag worden voor een oppervlakte van 200 m2 dieper dan 0,2 m.
5.5.2 Cultuurhistorie De gemeente Heumen heeft samen met de gemeenten Beuningen, Druten en Wijchen de beleidsnota ‘Cultuurhistorie: samen in verscheidenheid’ opgesteld. De beleidsnota geeft een visie en ambitie op de omgang met het (bovengrondse) cultureel erfgoed in de vier gemeenten. Vastgesteld
29
Blijkens de provinciale cultuurhistorische waardenkaart worden er, ten aanzien van de thema’s historische geografie en historische stedenbouw en archeologie, geen waarden toegekend aan het plangebied. Volgens de Cultuurhistorische waarderingskaart van de gemeente Heumen is aan het plangebied een zeer lage waardering toegekend.
Afbeelding 13. Uitsnede cultuurhistorische waarderingskaart met het plangebied rood omcirkeld
De woningen De Boomgaard 1 en 3 zijn aangewezen als beeldbepalende/ waardevolle panden. Deze panden zijn dan ook in het vigerende bestemmingsplan voorzien van de aanduiding ‘karakteristiek’. Het oprichten van één nieuwe woning tussen deze woningen doet geen afbreuk aan deze beeldbepalende/ waardevolle panden. De panden betreffen allen vrijstaande panden. Gesteld wordt daarom dat met het initiatief geen sprake is van een aantasting van cultuurhistorische waarden.
5.6
Verkeer en parkeren
Het wijzigen van een bestemming heeft in veel gevallen een effect op het aantal verkeersbewegingen. Het is daarom van belang om te kijken welke veranderingen er optreden en of dit effect heeft op het wegverkeer en het parkeren. Verkeer De nieuwe functie zorgt voor andere verkeersbewegingen. Op basis van de CROW-kengetallen5 is de verkeersgeneratie van de beoogde woning in beeld gebracht. Voor het initiatief is gekeken naar de functie koophuis vrijstaand en het gebiedstype rest bebouwde kom, weinig stedelijk. Op basis van de kencijfers genereert één vrijstaande woning per etmaal minimaal 7,8 en maximaal 8,6 verkeersbewegingen. De woning zal worden ontsloten middels De Boomgaard. Gezien het profiel van de weg zal deze de geringe toename van het aantal verkeersbewegingen goed kunnen verwerken. Parkeren Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is eveneens gebruik gemaakt van CROW publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' en van de zelfde functie en het omgevingstype. Op basis van deze gegevens dienen op het perceel 2,7 parkeerplaatsen per woning te worden opgericht. Op het perceel is voldoende ruimte voor het oprichten van de parkeerplaatsen.
5 CROW-publicatie 317, Verkeersgeneratie Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie
Vastgesteld
30
6.
JURIDISCHE ASPECTEN
Een bestemmingsplan geeft bestemmingen met de bijbehorende regels. Het bestaat niet alleen uit een tekstdocument, maar ook uit een verbeelding (plankaart). Alle toegelaten functies zijn met een eigen bestemming op de verbeelding opgenomen. Samen met de regels vormt de (digitale en analoge) verbeelding het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting hoort wel bij het bestemmingsplan, maar is geen onderdeel daarvan: de toelichting is niet juridisch bindend. Dat betekent, dat indien er onverhoopt verschillen zouden bestaan tussen de toelichting en het bestemmingsplan, de regels en de verbeelding (plankaart) doorslaggevend en bindend zijn en de toelichting niet. De toelichting beschrijft wat de doelstellingen van het bestemmingsplan zijn en hoe de regels van het bestemmingsplan moeten worden geïnterpreteerd. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de SVBP 2012 alsmede de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor). Het bestemmingsplan is digitaal opgesteld en beschikbaar. Van het elektronische document is een papieren versie gemaakt. Bij een onbedoeld verschil tussen de papieren versie en de elektronische versie gaat de laatste voor.
6.1
Toelichting op de verbeelding
De verbeelding geeft met kleuren en tekens aan welke bestemming voor de gronden geldt. De bestemming is aangegeven met een gekleurd vlak met de letters van de bestemming. Er zijn voor de gronden meerdere tekens opgenomen. Het gaat dan om aanduidingen (functie- of gebiedsaanduidingen) of dubbelbestemmingen. Voor een aanduiding of dubbelbestemming zijn in de regels specifieke bepalingen van toepassing. Uit de verbeelding kan afgeleid worden op welk gebied het bestemmingsplan betrekking heeft, omdat daarop de plangrens is aangegeven. De analoge verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:1.000. De analoge verbeelding bestaat uit één plankaart met een legenda. Het voorste gedeelte van het plangebied is bestemd tot ‘Tuin’ en het resterende deel tot ‘Wonen’, welke tevens is voorzien van een bouwvlak. Voor het bouwvlak geldt de maatvoeringsaanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 1’ waardoor er één nieuwe woning is toegestaan.
6.2
Toelichting op de planregels
Alle gronden binnen het plangebied zijn voorzien van een bestemming. Een bestemming geeft de functie(s) aan die voor een gebied zijn toebedacht. Bij deze bestemmingen horen gebruiksregels. Het kan gaan om regels voor bouwen, werken en werkzaamheden, slopen en het gebruik van grond en opstallen voor bepaalde activiteiten. De bestemming en de regels bepalen gezamenlijk welke activiteiten en handelingen zijn toegestaan. Het gevolg van het leggen van een bestemming is, dat de betreffende gronden alleen overeenkomstig deze bestemming mogen worden gebruikt. De bevoegdheid om bestemmingen toe te kennen is voorbehouden aan de gemeenteraad. Dit is geregeld in artikel 3.1 Wro. Een gemeenteraad mag niet zomaar een bestemming toekennen, maar moet daarvoor vanuit het algemeen belang van een “goede ruimtelijke ordening” redenen hebben. Het leggen van een bestemming betekent overigens niet dat er een verplichting bestaat voor een grondgebruik om die bestemming te realiseren. De bestemming en regels gelden voor 10 jaren te rekenen vanaf het moment van vaststelling van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan is een juridisch plan: de daarin opgenomen bepalingen zijn bindend voor burgers, bedrijven en de overheid.
Vastgesteld
31
Bij het opstellen van de regels is uitgegaan van de SVBP2012 en het meest recente bestemmingsplan voor de kern van Heumen; “Kernen Heumen, Overasselt, Nederasselt en Molenhoek”. De regels zijn verdeeld in vier hoofdstukken, te weten: ▪ Hoofdstuk 1: Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten; ▪ Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels. Hierin worden de regels voor de op de verbeelding opgenomen bestemmingen gegeven; ▪ Hoofdstuk 3: Algemene regels, waaronder zijn opgenomen de anti-dubbeltelregel, algemene bouw- en gebruiksregels en algemene wijzigingsregels; ▪ Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen. Het belangrijkste doel van de planregels is om de bouw- en gebruiksregels van de verschillende bestemmingen aan te geven en maken in dit geval de bouw van één vrijstaande woning mogelijk. Het onderhavige bestemmingsplan kent de bestemmingen ‘Tuin’ en ‘Wonen’. Hoofdstuk 1: INLEIDENDE REGELS In dit hoofdstuk worden de in de regels gehanteerde begrippen nader verklaard, zodat interpretatieproblemen zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze bepaalde afmetingen dienen te worden gemeten. Hoofdstuk 2: BESTEMMINGSREGELS In deze artikelen worden de op de verbeelding aangegeven bestemmingen omschreven en wordt bepaald op welke wijze de gronden en opstallen gebruikt mogen worden.
Tevens worden per bestemming de bebouwingsmogelijkheden vermeld. Hoofdstuk 3: ALGEMENE REGELS Deze artikelen bevatten bepalingen die van toepassing zijn op meerdere bestemmingen, zodat het uit praktische overwegingen de voorkeur verdient deze in een afzonderlijke paragraaf onder te brengen. Hoofdstuk 4: SLOT- EN OVERGANGSREGELS Hier wordt omschreven welke gebouwen en gebruik vallen onder het overgangsrecht.
Vastgesteld
32
7.
UITVOERBAARHEID
7.1
Economische uitvoerbaarheid
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan, waarin ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, dient de gemeenteraad eveneens een exploitatieplan vast te stellen. Dit heeft te maken met de wettelijke verplichting om de kosten, die de gemeente moet maken om deze ontwikkeling mogelijk te maken, te verhalen op de eigenaar/ontwikkelaar. Alle kosten die gemaakt moet worden het opstellen van een bestemmingplan zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Hiervoor is een overeenkomst afgesloten, waarin ook de afwikkeling van eventuele verzoeken tot tegemoetkoming in planschade is geregeld. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente afdoende geregeld.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpbestemmingsplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. Vooroverleg Conform ex artikel 3.1.1. van het Bro moeten burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de Rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het kader van het vooroverleg wordt het voorliggende bestemmingsplan toegezonden aan diverse overlegpartijen. Er zijn geen vooroverlegreacties ontvangen. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 11 juni t/m 22 juli 2021 voor eenieder ter inzage gelegen. Er is één zienswijze binnengekomen tegen het ontwerpbestemmingsplan. Deze zienswijze is beoordeeld en de belangen van reclamant zijn afgewogen tegen het belang dat met het bestemmingsplan wordt gediend.
De zienswijze heeft geleid tot inhoudelijke wijzigingen c.q. aanvullingen van het bestemminsplan. Een uitgebreidere behandeling van de zienswijze is opgenomen in het zienswijzenrapport, die als bijlage bij het bestemmingsplan is vastgesteld.
Vastgesteld
33
8.
PROCEDURE
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: ▪ Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; ▪ Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken; ▪ Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; ▪ Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend; ▪ Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, binnen 6 weken na vaststelling; ▪ Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; ▪ Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroeps/inwerkingtreding termijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Vastgesteld
34
Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreft de hoogst berekende stikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (NH3) en/of stikstofoxide (NOx). Wilt u verder rekenen of gegevens wijzigen? Importeer de pdf dan in Calculator. Voor meer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.
Berekening Situatie 1 Kenmerken Samenvatting emissies Depositieresultaten Gedetailleerde emissiegegevens
Verdere toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: https://www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers. RnuGWDdQPDsQ (02 september 2021) pagina 1/5
Resultaten
Contact
Activiteit
Rechtspersoon
Inrichtingslocatie
Bureau Leefomgeving
Schoolstraat 7, 5961EE Horst
Omschrijving
AERIUS kenmerk
De Boomgaard 1
RnuGWDdQPDsQ
Datum berekening
Rekenjaar
Rekenconfiguratie
02 september 2021, 10:22
2021
Berekend voor natuurgebieden
Totale emissie
Resultaten Hectare met hoogste bijdrage (mol/ha/j)
Toelichting
Resultaten
Situatie 1
NOx
3,34 kg/j
NH3
< 1 kg/j
Natuurgebied
Uw berekening heeft geen depositieresultaten opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.
Oprichten vrijstaande woning
Situatie 1
RnuGWDdQPDsQ (02 september 2021) pagina 2/5
Resultaten
Locatie Situatie 1
Emissie Situatie 1
Bron Sector
Vrijstaande woning Plan | Plan
Verkeer woning Wegverkeer | Binnen bebouwde kom
Resultaten
Situatie 1
Emissie NH3
Emissie NOx
-
3,03 kg/j
< 1 kg/j
< 1 kg/j
RnuGWDdQPDsQ (02 september 2021) pagina 3/5
Resultaten
Emissie (per bron)
Naam Locatie (X,Y)
Situatie 1
NOx
Sector
Categorie
Omschrijving
Woningen (nieuwbouw): Vrijstaande woning
woning
Naam Locatie (X,Y) NOx NH3
Resultaten
Soort
Voertuig
Standaard
Licht verkeer
Situatie 1
Vrijstaande woning 186670, 419675 3,03 kg/j
Eenheden Stof
Emissie
1,0 NOx
3,03 kg/j
Verkeer woning 186405, 419603 < 1 kg/j < 1 kg/j
Aantal voertuigen Stof
Emissie
4,3 / etmaal NOx NH3
< 1 kg/j < 1 kg/j
RnuGWDdQPDsQ (02 september 2021) pagina 4/5
Resultaten
Disclaimer
Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.
Rekenbasis
Deze berekening is tot stand gekomen op basis van: AERIUS versie 2020_20210525_2040287d5b Database versie 2020_20210713_c09c249ebe Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/nl/factsheets/release/aerius-calculator-2020
Resultaten
Situatie 1
RnuGWDdQPDsQ (02 september 2021) pagina 5/5
datum 2-3-2021 dossiercode 20210302-9-25713
Algemene projectgegevens Plannaam: De Boomgaard ong. Projectomschrijving: Oprichten van een nieuwe woning tussen de woningen De Boomgaard 1 en De Boomgaard 3 Oppervlakte plangebied: 470 Adres: De Boomgaard 1, Heumen Gemeente: Heumen Het plan is ingediend door: Natascha van den Ekker Bureau Leefomgeving Standaard wateradvies Op grond van het Besluit Ruimtelijke Ordening moet in de toelichting van ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Hierin wordt beschreven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de taken en belangen van het waterschap. De watertoets voor dit plan heeft plaatsgevonden via de Digitale Watertoets (www.dewatertoets.nl). Uit de ingevoerde gegevens volgt dat er sprake is van een ruimtelijk plan dat een geringe invloed heeft op de taken en belangen van het waterschap. In deze fase van de planvorming (bestemmingsplan) kan volgens het waterschap worden volstaan met dit automatisch gegeneerd wateradvies. Beleid van Waterschap Rivierenland Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 Koers houden, kansen benutten bepalend voor het waterbeleid. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit, wegen en waterketen.
Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Eenmalige vrijstelling Binnen uw plan neemt de verharding toe. U zult moeten compenseren voor het verlies aan waterberging. Het is mogelijk dat u voor een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht in aanmerking komt. De eenmalige vrijstelling geldt bij een toename in verharding van minder dan 500 m² in stedelijk gebied en minder dan 1500 m² in landelijk gebied. Zo voorkomen we dat individuele bewoners moeten compenseren voor voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes, etc. Op sommige locaties is het onwenselijk om de vrijstelling in te zetten, omdat bijvoorbeeld de waterhuishoudkundige situatie dan zou verslechteren. Compenserende waterberging is dan wel nodig. Bespreek dit met de betreffende accountmanager van het waterschap. Is de toename in verharding groter dan 500 m² in stedelijk gebied of groter dan 1500 m² in landelijk gebied dan is het mogelijk dat de vrijgestelde oppervlaktes in mindering worden gebracht.
Neemt in uw plan de verharding bijvoorbeeld toe met 600 m² in stedelijk gebied, dan hoeft u met de vrijstelling maar voor 100 m² te compenseren. We gaan ervan uit dat gemeenten en organisaties deze vrijstelling op een eerder moment binnen ons beheergebied hebben ingezet. Zij hebben hier dan geen recht meer op. U kunt contact opnemen met de afdeling vergunningen (vergunningen@wsrl.nl) van het waterschap om deze vrijstelling aan te vragen. U moet compenserende maatregelen nemen als u niet in aanmerking komt voor de vrijstelling of als u de vrijgestelde oppervlaktes overschrijdt. U zult daarover nadere afspraken moeten maken. Bespreek dit met uw accountmanager van het waterschap. Berekenen benodigde watercompensatie De benodigde ruimte voor waterberging wordt berekend op basis van de toename van verhard oppervlak, maatgevende regenbuien en de maximaal toelaatbare peilstijging in de watergangen. De vuistregel is dat er 436m³ waterberging nodig is per hectare nieuw verhard oppervlak. De maximaal toelaatbare peilstijging bedraagt 0,20 meter in het gebied Alblasserwaard en Vijfheerenlanden. In de rest van het beheergebied van Waterschap Rivierenland geldt een maximaal toelaatbare peilstijging van 0,30 meter. Dit geldt voor plannen met een toename van verhard oppervlak tot 5.000 m2.
De vuistregel geldt alleen bij waterberging in open water en als er geen sprake is van complicerende zaken (bijvoorbeeld kwel). In stedelijk gebied kan waterberging ook worden gerealiseerd via een waterbergingsbank (indien beschikbaar). Plannen met een toename van
het verhard oppervlak in stedelijk gebied tot 1500 m2komen hiervoor in aanmerking. Voor plannen met meer dan 5000m² extra verharding wordt een aparte berekening gevraagd. Dit geldt ook voor plannen die waterhuishoudkundig complex zijn. Hierbij worden de volgende berekeningsuitgangspunten gehanteerd: ● De maatgevende afvoer door de watergangen is 1,5 l/s/u. Dit is ook de afvoer die de watergangen in het landelijk gebied nog net
aankunnen.
● Bij een regenbui die eenmaal per 100 jaar kan voorkomen met 10% opslag vanwege de klimaatverandering (T=100+10%) mag er geen
inundatie optreden.
● Bij een regenbui die eenmaal per 10 jaar optreedt met 10% opslag vanwege klimaatverandering (T=10+10%) moet er voor het
straatpeil nog een drooglegging van 1,00 m zijn ten opzichte van zomerpeil.
Voorkeursvolgorde aanleg watercompensatie Bij de keuze van het soort bergingsvoorziening hanteert het waterschap de voorkeursvolgorde vasthouden-bergen-afvoeren: 1. Hergebruik en/of vasthouden Hierbij wordt het hemelwater binnen het plangebied verzameld en komt niet (direct) in het oppervlaktewater terecht. Dit kan bijvoorbeeld met groene polderdaken en wadi s. Het ontwerp-, beheer- en onderhoudsaspect spelen een belangrijke rol bij deze voorzieningen. De initiatiefnemer dient aantoonbaar te maken dat de gerealiseerde berging kan blijven functioneren. Op hoge zandgronden met een lage grondwaterstand heeft infiltratie onze voorkeur. De gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) komt niet hoger dan 50 cm onder het maaiveld. U kunt de attentiekaart infiltratie met daarop kansrijke gebieden voor infiltratie bij onze accountmanager opvragen. Buiten deze gebieden is infiltratie ook mogelijk, zolang de gemiddelde hoogste grondwaterstand niet hoger komt dan 50 cm onder maaiveld. In kwelgevoelige gebieden hanteren we de gemiddeld hoogste stijghoogte, omdat het grondwater in de winter (als de rivierstanden hoog zijn) hoger onder het maaiveld komt. De gemiddeld hoogste stijghoogte mag niet hoger komen dan 50 cm onder maaiveld. Infiltratie vindt bij voorkeur plaats in de openbare ruimte (openbaar groen, bermen, etc.). In overleg met de accountmanager kan hiervan worden afgeweken. 1.
Bergen Onder bergen verstaan we de opvang van hemelwater in het oppervlaktewater. Het hemelwater van het plangebied wordt opgevangen in het oppervlaktewater. Hier heeft het graven van nieuw oppervlaktewater de voorkeur boven het vergroten van bestaand water. Bij gebruik van bestaand water gaat de voorkeur uit naar watergangen die niet door Waterschap Rivierenland worden onderhouden. In het algemeen geldt dat compensatie in B-watergangen de voorkeur heeft boven compensatie in A-watergangen. Als de aanvrager kan aantonen dat compensatie in een B- of A-water redelijkerwijs niet mogelijk is, kan het waterschap ook compensatie in bestaande of nieuwe C-wateren toelaten. Bij aanleg of aanpassing van watergangen is het van belang rekening te houden met de bereikbaarheid voor onderhoud, in- en uitlaatplaatsen voor maaiboten en opslagmogelijkheden voor slootvuil en kroos. Om water van voldoende waterkwaliteit te houden (of krijgen), is ook het zelfreinigend vermogen van het watersysteem van belang. Dit wordt bevorderd door rekening te houden met voldoende waterdiepte (streven is 1 meter of juist droogvallend) en voldoende oevervegetatie (taludschuinte minimaal 1:2 of flauwer). Hierbij wordt hemelwater afgevoerd via de riolering. 1. Afvoeren Hierbij wordt hemelwater afgevoerd via de riolering.
Conclusie Wij adviseren positief over het plan, onder de voorwaarde dat er voldoende rekening wordt gehouden met bovengenoemde aandachtspunten (indien van toepassing). Het ruimtelijk plan hoeft in het kader van de watertoets niet meer toegestuurd te worden aan Waterschap Rivierenland. Vervolgens kunt u het ruimtelijk plan nader uitwerken tot op het niveau van een aanvraag watervergunning of melding (indien van toepassing). Voorwaarde hierbij is dat het op te stellen bestemmingsplan niet conflicteert met deze nadere uitwerking. Dit is uw eigen verantwoordelijkheid. Vervolg Voor de uitvoering van het plan kan, afhankelijk van de bovengenoemde aandachtspunten, een watervergunning of melding bij het waterschap vereist zijn. In deze watervergunning of melding kunnen nadere technische eisen aan uw plan gesteld worden. U kunt hiervoor
contact opnemen met het secretariaat van de afdeling Vergunningen. Zij zijn bereikbaar via e-mailadres secretariaat-afdelingvergunningen@wsrl.nl en telefoonnummer (0344) 64 94 94. Wij adviseren u om uw aanvraag of melding vooraf te bespreken met medewerkers van de Afdeling Vergunningen. Dit automatisch gegenereerd wateradvies kan hierbij nuttig zijn. Voor meer informatie over vergunningen en melding kunt u ook terecht op: www.waterschaprivierenland.nl/vergunningen © Digitale Watertoets - www.dewatertoets.nl Dit document is gegenereerd via de website http://www.dewatertoets.nl//op basis van door u ingevulde gegevens. U bent akkoord gegaan met de door u ingevulde gegevens. Dit digitale advies heeft een geldigheid van 2 jaar.
www.dewatertoets.nl