CConstaterende datHeumen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage III vast te stellen bestemmingsplan - Toelichting (incl. stikstofberekening en watertoets)

Raad 21 oktober 2021, gemeente HeumenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan De Boomgaard ong. Heumen14.903 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

BESTEMMINGSPLAN “De Boomgaard ong. Heumen” NL.IMRO.0252.HEbpBoomgaard-VA01 Vastgesteld

Document:

Bestemmingsplan “De Boomgaard ong. Heumen”

IDN:

NL.IMRO.0252.HEbpBoomgaard-VA01

Status:

Vastgesteld

Datum:

3 september 2021

Aanvrager:

De heer K. Bergwerff

Auteur:

De heer ing. P.W.M. van de Ligt Mevrouw Ing. N.A.H van den Ekker

Bureau Leefomgeving Schoolstraat 7 5961 EE HORST 077 – 208 60 99 contact@bureauleefomgeving.nl www.bureauleefomgeving.nl

INHOUDSOPGAVE 1.

INLEIDING............................................................................................................................................................3 1.1

Aanleiding en doel van het bestemmingsplan ................................................................................................................................... 3

1.2

Ligging van het plangebied .......................................................................................................................................................................... 4

1.3

Vigerend bestemmingsplan ........................................................................................................................................................................ 4

2.

HUIDIGE SITUATIE ...........................................................................................................................................6

3.

BEOOGDE SITUATIE........................................................................................................................................6

4.

5.

6.

7.

8.

3.1

Uitgangspunten en doelstellingen van het plan................................................................................................................................. 7

3.2

Beschrijving plan ............................................................................................................................................................................................. 7

BELEIDSKADER ..................................................................................................................................................9 4.1

Rijksbeleid.......................................................................................................................................................................................................... 9

4.2

Provinciaal beleid......................................................................................................................................................................................... 11

4.3

Gemeentelijk beleid ................................................................................................................................................................................... 13

RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN.............................................................. 16 5.1

Milieuaspecten .............................................................................................................................................................................................. 16

5.2

Kabels en leidingen ..................................................................................................................................................................................... 23

5.3

Natuur ............................................................................................................................................................................................................. 24

5.4

Waterhuishouding...................................................................................................................................................................................... 26

5.5

Archeologie en cultuurhistorie............................................................................................................................................................. 28

5.6

Verkeer en parkeren................................................................................................................................................................................. 30

JURIDISCHE ASPECTEN ............................................................................................................................... 31 6.1

Toelichting op de verbeelding ............................................................................................................................................................... 31

6.2

Toelichting op de planregels .................................................................................................................................................................. 31

UITVOERBAARHEID...................................................................................................................................... 33 7.1

Economische uitvoerbaarheid............................................................................................................................................................... 33

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................................................................... 33

PROCEDURE..................................................................................................................................................... 34

Vastgesteld

1

BIJLAGEN Bijlage 1: AERIUS berekening Bijlage 2: Watertoets Separate bijlagen: ▪ Verkennend bodemonderzoek ▪ Flora- en Fauna-inspectie ▪ Archeologisch onderzoek ▪ Schaduw simulatie

Vastgesteld

2

1.

INLEIDING

1.1

Aanleiding en doel van het bestemmingsplan

Bij de gemeente Heumen is door de heer Bergwerff een verzoek ingediend voor het oprichten van een nieuwe woning tussen de woningen De Boomgaard 1 en De Boomgaard 3. De woning is beoogd in de achtertuin van de woning De Boomgaard 1. Dit perceel is aan de westelijke zijde bebouwd met de huidige woning met bijgebouwen, het overige deel van het perceel is ingericht als tuin. De locatie maakt onderdeel uit van het bebouwingslint dat aan De Boomgaard/Dorpsstraat is gelegen. Dit bebouwingslint bestaat uit vrijstaande woningen. Het oprichten van een vrijstaande woning past derhalve uit stedenbouwkundig oogpunt uitstekend in dit bebouwingslint.

Afbeelding 1. Ligging plangebied met de locatie rood omcirkeld

Het oprichten van één woning op deze locatie past echter niet binnen het vigerende bestemmingsplan “Kernen Heumen, Overasselt, Nederasselt en Molenhoek”. De locatie is thans bestemd als ‘Wonen’ en voorzien van een bouwvlak. Echter het aantal woningen mag niet meer bedragen dan het bestaande aantal woningen. Het oprichten van een nieuwe woning dan ook niet toegestaan. Ondanks dat het oprichten van een nieuwe woning hier niet is toegestaan wil de gemeente Heumen in principe haar medewerking verlenen aan de oprichting van de nieuwe woning op de betreffende locatie. Om de nieuwe woning in een passend juridisch-planologisch kader vast te leggen is voorliggend bestemmingsplan, in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), opgesteld. Door middel van dit bestemmingsplan wordt aan de locatie een bouwrecht toegekend, waardoor de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor de gewenste woning ontstaan.

Vastgesteld

3

1.2

Ligging van het plangebied

De locatie (in het vervolg aangeduid als “plangebied”) is gelegen aan De Boomgaard in de bebouwde kom van Heumen. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Heumen, sectie C, nummer 1733. De totale oppervlakte van dit perceel bedraagt circa 1.000 m2. In de huidige situatie betreft het plangebied de achtertuin behorende bij de woning De Boomgaard 1.

Afbeelding 2. Luchtfoto van De Boomgaard met het plangebied rood omlijnd

De locatie maakt onderdeel uit van het bebouwingslint van De Boomgaard. Dit bebouwingslint bestaat uit vrijstaande woningen en de achtertuinen van de woningen die zijn gelegen aan De Hosterd. Aan zowel de noord- als oostzijde grenst de locatie aan woningen (Oude Boterdijk 2 en de Boomgaard 3). In het zuidoosten grenst de locatie aan de weg De Boomgaard waaraan aan de overzijde eveneens woningen zijn gelegen. De Boomgaard gaat in zuidwestelijke richting over in de Dorpstraat. De Dorpstraat vormt het historisch bebouwingslint en centrumgebied van Heumen. Hier zijn allerlei verschillende centrum functies gelegen.

1.3

Vigerend bestemmingsplan

De locatie maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan “Kernen Heumen, Overasselt, Nederasselt en Molenhoek (vastgesteld d.d. 27 juni 2013). De locatie is bestemd als ‘Wonen’ en aan de zijde van De Boomgaard voor een klein deel bestemd als ‘Tuin’. Binnen de woonbestemming is een bouwvlak aanwezig met de maatvoeringsaanduidingen ‘maximum goothoogte: 4 m’ en ‘maximum bouwhoogte: 8 m’. Daarnaast geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 1’. De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor woningen, al dan niet in combinatie met een aan huis gebonden beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten, bed & breakfast en/ of kamerverhuur. Deze gronden zijn tevens voor wegen en paden, parkeervoorzieningen, tuinen en erven en voorzieningen voor de waterhuishouding. Voor hoofdgebouwen geldt dat deze binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak dienen te worden gebouwd. Het aantal woningen mag niet meer bedragen dan het bestaande aantal woningen. De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen, parkeren en ondergeschikte bouwdelen zoals stoepen, balkons en overkappingen. Vastgesteld

4

Voor de gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachting 1’ zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor doeleinden ter bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden.

Afbeelding 3. Uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan met het plangebied rood omlijnd

Het realiseren van de nieuwe woning op deze locatie past niet in het vigerende bestemmingsplan. Het plangebied is dan wel bestemd voor woondoeleinden en voorzien van een bouwvlak, echter het aantal woningen mag niet meer bedragen dan het bestaande aantal woningen. Het is dan ook niet mogelijk om binnen het plangebied een nieuwe woning op te richten.

Vastgesteld

5

2.

HUIDIGE SITUATIE

Het plangebied is gelegen in de bebouwde kom van Heumen, aan De Boomgaard. De kern Heumen maakt onderdeel uit van de gemeente Heumen, welke is gelegen in het zuidoosten van Gelderland. Circa 1.700 inwoners bevolken de kern. De kern ligt ingesloten tussen de kernen Malden en Molenhoek in het oosten, de kern Overasselt in het westen en de rivier de Maas in het zuiden. Heumen ligt daarnaast in de oksel van de snelweg A73 en de N271. De ruimtelijke structuur van het dorp wordt bepaald door de kruisende lijnen van de Dorpsstraat/Boomgaard en de Oude Boterdijk. De historische bebouwing bevindt zich langs deze wegen. Aan de Dorpsstraat is het hart van het dorp te vinden met de twee kerken aan een ruim plein. De latere planmatige uitbreidingen hebben met name ten noorden van de Dorpsstraat/Boomgaard plaatsgevonden. Kenmerkend voor het dorp zijn de mooie bomenlanen en de kleine stegen en paadjes tussen de verschillende wegen. De Dorpsstraat loopt in oostelijke richting over in De Boomgaard, die naar het buitengebied van Heumen leidt. Het buitengebied kenmerkt zich voornamelijk door het rivierdal. Dit betreft een nog vrij oorspronkelijk landschap met verspreide (historische) bebouwing en een dooradering met (historische) landschapsstructuren. Het gebied kenmerkt zich door de openheid en het agrarische karakter.

Afbeelding 4. Impressie De Boomgaard richting de Dorpsstraat

Afbeelding 5. Impressie wegbeplanting aan De Boomgaard

De Boomgaard kenmerkt zich als historisch bebouwinglint bestaande uit vrijstaande woningen, gelegen aan weerszijden van de straat. De straat wordt aan beide zijden van de weg begeleid door karakteristieke wegbeplanting bestaande uit bomen en kleine groenvoorzieningen.

Afbeelding 6. Impressie De Boomgaard 1

Vastgesteld

Afbeelding 7. Impressie plangebied

6

3.

BEOOGDE SITUATIE

3.1

Uitgangspunten en doelstellingen van het plan

De doelstelling van dit bestemmingsplan is gericht op het planologisch mogelijk maken om één nieuwe woning met bijgebouwen op te richten op de locatie De Boomgaard ong., op het perceel kadastraal bekend als gemeente Heumen, sectie C, nummers 1733. Bij de opstelling van dit bestemmingsplan zijn de volgende uitgangspunten leidend geweest: ▪ Het bestemmingsplan dient een adequate en duidelijke regeling te bevatten voor de realisatie van één nieuwe woning binnen het plangebied. ▪ De voorgevel van de nieuwe woning komt in dezelfde lijn te liggen als de oostelijke gelegen woning (De Boomgaard 3); ▪ Het hoofdgebouw mag niet dieper worden gerealiseerd dan achter de bijgebouwen van De Boomgaard 1. ▪ De maximale goot- en bouwhoogte van de woning bedraagt 4 meter en 8 meter; ▪ Bijgebouwen bij de nieuw te bouwen woning mogen buiten het bouwvlak worden opgericht, maar wel uitsluitend 3 meter achter de voorgevel van de nieuwe woning; ▪ De dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie verwachting 1’ dient van het plangebied verwijderd te worden zodat deze geen belemmering vormt voor de nieuw te bouwen woning. In dat kader heeft archeologisch onderzoek plaatsgevonden.

▪ Ten behoeve van de uniformiteit van bestemmingsplannen binnen de gemeente Heumen dient het onderhavige bestemmingsplan qua systematiek aan te sluiten bij het bestemmingsplan “Kernen Heumen, Overasselt, Nederasselt en Molenhoek” zoals dat thans voor de bebouwde kom van Heumen geldt. De uitgangspunten hebben geleid tot een bestemmingsplan waarin het plangebied nog steeds is bestemd als ‘Wonen’ en voor een deel als ‘Tuin’. Aan het plangebied is echter een nieuw bouwvlak toegekend met de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden: 1’ waardoor het oprichten van één nieuwe woning mogelijk wordt. Het hoofdgebouw is uitsluitend binnen het bouwvlak toegestaan. Het bouwvlak ligt in dezelfde rooilijn als de woning De Boomgaard 3.

3.2

Beschrijving plan

Initiatiefnemer wenst één nieuwe woning op te richten aan De Boomgaard in Heumen. De nieuwe woning betreft een vrijstaande woning en is beoogd tussen de woningen De Boomgaard 1 en 3. De locatie maakt in de huidige situatie onderdeel uit van de achtertuin behorende bij de woning De Boomgaard 1. Het perceel waarop de woning is beoogd staat kadastraal bekend als gemeente Heumen, sectie C, nummers 1733. Om het initiatief mogelijk te maken wordt dit perceel gesplitst. Bij de splitsing ontstaat een nieuw perceel met een oppervlakte van circa 500 m2. Op dit perceel is de nieuwe woning beoogd. Bouwtekeningen voor de nieuwe woning zijn nog niet aanwezig. Middels onderhavig bestemmingsplan wordt dan ook niet een specifieke woning geregeld, maar wordt een bouwrecht aan de locatie toegekend. Het bouwrecht kan worden ingevuld met een vrijstaande woning, zolang deze voldoet aan de bepalingen uit de planregels. Over de architectonische uitstraling van de nieuwe woning is momenteel dan ook nog niets bekend. Om een goede welstandelijke inpassing te garanderen wordt in het kader van de uiteindelijke omgevingsvergunningaanvraag het bouwplan getoetst door de commissie ruimtelijke kwaliteit zodat de op te richten woning qua vorm, geleding als gevel (uitstraling) passend is in het heersende straatbeeld en de woning ook kwalitatief past in de omgeving. Vastgesteld

7

De woning wordt opgericht in dezelfde rooilijn als de oostelijk gelegen woning (de woning met huisnummer 3). Met de maximale goot- en bouwhoogte wordt aangesloten bij de maatvoeringsaanduidingen van de woning De Boomgaard 1 van 4 meter en 8 meter. De locatie sluit aan op het bebouwingslint van De Boomgaard/Dorpsstraat. In zowel noordelijke, oostelijke en westelijke richting zijn woningen gelegen, de woonfunctie overheerst dan ook in de omgeving van het plangebied. Aan De Boomgaard zijn uitsluitend vrijstaande woningen gelegen. Aan de andere straten in de omgeving komen zowel vrijstaande, halfvrijstaande als aaneengebouwde woningen voor. De beoogde woning past dan ook goed in de omgeving.

Vastgesteld

8

4.

BELEIDSKADER

4.1

Rijksbeleid

4.1.1 Nationale Omgevingsvisie In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2022, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie die is vastgelegd in artikel 3.1, lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van artikel 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.

Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: ▪ Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; ▪ Duurzaam economisch groeipotentieel; ▪ Sterke en gezonde steden en regio’s; ▪ Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzen. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteiten van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Op basis van de vier verschillende prioriteiten en de drie afwegingsprincipes zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Relevante nationale belangen voor onderhavig initiatief zijn als volgt: ▪ Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; ▪ Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; ▪ Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; ▪ Zorgdragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. Met het initiatief wordt ingespeeld op de geformuleerde nationale belangen.

Bovendien geldt voor het plangebied dat er geen nationale belangen uit de NOVI in het geding in het geding zijn, mede gezien de kleinschaligheid en de aard van het initiatief.

Vastgesteld

9

4.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De SVIR (zie hiervoor) bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Met het Barro geeft het Rijk algemene regels voor bestemmingsplannen. Doel van dit besluit is bepaalde onderwerpen uit de SVIR te verwezenlijken. Door middel van het Barro worden voor een aantal specifieke onderwerpen algemene regels gesteld ten behoeve van de verwerking in bestemmingsplannen. In het SVIR is aangegeven wat het nationale belang is van het stellen van regels voor deze onderwerpen. Het Barro stelt in eerste instantie regels voor het project Mainportontwikkeling Rotterdam, het kustfundament, grote rivieren, de Waddenzee en het waddengebied, defensie en erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde. Op een later moment zal het besluit worden aangevuld met andere onderwerpen uit de SVIR. De algemene regels in het Barro hebben vooral een conserverend/beschermend karakter waardoor geformuleerde nationale belangen niet belemmerd worden door ontwikkelingen die middels bestemmingsplannen mogelijk worden gemaakt.

Voor een aantal onderwerpen geeft het Barro de opdracht dan wel de mogelijkheid aan provincies om bij provinciale verordening regels te stellen. Met het oprichten van één woning op deze locatie worden geen van de genoemde belangen geschaad. In het plangebied is verder geen sprake van een gebiedsreservering voor de lange termijn. Kortom, de realisatie van een woning binnen het plangebied is niet in strijd met de beleidsregels zoals deze zijn opgenomen in het Barro. 4.1.3 Ladder duurzame verstedelijking In de genoemde SVIR is de “Ladder voor duurzame verstedelijking” geïntroduceerd. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. De ladder is juridisch vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ontwikkeling (Bro). Sinds invoering van de ladder is er veel jurisprudentie ontstaan en is er veel over geschreven. De ladder werd als te ingewikkeld ervaren en zorgde voor veel onderzoekskosten. Per 1 juli 2017 is de regeling daarom gewijzigd. De drie treden uit de oorspronkelijke tekst worden losgelaten en vervangen door de volgende tekst: “De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling.

Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.” De Afdeling is in een eerdere zaak van oordeel geweest dat een aantal van 11 toe te voegen woningen in de bebouwde kom, een ontwikkeling is die niet voorziet in een woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is dan ook niet van toepassing (ABRvS 16 september 2015, ECLI: NL: RVS:2015:2921, r.o. 4.3). Gelet hierop kan zeker geconcludeerd worden dat het oprichten van één woning in de bebouwde kom van Heumen evenmin een stedelijke ontwikkeling betreft als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid Bro. Er hoeft dan ook niet aan de ladder getoetst te worden.

Vastgesteld

10

4.2

Provinciaal beleid

4.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland staan de hoofdlijnen van het provinciale beleid en ambities over thema's zoals ruimte, energie, klimaat, water, mobiliteit, economie, natuur en landbouw. De Omgevingsvisie is een 'plan' dat richting geeft (een gedeeld vergezicht) en ruimte biedt; geen plan met exacte antwoorden. De uitwerking van de Omgevingsvisie vindt plaats in sectorale of regionale programma's, waaronder de Regionale Energiestrategieën, Programma Mobiliteit, en Regionale Woonagenda's. De doelstelling van de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland is een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Hierbij ligt de focus op duurzaamheid, verbondenheid en een krachtige economie. De Omgevingsvisie omschrijft de doelstelling als volgt: ▪ Gezond: een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, en de bescherming van flora en fauna; ▪ Veilig: voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En aandacht voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid; ▪ Schoon: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen.

En het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie; ▪ Welvarend: een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Duurzaamheid, verbondenheid en een krachtige economie worden in onderlinge samenhang bekeken. Dit resulteert in ambities op het gebied van de energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en de woon- en leefomgeving. Deze ambities zijn gerelateerd aan de kerntaken van de provincie. Elke ambitie kent zijn eigen doelstellingen en aanpak. Sinds 2014 zijn vijf wettelijke verplichte planfiguren opgenomen in de Omgevingsvisie. Het gaat om ruimtelijk beleid, waterbeleid, milieubeleid, natuur- en landschapsbeleid, en verkeers- en vervoersbeleid. Bij het ruimtelijke beleid is het provinciaal belang het vergroten van de ruimtelijke kwaliteit, het vergroten van klimaatbestendigheid en behoud van natuur- en landschappelijke kwaliteit. De kwantitatieve regionale opgave bij wonen is eveneens van provinciaal belang. Hiervoor zijn er provinciale kaders voor het terugdringen van leegstand en overcapaciteit in gemeentelijke plannen. Voor een zorgvuldige locatie-afweging op regionaal niveau wordt de ladder duurzame verstedelijking ingezet.

Als juridische basis gebruikt de provincie de ladder voor duurzame verstedelijking die het Rijk heeft vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In paragraaf 4.1.3 is beoordeeld of het initiatief getoetst dient te worden aan de ladder duurzame verstedelijking. Doordat het gaat om het oprichten van één woning in de bebouwde kom van Heumen is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, derhalve hoeft niet aan de ladder duurzame verstedelijking getoetst te worden. 4.2.2 Omgevingsverordening Gelderland De Omgevingsverordening vormt de juridische doorwerking in regels van het beleid uit de Omgevingsvisie. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening.

Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem.

Vastgesteld

11

In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de aspecten milieu, water, mobiliteit en bodem. Uit de beoordeling blijkt dat het initiatief geen nadelige effecten heeft op of ondervindt van deze aspecten. 4.2.3 Woonagenda subregio Nijmegen en omstreken 2020-2030 De Woonagenda Subregio Nijmegen en omstreken 2017-2027 is vastgesteld in 2018. De werkelijkheid van toen is sterk veranderd. Het woningtekort is sterk opgelopen en nieuwere thema’s als het huisvesten van arbeidsmigranten, uitstroom Beschermd Wonen en Maatschappelijke opvang zijn urgenter geworden. Hierom is eind 2020 een nieuwe woonagenda opgesteld die op 13 januari 2021 is vastgesteld. In deze regionale agenda zijn afspraken gemaakt over de toekomstige woonopgaven. De betrokken gemeenten zijn Berg en Dal, Beuningen, Druten, Heumen, Mook en Middelaar, Nijmegen en Wijchen. Het centrale doel van de Woonagenda is het zorgen voor een blijvend goed woon- en leefklimaat voor alle huidige en toekomstige inwoners van de subregio, met voldoende woningen, kwantitatief en kwalitatief voor iedereen die dat nodig heeft. Op basis van de thema’s uit de vorige woonagenda, de Woondeal Regio Arnhem Nijmegen en de actualiteiten zijn vier nieuwe thema’s geïdentificeerd die de kern vormen van de visie. De thema’s geven weer waar de subregio zich de komende jaren op gaat richten. 1. Verantwoord versnellen: programmeren en afstemmen.

Uit het woningmarktonderzoek van 2019 blijkt dat de woningbouw de komende jaren moet worden versneld om aan de groei van de woningbehoefte te kunnen voldoen en om in te lopen op het huidige woningtekort. De subregio werkt aan het versnellen van de realisatie van harde plannen en het omzetten van zachte plannen naar definitieve plannen. 2. Bestaande woningvoorraad en betaalbaarheid De woonopgave dient voor een deel te worden opgevangen in de bestaande woningen en (woon)wijken. Binnen de bestaande woningvoorraad wordt gewerkt aan vernieuwing (verdichting, transformatie, renovatie, sloop/nieuwbouw), verduurzaming (energietransitie, klimaatadaptatie, natuurinclusief en circulair verbouwen, versterken biodiversiteit en ruimtelijke kwaliteit), levensloopbestendigheid en leefbaarheidsverbeteringen. De subregio stemt de woningbouwprogrammering dan ook af op plannen in de bestaande voorraad. 3. Duurzaam en toekomstbestendig De subregio heeft zich gecommitteerd aan de landelijke doelstelling op het gebied van duurzaamheid. De subregio streeft naar een energie neutrale gebouwde omgeving, gasloos wonen, een afvalloze samenleving in 2050 en een klimaatbestendige leefomgeving. 4. Huisvesting specifieke doelgroepen De subregio richt zich voornamelijk op het huisvesten van kwatsbare doelgroepen waaronder dak- en thuislozen.

De subregio onderzoekt samen met de regio de mogelijkheden om samen met de betrokken partijen (werkgevers, woningcorporaties) te komen tot voldoende kwalitatief goed aanbod en de nodige begeleiding en controle. De huisvesting van ouderen, studenten, jongeren en woonwagenbewoners vindt de subregio een lokale opgave. Er is voor de subregio Nijmegen e.o. sprake van een woningbouwopgave tot 2030 van meer dan 16.000 woningen, waarbij de druk vanwege de inloop van het bestaande woningtekort ligt op de komende 5 jaar. De subregio heeft een richtlijn vastgesteld, deze richtlijn is een indicatieve verdeling van het regionaal maximaal aantal te realiseren woningen in de periode 2017 tot 2027. Het is een houvast op grond van de meest recente spiegel van prognoses en kennis over de behoefte. In de volgende tabel is opgenomen hoeveel woningen per gemeente de komende jaren beoogd zijn. Oplossing hiervoor is de versnelling van de woningbouw, niet alleen in de stad Nijmegen, maar ook in de ommelandgemeenten. Om voldoende woningen te kunnen realiseren is er een plancapaciteit nodig die groter is dan de gewenste 16.000 woningen. De subregio heeft per gemeente een inschatting gemaakt van de woningbehoefte en de gewenste plancapaciteit van 2020 tot 2030. Vastgesteld

12

Tabel 1. Woningbehoefte en gewenste plancapaciteit per gemeente

Gemeente

Woningbehoefte tot 2025

Gewenste plancapaciteit tot 2025

910 860 680 380 310 7.560 1.070 11.770

1.183 1.118 884 494 403 9.828 1.391 15.301

Berg en Dal Beuningen Druten Heumen Mook en Middelaar Nijmegen Wijchen Totaal

Woningbehoefte 2025 - 2030 210 160 290 110 80 2.770 360 3.980

Gewenste plancapaciteit 2025-2030 273 208 377 143 104 3.601 468 5.174

Onderhavig initiatief betreft de toevoeging van één woning in de bebouwde kom van Heumen. In de Woonagenda van de subregio Nijmegen en omstreken is opgenomen dat binnen de gemeente Heumen een behoefte is aan 380 woningen tot aan 2025. Om voldoende woningen te kunnen realiseren is binnen de gemeente Heumen een plancapaciteit van 494 woningen nodig. Het initiatief past binnen de woningbehoefte en plancapaciteit van de gemeente Heumen. Daarnaast sluit het initiatief aan bij thema 2. Het initiatief past daarmee binnen de regionale woonagenda van de subregio Nijmegen en omstreken.

4.3

Gemeentelijk beleid

4.3.1 Structuurvisie Heumen 2025 De gemeenteraad heeft de Structuurvisie Heumen 2025 op 13 februari 2014 vastgesteld. De gemeente kiest voor een meer terughoudende rol waarin zij minder taken zelf gaat doen en meer een regierol op zich zal nemen. In deze visie wordt ten aanzien van de verschillende (gewenste) ruimtelijke ontwikkelingen een toekomstbeeld gegeven tot het jaar 2025. Hierbij worden onder andere wonen en werken, recreatie en toerisme, natuur en landschap, verkeer, cultuurhistorie en duurzaamheid belicht. Het woningbouwprogramma wordt gestuurd op basis van de kwaliteiten van een locatie en de lokale behoefte. In de drie kleine kernen (Heumen, Overasselt en Nederasselt) ligt de nadruk op gefaseerde en kleinschalige uitbreidingen. Voor Malden geldt dat geen uitbreiding meer aan de orde is, maar alleen inbreiding. Deze inbreiding vindt plaats op percelen waar bebouwing al aanwezig is en waar mogelijkheden ontstaan voor functiewijzigingen. Het plangebied is in de structuurvisie gelegen binnen het gebied ‘Kleine kernen’ (afbeelding 8). In de structuurvisie wordt verder per kern ingegaan op de positie binnen de gemeente en de regio en is vervolgens een ruimtelijke visie uiteengezet. Het gebied ‘Kleine kernen’ bestaat uit de dorpen Heumen, Overasselt en Nederasselt. De visie die de gemeente voor het gebied ‘Kleine kernen’ heeft is dan ook afgestemd op deze dorpen.

Binnen het dorp Heumen is de visie gericht op: ▪ Toekomstige dorpsuitbreiding vindt plaats in Heumen-Noord. Na deze uitbreiding is het dorp 'af'; ▪ Het gebied tussen het dorp en de A73 wordt landschappelijk recreatief ingezet voor het dorp; ▪ De relatie met de Maas wordt versterkt door het brengen van de Maas naar het dorp; ▪ Recreatieve en horecavoorzieningen worden gekoppeld aan het Kerkplein in relatie tot het brengen van de Maas naar het dorp; ▪ De Maasdijk in het dorp wordt voor langzaam verkeer meer toegankelijk gemaakt; ▪ Rondom het dorp wordt een padennetwerk gerealiseerd, mede ook richting de Maas; ▪ De toegankelijkheid vanuit het dorp naar het Heumensbos wordt verbeterd; ▪ Nieuwbouw is vooral gericht op eengezinswoningen voor gezinnen. Waar mogelijk worden (levensloopbestendige en betaalbare) meergezinswoningen gebouwd, met een eerste nadruk op jongeren.

Vastgesteld

13

Afbeelding 8. Uitsnede gebied kaart Structuurvisie Heumen 2025 met plangebied rood omcirkeld

De locatie is gelegen in de bebouwde kom van Heumen aan De Boomgaard. Het initiatief voor een nieuwe woning past functioneel gezien goed binnen de omgeving, waar de woonfunctie overheerst. Daarnaast past de woning binnen het bestaande bebouwingslint van woningen aan De Boomgaard/Dorpsstraat. Hiermee is het initiatief niet strijdig met de structuurvisie van de gemeente Heumen. 4.3.2 Woonvisie gemeente Heumen De gemeente Heumen ziet de situatie op de woningmarkt veranderen. Veranderingen in wetgeving en in de samenleving hebben hun weerslag op de woningmarkt. De gemeente wil vanuit haar verantwoordelijkheid mee richting geven aan de gewenste ontwikkeling van de lokale woningmarkt. Dit doet de gemeente Heumen door middel van de Woonvisie ‘Prettig wonen in een groene en landelijke gemeente; Gemeente Heumen, in samenwerking met haar partners’ die de gemeente heeft vastgesteld in november 2017. Kernvisie voor de gemeente Heumen is: prettig wonen in een groene en landelijke omgeving. Om dit te bereiken zijn vier ambities geformuleerd: 1. De gemeente Heumen wil een samenleving zijn waar mensen uit alle levensfasen en inkomensklassen de kans hebben om prettig te wonen. 2. Gemeente Heumen wordt gezien als koploper in de verduurzaming van de woningvoorraad. 3. Mensen met een zorg- of ondersteuningsbehoefte kunnen zo lang als mogelijk zelfstandig wonen. 4.

De groene omgeving en de leefbare kernen maken onze gemeente een prettige plek om te wonen. De gemeente hanteert bij nieuwbouwplannen de volgende algemene uitgangspunten: ▪ De gemeente geeft voorkeur aan transformatie van bestaande functies, boven nieuwbouw. ▪ Inbreidingsplannen krijgen de voorkeur boven uitbreidingsplannen. De gemeente kijkt eerst of er ruimte is binnen de bebouwde kom conform de Ladder voor Duurzame verstedelijking. Dit staat soms op gespannen voet met de wens om de waardevolle open ruimten in de kernen te handhaven. ▪ Woonontwikkelingen moeten de identiteit van de kernen versterken. Nieuwbouw moet zorgvuldig ingepast worden in de bestaande omgeving, vanwege de openheid en het groen in de gemeente. Vastgesteld

14

▪ ▪

De behoefte per kern is het vertrekpunt voor de spreiding van woningbouw, en dus niet de beschikbare plancapaciteit. Nieuwbouw is energieneutraal. Hiervoor maken we anterieure afspraken met ontwikkelaars over de energieprestaties van nieuwbouwwoningen.

Om het woningbouwprogramma goed aan te laten sluiten op de behoefte per kern heeft de gemeente per kern accenten gezet. Deze accenten komen terug in tabel 2. Tabel 2. Accenten per kern

Bandbreedte woningbouw gemiddeld per jaar Accent sociaal Accenten in het bouwprogramma

Wonen met zorg

Heumen 10-15 woningen

Malden 30-40 woningen

Nederasselt Circa 5 woningen

Overasselt 5 – 10 woningen

✓ Mix van rij- en (half) vrijstaande koopwoningen; betaalbare koop voor starters (tot €190.000) Geschikte woningen

✓✓✓ Vrije sector huur en betaalbare koop voor starters (tot € 190.000), zowel appartementen als eengezinswoningen

✓ Mix van rij- en (half) vrijstaande koopwoningen

✓ Mix van rij- en (half) vrijstaande koopwoningen

Woonzorgvastgoed in nabijheid van zorgvoorzieningen

Geschikte woningen

Geschikte woningen

In de woonvisie is opgenomen dat de gemeente eerst kijkt of er ruimte is binnen de bebouwde kom voor het oprichten van woningen. Daarnaast moet nieuwbouw zorgvuldig worden ingepast in de bestaande omgeving. Het initiatief betreft het oprichten van één vrijstaande woning in de bebouwde kom van Heumen, aan De Boomgaard. De Boomgaard kenmerkt zich als een historisch bebouwingslint bestaande uit vrijstaande woningen die zij gelegen aan weerszijden van de straat. De nieuwe woning is beoogd in de tuin van de woning De Boomgaard 1. Deze locatie wordt omringd door woningen zowel in noordelijke, oostelijke als westelijke richting zijn woningen gelegen. De woning past binnen het bestaande bebouwingslint van De Boomgaard/Dorpsstraat en is passend binnen de omgeving, waar de woonfunctie overheerst. Daarnaast blijkt dat in de kern Heumen een behoefte is van 10-15 woningen per jaar. De accenten van het bouwprogramma liggen op een mix van rij- en (half)vrijstaande koopwoningen. Het oprichten van één vrijstaande koopwoning sluit aan bij het woningbouwprogramma van de gemeente Heumen. Het initiatief is derhalve niet strijdig met de Woonvisie van de gemeente Heumen.

Vastgesteld

15

5.

RANDVOORWAARDEN / RESULTATEN ONDERZOEKEN

Voordat de woning binnen het plangebied kan worden gerealiseerd dient rekening gehouden te worden met (milieu-) aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, externe veiligheid en milieuzonering voor het plangebied wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van het initiatief voor de aspecten archeologie, leidingen en infrastructuur, natuur, flora en fauna, waterhuishouding en verkeer. De hieruit voortkomende bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht.

5.1

Milieuaspecten

5.1.1 M.e.r.-beoordeling Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 20091. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij kleine bouwprojecten beoordelen of een m.e.r.beoordeling nodig is. Achterliggende gedachte hierbij is dat ook kleine projecten het milieu relatief zwaar kunnen belasten en ook bij kleine projecten van geval tot geval moet worden beoordeeld of een m.e.r. nodig is. Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te beoordelen of bij een project belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Wanneer uit de toets blijkt dat er belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden moet er een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Met andere woorden dan is het opstellen van een m.e.r. nodig.

Beoordeling noodzakelijkheid m.e.r.(-beoordeling) Om te bepalen of een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is dient bepaald te worden of het project voorkomt in lijst C of lijst D van het Besluit, of de drempelwaarden worden overschreden, of het project in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. Drempelwaarden Lijst C en D In het plangebied wordt één woning gebouwd. Het realiseren daarvan komt niet voor in bijlage C van het besluit m.e.r.. Er is dus geen sprake van de verplichting om een m.e.r. procedure te doorlopen. Op grond van categorie D11.2 geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht voor onder andere de aanleg of wijziging van ‘een stedelijk ontwikkelingsproject’, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. Een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. Een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen bevat, of 3. Een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Blijkens de nota van toelichting bij het Besluit m.e.r.2 kan het bij een stedelijk ontwikkelingsproject gaan om ‘bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan’.

1

HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 (Commissie tegen Nederland)

2

Staatsblad 2011, nr. 102

Vastgesteld

16

Aangezien het initiatief in dit geval betrekking heeft op één woning valt het initiatief ruimschoots onder de drempelwaarde van 2.000 woningen, zodoende is er geen sprake van een directe m.e.r.-beoordelingsplicht. Vormvrije m.e.r.-beoordeling In het Besluit m.e.r. is aangegeven dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst C en D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. In feite zijn daarmee de geval definities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst) indicatief gemaakt. Dit betekent dat niet meer kan worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde ligt en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk is. Onder de geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Deze motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud (dat wil zeggen: op basis van dezelfde criteria) aansluit bij de m.e.r.-beoordeling, de diepgang kan echter anders zijn en er zijn geen vormvereisten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. Gemeenten en provincies moeten dus ook bij kleinere bouwprojecten beoordelen of een m.e.r. nodig is. Die beoordeling is vormvrij.

Uit deze toelichting blijkt dat het plangebied niet is gelegen in een gevoelig gebied en het initiatief geen negatieve effecten heeft op elders gelegen gevoelige gebieden. Er is geen risico op verontreiniging en het initiatief leidt niet tot hinder voor omliggende functies. Er worden geen gevaarlijke stoffen gebruikt en / of technologieën toegepast, waardoor er geen sprake is van risico op ongevallen. Uit deze toelichting blijkt kortom dat er geen sprake is van nadelige gevolgen voor het milieu. Conclusie 1. De activiteit komt niet voor in onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er hoeft dus geen m.e.r. te worden opgesteld; 2. De activiteit (stedelijk ontwikkelingsproject) valt wel onder categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.. Er geldt echter geen m.e.r.-beoordelingsplicht omdat de in kolom 2 bij deze categorie genoemde ‘drempelwaarden’ bij lange na niet worden overschreden; 3. Omdat de activiteiten wel worden genoemd in een van de categorieën in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. maar de drempelwaarden niet worden overschreden, dient in beginsel voor dit plan wel een vormvrije m.e.r.beoordeling te worden uitgevoerd; 4.

Uit de uitgevoerde vormvrije m.e.r.-beoordeling is gebleken dat de activiteiten op grond van de selectiecriteria als bedoeld in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu leiden en dus geen aanleiding vormen om op grond hiervan alsnog een m.e.r.-beoordeling uit te voeren. 5.1.2 Bodemkwaliteit Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle ruimtelijke plannen relevant is en daarom onderzocht, beoordeeld en beschreven moet worden. De mate waarin beoordeling van de bodemkwaliteit aan de orde is, is met name afhankelijk van aard en omvang van het initiatief. In dat kader is voor het plangebied een verkennend bodemonderzoek3 uitgevoerd. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde vooronderzoek is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onverdacht is ten aanzien van bodemverontreiniging. De opzet van het bodemonderzoek is gebaseerd op de onderzoeksstrategie voor een onverdachte niet-lijnvormige locatie (ONV-NL). Geconcludeerd wordt dat de hypothese 'onverdachte locatie' geen stand houdt. In de bovengrond zijn lichte verontreinigingen met cadmium, koper, kwik, lood, zink en PAK aangetoond en in de ondergrond zijn lichte

3

HMB Groep, Verkennend bodemonderzoek De Boomgaard 1 Heumen, 2 april 2021, kenmerk: 21226501A

Vastgesteld

17

verontreinigingen met kobalt, nikkel en lood aangetoond. In het grondwater is een lichte verontreiniging met tetrachlooretheen aangetoond. Voor de lichte verontreinigingen in de grond en het grondwater zijn geen duidelijke bronnen of oorzaken aan het licht gekomen. Mogelijk betreft het (deels) verhoogde achtergrondgehalten. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen directe belemmering of beperking voor de nieuwbouw van een woning. 5.1.3 Bedrijven en milieuzoneringen Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de kwaliteit van de leefomgeving. Als hulpmiddel voor de inpassing van bedrijvigheid in haar fysieke omgeving of van gevoelige functies nabij bedrijven, heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), in samenwerking met de Ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische zaken, in 2009 een indicatieve bedrijvenlijst opgesteld. Om een milieuzonering in een concrete situatie te kunnen uitwerken bevat de VNG publicatie bouwstenen. De drie belangrijkste bouwstenen zijn: 1. De richtafstandenlijst; 2. Twee omgevingstypen; 3. Een lijst van toelaatbare activiteiten in gemengd gebied met het oog op functiemenging.

De belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten die zijn opgenomen in bijlage 1 van de VNG publicatie. Dit zijn afstanden ten opzichte van een rustige woonwijk (of een vergelijkbaar omgevingstype). In de bijlagen wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijke relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Met onderhavige bestemmingsplan wordt het oprichten van één woning mogelijk gemaakt. De woonfunctie is een functie welke geen milieuhinder veroorzaakt voor de omgeving. Wel kan de woonfunctie milieuhinder ondervinden van functies gelegen in de omgeving. Ter plaatse van het plangebied dient daarom aangetoond te worden dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ten gevolge van de omliggende milieubelastende functies. In de omgeving van het plangebied is sprake van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’, wat inhoudt dat de richtafstanden niet verkleind mogen worden.

In de directe omgeving bevinden zich de volgende milieubelastende functies: ▪ Een café en snackbar aan de Dorpstraat 5, afstand tot het plangebied 50 meter; ▪ Een begraafplaats aan de Graaf Lodewijkstraat ong., afstand tot het plangebied 80 meter; ▪ Een sportpark aan de Maasstraat 9a-9b, afstand tot het plangebied 95 meter; ▪ Een kerk aan de Dorpstraat 35, afstand tot het plangebied 158 meter; ▪ Een kerk aan de Dorpstraat 19, afstand tot het plangebied 170 meter; ▪ Allerlei gemengde functies aan het Heumense hof, afstand tot het plangebied 220 meter; ▪ Een basisschool aan de Looistraat 4a, afstand tot het plangebied 260 meter; ▪ Een smederij aan de Oude Boterdijk 27, afstand tot het plangebied 260 meter; De milieuruimte van deze milieubelastende functies is geïnventariseerd aan de hand van de SBI-code en de grootste bijbehorende richtafstand voor geur, stof, geluid en gevaar. Tabel 3. Bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied

Bedrijf Café en snackbar

Dorpstraat 5

561

Geur 10

Richtafstand Stof Geluid Gevaar 0 10 10

Begraafplaats

Graaf Lodewijkstraat ong.

96031

0

0

Vastgesteld

Adres

SBI-2008

10

0 18

Sportpark

Maasstraat 9a-9b

931

0

0

50

0

Kerk

Dorpsstraat 35

9491

0

0

30

0

Kerk

Dorpsstraat 19

0

0

30

0

Gemengde functie

Heumense Hof

9491 94991, 9491, 563 en 96031

0

0

30

0

Basisschool

Looistraat 4a

852, 8531

0

0

30

0

Smederij

Oude Boterdijk 27

251, 331

30

30

100

30

Onderzocht is of de hindercontouren het plangebied overlappen. Dit blijkt niet het geval te zijn. In de directe omgeving van het plangebied bevindt zich derhalve geen hinderlijke bedrijvigheid welke een belemmering kan vormen voor de realisatie van de woning. In de woning kan derhalve een goed woon- en leefklimaat gegarandeerd worden. De realisatie van de woning heeft tenslotte geen nadelige effecten voor de in de buurt gelegen functies. Tussen de opgesomde milieubelastende functies en het plangebied bevinden zich immers al meerdere bestaande woningen. Deze dichterbij gelegen woningen zijn daarmee bepalend voor de ontwikkelingsmogelijkheden van deze bedrijven. 5.1.4 Geluid Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, waarbij sprake is van de realisatie van een geluidsgevoelig object dient te worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Per 1 januari 2007 is de Wijzigingswet Wet geluidhinder (modernisering instrumentarium geluidbeleid, eerste fase) in werking getreden. In deze wet wordt aangegeven hoe voor een gebied waar een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt, dient te worden omgegaan met geluidhinder als gevolg van wegverkeer en spoorwegen. In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg een geluidszone heeft, met uitzondering van woonerven en wegen waar een maximumsnelheid van 30 km/u voor geldt.

Bij een ruimtelijke ontwikkeling waarbij sprake is van de ontwikkeling van geluidsgevoelige objecten binnen een geluidszone, dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar de geluidbelasting op deze gebouwen of terreinen. In artikel 7.4.1 van de Wgh is aangegeven dat een weg een zone heeft die zich uitstrekt vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg: 1. In stedelijk gebied: 1. Voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter; 2. Voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter; 2. In buitenstedelijk gebied: 1. Voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken 600 meter; 2. Voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter; 3. Voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter. De nieuw te bouwen woning wordt aangemerkt als geluidsgevoelig objecten. De woning wordt opgericht aan De Boomgaard. Voor De Boomgaard geldt net als in de gehele bebouwde kom van Heumen een maximumsnelheid van 30 km/uur. Naar de effecten van deze wegen op de nieuwe woning hoeft derhalve geen onderzoek gedaan te worden. 5.1.5 Luchtkwaliteit Effect op luchtkwaliteit Op basis van de Wet luchtkwaliteit, als onderdeel van de Wet milieubeheer, gelden kwaliteitseisen voor de luchtkwaliteit. Deze kwaliteitseisen zijn door middel van grenswaarden voor de diverse luchtverontreinigingscomponenten vastgelegd.

Deze grenswaarden gelden overal in de buitenlucht. Er wordt onderscheid gemaakt tussen projecten die ‘Niet in betekende mate’ (NIBM) en ‘In betekende mate’ (IBM) bijdragen. Projecten die NIBM bijdragen aan de luchtkwaliteit kunnen zonder verdere toetsing aan de grenswaarden uitgevoerd worden.

Vastgesteld

19

Als een initiatief ervoor zorgt dat de concentratie PM10 of NO2 met meer dan 3% van de grenswaarde verhoogd (oftewel meer dan 1,20 µg/m³ bijdraagt) draagt het project IBM bij aan de luchtkwaliteit en dient een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd te worden om de precieze effecten op de luchtkwaliteit in beeld te brengen. Woningbouw draagt pas IBM bij aan de luchtkwaliteit als er meer dan 1.500 woningen gebouwd worden. Het voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van één woning in de kern Heumen. Met het oprichten van de woning wordt derhalve ruimschoots onder het 3% criterium gebleven. Er kan dan ook worden geconcludeerd dat het plan NIBM bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Achtergrondwaarden In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden bezien of de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende is voor de realisatie van de woning. Rondom het plangebied bevinden zich diverse wegen als emissiebronnen van luchtverontreinigende stoffen (uitlaatgassen van verkeer). Deze bronnen zijn opgenomen in de achtergrondconcentraties, zoals die door het RIVM jaarlijks in kaart worden gebracht. Normaal gesproken zijn er in het oosten en zuiden van Nederland geen knelpunten op het gebied van de luchtkwaliteit met betrekking tot fijn stof en stikstofdioxide te verwachten. De grootschalige concentratiekaart Nederland (GCN) geeft per km-vak de huidige achtergrondconcentraties weer.

Volgens de kaarten van het RIVM bedraagt momenteel de concentratie fijn stof (PM2,5) ter plaatse 11,1 µg/m³, de concentratie fijn stof (PM10) 18,0 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) 20,7 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 25 µg/m³, terwijl de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 40 µg/m³ bedraagt. Voor NO2 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde eveneens 40 µg/m³. Volgens de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor de realisatie van de woning. 5.1.6 Geur Geur kan hinder veroorzaken in de leefomgeving. Wanneer deze hinder inderdaad ondervonden wordt, kan dit zelfs invloed hebben op de gezondheid. Geurhinder dient daarom zoveel mogelijk beperkt te worden door regels te stellen aan de uitstoot van geuremissies en bepaalde afstanden aan te houden ten opzichte van geurgevoelige objecten. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kent bescherming toe aan geurgevoelige objecten. Hierbij gaat het in het algemeen om gebouwen bestemd voor wonen en verblijf. De nieuwe woning betreft derhalve een geurgevoelig object. Gemeenten hebben onder de Wgv de bevoegdheid gekregen om binnen de kaders die deze wet stelt eigen normen te stellen. Deze kunnen worden vastgelegd in een geurverordening. De normstelling in de geurverordening dient te worden gemotiveerd aan de hand van een gebiedsvisie geurhinder en veehouderij.

De gemeente Heumen beschikt niet over een dergelijke geurverordening. De Wgv vormt derhalve het toe te passen toetsingskader. Het toetsingskader is als volgt: ▪ Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld geldt een maximale geurbelasting op een geurgevoelig object; ▪ Voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. Het plangebied is gelegen in de bebouwde kom van Heumen. Hier bevinden zich geen veehouderijen die geur veroorzaken. Wel zijn in het buitengebied enkele veehouderijen gelegen. De afstand van het plangebied tot deze veehouderijen is echter dusdanig groot (>500 meter) dat deze niet van invloed kunnen zijn op het plangebied. Het aspect geur vormt daarmee geen belemmering voor de realisatie van de woning.

Vastgesteld

20

5.1.7 Externe veiligheid Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden te worden met het aspect externe veiligheid. Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico’s vastgelegd in diverse besluiten. De belangrijkste zijn: ▪ Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); ▪ Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb); ▪ Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen. Hieronder worden beide begrippen verder uitgewerkt. Plaatsgebonden risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR.

Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijke harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verwantwoord door het bevoegd gezag. Verantwoordingsplicht groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico’s in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal bij de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer.

In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Tabel 4. Wanneer verantwoorden?

Bron Inrichtingen (Bevi) Buisleidingen (Bevb) Spoor-, Rijks- en waterwegen (Bevt)

Wanneer groepsrisicoverantwoording? Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Altijd wanneer binnen invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen Wanneer sprake is van toename van het groepsrisico of overschrijding van de oriëntatiewaaarde

Indien de verantwoordingsplicht niet juist is uitgewerkt terwijl dit wel verplicht is, kan dit tot vernietiging van het ruimtelijk besluit door de Raad van State leiden. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het ‘restrisico’ dat overblijft nadat de benodigde veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.

Vastgesteld

21

Beleidsvisie externe veiligheid Gemeente Heumen In september 2016 heeft de gemeente Heumen de Beleidsvisie externe veiligheid opgesteld. In de beleidsvisie is aan de hand van drie thema’s beschreven hoe de gemeente Heumen omgaat met externe veiligheid. Externe veiligheidsbeleid is gericht op het beperken van risico’s die ontstaan door vervoer, opslag en verwerking van gevaarlijke stoffen. De 3 thema’s waarop de Beleidsvisie is gericht zijn: 1. Inzicht; Dit onderdeel van de Beleidsvisie externe veiligheid bestaat uit de analyse van de huidige externe veiligheidssituatie in de gemeente Heumen. 2. Keuzes maken; Om de externe veiligheidssituatie ook in de toekomst verantwoord te houden zijn de ruimtelijke veiligheidskeuzes vastgelegd. Enerzijds zijn beleidsuitgangspunten geformuleerd voor de nieuwvestiging van risicovolle inrichtingen. Anderzijds zijn ruimtelijke zones vastgesteld voor de nieuwvestiging van (beperkt) kwetsbare objecten nabij risicobronnen. 3. Samenwerken; In thema 2 is beschreven op welke manier door de gemeente Heumen invulling wordt gegeven aan de verantwoording van het groepsrisico. Bij de invulling hiervan zijn drie verschillende actoren betrokken: het bevoegd gezag, de omgevingsdienst/adviesbureau en de veiligheidsregio.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10564086/1