CConstaterende datHeumen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage III Vast te stellen bestemmingsplan, toelichting incl. bijlagen

Raad 6 oktober 2022, gemeente HeumenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan “Buitengebied, recreatiecentrum Heumens Bos”20.652 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Bestaande natuurgebieden, waaronder 20 nationale parken;

•

Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt;

•

Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer;

•

Ruim 6 miljoen hectare grote wateren, meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee;

• Alle Natura 2000-gebieden. Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Tot die tijd was de Rijksoverheid verantwoordelijk. In het Natuurpact hebben de provincies met de gemeente afgesproken om tot 2027, 80.000 hectare natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen een aaneengesloten Pan Europees Ecologisch Netwerk (PEEN) vormen. Beschermde planten en dieren

Bestemmingsplan Recreatiecentrum Heumens Bos, Heumen

|33 De lijst met beschermde soorten is veranderd. Er zijn soorten die voorheen beschermd waren en onder de Wet natuurbescherming niet meer en andersom. De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullend voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel beschermd worden: •

Vogels: alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 van de Wnb). Verder nemen de meeste provincies de onder de Flora- en faunawet benoemde vogelsoorten over waarvan het nest jaarrond werd beschermd. Voor een aantal vogelsoorten geldt dat hun nesten jaarrond beschermd zijn, ook als de soort op het moment van de handeling geen gebruik maakt van het nest. Dit is het geval wanneer een vogelsoort jaarlijks terugkeert naar zijn nest en niet of nauwelijks in staat is om elders in zijn leefgebied een vervangend nest te vinden of te maken.

•

Internationaal beschermde soorten: alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 3.2 van de Wnb).

•

Overige beschermde soorten: soorten genoemd in de bijlagen bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen (paragraaf 3.3 van de Wnb). Hieronder vallen onder meer de ‘algemene’ soorten die onder de Flora- en faunawet bij ruimtelijke ingrepen waren vrijgesteld.

Vrijwel al deze soorten zijn door de provincies eveneens voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld. De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Onderzoek Op 11 april 2019 is door Aeres Milieu een quickscan natuurwetgeving uitgevoerd in het plangebied. Uit de quickscan zijn de volgende conclusies en aanbevelingen naar voren gekomen: Natura 2000 Omdat de plannen waarschijnlijk geen effect op de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden zullen hebben, is er geen vergunning nodig op het gebied van de Wnb. Gelderse Natuurnetwerk (GNN) Omdat er geen negatieve effecten op het GNN zijn te verwachten, zijn er op dit punt geen bezwaren vanuit het provinciale natuurbeleid. Beschermde planten en dieren Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in de provincie Gelderland een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen.

Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst.

Bestemmingsplan Recreatiecentrum Heumens Bos, Heumen

|34 Vleermuizen De rij zomereiken naast het huidige hoofdgebouw fungeert mogelijk als vaste vliegroute en belangrijk foerageergebied van vleermuizen. Daarnaast is er in het te slopen hoofdgebouw een verblijfsplaats van de laatvlieger en mogelijk ook van andere vleermuissoorten aanwezig. Vleermuizen, hun vaste vliegroutes, belangrijke foerageergebieden en verblijven zijn onder de Wet natuurbescherming beschermd (internationaal beschermde soorten). Voor het vernietigen van deze zaken is een ontheffing op de Wnb nodig. De functie van het hoofdgebouw en de rij zomereiken dient conform het vleermuisprotocol (Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus en Zoogdiervereniging, 2017) te worden onderzocht. Volgens het vleermuisprotocol zijn daartoe 4 onderzoeksronden (met telkens 2 personen) nodig: 2 ronden (2 avonden) onderzoek met batdetectors in de kraamtijd (periode 15 mei – 15 juli, waarbij er minimaal 30 dagen zit tussen de twee bezoeken); 2 ronden (1 avond en 1 ochtend) onderzoek met batdetectors in de paartijd (15 augustus – 1 oktober, waarbij er minimaal 20 dagen zit tussen de twee bezoeken). De functionaliteit van de twee aanwezige vleermuisverblijven dient te worden gewaarborgd. Dit houdt in dat er op aangepaste wijze wordt gesloopt (zodat er geen vleermuizen worden gedood) en dat er nieuwe vleermuisverblijven gecreëerd moeten worden.

Vleermuizen hebben de tijd nodig om aan nieuwe verblijfsplaatsen te wennen. Gedurende deze gewenningsperiode moeten zowel de oorspronkelijke situatie als de nieuwe aangebrachte vervangende voorzieningen beide aanwezig zijn. door al in april 2019 een viertal vleermuisverblijven te realiseren, wordt vertraging van de benodigde ontheffing op de Wet natuurbescherming (in verband met de gewenningsperiode) voorkomen. In overleg met de eigenaar van het recreatiepark is daarom besloten om in april 2019 een viertal vleermuisverblijven te realiseren in de woning aan de Vosseneindseweg 46. Deze woning bevindt zich op minder dat 20 meter afstand van het te slopen hoofdgebouw en de woning heeft geen open stootvoegen of andere openingen waar vleermuizen naar binnen kunnen. Het in het hoofdgebouwen aangetroffen laatvliegerverblijf bevindt zich ook op ongeveer dezelfde hoogte (net boven de 1e etage) als waar de 4 nieuwe vleermuisbedrijven worden gerealiseerd. De stootvoegen dienen als volgt te worden gerealiseerd: De open stootvoegen dienen ten minstens 2 cm breed te zijn; Ze dienen op minimaal 2,4 meter hoogte te worden gerealiseerd; Aan elke zijde van het huis worden twee open stootvoegen naast elkaar gerealiseerd. Daarnaast dienen er in het nieuw te bouwen hoofdgebouw eveneens 4 soortgelijke vleermuisverblijven te worden gerealiseerd.

hiertoe worden er op 4 locaties op circa 4 meter hoogte open stootvoegen gemaakt. Deze open stootvoegen zijn minstens 2 cm breed, waarbij er in de achterliggende spouw een stuk geplastificeerd volièregaas van 2 bij 1 meter wordt geplaats (waaraan de vleermuizen kunnen hangen). Aanvullend onderzoek vleermuizen Ten behoeve van de sloop van het hoofdgebouw en bomenkap is een vleermuisonderzoek uitgevoerd aan de Vosseneindseweg in Heumen (bijlage, RPS, 1902609A00-R19-1069, 25 november 2019). Gedurende het onderzoek zijn binnen het projectgebied twee soorten vleermuizen aangetroffen:

Bestemmingsplan Recreatiecentrum Heumens Bos, Heumen

|35 •

Gewone dwergvleermuis.

•

Laatvlieger.

Uit het vleermuizenonderzoek kan het volgende geconcludeerd worden: •

Het projectgebied heeft geen functie als vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen.

•

Het projectgebied heeft geen functie als essentieel foerageergebied voor vleermuizen, wel als foerageergebied voor enkele exemplaren van gewone dwergvleermuis en laatvlieger.

•

Het projectgebied heeft geen functie als essentiële vliegroute voor vleermuizen, wel als vliegroute voor enkele exemplaren van gewone dwergvleermuis en laatvlieger.

Wanneer in de periode van april t/m november tussen zonsondergang en zonsopkomst geen gebruik wordt gemaakt van breed uitstralende bouwverlichting is geen verstoring van aanwezige vleermuizen aan de orde. Het aanvragen van een ontheffing voor vleermuizen en wezel (waargenomen buiten de begrenzing van het projectgebied) is in het kader van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk. Dassen Het weiland in het plangebied heeft een belangrijke functie als verbindingszone voor de das. Daarnaast fungeert het als onderdeel van een groter dassenfoerageergebied. Omdat de das in Gelderland voor ruimtelijke ontwikkelingen niet is vrijgesteld, is er ten aanzien van deze soort een ontheffing op de Wnb nodig. Verder dient de lange wissel voor de dassen als verbindingszone te worden gehandhaafd. Daartoe dient deze zone rond de zuidwest-noordoost lopende lange dassenwissel te worden ingericht als dassenzone (lage dekking biedende inheemse doornrijke en bes-dragende struiken van minimaal 10 meter breed). Door middel van een voorwaardelijke verplichting in de planregels wordt de aanleg van de dassenzone juridisch geborgd. Vogels In de bomen en opgaande vegetatie komen in het broedseizoen mogelijk beschermde vogelnesten voor. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd en waarvoor geen omgevingscheck nodig is.

Doden en vernielen van broedvogels/eieren/jongen moet worden voorkomen door de bouwwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren (buiten de periode 15 maart – 15 juli). Door naleving van deze mitigerende maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen van de Wnb begaan. Stikstof Met de uitspraak van de Raad van State is het Programma Aanpak Stikstof komen te vervallen. Ieder plan en project zal daarom moeten aantonen dat er geen sprake is van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor de kwalificerende soorten en habitattypen uit de dichtstbijzijnde stikstofgevoelige delen in de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden. Het plangebied ligt op circa 6,70 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Sint Jansberg. Voor de planontwikkeling is een berekening met behulp van de AERIUS calculator (Versie 2021.0.5) uitgevoerd (externe bijlage, Ordito BV, 19 april 2022). Uit de berekeningen blijkt dat – met de uitgangspunten die in dit onderzoek gedaan zijn - gedurende de gebruiksfase geen toename van de stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar is berekend.

Bestemmingsplan Recreatiecentrum Heumens Bos, Heumen

|36 Conclusie Voor de dassen is een dassenzone van 10 meter breed in het bestemmingsplan opgenomen. Indien aan de voorwaarden uit de quick scan natuurwetgeving en het vleermuizenonderzoek (bouwwerkzaamheden uitvoeren buiten het broedseizoen en geen breed uitstralende bouwverlichting in de periode april t/m november) staat de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg.

Bestemmingsplan Recreatiecentrum Heumens Bos, Heumen

|37

5.8

Geluid

Wet geluidhinder Bij het opstellen of herzien van een bestemmingsplan worden de regels van de Wet geluidhinder (Wgh) toegepast. De Wgh kent drie soorten geluidsbronnen: industrie, wegverkeer en spoorwegen. De wet bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van deze bronnen. Indien het bestemmingsplan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van deze bronnen, of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt, dient akoestisch onderzoek plaats te vinden bij het voorbereiden van de vaststelling van het bestemmingsplan. In artikel 1 van de Wet geluidhinder wordt een beperkt aantal objecten aangemerkt als geluidsgevoelig object. Dit zijn: woningen, geluidsgevoelige terreinen en andere geluidsgevoelige gebouwen (o.a. onderwijsgebouwen, ziekhuishuizen en verpleeghuizen). Objecten die niet onder deze categorieën zijn te scharen, zijn op basis van de wet niet beschermd tegen geluidshinder. Onderzoek Hotels, recreatiewoningen en kantoren zijn niet geluidsgevoelig in het kader van de Wet milieubeheer. Een akoestisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

5.9

Luchtkwaliteit

Wettelijke kader OP 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. Sindsdien staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm geeft weer onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid: a. Er is geen sprake van een feitelijke over dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5.2 luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd). De Wet luchtkwaliteit bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood en koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in Nederland met name de grenswaarden voor stikstofdioxide (NO 2) en fijn stof (PM2,5 en PM10) van belang.

De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof zijn in de navolgende tabel weergegeven.

Bestemmingsplan Recreatiecentrum Heumens Bos, Heumen

|38 Tabel 2 Tabel grenswaarden stikstofdioxide en fijn stof

Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijn stof (PM10) Fijn stof (PM2,5)

Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 μg/m³ 40 μg/m³ 25 μg/m³

Luchtkwaliteit ter plaatse binnen het plangebied Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) is de concentratie PM2,5 in 2020 (gegevens 2019) ter plaatse gelegen tussen de 10 en 12 μg/m³, is de concentratie PM10 in 2020 (gegevens 2019) gelegen onder de 18 μg/m³ en de concentratie NO2 in 2020 (gegevens 2019) gelegen tussen de 10 en 15 μg/m³. Op basis van de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit hiermee ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren. Luchtkwaliteit t.b.v. toename aantal verkeersbewegingen De realisatie van de vervangende nieuwbouw en het toevoegen van een hotelfunctie en vergader/congresfaciliteiten. Voor de ontwikkeling is een worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer op de luchtkwaliteit gemaakt. Bij de berekening is uitgegaan van extra motorvoertuigen per etmaal op basis van de berekende verkeersgeneratie in paragraaf 3.2. De berekende extra voertuigen bedragen 86,3 mvt/etmaal. Met behulp van de NIBM-tool is berekend dat de concentraties stikstof en fijnstof door het planvoornemen niet merkbaar toenemen.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie 2019 Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen 86,3 (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer 0,0% Maximale bijdrage extra verkeer

NO2 in μg/m3

0,08

PM10 in μg/m3

0,01

Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3

1,2

Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig De beoogde ontwikkeling draagt daarmee ‘niet in betekenende mate’ bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

Bestemmingsplan Recreatiecentrum Heumens Bos, Heumen

|39

5.10

Water

Beleid Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn die moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De Kaderrichtlijn moet in landelijke wet- en regelgeving worden omgezet. Met de komst van de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Europese Kaderrichtlijn heeft gevolgen voor de gemeente op het gebied van riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid. Er worden ecologische en fysisch-chemische doelen geformuleerd die afhankelijk zijn van de functie van een watergang. Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP2) is opgesteld op basis van de Waterwet. Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 20162021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit NWP2 zet het Rijk een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart.

Hierbij streeft het Rijk naar een integrale benadering, door economie (inclusief verdienvermogen), natuur, scheepvaart, landbouw, energie, wonen, recreatie en cultureel erfgoed zo veel mogelijk in samenhang met de wateropgaven te ontwikkelen. Het beleid en de maatregelen in dit Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Rijkswaterstaat (RWS) neemt in het Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren (Bprw) de condities en maatregelen op voor het operationeel beheer om deze strategische doelen te bereiken. Het NWP is kaderstellend voor het Bprw. Het kabinet vraagt andere overheden het NWP te vertalen in hun beleidsplannen. Bestuursakkoord Water Het Bestuursakkoord Water volgt op het Nationaal Bestuursakkoord Water en bevat hernieuwde afspraken over bestuur, financiën en richtinggevende kaders voor onder andere water. De maatregelen uit het Bestuursakkoord Water zijn gericht op: •

Heldere verantwoordelijkheden, minder bestuurlijke drukte;

•

Beheersbaar programma voor de waterkeringen;

•

Doelmatig beheer van de waterketen;

•

Werkzaamheden slim combineren;

•

Het waterschapsbestuur.

De doelstellingen van het ‘oude’ Nationaal Bestuursakkoord blijven van kracht. Bestemmingsplan Recreatiecentrum Heumens Bos, Heumen

|40 Waterbeheerprogramma 2016-2021 ‘Koers houden, kansen benutten’ Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 ‘Koers houden, kansen benutten’ bepalend voor het waterbeleid. Met dit programma blijft het Waterschap Rivierenland op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om afvalwater effectief te zuiveren. De speerpunten hierin zijn: •

Een veilig rivierengebied. Verbeteren en versterken dijken en boezemkades. Met daarnaast oog voor oplossingen door een aangepaste ruimtelijke inrichting door risicobeheersing (bijv. evacuatie);

•

Anticiperen op klimaatveranderingen. Een robuust en ecologisch gezond watersysteem dat voldoende water van goede kwaliteit biedt aan landbouw, natuur, stedelijke gebieden en recreatie;

•

Het duurzaam en doelmatig zuiveren van afvalwater door o.a. centralisatie van zuiveringen en slibverwerkingen.

Keur 2014 De Keur is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de verordening is geregeld dat langs A- en B-waterlopen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. Dit houdt in dat binnen de beschermingszone van A- of B-waterlopen niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden mogen plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aanen/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de waterlopen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Watertoets Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit Ruimtelijke Ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen, waarop bovengenoemd besluit van toepassing is, is het noodzakelijk een beschrijving te geven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Ten behoeve van de watertoets is voor het plangebied de waterhuishoudkundige situatie onderzocht. Grondwater Tijdens het bodemonderzoek (veldwerk mei 2019) is een grondwaterstand van ca.

3,0 m-mv aangetroffen. Oppervlaktewater Het plangebied valt binnen het beheergebied van het Waterschap Rivierenlandschap. In en direct grenzend aan het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Hemelwater In de huidige situatie wordt de neerslag die op het plangebied valt, via inzijging, afstroming naar lagere terreindelen en via verdamping afgevoerd. Toekomstige situatie De uitwerking van de plannen voor het nieuwe gedeelte van het recreatiecentrum dient nog plaats te vinden. Door dit bestemmingsplan verandert de maximale oppervlakte toegestane bebouwing Bestemmingsplan Recreatiecentrum Heumens Bos, Heumen

|41 niet ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan. Het beoogde nieuwe hoofdgebouw betreft de vervanging van het bestaande hoofdgebouw. Wel zal door de nieuwe ontsluiting en de nieuwe parkeervoorzieningen de hoeveelheid verhard oppervlakte toenemen. Voor de nieuwe parkeerplaatsen is het uitgangspunt dat deze als halfverharding of waterpasserende verharding worden uitgevoerd, bijvoorbeeld in de vorm van grasbetonstenen. Het perceel waarop de uitbreiding van het recreatiecentrum plaats vindt heeft een oppervlakte van ca. 1 hectare. Een deel hiervan wordt ingevuld als landschappelijke inpassing. Als uitgangspunt voor de toekomstige verharding is een percentage van 30% gehanteerd. Dit betekent dat er ca. 3.000 m 2 aan verhard oppervlak zal zijn. Een deel hiervan zal als halfverharding of waterpasserende verharding (parkeervoorzieningen) worden uitgevoerd. Uitgaande van de compensatieregel van het waterschap van 436 m3/ ha is er bij het toepassen van 3.000 m2 aan gesloten verharding een bergingsopgave van ca. 130 m 3. Uitgaande van een maximale peilstijging van 0,20 m betekent dit dat er ca. 650 m2 aan oppervlaktewater voor de berging van het hemelwater aanwezig zal moeten zijn. Binnen het plangebied van 1 hectare of op het aansluitend gedeelte van het recreatiecentrum is voldoende ruimte aanwezig om compenserende waterberging te realiseren.

Bij de nadere planuitwerking van de gebouwen en de infrastructuur zal deze bergingsopgave meegenomen worden. In de planregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om te voorzien in voldoende waterberging. Afvalwater Voor het huishoudelijke afval wordt aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel van het Recreatiecentrum Heumens Bos. Waterkwaliteit Om verontreiniging van afstromend hemelwater, oppervlaktewater en grondwater te voorkomen wordt geadviseerd duurzaam te bouwen. Dit houdt in dat het gebruik van uitlogende materialen zoals lood, zink, koper, bitumineuze materialen en geïmpregneerd hout voorkomen dienen te worden. Conclusie Door het nemen van de juiste maatregelen levert het planvoornemen geen knelpunten op voor de waterhuishouding.

5.11

Mer-beoordeling

Op 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is.

Bestemmingsplan Recreatiecentrum Heumens Bos, Heumen

|42 Indien een activiteit een omvang heeft die onder de grenswaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteiten voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-plichtig. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elke besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden liggen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kunnen twee conclusies volgen: belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten. In het eerste geval is de activiteit m.e.r.-plichtig in het andere geval dient een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure worden gevolgd.

De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling dient te geschieden aan de hand van de selectiecriteria in Bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Beoordeling Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden of de ontwikkeling de drempelwaarden uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. overschrijdt, de ontwikkeling in een kwetsbaar gebied ligt en of er belangrijke milieugevolgen zijn. De vervangende nieuwbouw van het hoofdgebouw, de verbetering van de verkeerssituatie en de uitbreiding met hotelkamers valt onder categorie D10 (recreatieve en toeristische voorzieningen) van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. In categorie D10 vallen inrichtingen ten behoeve van de recreatie en het toerisme (dag- en verblijfsrecreatie, watersport of wintersport) waarvoor zowel door particulieren als door overheidsinstanties voorzieningen worden getroffen. Tot deze voorzieningen behoren onder andere omvangrijke projecten, zoals: De aanleg, wijziging of uitbreiding van: a. skihellingen, skiliften, kabelspoorwegen en bijbehorende voorzieningen; b. jachthavens. c. vakantiedorpen en hotelcomplexen buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen, d. permanente kampeer- en caravanterreinen, of e. themaparken (pretparken). In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°.

250.000 bezoekers of meer per jaar, 2°. een oppervlakte van 25 hectare of meer, 3°. 100 ligplaatsen of meer of 4°. een oppervlakte van 10 hectare of meer in een gevoelig gebied. Het betreft hier dus recreatieve en toeristische voorzieningen waarbij grote bezoekersaantallen worden verwacht, zoals vakantiedorpen en pretparken. In onderhavig geval is de ontwikkeling kleinschalig en ligt ver onder de genoemde grenswaarden.

Bestemmingsplan Recreatiecentrum Heumens Bos, Heumen

|43

Gevoelige gebieden In onderdeel A van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald wat verstaan wordt onder een gevoelig gebied; een aangewezen gebied die beschermd wordt op basis van natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Het plangebied is in geen van dergelijke gevoelige gebieden gelegen. Milieugevolgen In de voorgaande paragrafen van dit hoofdstuk zijn verschillende milieueffect beschouwd, zoals geluid, luchtkwaliteit etc. Hieruit blijkt dat er door de ontwikkeling geen sprake van nadelige milieugevolgen. Conclusie Er kan gezien bovenstaande gesteld worden te beslissen af te zien van het opstellen van een milieueffectrapport.

Bestemmingsplan Recreatiecentrum Heumens Bos, Heumen

|44

6.

JURIDISCHE ASPECTEN

6.1

Verbeelding

Op de verbeelding is met behulp van de in de SVBP2012 bepaalde methode de bestemming van de grond aangegeven. De bijbehorende bepalingen zijn vervolgens opgenomen in de planregels. De verbeelding visualiseert de planregels.

6.2

Planregels

De planregels bestaan uit de volgende vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels; dit hoofdstuk bestaat uit twee delen. Het eerste deel betreft het artikel ‘begrippen’ waarin wordt toegelicht wat onder bepaalde begrippen wordt verstaan. Het tweede artikel is ‘wijze van meten’ waarin wordt toegelicht hoe de benoemde maatvoering moet worden gemeten. 2. Bestemmingsregels; in dit hoofdstuk worden de op de verbeelding aangegeven bestemmingen nader verklaard. De gehanteerde bestemmingen worden in paragraaf 6.3 van dit hoofdstuk verder uitgewerkt. 3. Algemene regels; in dit hoofdstuk worden regelingen opgenomen die zijn bedoeld voor meer dan één bestemming. De gehanteerde algemene regels worden nader toegelicht in paragraaf 6.3 van dit hoofdstuk. 4. Overgangs- en slotregels; binnen de overgangsbepalingen wordt geregeld dat met het bestemmingsplan strijdige bouwwerken en plannen welke bestaan ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan mogen worden uitgevoerd, mits er geen veranderingen plaatsvinden in aard en omvang. De slotregel benoemd de officiële naam van het bestemmingsplan, welke moet worden gebruikt om te verwijzen naar het plan.

6.3

Toelichting bestemmingen

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel wordt een aantal in het plan gebruikte begrippen nader omschreven. Door de omschrijving wordt interpretatie van de begrippen beperkt en daarmee de duidelijkheid en rechtszekerheid van het plan vergroot. Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel wordt aangegeven op welke wijze de in het plan voorgeschreven maatvoeringen dienen te worden bepaald.

Bestemmingsplan Recreatiecentrum Heumens Bos, Heumen

|45 Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Groen – Landschappelijke Beplanting De voor ‘Groen – Landschappelijke Beplanting’ aangewezen gronden zijn bestemd voor de ontwikkeling en de instandhouding van landschappelijke beplanting. Op of in de deze gronden mag niet gebouwd worden, met uitzondering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Artikel 4 Recreatie – Verblijfsrecreatie Gronden met de bestemming ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie’ zijn bestemd voor bedrijfsmatige exploitatie van verblijfsrecreatieve activiteiten in de vorm van recreatiewoningen en stacaravans, toeristische plaatsen ten behoeve van toercaravans en tenten en hotelkamers met bijbehorende gebouwen, waaronder maximaal één bedrijfswoning per bedrijf, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en paden, ondergeschikte detailhandel en ondergeschikte horeca uitsluitend in combinatie met en ten dienste van de bestemming, sanitaire voorzieningen, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, voorzieningen voor de waterhuishouding, tuinen en erven. In de bouwregels zijn regels opgenomen met betrekking tot het maximaal bebouwd oppervlakte, de goot- en bouwhoogte. Artikel 5 Waarde – Archeologische verwachting 1 De voor 'Waarde - Archeologische verwachting 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor doeleinden ter bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden.

Voor werkzaamheden met een oppervlakte groter dan 500 m2 of dieper dan 40 cm-mv geldt een onderzoeksplicht. Artikel 6 Waarde – Archeologische verwachting 2 De voor 'Waarde - Archeologische verwachting 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor doeleinden ter bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden. Voor werkzaamheden met een oppervlakte groter dan 2.500 m2 of dieper dan 40 cm-mv geldt een onderzoeksplicht. Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 7 Anti-dubbelteregel In dit artikel is een regel opgenomen die voorkomt dat een al verleende omgevingsvergunning meegenomen wordt bij de beoordeling van latere bouwplannen. Artikel 8 Algemene gebruiksregels In dit artikel is het strijdig gebruik van gronden en opstallen vastgelegd. Artikel 9 Algemene aanduidingsregels De gronden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van de functie van de molen als werktuig en zijn waarde als landschapsbepalend element.

Bestemmingsplan Recreatiecentrum Heumens Bos, Heumen

|46 Artikel 10 Algemene afwijkingsregels Op grond van de algemene afwijkingsregels kan afgeweken worden van de regels voor het toestaan van overschrijdingen van de bouwgrenzen. Daarnaast kan afgeweken worden van de regels voor het toestaan van een grotere maat in verband met de realisatie van zendmasten en het houden van kortdurende festiviteiten. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 11 Overgangsrecht Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken dat afwijkt van het bestemmingsplan op het moment dat dit rechtskracht verkrijgt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging van het afwijkend gebruik is slechts toegestaan indien de afwijking hierdoor wordt verkleind. Artikel 12 Slotregel Het laatste artikel ‘Slotregel’ geeft de officiële naam van het plan, wanneer naar het plan wordt verwezen. De planregels kunnen worden aangehaald onder de naam: Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Recreatiecentrum Heumens Bos’.

Bestemmingsplan Recreatiecentrum Heumens Bos, Heumen

|47

7.

UITVOERBAARHEID

7.1

Economische uitvoerbaarheid

Op grond van artikel 3.1.6 lid 1 onder f van het Besluit ruimtelijke ordening dient de uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen te worden aangetoond. De ontwikkelingen betreffen een particulier initiatief en bevinden zich op particulier terrein. De initiatiefnemer zal met de gemeente een anterieure overeenkomst sluiten om de kosten voor de begeleiding van het bestemmingsplan en de daarbij behorende procedures te verzekeren. Hiermee wordt het verhaal van kosten van de grondexploitatie over in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd en hoeft geen exploitatieplan conform Wro te worden opgesteld.

7.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het ontwerpbestemmingsplan, met de onderliggende onderzoeken, heeft vanaf maandag 16 november 2020 tot maandag 28 december (6 weken) ter inzage gelegd. In deze periode heeft eenieder de mogelijkheid gehad zienswijze in te dienen bij het college van burgemeester en wethouders. Tijdens deze termijn zijn vier zienswijzen ontvangen. Deze zienswijzen zijn samengevat en beantwoord weergegeven in de nota van zienswijzen, welke als bijlagen bij de toelichting is opgenomen. Naar aanleiding van de zienswijzen is het bestemmingsplan aangepast. Na de termijn van terinzagelegging moet de gemeenteraad beslissen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking waarna tot planrealisatie kan worden overgegaan.

Bestemmingsplan Recreatiecentrum Heumens Bos, Heumen

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING

BIJLAGE 1 LANDSCHAPPELIJK INPASSINGSPLAN

1. aanplant 9 bomen: linde, afgewisseld met tamme kastanje of berk plantafstand 20 m

2. inrichting dassenwissel lage dekking biedende inheemse doornrijke en besdragende stuiken - breedte 10 m, lengte ca. 170 m - 2 rijen struiken, plantafstand 1 meter - ca. 340 struiken

bestaande zomereiken

soorten bijvoorbeeld: - meidoorn; - sleeddoorn; - hondsroos; - braam; - wilde mispel; - gewone vogelkers; - wilde lijsterbes

P nieuw hoofdgebouw

te slopen hoofdgebouw

P nieuwe ontsluiting recreatiecentrum

LANDSCHAPPELIJK INPASSINGSPLAN Recreatiecentrum Heumens Bos - Heumen te verwijderen ontsluiting recreatiecentrum verwijderen alle verharding, uitsluitend inrit van max. 3 m breed naar bedrijfswoning te behouden

19 april 2022 (maten zijn indicatief) schaal 1: 1.000 0m

projectnr. 18149

50 m

BIJLAGE 2 ARCHEOLOGISCH BUREAU- EN VERKENNEND VELDONDERZOEK

RAPPORT Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek, d.m.v. boringen Vosseneindseweg 46 te Heumen (gemeente Heumen)

Opdrachtgever Ordito Postbus 94 5126 ZH Gilze

ISSN 2214-5656 Projectnummer Aeres Milieu projectnummer AM19138 Status rapport Concept

Autorisatie Opsteller rapport:

paraaf

MSc. L. Kruithof Drs. ing. N.J.W. van der Feest Redactie:

21 juni 2019

paraaf

Drs. M.A.K. Vroomans Vrijgave: Drs. M.A.K. Vroomans Contactgegevens Aeres Milieu B.V. Noordhoven 4 6042 NW ROERMOND (t) 0475 – 320 000 e-mail: info@aeres-milieu.nl www.aeres-milieu.nl

datum

datum 21 juni 2019

paraaf

datum 21 juni 2019

INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING

3

ADMINISTRATIEVE GEGEVENS

5

1. INLEIDING

6

2. WERKWIJZE 9 2.1 Inleiding……………………………………………………………………………………………………… 9 2.2 Verkennend veldonderzoek d.m.v. boringen……………………………………………………………. 9 3. BUREAUONDERZOEK 10 3.1 Landschappelijke situatie – geomorfologie……………………………………………………………… 10 3.2 Landschappelijke situatie – bodem………………………………………………………………………. 10 3.3 Bewoningsgeschiedenis – historisch overzicht………………………………………………………… 11 3.4 Bewoningsgeschiedenis – archeologische waarden………………………………………………….. 11 3.5 Bewoningsgeschiedenis – historisch materiaal……………………………………………………….. 12 4. VERWACHTINGSMODEL

15

5. VELDWERKZAAMHEDEN 17 5.1 Algemeen………………………………………………………………………………………………….. 17 5.2 Fysisch geografische beschrijving van de bodemopbouw en interpretatie………………………… 17 5.3 Archeologische indicatoren……………………………………………………………………………….18 6. CONCLUSIE 19 6.1 Algemeen………………………………………………………………………………………………….. 19 6.2 Beantwoording van de onderzoeksvragen…………………………………………………………….. 19 7. AANBEVELINGEN

20

LITERATUURLIJST

21

Bijlagen: 1 2 3 4 5 6 7 8

Topografische overzichtskaart Boorpuntenkaart Overzicht Archis Overzicht gemeentelijke archeologische beleidskaart Overzicht geomorfologische kaart Overzicht bodemkaart Overzicht AHN Boorprofielen

Archeologisch onderzoek Vosseneindseweg 46 te Heumen/ AM19138

SAMENVATTING Op 7 mei 2019 is door Aeres Milieu een archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek d.m.v. boringen uitgevoerd voor een onderzoekslocatie te Heumen. Het betreft een terrein aan de Vosseneindseweg 46. Het doel van het verkennend booronderzoek is de in het bureauonderzoek opgestelde specifieke verwachting te toetsen. Aan de hand van deze gegevens kunnen vervolgens adviezen over de aanwezige archeologische resten, of vervolgtraject worden opgesteld. Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied op een dekzandrug/-welving al dan niet met oud bouwlanddek. Het AHN laat zien dat het plangebied relatief hoog in het landschap. In de beginperiode (laatpaleolithicum) zal de zone waarin het plangebied ligt nog onderhevig zijn geweest aan de invloed van de rivier de Maas. Op de drooggevallen rivierbeddingen vond tijdens het Preboreaal gedeeltelijk duinvorming plaats en werd komklei afgezet. De hoger gelegen zones van en direct rondom de rivierduinen kunnen in die periode aantrekkelijke bewoningslocaties zijn geweest. Er zijn geen vuursteenvondsten bekend uit het mesolithicum en er is geen sprake van watervoorzieningen in de omgeving van het plangebied. Daarom geldt voor het plangebied een lage verwachting voor de periode laat-paleolithicum en het mesolithicum (tabel 2). Binnen het plangebied worden enkeerdgronden verwacht. Deze gronden hebben een dek (eerdlaag).

Eventuele aanwezige resten worden onder het verwachte (plaggen)dek of eerdlaag tot in de oorspronkelijke bodem verwacht en kunnen bestaan uit tijdelijke bewoningssporen, haardkuilen en artefacten van vuursteen. Vanaf het neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen heeft men nog steeds een voorkeur voor hoger en droger gelegen gebieden. In deze periode zal men voornamelijk gekozen hebben voor de centrale van de hooggelegen (dek)zandgronden. Het plangebied ligt centraal op een uitloper van de hooggelegen zandgronden. In de omgeving van het plangebied zijn meerdere nederzettingsresten bekend uit de periode vanaf de bronstijd, ijzertijd, Romeinse tijd en uit de vroege middeleeuwen. Deze bevinden zich grotendeels binnen de hoger gelegen delen, nabij en op de landduinen. Op basis hiervan geldt een hoge verwachting voor nederzettings- en begravingsresten uit de periode neolithicum tot en met de ijzertijd en voor nederzettingen uit de Romeinse tijd en vroege middeleeuwen. Resten uit de periode neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen worden onder het plaggendek/ eerdlaag tot in de oorspronkelijke bodem verwacht en bestaan uit een cultuurlaag, fragmenten aardewerk en gebruiksvoorwerpen. Het plangebied ligt aan de Vosseneindseweg, ten westen van de historische van oorsprong laatmiddeleeuwse dorpskern van Heumen.

Uit de bestudering van historische kaarten blijkt dat de Vosseneindseweg als de omliggende wegen omstreeks 1800 al bestaande wegen zijn. Aan deze wegen ontstaat echter sporadisch bebouwing vanaf circa 1900. Het plangebied blijft onbebouwd tot in de huidige periode en is tot die tijd in agrarisch gebruik geweest. Op basis van deze gegevens geldt voor het plangebied een middelhoge verwachting voor nederzettings- en bebouwingsresten uit de late middeleeuwen tot en met de nieuwe tijd. Resten worden verwacht vanaf het maaiveld. Op basis van het uitgevoerde verkennend veldonderzoek middels boringen kan worden gesteld dat de bodem in het plangebied grofweg in twee fasen is onder te verdelen. Het bovenste niveau is een dekzand afzetting die in de omgeving onder andere ook rivierduinen heeft opgeworpen. Op dergelijke gronden kunnen archeologische resten worden aangetroffen. Op een dieper niveau komen resten voor van een ouder oppervlak, vermoedelijk een laat glaciaal niveau. Hoewel de verwachting hiervoor laag is, kan niet volledig worden uitgesloten dat hier paleolithische resten in aangetroffen worden. Deze inzichten leiden tot het advies dat ter plaatse van het plangebied een vervolgonderzoek dient te worden uitgevoerd.

Dit onderzoek kan middels proefsleuven worden uitgevoerd, maar gezien de aard van de mogelijke sporen is het mogelijk wenselijk eerst een karterend booronderzoek uit te voeren waarbij beide potentiele niveaus bemonsterd dienen te worden. Dit advies moet gecontroleerd en beoordeeld te worden door de bevoegde overheid, in dit geval de gemeente Heumen. Deze zal vervolgens een besluit nemen over de vervolgprocedure. Tot die tijd kan er nog niet begonnen worden met bodemverstorende activiteiten of activiteiten die voorbereiden op bodemverstoringen. Pagina 3 van 31

Archeologisch onderzoek Vosseneindseweg 46 te Heumen/ AM19138

Het uitgevoerde onderzoek is verricht conform de gestelde eisen en gebruikelijke methoden. Het onderzoek is gericht op het inzichtelijk maken van de toestand van het aanwezige bodemarchief. Hiermee kan de beschadiging dan wel vernietiging als gevolg van de voorgenomen verstoring van een mogelijk aanwezig bodemarchief tot een minimum worden beperkt. Echter kan door de aard van het onderzoek, steekproefsgewijs, niet volledig worden uitgesloten dat er archeologische resten aan- of afwezig zullen zijn. Indien in het plangebied toch archeologische sporen of resten worden aangetroffen dient hiervan melding te worden gemaakt bij de Minister van OCW (in de praktijk de RCE) of zoals gangbaarder is bij de gemeente conform Artikel 5.10. (Archeologische toevalsvondst) van de Erfgoedwet 2016.

Pagina 4 van 31

Archeologisch onderzoek Vosseneindseweg 46 te Heumen/ AM19138

ADMINISTRATIEVE GEGEVENS Projectnummer OM-nummer Soort onderzoek Adres onderzoekslocatie Toponiem Gemeente Provincie Kadastrale registratie Coördinaten

Oppervlakte Huidig locatie gebruik Aanleiding onderzoek Opdrachtgever Bevoegde overheid Opslag documentatie en materiaal Datum opstellen PvA Geplande datum uitvoering

: AM19138 : 4703195100 : Bureau- en verkennend veldonderzoek d.m.v. boringen : Vosseneindseweg te Heumen : Vosseneindseweg : Heumen : Gelderland : Heumen, sectie I, nr. 809 : Centraal 184.838; 420.283 NW: 184.869; 420.362 NO: 184.904; 420.352 ZW: 184.773; 420.219 ZO: 184.800; 420.196 : circa 10.000 m2 : akker : bestemmingswijziging : Ordito : Gemeente Heumen : Noordhoven 4 te Roermond tot deponering bij provinciaal depot te Nijmegen : 6 mei 2019 : 6 mei 2019

Pagina 5 van 31

Archeologisch onderzoek Vosseneindseweg 46 te Heumen/ AM19138

1.

INLEIDING

In opdracht van Ordito heeft Aeres Milieu een archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek, d.m.v. boringen uitgevoerd op de locatie: Adres onderzoekslocatie Gemeente Oppervlakte Huidig perceelgebruik Toekomstig perceelgebruik

: Vosseneindseweg 46 te Heumen : Heumen : circa 10.000 m2 : Akker : Bestemmingswijziging

Dit archeologisch onderzoek is uitgevoerd conform de richtlijnen van de BRL SIKB 4000, KNA 4.0 en bestaat uit een bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Het bureauonderzoek is gericht op de historie en bodemgesteldheid van de onderzoekslocatie. Aanvullend hierop is een verkennend veldonderzoek d.m.v. boringen op het perceel uitgevoerd. De werkzaamheden in het veld zijn uitgevoerd door een senior KNA-prospector. Aanleiding De aanleiding voor het laten uitvoeren van dit archeologisch onderzoek is de voorgenomen nieuwbouw van een nieuw hoofdgebouw voor het recreatiepark. De diepte van de toekomstige bodemverstoring is op dit moment onbekend. Uitgaande van de aanleg van bouwputten ten behoeve van de nieuwbouw, zal de bodem waarschijnlijk tot in het archeologische niveau worden verstoord. Uitgaande van een standaard funderingsdiepte, zal de bodemverstoring naar verwachting tot tenminste 0,8-1,0 meter beneden maaiveld reiken. Het plangebied ligt volgens de Archeologische beleidskaart van de gemeente Heumen grotendeels in een zone met een middelhoge archeologische verwachting. De zuidelijke rand ligt in een zone met een hoge archeologische verwachting, met mogelijk goede conservering. Voor deze middelhoge archeologische verwachtingszone geldt een onderzoeksplicht bij bodemingrepen dieper dan de bouwvoor.

Voor deze zones wordt een verkennend booronderzoek aanbevolen om de mogelijke aanwezigheid van intacte bodems vast te stellen. Doel Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is, het bepalen van een gespecificeerd verwachtingsmodel voor de locatie. Dit verwachtingsmodel wordt op basis van historische kaarten en bekende landschappelijke en archeologische gegevens gevormd. Dit verwachtingsmodel zal vervolgens leiden tot een aanbeveling over het behoud in-situ of eventueel vervolgonderzoek. Het doel van het aansluitende verkennend veldonderzoek middels boringen is het toetsen van het in het bureauonderzoek opgestelde verwachtingsmodel. Voor de locatie Vosseneindseweg 46 zijn de volgende onderzoeksvragen geformuleerd: • • •

Is er sprake van stratigrafische lagen die potentieel archeologische waarden kunnen bevatten? In hoeverre zijn deze lagen intact en hoe reflecteert dit de kwaliteit van de mogelijk aanwezige archeologische resten? Wat is de diepteligging van mogelijke archeologische resten en wat is de daadwerkelijke bedreiging van deze resten door de voorgenomen bodemingrepen?

Plangebied Het plangebied ligt aan de straat Vosseneindseweg naast nr. 46. Momenteel is het plangebied in gebruik als akker. In het noorden en het oosten wordt het plangebied begrensd door recreatiebedrijf Heumen Bos. In het zuiden door de Vosseneindseweg en in het westen door akker (figuur 1). Pagina 6 van 31

Archeologisch onderzoek Vosseneindseweg 46 te Heumen/ AM19138

Figuur 1 : Het plangebied aan de Vosseneindseweg 46, aangegeven met het rode vlak. (Bron: Aangeleverd door de opdrachtgever).

Pagina 7 van 31

Archeologisch onderzoek Vosseneindseweg 46 te Heumen/ AM19138

Figuur 2 : De toekomstige situatie binnen het plangebied (Bron: Aangeleverd door de opdrachtgever).

Pagina 8 van 31

Archeologisch onderzoek Vosseneindseweg 46 te Heumen/ AM19138

2.

WERKWIJZE

2.1

Inleiding

Bij het uitvoeren van het bureauonderzoek is gebruik gemaakt van verschillende bronnen. Deze bronnen geven inzicht in bekende, of te verwachten archeologische resten binnen het onderzoeksgebied. Daarnaast zijn deze bronnen van belang voor het opstellen van de landschapsgenese. Archeologische bronnen • Archeologische Monumentenkaart (AMK) • Archeologisch Informatiesysteem (Archis3) • Archeologische Beleidskaart van de gemeente Heumen • Specifieke lokale informatie, heemkunde, amateurarcheologen Bodem- en geomorfologische kaarten • Bodemkaart (Alterra) • Geomorfologische kaart (Alterra) • Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN2) Historische kaarten • Kadastraal minuutplan (1800-1832) • Historische topografische en militaire kaarten (1830 tot 1978) • Moderne topografische kaart (tot 2017) De bovenstaande bronnen worden aangevuld door mogelijke informatie afkomstig van lokale archeologische verenigingen en werkgroepen. De overige aanvullende informatie is terug te vinden in de literatuurlijst.

2.2

Verkennend veldonderzoek d.m.v. boringen

Bij het verkennend veldonderzoek d.m.v. boringen worden verspreid over het plangebied 6 boringen gezet. De boorlocaties worden uitgezet ten opzichte van hoekpunten van de perceelsgrenzen, straten en bebouwing. De hoogte zal worden bepaald met het Actueel Hoogtemodel Nederland (AHN, ahn.nl). De boringen zijn gezet met een Edelmanboor met een boorkop van 10 cm. De boorkernen worden conform de ASB (Archeologische Standaard Boorbeschrijving 5.2) beschreven, zie bijlage 8. Gelet zal worden op de aanwezigheid van archeologische indicatoren als fragmenten keramiek, fosfaatvlekken en brokjes houtskool en verbrande leem. Daartoe worden de opgeboorde monsters verbrokkeld waar nodig.

Pagina 9 van 31

Archeologisch onderzoek Vosseneindseweg 46 te Heumen/ AM19138

3. 3.1

BUREAUONDERZOEK Landschappelijke situatie - geomorfologie

Het plangebied ligt in het oostelijk deel van het rivierengebied, in het dal van de Maas. Tijdens de laatste IJstijd, het Weichselien (circa 115.000 – 11.755 jaar geleden) werden in het plangebied door de Rijn en Maas zand en grindrijke afzettingen gevormd door vlechtende rivieren. Deze afzettingen behoren tot de Formatie van Kreftenheye. In het Laat-Glaciaal (15.700 – 11.755 jaar geleden) kregen de rivieren een meanderend karakter en werden de vlechtende rivierafzettingen afgedekt met komafzettingen, die tijdens overstromingen werd afgezet. Deze zandige stugge kleilaag en wordt gerekend tot de Laag van Wijchen. Vanaf het Laat-Glaciaal werd er in het plangebied alleen nog maar sediment van de Maas afgezet. Gedurende het Late Dryas (circa 12.745-11.755 jaar geleden) werd het klimaat kouder en kreeg het rivierensysteem opnieuw een vlechtend karakter en ging zich insnijden in zijn eigen riviervlakte. Door de insnijding bleven delen van de Kreftenheye Formatie (inclusief de Laag van Wijchen) hoger in het terrein liggen. Dit hoger gelegen terras wordt ook wel Laagterras genoemd. Op de drooggevallen rivierbeddingen werden rivierduinen gevormd. Deze hebben in het gebied vaak de vorm van geïsoleerde duinen en verstoven terrasruggen. De rivierduinzanden behoren tot de Formatie van Boxtel en hebben veelal de Laag van Wijchen afgedekt.

Het klimaat werd tijdens het Holoceen (circa 115.000 – 11.755 jaar geleden) warmer en vochtiger. Hierdoor veranderde het rivierpatroon van de Maas opnieuw van vlechtend in een meanderend. De hoofdgeulen werden meanderend en de overige geulen opgevuld met veen en klei. Het plangebied bevindt zich volgens de stroomgordelkaart binnen een Laat-Glaciaal rivierterras, omschreven als een stroomgordel/meander van de Maas (bijlage 5b, nummer 702). Deze stroomgordel was actief van circa 12.900 tot 10.950 jaren BP (Laat-Glaciaal).1 Volgens de zanddieptekaart van de provincie Gelderland ligt er in het plangebied een dek van eolisch zand van circa 1 meter dikte van pleistocene ouderdom aan het oppervlakte (bijlage 5c, code 301). Op de geomorfologische kaart (bijlage 5a) ligt het plangebied binnen een dekzandrug/-welving, al dan niet oud bouwlanddek (code 3L5). Uit het kaartbeeld van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN, bijlage 7) blijkt dat ter plaatse van het plangebied en haar omgeving enig reliëf aanwezig is. Er is een duidelijk verschil in hoogte waar te nemen tussen de dekzandwelving ten opzichte van de zuidelijk gelegen terrasvlakte. Direct ten oosten van het plangebied zijn enkele kleine verhogingen waar te nemen, vermoedelijk van antropogene oorsprong. Verder westelijke en noordelijk zijn de landduinen duidelijk als verhogingen in het landschap te herkennen.

3.2

Landschappelijke situatie - bodem

Volgens de bodemkaart (bijlage 6) worden binnen het plangebied Vosseneindseweg 46 hoge bruine enkeerdgronden in grof zand verwacht (bEZ30).2 Enkeerdgronden hebben een cultuurdek of esdek dat is ontstaan doordat mogelijk al vanaf de late middeleeuwen op grote schaal het systeem van potstalbemesting werd toegepast. Plaggen werden met mest van het vee vermengd en op de akkers uitgespreid om de bodem vruchtbaarder te maken. In de loop van de tijd is hierdoor een plaggendek op de oorspronkelijke bodem ontstaan.3 Dergelijke cultuurdekken hebben vaak een beschermende werking en zijn een buffer die potentiële archeologische resten beschermd tegen (recentere) verstoringen. De totale dikte van het plaggendek is bij de

1 Cohen, Stouthamer, Pierik en Geurts, 2012, 132. 2 Alterra 2009, kaartblad 45 West. 3 Hiddink en Renes 2007. Pagina 10 van 31

Archeologisch onderzoek Vosseneindseweg 46 te Heumen/ AM19138

hoge bruine enkeerdgronden meer dan 50 - 80 cm.4 De bouwvoor (Aap-horizont) is zeer donker grijsbruin tot zwart van kleur. Hieronder liggen oudere niveaus/lagen van het plaggendek (Aa-horizont), die meestal wat lichter van kleur zijn. Onder het plaggendek kan nog een oorspronkelijke bodem aanwezig zijn, een podzolgrond. De podzolgrond bestaat uit een A-horizont, waaronder vaak een E-horizont (uitspoelingshorizont) aanwezig is. Hieronder ligt de B-horizont (inspoelingshorizont), die geleidelijk overgaat in de C-horizont.5 Afhankelijk van de vroegere bodembewerking is de oorspronkelijke A-, E- en/of B-horizont al dan niet intact. Vaak zijn deze door verploeging met de onderste helft van het cultuurdek vermengd geraakt. Op de bodemkaart staan de gemiddelde grondwaterstanden aangeven met grondwatertrappen. De hoge enkeerdgronden worden gekenmerkt door een lage grondwaterstand (grondwatertrap V –VIII), dieper dan 120 cm beneden maaiveld. Het plangebied wordt gekenmerkt door lage grondwaterstand, grondwatertrap VIII. Bij deze grondwatertrap ligt de gemiddeld hoogste grondwaterstand dieper dan 140 cm beneden maaiveld en de gemiddeld laagste grondwaterstand dieper dan 160 cm beneden maaiveld.

3.3

Bewoningsgeschiedenis – historisch overzicht

De bestudeerde en beschikbare bronnen hebben het volgende beeld kunnen schetsen over de geschiedenis van Heumen. Het plangebied ligt aan de Vosseneindseweg ten noordwesten van Heumen. De Vosseneindseweg vormde een verbindingsweg tussen deze kern richting de verder noordwestelijke gelegen heidegronden (huidige natuurgebied Hatertse en Overasseltse Vennen) en verder richting Wijchen. De weg loopt voor een groot deel langs de noordelijke rand van de oude Maasgeul.6 De naam Vosseneind verwijst naar het gelijknamige dier, waar de uitgang verwijst naar het einde, mogelijk betrekking hebbende op het einde van de agrarische, ontgonnen gronden. Op het rivierenterras ontwikkelde zich in de late middeleeuwen (13e eeuw) langs de huidige Dorpsstraat een bewoningskern rond de Georgius kerk. De kerk is gesticht door de heren van Heumen. De kerk werd afhankelijk gesticht als kapel maar werd in de vroege 15e eeuw tot kerk verheven en ontwikkelde zich er een nederzetting van ambachtslieden en ‘kleine luiden’. De eerste schriftelijke vermelding van Heumen vinden we in 1268 als sprake is van de Homene. In de 13e eeuw wordt de nederzetting tot Hoemen genoemd. Latere vermeldingen zijn Hummen, Heumen en Huem. De naam Homene is een verwijzing naar ‘hooggelegen gemene grond’.7 In 13e eeuwse schriftelijk bronnen worden de lokale elite van Heumen aangeduid als ‘ridder’.

Vermoedelijk waren dit ministerialen van de abdij Saint-Valéry-sur-Somme. Tussen 1343 en 1348 lieten de heren van Groesbeek het kasteel Heumen bouwen, ten zuiden van Heumen, en droegen dat op aan de hertog Willem van Gelre, die hen er vervolgens in 1402 mee bedeelde. Het kasteel is vermoedelijk in twee fasen (in 1809 en 1880) gesloopt. Het laatste bijgebouw verdween in 1939.

3.4

Bewoningsgeschiedenis – archeologische waarden

Op de leidende archeologische beleidskaart van de gemeente Heumen ligt het plangebied in een zone met middelhoge archeologische verwachting. De zuidelijke rand ligt in een zone met een hoge verwachting met mogelijk goede conservering. Centraal over het plangebied loopt de globale ligging van een Romeinse weg, dergelijke zoekgebieden zijn indicatief.8

4 De Bakker en Schelling 1989, 141. 5 De Bakker en Schelling 1989, 127. 6 Keunen, Van der Veen en Willemse 2013, 64. 7 Van Berkel en Samplonius, 2006, 193 8 Archeologische waarden- en verwachtingskaart gemeente Heumen, 2013. Pagina 11 van 31

Archeologisch onderzoek Vosseneindseweg 46 te Heumen/ AM19138

Binnen een straal van 1 km rond het plangebied zijn twee monumenten bekend en staan meerdere onderzoeksmeldingen en waarnemingen geregistreerd in Archis (tabel 1). Monumentnummer 40 Op 400 meter ten zuidoosten van het plangebied ligt een monument van hoge archeologische waarde. Het betreft een terrein met een duidelijke waarneembare verhoging in het landschap. Het gaat hier om twee meldingsgebieden, die eigenlijk op dezelfde zandrug (terrasrestrug) aan de Heegtse Veldweg liggen. Waarschijnlijk is het hele gebied oude woongrond. Vanwege een ontgronding is een deel van het zuidelijk stuk komen te vervallen. Deze oude woongrond werd vastgesteld bij de bodemkartering van 1949. Hierbij is handgevormd aardewerk verzameld uit de late ijzertijd en/of Romeinse tijd en aardewerk uit de late middeleeuwen. Monumentnummer 3513 Op 600 meter ten zuidoosten van het plangebied ligt een monument van hoge archeologische waarde. Het gaat om een terrein met mogelijk een nog intacte donk. Oude woongrond, vastgesteld bij de kartering van in 1966. Hierbij zijn aardewerkfragmenten gevonden uit de late ijzertijd en/of Romeinse tijd en de late middeleeuwen.

Zaakidentificatienummer 3158014100 2708895100 2784532100 3121548100 2829730100 2753809100 2320433100 2708910100 2248644100 2429599100

2397669100

Afstand Ca. 820 m ten zuidwesten van het plangebied Ca. 780 m ten zuidwesten van het plangebied Ca. 1 km ten zuidwesten van het plangebied Ca. 630 m ten zuidoosten van het plangebied Ca. 630 m ten zuidoosten van het plangebied Ca. 750 m ten zuidoosten van het plangebied Ca. 900 m ten zuidoosten van het plangebied Ca. 215 m ten noordwesten van het plangebied Ca. 500 m ten noorden van het plangebied Ca. 500 m ten noorden van het plangebied

Soort onderzoek en uitkomst Keramiek, hout/ houtskool en bewoning aangetroffen uit de Vroege IJzertijd Spitse vuursteen uit Laat Neolithicum Aardewerk, maalsteen, dolium, kookpot, Terra kom, Terra beker uit de Romeinse Tijd Aardewerk (gedraaid en handgevormd) uit de Late Middeleeuwen, Late IJzertijd en Romeinse Tijd Aardewerk aangetroffen uit de Vroeg Romeinse Tijd Aardewerk uit de Late IJzertijd en Middeleeuwen Verkennend en karterend booronderzoek geadviseerd in 2015 Spitse vuursteen uit Midden Neolithicum Verkennend booronderzoek geadviseerd in 2010 Geen vervolgonderzoek op de locaties met een lage archeologische verwachting en archeologische begeleiding op de locaties met een hoge archeologische verwachting en ter hoogte van de vermoedelijke grafheuvels in situ behouden dienen te worden geadviseerd in 2014 Geen vervolgonderzoek geadviseerd in 2013

Ca. 800 m ten zuidwesten van het plangebied Tabel 1 : Overzicht van Archismeldingen binnen een straal van 1 km rond het plangebied.

3.5

Bewoningsgeschiedenis – historisch materiaal

In het kader van het bureauonderzoek is historisch kaartmateriaal bestudeerd. Op het minuutplan uit het begin van de 19e eeuw (figuur 3)9 is te zien dat het plangebied in een onbebouwde zone ligt dat volgens de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels (OAT)10 behorende bij het minuutplan, in gebruik is als deels bouwland en bos. De onbebouwde zone wordt doorsneden door enkele secundaire wegen naar het noordwestelijker gelegen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11708105/1