CConstaterende datHeumen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage II Ontwerpbestemmingsplan Blankenbergseweg 2 - Toelichting

Raad 18 april 2024, gemeente HeumenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Blankenbergseweg 2, Heumen14.389 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Toolictng,

30

> Geling Advies Verkennend asbestonderzoek

Vanwege de volledige bedekking van het maaiveld is het niet mogelijk geweest een maaiveldinspectie uit te voeren. Zintuiglijk zijn in de grond van diverse inspectiegaten asbesthoudende materialen waargenomen.

In de bodem ter plaatse van inspectiegat GO1 is in het traject van 0,0 - 0,3 m-mv een maximaal gewogen asbestgehalte aangetoond van 1.369 mg/kg d.s. Het aangetoonde asbest betreft hechtgebonden chrysotiel en crocidoliet. Omdat er sprake is van een verkennend bodemonderzoek betreft het een indicatief gehalte. Gezien het sterk verhoogde asbestgehalte is het noodzakelijk nader onderzoek uit te voeren voor het vaststellen van het daadwerkelijke asbestgehalte in de grond. Resumé

De onderzoeksresultaten leveren een beperking op ten aanzien van de voorgenomen bestemmingswijziging en het voorgenomen gebruik van de locatie. Het is noodzakelijk nader onderzoek uit te voeren naar de aangetoonde verontreinigingen met zink en asbest in de grond. Vanwege de onderzoeksresultaten vindt nader onderzoek naar de aangetoonde verontreinigingen met zink en asbest plaats. Afhankelijk van de resultaten worden passende maatregelen getroffen om de nieuwe woning te kunnen realiseren.

Toolictng,

31

‘> Geling Advies 4.6

(ONDERGRONDSE) INFRASTRUCTUUR Leidingen Voorafgaand aan het grondverzet zal een zogenaamde Klic-melding plaatsvinden om duidelijkheid te verkrijgen over de eventueel aanwezige kabels en leidingen. Vooralsnog zijn geen problemen voorzien, omdat de bebouwing gerealiseerd wordt op de plaats van de te slopen stallen. In de nabije omgeving zijn geen leidingen aanwezig. Voor de nutsleidinging wordt een tracé beschikbaar gesteld. Hoogspanningsleiding Op een afstand van 670 meter is een hoogspanningsleiding gelegen. Volgens de RIVM-netkaart is de rekenafstand welke voor de 150 kv leiding 65 meter naar beide zijden van de hoogspanningsleiding. Aangezien de afstand tot de leiding 670 meter is, wordt de nieuwe woning op meer dan voldoende afstans van de hoogspanningsleiding te liggen. Figuur 14

Hoogspanningsleidin g in de omgeving.

z =

“eg

QD a

om 4 4

=

5

;

Z

£ Cambilijn

/ 150kV

s

%

Ny

4.7

Spanning aati” 280 k¥ Sates f 220k¥

f i10kv¥ / 50kV

2

BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING

Om te bepalen welke bedrijfsactiviteiten uit oogpunt van milieuhinder kunnen worden toegestaan, kan gebruik worden gemaakt van de systematiek van de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009). In de VNG-brochure is een bedrijvenlijst opgenomen, die informatie

Toasting

32

‘b> Geling Advies a

.

.

geeft over de milieukenmerken van verschillende typen bedrijven. In de lijst is op basis van een aantal factoren (waaronder geluid, geur en gevaar) een indicatie gegeven van de afstand tussen bedrijven en hindergevoelige functies waarmee gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kunnen houden. Het doel van milieuzonering is tweeledig: 1. door het toepassen van milieuzonering wordt hinder ter plaatse van woningen of andere gevoelige objecten al in het ruimtelijk spoor voorkomen;

2. door het toepassen van milieuzonering wordt aan bedrijven voldoende zekerheid geboden dat zij hun activiteiten duurzaam en binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Op basis van de indicatieve afstanden zijn de bedrijven op de bedrijvenlijst in de VNG-handreiking ingedeeld in milieucategorieén die variéren van

categorie 1 (indicatieve afstand van 10 meter) tot categorie 6 (indicatieve afstand van 1.500 meter). Als aan de indicatieve afstand kan worden

voldaan, is een activiteit qua milieuhinder inpasbaar. Enerzijds is dan ter plaatse van omliggende milieugevoelige objecten (waaronder woningen) sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, anderzijds heeft het

bedrijf

voldoende

zekerheid

dat

de _ bedrijfsactiviteiten

aanvaardbare voorwaarden kunnen worden uitgeoefend.

binnen

Omgevingstype

In de VNG-brochure worden twee omgevingstypen onderscheiden, namelijk ‘rustige woonwijk’/‘rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’. De richtafstanden uit de VNG-brochure zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een daarmee vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied). De indicatieve afstanden zijn de afstanden die moeten worden aangehouden tot de gevels van woningen in een ‘rustige woonwijk’. Als sprake is van een ‘gemengd gebied’ mag de indicatieve afstand worden gecorrigeerd en kan de afstand met één trede worden verlaagd, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat. Het omgevingstype in de omgeving van het plangebied kan worden getypeerd als ‘rustig buitengebied’. Hierdoor kunnen de_ indicatieve afstanden niet worden gecorrigeerd.

Toetsing initiatief Het dichtstbijzijnde bedrijf is gelegen op circa 73 meter van het plangebied. Dit bedrijf heeft een agrarische bestemming. Voor een paardenhouderij is de grootste 50 meter (geur). Aan deze afstand wordt ruim voldaan. Hierdoor zullen deze bedrijven niet belemmerd worden in de bedrijfsvoering. Bovendien is daarmee op de locatie sprake van een acceptabel woon- en leefklimaat. Daarnaast is van belang dat de bedrijfsactiviteiten geen hinder veroorzaken op omliggende woningen. Bestaande in de omgeving gelegen woningen

Toelcng

33

> Geling Advies a

.

.

zijn op voldoende afstand gelegen. In de beoogde situatie wordt daarnaast een nieuwe woning opgericht. Voor paardenfokkerijen geldt een grootste richtafstand van 50 meter voor het aspect geur. In het bestemmingsplan is geborgd dat binnen deze afstand vanaf het bouwvlak voor de woning geen dierverblijven gebouwd mogen worden. Zie ook navolgende afbeelding. Voor overige aspecten is geen hinder te verwachten. De nieuwe en bestaande bedrijfsgebouwen zijn op voldoende afstand gelegen.

Figuur 15 Uitsnede

situatietekening met 50 m cirkel

yr 9

_.

?

y

:

ee

:

ato mo i,

ys ae

\\

\as

Riccohag‘e

i (50 m2) 384 aes Sh ww

Va 8

XSea 2. “eS~— a y X ee va“ Cia

‘ y

-

fo]

*

% oe

a

ro

Si

O

Cre om os

Fe

ae

q

-

:

ae

‘‘

<q

ees

an

3

Geconcludeerd kan worden dat er geen belemmeringen bestaan vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering. 4.8

GEURHINDER

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) en het Activiteitenbesluit milieubeheer vormen het toetsingskader bij vergunningverlening voor geur veroorzaakt door dierenverblijven van veehouderijen. Indirect hebben de Wgv en het Activiteitenbesluit ook consequenties voor de ruimtelijke ordening, dit wordt wel de omgekeerde werking genoemd. Van belang is dat door ontwikkelingen in het voorliggende plan geen belemmeringen ontstaan voor de omliggende (agrarische) bedrijven en de bedrijfsontwikkeling van deze bedrijven. Bij het beoordelen van het aspect geur zijn twee vragen van belang: >

Wat heeft de ontwikkeling voor effect op de voorgrond geurbelasting op de omliggende geurgevoelige effecten?

>»

Is en blijft er sprake van een goed woon- en leefklimaat in de omgeving van het plangebied?

Toelictng,

34

> Geling Advies De Wav geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (ggo) (bijvoorbeeld een woning). De mate van bescherming van geurgevoelige objecten is afhankelijk van de ligging en van de aard van het gevoelig object. Voor de ligging wordt onderscheidt gemaakt in ligging binnen of buiten de bebouwde kom en ligging binnen of buiten een concentratiegebied. In onderstaande tabel zijn de normen conform artikel 3, eerste lid van de Woy weergegeven:

Jabel4 ________—-Het geurgevoelig object is gelegen in een:

Nofiien

geurbelasting

Ten hoogste toegestane geurbelasting:

Concentratiegebied, binnen bebouwde kom

Concentratiegebied, buiten bebouwde kom

Niet-concentratiegebied, binnen bebouwde kom Niet-concentratiegebied, buiten bebouwde kom

Een concentratiegebied is gedefinieerd als ‘concentratiegebied Zuid of concentratiegebied Oost als aangegeven in bijlage | bij de Meststoffenwet, of en als zodanig bij gemeentelijke verordening aangewezen gebied’. Voor dieren zonder emissiefactor gelden vaste afstanden. De afstand tot een geurgevoelig object dient in dat geval 100 meter te bedragen wanneer deze ligt binnen de bebouwde kom en 50 meter wanneer het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Bij gemeentelijke verordening kunnen gemeenten afwijken van de wettelijke normen.

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) biedt gemeenten, binnen een

wettelijke

vastgestelde

bandbreedte,

de _ beleidsvrijheid

om _ zelf

geurnormen vast te stellen. Gemeente Heumen heeft geen geurverordening vastgesteld. Dit betekent dat de wettelijke geurnormen

van toepassing zijn.

Voor de verspreidingsberekeningen wordt gebruik gemaakt van het verspreidingsmodel V-stacks vergunningen. V-stacks vergunning is een computerprogramma voor het berekenen van geur rond dierverblijven. Aan de hand van V-stacks vergunning wordt de geurbelasting berekend en getoetst. Op basis van deze berekening wordt duidelijk dat ruimschoots wordt voldaan aan de gestelde normen. De berekening voor de beoogde situatie is in de bijlagen bijgevoegd.

Tevens worden er dieren gehouden waarvoor geen geuremissiefactor geldt (paarden en rundvee). Zoals eerder aangeven dient de afstand buiten de bebouwde kom tot een geurgevoelig object 50 meter te zijn. Hier is sorake van. De dierverblijven zijn gelegen op meer dan 50 meter afstand van de nieuwe woning.

In de nabije omgeving zijn geen veehouderijen gelegen waar vee wordt gehouden met een geuremissiefactor. De dichtstbijzijnde veehouderij met

Toelichting,

35

‘b> Geling Advies vee met een geuremissiefactor is gelegen op circa 750 m (Westerkanaaldijk 3 Malden). In de beoogde situatie zal er een zeer beperkte toename zijn van geuremissie (schapen). Ter plaatse van de nieuwe woning kan worden gesproken van een goed woon- en leefklimaat. In de omgeving van het plangebied zijn geen industriéle bedrijven gelegen welke geur uitstoten. Voorgenomen_ ontwikkeling wordt aldus niet belemmerd door de geur afkomstig van industrie in de omgeving van het plangebied. Geconcludeerd kan worden dat voor de woningen een zeer goed woon- en verblijfsklimaat gegarandeerd kan worden, rekening houdend met voor- en achtergrondbelasting. Daarbij worden omliggende bedrijven niet belemmerd in hun bedrijfsvoering met onderhavig voornemen. 4.9

AKOESTIEK

Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er drie geluidsbronnen waarmee bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening gehouden dient te worden: wegverkeers-, railverkeers- en industrielawaai. Voor dit plan geldt dat uitsluitend industrielawaai relevant is. Kijkende naar de richtafstand voor geluid, geldt dat deze 30 meter bedraagt. Binnen deze afstand zijn geen gevoelige objecten gelegen. De nieuwe woning is op voldoende afstand gelegen van de bedrijfsgebouwen. Hierdoor zijn geen nadelige effecten te verwachten. Bovendien nemen_ de bedrijfsactiviteiten in omvang af, doordat de nertsenhouderij wordt beéindigd, wat positief bijdraagt in de omgeving. Concluderend kan gesteld worden er geen belemmeringen zijn voor het aspect geluid. 4.10

LUCHTKWALITEIT

Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, ook

wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’) bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. In de Wet milieubeheer zijn luchtkwaliteitseisen

opgenomen

voor

diverse

verontreinigende — stoffen, |waaronder

stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer:

1.

een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit;

2. 3.

ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven; een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van de betreffende stoffen in de buitenlucht;

4.

een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit).

Toolictng,

36

‘b> Geling Advies a

.

.

Een nadere uitwerking van de regelgeving met betrekking tot het begrip ‘niet in betekenende mate’ is vastgelegd in het ‘Besluit niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’. In de Regeling zijn categorieén van gevallen benoemd die in ieder geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt en waarvoor toetsing aan de grenswaarden dus zonder meer achterwege kan blijven. Er is blijkens deze regeling geen onderzoek nodig voor ‘woningbouwlocaties, indien een dergelijke locatie, in geval van één ontsluitingsweg, netto niet meer dan 1.500 nieuwe woningen omvat, dan wel, in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling, netto niet meer dan 3.000 woningen omvat'. De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van één nieuwe woning. Hiermee wordt ruimschoots onder de aantallen gebleven zoals genoemd in de ‘Regeling niet in betekende mate bijdragen’. In de toekomstige situatie is er sprake van een daling van de fijn stofemissie. De fijn stofemissie veroorzaakt door het houden van nertsen komt te vervallen. In de beoogde situatie worden enkele schapen gehouden welke fijnstofemissie veroorzaken, maar er blijft sprake van een grote afname. Dit is weergegeven in tabellen 1 en 2 in paragraaf 2.2.

In de huidige situatie is sprake van 47.992 gram PM10 per jaar, in de beoogde situatie van 1.700 gram PM10 per jaar. Hierdoor is er sprake van een verbetering in en rondom het plangebied. Daarbij is de achtergrondconcentratie van fijnstof op de locatie volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten 17,07 pyg/m? voor fijnstof

PMio. Dit is ver onder de grens van 40,0 pg/m* uit de Wet Milieubeheer.

Concentratie

instar

planomgeving (achtergrond)

Fijn stof (PM10)

tug/ms] ma isis MO is-1a MM

Mm

Mm

‘\ ov

is-20

+

--2

=

o20-22

Detail informatie Locatie:

186036, 421500

‘Gridcelwaarde:

17.07

[s

van de kaart

Gebruik

- Openen: selecteer een kaartlaag en

Yerschulven: gebruik de pijitjes, of en schuif

klik

- Zoomen: [+] en [-], of: <SHIFT>klik en een rechthoek trekken

- Waarde opvragen: klik in de keart

|_|

Toolictng,

37

‘D> Geling Advies Voor dezelfde locatie zijn eveneens de waarden opgenomen voor fijnstof PMz25 en NOz De waarde voor PM25 bedraagt ter plaatse van het plangebied 9,703 pg/m°. Dit is ver onder de richtwaarde van 25,0 yg/m?. De waarde voor NO> bedraagt ter plaatse van het plangebied 13,36 pg/m?. Ook dit is ver onder de grenswaarde van 40,0 pg/m?. De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met het bepaalde in de Wet milieubeheer. De luchtkwaliteit op de locatie is acceptabel. Er is sorake van

een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Er bestaan voor wat betreft het

aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen. 4.11

EXTERNE VEILIGHEID

Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. De wet- en regelgeving rondom externe veiligheid richt zich op het beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (transport van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. Risicobronnen kunnen worden onderscheiden in risicovolle inrichtingen (waaronder Ipg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen (over wegen, spoorwegen en vaarwegen) en buisleidingen (bijvoorbeeld leidingen voor aardgas of vloeibare brandstof). Om voldoende ruimte te scheppen tussen een risicobron en personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen. Het beoordelingskader voor risicovolle inrichtingen wordt gevormd door het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en voor buisleidingen het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Bij de beoordeling van externe veiligheidsrisico's staan, zowel in het Bevi, het Bevt als het Bevb, twee begrippen centraal: >»

Het plaatsgebonden risico (PR): het risico op een plaats, uitgedrukt in een waarde voor de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval waarbij één of meer gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Het plaatsgebonden risico kan op kaart worden weergegeven in de vorm van risicocontouren. Bij de beoordeling wordt getoetst of het plaatsgebonden risico niet hoger is dan eens per 1 miljoen jaar (10-6 per jaar).

>»

Het groepsrisico (GR): de kans dat bij een ongeval buiten de locatie waar activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden 10, 100 of 1.000 slachtoffers tegelijk vallen. Het groepsrisico is een maat voor de verwachte omvang van een ramp. Bij de beoordeling van het groepsrisico wordt de hoogte van het groepsrisico vergeleken met de

Toolictng,

38

““I> A> Geling Geling Advi Advies zogeheten oriéntatiewaarde. Een wijziging van het groepsrisico dient in bepaalde gevallen te worden verantwoord door het bevoegd gezag. Risicobronnen kunnen worden onderscheiden in risicovolle inrichtingen (waaronder lpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen. Om voldoende ruimte te scheppen tussen een risicobron en personen of objecten die risico lopen (kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten) moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen. Het beoordelingskader voor risicovolle inrichtingen wordt gevormd door het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), waarin de Basisnetten voor weg, spoor en water zijn vastgelegd. Voor buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Risicovolle inrichtingen In het plangebied en in de omgeving van het plangebied zijn geen inrichtingen gevestigd die onder het regime van het Bevi vallen. Er is geen sprake van belemmeringen vanwege de aanwezigheid van een risicovolle inrichting.

‘& TankenBrandstoffen

: so OpslagVerpakt Uitsnede risicokaart — | # externe veiligheid *© venoer opslegtanksas OpslagtankVioeistof © Aardgasstationyminbouw

NGeecnaee ty 2 Sect an een Came aT as OR ROUe Soe Reed) el (i Nee eto Nae eeeaaiaes ch ts eae

aie

+ enone + Mestrergsting

54 psu Nuclear a Vaiwerk

diesesects Perenangen tical alae

~#

ff

Neem Bees a NSN Kee a er hy es t. NT<i NG ey fo Ne Seta Nee NR LA?! PR

\

’

Fr. Saba Cee aca tn Sasseee eeany eer) hea aemEne ewé —> 8

%,

Sr oie tities gaeeee ih anc ecan Re coc cata taeae Meee wee EN

ARE EE Nene SEN

y

CNL

Unto Cbeneena eee oaNN Sece# eee CRSnanos oSERC (See

ff

PRpel 10-5 en veiligheidszones BK, K en Zk ee Spee beuueeeety

prio at lighstiacnsn anit pS

&

|4 yd

4 YY

D> \hg fa Remmi

mateo cntwach Sank. eae te<r ea

Vie eeePS Baie cen aoe Capa sane

Sieeeccunanie

Ae A Os NTE

>

TS EERIE SEES CEN | TEN se

Veiligheidszones 2K

nae Oe RRReS

e

EONS

:

i

eee e NS Re ae 5 eee: BN

a Explosieaandachesgebieden (Omgevingswet} a

G My eeeeeruner gun etER SSas Se Sh igeesenaeees Seba ee a

1SEEE

anc ase anes CAN os a

eebeegee gg voce vou ce ee neemaueE

‘

ee Seek

i

EEE EEEN

; ORE EERE a Sek a

i

Res: Bees ensures tees Se Oy, NEES

Neer

cid ee,REESE S EeCNS AEA ee # ve ne canis Bae

Ce enc. cnn aa

cee tueeea

Buisleidingen Binnen het plangebied is geen buisleiding gelegen. De dichtstbijzijnde buisleiding is gelegen op circa 760 meter van het plangebied. Er is geen sprake van belemmeringen vanwege deze buisleiding. Vervoer van gevaarlijke stoffen

Tooictng,

39

‘D> Geling Advies a

.

.

In het Bevt zijn de Basisnetten voor weg, spoor en water geimplementeerd in de wetgeving met betrekking tot externe veiligheid. Het Bevt regelt - in combinatie met de Regeling basisnet - enerzijds een risicoplafond voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en bevat anderzijds regels voor ruimtelijke ontwikkelingen in de nabijheid van deze transportassen. Het Bevt bepaalt onder andere dat bij ontwikkelingen binnen 200 meter van een transportroute voor gevaarlijkke stoffen in bepaalde gevallen een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico nodig is (Bevt artikel 8). Bij ontwikkelingen buiten de 200 meter, maar binnen het invloedsgebied, moet worden ingegaan op de mogelijkheden voor bestrijding/beperking van de omvang van een ramp en op de_ mogelijkheden voor zelfredzaamheid. Het invloedsgebied van een transportroute varieert, afhankelijk van de stofcategorieén die worden getransporteerd, van 40 tot meer dan 4.000 meter.

De dichtstbijzijnde transportroute is gelegen op circa 190 meter van het plangebied. De afstand van de transportroute tot aan de nieuwe woning bedraagt circa 280 meter. De woning is dus gelegen buiten de 200 meter zone, maar binnen het invloedsgebied (200 meter tot 4 km). Conform artikel 7 van het Bevt dient advies te worden gevraagd aan de

Veiligheidsregio

zelfredzaamheid.

over de _ bereikbaarheid

en _ bestrijdbaarheid

en

Voor kleine ontwikkelingen, zoals omzetting van deze ontwikkeling, kan uitgegaan worden van de onderstaande uitgangspunten. Dit luidt als volgt: > >

>

Breng afsluitbare mechanische ventilatie aan in de woningen; Pas de beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening toe; Pas risicocommunicatie toe.

Navolgend wordt ingegaan op het advies. Mechanische ventilatie

De woning moeten voldoen aan het Bouwbesluit 2012. Als de woning

wordt voorzien van mechanische ventilatie dient deze conform artikel 3.31

van het Bouwbesluit uitgezet te kunnen worden. Beleidsregels Het betreft een bestaand perceel met een nieuw te realiseren woning. De beleidsregels Bereikbaarheid en Bluswatervoorziening worden toegepast. Risicocommunicatie

Gemeente Heumen sluit zich aan bij de landelijke risicocommunicatie. Conclusie

Externe veiligheid bestemmingsplan.

levert

geen

belemmeringen

op

voor

het

Activiteitenbesluit

Toolictng,

40

‘D> Geling Advies

oa

.

.

In het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ dienen ook de veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit betrokken te worden bij de externe veiligheidsanalyse. In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen propaantanks.

Geconcludeerd kan worden dat er uit oogpunt van externe veiligheid geen belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling. 4.12

VERKEER EN PARKEREN

De ontwikkeling mag geen nadelige gevolgen hebben voor de verkeerssituatie in de omgeving van het plangebied. Met het beéindigen van de nertsenhouderij neemt het aantal verkeersbewegingen van zwaar verkeer fors af (van 589 vrachtwagens naar 60 vrachtwagens per jaar). Daartegenover staat een toename in verkeer van personenauto’s (6 auto’s naar 17 auto’s per dag) en middelzwaarverkeer (van 0 naar 20 per week). De locatie blijft ontsloten via de bestaande inritten. De nieuwe woning wordt onsloten via een pad aan de westzijde van het perceel. Deze komt uit op de gemeenschappelijk inrit aan het zuiden van de locatie. De wegen in de planomgeving hebben voldoende capaciteit om deze verkeersbewegingen te verwerken.

Ook voor het parkeren zijn in de basis de ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ van CROW aangehouden waarbij in het buitengebied bij een manege (paardenhouderij) een parkeernorm van 0,5 per box geldt. In totaliteit worden maximaal 50 paarden op de locatie gehouden. Dit betekent dat minimaal 25 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. Dit is echter geen realistisch aantal. Een paardenfokkerij is, wat betreft verkeer/parkeerplaatsen, niet vergelijkbaar met een manege. Worst-case scenario is dat er 17 personenauto’s tegelijkertijd de locatie bezoeken. Dit ten behoeve van de paardenhouderij, akkerbouwbedrijf en bij de woning. Op de locatie worden aan de noordzijde van de stallen 14 parkeerplekken gerealiseerd (2,5 m x 5 m). Omdat deze aansluiten op een breed pad, zijn ze eventueel ook geschikt voor kleine vrachtwagens of auto’s/busjes met trailers. Aan de voorzijde van de woning worden ook 4 parkeerplekken gerealiseerd. Hierdoor kunnen er worst-case 18 auto’s/busjes (waarvan 14 met trailer) tegelijkertijd parkeren op de locatie. Grotere vrachtwagens kunnen tussen de stal en de sleufsilo eventueel ook nog parkeren. Hier is ook voldoende ruimte om te manoevreren. Het verkeer kan rond rijden om de machineberging en werkplaats heen. Er is voldoende parkeer en manoevreerruimte, waardoor parkeren in de berm voorkomen wordt.

Ten aanzien van de parkeerplaatsen voor de woning, wordt uitgegaan van de CROW. Hierin wordt een parkeer norm van vrijstaande woning in het buitengebied van minimaal 1,9 en maximaal 2,7 genoemd. Bij de nieuwe woning wordt een oprit gerealiseerd deze is voldoende groot voor voorgenoemde parkeerplekken. Zie ook navolgende afbeelding;

Toelichting,

41

‘b> Geling Advies Figuur 18

Parkeerplaatsen

a

binnen het 2 plangebied

\

.

nieuwe woniny

,

a

\

\

iN

aDieunr bijgebo

\2

ee

‘Pes sy 50.0 me. nica rihatAO Se bitenribade 381 meta “ge Aa vets #.

is 2

;

Ve

' Ni

‘

4Ae

“Qa(ks “A *o@ ae

ve

Ww

8 i nents \

ee

PONY

<

A

Cae

ta N

4.13

\

Fok

ad

Pe)

SPUITZONES

Bij het mogelijk maken van een nieuwe voor drift gevoelige bestemming, in de nabijheid van bestemmingen, die het toepassen van chemische gewasbeschermingsmiddelen niet uitsluiten, is aandacht voor spuitzones nodig. Dit in verband met de risico’s voor de volksgezondheid, vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld, die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Drift is een belangrijke en directe bron van luchtverontreiniging waardoor mens en dier in contact kunnen komen met gewasbeschermingsmiddelen. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden. Op basis van jurisprudentie wordt in de praktijk een spuitzone voor een voor driftgevoelige bestemming aangehouden van 50 meter, gemeten vanaf de bestemmingsgrens. Deze 50 meter is in diverse uitspraken van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 23 september 2009 in zaak nr. 200900570/1/R2) als “in het algemeen niet onredelijk” bevonden en geldt als een vaste richtafstand waar gemotiveerd van kan worden afgeweken. Een kleinere afstand is mogelijk, mits dat goed onderbouwd wordt.

De vaste richtafstand van 50 meter is in de open teelt met name van

belang

voor

boomkwekerijen

en

boomgaarden,

omdat

gewasbeschermingsmiddelen daarbij niet alleen neerwaarts worden gespoten (onkruidbestrijding), maar ook zij- en opwaarts (voorkomen en bestrijden schimmels en plaagdieren). Omdat bij opwaarts spuiten de

Toeliching

42

> Geling Advies vloeistof op een grotere hoogte vrijkomt en er daardoor meer kans is op verspreiding, veroorzaakt het opwaarts spuiten de meeste drift en is om die reden maatgevend voor gezondheidsrisico’s. Door een wijziging in de wetgeving is het verplicht om te spuiten met

driftreductie van ten minste 75%. Dit maakt dat de aan te houden afstand

kleiner wordt, te weten 30 meter. Dit op basis van onderzoek van Wageningen Research naar driftreductie. De nieuwe woning is gelegen binnen 30 meter van een perceel waar gewasbeschermingsmiddelen kunnen worden toegepast. In hetzelfde onderzoek is echter aangegeven dat door toepassing van een houtwal op de perceelgrens er vanaf 5 meter van de perceelgrens geen overschrijdingen meer zijn. In deze situatie wordt de nieuwe woning aan de noord en west zijde van de woning omringd door grasland. Om dit grasland zijn struweelhagen gerealiseerd. De afstand van de struweelhaag tot aan het perceel van de woning is circa 15 meter aan de noordzijde en circa 25 meter aan de westzijde. Op de perceelgrens zal een beukenhaag met bomenrij (houtwal) van gerealiseerd worden met een omvang van 80100 cm en een hoogte van 80-100 cm. Hierdoor zijn de gezondheidsrisico’s laag. Er zijn geen belemmeringen voor de voortgang van het plan. 4.14

VOLKSGEZONDHEID IN RELATIE TOT VEEHOUDERIJEN

Voor toetsing van het aspect volksgezondheid bij initiatieven in relatie tot veehouderijen, wordt de ‘Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: endotoxinetoetsingskader 1.0’ gehanteerd. Door middel van dit toetsingskader wordt getoetst of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het toetsingskader heeft alleen betrekking op pluimvee- en varkenshouderijen. In een straal van een kilometer vanaf de locatie is één pluimveebedrijf

gevestigd (750 m, EERE. Conform de geldende vergunning

voor deze locatie mogen hier 15 legkippen en 36 stuks rundvee worden gehuisvest. Dit is een gering aantal dieren en zal geen belemmering vormen voor de beoogde ontwikkeling. Binnen een straal van een kilometer is geen varkenshouderij gelegen. Het endotoxinetoetsingskader vormt daarmee geen belemmering.

In het kader van het VGO-rapport ‘Veehouderij en gezondheid omwonenden’ is het tevens van belang of in de nabije omgeving van de locatie zich een geitenhouderij bevindt. Uit het rapport komt naar voren dat een verhoogde kans op longontsteking bestaat voor omwonenden in een straal van 2 kilometer rond geitenhouderijen. In de omgeving van de locatie zijn geen geitenhouderijen gelegen.

Toelichting,

43

‘> Geling Advies

4 5 UITVOERBAARHEID Dil

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

Het bestemmingsplan is conform het wettelijk vooroverleg voorgelegd aan Waterschap Rieverenland en de provincie Gelderland. Daarnaast is het initiatief aan de omgeving voorgelegd in de vorm van een omgevingsdialoog. Het verslag van de omgevingsdialoog is bijgevoegd.

5.2.

.|\____ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Op 1 juli 2008 is samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In deze Grexwet is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel dat mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te hebben genomen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Voor de ontwikkeling van dit plan is er sprake van een particulier initiatief. De gemeente Heumen zal in het kader van het bepaalde in de Grexwet daarom alle door de gemeente te maken kosten verhalen op de initiatiefnemer. Dit wordt met de initiatiefnemer kortgesloten middels een anterieure overeenkomst. In deze overeenkomst zijn onder andere de

verplichtingen

van __ initiatiefnemer

planschadeverhaal opgenomen.

met

betrekking

tot

het

De initiatiefnemer is zich ervan bewust dat alle kosten die gemaakt worden in of ten behoeve van de procedure en de uitvoering voor rekening van de initiatiefnemer

komen.

Dit

betreft

onder

meer

de

kosten

voor

de

benodigde onderzoeken, de kosten voor het opstellen van het bestemmingsplan, de legeskosten die voldaan dienen te worden en eventuele planschade indien die door uitvoering van het bestemmingsplan zou optreden.

A

ee

a4

‘> Geling Advies

6 JURIDISCHE VERANTWOORDING 6.1

INLEIDING

Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid. Bovendien draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie. 6:2

TOELICHTING OP DE VERBEELDING

De verbeelding heeft een belangrijke rol bij het bepalen van de gebruiksen bebouwingsmogelijkheden in het plangebied. De verbeelding bestaat uit een planverbeelding, getekend op een digitale kadastrale ondergrond. De enkelbestemming ‘Agrarisch’ is opgenomen, met als de enkelbestemming ‘Wonen’. 6.3

ALGEMENE TOELICHTING OP DE REGELS

De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De opbouw is als volgt: > >

Betekenisafspraken (Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen); De gebruiks- en bouwregels per bestemming (Hoofdstuk

2

Bestemmingen);

>» >»

Algemene regels (Hoofdstuk 3 Aanvullende regels); Overige regels (Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels).

Een bestemmingsartikel kan uit de volgende leden (in deze volgorde) worden opgebouwd:

Toolictng,

45

‘> Geling Advies >» >»

Bestemmingsomschrijving; Bouwregels;

>»

Nadere eisen;

> > >»

Specifieke gebruiksregels; ~—Afwijking van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het aanleggen.

Met betrekking tot dit bestemmingsplan is voor de regels van dit plan aangesloten bij de vigerende bestemmingsplannen voor het plangebied. 6.4

TOELICHTING OP DE BESTEMMINGEN

6.4.1

Agrarisch En groot deel van het bestemmingsvlak behoudt de bestemming ‘Agrarisch’. Binnen het bouwvlak mogen de bouwwerken ten behoeve van het akkerbouwbedrijf en de paardenfokkerij opgericht worden. De gronden buiten het bouwvlak mogen benut worden voor akkerbouw en het beweiden van de paarden.

6.4.2

Wonen

De bestemming wonen is toegevoegd, waarmee de realisatie van de nieuwe woning mogelijk gemaakt wordt. De woning mag alleen binnen het aangeduide planvlak worden opgenomen. 6.4.3

Verkeer

De toegangsweg naar zowel de woonlocatie krijgt de bestemming verkeer.

6.4.4

als de nieuwe

Waarde — Archeologische verwachting 2 Het plangebied is in het vigerende bestemmingsplan voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologische verwachting 2’ ter bescherming van eventuele archeologische waarden in de bodem. Deze dubbelbestemming is overgenomen in dit bestemmingsplan.

Toolictng,

46

‘> Geling Advies

b

CONCLUSIE

Het voorliggende initiatief — het beéindigen van de nertsenhouderij en dit omzetten naar een akkerbouwbedrijf en paardenfokkerij, waarbij er een nieuwe burgerwoning wordt opgericht — kan vanuit integraal planologisch perspectief en in overeenstemming met de planbeschrijving ondersteund

worden.

Overwogen is dat: >»

het project in landschappelijk en stedenbouwkundig opzicht in het aangegeven gebied aanvaardbaar is;

> het >»

project

past

binnen

de

vigerende _ planologische

(beleids)uitgangspunten en -doelstellingen; het project vanuit planologisch perspectief geen onaanvaardbare negatieve gevolgen voor de in de omgeving aanwezige waarden en belangen heeft.

Geconcludeerd kan worden dat er voldoende argumenten aanwezig zijn om medewerking te verlenen aan voorliggend initiatief.

Toolictng,

a

Legenda toegepaste uitzonderingsgrondslagen In dit document zijn gedeeltes geanonimiseerd op grond van artikel 5 van de Wet open overheid: Art. 5.1 lid 2 onderdeel e

De eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, tenzij de betrokken persoon instemt met openbaarmaking Pagina('s):

12345689 10 1213 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37

38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13944339/1