Bijlage II Bestemmingsplan Zonnepark Teerse Sluispolder Bijlagen – versie 26 oktober
Tekst van het document
Omdat de realisatiefase niet meer hoeft worden meegenomen is een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied is uitgesloten. Volledige zekerheid omtrent het aspect stikstof is echter alleen verkrijgbaar middels een berekening in AERIUS Calculator
dinsdag 10 augustus 2021
Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. De provincie Gelderland beschermt de bestaande natuur in het Gelders natuurnetwerk (GNN) en versterkt de samenhang door natuurgebieden in het Gelders natuurnetwerk uit te breiden en verbindingszones aan te leggen in de Groene ontwikkelingszone (GO). Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Het plangebied is gelegen aangrenzend aan het GNN, en deels binnen de GO (zie figuur 10). Het betreft de meest noordwestelijke strook van het plangebied. Met betrekking tot het GNN zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN niet worden aangetast. Met betrekking tot het GO betreft dit deel van het plangebied momenteel bemest grasland zonder enige biodiversiteit. In de toekomstige situatie wordt dit ingericht als kruidenrijk grasland. Het terrein zal daarnaast toegankelijk blijven voor wild. Hierdoor neemt de
Figuur 10: Ligging GNN (donkergroen) en GO (lichtgroen) ten opzichte van plangebied
biodiversiteit en natuurwaarde van het terrein enkel toe. Vervolgonderzoek in het kader van het GNN/GO wordt niet noodzakelijk geacht.
6
3 Toetsing gebiedsbescherming Quickscan flora en fauna ´Zonnepark Westerkanaaldijk´ te Heumen
Toetsing beschermde houtopstanden De bescherming van houtopstanden, conform de Wet natuurbescherming, heeft betrekking op alle zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers of struiken van een oppervlakte van minimaal tien are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gelegen buiten de bebouwde kom. Wanneer houtopstanden worden geveld, niet vallende onder artikel 4.1 van de Wet natuurbescherming, geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten van desbetreffende provincie (artikel 4.2 Wnb). Indien er geen bezwaar is om de houtopstanden te kappen, verplicht artikel 4.2 van de Wet natuurbescherming om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand op dezelfde grond houtopstanden opnieuw aan te planten. Er geldt een algehele vrijstelling van de herplantplicht voor houtopstanden die gekapt worden in het kader van natuurbeheer en natuurbehoud. Aangezien er geen (onderdelen van) houtopstanden verloren gaan is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde.
dinsdag 10 augustus 2021
7
4 Toetsing soortenbescherming Quickscan flora en fauna ´Zonnepark Westerkanaaldijk´ te Heumen
4
Toetsing soortenbescherming
De Wet natuurbescherming heeft, voor wat betreft soortenbescherming, betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. De beschermde soorten zijn ingedeeld in drie categorieën:
Vogels (artikel 3.1 Wet natuurbescherming) Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wnb) Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wnb)
Beschermde soorten vanuit nationaal oogpunt betreffen soorten uit ‘bijlage A en B’ van de Wet natuurbescherming. Beschermde soorten vanuit Europees oogpunt betreffen soorten uit Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, de soorten uit Bijlage 1 en 2 Verdrag van Bern, en Bijlage 1 Verdrag van Bonn, en alle in Europa inheemse vogels (Vogelrichtlijn). De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen verbodsbepalingen. De verbodsbepalingen voor vogels en overige Europese soorten (categorie 1 en 2) zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten (categorie 3) gelden verbodsbepalingen die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige opzichten minder streng zijn. In tabel 1 zijn de verbodsbepalingen per regime weergegeven. De Wet natuurbescherming regelt dat de provincie bevoegd gezag is en de lijst met te beschermen soorten kan afstemmen op de situatie in de provincie. De soortbescherming kan hierdoor per provincie verschillen. In het algemeen gelden voor alle drie de categorieën de zogenoemde verbodsregels. Een ontheffing hierop wordt voor de Nationaal beschermde
dinsdag 10 augustus 2021
soorten (art. 3.10 Wnb) met een lichte toets verleend. Voor de vogels en Europees beschermde soorten geldt een zware toetsing. Het verschil binnen provincies zit vooral in het aantal nationaal beschermde soorten met een vrijstelling bij onder meer ruimtelijke ontwikkelingen. Zo zijn, in tegenstelling tot een aantal andere provincies, de kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing) binnen de provincie Gelderland niet vrijgesteld.
Tabel 1
Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.11 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de
Verbodsbepalingen per categorie beschermde soorten
Vogels (artikel 3.1 Wnb)
Europees beschermde soorten (artikel 3.5 Wnb)
Nationaal beschermde soorten (artikel 3.10 Wnb)
Art 3.1 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.5 lid 1 Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.10 lid 1a Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen
Art 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen
Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen
Art 3.1 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben
Art. 3.5 lid 3 Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen
-
Art 3.1 lid 4 en lid 5 Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort
Art 3.5 lid 2 Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren
-
-
Art 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
8
4 Toetsing soortenbescherming Quickscan flora en fauna ´Zonnepark Westerkanaaldijk´ te Heumen
jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Komen soorten van de hierboven genoemde beschermingsregimes voor, dan is de eerste vraag of de voorgenomen activiteit effecten heeft op de beschermde soorten. Treden er effecten op, dan dient er gekeken te worden of er (provinciale) vrijstelling verleend kan worden (al dan niet door te werken volgens een goedgekeurde gedragscode), of dat er een alternatieve oplossing mogelijk is waardoor er geen negatief effect kan plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, zal ontheffing aangevraagd moeten worden op basis van een geldig wettelijk belang, waarbij de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten niet in het geding komt. De ontheffing kan dan onder voorwaarden worden verleend. Vogels Op de ‘Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten’ van het Ministerie van LNV (augustus 2009) wordt onderscheid gemaakt in verschillende categorieën vogelnesten. Van de meeste vogelsoorten zijn de nesten uitsluitend beschermd wanneer deze tijdens de broed- en nestperiode in gebruik zijn. Het gaat om soorten die jaarlijks nieuwe nesten maken.
Van een aantal soorten roofvogels en uilen, koloniebroeders en gebouw bewonende vogelsoorten (‘categorie 14 soorten’) zijn de nesten en de functionele leefomgeving jaarrond beschermend. Ten slotte is er een categorie nesten van vogelsoorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed, maar die over voldoende flexibiliteit beschikken om, als die broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen (‘categorie 5-soorten’).
dinsdag 10 augustus 2021
Op het terrein is geen bebouwing aanwezig. Hierdoor kunnen broedlocaties van soorten als kerkuil, huismus en gierzwaluw worden uitgesloten. In de opgaande beplanting binnen en rond het plangebied zijn tevens geen jaarrond beschermde nesten van vogels als buizerd, sperwer en ransuil. Wel kunnen in het opgaand groen binnen en rond het plangebied mogelijk “algemene” soorten als merel, roodborst, heggenmus, zwartkop, winterkoning en houtduif tot broeden komen. Op de akkers kan incidenteel een kievit of graspieper tot broeden komen. De akkers en graslanden zijn zeer beperkt essentieel leefgebied voor soorten met jaarrond beschermd nest. De akkers zijn momenteel grootschalig en soortenarm, waardoor dit voor een soort als steenuil of kerkuil suboptimaal leefgebied is. In de nieuwe situatie ontstaat meer hoogwaardig leefgebied voor deze soorten, waardoor de hoeveelheid geschikt leefgebied enkel toeneemt. Toetsing Bij uitvoering van de plannen gaan geen nestlocaties van soorten met een jaarrond beschermde status verloren. Bij de werkzaamheden kunnen wel nesten verloren gaan die niet jaarrond zijn beschermd. Voor de betreffende vogelsoorten geldt dat, indien het bouwrijp maken van het plangebied buiten het broedseizoen wordt uitgevoerd, er redelijkerwijs geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot broedvogels.
In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Bij twijfel over de aan/afwezigheid van een vervroegd of verlaat broedgeval (bijvoorbeeld van een houtduif) dient een controle hieromtrent zekerheid te bieden. De voorgenomen plannen zullen geen afname van essentieel broedhabitat veroorzaken van een vogelsoort, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties is dan ook uitgesloten.
Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de Zoogdiervereniging is het plangebied gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, franjestaart, tweekleurige vleermuis, meervleermuis en watervleermuis. Het plangebied bevat geen potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen, gezien het ontbreken van bebouwing of opgaand groen met geschikte verblijven. De lijnvormige elementen langs de randen van het plangebied kunnen dienen als foerageergebied en vliegroutes. Toetsing Het plangebied bevat geen potentiële verblijfplaatsen. Verlichting gericht en uitschijnend op opgaand groen en het open water dient te worden vermeden. Bij uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling zal er geen sprake zijn van (potentiële) overtreding met betrekking tot vaste rust- of verblijfplaatsen. Wel kunnen de lijnvormige elementen, zoals bomenrijen en sloten, langs de randen van het plangebied dienen als foerageergebied en vliegroutes voor vleermuizen. Licht schijnend of uitstralend op deze elementen dient te worden vermeden, om overtredingen te voorkomen. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied vormt matig geschikt habitat voor grondgebonden zoogdieren. Soorten als haas, vos en veldmuis kunnen in het plangebied worden waargenomen.
Door de aanwezigheid van voldoende alternatief foerageergebied betreft de ontwikkeling geen afname van essentieel foerageergebied voor deze soorten. Daarbij geldt voor al deze soorten een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om tijdens de
9
4 Toetsing soortenbescherming Quickscan flora en fauna ´Zonnepark Westerkanaaldijk´ te Heumen
werkzaamheden voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Dieren moeten de gelegenheid krijgen om het werkgebied zelfstandig en veilig te kunnen verlaten. Indien noodzakelijk dienen soorten zorgvuldig te worden verplaatst naar buiten het werkgebied. Volgens de verspreidingsgegevens komen in de omgeving van het plangebied ook de niet vrijgestelde soorten wezel, hermelijn, bunzing, steenmarter, boommarter, eekhoorn, bever en das voor. Gezien het kale karakter van het plangebied en het intensief gebruik als akker- en grasland betreft het hier geen geschikt leefgebied voor wezel, hermelijn, bunzing, steenmarter en boommarter. In de omgeving is veelvuldig geschikt leefgebied aanwezig en het is niet uitgesloten dat deze soorten incidenteel binnen het plangebied voorkomen. Verblijfplaatsen zijn echter niet aanwezig. Binnen het plangebied zijn tevens geen nesten of sporen van de eekhoorn aangetroffen. Voor bever is geen geschikt habitat aanwezig.
De aanwezigheid van andere strenger beschermde grondgebonden zoogdiersoorten zijn op basis van de verspreidingsgegevens en/of het ontbreken van geschikt habitat eveneens redelijkerwijs uitgesloten. Toetsing Er dienen maatregelen te worden genomen om het verstoring op de dassen en de dassenburcht zo beperkt mogelijk te houden. De werkwijze van activiteiten die binnen een straal van 100 meter van de burcht plaatvinden zullen moeten worden aangepast op de volgende punten; Betreding tot een minimum beperken.
-
-
-
Geen werkzaamheden laten plaatsvinden tussen zonsondergang en zonsopkomst. Voor zonsondergang, maar niet later dan 19.00 uur, de menselijke activiteiten af te ronden zodat wissels weer toegankelijk zijn, afval is opgeruimd en gebruikte machines en voertuigen uit het gebied zijn verwijderd. Werkzaamheden die in de directe omgeving van de burcht plaatsvinden, zo kort mogelijk te laten duren en uitvoeren met zo min mogelijk licht, geluid en trillingen. Geen (extra) werkverlichting plaatsen.
Van de das zijn in de NDFF waarnemingen bekend uit het halfopen gebied ten noorden van het plangebied. Binnen het plangebied is een burcht aangetroffen in een klein bosje, met circa 10 pijpen (figuur 9 en 11). De burcht lijkt in gebruik te zijn vanwege de aanwezigheid van kaal en vergraafbaar zand. Daarnaast is nog een vluchtpijp/bijburcht aangetroffen in de slootkant langs de dijk. Hier zijn geen verse sporen aangetroffen. Tijdens het veldbezoek zijn enkele waarnemingen gedaan van de das, zoals dassenputjes in het bemeste grasland en (niet sterk uitgesleten) wissels. Er is circa 23 hectare bemest grasland aanwezig, en circa 10 hectare mais en aardappelen.
Figuur 11: Functionaliteit voor de das binnen en rond plangebied
dinsdag 10 augustus 2021
10
4 Toetsing soortenbescherming Quickscan flora en fauna ´Zonnepark Westerkanaaldijk´ te Heumen
Het foerageergebied van de das binnen het plangebied blijft redelijkerwijs behouden. Doordat de graslanden niet meer bemest worden kan worden aangenomen dat het voedselaanbod hierbinnen vermindert. De mais- en aardappelakkers worden echter ook kruidenrijk grasland. Daarnaast wordt een deel van het plangebied ingericht ten behoeve van de das (figuur 3). Hierdoor is aannemelijk dat ruim voldoende foerageergebied aanwezig blijft. Voor de das is het tevens belangrijk dat er een goede connectiviteit tussen het plangebied en het gebied ten noordwesten van het plangebied aanwezig is. Mede door het plaatsen van een faunavriendelijk hekwerk kan deze connectiviteit behouden blijven. Er gaat geen (essentieel) leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten en overtreding van de Wnb is niet aan de orde. In het kader van de zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen. Reptielen Volgens verspreidingsgegevens van RAVON zijn in de omgeving van het plangebied waarnemingen bekend van de levendbarende hagedis, zandhagedis, hazelworm en gladde slang. De waarnemingen hebben betrekking op de natuurgebieden in de omgeving. Het plangebied zelf en de directe omgeving biedt geen geschikt habitat voor deze soorten.
Het voorkomen ervan binnen het plangebied is daarmee dan ook uitgesloten. Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van reptielen zijn op voorhand uitgesloten.
Amfibieën In de omgeving van het plangebied zijn algemene soorten bekend als bruine kikker, gewone pad, bastaardkikker en kleine watersalamander. Volgens de verspreidingsgegevens zijn in de omgeving van het plangebied ook waarnemingen van de niet vrijgestelde rugstreeppad, knoflookpad, poelkikker, heikikker, boomkikker, Alpenwatersalamander en kamsalamander bekend. Het plangebied bevat echter geen oppervlaktewater of schuilgelegenheid, waardoor de aanwezigheid van de meeste van deze soorten binnen het plangebied redelijkerwijs is uitgesloten. Met betrekking tot een incidenteel passerend individu van een algemene (vrijgestelde) soort is enkel de zorgplicht van toepassing. Toetsing De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel habitat van een amfibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van populaties en overtreding van de Wnb is dan ook uitgesloten. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende individuen.
sleedoornpage, iepenpage, bruine eikenpage, grote vos, beekrombout, gevlekte witsnuitlibel en sierlijke witsnuitlibel. Al deze soorten stellen echter zeer specifieke eisen aan hun habitat, die in het plangebied niet aanwezig zijn. Aanwezigheid van de overige beschermde libellen en vlinders is vanwege de verspreiding en/of aanwezig habitat uitgesloten. Aantasting van (deel)populaties van een beschermde libellen- of vlindersoort is met zekerheid niet aan de orde. De aanwezigheid van de overige beschermde ongewervelde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft en platte schijfhoren, is eveneens uitgesloten. Binnen het plangebied en in de omgeving is hiervoor geen geschikt habitat aanwezig. Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde ongewervelde soorten zijn op voorhand uitgesloten. Vaatplanten
Vanwege het ontbreken van oppervlaktewater binnen het plangebied kan deze soortgroep buiten beschouwing worden gelaten.
In de directe omgeving van het plangebied zijn beschermde soorten bekend als akkerogentroost, dreps, groot spiegelklokje, kartuizer anjer, korensla, ruw parelzaad en schubvaren. Deze soorten stellen echter zeer specifieke eisen aan hun standplaatsen. Gezien het aanwezige biotoop en intensief gebruik van het plangebied is de aanwezigheid van dergelijk beschermde vaatplanten redelijkerwijs uitgesloten.
Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vissen zijn op voorhand uitgesloten.
Toetsing Negatieve effecten en overtredingen ten aanzien van beschermde vaatplanten zijn op voorhand uitgesloten.
Vissen
Ongewervelde diersoorten In de ruime omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van kleine ijsvogelvlinder, grote weerschijnvlinder,
dinsdag 10 augustus 2021
11
5 Conclusie Quickscan flora en fauna ´Zonnepark Westerkanaaldijk´ te Heumen
5
Conclusie
Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen:
Ten aanzien van de das dienen maatregelen te worden genomen met betrekking tot verstoring van de dasburcht en dassenleefgebied. Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op opgaand groen en open water te worden vermeden; Ten aanzien van broedvogels dient, om overtreding op voorhand redelijkerwijs te voorkomen, het verwijderen van nestgelegenheid buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd, of een controle moet de aanwezigheid van een broedgeval kunnen uitsluiten; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.
dinsdag 10 augustus 2021
12
6 Samenvatting Quickscan flora en fauna ´Zonnepark Westerkanaaldijk´ te Heumen
6
Samenvatting
Tabel 2
In onderstaande tabel is samengevat of de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kan hebben op beschermde soorten en/of gebieden, en wat de eventuele vervolgstappen zijn, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is tevens weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.
Tabel 3
Overzicht effecten met betrekking tot gebiedsbescherming en te nemen vervolgstappen
Gebiedsbescherming
Afstand tot gebied
Sprake van aantasting
Vervolgtraject
Bijzonderheden / opmerkingen
Natura 2000
Ca. 6,8 km
Nee
-
Geen externe verstorende factoren
Natuurnetwerk Nederland
Tegen plangebied
Nee
-
Ecologische waarde en kenmerken blijven gelijk
Houtopstanden
-
Nee
-
Niet van toepassing
Overzicht (potentiële) aanwezigheid beschermde soorten en te nemen vervolgstappen
Soortgroep
Potentieel aanwezig
Sprake van overtreding
Vervolgtraject / maatregelen
Bijzonderheden / opmerkingen
Algemeen
Ja
Te voorkomen
Plangebied buiten broedseizoen bouwrijp maken of controle vooraf
Globale broedseizoen loopt van maart tot half augustus
Jaarrond beschermd
Nee
Nee
-
-
Verblijfplaatsen
Nee
Nee
-
-
Foerageerhabitat
Ja
Te voorkomen
Vliegroutes
Ja
Te voorkomen
Licht gericht en uitschijnend op opgaand groen en open water vermijden
Verlichting kan een negatief effect hebben op foerageer- en vliegroutefuncties
Grondgebonden zoogdieren
Ja
Te voorkomen
Maatregelen ten behoeve van dassenburcht en dassenleefgebied
Met inachtname van de maatregelen kunnen overtredingen worden voorkomen
Reptielen
Nee
Nee
-
-
Amfibieën
Ja
Te voorkomen
Zorgplicht afdoende
Heeft betrekking op een soort als de gewone pad
Vissen
Nee
Nee
-
-
Ongewervelden
Nee
Nee
-
-
Vaatplanten
Nee
Nee
-
-
Broedvogels
Vleermuizen
dinsdag 10 augustus 2021
13
6 Samenvatting Quickscan flora en fauna ´Zonnepark Westerkanaaldijk´ te Heumen
Geraadpleegde bronnen Algemene Literatuur Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (red.) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, Leiden / European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Dietz C., O. von Helversen & D. Nill 2011. Vleermuizen. Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. De Fontein/Tirion Uitgevers, Utrecht. Limpens, H., J. Regelink & R. Koelman 2010. Vleermuizen en planologie. Zoogdiervereniging, Nijmegen. Ministerie van Economische Zaken 2016. Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen. Lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3, december 2016. Ministerie van Economische Zaken, Den Haag. SOVON Vogelonderzoek Nederland 2002. Atlas van de Nederlandse broedvogels 1998-2000. Nederlandse fauna 5. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey-Nederland, Leiden.
Zoogdiervereniging.nl (soortgegevens zoogdieren)
Provinciale bronnen Gelderland.nl/Kaartenencijfers (NNN en natuurbeheerplan Gelderland)
Algemene websites Bij12.nl (kennisdocumenten van o.a. huismus, gierzwaluw en diverse vleermuissoorten) Eis-nederland.nl (soortgegevens ongewervelden) Floron.nl (soortgegevens planten) Ravon.nl (soortgegevens amfibieën, reptielen en vissen) Sovon.nl (soortgegevens vogels) Synbiosys.alterra.nl/natura2000 (Natura 2000-gebieden) Verspreidingsatlas.nl/planten (verspreidingsgegevens planten) Vlinderstichting.nl (soortgegevens vlinders en libellen) Wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2019-01-01 (wettekst Wet natuurbescherming)
dinsdag 10 augustus 2021
14
6 Samenvatting Quickscan flora en fauna ´Zonnepark Westerkanaaldijk´ te Heumen
Hoofdvestiging Boxtel Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 Vestiging Amsterdam Rhijnspoorplein 38 1018 TX Amsterdam T +31 (0)20 506 19 99 Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen
www.bro.nl | info@bro.nl
dinsdag 10 augustus 2021
T +31 (0)77 373 06 01
15
Bijlage 4 Aanvullende notitie Flora en Fauna
Bestemmingsplan "Buitengebied, Zonnepark Teersche Sluispolder" (ontwerp)
51
notitie
projectnaam Zonnepark Westerkanaaldijk datum 10 maart 2023 projectnummer P04704 opdrachtgever Groenleven
BRO projectleider
Inleiding
is er geen goed ontwikkelde oeverbeplanting aanwezig. Figuur 1 geeft
De initiatiefnemer is voornemens een zonnepark ten noorden van Heu-
een luchtfoto van de ligging de sloot
men te realiseren. In augustus 2021 is er reeds een quickscan flora en fauna uitgevoerd door BRO voor deze ontwikkeling (Quickscan flora en
Toekomstige situatie
fauna ´Zonnepark Westerkanaaldijk´ te Heumen, 10 augustus 2021).
Binnen het plangebied wordt een zonnepark gerealiseerd van circa 22
Ten opzicht van augustus 2021 zijn de plangrenzen echter gewijzigd,
hectaren. De overige 14 hectare worden ingezet als natuurcompensatie
waarbij de sloot ten oosten van de Burchtselaan is toegevoegd aan het
en bieden ruimte voor de landschappelijke inpassing. Het noordoosten
plangebied. Om deze sloot op natuurwaarden te beoordelen is een extra
zal gebruikt worden voor de compensatie van dassenleefgebied. De wa-
veldbezoek uitgevoerd. In deze notitie worden de resultaten van dit veld-
tergang op zuidwestgrens van het plangebied krijgt een faunavriende-
bezoek beschreven.
lijke oever. Hierbij zullen de oevers een flauwer talud krijgen, zodat er een robuuste oevervegetatie kan ontwikkelen (figuur 3).
MvdS
Werkwijze
projectteam
Om een beeld te krijgen van de natuurwaarden is op 15 februari 2023
MvdS, RdM, NLu, RBo
Toetsing gebiedsbescherming
tussen 12.00 – 14.00 uur door een ecoloog van BRO een verkennend
Het plangebied is niet gelegen binnen Natura 2000. Wel betreft de sloot
veldbezoek gebracht aan het plangebied en de directe omgeving hier-
GNN. In de huidige situatie is de slootrand stijl afgestoken, en is er geen
van. Het was circa 11°C, licht bewolkt, zonder neerslag en een zuider-
mogelijkheid voor de ontwikkeling van een goede oeverbeplanting. Met
wind van 2 Bft. Tijdens het veldbezoek is gelet op de potentiële aanwe-
de voorgenomen plannen zal er een oever met een minder stijl talud
zigheid van beschermde soorten op basis van het aanwezige habitat en
worden aangelegd, en krijgt oeverbeplanting de kans om zich te ontwik-
nest-/verblijfsmogelijkheden. Daarnaast is aan de hand van versprei-
kelen. Hierdoor neemt de biodiversiteit en natuurwaarde van het terrein
dingsatlassen, soortgerichte literatuur, NDFF-gegevens en op basis van
enkel toe. Vervolgonderzoek in het kader van het GNN/GO wordt niet
‘expert judgement’ nagegaan welke beschermde planten- en diersoorten
noodzakelijk geacht.
er voor kunnen komen binnen en nabij het plangebied en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Gelderland geraad-
Aangezien er geen (onderdelen van) houtopstanden verloren gaan is
pleegd. Aan de hand van het verkennende onderzoek is vervolgens be-
toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbe-
oordeeld welke beschermde soorten daadwerkelijk voor (kunnen) ko-
scherming bij dit plan niet aan de orde.
men binnen het plangebied en is er vervolgens een inschatting gemaakt
Bosscheweg 107
van de effecten van de ruimtelijke ontwikkeling op beschermde natuur-
5282 WV Boxtel +31 (0)411 850 400
waarden.
info@bro.nl www.bro.nl
Planbeschrijving Huidige situatie De sloot ligt aan de rand van enkele agrarische percelen. De oeverranden zijn zeer stijl afgestoken en worden periodiek geschoond. Hierdoor
1/5
Figuur 1: Luchtfoto van de sloot binnen het plangebied (rood omlijnd)
Figuur 2: Ligging GNN (groen) ten opzichte van sloot plangebied
Figuur 3: Toekomstige situatie plangebied
Figuur 4: Overzicht sloot vanuit zuidwestelijke hoek
Figuur 5: Overzicht sloot vanuit noordoostelijke hoek
Figuur 6: Oever gelegen aan het plangebied
Zonnepark Westerkanaaldijk
2/5
Toetsing soortenbescherming
Volgens de verspreidingsgegevens komen in de omgeving van het plan-
penwatersalamander kan hier redelijkerwijs worden uitgesloten. Met be-
Vleermuizen
gebied ook de niet vrijgestelde soorten wezel, bunzing, bever, das en
trekking tot een incidenteel passerend individu van een algemene (vrij-
Binnen het plangebied zijn geen bomen of gebouwen aanwezig, waar-
eekhoorn voor. Gezien de ligging in agrarisch gebied, de beperkte om-
gestelde) soort is enkel de zorgplicht van toepassing.
door overtredingen met betrekking tot een verblijfplaats van een vleer-
vang van opgaand groen binnen het plangebied en het relatief kale ter-
muissoort kan worden uitgesloten. Wel kan de sloot mogelijk dienen als
rein, betreft het hier geen essentieel habitat voor de betreffende kleine
Toetsing
vliegroute en/of foerageergebied voor een of meerdere vleermuissoor-
marterachtigen. Er zijn geen holen of nesten in de grond aangetroffen
De voorgenomen plannen zullen geen afname van geschikt essentieel
ten.
die zouden kunnen dienen als schuil- of nestplaats voor deze soorten.
habitat van een amfibieënsoort veroorzaken, inbreuk op de gunstige
Volgens waarnemingen binnen de NDFF zijn er 35 waarnemingen van
staat van instandhouding van populaties en overtreding van de Wnb is
Toetsing
de bever binnen een straal van 200 meter rondom het plangebied. Bin-
dan ook uitgesloten. In het kader van de algemene zorgplicht is het wel
Binnen het plangebied zijn geen gebouwen en/of bomen met holtes die
nen het plangebied zelf zijn er geen directe waarnemingen van de bever
noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor eventueel passerende
geschikte doorgangen naar potentiële verblijfplaatsen bevatten. Bij uit-
vernomen. Tijdens het veldbezoek zijn er geen in en/of uitglijsporen,
individuen.
voering van de voorgenomen ontwikkeling zal er geen sprake zijn van
burchten of andere sporen van de bever aangetroffen. Van de das is de
(potentiële) overtreding met betrekking tot vaste rust- of verblijfplaatsen.
aanwezigheid reeds bekend, en hiertoe worden maatregelen genomen.
Vissen
Wel kan de sloot mogelijk dienen als vliegroute en/of foerageergebied
De aanwezigheid van de eekhoorn en andere strenger beschermde
Rondom het plangebied zijn waarnemingen bekend van de beschermde
voor een of meerdere vleermuissoorten. Licht schijnend of uitstralend op
grondgebonden zoogdiersoorten zijn op basis van de verspreidingsge-
soort de grote modderkruiper. Echter hebben deze waarnemingen geen
deze sloot dient, zowel tijdens de werkzaamheden als binnen de toe-
gevens en/of het ontbreken van geschikt habitat eveneens redelijkerwijs
betrekking op de desbetreffende sloot binnen het plangebied en staat
komstige situatie te worden vermeden
uitgesloten.
deze sloot ook niet in verbinding meten een waterlichaam waar wel waarnemingen van de grote modderkruiper bekend zijn. De grote mod-
Grondgebonden zoogdieren
Toetsing
derkruiper prefereert ondiepe wateren met een dikke modderlaag en
Soorten als egel en huisspitsmuis kunnen in het plangebied worden
Met de ontwikkeling binnen het plangebied gaan geen verblijfplaatsen
een uitbundige waterplantengroei. Aangezien er in de sloot geen ruige
waargenomen. Door de aanwezigheid van voldoende alternatief foera-
van niet-vrijgestelde soorten verloren. Ook gaat er geen (essentieel)
begroeiing aanwezig is maar voornamelijk algengroei, is de sloot niet
geergebied betreft de ontwikkeling geen afname van essentieel foera-
leefgebied van een grondgebonden zoogdiersoort verloren. Inbreuk op
geschikt als leefgebied voor de grote modderkuiper. Zowel op basis van
geergebied voor deze soorten. Daarbij geldt voor al deze soorten een
de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties van soorten
verspreiding als het ontbreken van geschikt leefgebied binnen het plan-
provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. In het kader van de
en overtreding van de Wnb is niet aan de orde. In het kader van de
gebied.
zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om tijdens de werkzaamheden
zorgplicht is het echter wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen
voldoende zorg te dragen voor (incidenteel) aanwezige individuen, met
voor (incidenteel) aanwezige individuen.
Toetsing Het aanwezig oppervlaktewater binnen het plangebied, biedt geen ge-
name een relatief trage soort als de egel die onder dichte beplanting verscholen kan zitten. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke ge-
Amfibieën
schikt habitat voor beschermde vissoorten. In de directe omgeving van
daan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen. Die-
In de omgeving van het plangebied zijn algemene soorten bekend als
het plangebied zijn tevens geen waarnemingen bekend van be-
ren moeten de gelegenheid krijgen om het werkgebied zelfstandig en
bruine kikker, gewone pad, bastaardkikker en kleine watersalamander.
schermde vissoorten. Wel kunnen in de aanwezige sloten algemene
veilig te kunnen verlaten. Indien noodzakelijk dienen soorten zorgvuldig
Volgens de verspreidingsgegevens zijn in de omgeving van het plange-
soorten zoals stekelbaars, blankvoorn, zeelt, snoek en baars voorko-
te worden verplaatst naar buiten het werkgebied.
bied ook waarnemingen van de niet vrijgestelde Alpenwatersalamander
men.
bekend. Ook is het water erg voedselrijk. De aanwezigheid van de Al-
Zonnepark Westerkanaaldijk
3/5
Voor deze soorten dienen zorgplichtmaatregelen genomen te worden. Te denken valt aan het zoveel mogelijk overdag uitvoeren van de werkzaamheden. Bij werkzaamheden met harde geluiden en/of trillingen moeten voorafgaand aan de werkzaamheden afgezwakte waarschuwingsgeluiden worden afgegeven om fauna in de gelegenheid te stellen tijdig weg te komen. Vlak voorafgaand aan de werkzaamheden dient roering in het water gecreëerd te worden zodat vissen vroegtijdig het werkgebied kunnen verlaten. Overige soortgroepen Met betrekking tot reptielen, ongewervelden en vaatplanten kunnen overtredingen op voorhand worden uitgesloten, zowel op basis van verspreiding als het ontbreken van geschikt leefgebied binnen het plangebied.
Zonnepark Westerkanaaldijk
4/5
Conclusie Gelet op de potentiële ecologische waarden kan het voorgenomen plan alleen in overeenstemming met de nationale natuurwetgeving en het provinciale natuurbeleid worden uitgevoerd, mits voorafgaand en tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht wordt genomen:
Ten aanzien van vleermuizen dient licht gericht of uitstralend op de sloot te worden vermeden; In het kader van de algemene zorgplicht is het noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor aanwezige individuen. Dit houdt in dat al het redelijkerwijs mogelijke gedaan dient te worden om het doden van individuen te voorkomen.
Zonnepark Westerkanaaldijk
5/5
Bijlage 5 Advies beheer en inrichting zonneparken t.b.v. das
Bestemmingsplan "Buitengebied, Zonnepark Teersche Sluispolder" (ontwerp)
57
advies
advies
Zonnenparken en maatregelen ten behoeve van de das projectnaam Zonnenparken en maatregelen ten behoeve van de das datum 7 december 2021 opdrachtgever GroenLeven projectnummer P04704 opgesteld door MvdS i.a.a. RdM
BRO Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl www.bro.nl
Inleiding Het aantal zonneparken binnen Nederland is in recente jaren explosief aan het groeien. De locaties waar ze worden gerealiseerd zijn gevarieerd, en verspreid over het hele land. Soms wordt een zonnepark gerealiseerd op gronden welke functioneel zijn voor de das. In dit document wordt uitgelicht hoe om te gaan met de aanwezigheid van dassen binnen en rond het plangebied, en hoe de inrichting en het beheer aangepast kan worden om de das binnen het zonnepark te faciliteren. Deze maatregelen worden toegelicht middels een casus.
Achtergrondinformatie Burchten en verbindingen Dassen slapen overdag in hun burcht. Er worden doorgaans drie typen burchten onderscheiden, namelijk de hoofdburcht, bijburcht en vluchtpijp. De hoofdburcht is relatief groot, met meerdere pijpen en een variatie aan ondergrondse kamers. Deze is vrijwel het hele jaar in gebruik. Doorgaans worden hier de jongen geboren. Bijburchten zijn kleinere burchten met een of enkele pijpen, welke als vluchtplek gebruikt kan worden, of seizoensgebonden gebruik kent. Vluchtpijpen zijn enkele pijpen met incidenteel gebruik. Zij bakenen ook het territorium af. Het verschil tussen de drie typen burchten is vaag en de functie van een burcht kan binnen en tussen seizoenen snel veranderen. De locatie van een burcht is sterk afhankelijk van een aantal zaken. Aanwezigheid van bos is veruit de sterkste factor voor de aanwezigheid van een dassenburcht (Piza-Roca, Carme, et al. 2018). Ook is gebleken dat bij de aanwezigheid van een hoge grondwaterstand en rivierklei de aanwezigheid van een dassenburcht het laagst is. Hierdoor liggen burchten vaak op hogere, droge delen. Het goed functioneren van een burcht is daarnaast afhankelijk van voldoende rust en dek-
king, een voldoende en gevarieerd voedselaanbod op bereikbare afstand, lijnvormige elementen als oriëntatie en schuilplek, en uitwisselingsmogelijkheden naar nabijgelegen dassenpopulaties. Dassen verplaatsen zich over vaste paden, wissels genoemd, welke ze generaties lang kunnen gebruiken. De wissels lopen vaak langs perceelsranden of landschapselementen als sloten of bosschages. Net als de burchten zijn deze verbindingen verstoringsgevoelig. Rustige en veilige verbindingen tussen burcht en foerageergebied, en tussen verschillende populaties, zijn belangrijk voor het goed functioneren van het leefgebied. Leefgebied wordt doorgaans ontsnipperd door de aanleg van faunapassages met bijbehorende geleiding. Dit zorgt tevens voor minder verkeerslachtoffers. Bij korte verbindingen heeft de das voldoende aan een buis van 30 centimeter in diameter. Langere afstanden vereisen een grotere verbinding. Wanneer verbindingen worden aangelegd op of bij reeds aanwezige wissels is de kans op snelle ingebruikname het grootst. De geleiding werkt de dieren waar mogelijk naar de openingen toe. Foerageergebied De das is een opportunistische alleseter. Regenwormen vormen het grootste deel van het voedsel. Hiernaast worden veel vruchten van bomen en struiken, granen (mais), paddenstoelen, kleine zoogdieren en insecten en hun larven gegeten.
Het belangrijkste habitat voor de das is daar waar jaarrond veel eetbare biomassa te vinden is. Dit wordt primair foerageergebied genoemd en bestaat uit oude en structuurrijke bossen, en vochtig (bemest) grasland. Bemest grasland is met name geschikt bij intensief begraasde weilanden met kort gras (idealiter maximaal 5 cm). Met name bij oude graslanden is de hoeveelheid regenwormen hoog. Na akkerfunctie en grondbewerking duurt het lang voordat de hoeveelheid
1
advies Zonnenparken en maatregelen ten behoeve van de das
regenwormen weer hoog is (van Eekeren, Heeres en Smeding 2003). Foerageergebied waar voedsel in lagere dichtheden te vinden is, of maar in bepaalde delen van het jaar, is secundair foerageergebied. Hieronder vallen akkers en ruigten. Uit recent onderzoek blijkt dat grasland en mais geen invloedrijke elementen zijn voor de das (Piza-Roca, Carme, et al. 2018). Bos en variatie in terrein zijn de elementen met het meest positieve effect op de das. Openheid en aanwezigheid van rivierklei bleken een groot negatieve effect te hebben. Ook wordt geconcludeerd dat het er niet op lijkt dat de das te weinig voedsel vindt in Nederland, maar dat vooral vestigingsplaatsen de limiterende factor zijn, en zijn aan- of afwezigheid bepaalt.
Zonneparken Inrichting Een zonnepark bestaat normaal gesproken uit een veld met PV-panelen, welke middels stellingen boven de grond worden geplaatst. Dit gebeurt doorgaans in een zuid-opstelling of oost-west-opstelling. Op enkele locaties worden transformatorhuisjes geplaatst. Een zonnepark heeft doorgaans zeer weinig (half-)verharding. Om verzekeringstechnische redenen wordt een zonnepark vrijwel altijd met hekwerk afgeschermd. Tussen en rond de panelen wordt ruimte gelaten voor onderhoud. Dit is doorgaans 2 meter tussen de panelen, en minimaal 5 meter rond de panelen. Op deze gronden kan vegetatie zich ontwikkelen, maar moet middels maaien en begrazen wel kort gehouden worden om de effectiviteit van de zonnepanelen en de onderhoudspaden te handhaven. De panelen worden minimaal circa 1,20 meter boven de grond geplaatst, met spleten tussen de afzonderlijke panelen. Hierdoor kan
dinsdag 7 december 2021
meer water en licht onder de panelen komen, waardoor de grond niet kaal blijft. Doorgaans vormt zich hier een open kruidenrijke vegetatie, soms met brandnetel en braam. Het zonnepark zelf is doorgaans 50-70% bedekt met zonnepanelen, bebouwd en halfverhard. Daarnaast is, doorgaans buiten de hekwerken, ruimte voor een landschappelijke inpassing van het zonnepark. In de basis bestaat dit uit kruidenrijke graslanden en struweelhagen, aangevuld met andere landschapselementen welke in de omgeving passen. Burchten Burchten binnen of in de directe omgeving van een zonnepark kunnen verstoring ondervinden van de werkzaamheden. Indien een hoofdburcht, bijburcht of vluchtpijp binnen 200 meter van de werkzaamheden liggen moeten aanvullende maatregelen genomen worden, conform de maatregelen zoals beschreven in het Kennisdocument Das. Dit betreft bijvoorbeeld het uitvoeren van werkzaamheden tussen zonsopkomst en zonsondergang, het afschermen van de burcht, en het limiteren van grondberijdende voertuigen. Is het niet mogelijk om een burcht te behouden, dan is het verkrijgen van een ontheffing Wnb noodzakelijk. Hieraan moet een gedegen alternatievenafweging ten grondslag liggen. In de inrichting is het met name belangrijk om de rust op de locatie van de burcht te behouden. Dit door bijvoorbeeld geen wandelpaden binnen 50 meter van de burcht aan te leggen.
Ook moet bekeken worden of middels nieuwe aanplant de burcht beter afgeschermd worden, en beter verbonden met aanwezige lijnvormige beplanting.
Figuur 1: Voorbeeld opening in hekwerk, vliegbasis Volkel
Verbindingen Het is van groot belang dat de ontwikkeling er niet voor zorgt dat het leefgebied van de das wordt versnipperd. Doorgangen tussen burchten en foerageergebieden moeten toegankelijk blijven. Het hekwerk speelt hier een belangrijke rol in. Inmiddels wordt de onderzijde van het hekwerk vrijwel altijd circa 10 centimeter boven het maaiveld geplaatst om klein wild toegang te geven tot het zonnepark. Aanvullend worden doorgangen in het hekwerk gerealiseerd voor groter wild, afhankelijk van de doelsoorten. De das heeft hiervoor geen grote openingen nodig. Een buis of opening met diameter van minimaal 30 cm is hierbij voldoende (figuur 1). De locatie van deze openingen is eveneens belangrijk, hierbij moeten twee zaken in acht worden genomen. Allereerst moeten openingen worden aangelegd op locaties waar bij inventarisaties reeds dassenwissels zijn aangetroffen. Hierdoor hoeven dassen hun gebruikelijke looproute niet aan te passen. Daarnaast zijn openingen in de hoeken van het zonnepark belangrijk. Dassen en ander wild zullen het hekwerk volgen, en in een hoek uitkomen. Openingen worden doorgaans iedere 400 meter gerealiseerd, maar afhankelijk van afstand tot, en locatie van de dassenburchten kan de dichtheid plaatselijk hoger zijn. Alternatief wordt het hekwerk 30 centimeter boven
2
advies Zonnenparken en maatregelen ten behoeve van de das
het maaiveld geplaatst, waardoor de das over de gehele breedte onder het hekwerk door kan. In de inrichting moeten belangrijke onderdelen van het leefgebied van de das verbonden worden, bij voorkeur middels lijnvormige beplanting in de vorm van hagen (Chiatante et al., 2017). De aanwezigheid van hagen binnen agrarische landschap heeft een positief effect op de aanwezigheid van de das, en zorgt naar verbinding tevens voor schuil-, en foerageermogelijkheden. Foerageergebied Met betrekking tot foerageergebied zijn er allereerst richtlijnen vanuit het Kennisdocument Das, om het te verwijderen leefgebied te mitigeren. Van het oppervlakte te verwijderen primair foerageergebied dient 120% nieuw leefgebied te worden ingericht en beheerd. Bij het verwijderen van secundair leefgebied betreft het 50% van het oppervlakte. Van deze richtlijn kan worden afgeweken, bijvoorbeeld door het verbeteren van knelpunten in de verbindingen van de das. Wanneer binnen het plangebied foerageergebied van de das aanwezig is, is het belangrijk om dit leefgebied in kaart te brengen. Belangrijk is om zoveel mogelijk primair foerageergebied te behouden, waardoor de omvang van de mitigatie kleiner blijft. Daarnaast dient het toekomstige foerageergebied op geschikte, toegankelijke locaties te liggen ten opzichte van de dassenburchten en aanwezige verbindingen.
Uitgangspunt is dat er jaarrond een voldoende en een gevarieerd voedselaanbod op bereikbare afstand van de burcht aanwezig is.
dinsdag 7 december 2021
De mitigatie wordt allereerst opgevangen door de oppervlaktes buiten het zonnepark optimaal in te richten. Deze verbeteringsmaatregelen bestaan uit het aanleggen van (lijnvormige) beplantingen, (hoogstam-)boomgaarden, overhoekjes en dergelijke, en (bemeste) graslanden. Op de graslanden worden maatregelen genomen om de regenwormenstand te bevorderen, zoals het inzaaien van een gras-klavermengsel, beweiding door koeien, beperken van het gebruik van pesticiden, stikstofmeststoffen en grondonsmettingsmiddelen, opbrengen van ruige stalmest, en bloten van grasland. Bij voorkeur is ten alle tijden minimaal 50% van het totaal aan grasland lager dan 5 centimeter. Het aanleggen van ruigtestroken, stenen muurtjes en plas-dras gebieden is geen geschikte vervanging van functioneel leefgebied. Binnen het hekwerk (tussen en rond de zonnepanelen) is niet veel bekend over het gebruik door de das. De oppervlakte direct onder de zonnepanelen bereikt doorgaans geen hoge vegetatiedichtheid, en is daarmee redelijkerwijs niet zeer geschikt als foerageergebied voor de das. Er zijn wel voorbeelden bekend waar binnen het zonnepark dassenwissels en graafputjes zijn aangetroffen, en waar in een aangelegde grondwal een nieuwe dassenpijp is aangetroffen. Hierdoor lijkt het er op dat de ruimte tussen en rond de panelen geschikt is als jaarrond foerageergebied voor de das.
Het beheer van de vegetatie tussen de zonnepanelen is complexer door de smalle ruimtes tussen de panelen en de aanwezige apparatuur. Door de beperkte hoogte van de panelen kan hier niet gebruik worden gemaakt van begrazing door koeien. Begrazing door schapen wordt wel veelvuldig toegepast, maar lijkt minder geschikt dan begrazing door koeien. Wel kunnen een aantal van dezelfde maatregelen ten behoeve van de regenwormenstand worden toegepast.
Bronnen -
-
-
BIJ12 “Kennisdocument Das Meles meles” versie 1.0, juli 2017 Chiatante, G., Dondina, O., Lucchelli, M., Bani, L., & Meriggi, A. (2017). Habitat selection of European badger Meles meles in a highly fragmented forest landscape in northern Italy: the importance of hedgerows and agro-forestry systems. Hystrix, the Italian Journal of Mammalogy, 28(2), 247-252. Van Eekeren, Heeres en Smeding “Leven onder de graszode; Discussiestuk over het beoordelen en beïnvloeden van bodemleven in de biologische melkveehouderij”. Piza-Roca, Carme, et al. "European badger habitat requirements in the Netherlands–combining ecological niche models with neighbourhood analysis." Wildlife Biology 2018.1 (2018)
3
Bijlage 6 Ontheffing Wet Natuurbescherming
Bestemmingsplan "Buitengebied, Zonnepark Teersche Sluispolder" (ontwerp)
61
Besluit Verlenen ontheffing
Datum
28 oktober 2022 Zaaknummer
2022-003003 Onderwerp
Wet natuurbescherming soortbescherming
GroenLeven B.V. T.a.v. mevrouw M. Verheijen Lange Marktstraat 5-7 8911 AD LEEUWARDEN
Inlichtingen bij
Provincieloket 026 359 99 99 post@gelderland.nl Blad
1 van 21
Locatie Teersche Sluispolder te Malden
Gemeente
Heumen
Activiteit Aanleg en gebruik zonnepark
Geachte mevrouw Verheijen, Hierbij ontvangt u het definitief besluit over bovengenoemde aanvraag. Wij verlenen u deze ontheffing. De bijlagen zijn onderdeel van dit besluit Bijlage 1 bevat een toelichting op ons besluit. Ook zijn de voorschriften van deze ontheffing beschreven in bijlage 1. In bijlage 2 is een kaart van het projectgebied opgenomen en in bijlage 3 is een doorrekening van de mitigatie-opdracht weergegeven. Neem alle bijlagen goed door. Ontwerpbesluit U ontvangt nu het definitieve besluit. Wij publiceren dit ontwerpbesluit www.overheid.nl. Diegenen die een zienswijze hebben ingediend en andere belanghebbenden kunnen in beroep gaan tegen het besluit. Wilt u een zienswijze indienen? Dat kan mondeling door contact op te nemen met het Provincieloket, telefoonnummer 026 359 99 99, schriftelijk via Gedeputeerde Staten van Gelderland, Postbus 9090, 6800 GX Arnhem of digitaal via post@gelderland.nl.
Markt 11 | 6811 CG Arnhem Postbus 9090 | 6800 GX Arnhem 026 359 99 99 post@gelderland.nl www.gelderland.nl
BNG Bank Den Haag NL74BNGH0285010824 BIC-code BNG Bank: BNGHNL2G Btw-nummer: NL001825100.B03 KvK-nummer: 51468751
Datum
28 oktober 2022 Zaaknummer
2022-003003 Blad
2 van 21
Meer informatie Heeft u nog vragen? Kijk daarvoor op gelderland.nl. U kunt ook contact opnemen met het Provincieloket via telefoonnummer 026 359 99 99. Houdt u het zaaknummer van deze brief bij de hand. We kunnen u dan sneller helpen. Met vriendelijke groet, namens Gedeputeerde Staten van Gelderland,
Erik Steenbergen Teammanager Vergunningverlening
Documentnummers inzage stukken: 03630374, 03630380, 03630385, 03630394, 03630398, 03630402, 03630405, 03758143, 03758145, 03760535, 03783228 Bijlagen • Bijlage 1 – Toelichting besluit • Bijlage 2 – Kaart projectgebied • Bijlage 3 – Mitigerende maatregelen • Bijlage 4 – Zienswijzen en beantwoording door de provincie
Beroep Diegenen die een zienswijze hebben ingediend en andere belanghebbenden kunnen binnen zes weken na de dag waarop het besluit ter inzage is gelegd hiertegen een beroepschrift indienen bij de rechtbank Gelderland (Postbus 9030, 6800 EM Arnhem). Zij die partij zijn in de hoofdzaak kunnen bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland (Postbus 9030, 6800 EM Arnhem) een verzoek indienen om een voorlopige voorziening te treffen. Voor individuele burgers (niet voor advocaten en ook niet voor gemachtigden namens een bedrijf of een organisatie) bestaat de mogelijkheid digitaal beroep of een verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen. Meer informatie kunt u vinden op www.rechtspraak.nl. Voor het behandelen van een verzoek om een voorlopige voorziening wordt griffierecht geheven. Over de hoogte en de wijze van betaling van het griffierecht kunt u informatie verkrijgen bij de rechtbank Gelderland via telefoonnummer (088) 361 2000 of op www.rechtspraak.nl.
Datum
28 oktober 2022 Zaaknummer
2022-003003 Blad
3 van 21
BIJLAGE 1
Beslissing van GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND op het verzoek van GroenLeven B.V. te Leeuwarden, hierna te noemen de aanvrager, van 14 februari 2022, om een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming, hierna de Wnb. De opbouw van deze beslissing is als volgt: Allereerst worden de ingediende aanvraag en het procesverloop toegelicht; Daarna volgt het besluit met inbegrip van de voorschriften; Onder het kopje beoordeling wordt de onderbouwing van het besluit gegeven; De beslissing wordt afgesloten met een conclusie en overige verplichtingen. AANVRAAG EN PROCESVERLOOP Op 14 februari 2022 ontvingen wij een aanvraag van GroenLeven B.V. te Leeuwarden voor een ontheffing in het kader van hoofdstuk 3 van de Wnb op grond van artikel 3.10 lid 1b voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de das. De ontheffing wordt aangevraagd op basis van het in de wet genoemde belang van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of van kleinschalige bouwactiviteiten, met inbegrip van het daarop volgende gebruik van het gebied of het gebouwde. De aanvraag maakt deel uit van deze ontheffing. Er is voor het aangevraagde project niet eerder een ontheffing verleend. Er wordt geen gebruik gemaakt van een gedragscode. Deze aanvraag is nog niet getoetst aan het gebiedendeel zoals neergelegd in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming.
Mogelijk zijn er door het project ook effecten van stikstof en is hier ook een vergunning Wnb voor nodig. Indien dit het geval is, dient de aanvrager deze ook bij de provincie aan te vragen. Op deze aanvraag is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing verklaard. Het ontwerpbesluit heeft gedurende zes weken ter inzage gelegen. Binnen deze termijn zijn zienswijzen van de Stichting Das&Boom binnengekomen. De zienswijzen worden behandeld onder het kopje Zienswijzen en in Bijlage 3.
Datum
28 oktober 2022 Zaaknummer
2022-003003 Blad
4 van 21
BESLUIT Gedeputeerde Staten van Gelderland HEBBEN BESLOTEN gelet op artikel 3.10 lid 2 van de Wet natuurbescherming ONTHEFFING TE VERLENEN aan GroenLeven B.V., Lange Marktstraat 5-7, 8911 AD te Leeuwarden; voor de soort, verbodsbepaling en wettelijke belang zoals weergegeven in tabel 1: Tabel 1: Soort, verbod en belang Soort
Verbod
Das (Meles meles)
Artikel 3.10 lid 1b
Belang Het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen
A
Belang: A.
Artikel 3.10 lid 2 onder a van de Wnb: in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of van kleinschalige bouwactiviteiten, met inbegrip van het daarop volgende gebruik van het gebied of het gebouwde.
Aan deze ontheffing zijn op grond van artikel 5.3 van de Wet natuurbescherming de volgende voorschriften verbonden: Algemene voorschriften 1.
De ontheffing geldt voor het projectgebied van zonnepark de Teersche Sluispolder te Malden (gemeente Heumen), zoals aangegeven in figuur 1 van bijlage 2.
2.
De ontheffing geldt voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase. De aanlegwerkzaamheden moeten uiterlijk 30 september 2027 uitgevoerd zijn. De ontheffing voor de gebruiksfase is maximaal 25 jaar na afronding van de aanlegwerkzaamheden geldig.
3.
De ontheffing geldt uitsluitend voor de soort, verbod en belang zoals weergegeven in tabel 1.
4.
De ontheffinghouder dient direct contact op te nemen met de provincie Gelderland indien er verbodsbepalingen worden overtreden, waarvoor geen ontheffing is verleend. Dit kan het geval zijn als er negatieve effecten optreden op soorten waarvoor geen ontheffing is verleend of als er
Datum
28 oktober 2022 Zaaknummer
2022-003003 Blad
5 van 21
onverwachte negatieve effecten van de activiteiten optreden. Dit kan via e-mailadres post@gelderland.nl, onder vermelding van het zaaknummer 2022-003003. 5.
Deze ontheffing kan uitsluitend gebruikt worden door (medewerkers van) de ontheffinghouder of in opdracht van de ontheffinghouder handelende (rechts-)personen. De ontheffinghouder blijft verantwoordelijk en aansprakelijk voor de juiste naleving van deze ontheffing.
6.
De in voorschrift 5 genoemde (rechts)personen beschikken op de plaats waar de activiteiten van de ontheffing worden uitgevoerd over een (digitale) kopie van deze ontheffing, en tonen deze op verzoek aan de daartoe bevoegde toezichthouders en opsporingsambtenaren.
7.
De in voorschrift 5 genoemde (rechts)personen zijn op de hoogte van de inhoud en het doel van deze ontheffing en de daaraan verbonden voorschriften, zodanig dat zij daar ook invulling en uitvoering aan kunnen geven.
8.
Indien de ontheffinghouder de ontheffing in zijn geheel wil overdragen dan dient voor deze naamswijziging toestemming te worden gevraagd bij de provincie Gelderland, via e-mailadres post@gelderland.nl, onder vermelding van het zaaknummer 2022-003003.
9.
Minimaal twee weken voor aanvang van de werkzaamheden waardoor verbodsbepalingen worden overtreden moet melding worden gedaan van de datum van start van de werkzaamheden bij de provincie Gelderland, via e-mailadres post@gelderland.nl, onder vermelding van het zaaknummer 2022-003003.
10. De voorgenomen werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd onder begeleiding van een deskundige1 op het gebied van de das. 11. Minimaal twee weken voor aanvang van de werkzaamheden waardoor verbodsbepalingen worden overtreden wordt door de ontheffinghouder een ondertekende opdrachtbevestiging van de ecologische begeleiding verstrekt aan de provincie Gelderland, via e-mailadres post@gelderland.nl, onder vermelding van het zaaknummer 2022-003003. In de
1
De provincie Gelderland verstaat onder een deskundige een persoon die voor de situatie, habitats en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en ((soort)specifieke) ecologische kennis heeft. De ervaring en kennis dient te zijn opgedaan doordat de deskundige: op HBO-, dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus. Met betrekking tot soorten of specifieke soorten kan als deskundige ook iemand worden aangemerkt die: op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN, EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk gebied) en/of zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.
Datum
28 oktober 2022 Zaaknummer
2022-003003 Blad
6 van 21
opdrachtbevestiging dient een omschrijving van de ecologische begeleiding, de naam en het telefoonnummer van de ecologisch deskundige te worden vermeld. 12. Vanaf het moment dat verstorende werkzaamheden plaatsvinden is de ontheffinghouder ervoor verantwoordelijk dat de ecologisch deskundige tijdens de ecologische begeleiding alle bevindingen bijhoudt in een logboek. In het logboek wordt vermeld op welke data de deskundige aanwezig was, welke werkzaamheden zijn uitgevoerd en begeleid, en hoeveel exemplaren en verblijfplaatsen van welke beschermde soorten op welke locatie zijn waargenomen. Tevens dienen er duidelijke foto’s van de werkzaamheden en de geplaatste voorzieningen te worden opgenomen in het logboek. Het logboek moet altijd aanwezig zijn op de projectlocatie en dient door de ontheffinghouder op verzoek van een toezichthouder direct te worden overhandigd. 13. Het logboek dient door de ontheffinghouder uiterlijk twee weken na afronding van de werkzaamheden aan de provincie Gelderland te worden verstrekt via post@gelderland.nl, onder vermelding van zaaknummer 2022-003003. Soortspecifieke voorschriften 14. Alle mitigerende maatregelen zoals genoemd in tabel 3 en die zijn toegelicht in bijlage 3 van deze ontheffing dienen te worden uitgevoerd. 15. De deskundige zoals genoemd in voorschrift 10 begeleidt in elke geval het plaatsen of aanbrengen van mitigerende maatregelen.