Bijlage I Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp 2023 gemeente Heumen
Tekst van het document
team op basis van het door de cliënt opgesteld plan. Daarom is het noodzakelijk
dat de cliënt in het plan een nauwkeurige begroting opneemt voor alle onderdelen van het pakket beschermd wonen of beschermd thuis.
In het derde lid en vierde lid wordt gehoor gegeven aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de Wmo 2015 en artikel 2.9, onderdeel c, van de Jeugdwet. Hierin
staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. Een aanvraag voor een pgb kan geweigerd worden voor zover de kosten van het
pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening (artikel 2.3.6, vijfde lid, onder a, van de Wmo 2015 en artikel 8.1.1, vierde lid, onder a Jeugdwet). De
situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent dus niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden.
Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste
aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente
vanwege inkoopvoordelen maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen
leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb. Daarbij kan gedacht worden aan vervoers- of opvangvoorzieningen.
Een pgb is gemiddeld genomen ook goedkoper dan zorg in natura, omdat er
minder overheadkosten hoeven te worden meegerekend. De maximale hoogte van een pgb is in de verordening begrensd op de kostprijs van de in de betreffende
situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura.
In het vijfde lid is geregeld dat de gemeente een jeugdige, die jonger is dan achttien jaar, niet in staat acht zelf een pgb te beheren. Motivering is dat het uitvoeren van
59 59
60 van 140
de aan het pgb verbonden taken op een dusdanige verantwoorde wijze dient te geschieden, dat het niet wenselijk is dit door minderjarigen te laten doen.
Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de Wmo 2015 en artikel 8.1.1, tweede lid, onder c, van de Jeugdwet weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het
persoonsgebonden budget wordt verstrekt (artikel 2.3.6, derde lid, van de Wmo 2015).
In het zesde lid is geconcretiseerd welke termijn is verbonden aan de besteding van het pgb. Dit dient de rechtszekerheid en voorkomt de situatie waarin het recht oneindig open zou moeten staan. Een periode van zes maanden moet ruim voldoende zijn voor de cliënt het pgb te besteden. Artikel 13. Regels voor pgb professional Als de budgethouder (cliënt) met zijn pgb een professionele zorgaanbieder
inschakelt, is het in ieders belang dat deze aanbieder zich niet aan kwaliteitskaders kan onttrekken, omdat hij niet gecontracteerd is bij de gemeente. Ook via de pgb constructie dient de cliënt kwalitatief goede zorg en ondersteuning te ontvangen.
Het college dient zich te vergewissen van die kwaliteit. Om die reden worden in de
verordening kwaliteitseisen opgenomen voor de professionele aanbieder die via een pgb wordt ingeschakeld.
De eis in het vijfde lid wordt gesteld omdat de gemeente veel waarde hecht aan
“één huishouden, één plan” en aan een optimale samenhang tussen zorg en welzijn door professionals evenals informele zorg en ondersteuning. Tevens is van belang de samenwerking met de lokale toegangspoort en een gezamenlijke/eenmalige intake.
De eis in het zesde lid wordt gesteld, omdat het belangrijk is dat iedereen zijn
eigen mogelijkheden benut en dat iedereen zijn eigen verantwoordelijkheid neemt. Het streven hierbij zouden maximale zelfregie en samenredzaamheid moeten zijn. Artikel 14. Regels voor pgb sociaal netwerk Dit artikel ziet specifiek op de situatie waar hulp of ondersteuning wordt ingekocht bij het sociaal netwerk. Tot het sociale netwerk worden personen gerekend uit de
huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt. Bij deze laatste groep kan gedacht worden aan familieleden die niet in hetzelfde 60 60
61 van 140
huis wonen, buren, vrienden, kennissen, etc. Daarbij is van belang dat in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de
regering heeft aangegeven dat onder dit sociale netwerk ook mantelzorgers kunnen vallen. Wel is de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp
overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en
aantoonbaar doelmatiger is. De cliënt legt een schriftelijk document over waarin het voorgaande gemotiveerd wordt.
Overeenkomstig de huidige praktijk met betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten (zorg van mantelzorgers bijvoorbeeld).
Informele hulp bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen is
minder goed denkbaar. Ingeval ook hiervoor een pgb wordt aangevraagd is voor
gemeenten van belang dat slechts een pgb wordt verstrekt als naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te kopen diensten, hulpmiddelen,
woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.
Mantelzorg is informele zorg die door het eigen netwerk wordt geboden en dit gaat dus voor op een maatwerkvoorziening. Aan de keuze tussen zorg in natura en een pgb gaat vooraf of naast de bijdrage van het eigen netwerk aanvullend extra
ondersteuning nodig is in de vorm van een maatwerkvoorziening. Als dat het geval is, heeft de cliënt de keuze tussen zorg in natura of een pgb.
In beginsel is het gezien de volgorde niet logisch dat iemand uit het eigen netwerk
de ondersteuning in het kader van het pgb gaat uitvoeren als in een eerder stadium al is afgesproken wat mensen uit het eigen netwerk (onbetaald) willen betekenen voor de cliënt.
Uitzonderingen op dit uitgangspunt zijn denkbaar. Bijvoorbeeld als de mantelzorger zijn baan opzegt om te kunnen zorgen voor een naaste. Het is echter niet mogelijk
om de uitzonderingen te vangen in algemene, voor iedereen geldende voorwaarden. Niet voor iedereen die zijn baan opzegt om te kunnen zorgen voor een naaste komt in aanmerking voor een pgb. Het blijft altijd om maatwerk gaan.
Voor de tarieven sluiten we zoveel mogelijk aan bij de tarieven die vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz) gehanteerd worden. In aanvulling op de wettelijke
voorwaarden en weigeringsgronden, wordt een pgb voor hulp uit het sociale
netwerk alleen verstrekt, als voldaan is aan in ieder geval de volgende voorwaarden: 61 61
62 van 140
•
type hulp: voor begeleiding, behandeling (jeugd), jeugdhulp,
dagbesteding, verblijf en beschermd wonen ggz (Wmo 2015 en
Jeugdhulp) is deskundigheid/bekwaamheid van degene(n) uit het sociaal
netwerk die het pgb uitvoert een voorwaarde. Bij hulp bij het huishouden is deskundigheid geen voorwaarde. De deskundigheid dient te worden aangetoond met een relevante opleiding en/of werkervaring; •
kostenderving: een uitzondering voor pgb door sociaal netwerk is er als
iemand er voor kiest om minder te gaan werken om (meer) mantelzorg te
kunnen blijven bieden of op een andere wijze iets moet organiseren (bijv. oppas voor de andere kinderen) om intensieve mantelzorg te kunnen
bieden. Bij schoolgaande kinderen met een beperking gaan we er van uit dat ouders met behulp van (passende) naschoolse opvang (reguliere
kinderopvang al dan niet met aanvullende zorg of via specialistische
naschoolse opvang/dagbesteding voor kinderen) kunnen werken zoals
andere ouders met kinderen in de schoolgaande leeftijd, behalve als de zorg ook ’s avonds, ’s nachts en in de weekenden nodig is en/of als er sprake is van (veelvuldige) schooluitval als gevolg van de ziekte of beperking; •
betere/efficiëntere ondersteuning: een reden voor ‘pgb door sociaal
netwerk’ kan bijvoorbeeld ook zijn dat het sociale netwerk een grotere flexibiliteit kan bieden of dat een cliënt/kind vanwege de beperking of problematiek moeite heeft om vreemden toe te laten, waardoor de
ondersteuning minder effectief zal zijn als onbekende hulpverleners de zorg verlenen (gebrek aan vertrouwen in buitenstaanders, taalbarrière,
etc.) Hiertegenover staat dat een ‘vreemde’ in sommige gevallen beter het gestelde doel (patronen doorbreken bijvoorbeeld voorkomen
symbiotische verhouding) kan bereiken dan een vertrouwde persoon. Van
belang is om te beoordelen of professionele distantie/reflectie gewenst is met het oog op het bereiken van doelen.
Artikel 14a. Tegemoetkoming voor hulp uit het sociaal netwerk Het is mogelijk om een symbolische tegemoetkoming of een forfaitaire
onkostenvergoeding voor onverplichte hulp te betalen vanuit een pgb. De wetgever is van mening dat voor sommige vormen van informele hulp de behoefte bestaat
aan de mogelijkheid om met het pgb minder dan het minimumloon te vergoeden. Daarom is de mogelijkheid gecreëerd om met een verklaring, niet zijnde een
arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht, een pgb te ontvangen (zie artikel 8ab Regeling Jeugdwet of artikel 2ab Uitvoeringsregeling Wmo 2015). Met 62 62
63 van 140
die verklaring is het mogelijk voor een jeugdige of ouder om aan een hulp vanuit
het sociaal netwerk te betalen. Met hulp uit het sociaal netwerk wordt bedoeld: de natuurlijke persoon die maatschappelijke ondersteuning verleent die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen hem en de cliënt bestaande sociale relatie, tenzij die
maatschappelijke ondersteuning beroeps- of bedrijfsmatig wordt verleend (artikel 8 onderdeel b Regeling Jeugdwet of artikel 2 Uitvoeringsregeling Wmo 2015). De budgethouder heeft daarmee de keuze tussen: •
een pgb waarmee tenminste het wettelijke minimumloon wordt betaald aan een hulp uit het sociaal netwerk (zie artikel 12 of 13), of
•
een pgb waaruit de tegemoetkoming wordt betaald (als geen sprake is van een dienstbetrekking) (artikel 13a).
Er wordt maximaal € 141 per kalendermaand beschikbaar gesteld in verband met
hulp uit het sociaal netwerk. De budgethouder krijgt dit in de vorm van een pgb van waaruit hij tegemoetkomingen kan betalen. Artikel 15. Regels voor pgb-beheer In de praktijk komt het regelmatig voor dat cliënten ondersteuning hebben bij het
beheren van het pgb. Deze ondersteuning mag niet betaald wordt uit het pgb. Ook eventuele materialen die nodig zijn om het pgb te beheren mogen niet uit het pgb
betaald worden. In dit artikel zijn enkele nadere eisen opgenomen waar pgb-beheer aan moet voldoen. Bovendien is verduidelijkt dat pgb-beheer de cliënt kan
ondersteunen, maar niet in de plaats van de cliënt treedt. Dit blijkt uit de woorden
‘met hulp uit…’in artikel 2.3.6 lid sub a van de Wet. Als de cliënt in het geheel geen regie kan voeren, is het pgb niet de aangewezen verstrekkingsvorm. Artikel 16. Bijdrage in de kosten (Wmo 2015) De gemeente mag van cliënten een bijdrage in de kosten vragen voor
maatwerkvoorzieningen op het terrein van maatschappelijke ondersteuning in
natura en in de vorm van een pgb alsmede voor algemene voorzieningen. In de
financiële bijlage wordt een aantal maatwerkvoorzieningen genoemd die uitgesloten zijn van een bijdrage in de kosten. In het tweede lid is het uitgangspunt benadrukt dat de bijdrage de kostprijs van de voorziening niet mag overstijgen: de gemeente mag geen winst maken op de bijdragen.
63 63
64 van 140
Daarna wordt uiteengezet hoe de kostprijs tot stand komt. De bedragen en
percentages van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 zijn van overeenkomstige toepassing verklaard.
Conform artikel 2.1.4, zevende lid, van de Wmo 2015 is bepaald in dit artikel in de
verordening welke instantie de bijdrage voor een maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een pgb voor opvang vaststelt en int.
Tot slot is de mogelijkheid van artikel 2.1.5 van de Wmo 2015, om de bijdrage ook aan de ouders van minderjarige cliënten op te leggen, benut.
Artikel 17. Jaarlijkse waardering mantelzorgers en pleeggezinnen Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6 van de Wmo 2015. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente.
Artikel 2.1.6 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de
gemeente. Artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 definieert een cliënt als een persoon die
gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van
cliënten die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend,
zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen. Het college van Heumen heeft beleidsregels rondom de mantelzorgwaardering vastgesteld.
Dit artikel is aangevuld met het pleegzorgcompliment. Dit is een compliment ter waardering van de waardevolle zorg door pleeggezinnen.
Artikel 18. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen
Deze bepaling betreft een uitwerking van artikel 2.1.7 van de Wmo 2015. Daarin is opgenomen dat bij verordening kan worden bepaald dat door het college aan
personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een
tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie.
64 64
65 van 140
Deze tegemoetkoming is niet kostendekkend maar geeft de cliënt wel het voordeel dat hij zelf een bedrag in handen krijgt waarmee meer eigen regie heeft bij de
inkoop van de gewenste voorziening. Op grond van het tweede lid kan het college
bij besluit bepalen in welke gevallen een tegemoetkoming wordt verstrekt en wat de hoogte daarvan is. Door het vastleggen bij besluit is voor de burger op voorhand
duidelijk op welke tegemoetkoming hij recht heeft. Het college van Heumen heeft nadere beleidsregels vastgesteld. Artikel 19. Kwaliteitseisen Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3,
tweede lid, onder c, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van
voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.
De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van Wmo voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen.
Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op
artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14, 33
841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de Wmo 2015 en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor
de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning.
In het vijfde lid zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt. Dit artikel ziet alleen op maatschappelijke ondersteuning. De kwaliteitseisen voor jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen zijn opgenomen in paragraaf 4.1 van de Jeugdwet.
Het in het zevende lid genoemde jaarlijkse klantervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de Wmo 2015. Artikel 2.10 van de Jeugdwet verklaart dit artikel van overeenkomstige toepassing, dus deze verplichting geldt ook voor de Jeugdwet.
Artikel 20. Meldingsregeling calamiteiten en geweld 65 65
66 van 140
In artikel 3.4, eerste lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat de aanbieder bij de
toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo 2015 onverwijld
melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel
6.1 van de Wmo 2015 is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet.
In aanvulling op het bovenstaande regelt artikel 18 dat er door het college een
regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend
ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld. Overeenkomstig het zesde
lid kan het college bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.
De melding van calamiteiten en geweld in de jeugdhulp, jeugdbescherming en
jeugdreclassering is landelijk uniform geregeld in de Jeugdwet. Als toezichthouder is de inspectie jeugdzorg aangewezen. In aanvulling daarop is in de verordening ook de bevoegdheid opgenomen voor het college om een toezichthouder in het kader van de Jeugdwet aan te wijzen. Dat is in de gemeente Heumen de GGDGelderland-Zuid.
Artikel 21. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van
de rechten en plichten van de cliënt, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een
voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van
de wet). Daarbij dient in ieder rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden.
Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee
wordt bereikt dat een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste
vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en 66 66
67 van 140
de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.
De tekst is aangepast aan het gewijzigde artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Om bij de inkoop enige flexibiliteit te houden, is niet te gedetailleerd
uiteengezet welke kostencomponenten een rol moeten spelen. Reizen, opleidingen en administratieve verplichtingen (waaronder rapporteren) vallen onder de noemer overhead.
Artikel 22. Klachtregeling De gemeente is al op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een
behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de Awb, waarin een
uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te
verzoeken een onderzoek in te stellen, kan in deze verordening met een enkele bepaling worden volstaan.
In het tweede lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders
opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de
afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de Wmo 2015). In de Memorie van
Toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier
waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag van
een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Is de cliënt niet tevreden over
een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de
deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder).
Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen
vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook 67 67
68 van 140
snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open.
De Jeugdwet kent deze verordenende verplichting voor de gemeente aangaande de aanbieders niet, maar beschrijft in paragraaf 4.2a het klachtrecht betreffende jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen. In de regel zal eerst de
aanbieder worden aangesproken bij klachten over de wijze van behandeling, op
grond van de Jeugdwet. Pas wanneer dit klachtrecht niet bevredigend is, komt de gemeentelijke klachtmogelijkheid in zicht. De gemeente heeft geen
toezichthoudende functie voor de klachtregelingen van de jeugdhulpaanbieders. Artikel 23. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke
voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is. In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de
aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht
cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde
regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds verwezenlijkt via de cliëntenraad. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels geheel aan gemeenten overgelaten.
In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De aanbieder is ten aanzien van de in de
verordening genoemde voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de Wmo 2015).
In het tweede lid is een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd.
De medezeggenschap bij aanbieders van jeugdhulp en gecertificeerde instellingen is in de Jeugdwet geregeld (zie paragraaf 4.2.b). Artikel 24. Controle Op grond van artikel 2.3.6, vierde lid, van de Wmo 2015 en artikel 2.9, onderdeel d, van de Jeugdwet dienen in de verordening regels te worden gesteld over de 68 68
69 van 140
bestrijding van ten onrechte ontvangen van maatwerkvoorzieningen (natura of pgb), alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Essentieel daarbij is dat het college periodiek controles uitvoert naar het gebruik en de besteding van
voorzieningen op grond van de wet. De grondslag om toezichthouders aan te
wijzen op grond van de Wmo 2015, vloeit voort uit artikel 6.1 van die wet. In dit artikel van de verordening wordt de basis gevormd voor de aanwijzing van
toezichthouders rechtmatigheid op grond van de Jeugdwet. Toezicht op de kwaliteit van jeugdhulp is belegd bij de IGJ. Artikel 25. Reikwijdte De gemeente is verantwoordelijk voor toezicht en handhaving op het bij of
krachtens de Wmo 2015 gestelde en de Jeugdwet voor zover het rechtmatigheid
betreft. In dit artikel wordt weergegeven hoe de gemeente de reikwijdte van deze
verantwoordelijkheid ziet. Toezicht en handhaving strekt zich uit tot zorg in natura
als ook pgb- gefinancierde zorg. Het strekt zich uit tot de wettelijke bepalingen, de
onderliggende landelijke en lokale regelgeving en de afgesloten overeenkomsten en subsidierelaties.
Artikel 26. Toezicht In dit artikel worden allerlei verschillende typen onderzoek uiteengezet. Ook dit
heeft te maken met de reikwijdte van de toezicht-en handhavingsbevoegdheid van
het college. Uiteraard dient bij de inzet van de verschillende typen onderzoek in het oog te worden gehouden dat deze proportioneel moeten worden ingezet. Om dit te borgen is een controleplan opgesteld dat de escalatieladder in kaart brengt. Artikel 27. Bevel Het bevel is een zwaar middel dat niet lichtzinnig moet worden ingezet. De door de toezichthouder aangetroffen situatie is dermate ernstig dat het treffen van
maatregelen geen uitstel kan lijden. Bij zorg in natura zal het bevel zich richten tot de zorgaanbieder. Bij pgb-gefinancierde zorg zal het bevel zich richten tot de
budgethouder, omdat we als gemeente daar de juridische relatie mee hebben. De budgethouder zal de aanbieder moeten aansporen om de noodzakelijke veranderingen onverwijld door te voeren. Artikel 28. Inspectierapport De geconstateerde bevindingen worden door de toezichthouder vastgelegd in een inspectierapport. Bij fraudesignalen zal dit een frauderapport zijn. Dit rapport zal 69 69
70 van 140
doorgezet worden naar de gemeente. Daarna zal het in de regel, tenzij
zwaarwegende redenen zich daartegen verzetten, openbaar worden gemaakt door publicatie.
In het derde lid is verduidelijkt dat de reactiemogelijkheid zich beperkt tot feitelijke onjuistheden. Dit is nog geen hoor-wederhoor in het kader van een voorgenomen besluit. Dat zal immers plaatsvinden vanuit de gemeente. Dat is ook de reden dat de budgethouder in deze reactiemogelijkheid nog niet betrokken wordt. De budgethouder wordt gehoord in de voorbereiding van een besluit.
In het vijfde lid is opgenomen dat de hoofdregel openbaarmaking van het rapport is. Zwaarwegende redenen kunnen maken dat openbaarmaking achterwege blijft. Dit zal zich vooral kunnen voordoen bij fraudeonderzoeken, waar het onderzoek
zich meer richt op het handelen (en daarmee verdenkingen tegen) van individuen. Artikel 29. Aanwijzing De aanwijzing is een eerste stap om te beogen de situatie terug te brengen in de rechtmatige toestand. Bij fraude zal er niet snel sprake zijn van een aanwijzing, vanwege het doelbewuste onrechtmatig handelen.
Tijdens de looptijd van de aanwijzing kunnen al andere maatregelen genomen worden als de situatie daartoe aanleiding geeft. Artikel 30. Hersteltermijn De genoemde hersteltermijn is een uitgangspunt. In de praktijk zal deze afgestemd
worden op de aangetroffen situatie, houding en gedrag van de aanbieder, eventuele eerdere constateringen bij deze aanbieder en de veiligheid van cliënten. Artikel 31. Cliëntenstop en verscherpt toezicht Een cliëntenstop dient een dubbel doel. In de eerste plaats is het een middel om de situatie te bevriezen. Het is onwenselijk dat er nieuwe cliënten blijven instromen in een situatie die we als ondermaats of rechtmatig beschouwen. Het moet prioriteit
hebben om de huidige situatie te herstellen, voordat er sprake kan zijn van nieuwe cliënten. In de tweede plaats is een cliëntenstop ook een financiële prikkel voor de
aanbieder om vaart te maken met het doorvoeren van de noodzakelijke wijzigingen. In het artikel zijn verschillen vormen van een cliëntenstop opgenomen, die afhankelijk van de situatie kunnen worden opgelegd. 70 70
71 van 140
Verscherpt toezicht zal in de regel aan de orde zijn als het noodzakelijk is om tussentijdse voortgang te monitoren.
Artikel 32. Vervolgonderzoeksrapport Het ligt in de lijn dat de toezichthouder na afloop van een hersteltermijn de aanbieder opnieuw zal bezoeken en een nieuw rapport zal opmaken. Artikel 33. Handhavingsmaatregelen Bij geconstateerde misstanden volgt handhaving. Dit artikel is de kern van de
mogelijkheden die het college daarbij heeft. De rechter heeft eerder in een zaak van de gemeente Almelo geoordeeld dat er een concrete wettelijke basis moet zijn om
in het kader van de Wmo 2015 en Jeugdwet een last onder dwangsom op te mogen leggen. Om die reden is deze mogelijkheid opgenomen in deze verordening. Artikel 34. Inzet privaatrechtelijke middelen De maatregelen van artikel 33 zijn bestuursrechtelijk van aard. Met de aanbieders van zorg in natura hebben we daarnaast veelal een contractuele relatie. In lid 1 is nog eens benadrukt dat ook civielrechtelijk tegen misstanden kan worden
opgetreden. Deze keuze is aan het college en is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.
De handhavingsmaatregelen kunnen ook samengaan met het (verzoek tot) opschorten van betalingen zoals opgenomen in het vierde lid. Artikel 35. Register Cliënten die zorg of ondersteuning krijgen op grond van de Wmo 2015 of de
Jeugdwet mogen een voorkeur aangeven voor een bepaalde aanbieder. Bij een
persoonsgebonden budget zijn ze zelfs verantwoordelijk voor de inkoop bij een
bepaalde aanbieder. Goede informatie is daarbij essentieel. Om die reden worden inspectierapporten bij hoofdregel ook openbaar gemaakt. Op de website van het ROB zal het genoemde overzicht worden bijgehouden. Artikel 36. Meldingsplicht Bij toezicht hebben we te maken met schaarse capaciteit. Dit betekent dat in 2015 de keuze is gemaakt om signaal gestuurd te gaan werken. Signalen kunnen
afkomstig zijn van (oud-)cliënten, (oud-)werknemers en ook de aanbieder zelf. Als
een aanbieder ziet aankomen dat hij niet langer aan de afspraken met de gemeente 71 71
72 van 140
kan voldoen, is het primair zijn verplichting om dit proactief bij het college te
melden. Op die manier kunnen partijen vroegtijdig met elkaar in gesprek gaan om passende afspraken te maken.
Artikel 37. Betrekken van ingezetenen bij het beleid Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015 en artikel 2.10 van de Jeugdwet.
In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er
eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo- en jeugdbeleid als op andere
terreinen. De inspraak geldt voor alle inwoners. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning.
Met het vierde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven.
Artikel 38. Intrekking oude verordening en overgangsrecht De wet zelf bevat overgangsrecht voor cliënten die vanuit de AWBZ zijn overgegaan naar de Wmo (zie de artikelen 8.1 tot en met 8.4 van de Wmo 2015) en voor
cliënten die vanuit de Wet op de Jeugdzorg, de AWBZ en de Zorgverzekeringswet
overgaan naar de Jeugdwet (zie hoofdstuk 10 van de Jeugdwet). In dit artikel is het overgangsrecht op gemeentelijk niveau geregeld.
In het tweede lid is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten doorlopen totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden. In het derde lid is als hoofdregel
neergelegd dat aanvragen en aanmeldingen die nog bij het college en de andere organisatie in behandeling zijn op grond van de nieuwe verordening beoordeeld zullen worden.
Artikel 39. Nadere regels en hardheidsclausule Juist omdat het in de Wmo 2015 en Jeugdwet om maatwerk gaat, zal het college er
niet aan ontkomen om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te verwachten is. Immers, bij de afwegingen gaat het al om een zeer persoonlijke beoordeling.
72 72
73 van 140
Als desondanks die zeer persoonlijke afweging er toch nog sprake is van een niet
billijke situatie, is de hardheidsclausule een vangnet. Daarbij kan de aanvrager ook een beroep doen op deze clausule. Wordt de hardheidsclausule vaker voor één onderwerp gebruikt, dan kan men zich afvragen of het beleid terzake niet aangepast moet worden.
Artikel 40. Inwerkingtreding en citeertitel Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van deze verordening en legt vast hoe de verordening dient te worden aangehaald.
73 73
74 van 140
BIJLAGE 1: Vormen van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Vormen van maatschappelijke ondersteuning
Op grond van de Wmo 2015 kunnen de volgende voorzieningen worden verstrekt: •
Huishoudelijke hulp
•
Rolstoel
•
Woonvoorzieningen
•
Woningaanpassingen
•
Vervoersvoorzieningen
•
Begeleiding
•
Persoonlijke verzorging
•
Dagbesteding
•
Kortdurend verblijf
•
Beschermd wonen
•
Opvang
De Hulp bij het huishouden bestaat uit de maatwerkvoorzieningen huishoudelijke hulp 1 en 2. De indicatie wordt vastgesteld aan de hand van de door het college vastgestelde ‘Richtlijn indicatiestelling Huishoudelijke hulp’. Deze richtlijn is getoetst door adviesbureau HHM (een onafhankelijke derde). •
Bij huishoudelijke hulp 1 (HH1) gaat het om uitvoering van huishoudelijke werkzaamheden waarbij de inwoner zelf, of met behulp van het sociaal netwerk, de regie voert. De inwoner kan zelf of met behulp van het sociaal netwerk aangeven wat er moet gebeuren. Taken die onder deze vorm van huishoudelijke hulp vallen zijn (voor zover nodig) licht en zware huishoudelijke werkzaamheden.
•
Huishoudelijke hulp 2 (HH2) is voor mensen die geen of onvoldoende regie meer kunnen voeren over hun huishouden. Dit betreft, naast de werkzaamheden van HH1, ook de organisatie van het huishouden (inclusief instructie). Vooral bij HH2 is belangrijk dat er een geschikte medewerker wordt ingezet. Hiervoor is een warme overdracht vanuit de lokale toegang naar de Opdrachtnemer nodig. 74 74
75 van 140
Vormen van jeugdhulp
De volgende vormen van algemene voorzieningen jeugdhulp zijn beschikbaar: •
welzijnswerk/sociaal cultureel werk jeugd
•
maatschappelijk werk
•
opvoedondersteuning en opvoedadvies
•
jeugdhulp op de Sint Maartenschool
De volgende vormen (bouwstenen) van maatwerkvoorzieningen jeugdhulp zijn beschikbaar: Jeugdhulp Ambulant •
reguliere begeleiding en verzorging en begeleiding
•
specialistische begeleiding
•
dagbesteding (intersectoraal)
•
dagbehandeling (intersectoraal)
•
vaktherapie
•
kortdurend verblijf
•
casemanagement
•
vervoerdiensten
•
GGZ
Bouwstenen kunnen gecombineerd worden ingezet, hierbij gaat de voorkeur uit naar het laten uitvoeren van de ondersteuning door dezelfde professional; •
Dagbesteding, Dagbehandeling en Kortdurend Verblijf jeugd kan alleen geleverd worden indien Opdrachtnemer ook het noodzakelijk geachte vervoer kan regelen.
•
Casemanagement Jeugd is een stapel-Bouwsteen. Casemanagement kan alleen worden ingezet door de gemeentelijke toegangspoort of door een Gecertificeerde Instelling ter uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of maatregel tot jeugdreclassering, bij een door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder. 75 75
76 van 140
GGZ omvat: •
basis Jeugd GGZ
•
specialistische Jeugd GGZ
•
klinische opname GGZ
Jeugdhulp met Verblijf •
pleegzorg
•
gezinshuiszorg
•
crisis
•
verblijf licht
•
verblijf middel
•
verblijf zwaar
•
jeugdzorgplus
•
ambulante behandeling
Toelichting: •
Binnen gezinshuiszorg vallen meerdere bouwstenen (gezinshuiszorg lichte, middel, zware begeleidingsintensiteit).
•
Onder ambulante begeleiding vallen ook de zwaardere vormen van (gezins)behandeling zoals MST.
•
Onder verblijf licht vallen meerdere producten (kortdurend verblijf, time-out voorziening).
•
Onder verblijf midden vallen meerdere producten zoals kamertraining en het fasehuis, leerhuis.
•
Onder verblijf zwaar vallen meerdere producten zoals behandelgroepen, drie leefmilieusvoorzieningen, onvoorwaardelijk wonen, kleinschalig wonen, beschermd wonen en verslavingszorg.
Jeugdbescherming en jeugdreclassering •
jeugdbescherming
•
jeugdreclassering
•
hulp in vrijwillig kader (intensief gezinsgerichte en systeemgerichte aanpak, actieve en consultatieve dienstverlening, consultatie, forza)
76 76
77 van 140
BIJLAGE 2: Financiële bijlage HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN Paragraaf 1. Begripsbepalingen Artikel 1
In deze bijlage wordt verstaan onder: •
Budgethouder: een persoon aan wie ingevolge deze verordening een persoonsgebonden budget is toegekend.
•
Buurtvervoer Heumen: vrijwilligersvervoer dat wordt georganiseerd vanuit Malderburch te Malden.
•
Zorgperiode: een periode van één maand gehanteerd door het Centraal Administratie Kantoor verder te noemen het CAK, bij de berekening en inning van de eigen bijdrage.
•
Voltijdopvang of 24-uurs verblijf vrouwenopvang waaronder crisisopvang: een tijdelijk verblijf gedurende een volledig etmaal of langer, al of niet op een geheim adres, voor vrouwen of mannen met of zonder hun kinderen die gevlucht zijn voor huiselijk geweld of dreiging van relationeel geweld. De 24-uurs voorziening omvat onderdak, slaapgelegenheid, begeleiding op diverse aspecten en eventueel voeding.
•
Voltijdopvang of 24-uurs verblijf maatschappelijke opvang waaronder crisisopvang: een tijdelijk verblijf gedurende een volledig etmaal of langer, voor mensen die dakloos of thuisloos zijn. De 24-uurs voorziening omvat onderdak, slaapgelegenheid, begeleiding op diverse aspecten en eventueel voeding.
•
Beschermd Wonen: Verblijf in een accommodatie met toezicht en een op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden afgestemd geheel van diensten die worden geleverd ten behoeve van een inwoner die als gevolg van een ernstige psychiatrische aandoening niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving en 24-uurs toezicht i.v.m. risico op (zelf)verwaarlozing of overlast en intensieve ondersteuning nodig heeft.
Paragraaf 2. Bijdrage in de kosten 77 77
78 van 140
Artikel 2 2.1 1. In uitzondering op het bepaalde in artikel 16 lid 1 van de verordening, is géén bijdrage in de kosten verschuldigd voor: a. rolstoelvoorziening (ook voor aandrijfondersteuning); b. collectief vervoer (behalve de ritbijdrage die gebaseerd is op het OV-tarief en die de Vervoersorganisatie rekent of de tegemoetkoming voor de meerkosten van vervoer die eventueel als alternatief wordt verstrekt); c. woningaanpassingen in gemeenschappelijke ruimte(n); d. maatwerkvoorzieningen voor een minderjarige cliënt; e. arbeidsmatige dagbesteding; f. zorgmijders zolang de situatie niet stabiel is; g. eenmalige tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronisch probleem h. roerende woonvoorzieningen tot en met € 100,- exclusief BTW; i.
reparatiekosten (bij hulpmiddelen en automatische deuropeners);
j.
cliëntondersteuning op grond van artikelen 2.14 en 2.1.4a van de Wet maatschappelijke ondersteuning.
k. dagbesteding van ouderen via zorgaanbieder Malderburch (behalve de klantbijdrage per dagdeel die inclusief een maaltijd is en die aan de zorgaanbieder wordt betaald). 2. er is wel een bijdrage in de kosten verschuldigd door: de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene aan wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt, als een maatwerkvoorziening in natura of een pgb wordt verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt. 3. In afwijking van het vorige lid is in ieder geval geen bijdrage verschuldigd als de ouders van het gezag over de cliënt zijn ontheven of ontzet. 2.2 78 78
79 van 140
Voor Tijdelijk Verblijf LVB 18+ Wmo geldt dezelfde eigen bijdrage-systematiek als voor beschermd wonen, omdat bij Tijdelijk Verblijf LVB eveneens sprake is van een combinatie van wonen en zorg.
Artikel 3 3.1 1. Berekening, oplegging, vaststelling en inning van de bijdrage in de kosten vindt plaats door het CAK met de door de gemeente Heumen vastgestelde regels. 2.In afwijking van lid 1 vindt de vaststelling en inning van de bijdrage in de kosten van de cliënt voor een maatwerkvoorziening voor opvang plaats door de aanbieder die de opvang verzorgt. 3.In afwijking van lid 1 vindt de vaststelling en inning van de bijdrage in de kosten van de cliënt voor een algemene voorziening door de aanbieder van deze voorziening of door de gemeente Heumen.
3.2 1.Voor maatwerkvoorzieningen geldt een eigen bijdrage conform de systematiek van het abonnementstarief. Deze eigen bijdrage is verschuldigd door de cliënt (ongehuwd) of de cliënten tezamen (gehuwd). Verder is niet van belang hoeveel maatwerkvoorzieningen de cliënt heeft of de cliënten hebben. Er geldt één eigen bijdrage, ongeacht het aantal maatwerkvoorzieningen. Voor beschermd wonen, opvang geldt een afwijkende eigen bijdrage systematiek. 2.De eigen bijdrage kan samengaan met een bijdrage voor algemene voorzieningen die niet onder de systematiek van het abonnementstarief vallen. Gaat het echter om een algemene voorziening die wel onder de systematiek van het abonnementstarief valt (duurzame hulpverleningsrelatie), dan is cumulatie van deze bijdrage met de bijdrage voor maatwerkvoorzieningen niet mogelijk. Alleen de eigen bijdrage conform het abonnementstarief geldt dan.
79 79
80 van 140
3.De maximale bijdrage in de kosten, voor zover niet begrensd door het abonnementstarief, wordt als volgt bepaald: -Bij verstrekkingen waarbij maandelijks aan een aanbieder of een leverancier een betaling plaatsvindt het tarief per maand; -Bij verstrekkingen waarbij eenmalig een betaling plaatsvindt aan een aanbieder of leverancier de kostprijs (verstrekt bedrag), verstrekking als pgb; -Bij verstrekkingen waarbij periodiek door een aanbieder zorg wordt geleverd en het pgb via de SVT (trekkingsrecht) ter beschikking wordt gesteld het tarief per maand; -Bij verstrekkingen waarbij een eenmalig een pgb wordt betaald aan de cliënt de kostprijs (verstrekt bedrag). 4.Beschermd wonen kent een lage en hoge eigen bijdrage 3.3 De looptijd van de bijdrage in de kosten wordt bepaald door -Bij verstrekkingen waarbij maandelijks aan een aanbieder of leverancier een betaling plaatsvindt en bij verstrekkingen waarbij periodiek door een aanbieder zorg wordt geleverd en het pgb via de SVB (trekkingsrecht) ter beschikking wordt gesteld: de duur van de verstrekking; -Bij verstrekkingen waarbij eenmalig een betaling plaatsvindt aan een aanbieder of leverancier en bij verstrekkingen waarbij eenmalig een pgb wordt betaald aan de cliënt: de kostprijs. 3.4 •
Voor de duur van de verstrekking als bedoeld onder artikel 3.3 sub a (kostprijs) en b en artikel 3.4 sub b wordt de volgende economische afschrijvingstermijn gehanteerd: maatwerkvoorziening voor een meerderjarige: 7 jaar maatwerkvoorziening voor een minderjarige: 5 jaar
•
Als een minderjarige meerderjarig wordt dan wordt de afschrijvingstermijn verminderd met het aantal jaren dat de minderjarige de maatwerkvoorziening heeft toegekend gekregen. 80 80
81 van 140
•
In afwijking van het eerste lid kan voor tweedehands maatwerkvoorzieningen voor een meerderjarige en minderjarige de afschrijvingstermijn worden verminderd met de actuele leeftijd van de maatwerkvoorziening.
HOOFDSTUK 2 COMPENSATIE OP BASIS VAN LEEFGEBIED EN MAATWERKVOORZIENING
Paragraaf 1. Activiteiten dagelijks leven Artikel 4 4.1 De tarieven voor hulp bij het huishouden in natura worden bepaald door de gemeente bedongen uurtarieven middels een aanbesteding. 4.2 De vaststelling van een persoonsgebonden budget ten aanzien van hulp bij het huishouden vindt plaats in de vorm van een bedrag per uur (zie Tarievenlijst pgb). 4.3 Bij overlijden van de cliënt die een inwonende partner heeft, worden de hulp bij het huishouden in natura en de woonvoorziening in natura na vier weken beëindigd. Bij verhuizing eindigt het recht per datum van verhuizing.
Paragraaf 2. Huisvesting Artikel 5 5.1 Het bedrag voor een maatwerkvoorziening voor huisvesting die in natura of als persoonsgebonden budget wordt verstrekt, wordt vastgesteld als tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in een aan het college overlegde offerte die voldoet aan het programma van eisen. 5.2 81 81
82 van 140
Als eenmalige tegemoetkoming voor meerkosten van een verhuizing geldt als normbedrag € 2.300,00. 5.3 Een eenmalige tegemoetkoming voor meerkosten in verband met huurderving (in natura of als persoonsgebonden budget) wordt verstrekt voor een periode van maximaal vier maanden. De vergoeding bedraagt maximaal het bedrag van de laatstgenoten netto (kale) huurprijs. 5.4 Een eenmalige tegemoetkoming voor meerkosten in verband met tijdelijke huisvesting wordt verstrekt voor een periode van maximaal zes maanden. De vergoeding vindt plaats op basis van de werkelijk gemaakte kosten. 5.5 Een eenmalige tegemoetkoming voor meerkosten dat als maximum verstrekt wordt bij het logeerbaar maken bedraagt € 2.500,-.
Paragraaf 3. Verplaatsen en vervoer, maatschappelijke participatie Artikel 6
Het persoonsgebonden budget voor een rolstoel wordt vastgesteld als tegenwaarde van de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening, vermeerderd met het gemiddelde bedrag voor onderhoud en reparatie voor vergelijkbare rolstoelen in het een na vorige volledige kalenderjaar. Artikel 7 Het persoonsgebonden budget voor vervoersvoorzieningen wordt vastgesteld op basis van de tegenwaarde van de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening vermeerderd met de instandhoudingskosten (voor onderhoud, reparatie en (indien van toepassing) verzekering). Artikel 8 8.1 82 82
83 van 140
Inwoners kunnen, zonder indicatie, gebruik maken van Buurtvervoer Heumen. De rit dient plaats te vinden binnen de gemeentegrenzen van de gemeente Heumen en respectievelijk van en naar de ziekenhuizen in deze regio. 8.2 De prijs betreft € 1,50 of € 2,50 per enkele rit, afhankelijk van de soort rit. 8.3 Als een inwoner niet met het regulier openbaar vervoer kan reizen en ook Buurtvervoer Heumen geen oplossing biedt, kan door het college een maatwerkvoorziening worden toegekend, in de vorm van vraagafhankelijk vervoer.. Deze maatwerkvoorziening bestaat uit collectief vraagafhankelijk vervoer in de regio Arnhem Nijmegen, aangeboden door Avan. De cliënt betaalt naast een opstaptarief een ritprijs per gereden kilometer aan Avan. Bij de tariefstelling wordt aangesloten bij het regulier OV-tarief. Er geldt een max aantal te rijden kilometers per jaar, te weten 1500 km per jaar. Voor scootmobielgebruikers geldt een maximum van 750 km per jaar. 8.4 In bijzondere omstandigheden, wanneer het reizen via Buurtvervoer Heumen of vraagafhankelijk vervoer geen passende oplossing is, kan een eenmalige tegemoetkoming voor meerkosten worden verstrekt.
Het gaat dan bijvoorbeeld om een cliënt die op grond van aantoonbare beperkingen op grond van ziekte of gebrek geheel afhankelijk is van kamer tot kamer vervoer, omdat hij bij het verlaten en/of binnengaan van de woning/kamer afhankelijk is van ondersteuning/begeleiding door derden. De tegemoetkoming voor meerkosten bedraagt een normbedrag van maximaal € 432 per jaar, waarvan € 216 forfaitair (€ 56 eens per kwartaal, zonder declaraties) en het resterende bedrag van maximaal € 216 wordt jaarlijks achteraf uitgekeerd op basis van declaraties.
Paragraaf 4. Begeleiding/dagbesteding 83 83
84 van 140
Artikel 9 9.1 De tarieven voor begeleiding/dagbesteding in natura worden bepaald door de gemeente bedongen (uur)tarieven bij een aanbesteding. 9.2 De vaststelling van een persoonsgebonden budget ten aanzien van begeleiding/dagbesteding vindt plaats in de vorm van een bedrag per eenheid.
Paragraaf 5. Beschermd wonen en beschermd thuis Artikel 10 10.1 De tarieven voor beschermd wonen en beschermd thuis in natura worden bepaald door de gemeente bedongen uurtarieven middels een aanbesteding. 10.2 De vaststelling van een persoonsgebonden budget ten aanzien van beschermd wonen of beschermd thuis vindt plaats op basis van vijf categorieën, zie tabel 10.3. De vorm van wonen (woongroep of individueel) en de intensiteit/kwaliteit van de benodigde (groeps-)begeleiding bepalen welke categorie beschermd wonen of beschermd thuis wordt toegekend. 10.3 1. Binnen beschermd wonen en beschermd thuis wordt onderscheid gemaakt tussen de zorgverlening door professionals in dienst van een instelling en nietprofessionals. Bij zorgverlening door professionals hanteren wij een standaardtarief per dag. Voor niet-professionals geldt dat er wordt gerekend met een uurtarief. Onder niet-professionals wordt het sociaal netwerk van een cliënt verstaan. Tot het sociale netwerk behoren personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt (artikel 1.1.1 Wmo). Dit is ook het geval als de persoon uit het sociale netwerk een professionele zorgverlener is of in het 84 84
85 van 140
bezit is van een relevant diploma. Deze persoon wordt dus niet aangemerkt als beroepskracht. Categorie
Agogisch
Begeleiding
Totaal aantal
klimaat in
individueel uren
uren
uren per
per week
begeleiding per
week
week
Beschermd thuis: licht
0
2,5
2,5
Beschermd thuis: groep licht
3,5
2,5
6
Beschermd thuis: groep
7
2,5
9,5
10
2,5
12,5
12,5
2,5
15
middelzwaar/beschermd wonen: licht Beschermd wonen: middelzwaar Beschermd wonen: intensief
2. De vaststelling van het persoonsgebonden budget voor Beschermd Wonen of Beschermd Thuis is gebaseerd op het aantal begeleidingsuren dat een cliënt met een bepaald profiel nodig zou hebben. De cliënt mag, binnen het totaal aantal uren, vanwege zijn specifieke situatie de verdeling tussen individuele en groepsbegeleiding afwijkend invullen. 10.4 1. In bepaalde gevallen wordt het persoonsgebonden budget niet berekent op basis van dagtarieven maar op basis van uurtarieven. Het zal dan gaan om de volgende situaties: a. De budgethouder geeft aan gebruik te willen maken van niet professionele zorg. b. De budgethouder geeft aan gebruik te willen maken van een mix van niet professionele (informeel) en professionele zorg (informeel). Er zal een uitsplitsing worden gemaakt hoeveel uren informeel en hoeveel uren formeel 85 85
86 van 140
de budgethouder nodig heeft en deze zullen worden toegekend conform de vastgestelde uurtarieven in bovenstaande tabel. c. De indicatiestellen (GGD Gelderland Zuid, Toegang Beschermd wonen) constateert dat de individuele zorgvraag significant hoger of lager ligt dan het gemiddelde aantal uren dat gerekend mag worden bij de geïndiceerde categorie. In voorkomende gevallen zal de GGD een advies geven over het aantal uren dat betreffende cliënt nodig heeft. 2.Indien een cliënt met een persoonsbudget voor Beschermd Wonen zowel professionele zorg inkoopt bij een aanbieder als niet-professionele zorg uit zijn eigen netwerk leveren beide partijen ieder een deel van de totaal geïndiceerde hoeveelheid zorg. Met andere woorden: het totale persoonsgebonden budget is gebaseerd op een totaal aantal uren dat de uren in bovenstaande tabel niet kan overschrijden.
Paragraaf 6. Opvang Artikel 11 11.1 Er is een bijdrage in de kosten verschuldigd indien een persoon van 18 jaar of ouder gebruik maakt van opvang. 11.2 De bijdrage in de kosten wordt bepaald per dag. De bijdrage is verschuldigd voor iedere dag of gedeelte van een dag, waarop de cliënt gebruik maakt van het aanbod van een instelling. 11.3 De bijdrage in de kosten voor opvang bedraagt het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde cliënt, onderscheidenlijk van de gehuwde cliënten tezamen, vermeerderd met 8% van het vermogen van de ongehuwde cliënt, onderscheidenlijk 8% van de opgetelde vermogens van de gehuwde cliënten. 11.4 86 86
87 van 140
Indien de instelling bij voltijdopvang of 24-uurs verblijf maatschappelijke opvang of vrouwenopvang (waaronder crisisopvang) aan de cliënt geen voeding verstrekt, wordt de bijdrage in de kosten verminderd met een bedrag voor voeding. Dit bedrag is gelijk aan het bedrag, dat het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) berekent als gemiddelde kosten. In het geval het bedrag niet bekend is, bepaalt het college het bedrag dat hiervoor in de plaats komt. 11.5 Als een cliënt een vergoeding ontvangt voor vrijwilligerswerk, wordt deze vergoeding buiten beschouwing gelaten bij het berekenen van de bijdrage in de kosten. 11.6 Voor cliënten die gebruik maken van de crisisopvang en tegelijkertijd nog kosten hebben voor een zelfstandige woonruimte, wordt de bijdrage in de kosten gedurende maximaal 6 maanden verminderd met een forfaitair bedrag voor dubbele woonlasten, zijnde 20% van de bijstandsnorm. HOOFDSTUK 3 JEUGDHULP Artikel 12 12.1 De tarieven voor jeugdhulp in natura worden bepaald door de gemeente bedongen (uur)tarieven bij een aanbesteding. 12.2 De vaststelling van een persoonsgebonden budget ten aanzien van jeugdhulp vindt plaats in de vorm van een bedrag per eenheid. Artikel 13 13.1 Alleen in uitzonderingssituaties bij zwaarwegende redenen is inzet van een pgb door mensen uit het sociale netwerk van de cliënt mogelijk. Hieronder staan drie 87 87
88 van 140
aanvullende/nadere criteria voor uitvoering van het pgb door leden uit het sociale netwerk: •
Degene die de voorziening met het pgb uitvoert is aantoonbaar deskundig.
•
Degene die de voorziening met het pgb uitvoert lijdt kostenderving: ofwel in de vorm van inkomstenderving in verband met het bieden van mantelzorg, ofwel in de vorm van extra kosten die hij moet maken om intensieve mantelzorg te kunnen bieden.
•
Pgb door het sociaal netwerk leidt tot betere/efficiëntere ondersteuning
Deze drie aanvullende/nadere criteria moeten in principe alle drie in combinatie van toepassing zijn om het pgb in het eigen sociale netwerk te kunnen inzetten. 13.2 Verstrekking in de vorm van persoonsgebonden budget vindt niet of niet langer plaats als: a. op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een persoonsgebonden budget; b. er sprake is van vastgesteld oneigenlijk gebruik of misbruik van een persoonsgebonden budget in het verleden; c. er naar het oordeel van het college andere, zwaarwegende, bezwaren bestaan tegen de verstrekking. 13.3 a. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen in artikel 13.1, indien toepassing van deze bepalingen leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. b. Het college kan de bepalingen in dit artikel nader invullen in de beleidsregels. Artikel 14 14.1
88 88
89 van 140
Teneinde hun eigen kracht en regie te versterken stelt het college tijdens het vooronderzoek de jeugdige en zijn ouders op de hoogte van de mogelijkheid om binnen een redelijke termijn een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de wet op te stellen. Als de jeugdige en zijn ouders daarom verzoeken, draagt het college zorg voor ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan. 14.2 Als de jeugdige en zijn ouders een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de wet hebben opgesteld, betrekt het college dat als eerste bij het onderzoek. HOOFDSTUK 4 OVERIG
Paragraaf 1. Waarderingen Artikel 15 15.1 Het bedrag dat per jaar verstrekt wordt voor het mantelzorgwaardering bedraagt € 50,- per mantelzorger. Het college heeft nadere beleidsregels vastgesteld.
Pragraaf 2. Terugvordering Artikel 16
De meerwaarde van de woning die door het ontvangen van een woonvoorziening (compensatie op het leefgebied huisvesting) is ontstaan, dient bij verkoop van deze woning binnen een periode van 5 jaar na gereed melding van de voorziening, gedeeltelijk aan de gemeente Heumen te worden terugbetaald. Voor het bepalen van het bedrag van meerwaarde wordt uitgegaan van: c. het toegekende bedrag voor de woonvoorziening minus de bijdrage in de kosten die voor de woonvoorziening is betaald; d. een afschrijving van 10% voor elk vol jaar dat de woonvoorziening was gerealiseerd. Artikel 17 89 89
90 van 140
Bij een bedrag tot € 150,- wordt afgezien van terugvordering.
Paragraaf 3. Persoonsgebonden budget Artikel 18
De bewaartermijn voor de pgb-administratie is 7 jaar. Artikel 19 Bij overlijden van de pgb-houder wordt het persoonsgebonden budget na vier weken beëindigd
BIJLAGE 3: Criteria pgb zorgaanbieders en onderaannemers
90 90
91 van 140
Waar in deze bijlage wordt gesproken van ‘zorgaanbieder’, wordt zowel de pgbzorgaanbieder bedoeld als een onderaannemer, tenzij expliciet anders is aangegeven. Algemene criteria Geschiktheidseisen •
Het gaat om de geschiktheid om de opdracht uit te voeren. Daarvoor moet er bij de zorgaanbieder voldoende financieel economische draagkracht zijn en;
•
De zorgaanbieder moet voldoen aan de beroepsbekwaamheidseisen, waaronder diploma-eisen, afhankelijk van de te leveren ondersteuning: een bewijs als geregistreerd professional jeugd of certificering Wmo;
•
Ervaring blijkend uit 1 relevante referentieopdracht2 uitgevoerd in de laatste 3 jaren.33 Bij een onvoldoende referentie kan de hoofdaannemer een schriftelijke verklaring afgeven waarmee hij instaat voor de uitvoering van de opdracht door de onderaannemer.
Uitsluitingsgronden Er is bij de zorgaanbieder geen sprake van: 1. Het niet betalen van belasting en/of sociale premies 2. Deelneming in een criminele organisatie 3. Fraude 4. Terroristische misdrijven
2 2 De vereiste capaciteit, kennis en ervaring moet zijn opgedaan in en moet blijken
uit één relevante referentieopdracht die in de afgelopen 3 jaar is uitgevoerd. De gevraagde kerncompetentie: ZIN referentie (1 of meerdere referenties met minimaal 5 Cliënten), of PGB referentie geanonimiseerd (1 of meerder referenties met minimaal 5 Cliënten) 3 3 Deze eis geldt niet voor pgb-zorgaanbieders die behoren tot het sociaal
netwerk. 91 91
92 van 140
5. Witwassen 6. Kinderarbeid/mensenhandel 7. Schending van verplichtingen op gebied van milieu, sociaal- of arbeidsrecht 8. Faillissement 9. Vervalsing van mededinging 10. Een belangenconflict 11. Valse verklaring(en) 12. Vroegtijdige beëindiging van een eerdere overeenkomst, schadevergoeding of sanctie 13. Onrechtmatige beïnvloeding 14. Ernstige beroepsfouten: a. doen van een gift of belofte of het aanbieden van een dienst; b. verstrekken van onjuiste gegevens of het ten onrechte niet verstrekken van juiste gegevens; c. handelen of nalaten waardoor de integriteit van werknemers of andere personen ernstig in gevaar wordt gebracht; d. begaan van gedragingen in strijd met voor het beroep relevante wet- en regelgeving, tuchtregels, toezichtregels, gedragsregels of gedragscodes; e. het verrichten van werkzaamheden die in strijd zijn met de openbare orde; f. alle andere delicten en gedragingen of omstandigheden die naar hun aard zijn aan te merken als ernstige fout in de uitoefening van het beroep. Screening kan bestaan uit: 1. Het door een zorgaanbieder laten overleggen van schriftelijke bewijsstukken die aantonen dat hij aan de geschiktheidseisen en/of kwaliteitseisen voldoet waaronder een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG); 2. Het doen van onderzoek in open dan wel gesloten bronnen; 3. Het vragen van een Bibob-advies bij het Landelijk Bureau Bibob.
Kwaliteitscriteria pgb zorgaanbieders en onderaannemers De gemeenten zijn eindverantwoordelijk voor de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van zorg aan burgers. Ook als de ondersteuning wordt geboden via een pgb of onderaannemerschap. De zorgaanbieders dienen te werken met 92 92
93 van 140
deskundig personeel en kwalitatief goede zorg bieden, waarin de cliënt en zijn netwerk centraal staan. In geval van onderaanneming kan de hoofdaannemer garant staan voor de kwaliteitsonderdelen waarop de onderaannemer (nog) te kortschiet. De onderaannemer dient in ieder geval zelfstandig te voldoen aan de wettelijke kwaliteitskaders (zie onder kwaliteitseisen).
1. Het hulpverleningsplan/herstelplan en evaluatieverslag dienen aan de volgende eisen te voldoen44: De gemeente hecht (er) veel waarde aan: 1. “één huishouden, één plan” waarin alle leefdomeinen aan bod komen en samenhang is tussen de hulp van de verschillende dienstverleners en de informele zorg en ondersteuning; 2. dat iedereen zijn eigen mogelijkheden benut, zelfregie houdt over zijn leven en zijn sociale netwerk versterkt (samenredzaamheid); 3. dat ook kwetsbare doelgroepen volwaardig kunnen meedoen in de samenleving en een betekenisvolle tijdsbesteding hebben aansluitend bij de wensen en mogelijkheden; 4. methodisch werken aan ontwikkeling met door de cliënt gedragen doelen en concrete acties. a. Er moet een check zijn gedaan van alle leefdomeinen. Leefdomeinen: inkomen, werk en opleiding, tijdsbesteding, huisvesting, huiselijke relaties, geestelijke gezondheid, lichamelijke gezondheid, middelengebruik, vaardigheden bij activiteiten van het dagelijks leven (ADL), sociaal netwerk (en woonomgeving), maatschappelijke participatie en justitie. b. Het plan moet perspectiefgericht zijn. Er zijn doelen geformuleerd die duidelijk, concreet en haalbaar zijn en die niet alleen perspectief bieden op