CConstaterende datHeumen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage I Verordening Maatschappelijke Ondersteuning en Jeugdhulp 2023 gemeente Heumen

Raad 2 februari 2023, gemeente HeumenBij agendapunt: Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp 2023 gemeente Heumen29.665 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

a. (opnieuw) een schriftelijke aanwijzing geven; b. een last onder bestuursdwang opleggen; c. een last onder dwangsom opleggen. 2. Het college kan:

a. de aanbieder verbieden de levering van maatschappelijke ondersteuning voort te zetten, zolang hij een bevel of aanwijzing niet opvolgt.

b. het toekenningsbesluit aan de budgethouder van het persoonsgebonden budget

op grond van artikel 2.3.10, eerste lid van de wet intrekken, waarbij dit het recht op 32 32

33 van 140

ondersteuning in natura of een persoonsgebonden budget waarbij een andere pgbaanbieder wordt gekozen onverlet laat.

Artikel 34 Privaatrechtelijke maatregelen en opschorten betaling 1. De sanctiemogelijkheden op grond van deze verordening kunnen gepaard gaan met de inzet van privaatrechtelijke maatregelen op grond van de (contractuele) afspraken die tussen het college en de aanbieder zijn gemaakt. 2. Indien een aanbieder na de eerste hersteltermijn niet voldoet aan de opgelegde verbeteringen, kan het college besluiten om naast de bestuursrechtelijke maatregelen de aanbieder privaatrechtelijk schriftelijk in gebreke te stellen. 3. Indien de (contractuele) afspraken tussen het college en aanbieder na het verstrijken van de termijn van de ingebrekestelling nog niet (volledig) zijn nagekomen, kan het college de overeenkomst ontbinden. 4. De sanctiemogelijkheden op grond van deze verordening kunnen eveneens gepaard gaan met een verzoek van het college aan de Sociale Verzekeringsbank tot geheel of gedeeltelijke beëindiging, weigering of opschorting van een betaling uit het pgb als bedoeld in artikel 2b lid 6 Uitvoeringsregeling Wmo 2015. 5. De door het college genomen maatregelen moeten in redelijke verhouding staan tot de aard van de overtreding of melding. Paragraaf 6.6 Overige bepalingen Artikel 35 Register 1. Door en namens het college wordt een actueel register gepubliceerd waarin gecontracteerde aanbieders zijn opgenomen. 2.

Indien op een aanbieder een cliëntenstop is ingesteld, wordt dit in het register vermeld. Artikel 36 Meldingsplicht 1. Een aanbieder (dan wel in het geval van een persoonsgebonden budget: de budgethouder) is verplicht het college onverwijld schriftelijk te melden als niet langer aan de eisen gesteld bij of krachtens de wet, kan worden voldaan. 33 33

34 van 140

2. Het college treedt na deze melding in overleg met de aanbieder (dan wel in het geval van een persoonsgebonden budget: met de budgethouder), over de wijze waarop binnen een redelijke termijn wel aan de bij of krachtens de wet gestelde eisen kan worden voldaan. Hoofdstuk 7. Overig Artikel 37. Betrekken van ingezetenen bij het beleid

1. Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend. 2. Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen. 3. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning. 4. Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het tweede en derde lid.

Artikel 38. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

1. De Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Heumen 2022 wordt ingetrokken. 2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Heumen 2022, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken of de indicatietermijn is verstreken. 3. Aanvragen die zijn ingediend en meldingen die zijn gedaan onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Heumen 34 34

35 van 140

2022, en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening. 4. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Heumen 2022, wordt beslist met inachtneming van die betreffende verordening tenzij dit voor de bezwaarmaker nadelig uitpakt. Artikel 39. Nadere regels en hardheidsclausule

1. In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. 2. Het college kan nadere regels en beleidsregels stellen over de uitvoering van deze verordening. 3. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening als de toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 40. Inwerkingtreding en citeertitel

• Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2023 onder gelijktijdige intrekking van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Heumen 2022. • Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Heumen 2023.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van 2 februari 2023.

De raadsgriffier,

De burgemeester,

N. Collombon drs.

J.W.M.S. Minses

35 35

36 van 140

Toelichting verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Heumen 2022

Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning

2015 (hierna Wmo 2015) en de Jeugdwet. De Wmo 2015 en de Jeugdwet maken

deel uit van de bestuurlijke en – met toepassing van een budgetkorting – financiële decentralisatie naar gemeenten van een aantal taken. Hierbij wordt deels

voortgeborduurd op de weg die met de Wmo al was ingezet. Bekeken wordt wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociaal netwerk.

Vervolgens zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een

maatwerkvoorziening, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij.

Jeugdigen en hun ouders krijgen waar nodig tijdig bij hun situatie passende hulp met als beoogd doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jeugdige en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken. Voor het werkproces voor de beoordeling van de behoefte aan jeugdhulp is aansluiting gezocht bij dat uit de Wmo 2015. Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden om de

hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen,

om te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het verrichten van

maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren, om te bepalen of zo nodig met

gebruikmaking van een algemene voorziening kan worden volstaan, of dat een

maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is van een voorliggende voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 of de Jeugdwet valt. De Wmo 2015 en

deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom vast. Want waar het recht op compensatie dat bestond onder de ‘oude’ Wet maatschappelijke ondersteuning is komen te vervallen, wordt een recht op een zorgvuldige, tweezijdige procedure daartegenover gesteld. In de Jeugdwet is een omslag gemaakt van een stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg naar een stelsel op basis van een

voorzieningenplicht voor gemeenten, op een wijze zoals eerder is gebeurd in de Wmo. Het doel van het jeugdhulpstelsel blijft echter overeind: jeugdigen en hun

ouders krijgen waar nodig tijdig bij hun situatie passende hulp met als beoogd doel 36 36

37 van 140

ervoor te zorgen de eigen kracht van de jeugdige en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken.

Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten leiden: ondersteuning waar ondersteuning nodig is. De toeleiding naar jeugdhulp kan op verschillende manieren plaatsvinden.

Toegankelijkheid ondersteuning Ondersteuning vanuit de Wmo en de Jeugdwet kan ‘vrij-toegankelijk’ of ‘niet vrijtoegankelijk’ zijn.

Voor vrij-toegankelijke ondersteuning is geen verwijzing of besluit van het college nodig. Cliënten zijn vrij om hier gebruik van te maken en kunnen rechtstreeks contact opnemen met de aanbieder.

Voor niet-vrij-toegankelijke ondersteuning is wel een verwijzing of besluit van het college nodig. Er wordt dan onderzoek gedaan naar de situatie van de aanvrager,

onder andere door een gesprek met hem te voeren. Er wordt dan ook beoordeeld of een vrij-toegankelijke ondersteuning past bij de situatie van de cliënt. Zo ja, dan wordt eerst verkend of de vrij-toegankelijke ondersteuning de hulpvraag van de cliënt voldoende wegneemt. Als het college besluit dat niet vrij-toegankelijke

ondersteuning noodzakelijk is dan volgt er een formeel besluit. Daarna kan de cliënt van deze ondersteuning gebruik maken.

Ondersteuning vanuit de Wmo wordt door het college toegekend aan de cliënt. Het

college neemt een besluit en verwijst de cliënt naar de aangewezen aanbieder. Voor ondersteuning vanuit de Jeugdwet geldt dit ook, maar is het college niet de enige toeleider. Naast het college kunnen ook de volgende partijen doorverwijzen naar ondersteuning vanuit de Jeugdwet:

Toegang via huisartsen, jeugdartsen en medisch specialisten: Deze verwijzers kunnen bepalen dat de cliënt ondersteuning nodig heeft en

verwijzen naar een aanbieder, die door de gemeente is gecontracteerd. Deze

verwijzers bepalen echter niet welke ondersteuning de cliënt nodig heeft. Het is dan vaak de aanbieder die bepaalt welke voorziening nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). De aanbieder moet zich houden aan de afspraken die hij hierover gemaakt heeft met de gemeente.

Deze afspraken gaan vooral over afstemming met elkaar zodat het principe van ‘één gezin, één regisseur, één plan’ wordt geborgd. Ook moet de aanbieder rekening 37 37

38 van 140

houden met de regels die de gemeente in de verordening heeft gesteld. De gemeente speelt geen nadrukkelijke rol in de toeleiding door huisartsen, jeugdartsen en medisch specialisten.

Toegang via de gecertifieerde instelling (GI), de kinderrechter, Openbaar Ministerie (OM) en de directeur of selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting: Kinderrechters kunnen kinderbeschermingsmaatregelen en maatregelen tot

jeugdreclassering nemen. De GI’s voeren dit vervolgens uit, maar moeten hierover verplicht overleg voeren met de gemeente. De gemeente moet de jeugdhulp

inzetten die de GI’s nodig vinden om de kinderbeschermingsmaatregel of de

jeugdreclassering uit te voeren. Het gaat immers om een besluit dat door de rechter genomen is. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezag beëindiging uitspreekt, dan wijst hij in de beschikking aan welke GI die maatregel moet

uitvoeren. De rechter kan dit omdat de Raad van de Kinderbescherming hierover

adviseert, na overleg te hebben gevoerd met de gemeente. De toegang door deze verwijzers is geregeld in de Jeugdwet en komt daarom verder niet terug in deze verordening.

Toegang via Veilig Thuis: Veilig Thuis geeft advies over vermoedens en gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling, onderzoekt indien nodig op basis van een melding of er

sprake is van kindermishandeling, motiveert zo nodig ouders tot accepteren van jeugdhulp en legt daartoe contacten met de hulpverlening. Ook deze vorm van verwijzing is al geregeld in de Jeugdwet en komt verder niet terug in deze verordening.

De Wmo 2015, de Jeugdwet en deze verordening leggen veel bevoegdheden bij het college. De uitvoering hiervan zal echter in de regel namens het college gedaan

worden (in mandaat) door deskundige consulenten, ambtenaren of bijvoorbeeld

aanbieders. Waar in deze verordening en in de wet dus ‘het college’ staat, kan het college deze bevoegdheid mandateren aan ondergeschikten dan wel niet-

ondergeschikten, op grond van de Awb. Op grond van artikel 2.6.3 van de Wmo

2015 kan het college de vaststelling van rechten en plichten van de cliënt echter

alleen mandateren aan een aanbieder. De toelichting bij artikel 2.11, eerste lid van de Jeugdwet spreekt ook van mandaat aan een aanbieder. Zie voor de definitie van ‘aanbieder’ de toelichting onder artikel 1. Deze beperking geldt alleen voor

mandatering aan niet-ondergeschikten. Het college kan de vaststelling van rechten en plichten ook aan ondergeschikten mandateren. 38 38

39 van 140

Wettelijke kaders De Wmo 2015 schrijft in artikel 2.1.3, eerste lid, voor dat de gemeente per

verordening de regels dient vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het verplichte gemeentelijk beleidsplan met betrekking tot maatschappelijke

ondersteuning. In de verordening dient overeenkomstig de artikelen 2.1.3, tweede tot en met vierde lid, 2.1.4, derde en zevende lid, en 2.1.6 van de Wmo 2015 in ieder geval bepaald te worden:

-op welke wijze en op basis van welk criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor

een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt;

-op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld; -welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, inclusief eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten; ten aanzien van welke

voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten vereist is; -ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van

cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn vereist is;

-op welke wijze ingezetenen, waaronder cliënten of hun vertegenwoordigers,

worden betrokken bij uitvoering van de wet, voorstellen voor beleid kunnen doen, gevraagd en ongevraagd advies kunnen uitbrengen over verordeningen en

beleidsvoorstellen, worden voorzien van ondersteuning en deel kunnen nemen aan periodiek overleg;

-op welke wijze de kostprijs van een maatwerkvoorziening wordt berekend; en -op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers en pleeggezinnen van cliënten in de gemeente.

Ook dient de gemeente overeenkomstig de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wmo 2015 per verordening regels te stellen:

-voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, en van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet;

-ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening, waar het college ten 39 39

40 van 140

aanzien daarvan de uitvoering van de Wmo 2015 door derden laat verrichten. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.

Daarnaast kan de gemeente op grond van de artikelen 2.1.4, eerste en tweede lid, 2.1.4a, 2.1.5, eerste lid, 2.1.7 en 2.3.6, derde lid, van de Wmo 2015: -bepalen dat cliënten voor algemene voorzieningen, niet zijnde

cliëntondersteuning, en maatwerkvoorzieningen een bijdrage verschuldigd zullen zijn;

-de hoogte van de bijdrage voor de verschillende soorten van voorzieningen, ook wanneer de cliënt de ondersteuning zelf inkoopt met een pgb, in de verordening

verschillend vaststellen. Hierbij kan tevens worden bepaald dat op de bijdrage een korting wordt gegeven voor personen die behoren tot daarbij aan te wijzen groepen;

-bepalen dat de bijdragen voor opvangvoorzieningen door een andere instantie dan het CAK wordt vastgesteld en geïnd;

-bepalen dat in geval van een minderjarige cliënt die niet zelf de eigenaar is van de woning, een bijdrage wordt opgelegd aan diens onderhoudsplichtige ouders en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag over de cliënt uitoefent;

-bepalen dat aan personen met een beperking of chronische psychische of

psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de

zelfredzaamheid en de participatie, en vaststellen welke de toepasselijke grenzen zijn met betrekking tot de financiële draagkracht;

-bepalen onder welke voorwaarden betreffende het tarief de persoon aan wie een

pgb wordt verstrekt, de ondersteuning kan inkopen van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.

De Jeugdwet schrijft in de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 voor dat de gemeenteraad per verordening in ieder geval regels opstelt:

-over de door het college te verlenen maatwerkvoorzieningen en overige (jeugdhulp)voorzieningen;

40 40

41 van 140

-met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een maatwerkvoorziening;

-over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een

maatwerkvoorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen;

-over de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld;

-voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening

of persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijke gebruik van de Jeugdwet;

-over de wijze waarop ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van de Jeugdwet, en

-ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van jeugdhulp,

kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, waar het college ten aanzien daarvan de uitvoering van de Jeugdwet door derden laat verrichten. Hierbij dient

rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.

Daarnaast kan op grond van artikel 8.1.1, vierde lid, van de Jeugdwet bij

verordening bepaald worden onder welke voorwaarden de persoon aan wie een

persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk.

Artikel 2.1.3, tweede lid, van de Wmo 2015 en artikel 2.9 van de Jeugdwet bieden verder ruimte om met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wmo 2015, en de Jeugdwet andere regels te stellen. Deze verordening maakt hier

spaarzaam gebruik van om een meer compleet beeld te geven van de rechten en plichten van ingezetenen en de gemeente.

Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op

grond van artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 en artikel 2.2 van de Jeugdwet eveneens dient vast te stellen. In dit beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te

voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp vastgelegd.

41 41

42 van 140

Artikelsgewijze toelichting Artikel 1. Begripsbepalingen Niet iedere bepaling behoeft toelichting, vandaar een beperkte toelichting op enkele begrippen.

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: b. algemeen gebruikelijke voorziening Het is niet de bedoeling dat het college voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op

de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze cliënt daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken.

Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor deze specifieke cliënt. De beoordeling of sprake is van een algemeen

gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen

beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een rol spelen: • •

Is de voorziening gewoon te koop?

Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht?

• •

Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen? Is de voorziening financieel draagbaar voor iemand met een inkomen op minimumniveau?

i. gebruikelijke hulp in relatie tot jeugdhulp Gebruikelijke hulp is gedefinieerd in de Wmo 2015. Het idee achter het begrip is dat de gemeente geen ondersteuning hoeft te bieden als de bewuste ondersteuning normaal gesproken binnen de huiselijke kring wordt opgelost. Er is geen reden

waarom deze logica niet ook zou opgaan voor jeugdhulp. Omdat het begrip in de Jeugdwet niet voorkomt, is het in deze verordening opgenomen. k. gesprek

42 42

43 van 140

Het gesprek is het contact na een melding waarin het college met degene die maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp vraagt zijn gehele situatie

inventariseert ten aanzien van zijn mogelijkheden om op eigen kracht, met

gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk dan wel met gebruikmaking van voorliggende voorzieningen, algemeen

gebruikelijke voorzieningen, algemene voorzieningen of maatwerkvoorzieningen zijn beperkingen of hulpvraag te verminderen of weg te nemen. m. hulpvraag De hulpvraag is de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. Als iemand die behoefte heeft aan maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp zich tot het college of de andere organisatie wendt, is het van belang dat allereerst

wordt onderzocht wat de hulpvraag van betrokkene is. Wanneer de betrokkene zich voor het eerst meldt, is in veel gevallen niet op voorhand duidelijk of en in welke

vorm het college in actie moet komen. Een zorgvuldig onderzoek is noodzakelijk. o. ingezetene De cliënt kan als hij ingezetene is van een gemeente in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo 2015 gericht op zelfredzaamheid en participatie (artikel 1.2.1 Wmo). Om voor een maatwerkvoorziening gericht op

beschermd wonen en opvang in aanmerking te komen moet de cliënt in ieder geval ingezetene van Nederland zijn, maar niet perse van de gemeente. Uit de Memorie

van Toelichting volgt dat een ingezetene zich, voor een maatwerkvoorziening, moet wenden tot het college van de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' is niet

verder uitgelegd. Uit de jurisprudentie bij de (oude) Wmo (CRvB 22-09-2010, nr. 09/1743 WMO) volgt dat het gaat om de feitelijke verblijfplaats, waarbij een

inschrijving de Basisregistratie personen (Brp) een belangrijke aanwijzing is, maar niet doorslaggevend.

De definitie maakt duidelijk dat het begrip ingezetene hier wordt gebruikt in relatie tot maatschappelijke ondersteuning. De Jeugdwet kent zijn eigen

woonplaatsbeginsel, welke is neergelegd in artikel 1.1 van deze wet. r. melding Een ieder kan zich melden bij zijn gemeente met een hulpvraag. Door het melden

maakt de cliënt de hulpvraag aan het college kenbaar. In vervolg op deze melding zal het college in samenspraak met de cliënt zo spoedig mogelijk een onderzoek (laten) instellen. Als een ingezetene alleen informeert naar bijvoorbeeld de 43 43

44 van 140

beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen

maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek in te stellen.

Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal

(definitie)bepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’

(artikel 1:3, derde lid, van de Awb): een verzoek van een belanghebbende om een

besluit te nemen, en ‘beschikking’ (artikel 1:2 van de Awb): een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van de aanvraag daarvan. Artikel 2. Melding hulpvraag Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel

2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de Wmo 2015 en artikel 2.9, aanhef en onder a van de Jeugdwet. Daarbij is onder meer bepaald dat de gemeente bij

verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze een cliënt in aanmerking komt

voor een maatwerkvoorziening. In artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015 wordt al bepaald dat als bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, het college deze melding onderzoekt. De

opdracht aan het college in artikel 2.3, eerste lid van de Jeugdwet om voorzieningen op het gebied van jeugdhulp te treffen indien naar zijn oordeel een jeugdige of

ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen,

psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het

probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, betekent eveneens dat het college de melding van de behoefte aan jeugdhulp onderzoekt.

Deze bepaling verankert ook in de verordening dat bij het college een melding kan worden gedaan en door wie. In artikel 2.3.2, negende lid, van de Wmo 2015 is

bepaald dat een aanvraag niet kan worden gedaan dan nadat (naar aanleiding van

de melding) onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de termijn van zes weken. Het eerste lid bevat regels voor de verplichte

meldingsprocedure. De melding is vormvrij en kan schriftelijk, mondeling of telefonisch bij het college worden gedaan. In de praktijk zal het college de

procedure betreffende melding, onderzoek en verslag laten uitvoeren door daartoe door het college aangewezen deskundigen. Ook op andere plaatsen in deze

verordening en in de wet waar staat “het college”, kan het college deze bevoegdheid mandateren naar ondergeschikten dan wel niet-ondergeschikten op grond van de algemene regels van de Awb.

44 44

45 van 140

In Heumen kan de melding worden gedaan bij Vraagwijzer, het KCC of het Kernteam.

In artikel 2:15 van de Awb is bepaald dat een aanvraag elektronisch (onder meer per email) kan worden gedaan als het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze

weg geopend is. Dit is in de gemeente Heumen (nog) niet het geval. De melding kan ‘door of namens de cliënt’ worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de

cliënt kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkene de melding doen.

In het eerste lid van artikel 9 in de verordening is met gebruik van de in artikel 1

gedefinieerde term ‘hulpvraag’ een afbakeningsbepaling gegeven. Een persoon met

een hulpvraag die op grond van een andere wet kan worden beantwoord, kan direct en gericht worden doorverwezen. Te denken valt hier bijvoorbeeld aan de

Zorgverzekeringswet, de Participatiewet en de Leerplichtwet. Zie ook de tekst en toelichting van artikel 8, tweede lid.

In het tweede lid is de verplichte schriftelijke ontvangstbevestiging verankerd

(artikel 2.3.2, eerste lid, slotzin, van de Wmo 2015). Conform artikel 4:3a van de Awb is het bestuursorgaan gehouden een elektronisch ingediende aanvraag te

bevestigen. Dat kan dan – en ligt voor de hand – ook elektronisch. Als de melding mondeling of telefonisch is gedaan, kan dit ook worden afgesproken.

Aangezien het onderzoek na een melding maximaal zes weken mag beslaan (zie

artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015), is registratie en ontvangstbevestiging van de melding ook in het kader van deze termijn van belang. In voorkomende

gevallen kan de beslistermijn worden opgeschort. De bepalingen van de Awb zijn hier van toepassing.

In de Jeugdwet is niet de procedure beschreven zoals de Wmo 2015 die beschrijft. Omdat het gewenst is om hetzelfde werkproces en dezelfde termijnen voor de afhandeling van meldingen jeugdhulp te hanteren als voor de afhandeling van

meldingen maatschappelijke ondersteuning, is in het derde lid de termijn van 6 weken uitdrukkelijk genoemd.

In het vierde lid is overeenkomstig artikel 2.3.3 van de Wmo 2015 en ter uitvoering van artikel 2.6, eerste lid onder b van de Jeugdwet een uitzondering vervat voor

spoedeisende gevallen. Het college of de andere organisatie is op grond van de wet verplicht in dergelijke gevallen een passende tijdelijke maatwerkvoorziening te

45 45

46 van 140

verstrekken in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek dat volgt na de melding.

In het vijfde lid is overeenkomstig artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de

Jeugdwet opgenomen dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot

jeugdhulp, ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch

specialist of jeugdarts naar de jeugdhulp blijft bestaan. Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke

(individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige

rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of

orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp

precies nodig is. Deze jeugdhulpaanbieder bepaalt in overleg met de jeugdige of

ouder daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud

van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2). Zie ook de algemene toelichting.

Het college legt de te verlenen maatwerkvoorziening, dan wel het afwijzen daarvan,

in alle gevallen vast in een beschikking aan de jeugdige en/of zijn ouders. Dit tenzij de verwijzing gedaan is door een huisarts, medisch specialist of jeugdarts. Een beschikking wordt dan niet afgegeven. Artikel 3. Cliëntondersteuning Het eerste lid is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college in

artikel 2.2.4, eerste lid, onder a, en tweede lid, van de Wmo 2015. Deze verplichting geldt ook voor cliënten die onder de Jeugdwet vallen. De Wmo 2015 adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de Wmo 2015 is toch in de verordening opgenomen

vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van cliënten te geven.

Hierbij is benadrukt dat de cliëntondersteuning op grond van de wet voor de cliënt kosteloos is. In de memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de Wmo 2015

(Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) is vermeld dat gemeenten hiermee de

opdracht hebben in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar burgers informatie en advies over vraagstukken van

maatschappelijke ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. 46 46

47 van 140

Ook uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kortcyclische

ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit.

Het tweede lid is de uitwerking van artikel 2.6, eerste lid, onder f, van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat het college ervoor verantwoordelijk is dat jeugdigen, hun

ouders of pleegouders een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon. Met de vertrouwenspersoon wordt een functionaris bedoeld zoals deze voor 2015 werkzaam was binnen de jeugdzorg. Onafhankelijkheid, beschikbaarheid en

toegankelijkheid zijn belangrijke factoren (wettelijke vereisten) voor een goede

invulling van deze functie. Er is een regionale vertrouwenspersoon ingesteld. Het

Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ) en de Zorgbelangorganisaties voeren de functie van vertrouwenspersoon in samenwerking met elkaar uit.

De Jeugdwet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de

verordening opgenomen vanwege het in het belang om in de verordening een

compleet overzicht van rechten en plichten van jeugdigen en ouders te geven. Bij algemene maatregel van bestuur (het Besluit Jeugdwet) is een nadere uitwerking gegeven van de taken en bevoegdheden van de vertrouwenspersoon.

In het derde lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, derde lid, van de Wmo 2015

bepaald dat het college de betrokkene na de melding van de hulpvraag inlicht over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning. Indien de melding jeugdhulp

betreft, licht het college betrokkene eveneens in dat hij desgewenst gebruik kan maken van een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Artikel 4. Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan Deze bepaling is hier opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het eerste lid dient als voorbereiding van het gesprek op basis van de melding

waarbij in samenspraak met de cliënt bekende gegevens in kaart worden gebracht en cliënten niet worden belast met vragen over zaken die bij de gemeente of de

andere organisatie al bekend zijn en, indien van toepassing, een goede afstemming mogelijk is met eventuele andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen. Dit vooronderzoek kan

afhankelijk van de inhoud van de melding meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook het in samenspraak met de cliënt afspreken van een datum, tijd en plaats voor

het gesprek. Tijdens het gesprek kunnen op basis van dit vooronderzoek ook al wat 47 47

48 van 140

concrete vragen worden gesteld of aan de cliënt worden verzocht om nog een aantal stukken over te leggen.

De verplichting tot het overleggen van stukken, zoals vermeld in het tweede lid, is

opgenomen overeenkomstig artikel 2.3.2, zevende lid, van de Wmo 2015 en artikel 8.1.2, derde lid van de Jeugdwet. In het kader van de rechtmatigheid is het op grond van artikel 2.3.4 van de Wmo 2015 en deze verordening in ieder geval verplicht om de identiteit van de cliënt vast te stellen aan de hand van een

document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en is de cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening ook verplicht dat document

ter inzage te geven. Bij de gegevensverzameling op grond van het eerste en tweede lid zullen de privacy bepalingen uit de Wmo 2015, de Jeugdwet en de Wet bescherming persoonsgegevens in acht genomen moeten worden.

In spoedeisende gevallen, bijvoorbeeld bij de vrouwenopvang, is het niet altijd

mogelijk een identiteitsdocument te overleggen, terwijl het college de cliënt wel opvang wil bieden. Voor dit soort gevallen geldt een uitzondering op de identificatieplicht.

Op grond van het derde lid kan worden afgezien van het vooronderzoek als dat een onnodige herhaling van zetten betekent.

In het vierde lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, tweede lid, van de Wmo 2015 de

verplichting voor het college of de andere organisatie opgenomen om informatie te verschaffen over de mogelijkheid voor de cliënt om een persoonlijk plan op te stellen en deze aan het college of de andere organisatie te overhandigen. De

Jeugdwet kent deze verplichting niet, maar in de verordening wordt ook voor de

cliënt die een melding jeugdhulp doet een vergelijkbare mogelijkheid geboden. Zie ook artikel 5, tweede lid. Artikel 5. Gesprek Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepalingen van de

Wmo 2015 en de Jeugdwet. In artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de Wmo 2015 is onder meer bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval regels vaststelt die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het in artikel 2.1.2 bedoelde plan en de door het college te nemen besluiten of te verrichten

handelingen. In artikel 2.9 van de Jeugdwet is onder meer bepaald dat de gemeente regels stelt over de door het college te verlenen voorzieningen, met betrekking tot 48 48

49 van 140

de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de

afwegingsfactoren bij een individuele voorziening (die in deze verordening maatwerkvoorziening wordt genoemd).

De onderdelen van het eerste lid zijn overeenkomstig de opsomming in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 opgenomen. In artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015 wordt niet de aanduiding “het gesprek” gebruikt maar “een onderzoek in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de

mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger”. Het wordt aan de professionele inschatting van de medewerker van het college of de andere organisatie om te betrekken bij het gesprek wie hij nodig acht.

De memorie van toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 143) verduidelijkt dat voor een zorgvuldig onderzoek veelal sprake zal zijn van enige vorm van persoonlijk contact met betrokkene of een

vertegenwoordiger van betrokkene, aangezien daardoor een adequaat totaalbeeld van de betrokkene en zijn situatie verkregen kan worden. Het eerste lid bepaalt

daarom dat het onderzoek moet plaatsvinden in samenspraak met betrokkene. De vorm van het onderzoek is vrij.

In het eerste lid is verder benadrukt dat het gesprek met de cliënt wordt gevoerd

door deskundigen (namens het college). Het gesprek vindt zo mogelijk bij de cliënt thuis plaats. Als woningaanpassingen nodig zijn, is dat zeker essentieel om de

thuissituatie goed te kunnen beoordelen en doeltreffende oplossingen te vinden. In het eerste lid, onderdeel b is als onderwerp van gesprek ‘het gewenste resultaat van de hulpvraag’ opgenomen. Dit is belangrijk, omdat in de woorden van de nota

naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz. 183) “de ultieme toetssteen of de maatschappelijke ondersteuning effectief is geweest, ligt in de beantwoording van de vraag of de cliënt zelf vindt dat de verleende

maatschappelijke ondersteuning heeft bijgedragen aan een verbetering van zijn

zelfredzaamheid of participatie. In het wetsvoorstel Wmo 2015 staat het bereiken van dit resultaat centraal”.

In het tweede lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de Wmo 2015

verankerd dat het college een door of namens de cliënt ingediend persoonlijk plan

betrekt bij het onderzoek. Nu de gemeente een vergelijkbare beschrijving ook voor jeugdhulpvragen heeft opgenomen in artikel 4, vierde lid, dient zij of de andere organisatie een ingediende beschrijving ook bij het onderzoek te betrekken. 49 49

50 van 140

Het gesprek is hoofdregel en hoeft uiteraard niet plaats te vinden als dit niet nodig is (zie het vierde lid). Het kan bijvoorbeeld om een cliënt gaan die al bekend is bij de gemeente of de andere organisatie en een eenvoudige ‘vervolgvraag’ heeft. Artikel 6. Verslag Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure en is overeenkomstig artikel 2.3.2, achtste lid, van de

Wmo 2015 opgenomen. Voor jeugdhulp is aansluiting gezocht bij de praktijk van de Wmo 2015.

Het eerste lid borgt dat altijd verslag wordt opgemaakt. De invulling van deze

verslagplicht is vormvrij. Hierbij kan worden voortgeborduurd op de praktijk van de Wmo 2015 . In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 32-33) staat dat de gemeente aan de cliënt een weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt om hem in staat te stellen een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening. Dat moet in beginsel schriftelijk.

Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste

beslissing te nemen te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke

communicatie met de cliënt. Uiteraard zal de weergave van de uitkomsten van het

onderzoek variëren met de uitkomsten van het onderzoek. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de cliënt van mening is goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is.

Bij meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave

noodzakelijk zijn. Het college kan de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek ook gebruiken als een met de cliënt overeengekomen plan

(arrangement) voor het bevorderen van zijn zelfredzaamheid en participatie waarin de gemaakte afspraken en de verplichtingen die daaruit voortvloeien, zijn

vastgelegd. Het is in dat geval passend dat het college en de cliënt dit plan

ondertekenen. Als een schriftelijke beschrijving zoals bedoeld in artikel 4, vierde lid, is overhandigd, wordt zij ook opgenomen of toegevoegd aan het verslag. Artikel 7. Aanvraag Ook deze bepaling is een uitwerking van artikel 2.1.3, eerste lid, en tweede lid,

onder a, van de Wmo 2015 en artikel 2.9, onderdeel a, van de Jeugdwet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze

wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt. 50 50

51 van 140

De Wmo 2015 bepaalt dat het college binnen twee weken na de ontvangst van de

aanvraag de beschikking moet geven (artikel 2.3.5, tweede lid, van de Wmo 2015). Voor aanvragen betreffende jeugdhulp is aansluiting gezocht bij de termijn uit de Wmo 2015. In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze

verordening wijkt daarvan niet af. Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk ingediend bij het

bestuursorgaan dat bevoegd is op de aanvraag te beslissen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.

In het eerste lid is aangegeven dat naast de cliënt alleen een daartoe door hem gemachtigd persoon of een vertegenwoordiger (zie voor een definitie van

vertegenwoordiger de toelichting onder artikel 1) een aanvraag kan indienen. Dit is minder ruim dan de kring van personen rond de cliënt die een melding kan doen. Zie hiervoor artikel 2 en de toelichting daarbij. Aangezien het hier gaat om de

formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Awb, is hier de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld.

Het college heeft de bevoegdheid om een ondertekend verslag aan te merken als aanvraag. Reden om in het individuele geval het verslag niet aan te merken als

aanvraag kan zijn het tijdsverloop tussen de datum van opmaken van het verslag en de aanvraagdatum. Het college kan het dan aannemelijk achten dat door het

tijdsverloop het verslag niet meer (volledig) van toepassing is op de actuele situatie van de jeugdige of zijn ouders/cliënt.

Artikel 8. Criteria voor maatwerkvoorziening In dit artikel is het algemene afwegingskader dat centraal staat nogmaals uiteengezet. De nadruk ligt op de eigen kracht en hulp van anderen. De

maatwerkvoorziening vormt slechts het sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp.

In artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel a, van de Wmo 2015 en artikel 2.9, onderdeel a, van de Jeugdwet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een

maatwerkvoorziening in aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling in de Wmo 2015 (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, blz. 134 en ) en in de

memorie van toelichting bij de Jeugdwet (TK 2012/2013, 33684, nr. 3, blz. 3 en 7) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. Ook de Jeugdwet gaat uit van de maatwerkgedachte.

Gemeentelijke vrijheid is nodig, omdat de behoeften van inwoners per gemeente 51 51

52 van 140

kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt

geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet

nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel is deze verplichting uitgewerkt.

In het vierde lid wordt ingegaan op de situatie waar een maatwerkvoorziening

noodzakelijk is ter vervanging van een eerder verstrekte maatwerkvoorziening. Deze bepaling ziet op materiële Wmo-voorzieningen. Artikel 9 Afwijzingsgronden In jurisprudentie is inmiddels herhaaldelijk bepaald dat afwijzingsgronden, wil er

met succes een beroep op worden gedaan, een grondslag in de verordening moeten hebben.

Ook in het kader van rechtszekerheid is dit van belang. Bij het ontbreken van

afwijzingsgronden of het hanteren van zeer ruime afwijzingsgronden is het voor de cliënt niet mogelijk om zijn rechtspositie te bepalen of te voorzien. Bovendien is

met dit artikel invulling gegeven aan de verplichting van artikel 2.1.3, tweede lid onder a, van de Wmo 2015 en van artikel 2.9, onderdeel a, van de Jeugdwet. Het eerste lid onder a: deze bepaling ziet alleen op maatschappelijke

ondersteuning, omdat de Wmo 2015 niet een bepaling kent zoals die wel was

opgenomen in artikel 2 van de oude Wmo en zoals die is opgenomen in artikel 1.2 van de Jeugdwet. Het is echter wel van belang om een duidelijke afbakening te hebben met andere wetten. Vandaar dat deze bepaling in de verordening is

opgenomen. Voor zover er met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat, wordt er geen maatwerkvoorziening toegekend.

Het eerste lid onder b: dit betreft de herhaling van het algemene toetsingskader,

zoals dat in artikel 2.3.5 lid 3 en 4 van de Wmo 2015, artikel 2.3 van de Jeugdwet

en in deze verordening centraal staat. Door het hier te herhalen kan het dienst doen als afwijzingsgrond.

52 52

53 van 140

Het eerste lid onder c: een algemene voorziening gaat voor op verstrekking van een maatwerkvoorziening. Ook dit is een uitvloeisel van het algemene toetsingskader van de wet. Het is hier opgenomen om dienst te doen als afwijzingsgrond. Indien naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek aanspraak

bestaat op een andere voorziening, hoeft, met inachtneming van de uitzonderingen genoemd in artikel 1.2 van de Jeugdwet, geen maatwerkvoorziening te worden verstrekt.

Het eerste lid onder d: het is niet de bedoeling dat het college voorzieningen

verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze cliënt daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken.

Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt. De beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke

voorziening voor de cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een rol spelen: • •

Is de voorziening gewoon te koop?

Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht?

• •

Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen? Is de voorziening financieel draagbaar voor iemand met een inkomen op minimumniveau?

Het eerste lid onder f: hier wordt de situatie bedoeld dat de cliënt na de melding en voor de beschikking een maatwerkvoorziening heeft gerealiseerd of aangekocht.

Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst adequate voorziening beschouwt.

Het eerste lid onder g: binnen de gekantelde aanpak wordt een sterker beroep

gedaan op de eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid van een belanghebbende. Cliënt wordt wat betreft de bevordering van zelfredzaamheid en participatie geacht eerst eigen oplossingen en oplossingen vanuit zijn netwerk in te zetten. Eventuele

ondersteuning vanuit de gemeente vormt slechts het sluitstuk. Bij het compenseren van beperkingen die een ondersteuningsvrager ondervindt in zijn maatschappelijke participatie wordt dus rekening gehouden met de keuzes die de cliënt maakt in het 53 53

54 van 140

leven, waarbij verwacht mag worden dat een ondersteuningsvrager geschikte

keuzes maakt rekening houdend met de beperkingen die horen bij de individuele

omstandigheden van de cliënt. Onder ‘geschikte keuzes’ wordt verstaan dat cliënt keuzes maakt die de zelfredzaamheid en participatie bevorderen en niet doen afnemen.

Deze afwijzingsgrond kan niet in het geval van jeugdhulp worden gebruikt. Het eerste lid onder i: het college kan volstaan met de goedkoopst adequate

voorziening. Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt

dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat als de meest goedkope voorziening te zijn. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in

aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt. Tevens is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het

kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Het is uiteraard wel mogelijk een adequate voorziening te verstrekken die duurder is

dan de goedkoopst adequate voorziening, mits de cliënt bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Het begrip goedkoopst adequaat geeft het college mogelijkheden tot sturen binnen het beleid.

Het tweede lid onder c en d: deze afwijzingsgronden kunnen naast elkaar bestaan. De eerste afwijzingsgrond is ruimer en ontslaat het college niet van de

compensatieplicht. Als de afwijzingsgrond onder d valt dan komt het college niet meer aan c toe, maar is hiermee de afwijzing rond.

In het derde lid is bepaald dat het college of de andere organisatie kan beoordelen of een cliënt die pgb wenst voldoet aan de voorwaarden genoemd in de artikelen 12, 13, 14 en 14a van deze verordening. Het college of de andere organisatie heeft daartoe informatie van de cliënt nodig. Het door de cliënt ingediende plan dient als basis voor de beoordeling. Zonder een volledig plan kan het college of de andere organisatie deze beoordeling niet maken. Het vierde lid onder a: hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld vertonen van geweld en agressief gedrag.

54 54

55 van 140

Het vierde lid onder d: hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld ernstige

verslaving of acute psychische problematiek, waarvoor behandeling met opname in een instelling of kliniek noodzakelijk is. Artikel 9a. Wonen en zorg Op grond van artikel 2.1.3 lid 4 van de Wmo 2015 en artikel 2.9 sub d van de

Jeugdwet worden in de verordening regels gesteld voor de bestrijding van het ten

onrecht ontvangen van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Een van deze regels is dat gemengde huur-/ondersteuningsovereenkomsten niet worden geaccepteerd. De

gemeente of de cliënt moeten de aanbieder of de derde kunnen aanspreken op de

geleverde ondersteuning, zonder te moeten vrezen voor verlies van de huisvesting van de cliënt. Ook moet het de cliënt vrij blijven staan te wisselen van aanbieder

dan wel derde aan wie hij zijn pgb wenst te besteden. Dit ook gelet op mogelijke wijziging van de indicatie bij een verlengingsverzoek of heroverweging. Het

contractueel samenbrengen van ondersteuning en huisvesting vertroebelt het

toezicht op kwaliteit van ondersteuning en bemoeilijkt adequate handhaving. De aanbieder dan wel derde aan wie het pgb zal worden besteed, hebben dubbele financiële belangen die als oneigenlijk gebruik van de wet moeten worden

aangemerkt. Het belang van de cliënt dient altijd voorop te stand, ongeacht de leveringsvorm van de ondersteuning. Artikel 10. Inhoud beschikking Uitgangspunt van de wet is dat de cliënt een maatwerkvoorziening in ‘natura’ krijgt. De mogelijkheid van het toekennen van een pgb bestaat als de cliënt dit wenst, voldoet aan de criteria en in het kader van een voorziening in de zin van de Jeugdwet kan motiveren waarom een voorziening in natura niet passend is.

Het tweede lid, onder a, en derde lid, onder a: het beoogde resultaat is bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ en niet ‘een scootmobiel’. Zie ook de toelichting op artikel 5, eerste lid, onder b. Voor jeugdhulp is het resultaat bijvoorbeeld gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid, voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau.

Het tweede, onder b, en derde lid, onder d: onder ‘duur’ valt ook de termijn waarop een voorziening technisch is afgeschreven.

55 55

56 van 140

Bij het tweede lid, onder c, geldt dat als het college een voorziening beschermd wonen of beschermd thuis in natura verstrekt, de gecontracteerde aanbieder

vervolgens gedurende de verstrekking de individuele begeleiding en dagbesteding verstrekt waar de cliënt volgens het herstelplan, opgesteld door cliënt en

gecontracteerde aanbieder, behoefte aan heeft. Gedurende de looptijd van de

verstrekking kan de gecontracteerde aanbieder, samen met de cliënt, bepalen dat de mate van individuele begeleiding en dagbesteding wordt op- of afgeschaald

binnen de categorieën, als de behoefte van de cliënt hiertoe aanleiding geeft c.q. mogelijkheden biedt. Hiervoor is geen nieuwe beschikking nodig.

Het tweede lid onder d is opgenomen om uitvoering te geven aan art. 2.9 Jeugdwet:

”de gemeenteraad stelt bij verordening en met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet in ieder geval regels over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere

voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. Tijdens het gesprek, bedoeld in artikel 4, tweede lid, wordt

beoordeeld of er andere voorzieningen zijn waar de maatwerkvoorziening mee moet worden afgestemd. In de beschikking wordt vervolgens vastgelegd welke andere voorziening dat is.

Het vierde lid dient uitsluitend ter informatie aan de cliënt. Het college neemt niet

de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. Zie artikel 16

en artikel 2.1.4, zesde lid, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een pgb, met uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld en voor de gemeente geïnd door het CAK. Voor jeugdhulp geldt geen ouderbijdrage meer.

Artikel 11. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering

Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3,

vierde lid, van de Wmo 2015 en artikel 2.9, onderdeel d, van de Jeugdwet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de

bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.

Het eerste, tweede en derde lid bevatten voor wat betreft de Wmo 2015 een

herhaling van hetgeen al in de tekst van de Wmo 2015 is opgenomen ( zie artikel 2.3.8, 2.3.10 en 2.4.1 van de Wmo 2015).

56 56

57 van 140

Voor wat betreft de Jeugdwet is het eerste lid een herhaling van artikel 8.1.2, eerste lid, maar het tweede en derde lid betreffen een uitbreiding ten opzichte van de Jeugdwet.

Artikel 8.1.4, eerste lid, van de Jeugdwet regelt de herziening en intrekking van een beslissing aangaande een pgb. De verordening bepaalt dat het college een

beslissing tot het verstrekken van jeugdhulp (dus zowel in natura als in de vorm van pgb) kan beëindigen, herzien dan wel intrekken.

Artikel 8.1.4, derde lid, van de Jeugdwet bepaalt dat indien een beslissing

aangaande een pgb met toepassing van het eerste lid, onderdeel a, heeft herzien dan wel ingetrokken, het college bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten

onrechte genoten pgb kan invorderen. De verordening regelt in het derde lid dat als het college een beslissing heeft ingetrokken, het college onder omstandigheden de geldswaarde kan vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of pgb.

Met opname van deze wettekst en uitbreidingen in de verordening wordt beoogd

een compleet beeld te geven van de regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.

In artikel 2.4.1 van de Wmo 2015 zijn regels voor het verhaal van kosten

opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in geldswaarde)

terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel kan invorderen.

Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1 van de wet (Kamerstukken II

2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid

blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen; ‘omdat het niet in alle

gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt.’ In het vierde en vijfde lid zijn dan ook bepalingen opgenomen die het college de bevoegdheid geven tot

terugvordering van in eigendom en in bruikleen verstrekte voorzieningen. In het zesde lid is de mogelijkheid tot verrekening geregeld. Artikel 12. Regels voor pgb algemeen 57 57

58 van 140

Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de Wmo 2015 en artikel 8.1.1 van de Jeugdwet een pgb verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is

voldaan, kan zelfs van een verplichting van het college worden gesproken. Van

belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt als de cliënt dit gemotiveerd vraagt. Met behoud van de motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de

beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen (zie de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 103). Voor

jeugdhulp geldt dat een pgb slechts wordt verstrekt indien de cliënt gemotiveerd kan aantonen dat de individuele voorziening die door een aanbieder wordt

geleverd, niet passend is (zie artikel 8.1.1, tweede lid, onder b, van de Jeugdwet). Uit zijn onderbouwing moet duidelijk worden dat de cliënt zich voldoende georiënteerd heeft op de voorziening in natura.

De eis van het plan maakt ook duidelijk dat het in beginsel niet mogelijk is om achteraf kosten te declareren.

In de verplichting in onderdeel c, is opgenomen dat de cliënt schriftelijk motiveert hoe naar zijn mening gewaarborgd is dat de maatwerkvoorziening die hij van het

budget wil betrekken van goede kwaliteit is. Daarbij is in elk geval van belang dat

de maatwerkvoorziening veilig, doeltreffend en cliëntgericht is. Voorwaarde is dat

degene die de diensten verleent en in contact kan komen met een kind dat jonger is dan achttien jaar, voor aanvang van de hulpverlening over een actuele verklaring omtrent het gedrag (vog) beschikt.

De voorwaarde van het beschikken over een VOG is opgenomen met het oog op de

veiligheid van het kind. Net zoals de Jeugdwet deze eis stelt voor alle medewerkers van een jeugdhulpaanbieder, inclusief vrijwilligers, stelt de gemeente deze eis aan

degene die, betaald uit het pgb, diensten verleent. De VOG dient actueel te zijn. De wet verstaat hieronder dat de vog niet eerder is afgegeven dan drie maanden, voorafgaand aan het tijdstip waarop de hulpverlener voor de organisatie ging

werken. De VOG mag echter niet ouder zijn dan drie jaar. Op het moment dat de hulpverlening van start gaat moet de cliënt de VOG kunnen overleggen aan de gemeente.

Vragen die in het plan moeten worden beantwoord zijn: • • • •

hoe is de veiligheid geborgd?

hoe worden de gestelde doelen bereikt? hoe en wanneer wordt geëvalueerd?

hoe is de ondersteuning afgestemd op de cliënt? 58 58

59 van 140

•

heeft degene van wie de hulp betrokken wordt een verklaring omtrent het gedrag?

In lid 1 onder e is opgenomen dat de cliënt in het plan de kosten moet uiteenzetten

voor begeleiding, inclusief aanvullende specialistische begeleiding en dagbesteding. Team Toegang Beschermd Wonen adviseert het college welke categorie van pgb beschermd wonen of pgb beschermd thuis nodig is voor de cliënt. Dit doet het

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12238024/1