CConstaterende datHeumen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage I Vast te stellen bestemmingsplan - Toelichting en regels

Raad 30 juni 2022, gemeente HeumenBij agendapunt: Gewijzigde vaststelling bestemmingsplan Oude Kleefsebaan 29a Overasselt21.395 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Toelichting en regels

Tbv vaststelling

bestemmingsplan

Oude Kleefsebaan 29A Overasselt

bestemmingsplan Oude Kleefsebaan 29A Overasselt

Inhoudsopgave

Toelichting

5

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Geldend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

6 6 6 7 8

Hoofdstuk 2 Gebiedsvisie 2.1 Bestaande situatie 2.2 Toekomstige situatie

9 9 12

Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Gemeentelijk beleid 3.4 Conclusie

14 14 15 17 18

Hoofdstuk 4 Milieu- & omgevingsaspecten 4.1 Molenbiotoop 4.2 Verkeer & parkeren 4.3 Bodem 4.4 Geluid 4.5 Milieuzonering 4.6 Luchtkwaliteit 4.7 Geur 4.8 Externe veiligheid 4.9 Waterhuishouding 4.10 Ecologie 4.11 Archeologie & cultuurhistorie 4.12 Leidingen 4.13 Vormvrije MER-beoordeling

19 19 21 21 22 23 25 26 27 28 31 33 35 36

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen 5.2 Bestemmingen

37 37 38

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

40 40 40

Bijlagen bij toelichting

42

Bijlage 1

Historisch en verkennend bodemonderzoek

43

Bijlage 2

Quickscan ecologie

44

Bijlage 3

AERIUS berekening gebruiksfase

45

2

bestemmingsplan "Oude Kleefsebaan 29A Overasselt" (vastgesteld)

bestemmingsplan Oude Kleefsebaan 29A Overasselt

Regels

46

Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2

Inleidende regels Begrippen Wijze van meten

47 47 51

Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8

Bestemmingsregels Tuin Water Wonen Leiding - Riool Waarde - Archeologische verwachting 1 Waterstaat - Waterstaatkundige functie

52 52 54 55 58 60 62

Hoofdstuk 3 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Overige regels

64 64 64 64 65 66 66

Hoofdstuk 4 Artikel 15 Artikel 16

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel

67 67 67

Bijlagen bij regels

69

Bijlage 1

70

Landschappelijke inpassing

bestemmingsplan "Oude Kleefsebaan 29A Overasselt" (vastgesteld)

3

bestemmingsplan Oude Kleefsebaan 29A Overasselt

4

bestemmingsplan "Oude Kleefsebaan 29A Overasselt" (vastgesteld)

bestemmingsplan Oude Kleefsebaan 29A Overasselt

Toelichting

bestemmingsplan "Oude Kleefsebaan 29A Overasselt" (vastgesteld)

5

bestemmingsplan Oude Kleefsebaan 29A Overasselt

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

De initiatiefnemer wenst, ter hoogte van de Oude Kleefsebaan 29A te Overasselt, de bestaande champignonschuur om te bouwen naar een levensloopbestendige schuurwoning. Hiertoe heeft de initiatiefnemer begin 2021 een principeverzoek ingediend. Het college van de gemeente Heumen heeft op 2 maart 2021 besloten in principe medewerking te verlenen aan dit verzoek. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken, moet het geldende bestemmingsplan voor de gronden in het plangebied worden herzien. Onderhavig bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2

Ligging plangebied

Het plangebied ligt aan de zuidkant van de kern Overasselt en is onderdeel van het bebouwingslint aan de Oude Kleefsebaan. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Heumen, sectie F, nummer 291 met een oppervlakte van 810 m2 en wordt globaal gezien begrensd door:  Noordzijde: de Oude Kleefsebaan;  Oostzijde: de zijdelingse perceelsgrens van de woning Oude Kleefsebaan 29 (perceel nr. 413);  Zuidzijde: de grens van het agrarische perceel nr. 506;  Westzijde: De zijdelingse perceelsgrens van woning Oude Kleefsebaan 31 (perceel nr. 653).

Globale ligging plangebied (rode stip) Navolgende afbeelding toont globaal de ligging en begrenzing van het plangebied in de omgeving. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.

6

bestemmingsplan "Oude Kleefsebaan 29A Overasselt" (vastgesteld)

bestemmingsplan Oude Kleefsebaan 29A Overasselt

Globale begrenzing plangebied (rode omkadering)

1.3

Geldend bestemmingsplan

Voor de grond in het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Kernen Heumen, Overasselt, Nederasselt en Molenhoek ', zoals de gemeenteraad dat heeft vastgesteld op 27 juni 2013. Ter plaatse van het plangebied geldt de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden'. Daarnaast is het gehele plangebied voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachting 1' en heeft het perceel de gebiedsaanduiding vrijwaringszone - molenbiotoop.

bestemmingsplan "Oude Kleefsebaan 29A Overasselt" (vastgesteld)

7

bestemmingsplan Oude Kleefsebaan 29A Overasselt

Uitsnede geldend bestemmingsplan met globale aanduiding plangebied (rode omkadering) Omdat het binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' niet is toegestaan om een burgerwoning te realiseren, moet het geldende bestemmingsplan voor de gronden in het plangebied worden herzien.

1.4

Leeswijzer

Het bestemmingsplan bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de bestemmingen in het plangebied zijn aangegeven en regels waarin de bepalingen voor de op de verbeelding vermelde bestemmingen zijn opgenomen. Het bestemmingsplan gaat vergezeld van een toelichting waarin de achtergronden van het bestemmingsplan zijn beschreven. De verbeelding vormt samen met de regels het juridische bindende deel van het bestemmingsplan. In de toelichting worden de keuzes die in het bestemmingsplan worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. De toelichting kan globaal opgedeeld worden in vier delen. Inleiding en beschrijving plangebied In hoofdstuk 1 zijn de aanleidingen en het kader voor de planherziening beschreven. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie van het plangebied. Verantwoording Hoofdstukken 3 en 4 geven de achtergronden, toelichting en motivatie op de gemaakte keuzen weer die uiteindelijk hebben geleid tot de uitgewerkte planopzet. In dit planonderdeel worden onder meer het (beleids)kader en de milieuaspecten uiteengezet. Juridische planbeschrijving In hoofdstuk 5 wordt de juridische planopzet beschreven. Doel is een nadere onderbouwing te geven wat met het plan wordt beoogd en hoe de instrumenten regels en verbeelding hierbij worden gehanteerd.

Uitvoerbaarheid Het laatste deel (hoofdstuk 6) gaat in op de financieel-economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

8

bestemmingsplan "Oude Kleefsebaan 29A Overasselt" (vastgesteld)

bestemmingsplan Oude Kleefsebaan 29A Overasselt

Hoofdstuk 2 2.1

Gebiedsvisie

Bestaande situatie

Het plangebied is gelegen op een perceel te midden van een bebouwd dorpslint aan de zuidrand van het dorp Overasselt. De Oude Kleefsebaan is een belangrijke structuurweg van het dorp en met name aan de zuidkant is historische bebouwing aanwezig met uitkijk op de Maasdijk. In de directe omgeving van het plangebied zijn voornamelijk vrijstaande burgerwoningen gelegen, die bestaan uit één of twee bouwlagen en een kap. In de bestaande situatie bevindt zich in het plangebied een vrijstaande oude champignonloods, bestaande uit één bouwlaag en een kap, met aan de oostzijde een kleine, glazen uitbouw. De loods is omringd door een tuin met gazon en volwassen beplanting. Het perceel wordt aan de noord- en oostzijde afgescheiden door een heg en is te betreden via een poort gelegen aan de straatkant. Deze inrit is niet verhard, maar loopt over het gazon. De champignonloods staat vrij ver achter op het perceel, ongeveer in de rooilijn van de woning direct ten westen van het plangebied. De rooilijn van de woning direct ten oosten van het plangebied ligt veel verder naar voren. Op navolgende afbeeldingen is een impressie van het plangebied weergegeven:

Bestaande situatie plangebied (voorzijde champignonloods)

bestemmingsplan "Oude Kleefsebaan 29A Overasselt" (vastgesteld)

9

bestemmingsplan Oude Kleefsebaan 29A Overasselt

Bestaande situatie plangebied (oostzijde loods in noordelijke richting)

10

bestemmingsplan "Oude Kleefsebaan 29A Overasselt" (vastgesteld)

bestemmingsplan Oude Kleefsebaan 29A Overasselt

Bestaande situatie plangebied (zuidzijde champignonloods)

bestemmingsplan "Oude Kleefsebaan 29A Overasselt" (vastgesteld)

11

bestemmingsplan Oude Kleefsebaan 29A Overasselt

Bestaande situatie plangebied (westzijde champignonloods)

2.2

Toekomstige situatie

In de toekomstige situatie wordt de champignonschuur omgebouwd tot een levensloopbestendige burgerwoning, die qua vorm en materiaalgebruik aansluit bij de bestaande bebouwing in het dorpslint. De beoogde schuurwoning zal een donkere, landelijke uitstraling krijgen en over een lage goothoogte beschikken. Ook zal gebruik gemaakt worden van gedekte kleuren en natuurlijke materialen, waardoor de woning wordt afgestemd op de karakteristiek van het landschap en de naastgelegen woningen. Het beoogde bijgebouw van 50 m2 zal bestaan uit één bouwlaag met een kap aan de noordoostzijde van het perceel worden gesitueerd. Er wordt gebruik gemaakt van hout, donkerkleurige pannen en natuurlijke materialen, waardoor het bijgebouw aansluit bij de bouwstijl van de schuurwoning. Door de inrit en het verharde erf zal er op het plangebied voldoende plek zijn voor twee parkeerplaatsen. Het gehele perceel wordt landschappelijk ingepast (zie bijlage 1 bij regels). Aan de voorzijde van het perceel zullen de bestaande bomen, zoals de perenboom, worden gehandhaafd en ook de bestaande beukenhaag met voorliggend 'Maai me niet' bloemenperkje zal blijven staan. De inrit zal worden verhard, waardoor het perceel vanaf de straatkant kan worden betreden met de auto.

De westzijde van het perceel zal worden voorzien van een nieuwe haag met gebiedseigen soorten, zoals een beuk, meidoorn of een veldesdoorn van circa 2 m hoog. De knotwilgen aan de zuidkant van het perceel blijven gehandhaafd en verder zal hier geen nieuwe beplanting komen, zodat de doorkijk richting de Molendijk behouden blijft. De rest van de tuin zal bestaan uit een gazon waarop ook de bestaande bomen (o.a. de fraaie walnotenboom) blijven staan. Op de navolgende afbeelding zijn globaal de beoogde situering van de levensloopbestendige schuurwoning, het nieuw te bouwen bijgebouw en de landschappelijke inpassing weergegeven:

12

bestemmingsplan "Oude Kleefsebaan 29A Overasselt" (vastgesteld)

bestemmingsplan Oude Kleefsebaan 29A Overasselt

Impressie beoogde toekomstige situatie (met landschappelijke inpassing)

bestemmingsplan "Oude Kleefsebaan 29A Overasselt" (vastgesteld)

13

bestemmingsplan Oude Kleefsebaan 29A Overasselt

Hoofdstuk 3

Beleidskader

3.1

Nationaal beleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de opvolger van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), waarin het Rijk een lange termijn visie geeft op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt keuzes te maken. Bij de afweging van keuzes wordt bij voorkeur gekozen voor slimme combinaties van functies, wordt uitgegaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden en worden beslissingen niet uitgesteld of doorgeschoven. De nationale belangen en opgaven waarop het Rijk wil sturen en richting wil geven, komen samen in de volgende vier prioriteiten:  Ruimte maken voor klimaatadaptatie en energietransitie;  De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden;  Steden en regio's sterker en leefbaarder maken;  Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de prioriteiten uit de NOVI. De NOVI vormt geen belemmering voor dit plan.

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) borgt een aantal van de nationale ruimtelijke belangen die deel uitmaken van het beleid, zoals beschreven in de voorganger van de NOVI, oftewel de SVIR. Op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt, vervalt het Barro. De regels van het Barro worden dan vervangen door het Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL). Het BKL wordt de uitwerking, in regelgeving, van het beleid dat in de NOVI staat. Zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is, is het Barro nog van toepassing. In het Barro, ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 14 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in provinciaal beleid en gemeentelijke bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro voor de opgenomen onderwerpen regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Planspecifiek Voor onderhavig plangebied zijn geen specifieke doelstellingen geformuleerd. Het Barro is niet specifiek van toepassing op het plangebied.

3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

De reeds in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerde 'ladder voor duurzame verstedelijking' is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet in de toelichting een onderbouwing worden opgenomen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De ladder wordt in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven: 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.'

14

bestemmingsplan "Oude Kleefsebaan 29A Overasselt" (vastgesteld)

bestemmingsplan Oude Kleefsebaan 29A Overasselt

In het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking wordt ten aanzien van de definitie van bestaand stedelijk gebied de definitie uit het Bro gehanteerd: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.' Volgens de nota van toelichting bij het Bro moet worden bekeken of door het benutten van leegstaande verstedelijkingsruimte in bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in de behoefte. Zoals ook volgt uit de uitspraak van 24 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4654) kunnen, naar het oordeel van de Raad van State, planologische mogelijkheden waarvan nog geen gebruik is gemaakt, als leegstaande verstedelijkingsruimte worden aangemerkt. Een dergelijke locatie wordt gezien als onderdeel van het bestaand stedelijk gebied. Planspecifiek Conform actuele jurisprudentie wordt een ontwikkeling van twaalf woningen of meer gezien als stedelijke ontwikkeling. Aangezien onderhavig bestemmingsplan de bouw van slechts één woning mogelijk maakt, is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling zoals gedefinieerd in het Bro. Het doorlopen van de ladder is daarmee niet noodzakelijk.

3.1.4

Conclusie

In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Algemeen

Op 19 december 2018 heeft het college van Gedeputeerde Staten de 'Omgevingsvisie Gaaf Gelderland' vastgesteld. De bijbehorende geactualiseerde 'Omgevingsverordening Gelderland (maart 2021)' heeft het college van Gedeputeerde Staten op 31 maart 2021 vastgesteld. In de Omgevingsvisie staan de hoofdlijnen van het beleid en in de Omgevingsverordening de regels en afspraken om de opgaven uit de Omgevingsvisie te realiseren. De Omgevingsvisie en –verordening zijn dynamische instrumenten. Doordat wetten veranderen of door de komst van nieuwe initiatieven, kijkt de provincie 2 keer per jaar of de plannen moeten worden aangepast.

3.2.2

Omgevingsvisie

De komende decennia komt er veel op Gelderland af: het energievraagstuk, klimaatverandering, uitputting van grondstoffen, kwetsbare biodiversiteit, digitalisering, internationalisering. Deze zaken vragen stevige antwoorden en oplossingen als investering in de toekomst. Met de schaarse ruimte en de vele uiteenlopende belangen en inzichten gaat dit niet vanzelf. De provincie zet in de Omgevingsvisie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal.  Gezond en veilig; dat is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat is ook voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En dat is ook aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid.  Schoon en welvarend; dat is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat is ook het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen, alsmede het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie.

Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang, zoals goed bereikbare voorzieningen, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen en een mooie natuur. Ook goed wonen hoort daarbij. Gelderland heeft op woongebied een bijzondere positie met uiteenlopende stedelijke en landelijke woonkwaliteiten. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand verstedelijkt gebied het vertrekpunt. De provincie geeft de voorkeur aan het benutten van bestaande gebouwen en het concentreren van bebouwing. Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, kan er aan de randen van steden of

bestemmingsplan "Oude Kleefsebaan 29A Overasselt" (vastgesteld)

15

bestemmingsplan Oude Kleefsebaan 29A Overasselt

dorpen uitgebreid worden. De dynamiek op de woningmarkt is groot. Mensen worden ouder, wonen steeds langer alleen en zelfstandig, worden steeds meer energiebewust en zijn mobieler dan vroeger, waardoor ze ook meer en makkelijker verhuizen. Het grootste deel van de woningen die in 2050 in Gelderland nodig zijn, staat er al. Maar deze woningen zijn niet klaar voor de toekomst en moeten aangepast of vervangen worden. Voor de provincie staat een goede balans tussen de vraag en aanbod van woningen in verschillende prijscategorieën voorop, ook voor specifieke doelgroepen. De meeste woningen zijn verre van energieneutraal en klimaatbestendig. De provincie stimuleert innovaties op dit terrein, zoals het aardgasloos maken van bestaande woningen en het verduurzamen van woonwijken. Daarnaast is de provincie met haar partners in gesprek over hoe het vraagstuk van klimaatadaptatie en wonen slimmer aangepakt kan worden. Voldoende groene ruimte, koele plekken, opvang van water in het licht van de klimaatverandering is immers van belang, zeker met het oog op de gezondheid van de Gelderlanders. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling sluit aan bij het vertrekpunt dat zoveel mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied gebouwd wordt. De beoogde levensloopbestendige woning versterkt het bestaande bebouwingslint aan de zuidzijde van de bebouwde kom van Overasselt.

Tevens is er sprake van herstructurering, omdat de bestaande oude, leegstaande champignonschuur omgebouwd wordt tot een aardgasloze burgerwoning. Tot slot wordt de woning met veel groen landschappelijk ingepast. In overleg met het waterschap mag de hemelwaterafvoer van de schuurwoning en het bijgebouw worden afgevoerd naar de bestaande sloot aan de zuidzijde van de Oude Kleefsebaan. Dit draagt bij aan de provinciale ambities op het gebied van klimaatadaptatie. Voor onderhavige plangebied zijn verder geen specifieke doelstellingen geformuleerd in de Omgevingsvisie. De Omgevingsvisie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

3.2.3

Omgevingsverordening

De Omgevingsverordening vormt de juridische doorwerking in regels van het beleid uit de Omgevingsvisie. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Planspecifiek Volgens kaart 7 'Erfgoed' valt het plangebied binnen de aanduiding 'Molenbiotoop'. In artikel 2.64 is aangegeven dat een bestemmingsplan voor gronden binnen een molenbiotoop geen nieuwe bebouwing of beplanting mogelijk maakt als daardoor de windvang van een molen wordt beperkt. De molenbiotoop betreft een gebied rondom een historische of monumentale molen met een straal van 400 m gerekend vanaf het middelpunt van de molen. In paragraaf 4.1 wordt aangetoond dat de beoogde ontwikkeling geen afbreuk doet aan de molenbiotoop.

In artikel 2.2 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat een bestemmingsplan alleen nieuwe woningen mogelijk maakt, als de ontwikkeling past binnen een door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale woonagenda. Aangezien het toevoegen van één wooneenheid passend is binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma (dat op zijn beurt past binnen de subregionale woonagenda, zie subparagraaf 3.3.2), is de voorgenomen ontwikkeling niet strijdig met de Omgevingsverordening.

16

bestemmingsplan "Oude Kleefsebaan 29A Overasselt" (vastgesteld)

bestemmingsplan Oude Kleefsebaan 29A Overasselt

3.2.4

Conclusie

In het plangebied zijn geen provinciale belangen in het geding

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Structuurvisie Heumen 2025

De gemeenteraad heeft de 'Structuurvisie Heumen 2025' op 13 februari 2014 vastgesteld. In de structuurvisie wordt ten aanzien van de verschillende (gewenste) ruimtelijke ontwikkelingen een toekomstbeeld gegeven en een kader geschetst waarbinnen de ontwikkelingen plaats kunnen vinden. Het dorp Overasselt is centraal gelegen in het landelijke gebied en kent een redelijk goede bereikbaarheid. Het ligt op korte afstand langs de dijk, maar de verbinding tussen het dorp en de Maasdijk is helaas matig. Het dorp en het buitengebied zijn hierdoor nog niet sterk met elkaar vervlochten. Ten aanzien van woningbouw zal er in de kleine kernen van Gemeente Heumen met name ingezet op uitbreiding. Deze uitbreidingen vinden gefaseerd plaats, in relatie tot de behoefte in het dorp, op locaties aan de randen van het dorp. Bij de uitbreiding is aandacht voor de verweving van de kwaliteiten van het landschap en het dorp. Met als doel het landschap en/of het buitengebied ook tot bij het bestaande dorp te brengen. Inbreiding is mogelijk op bebouwde percelen waar functiewijzigingen plaatsvinden en niet mogelijk op bestaande open ruimten, tenzij er hierdoor een stedenbouwkundige versterking van een dorpslint plaatsvindt. Het woningbouwprogramma wordt gestuurd op basis van de kwaliteiten van een locatie en de lokale behoefte.

Nieuwbouw is vooral gericht op eengezinswoningen voor gezinnen, om een evenwichtige leeftijdsopbouw te behouden. Waar mogelijk worden (levensloopbestendige en betaalbare) meergezinswoningen gebouwd, met een eerste nadruk op jongeren. Planspecifiek Door onderhavig bestemmingsplan vindt een stedenbouwkundige versterking van een dorpslint plaats. Een bestaande leegstaande champignonschuur wordt namelijk verbouwd tot één vrijstaande levensloopbestendige schuurwoning, passend binnen de bestaande korrelgrootte en de situering van de aanwezige lintbebouwing. Daarmee past het plan binnen de woningbouwkaders uit de gemeentelijke structuurvisie.

3.3.2

Woonvisie Heumen 2017

De gemeenteraad heeft de 'Woonvisie Heumen 2017' op 14 december 2017 vastgesteld. Bij het opstellen van de woonvisie zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:  De bestaande woningvoorraad staat centraal, nieuwbouw dient als aanvulling;  De gemeente Heumen is onderdeel van een regionale woningmarkt en handelt binnen de bandbreedte van het (sub)regionale en door de provincie goedgekeurde woningbouwprogramma en de regionale huisvestingsverordening;  Het overgrote deel van de woningvoorraad is in handen van particuliere woningbezitters. De invloed van de gemeente op de woningvoorraad is daardoor beperkt. Woningbezitters zijn primair zelf verantwoordelijk voor de eigen woning;  De gemeente Heumen kent een rijke traditie van samenwerken met verschillende partners, zoals de woningcorporatie, inwoners, maatschappelijke organisaties, ondernemers en andere overheden. Het motto van de woonvisie is: 'prettig wonen in een groene en landelijke omgeving'. Om dit te bereiken zijn vier ambities geformuleerd:  Prettig wonen voor alle levensfasen en inkomensklassen;  Prettig wonen in een duurzame omgeving;  Prettig zo lang als mogelijk zelfstandig wonen;  Prettig wonen in leefbare kernen. Planspecifiek Voor de gemeenten Berg en Dal, Beuningen, Druten, Heumen, Mook en Middelaar, Nijmegen en Wijchen is sinds 15 december 2020 de nieuwe gezamenlijk regionale 'Woonagenda Nijmegen e.o.

2020-2030' van kracht. Op basis van een analyse van de regionale behoefte, kunnen in de regio

bestemmingsplan "Oude Kleefsebaan 29A Overasselt" (vastgesteld)

17

bestemmingsplan Oude Kleefsebaan 29A Overasselt

gedurende de looptijd van de agenda circa 20.500 woningen worden gebouwd. Voor Heumen komt dit neer op circa 635 woningen. De voorgenomen ontwikkeling van één levensloopbestendige schuurwoning past kwantitatief gezien binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma van 635 woningen en daarmee binnen de subregionale woonagenda. Ook draagt de ontwikkeling kwalitatief bij aan de ambities uit de woonvisie. De lokale toevoeging van één vrijstaande woning levert een bijdrage aan het behouden van de leefbaarheid in de kern Overasselt. Daarnaast wordt de woning met veel groen landschappelijk ingepast, zodat geheel aan het motto van de woonvisie 'prettig wonen in een groene en landelijke omgeving' wordt voldaan.

3.3.3

Conclusie

In het plangebied zijn geen gemeentelijke belangen in het geding.

3.4

Conclusie

Het plan is passend binnen c.q. niet strijdig aan het beleid van de verschillende overheden.

18

bestemmingsplan "Oude Kleefsebaan 29A Overasselt" (vastgesteld)

bestemmingsplan Oude Kleefsebaan 29A Overasselt

Hoofdstuk 4

Milieu- & omgevingsaspecten

4.1

Molenbiotoop

4.1.1

Regelgeving

Even ten zuidoosten van het plangebied is 'Molen Zeldenrust’ gelegen, een houten korenmolen.. In de Omgevingsverordening Gelderland is opgenomen dat in bestemmingsplannen die betrekking hebben op gronden gelegen binnen een molenbiotoop geen nieuwe bebouwing danwel beplanting is toegestaan, tenzij in de toelichting bij het bestemmingsplan wordt aangetoond dat het functioneren van de molen door middel van windvang niet wordt beperkt. Hierbij is het begrip 'molenbiotoop' gedefinieerd als 'de omgeving van een molen gelegen binnen een straal van 400 m, gerekend vanaf het middelpunt van de molen'. De provincie Gelderland heeft in 2009 een onderzoek laten uitvoeren naar biotopen van molens in Gelderland, de “Molenbiotoopinventarisatie Gelderland 2009”, waarin ook de biotoop van De Molen Zeldenrust is onderzocht en hieruit blijkt dat de molenbiotoop op dit moment als 'aanvaardbaar' is aan te merken. De bouwregels met betrekking tot de maximaal toegestane bouwhoogte van bouwwerken zijn afgestemd op de algemeen gangbare molenbiotoopformule (www.molenbiotoop.nl), De molenbiotoopformule luidt als volgt: H(x) = X/n + c * z waarin:  H(x) = maximale toelaatbare hoogte van een obstakel op afstand x (in meters).

De toelaatbare hoogte wordt gemeten vanaf het waterpasniveau van de begane grond of het maaiveld van de molen;  X = afstand van een obstakel tot de molen (in meters)  n = een constante, afhankelijk van de ruwheid van de omgeving en de maximaal toelaatbare windreductie. Hiervoor worden de volgende waarden gebruikt: 140 voor open, 75 voor ruw en 50 voor gesloten gebied.  c = een constante, afhankelijk van de maximaal toelaatbare windreductie, gewoonlijk met de waarde 0,2, zijnde de constante behorend bij een algemeen aanvaardbaar geachte windsnelheidsreductie tot 95 %;  z = askophoogte (helft van lengte gevlucht + eventueel de hoogte van de belt, berg of stelling) Binnen een afstand van 100 m vanaf het middelpunt van de molen mogen er zich geen obstakels bevinden met een bouwhoogte die hoger is dan het onderste punt van de verticaal staande wiek. De maximum bouwhoogte wordt gerelateerd aan de begane grond van de molen. Voor zover ter plaatse van een op te richten bouwwerk het maaiveld hoger respectievelijk lager is gelegen, dient de afstand van het maaiveld tot het onderste punt van de verticaal staande wiek in de maximale hoogte te worden verdisconteerd.

4.1.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Op basis van de informatie op basis van de Molenbiotoopinventarisatie Gelderland 2009 en de algemene aanduidingsregels ‘vrijwaringszone molenbiotoop’(lid 12.1 van de regels in dit bestemmingsplan) , zoals overgenomen uit het geldende bestemmingsplan ‘Kernen Heumen, Overasselt, Nederasselt en Molenhoek‘ leidt het bovenstaande tot de volgende uitkomsten:  n: het gebied rondom de molen is volgens de biotoopformule in lid 12.1 van de regels aan te merken als een ruw gebied, dus de ruwheidscoëfficiënt is 75; Daar wordt ‘worst-case’ in dit bestemmingsplan dus ook vanuit gegaan. In mei 2011 heeft de initiatiefnemer contact gehad met de Vereniging Hollandsche Molen. Zij hebben toen aangegeven dat in de sector west-noord-oost (= ter plaatse van het bebouwingslint aan de zuidzijde van de Oude Kleefsebaan) uitgegaan zou moeten worden van een gesloten gebied (n=50). Navraag eind maart 2022 bij dezelfde Vereniging of dit uitgangspunt nog steeds van toepassing is, is bevestigend beantwoord. Voor de molenbiotoopformule hanteren we de volgende waarden: • n: 75

bestemmingsplan "Oude Kleefsebaan 29A Overasselt" (vastgesteld)

19

bestemmingsplan Oude Kleefsebaan 29A Overasselt

  

X: de afstand van de beoogde woning tot de molen is 163 m c: constante = 0,2; z: de vlucht van de molen is 25,5 m, dus de halve lengte is 12,75 m. De vrijwillige molenaars van molen Zeldenrust geven aan dat de wieken natuurlijk niet over de grond slepen. Daarom bevindt de as van de molen zich 0,25 m hoger, op 13,0 m boven het maaiveld ter plaatse. De formule om de maximum bouwhoogte van de beoogde woning te bereken luidt daarmee als volgt: H(x) = 163/75 + 0,2 * 13,0 H(x)= 4,8 m De hoogte van de beoogde woning mag dus maximaal 4,8 m bedragen. Het maaiveld ter hoogte van het nieuwe gebouw is op basis van de AHN circa 9,2 m +NAP. Het maaiveld ter plaatse van de molen is 10,4 m +NAP. Dit betekent dat het maaiveld ter hoogte van de toekomstige woning circa 10,4 - 9,2 = 1,2 m lager is dan daar waar de molen zich bevindt. Per saldo bedraagt de maximum bouwhoogte ter plaatse van de nieuwe woning daarmee 4,8 + 1,2 = afgerond op 6,0 m. Omdat de bouwhoogte van de beoogde woning ongeveer 6,0 m bedraagt, wordt er geen afbreuk gedaan aan de molenbiotoop van 'Molen Zeldenrust'. Los hiervan staan er tussen de molen en de toekomstige woning in de bestaande situatie bomen en een schuur (Oude Kleefsebaan 25). Op navolgende afbeelding is dit terug te zien:

De bestaande schuur aan de Oude Kleefsebaan 25 kent volgens het geldende bestemmingsplan een maximum bouwhoogte van 5,0 m. In de praktijk bedraagt de bouwhoogte van de schuur ongeveer 4,5 m. Vanwege het feit dat er al hogere bomen tussen de molen en de beoogde woning staan, wordt de molenbiotoop sowieso niet extra belemmert door het in beperkte mate ophogen van de bestaande champignonloods en de bijbehorende ombouw tot een nieuwe woning. De bestaande bomen zijn maatgevend. Gezien de verschillen van inzicht over de te hanteren ruwheidscoëfficiënt heeft op 5 april 2022 nadere afstemming plaatsgevonden met de Vrijwillige molenaars van molen Zeldenrust in Overasselt. De

20

bestemmingsplan "Oude Kleefsebaan 29A Overasselt" (vastgesteld)

bestemmingsplan Oude Kleefsebaan 29A Overasselt

uitkomst van het overleg is dat een maximum bouwhoogte van 6,5 m voor de molenaars nog aanvaardbaar is. Daarmee is er nog een kleine marge qua bouwhoogte tijdens de uitvoering. Dit is als zodanig in de regels van het bestemmingsplan verwerkt. De molenbiotoop vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.2

Verkeer & parkeren

4.2.1

Verkeer

Om inzicht te bieden in de mate van verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling, die met dit bestemmingsplan wordt gefaciliteerd, moet de verkeersaantrekkende werking worden bepaald. Daarvoor is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen’. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de bouw van één vrijstaande woning. Op basis van de CROW-publicatie geldt voor één vrijstaande woning een maximale verkeersgeneratie van 8,6 motorvoertuigbewegingen, op een gemiddelde weekdag, uitgaande van een ligging in 'niet stedelijk' gebied, in de 'rest bebouwde kom'. Het plangebied wordt ontsloten via bestaande een inrit aan de Oude Kleefsebaan. Aangezien het om een relatief beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen gaat en de Oude Kleefsebaan voldoende capaciteit heeft om deze toename op te vangen, leidt de beoogde ontwikkeling niet tot een onacceptabele verkeerstoename. Het aspect 'verkeer' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.2.2

Parkeren

Ter waarborging van voldoende parkeervoorzieningen hanteert de gemeente Heumen het gemiddelde van de bandbreedtes van de parkeernormen uit de CROW-publicatie 381 ‘Toekomstbestendig parkeren'. Voor vrijstaande woningen, in 'niet stedelijk' gebied, in de 'rest bebouwde kom', geldt een gemiddelde parkeernorm van 2,3 parkeerplaatsen per woning, inclusief 0,3 parkeerplaatsen per woning voor bezoekers. Dit betekent dat op het perceel moet worden voorzien in tenminste 2,0 parkeerplaatsen. Hiertoe is voldoende ruimte op eigen terrein. Het bezoekersparkeren kan in de openbare ruimte plaatsvinden. In de regels van dit bestemmingsplan is een regeling opgenomen, zodat met de realisatie van de woning wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.3

Bodem

4.3.1

Regelgeving

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in verband met de uitvoerbaarheid van een project rekening worden gehouden met de bodemgesteldheid. Bij functiewijzigingen moet worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat, indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig moet worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). De Wet bodembescherming heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. Op grond van de Woningwet en de Bouwverordening moet voor elke individuele bouwlocatie aangetoond worden dat de bodem geschikt is voor de beoogde bebouwing, alvorens een omgevingsvergunning kan worden verleend.

bestemmingsplan "Oude Kleefsebaan 29A Overasselt" (vastgesteld)

21

bestemmingsplan Oude Kleefsebaan 29A Overasselt

Bij het opstellen van een bestemmingsplan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat eventueel aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet. Dit is het zogenaamde stand still-beginsel. Het vaststellen van de bodemkwaliteit wordt bij het opstellen/herzien van een bestemmingsplan alleen van belang geacht voor de locaties waar ontwikkelingen gepland zijn (zoals functiewijzigingen, bouwen, graven/ophogen). Bij nieuwe ontwikkelingen moet bekeken worden of de bodemkwaliteit een belemmering op kan leveren voor de realisering hiervan. Bijna altijd is het mogelijk om bodem geschikt te maken voor het gewenste gebruik. Het is echter mogelijk dat een plan financieel onuitvoerbaar wordt, bijvoorbeeld omdat de kosten van de sanering te hoog zijn. Bij een wijziging van de bestemming of van de functie wordt een bodemonderzoek alleen noodzakelijk geacht, indien deze wijziging tevens een meer gevoelige vorm van bodemgebruik inhoudt.

4.3.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Vanwege de herontwikkeling van het plangebied naar de milieugevoeligere functie 'wonen' is er een historisch en verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit bodemonderzoek is als 1 bij de toelichting gevoegd. Voor de algemene kwaliteit is de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten kan de gestelde hypothese worden verworpen, aangezien in de bovengrond als in het grondwater maximaal licht verhoogde gehalten voor enkele zware metalen en/of vluchtige aromaten zijn aangetoond. Met het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van het plangebied in voldoende mate vastgesteld. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt bestaan geen bezwaren tegen de voorgenomen bestemmingsplanherziening van bedrijfslocatie naar burgerwoning, rekening houdend met onderstaande aandachtspunten. Op basis van de resultaten van het PFAS-onderzoek voldoet de onderzochte grond aan de functieklasse “landbouw/natuur” (achtergrondwaarde) uit het tijdelijk handelingskader. Zodoende bestaan voor wat betreft PFAS geen bezwaren voor toepassing elders, behoudens grondwaterbeschermingsgebieden. Daarnaast kunnen gebiedsspecifiek zowel strengere als minder strenge eisen gelden.

Voor wat betreft het verkennend onderzoek naar asbest heeft het bedrijf Advies Begeleiding Uitvoering Bergharen, die ook het asbestinventarisatieonderzoek voor de binnenzijde van de champignonloods heeft uitgevoerd, het volgende aangegeven: "In het Certificatieschema voor de Procescertificaten Asbestinventarisatie en Asbestverwijdering als bedoeld in de artikelen 4.27 en 4.28 van de Arbeidsomstandighedenregeling is geen verplichting opgenomen voor het onderzoeken van de druppelzone. Een deskundig inventariseerder asbest is hier vrij in om hierover een opmerking in zijn rapport op te nemen, tenzij er een duidelijke aanwijzing is dat bijvoorbeeld veel schade aan de platen is of dat ze ernstig verweerd zijn, of wanneer er restanten op de grond liggen. Geen van de vernoemde zaken is in het plangebied het geval." Het aspect 'bodem' vormt geen belemmering voor uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.4

Geluid

4.4.1

Regelgeving

Belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Overeenkomstig de Wgh zijn (spoor-)wegen en industrieterreinen waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen voorzien van zones. Het gebied binnen deze zones geldt als akoestisch aandachtsgebied waar een toetsing uitgevoerd moet worden. Daarbij beperkt de Wgh zich tot een toetsing ter plaatse van zogenaamde geluidsgevoelige objecten. Dit zijn onder andere woningen, onderwijsgebouwen, gezondheidszorggebouwen, kinderdagverblijven, woonwagenstandplaatsen en ligplaatsen voor woonboten.

22

bestemmingsplan "Oude Kleefsebaan 29A Overasselt" (vastgesteld)

bestemmingsplan Oude Kleefsebaan 29A Overasselt

Wegverkeer Op basis van artikel 76 van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) moet bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de waarden als bedoeld in artikel 82 t/m 85 van de Wgh in acht worden genomen, indien dat plan gelegen is in een zone rondom een weg als bedoeld in artikel 74 lid 1 Wgh en (het betreffende onderdeel van) dat plan mogelijkheden biedt voor:  de realisatie van woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en van geluidsgevoelige terreinen (functies zoals genoemd in artikel 1 Wgh en art 1.2 Bgh - het Besluit geluidhinder zoals gewijzigd op 4 april 2012);  de aanleg van een nieuwe weg en/ of een reconstructie van een bestaande weg;  functiewijzigingen van een niet-geluidsgevoelige functie in een geluidsgevoelige functie (bijvoorbeeld via afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid). De onderzoekszone voor wegen zoals bedoeld in artikel 74 lid 1 Wgh is afhankelijk van de hoeveelheid rijbanen. Artikel 74 lid 2 Wgh regelt dat, indien de bovengenoemde ontwikkelingen zijn gelegen binnen een als 'woonerf' aangeduid gebied of in een zone nabij wegen waarvoor een maximum snelheidsregime van 30 km/u geldt, de betreffende waarden niet in acht hoeven te worden genomen.

Uit een akoestisch onderzoek moet blijken of, indien sprake is van een van de bovengenoemde ontwikkelingen binnen een zone als bedoeld in artikel 74 lid 1 Wgh, deze binnen de waarden valt zoals deze voor diverse typen ontwikkelingen is vastgelegd in de Wgh. De grenswaarde voor de toelaatbare etmaalwaarde van de equivalente geluidbelasting van wegen binnen zones langs wegen is voor woningen 48 dB. In bijzondere gevallen is een hogere waarde mogelijk. Burgemeester en wethouders zijn binnen de grenzen van de gemeente en onder voorwaarden bevoegd tot het vaststellen van een hogere waarde voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting. Railverkeer Langs landelijke spoorwegen liggen referentiepunten, waarvoor is vastgelegd hoeveel geluid de spoorlijn mag produceren, zogenaamde geluidsproductieplafonds (GPP's). De hoogte van de geluidsproductieplafonds is vastgelegd in het geluidsregister. De grootte van de zone van een spoorweg is afhankelijk van het geluidsproductieplafond en is vastgelegd in artikel 1.4a uit het Besluit geluidhinder (Bgh). De zone van een spoorweg ligt aan beide zijden van de spoorweg en wordt gemeten van de buitenste spoorstaaf. De wettelijke zone van een spoorweg is afhankelijk van de toegestane geluidsbelasting op het referentiepunt uit het geluidregister.

4.4.2

Doorvertaling bestemmingsplan

De Oude Kleefsebaan kent een snelheidsregime van 30 km/u en is zodoende niet voorzien van een onderzoekszone. Ook is het plangebied niet gelegen in de geluidszone (200 m) van de Maasdijk met een snelheidsregime van 60 km/u. Nader onderzoek naar wegverkeerslawaai is niet noodzakelijk. Ook akoestisch onderzoek naar railverkeerslawaai hoeft niet plaats te vinden, omdat het plangebied niet gelegen is binnen de geluidszone van een spoorlijn. Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.5

Milieuzonering

4.5.1

Regelgeving

Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van inrichtingen en/of bedrijven worden gerealiseerd, zal een milieukundig onderzoek uit moeten wijzen in hoeverre er sprake is van mogelijke beperkingen ten gevolge van de aanwezige inrichtingen en of bedrijven. Maar ook andersom moet aandacht worden besteed aan de rechten van de aanwezige inrichtingen en/of bedrijven. Het is immers niet de bedoeling dat nieuwe ontwikkelingen de huidige bedrijfsvoering in de directe omgeving zullen beperken. Datzelfde geldt uiteraard ook voor de situatie dat inrichtingen en/of bedrijven wijzigen in de nabijheid van bestaande gevoelige functies.

bestemmingsplan "Oude Kleefsebaan 29A Overasselt" (vastgesteld)

23

bestemmingsplan Oude Kleefsebaan 29A Overasselt

Via de milieuwetgeving wordt milieuhinder zoveel mogelijk voorkomen. Alle bedrijven en inrichtingen die in potentie hinder zouden kunnen veroorzaken, moeten een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer of moeten middels een melding aantonen dat zij aan de hierin gestelde richtwaarden kunnen voldoen. De gestelde richtwaarden zijn veelal vertaald in minimale afstanden tussen de inrichtingen waar activiteiten plaatsvinden en de milieugevoelige functies in de directe omgeving. Behalve van de aard en omvang van een bedrijf of inrichting, is deze mede afhankelijk van de omgevingskarakteristiek. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor bijvoorbeeld drukke woonwijken of een gemengd gebied. Voor het vaststellen van de genoemde minimum richtafstanden tussen inrichtingen en milieugevoelige functies worden in de regel de lijsten zoals deze zijn opgenomen in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' gebruikt. Bedrijven zijn in de VNG-handreiking ingedeeld in een aantal categorieën met bijbehorende gewenste richtafstanden tot milieugevoelige functies. De categorieën geven de zwaarte van bedrijvigheid en mogelijke milieuhinder weer. De richtafstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied.

Richtafstanden VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' Voorgaande tabel geeft een overzicht van de richtafstanden voor verschillende bedrijfscategorieën ten opzichte van een woonwijk en gemengd gebied. Indien de richtafstand niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor het aspect in beginsel achterwege blijven: inpassing is dan mogelijk. Indien niet aan de richtafstanden wordt voldaan, is een nadere beschouwing dan wel onderzoek nodig.

4.5.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Het plangebied is onderdeel van de lintbebouwing aan de Oude Kleefsebaan, met overwegend een woonbestemming. Vandaar dat de richtafstanden voor het omgevingstype 'rustige woonwijk' van toepassing zijn. In de omgeving van het plangebied komt het volgende bedrijf voor:  Oude Kleefsebaan 35: Een grondverzets- en loonbedrijf, uit milieucategorie 3.1, met een richtafstand van 50 m voor geluidsoverlast. Gezien de ligging op circa 40 m ten oosten van het plangebied, wordt aan deze richtafstand net niet voldaan. Gelet op het gegeven dat het bedrijf vooral fungeert als grondverzetsbedrijf waarbij de voertuigen het grootste deel van de tijd voor langere periodes op de bouwlocaties elders aanwezig zijn, en er al (maatgevende) bestaande woningen zijn binnen de bebouwde kom die op kortere afstand zijn gelegen dan de nieuwe woning, mag ervan worden uitgegaan dat er op onderhavige locatie sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor het maatgevende aspect geluid. Daar komt bij dat de voertuigen van het bedrijf vrijwel nooit langs de beoogde woonlocatie rijden, omdat ze meestal via de westelijke route Overasselt verlaten door de Oude Kleefsebaan uit te rijden richting de Ewijkseweg. Op deze manier vermijden ze eventuele drempels. Het aspect 'milieuzonering' vormt geen belemmering voor uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

24

bestemmingsplan "Oude Kleefsebaan 29A Overasselt" (vastgesteld)

bestemmingsplan Oude Kleefsebaan 29A Overasselt

4.6

Luchtkwaliteit

4.6.1

Regelgeving

In het kader van een planologische procedure moet worden aangetoond dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor wat betreft luchtkwaliteit. Hierbij moet het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van een nieuwe ontwikkeling, als ook de toetsing aan de 'Wet luchtkwaliteit' in beeld worden gebracht. De Wet luchtkwaliteit van 15 november 2007 - inmiddels opgenomen in hoofdstuk 5, onder titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) - gaat in op luchtkwaliteitseisen. In Bijlage 2 van de Wm zijn wettelijke grenswaarden vastgelegd van onder andere de stoffen stikstofdioxide (NO 2), fijn stof (PM10), benzeen (C6H6), zwaveldioxide (SO2), lood (Pb) en koolmonoxide (CO). Projecten moeten worden beoordeeld op basis van de voormalige Wet luchtkwaliteit c.q. artikel 5.16 van de Wet milieubeheer. Luchtkwaliteitseisen vormen geen belemmering voor vergunningverlening als:  er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;  een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt;  een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging;  een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking is getreden.

In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

4.6.2

Doorvertaling bestemmingsplan

In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Voorliggend initiatief maakt de realisatie van maximaal één woning mogelijk en valt dus binnen de NIBM-regeling. Daarom is onderzoek op grond van de Wet luchtkwaliteit niet noodzakelijk. Goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn aan de hand van de Grootschalige Concentratieen Depositiekaarten (GCN en GDN), de jaargemiddelde concentraties NO 2, PM10 en PM2,5 bepaald ter hoogte van het plangebied. Daaruit blijkt dat de jaargemiddelde grenswaarden van 40 µg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) niet worden overschreden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

bestemmingsplan "Oude Kleefsebaan 29A Overasselt" (vastgesteld)

25

bestemmingsplan Oude Kleefsebaan 29A Overasselt

4.7

Geur

4.7.1

Regelgeving

Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningsplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt:  voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv)) geldt een maximale geurbelasting) op een geurgevoelig object;  voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en nietconcentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, zie navolgende tabel:

Binnen bebouwde kom

Buiten bebouwde kom

Concentratiegebied

Niet-concentratiegebied

diercategorieën Rgv

maximum 3 ouE/m³

maximum 2 ouE/m³

andere diercategorieën

minimum 100 m t.o.v. geurgevoelig object

minimum 100 m t.o.v. geurgevoelig object

diercategorieën Rgv

maximum 14 ouE/m³

maximum 8 ouE/m³

andere diercategorieën

minimum 50 m t.o.v. geurgevoelig object

minimum 50 m t.o.v. geurgevoelig object

Geurnormen Wgv De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. Regeling geurhinder en veehouderij In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop:  de geurbelasting wordt bepaald;  de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object) wordt gemeten. Activiteitenbesluit Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee). Geur bij niet-agrarische bedrijven Het voorkomen van (nieuwe) geurhinder is het algemene uitgangspunt in het rijksbeleid.

Dit uitgangspunt is uitgewerkt in het landelijk informatiedocument ‘Handleiding Geur Industrie’ en beschrijft de methodiek voor de bepaling van het aanvaardbaar hinderniveau voor geur ten gevolge van bedrijfsmatige activiteiten. Vanwege het lokale aspect van geurhinder is de hoogte van het aanvaardbaar hinderniveau niet landelijk vastgelegd. Het bevoegd gezag moet daar een eigen afweging in maken. De provincie Gelderland heeft deze afweging uitgewerkt in de ‘Beleidsregels geur bedrijven (niet-veehouderijen) Gelderland 2017’ voor de industriële bedrijven waarvoor de provincie het bevoegde gezag is. Daarin is het aanvaardbaar geurhinderniveau vertaald naar streef-, richt- en grenswaarden. De streefwaarde is de waarde waaronder geen sprake is van hinder. De grenswaarde is de waarde waarboven sprake is van ernstige hinder. Over het algemeen wordt een geurcontour tussen streef- en grenswaarde als aanvaardbaar geurhinderniveau vastgesteld en vastgelegd in de milieuvergunning voor een industrieel geurrelevant bedrijf.

26

bestemmingsplan "Oude Kleefsebaan 29A Overasselt" (vastgesteld)

bestemmingsplan Oude Kleefsebaan 29A Overasselt

4.7.2

Doorvertaling bestemmingsplan

In de directe omgeving van het plangebied is geen sprake van (niet-)agrarische bedrijven met een geurcontour die (deels) over het plangebied gelegen is. Bovendien zijn tussen de omliggende (niet)agrarische bedrijven en het plangebied reeds andere gevoelige woonbestemmingen gelegen, die maatgevend zijn voor de bedrijfsvoering van de betreffende (niet-)agrarische bedrijven. Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.8

Externe veiligheid

4.8.1

Regelgeving

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten. In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas. Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied).

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Het besluit is op 27 oktober 2004 in werking getreden. Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Daarin wordt geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico's langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van Gasunie zijn het meest relevant. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) in werking getreden. Het Bevt verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.

4.8.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Op navolgende afbeelding is een uitsnede weergegeven van de provinciale risicokaart. Hierop is informatie weergegeven ten aanzien van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, transportroutes en buisleidingen:

bestemmingsplan "Oude Kleefsebaan 29A Overasselt" (vastgesteld)

27

bestemmingsplan Oude Kleefsebaan 29A Overasselt

Uitsnede risicokaart met globale aanduiding plangebied (rode stip) Inrichtingen c.q. bedrijven Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting. Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een risicovolle transportroute voor gevaarlijke stoffen. Vervoer van gevaarlijke stoffen over het water De kern Overasselt ligt ten noorden van de Maas. Het transport van gevaarlijke stoffen over de Maas is gelet op de ruime afstand tot het plangebied, niet relevant. Deze vaarweg is conform het Basisnet water een zwarte vaarweg en hiervoor geldt dat de 10-6 plaatsgebonden risicocontour niet buiten de waterlijn komt. Het plasbrandaandachtsgebied ligt op 25 m langs de vaarweg. Deze zones liggen daarmee ruimschoots buiten het plangebied. Vervoer van gevaarlijke stoffen door een buisleiding Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een buisleiding. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid bij een zwaar ongeval. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid. Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.9

Waterhuishouding

4.9.1

Regelgeving

Waterschap Rivierenland Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 “Koers houden, kansen benutten” bepalend voor het waterbeleid. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterketen.

28

bestemmingsplan "Oude Kleefsebaan 29A Overasselt" (vastgesteld)

bestemmingsplan Oude Kleefsebaan 29A Overasselt

Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat is voor plannen met een toename van verharding compenserende waterberging nodig. In feite is waterberging extra ruimte in sloten. Hiermee kan (regen)water uit de omgeving worden opgevangen. Technisch gezien is waterberging de ruimte tussen het zomerwaterpeil in de sloot en de bovenzijde van de oever. Het waterschap bepaalt aan de hand van normbuien hoeveel waterberging nodig is. Er zijn vuistregels vastgesteld voor de benodigde waterberging in ruimtelijke plannen. De benodigde ruimte voor waterberging dient berekend te worden op basis van maatgevende regenbuien, de toename aan verhard oppervlak en de maximaal toelaatbare peilstijging in de watergangen. Voor plannen met een toename aan verharding kan de vuistregel van 436 m³ per hectare verharding worden gebruikt bij bui T=10+10% en 664 m³ bij bui T=100+10%. De maatgevende afvoer bedraagt 1,5 l/s/ha.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11486411/1