CConstaterende datHeumen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage I Ontwerpbestemmingsplan Molenstraat ong. Heumen

Raad 18 april 2024, gemeente HeumenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Molenstraat ong. Heumen19.488 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Voor plannen met een toename aan verharding kan de vuistregel van 436 m? per hectare verharding worden gebruikt bij bui T=10+10% en 664 m? bij bui T=100+10%. De maatgevende afvoer bedraagt 1,5 I/s/ha. Bij een bui T=10+10% mag het waterpeil in principe maximaal 0,3 m stijgen. Bij een regenbui die eenmaal per 100 jaar kan voorkomen (T= 100+10%) mag het waterpeil stijgen tot de

DUTCH°PLAN'NER.S"

27

laagste putdekselhoogte op wijkniveau.

Bij de keuze van het soort bergingsvoorziening hanteert het waterschap de trits vasthouden-bergen-

afvoeren. In aansluiting hierop hanteert het waterschap de volgende voorkeursvolgorde: e

Hemelwater vasthouden door hergebruik of infiltratie;

e

Hemelwater bergen in open water (of droogvallende watergang);

e

Hemelwater bergen in kunstmatige bergingsvoorzieningen (wadi, bassins, kratten, kelders).

Indien een infiltratievoorziening wordt gerealiseerd moet de bodem van de voorziening zich gelijk of

hoger dan de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) bevinden en mag bij een ontwerpbui T=100+10% het systeem tot aan maaiveld gevuld zijn. De ledigingstijd van het systeem bedraagt 48 tot 96 uur.

4.6.2 Gemeentelijk rioleringsplan 2018 - 2022 Het (hemel)waterbeleid van de gemeente Heumen is onder meer vastgelegd in het Verbreed gemeentelijk rioleringsplan 2018 - 2022. Voor alle nieuwbouwplannen binnen de gemeente Heumen geldt dat het regenwater op eigen

perceel verzameld en verwerkt dient te worden. Het regenwater mag niet meer bij het vuilwaterriool worden aangesloten of oppervlakkig afstromen naar de openbare ruimte.

De gemeente Heumen conformeert zich aan het beleid van het waterschap. De eis vanuit het waterschap voor solitaire infiltratiesystemen (dus zonder overloop op een sloot) dienen minimaal

66,4 mm/m? verhard oppervlak te kunnen bergen. Bij een systeem met een overloop op het watersysteem van het waterschap moet minimaal 43,6 mm/m? verhard oppervilak geborgen worden, waarbij maximaal 1,5 I/s/ha op het watersysteem mag worden geloosd. Voor het aansluiten van water of een overloop op het watersysteem van het waterschap moet een vergunning worden aangevraagd of gemeld worden. De wijze van infiltreren, bergen en verwerken van het hemelwater op eigen terrein is ter invulling van de perceeleigenaar. Bij de keuze en aanleg van een voorziening dient te worden voorkomen dat

er afval in het hemelwatersysteem wordt geloosd. Daarnaast dient gebruik te worden gemaakt van milieuvriendelijke bouwproducten en werkwijzen. Er wordt derhalve geadviseerd gebruik te maken van niet uitloogbare bouwmaterialen of materialen die voorzien zijn van een keurmerk. Daarnaast dient een voorziening bij voorkeur inspecteerbaar en reinigbaar te zijn. Het systeem dient binnen 48

uur weer leeg te zijn zodat de volledige bergingscapaciteit weer beschikbaar is. De gemeente adviseert binnen stedelijk gebied om minimaal 20 tot 30 mm in een voorziening te

bergen met een overloop op eigen terrein. De overloop mag daarbij geen overlast voor de omgeving opleveren. De Europese Kaderrichtlijn Water gaat er vanuit dat water geen gewone handelswaar is, maar een erfgoed dat moet worden beschermd en verdedigd. Het hoofddoel van de richtlijn is daarop

gebaseerd. De Kaderrichtlijn Water geeft het kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater en grondwater. Dat moet ertoe leiden dat: aquatische ecosystemen en

gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van deze ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed; emissies worden verbeterd; duurzaam gebruik van water wordt bevorderd op basis van

DUTCH°PLAN'NER.S"

28

bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn; er wordt gezorgd voor een aanzienlijke vermindering van de verontreiniging van grondwater.

4.6.3 Watersysteem De legger van het waterschap Rivierenland is een set met kaarten van het beheergebied. Daarop staat o.a. welke rivieren, watergangen, dijken, kaden, stuwen en sluizen het waterschap beheert en

waar ze liggen. Waterschap Rivierenland heeft een legger voor watersystemen (beken en sloten) en

een legger voor waterkeringen (dijken). Planspecifiek Uit onderstaande uitsnede uit de legger voor watersystemen blijkt dat in het plangebied geen waterlopen, waterpartijen of watergangen liggen.

pria < x< om

eN

2a As)

a

:

Ge" ?:.

,

~

a

Uitsnede legger waterschap Rivierenland

4.6.4 Watertoets

Eind 2000 heeft het kabinet het standpunt “Anders omgaan met water” vastgesteld. Het op een

andere manier omgaan met water én ruimte is nodig om in de toekomst bescherming te bieden tegen overstromingen en wateroverlast. De watertoets is een instrument dat ruimtelijke plannen toetst aan de mate waarin zij rekening houden met het beleid om het water meer ruimte te geven.

De watertoets heeft als doel om in een vroegtijdig stadium alle relevante partijen te betrekken bij het opstellen van een wateradvies. De toets heeft betrekking op alle wateren en alle waterhuishoudkundige aspecten die van betekenis zijn voor het gebruik en de functie van het plangebied en de directe omgeving van het gebied, bijvoorbeeld veiligheid (overstromingsgevaar), wateroverlast en waterkwaliteit.

Planspecifiek Voor het plan is een digitale watertoets uitgevoerd (bijlage 3). Hieronder volgt een planspecifieke samenvatting per thema. DUTCH°PLAN'NER.S

=

29

Waterkeringen In het voorliggende plangebied zijn geen waterkeringen aanwezig. Watergangen

In het plangebied, of direct aangrenzend daaraan, komt geen oppervlaktewater voor. Watercompensatie

Door het toevoegen van 2 woningen vindt neemt het verhard oppervlak in het plangebied toe. Bij

een toename in verharding van minder dan 500 m? in stedelijk gebied en minder dan 1500 m? in landelijk gebied is compenserende waterberging niet nodig. In dit geval blijft de toename van het verhard opperviak onder de compensatiegrens. Voor onderliggend initiatief kan gebruik worden gemaakt van de 1500 m2 vrijstelling in landelijk gebied. Dit betekent dat er op basis van het beleid van het waterschap geen compensatie hoeft plaats te vinden. Grondwater

Het plan is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied. In en om het plangebied is geen

grondwateroverlast bekend. Ingrepen voorkomend uit dit plan zullen het functioneren van het grondwatersysteem niet beinvioeden. Riolering en hemelwaterafvoer Het hemelwater van de nieuwe woningen wordt niet gekoppeld aan het rioolsysteem, maar wordt

op het eigen perceel verwerkt. Het afvalwater van de woningen kan via de bestaande rioolaansluiting verwerkt worden.

Waterkwaliteit

Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken

materialen. Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geimpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die het hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Afkoppeling van

hemelwater zorgt ervoor dat het aantal riooloverstorten laag is. Ook dit komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede. Beheer en onderhoud

Het beheer en onderhoud van het inzamelings- en transportstelsel van afvalwater, kortom de riolering, ligt bij de gemeente. Het Waterschap is verantwoordelijk voor de zuivering van het

aangeleverde afvalwater. Het Waterschap is de beheerder van het totale watersysteem en van de waterkeringen. Het onderhoud van de waterkeringen en hoofdwatergangen is tevens de verantwoordelijkheid van het Waterschap. Het onderhoud van de overige watergangen ligt bij particulieren, de gemeente en andere instanties. Conclusie

Het aspect 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

DUTCH°PLAN'NER.S"

:

30

4.7 Flora en fauna

4.7.1 Wet Natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. De Wet natuurbescherming is het wettelijke stelsel voor de natuurbescherming. De wet is de vervanger van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De Wet natuurbescherming regelt allereerst de taken en bevoegdheden ten behoeve van de bescherming van natuurgebieden en plant- en diersoorten. Daarnaast bevat het voorstel onder meer bepalingen over de jacht en over houtopstanden. 43 De Wet natuurbescherming neemt de Europese regelgeving als uitgangspunt. Het toetsingskader van de nieuwe wet is, voor wat betreft soortbescherming, deels gelijk aan dat van de oude Flora- en faunawet. Al is de lijst met beschermde soorten wel gewijzigd. In de nieuwe wet zijn 945 soorten actief beschermd. Waar dat noodzakelijk is voor een adequate bescherming van natuurwaarden waarvoor geen specifieke bescherming is voorzien in Europese regelgeving worden op formeel wetsniveau aanvullende, als zodanig kenbare ‘nationale’ beschermingsvoorschriften verankerd. Bij ruimtelijke ontwikkelingen en planologische procedures zal getoetst moeten worden aan de Wet natuurbescherming. De provincies zijn het bevoegd gezag voor de Wet natuurbescherming.

In de Wet natuurbescherming is geregeld dat er voldoende zorg in acht moet worden genomen voor de in het wild levende dieren en planten, inclusief de directe leefomgeving. Bij het verlenen van een vergunning op grond van het bestemmingsplan, moeten de

verbodsbepalingen in acht worden genomen. Dat houdt in dat, voorafgaand aan de verlening van een vergunning, onderzoek moet worden uitgevoerd naar het voorkomen van dier- en plantsoorten die op grond van de Wet natuurbescherming beschermd zijn. Vooral binnen de stedelijke omgeving moet aandacht worden geschonken aan de aanwezigheid van en de invloed op vleermuizen,

huismus, gierzwaluw en steenmarter. De nestlocaties en vaste rust- en verblijfplaatsen van deze soort(groep)en zijn jaarrond beschermd. Daarnaast zijn de bezette nesten van alle inheemse vogelsoorten beschermd en mogen niet opzettelijk verstoord worden. Het broedseizoen loopt

globaal van 15 maart t/m 15 juli, maar broedgevallen daarbuiten zijn ook beschermd. Ook moet worden onderzocht in hoeverre de verstoring, vernieling of verontrusting van de beschermde soorten plaatsvindt. Als inbreuk wordt gepleegd op de verbodsbepalingen die op grond

van de bepalingen van de Wet natuurbescherming zijn vastgesteld, kan een verzoek tot ontheffing worden aangevraagd. Uit een verleende ontheffing kunnen aanvullende mitigerende en/of compenserende maatregelen voortkomen die van invloed zijn op de (her)inrichting van een gebied. Het niet verkrijgen van een ontheffing is van invloed op de haalbaarheid van een project. Naast bovengenoemde soortenbescherming ziet de Wet Natuurbescherming eveneens toe op gebiedsbescherming. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa.

Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn

(79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd.Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen Ecologische Hoofstructuur) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt.

DUTCH°PLAN'NER.S"

:

31

Planspecifiek Voor voorliggend bestemmingsplan is een quickscan natuurtoets (Econsultancy, 15 maart 2022; bijlage 4) uitgevoerd. Uit deze quickscan is gebleken dat voor de geplande activiteiten geen vervolgonderzoek nodig is. Soortenbescherming

Ten aanzien van algemene broedvogels en steenuil kunnen overtredingen worden voorkomen door verstorende werkzaamheden uit te voeren buiten het broedseizoen. Globaal kan voor het

broedseizoen de periode begin februari tot eind augustus worden aangehouden.

Gelet op de bebouwing ten oosten en westen van de onderzoekslocatie, zijn overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van vieermuizen te vermijden als mogelijke verblijfplaatsen functioneel en duurzaam behouden blijven. Additionele (bouw)verlichting richting deze bebouwing en directe omgeving dient te worden voorkomen. Indien verstoring door een toename van verlichting dreigt, zal een verlichtingsplan in samenwerking met een ter zake deskundige worden opgesteld, waar maatregelen in worden vastgelegd om verstoring door verlichting te voorkomen.

Geadviseerd wordt gebruik te maken van een amfibieénscherm om mogelijke incidentele toetreding van de alpenwatersalamander en kamsalamander tot de onderzoekslocatie te voorkomen tijdens de

werkzaamheden en vervolgens ingesloten individuen weg te vangen. Geadviseerd wordt de ecologische maatregelen op te laten nemen in een ecologisch werkprotocol en onder begeleiding van een ecoloog uit te laten voeren. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen

en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Ten aanzien van algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieén is het in het kader van de zorgplicht noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient te worden gedaan om het doden van individuen te voorkomen.

Gebiedsbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Sint-Jansberg) ligt op ongeveer km van het plangebied. Om te bepalen of sprake is van een stikstofdepositie met een significant negatief effect op Natura 2000gebieden is een AERIUS-berekening (bijlage 5) uitgevoerd. Hieruit blijkt dat er in de gebruiksfase

geen sprake van een stikstofdepositie met een significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het plangebied is niet gelegen binnen NNN (GNN of GO). Voor NNN (GNN en GO) geldt dat alleen de gebieden zelf beschermd worden c.q. is geen sprake van een externe werking. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland en beschermde houtopstanden worden geen bezwaren voorzien in de uitvoering van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie.

DUTCH°PLAN'NER.S"

:

32

Groesbeek

Molenhoek ren

Breedeweg Mook

ae

—! ikm

Figuur 8: Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000 gebieden

4.7.2 Stikstofdepositie Als gevolg van het stopzetten van de PAS-systematiek, mogen plannen niet leiden tot een verhoogde

depositie van NOx/NH3 op Natura 2000-gebieden, niet in uitvoering gebracht worden zonder een vergunning Wet natuurbescherming.

Voor de berekening van de stikstofdepositie met behulp van de AERIUS Calculator (bijlage 6) is gebruik gemaakt van een landelijke standaard van woningtypen met bijbehorende emissiefactoren. Voor voorliggend bestemmingsplan is ervoor gekozen uit te gaan van het woningtype met de

grootste emissiefactor, namelijk een (gasloze) vrijstaande woning. Daarnaast is in de berekening ook

de verwachte toename van het aantal verkeersbewegingen meegenomen (17,2 vervoersbewegingen per etmaal). Uit de berekening is op te maken dat de gebruiksfase niet leidt tot een stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Er is in de gebruiksfase dan ook geen sprake van een stikstofdepositie met een significant negatief effect op Natura 2000-gebieden.

Uit de Aeriusberekening voor de gebruiksfase blijkt dat de functiewijziging en de daaraan gekoppelde mogelijke bouw van twee woningen een verwaarloosbaar effect heeft op de depositie van stikstofdioxiden berekend op Natura 2000-gebieden. Om die reden is met de gemeente Heumen

afgesproken dat voor het vast te stellen bestemmingsplan geen nieuwe berekening (met de geactualiseerde AERIUS Calculator met rekenjaar 2023) hoeft te worden gemaakt m.b.t. de

gebruiksfase. Op basis van de meest actuele calculator zal wel een berekening gemaakt worden voor

de aanlegfase. \n dit concept ontwerpbestemmingsplan is de berekening voor de gebruiksfase toegevoegd al bijlage 5; de rapportage is te vinden in bijlage 7. De berekeningen voor de aanlegfase zal voor de vaststelling van het plan worden toegevoegd.

Aangezien het om een kleine ontwikkeling gaat (het toevoegen van 2 woningen) en de uitgevoerde

berekening voor de gebruiksfase niet leidt tot een stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr is de verwachting dat ook de aanlegfase niet zal leiden tot rekenresultaten hoger dan 0,00 mol per hectare

per jaar.

pice

te

DUTCH°PLAN'NER.S

33

Het aspect stikstof i.r.t Natura 2000-gebieden vormt daarmee naar verwachting geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.

4.8 Archeologie en cultuurhistorie Nederland heeft in 1992 het verdrag van Malta ondertekend. Het verdrag van Malta heeft als doel het archeologisch erfgoed in de bodem beter te beschermen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar een reéle verwachting bestaat dat er archeologische waarden aanwezig zijn dient er een archeologisch onderzoek uit te worden gevoerd, voordat er bodemingrepen plaatsvinden

Op1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden ter vervanging van de Monumentenwet 1988. Een deel van de monumentenwet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat

betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2019 in werking treedt. Tot die tijd blijven deze onderdelen van de Monumentenwet 1988 gelden als overgangsrecht binnen de Erfgoedwet. Gemeenten hebben een archeologische zorgplicht en initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord zijn verplicht rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan

leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. Planspecifiek Uit het vooronderzoek archeologie, uitgevoerd ten behoeve van het principeverzoek, blijkt dat circa 0,50 tot 0,70 m -mv is verploegd. In deze bovenste laag konden archeologische indicatoren uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd voorkomen.

\

Lo

S\V TYAS iCae

\ ‘ la[Re hi eg aN \8 \ % :5 ae Ae5\ \ \4 \c )| Leng <a" SSo DY 10 S s Vz \ Fak

AS VG. ityYA gis ho" IN \ \ AK

4 NN \ QS

=, KS " »SNS +

SSN

DUTCH°PLAN'NER.S"

oH

/

obi} \

/ fr L/

Ao

34

Verwachte dichtheid aan archeologische resten binnen landschappelijke eenheden

GGG istorische archeologischbewoningskem, en bouwhistorisch kansrijke verdedigingslocaties; kasteelterrein, werk, begraafplaats

h ree corer

rp ence ae vee

Hoog voor archeologische resten uil met name de Late Middeleeuwen en later.

‘Archeologische resten mogelijk afgedekt door een >50 om dikke conserverende lag en daardoor waarschinlijk goed geconserveerd (profieltype 11).

Shred wearschijnldoren ik ebon decarsenerende engendosdane goed geconserveerd (profieltype 1)

A 195 versely moet res armen Co] mistcnatge veracting

valoda tat meatalendaaocriwatoarjrotlypen?a3) Arthelogihe reste sett Sor eon250 on dae cararverende ag

SS) teveraieg

Hiya dor eonS20 an dik onsenerende ogondeetacweer-

en daardoor waarschijnlijk goed geconserveerd (profieltype 4) of archeologische resten viak onder het maaiveld en daardoor kwetsbaar (profieltypen 5 en 6).

schijnljk goed geconserveerd (profieltype 7) of archeologische resten viak onder het maaiveld en daardoor kwetsbaar (profieltypen 8 en 9).

waler(partj)

Figuur 9: Archeologische verwachtingskaart Heumen

De gronden binnen het plangebied hebben de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologische

verwachting 1’. Het oppervlaktecriterium van 500 m? wordt met de bouw van de 2 woningen niet overschreden. Bovendien is de bovengrond geroerd voor een diepte van meer dan 40 cm. Een nader archeologisch onderzoek is daarmee niet noodzakelijk.

De dubbelbestemming ‘Waarde — Archeologische verwachting 1’blijft gehandhaafd in het nieuwe bestemmingsplan voor het plangebied. Het aspect ‘archeologie’ vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.9 Verkeer en parkeren Het plangebied wordt ontsloten via de Molenstraat. Voor de op te richten woningen is voldoende ruimte om op eigen terrein te voorzien in de eigen parkeerbehoefte. Vanuit de publicatie "Verkeersgeneratie en Parkeerkencijfers" van het CROW (ook wel bekend als publicatie 317) leiden woningen in het buitengebied tot gemiddeld 8 extra verkeersbewegingen per etmaal met personenvervoer. Voor de realisatie van twee nieuwe woningen betekent dit dan een

toename met 16 verkeersbewegingen per dag. Deze verkeersbewegingen zullen met name in de dagen avondperiode plaatsvinden en slechts incidenteel in de nachtperiode. Gemiddeld genomen zal, daarmee sprake zijn van een spreiding van het aantal verkeersbewegingen over een periode van

ongeveer 17 uur. Gemiddeld genomen betekent dit dan dat er ongeveer 1 verkeersbeweging met personenauto's per uur zullen plaatsvinden als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Dit betreft geen onevenredige toename van het aantal verkeersbewegingen.

Gezien het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toeneemt zal geen sprake zijn van negatieve effecten op de verkeersveiligheid en zal geen sprake zijn van een toenemende overlast aan de omgeving.

°

ti

DUTCH°PLAN'NER.S

85

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting 5.1 Planopzet en systematiek Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De

regels en verbeelding vormen hetjuridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende

het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels, alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In deze paragraaf wordt de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs-

en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012), de Wabo en andere bestemmingsplannen van de gemeente Heumen. Voor het bouwen is verder het Besluit omgevingsrecht (Bor) van belang. In de Bor zijn onder andere regels voor bouwvergunningvrije bouwwerken opgenomen. Hieronder wordt de opbouw en inhoud van de regels kort toegelicht.

5.1.1 Inleidende regels Begrippen (artikel 1) In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen

nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten (artikel 2)

Om op een eenduidige manier afstanden, opperviakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

5.1.2 Bestemmingsregels In de bestemmingsregels zijn de regels voor de verschillende bestemmingen omschreven. Deze zijn in beginsel opgebouwd uit:

Bestemmingsomschrijving Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals bedrijven, wonen, centrum etc. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies. Bouwregels

In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen

DUTCH°PLAN'NER.S"

36

zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden

gebouwd, worden hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding. Specifieke gebruiksregels In dit onderdeel kan worden aangegeven welke vormen van gebruik men in ieder geval strijdig acht met de bestemming. Het is niet de bedoeling alle mogelijke strijdig gebruiksvormen te noemen, maar alleen die, waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de doeleindenomschrijving.

Afwijken van de gebruiksregels Een omgevingsvergunning om af te wijken van een gebruiksregel mag niet leiden tot een feitelijke wijziging van de bestemming. Dat wil zeggen, dat afwijken wel kan worden toegestaan ten behoeve van functies, die inherent zijn aan de in de bestemmingsomschrijving opgenomen functies. Via de omgevingsvergunning kunnen geen 'nieuwe' functies worden toegestaan. Met andere woorden: de regeling kan worden opgenomen voor kleinere, planologisch minder ingrijpende, onderwerpen.

Functiewijzigingen en grotere, ingrijpende ruimtelijke ingrepen dienen geregeld te worden via een wijzigingsbevoegdheid.

5.1.3 Algemene regels Anti-dubbeltelbepaling Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan

bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels Deze bepaling bevat algemene regels omtrent ondergronds bouwen en ondergeschikte bouwdelen. Algemene gebruiksregels

Deze bepaling bevat de vormen van gebruik, die in ieder geval strijdig ziin met de regels van het bestemmingsplan.

Algemene afwijkingsregels In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan door middel van een omgevingsvergunning afgeweken kan worden van het bestemmingsplan. Het gaat hierbij om de bevoegdheid om door middel van een omgevingsvergunning af te kunnen wijken van de regels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. De criteria, die bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene wijzigingsregels In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen.

Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. Algemene procedureregels In deze bepaling staat aangegeven welke procedure dient te worden gevolgd bij de voorbereiding

van een wijzigingsbevoegdheid. DUTCH°PLAN'NER.S"

37

5.1.4 Overgangs- en slotregels Overgangsrecht

Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een

omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingbevoegdheid. Het gebruik

van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan mag eveneens worden voortgezet. Slotregel

Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

5.2 Bestemmingen 5.2.1 Tuin

De gronden met de bestemming '‘Tuin' maken juridisch en feitelijk deel uit van de bouwpercelen waarop woningen zijn gesitueerd. Op gronden met de bestemming Tuin mogen geen (bij)gebouwen worden opgericht. 5.2.2 Verkeer

Langs de openbare weg krijgt een strook grond de bestemming Verkeer. In de toekomst wordt hier mogelijk een trottoir (met daaronder een kabel- en leidingenstrook) aangelegd. De overdracht van de strook aan de gemeente (of andere wegbeherende instantie) zal dan worden geregeld met een privaatrechtelijke overeenkomst. Met deze mogelijkheid is in het plan al rekening gehouden. Tot die tijd is de strook in gebruik als tuin. 5.2.3 Wonen

De bestemming 'Wonen' omvat de percelen waarop woningen zijn toegelaten. De hoofdgebouwen moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd. Het bouwvlak is gepositioneerd op basis van de voorziene bebouwing op het terrein. Per bouwvlak is 6én woning toegestaan. De maximale toegestane bouwhoogte is met een maatvoeringsymbool op de plankaart opgenomen. Dit geldt ook

voor de maximale inhoud van de woningen. Naast het wonen is ook het uitoefenen van een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactviteit en

het voeren van een bed and breakfast onder bepaalde omstandigheden toegestaan. Ook zijn regels opgenomen voor mantelzorg.

5.2.4 Dubbelbestemming Archeologie Een dubbelbestemming heeft tot doel om een bepaalde waarde te beschermen. In het plangebied is een dubbelbestemming opgenomen voor de Archeologische verwachtingswaarden in het gebied. In de dubbelbestemmingen is een bouwverbod en een vergunningplicht voor werkzaamheden

opgenomen zodat het bevoegd gezag (meestal burgemeester en wethouders) het belang dat de dubbelbestemming beoogd te beschermen kan betrekken in de belangenafweging.

DUTCH°PLAN'NER.S"

38

Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid De voorgestane ontwikkeling is een particulier initiatief. De kosten van het plan komen geheel voor

rekening van de initiatiefnemer. In dit kader wordt met de initiatiefnemer een (anterieure) overeenkomst afgesloten, waarin afspraken worden vastgelegd inzake het kostenverhaal. Derhalve is het vaststellen van een exploitatieplan niet nodig: het kostenverhaal wordt anderszins verzekerd.

DUTCH°PLAN'NER.S

;

39

Hoofdstuk 7 Procedure 7.1 Algemeen

Dit bestemmingsplan doorloopt de procedure als bedoeld in afdeling 3.2 van de Wet ruimtelijke ordening. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing. Ook wordt het plan op grond van artikel 3.1.1. Besluit ruimtelijke ordening overlegd met de besturen van waterschap,

provincie en Rijk. In dit hoofdstuk worden de resultaten van deze procedure en overleggen

behandeld. In de verdere procedure wordt te zijner tijd bepaald of de resultaten van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan worden toegevoegd aan dit hoofdstuk.

7.2 Overleg

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) staat dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor

ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

In het kader van het vooroverleg zal het plan besproken worden met het Waterschap Rivierenland. Ingediende reacties worden vervolgens van een gemeentelijke reactie voorzien.

7.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Omwonenden en andere belanghebbende zijn per brief geinformeerd over de plannen. Hierbij is de mogelijkheid geboden om middels keukentafelgesprekken mee te praten over het plan. De

opbrengsten van deze keukentafelgesprekken is verder uitgewerkt naar een inrichtingsplan. Het verslag van deze gesprekken is samen met het participatieplan bijgevoegd als bijlage 8.

DUTCH°PLAN'NER.S"

40

Regels e

e

e

e

Hoofdstuk 1 Inleidende regels o

Artikel 1 Begrippen

o

Artikel 2 Wijze van meten

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels o

Artikel 3 Groen —landschappelijke beplanting

o.

Artikel 3 Tuin

o

Artikel 4 Verkeer

o

Artikel

o.

Artikel 6 Waarde — Archeologische verwachting 2

5 Wonen

Hoofdstuk 3 Algemene regels o.

Artikel 7 Anti-dubbeltelregel

o

Artikel 8 Algemene gebruiksregels

o.

Artikel 9 Algemene afwijkingsregels

o

Artikel 10 Algemene wijzigingsregels

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels o

Artikel 9 Overgangsrecht

o

Artikel 10 Slotregel

Bijlage 1:

Staat van bedrijfsactiviteiten

Bijlage 2:

Stedenbouwkundig plan/Erfinrichtingsplan

DUTCH°PLAN'NER.S"

41

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen 1.1 plan:

het bestemmingsplan BER

van de gemeente Heumen;

1.2 bestemmingsplan de geometrische bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0252.MhbpMolenstraat-OW01 met bijbehorende regels en bijlage; 1.3 verbeelding de analoge en digitale voorstelling van de in het bestemmingsplan opgenomen digitale ruimtelijke informatie; 1.4 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.5 aan huis verbonden beroepsmatige activiteiten het uitoefenen van een beroep of bedrijf door de bewo(o)n(st)er van de woning op zakelijk, maatschappelijk, juridisch, medisch, kunstzinnig dan wel ontwerptechnisch gebied, alsmede het beroepsmatig verlenen van diensten op deze gebieden dan wel het vervaardigen van producten en/of het leveren van diensten en dat niet krachtens een milieuwet vergunning- of meldingsplichtig is;

1.6 afwijking van de bouwregels en/of van de gebruiksregels een afwijking als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder c van de Wet ruimtelijke ordening; 1.7 archeologische verwachting een gebied waar naar verwachting relatief veel terreinen voorkomen met archeologische waarden; 1.8 archeologische waarde een terrein waarin zich voorwerpen of bewoningssporen van vroegere samenlevingen bevinden, die behouden dienen te worden; 1.9 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.10 bebouwingspercentage een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het bouwvlak aangeeft, dat maximaal mag worden bebouwd, tenzij in de regels anders is bepaald; 1.11 bed & breakfast

een inpandige voorziening gericht op het bieden van de mogelijkheid tot overnachting en het serveren van ontbijt als ondergeschikte toeristisch recreatieve activiteit; 1.12 bestaand

bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaat of wordt gebouwd, dan wel nadien kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van terinzagelegging is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald;

bij gebruik: het gebruik dat op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan bestaat, tenzij in de regels anders is bepaald; 1.13 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak;

DUTCH°PLAN'NER.S

:

42

1.14 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.15 bijgebouw een niet voor bewoning bestemd vrijstaand gebouw, dat door zijn constructie en/of afmetingen ondergeschikt is en een gebruikseenheid vormt en dienstbaar is aan een woning, een stacaravan of een recreatiewoning; 1.16 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

1.17 bouwgrens de grens van een bouwvlak; 1.18 bouwvlak

een geometrisch bepaald viak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.19 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.20 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling voor verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die de goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.21 ecologische hoofdstructuur

een samenhangend netwerk van kwalitatief hoogwaardige natuurgebieden, natuurrijke cultuurlandschappen en verbindingszones, met als doel de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten; 1.22 ecologische waarde

de aan een gebied, middels een theoretische benadering toegekende waarde voor soorten planten, dieren en vegetatietypen, waarbij het gangbaar is zich met name te richten op de bescherming, zeldzaamheid en bedreigdheid van de natuurwaarde van de aanwezige planten, dieren en vegetatietypen; 1.23 erf

al dan niet bebouwde perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw; 1.24 erotisch getinte vermaaksfunctie

een vermaaksfunctie, welke is gericht op het doen plaatsvinden van voorstellingen en/of vertoningen van porno-erotische aard, waaronder begrepen een seksbioscoop, een seksclub en een seksautomatenhal; 1.25 externe veiligheid

het controleren en managen van risico's die omwonenden lopen door de productie, het gebruik, de opslag en het transport van gevaarlijke stoffen, waarbij de overlijdenskans van groepen en individuen als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval door zojuist genoemde risicobronnen, uitgangspunt is voor ruimtelijke ontwikkelingen;

'

i"

DUTCH°PLAN'NER.S

43

1.26 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.27 gebruiken

gebruiken, het doen gebruiken, laten gebruiken en in gebruik geven; 1.28 grenswaarde

een grenswaarde als bedoeld in de Wet Milieubeheer ten aanzien van het niveau van het plaatsgebonden risico; 1.29 groepsrisico

de cumulatieve kansen per jaar dat een aantal personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een risicobron en een ongewoon voorval binnen die risicocontour, waarbij een gevaarlijke stof is betrokken; 1.30 hoofdgebouw

een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken; 1.31 kampeermiddel

tent, tentwagen, kampeerauto of caravan, dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig, gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, waarvoor ingevolge artikel 40 van de Woningwet een omgevingsvergunning voor het bouwen vereist is; een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf; 1.32 kangoeroewoning

een in omvang ondergeschikte één- of tweepersoonswoning die een in- dan wel aangebouwd deel uitmaakt van een (bedrijfs)woning. 1.33 kantoor

een gebouw, dat dient voor de uitoefening van administratieve werkzaamheden; 1.34 kelder

een bijzondere bouwlaag waarbij de vloer van de bovengenoemde bouwlaag onder het gemiddeld aangrenzend peil is gelegen, en tussen de buitenzijde van de gevels; 1.35 kernkwaliteiten

de wezenlijke landschappelijke en ecologische kenmerken van een bepaald gebied; 1.36 kwetsbaar object

een object waarvoor, ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI), een grenswaarde voor het risico c.q. een risicoafstand tot een risicovolle inrichting is bepaald; 1.37 landschappelijke waarden

de aan een gebied toegekende waarde, die wordt bepaald door de aanwezigheid van de onderlinge samenhang en beinvloeding van de niet-levende en levende natuur (met inbegrip van de mens); 1.38 maatschappelijke voorzieningen

voorzieningen ter zake van openbaar bestuur, openbare dienstverlening, fysieke en geestelijke volksgezondheid of sociaal-culturele aard;

'

~u

DUTCH°PLAN'NER.S

44

1.39 mantelzorg:

de langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan hulpbehoevenden door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt. Hierbij valt te denken aan het zorgen voor een chronisch zieke, gehandicapte of hulpbehoevende partner, ouder, kind of ander familielid, vriend of kennis. 1.40 mitigerende maatregelen

maatregelen die de aantasting van kernkwaliteiten of omgevingscondities beperken; 1.41 natuurwaarden

de aan een gebied eigen zijnde ecologische waarden; 1.42 normaal onderhoud, gebruik en beheer een gebruik gericht op het in zodanige conditie houden of brengen van objecten dat het voortbestaan van deze objecten op ten minste het bestaande kwaliteitsniveau wordt bereikt; 1.43 omgevingscondities

de kwaliteiten van de omgeving voor zover deze van invloed zijn op kernkwaliteiten; 1.44 omgevingsvergunning

een vergunning als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

1.45 omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden een vergunning als bedoeld in artikel 3.3 onder a van de Wet ruimtelijke ordening; 1.46 overkapping

een overdekt bouwwerk met maximaal twee al dan niet tot de constructie behorende wanden; 1.47 paardenbak

een omheind terrein waarvan de natuurlijke bovenlaag is vervangen door zand of ander doorlatend materiaal ten behoeve van het rijden op paarden; 1.48 peil

de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein ter plaatse; 1.49 permanente bewoning

bewoning door een persoon, gezin of andere groep van personen van een recreatiewoning, stacaravan of andere, voor wisselende bewoning bedoelde, ruimte als hoofdverblijf c.q. vaste woon- of verblijfplaats; 1.50 plaatsgebonden risico risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel is betrokken;

1.51 prostitutie

DUTCH°PLAN'NER.S

:

45

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; 1.52 richtwaarde een richtwaarde als bedoeld in de Wet Milieubeheer ten aanzien van het niveau van het

plaatsgebonden risico; 1.53 risicovolle inrichting

een inrichting bij welke ingevolge het BEVI een grenswaarde, richtwaarde voor het risico c.q. een risicoafstand moet worden aangehouden bij het in het bestemmingsplan toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten;

een AmvB-inrichting waarvoor krachtens de Wet Milieubeheer afstanden gelden met het oog op externe veiligheid; 1.54 seksinrichting een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotische/pornografische aard plaatsvinden, waaronder in ieder geval worden verstaan een prostitutiebedrijf, een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.55 Staat van Bedrijfsactiviteiten een als bijlage bij deze regels behorende en daarvan onderdeel uitmakende lijst van bedrijven en instellingen; 1.56 stacaravan

een caravan die als een bouwwerk in de zin van de Woningwet valt aan te merken; 1.57 uitvoeren

uitvoeren, het doen uitvoeren, laten uitvoeren en in uitvoering geven; 1.58 verblijfsrecreatie

recreatie gericht op het verblijf, hieronder begrepen nachtverblijf, op daarvoor bestemde gronden; 1.59 voorgevel

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die op het moment van terinzagelegging van het ontwerp van het plan kennelijk als zodanig diende te worden aangemerkt; 1.60 woning

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;

'

~u

DUTCH°PLAN'NER.S

46

Artikel 2 Wijze van meten 2.3

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: de goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; de inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; de opperviakte van een gebouw

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

2.2

Voor de berekening van de inhoud van een bouwwerk wordt tevens meegeteld ruimte die door vier wanden, scheidingsmuren en/of dakvlakken is omsloten, maar niet door middel van een dak is afgesloten. De inhoud van deze ruimte wordt gemeten tussen de bovenzijde van de vioer, de binnenzijde van de wanden, scheidingsmuren en/of dakvlakken en de projectie van het dak, waarbij de hoogte van deze projectie wordt bepaald aan de hand van de gemiddelde hoogte van de vier wanden, scheidingsmuren en/of dakvlakken. 2.3

Bij toepassing van deze regels wordt gemeten tot of vanuit het hart van een lijn op de verbeelding en op de schaal waarin het plan is vastgesteld.

'

i"

DUTCH°PLAN'NER.S

47

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Tuin 3.1 bestemmingsomschrijving

De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. tuinen en erven; b. voetpaden; c. groenstroken en afschermende beplanting met bijbehorende voorzieningen; d. voorzieningen voor de waterhuishouding.

en bij de bestemming behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde en voorzieningen, behorende bij de op hetzelfde bouwperceel gelegen woning.

3.2 bouwregels 3.2.1 Gebouwen

Gebouwen mogen niet worden gebouwd.

3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

De hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 2,5 m bedragen.

3.2.3 Voorwaardelijke verplichting — landschappelijke inpassing a.

b.

het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig de in lid 3.1 opgenomen bestemmingsomschrijving is niet toegestaan zonder de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassingsmaatregelen conform het als bijlage 2 bij de regels opgenomen Erfinrichtingsplan. in afwijking van het bepaalde onder a mogen gronden en bouwwerken overeenkomstig de in lid 3.1 opgenomen bestemmingsomschrijving worden gebruikt onder de voorwaarde dat binnen een jaar na verlening van de omgevingsvergunning uitvoering wordt gegeven aan de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het als Bijlage 2 van de regels opgenomen tekening Erfinrichtingsplan.

Artikel 4 Verkeer 4.1 bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.

wegen en straten;

b.

wandel- en fietspaden met een functie voornamelijk gericht op de afwikkeling van het doorgaande verkeer; groenvoorzieningen; parkeervoorzieningen; faunapassages en bermen; openbare nutsvoorzieningen; objects of art; voorzieningen voor de waterhuishouding, waterberging en waterlopen.

c. d. e. f. g. h.

4.2 bouwregels 4.2.1 Gebouwen

Gebouwen mogen niet worden gebouwd.

DUTCH°PLAN'NER.S

:

48

4.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal: a. palen en masten, zoals objecten voor wegbewijzering 12 m; b. ‘objects of art' 6 m; c. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde 2 m.

4.3 Afwijken van de bouwregels Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in: a. artikel 4.2.1 ten behoeve van het bouwen van kleine gebouwen voor het verkeer, zoals abri's e.d., waarvan de oppervlakte niet meer dan 20 m2 en de bouwhoogte niet meer dan 4 m mag bedragen; b. artikel 4.2.2 onder c ten behoeve van het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot een bouwhoogte van maximaal 4 m.

Artikel 5 Wonen 5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. b.

vrijstaande woningen; aan huis verbonden beroeps- en/of bedrijfsmatige activiteiten en/of bed&breakfast in hoofd- en bijgebouwen, met dien verstande dat: 1. maximaal 40% van de vloeroppervlakte van de gebouwen tot een maximum van 100 m? mag worden gebruikt; 2. er geen detailhandel wordt uitgeoefend behoudens een beperkte verkoop in het klein van ter plaatse vervaardigde producten en direct in verband met de aan huis verbonden beroeps- en/of bedrijfsmatige activiteiten; 3. het gebruik geen ernstige hinder voor het woonmilieu en de agrarische bedrijfsvoering in de omgeving mag opleveren en geen afbreuk mag doen aan het karakter van de omgeving; 4. er geen activiteiten mogen plaatsvinden die in de regel worden uitgeoefend op een industrieterrein of bedrijventerrein; 5. het gebruik geen nadelige invioed mag hebben op de verkeersafwikkeling en de parkeerbalans; 6. er geen etalages en vitrines mogen zijn; 7. er gelijktijdig niet meer dan twee medewerkers werkzaam mogen zijn; 8. er geen bedrijfsmateriaal buiten op het perceel opgeslagen mag worden; 9. er geen activiteiten mogen plaatsvinden die vergunningplichtig of meldingsplichtig zijn krachtens de Wet milieubeheer;

met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tuinen en erven.

5.2 Bouwregels

5.2.1 Algemeen

Op de in lid 5.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming Wonen worden gebouwd.

5.2.2 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. de realisatie van het hoofdgebouw is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak; b. @én woning per bouwvlak; c. De voorgevel van het hoofdgebouw moet gebouwd worden op de aanduiding 'gevellijn’; d. goothoogte maximaal 6 m; e. bouwhoogte maximaal 10 m; DUTCH°PLAN'NER.S"

49

f.

inhoud maximaal 800 m3 per woning.

5.2.3 Bijgebouwen en overkappingen

Bijgebouwen en overkappingen voldoen aan de volgende kenmerken: a. afstand tot zijgevel van het hoofdgebouw maximaal 15 m; b. afstand tot achtergevel van het hoofdgebouw maximaal 25 m; c. gebouwd op het zij- en achtererf en minimaal 5 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw; d. gezamenlijke opperviakte maximaal 80 m2; e. goothoogte maximaal 3 m;

f.

bouwhoogte maximaal 5 m.

5.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, maximaal:

a.

b. c.

erf- en perceelsafscheidingen vddr (het verlengde van) 1 m achter de voorgevel van het

hoofdgebouw: 1 m; erf- en perceelsafscheidingen achter (het verlengde van) 1 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw: 2 m; overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 2 m.

5.2.5 Herbouw

Herbouw van een woning is uitsluitend toegestaan op de bestaande locatie met inachtneming van het bepaalde in artikel 5.2.1. 5.2.6 Kelders

Kelders zijn uitsluitend toegestaan in 6én bouwlaag en mogen uitsluitend worden gesitueerd onder gebouwen.

5.3 Afwijken van de bouwregels 5.3.1 paardenbakken Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 5.1 voor het aanleggen van paardenbakken voor hobbymatig gebruik, mits: a. het woon- en leefmilieu van de omgeving niet onevenredig wordt aangetast; b. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden niet onevenredig worden beperkt; c. voorzien wordt in een zorgvuldige landschappelijke inpassing; d. lichtmasten en andere aan de paardenbak verwante bouwwerken niet worden gebouwd; e. de oppervlakte maximaal 800 m? bedraagt; f. de bouwhoogte van de omheining niet meer dan 1,5 m vanaf het maaiveld bedraagt; g. de omheining voldoet aan redelijke eisen van welstand.

5.3.2 erf- en terreinafscheidingen

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 5.2.4 onder a voor het oprichten van naar de openbare weg gekeerde erf- en terreinafscheidingen tot een hoogte van maximaal 1.80 m, mits dit uit landschappelijk oogpunt aanvaardbaar is.

DUTCH°PLAN'NER.S"

50

5.4 Specifieke gebruiksregels 5.4.1 Strijdig gebruik

Onverminderd het bepaalde in artikel 8 wordt onder strijdig gebruik in ieder geval verstaan het gebruiken of het laten gebruiken van een bijbehorend bouwwerk als zelfstandige woning of als afhankelijke woonruimte.

5.4.2 Voorwaardelijke verplichting — landschappelijke inpassing a.

b.

het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig de in lid 5.1 opgenomen bestemmingsomschrijving is niet toegestaan zonder de aanleg en instandhouding van de landschappelijke inpassingsmaatregelen conform het als bijlage 2 bij de regels opgenomen Erfinrichtingsplan. in afwijking van het bepaalde onder a mogen gronden en bouwwerken overeenkomstig de in lid 5.1 opgenomen bestemmingsomschrijving worden gebruikt onder de voorwaarde dat binnen een jaar na verlening van de omgevingsvergunning uitvoering wordt gegeven aan de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het als Bijlage 2 van de regels opgenomen Stedenbouwkundig plan/Erfinrichtingsplan.

5.5 Afwijken van de gebruiksregels 5.5.1 Kangoeroewoning Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 5.1 onder a teneinde bij een woning een kangoeroewoning toe te staan, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

a. b. c. d. e. f. g. h. i. j.

eris sprake van een in omvang ondergeschikte één of tweepersoonswoning die een in- dan wel aangebouwd deel uitmaakt van een grotere woning; het geheel van oorspronkelijke woning en kangoeroewoning past binnen de maatvoering, zoals die is opgenomen in de bouwregels voor woningen dan wel hoofdgebouwen; de kangoeroewoning beslaat maximaal 1/3 deel van de opperviakte en inhoud van het geheel van oorspronkelijke woning en kangoeroewoning; er bestaat een open verbinding tussen de oorspronkelijke woning en kangoeroewoning; de kangoeroewoning heeft geen eigen voordeur; de kangoeroewoning krijgt geen eigen huisnummer; het woon- en leefmilieu van de omgeving mag niet onevenredig worden aangetast; de verkeersveiligheid mag niet in het geding komen; de stedenbouwkundige/ruimtelijke structuur/samenhang van de omgeving mag niet onevenredig worden aangetast; er moet voorzien worden in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein; aanwezige waarden van monumentale gebouwen en of beeldbepalende gebouwen mogen niet onevenredig worden aangetast.

5.5.2 Mantelzorg

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in lid 5.1 teneinde bij een woning een woonunit toe te staan of voor het bewonen van een bijgebouw, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. deze woonruimte is noodzakelijk vanuit een cogpunt van mantelzorg, aangetoond middels een zorgindicatie, afgegeven door een daartoe deskundig adviseur. De indicatiestelling is niet nodig voor personen van 65 jaar en ouder; b. er is sprake van een tijdelijke situatie; c. de woonruimte vormt een ruimtelijke eenheid met de hoofdwoning; d. de woonruimte wordt binnen de bestaande bebouwingsmogelijkheden gerealiseerd, met

dien verstande dat de oppervlakte van de afhankelijke woonruimte maximaal 75 m? e. f.

bedraagt; belangen van derden worden niet onevenredig geschaad; het woon- en leefmilieu van de omgeving wordt niet onevenredig wordt aangetast;

DUTCH°PLAN'NER.S"

51

g. h. i. j.

de stedenbouwkundige/ruimtelijke structuur en samenhang van de omgeving worden niet aangetast; aanwezige waarden van monumentale of beeldbepalende gebouwen worden niet onevenredig aangetast; tijdelijke woonunits moeten zoveel mogelijk uit het zicht worden geplaatst. er blijft voldoende parkeergelegenheid gehandhaafd danwel de parkeergelegenheid verminderd niet indien deze al ontoereikend is.

Zodra de noodzaak van mantelzorg is komen te vervallen, moet de woonunit verwijderd worden en/of het bijgebouw overeenkomstig de bestemming worden gebruikt.

5.5 Wijzigingsbevoegdheid 5.5.1 verplaatsing van de woning Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen ten behoeve van het verplaatsen van de woning, met inachtneming van de volgende voorwaarden: a. de afstand die de woning zijwaarts mag worden verplaatst maximaal 20 m bedraagt en er een afstand tot de zijdelingse perceelsgrens van minimaal 5 m in acht wordt genomen; b. de verplaatsing niet leidt tot beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van de in de omgeving aanwezige agrarische bedrijven; c. de uitvoerbaarheid van het wijzigingsplan moet zijn gewaarborgd, in verband waarmee in elk geval aangetoond moet worden:

al

d.

dat bodemsanering niet noodzakelijk is dan wel vdér uitvoering van het

wijzigingsplan zal plaatsvinden; 2. dat er met betrekking tot geluidhinder een aanvaardbaar verblijfsklimaat wordt gerealiseerd; 3. dat geen onevenredige aantasting van aan de grond eigen zijnde archeologische waarden zal plaatsvinden dan wel geen ingrepen in de bodem zullen worden verricht; geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden.

Artikel 6 Waarde - Archeologische verwachting 1 6.1 bestemmingsomschrijving De voor 'Waarde - Archeologische verwachting 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor doeleinden ter bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden.

6.2 bouwregels 6.2.1 archeologisch rapport a.

b.

Bij een aanvraag voor een reguliere omgevingsvergunning voor het oprichten van een

bouwwerk groter dan 500 m? dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft, in voldoende mate is vastgesteld. als uit in sub a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarde van de gronden door het oprichten van het vergunde bouwwerk zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag

één of meerdere van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning:

1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen, of; 3. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die

DUTCH°PLAN'NER.S"

52

voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

6.2.3 geen archeologisch rapport

Het overleggen van een rapport is niet nodig indien wordt aangetoond dat de grond dieper dan 40 cm is gewoeld of indien de archeologische waarde van de gronden in andere beschikbare informatie, welke is getoetst door een archeologische deskundige, afdoende is vastgesteld.

6.2.4 advies deskundige

Alvorens de gevraagde omgevingsvergunning voor het bouwen te verlenen, vraagt het bevoegd gezag een deskundige op het gebied van de archeologische monumentenzorg om advies.

6.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 6.3.1 vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning op de in artikel 6.1 bedoelde gronden over een opperviakte van meer dan 500 m2? de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: a. het ophogen, ontginnen, verlagen, afgraven of egaliseren van gronden; b. het uitvoeren van grondbewerkingen dieper dan 0,40 m vanaf maaiveld; c. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen; d. het aanleggen of verharden van wegen, rijwielpaden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; e. het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse transport- energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies;

f. g.

het aanleggen van drainage; het graven of dempen van sloten, watergangen of vijvers.

6.3.2 uitzonderingen vergunningplicht

Het in artikel 6.3.1 bedoelde verbod is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die het normale onderhoud betreffen, of die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het bestemmingsplan.

6.3.3 beoordeling

De omgevingsvergunning wordt verleend, indien is gebleken dat de in artikel 6.3.1 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van archeologische waarden. 6.3.4 voorschriften

Voor zover de in artikel 6.3.1 genoemde werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden kunnen leiden tot een aantasting van archeologische waarden, kan de vergunning worden verleend en kan aan de vergunning in ieder geval een van de volgende regels worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen of; c. de verplichting de uitvoering van de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13943185/1