CConstaterende datHeumen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage I Ontwerpbestemmingsplan Molenstraat ong. Heumen

Raad 18 april 2024, gemeente HeumenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Molenstraat ong. Heumen19.488 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan Molenstraat ong. Heumen

Toelichting

‘

*

"

.

Mh

’ a2 G of

better, ;

-

ia

ew” ee 7 pe. a i.

ot ‘ N

,

o .

;

ss

Ny . of

z

WA\S BS

42

i

s

x

? ae

at -

| \\

. 2 eka A >.

.f asa

7 a

AA ae

Ae ee AX?

’

“A

6

&

paths,

wo ra ih: 7

:

DUTCH°PLAN'NER.S"

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1

_Inleiding

3

1.2 1.3 1.4

Ligging en begrenzing plangebied Vigerend bestemmingsplan De bij het plan behorende stukken

3 4 5

Hoofdstuk 2 2:1 2.2 2.3

Het plan Inleiding Beschrijving huidige situatie Toekomstige situatie

6 6 6 7

Hoofdstuk 3

_Beleid

11

3.1

Rijksbeleid

11

3.2

Provinciaal beleid Gelderland

13

3.3 3.4

Regionaal beleid Gemeentelijk beleid

17 17

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

21

4.2

Bodem

24

1.1

1.5

4.1

Aanleiding

Leeswijzer

Milieuzonering

3

5

21

4.3 4.4

Geluid Luchtkwaliteit

24 24

4.6

Water

27

4.8 4.9

Archeologie en cultuurhistorie Verkeer en parkeren

4.5

4.7

Externe veiligheid Flora en fauna

26 31

34 35

5.1

Hoofdstuk5 = Juridische toelichting

Planopzet en systematiek

36

5.2

Bestemmingen

38

Hoofdstuk 6 = Economische uitvoerbaarheid

39

Hoofdstuk 7 = Procedure

40

72.

40

7.1

Algemeen

7.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Overleg

DUTCH°PLAN'NER.S"

36

40

40

2

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding De initiatiefnemer

is eigenaar van een agrarisch perceel aan de Molenstraat in

Heumen. Op dit perceel willen zij een aantal woningen laten bouwen. Door de bouw verandert het gebruik van agrarisch naar wonen. Het bestaande bebouwingslint wordt door de woningen meer continu.

Deze ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan Buitengebied Lierdal, waardoor een herziening noodzakelijk is. Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld om deze ontwikkeling mogelijk te maken.

1.2 Ligging en begrenzing plangebied Het plangebied is gelegen aan de Molenstraat tegen de dorpsrand van Molenhoek en ligt op de grens van de provincies Gelderland, Limburg en Noord-Brabant. Het ligt op de overgang tussen dorpse en agrarische bebouwing. In figuur 1 is de ligging van het plangebied weergegeven.

wy

‘4

1

3

esac‘ es Sayeed 1

e:

Molentioek

ee?

a3

ae

~

a = ae

ee ae

a

. SES a we =3 iA irs.3 ‘

¥ eee

‘acti

Figuur 1: Ligging plangebied, (AHN-viewer)

ee

4

a

ge

i:

ae] ie

¢

\y

a i |

N ar“eG ~s\tN Maedoj ot4| ‘

"

BF

=

.

\

;

Se

P

“eae *, =,

%

Heumen‘8 * |

Te

=

_~

f

—

>

i,

>

AM,

/

f

tid

&

5

’

ie

goa

Cn

y

.

‘>d te, a

Be

Het plangebied staat belend als gemeente Heumen, sectie C, perceel nummer 2846.

DUTCH°PLAN'NER.S

:

3

1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor de locatie geldt het bestemmingsplan “Buitengebied Lierdal”, vastgesteld op 26 maart 2015. Het perceel heeft een enkelbestemming “Agrarisch met waarden landschap” en een dubbelbestemming “Waarde Archeologische verwachting 1”. Op deze bestemming mogen geen woningen worden gerealiseerd. Voor de bestaande woningen aan de zuidzijde van de Molenstraat geldt een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6 en 10 meter. Voor de woningen ten noorden van de Molenstraat geldt een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 4 meter

en 8 meter. In figuur 2 is het bestemmingsplan weergegeven.

pate

+

2

+

..

:

aN

a:

i+

;

++ + % : ++ fe tee oe + Qe

+ +

+ .

Poe

+ >

RIG

-

+

,

+

ee fe ee AG + + the + + +

+++

+ + +

+++

$e ++ 4+ +++44 4 ~+t he +

\+

-

Fa

e+ + + .

-~b bh e +

+ +

‘+

+++

+

ee

AS + +

+e eb be +e + +

+

ee

re

+e eee

+++

+++

ee te + tee +

eee + +++

+

+

+++ +

+ +

eee

Er ee

+

te te + Legenda

+

++ eee +

++ oe

>

+

ee)

+ +

+)

+ Sebati eset as ln sh +44 Ra eh444% Bi ale+ ONES Ee

+

:

++ et + + +¢4+444 4 4 +444 4+ + 4 ++ + +~+ ee + ++eeetee ee + ++ +444 + : +t ee + —— ee ee

+efr ete e

ey

+

+++

]

+e eee eee eee eee ete ee.

Enkelbestemming

Agrarisch met waarden - Landschap

Wearde - Archeologische verwachtng 1

Figuur 2: Vigerend bestemmingsplan Buitengebied Lierdal (Ruimtelijkeplannen.nl)

DUTCH°PLAN'NER.S"

;

Dubbelbestemming

4

1.4 De bij het plan behorende stukken Het onderhavige bestemmingsplan Molenstraat ong. Heumen bestaat naast deze toelichting uit de volgende stukken: e Bijlage 1 230922 Stedenbouwkundig plan Molenstraat Heumen; Dutchplanners BV, 22 september 2023

e e e

Bijlage 2 Rapportage verkennend bodemonderzoek; Econsultancy, 4 oktober 2022 =Bijlage 3 Digitale Watertoets; De Watertoets, 28 juni 2023 §=6Bijlage 4 Quickscan wet natuurbescherming; Econsultancy, 15 maart 2022

e = Bijlage 5 e e e

AERIUS_bijlage_gebruiksfase Molenstraat te Heumen.pdf; Econsultancy, 21 juli 2022 6Bijlage 6 Onderzoek stikstofdepositie; Econsultancy, 28 juli 2022 Bijlage 7 Geuronderzoek wet geurhinder en veehouderij; Van Doormaal advies, 6 juni 2023 §=6Bijlage 8 Participatieplan en participatieverslag;

6 april 2022 en 9 mei 2022

Het onderhavige bestemmingsplan Molenstraat ong. Heumen bestaat naast de regels ook uit de volgende stukken: e Bijlage 1 230922 Stedenbouwkundig plan Molenstraat Heumen; Dutchplanners BV, 22 september 2023

e © 6Bijlage 2

Staat van bedrijfsactiviteiten

1.5 Leeswijzer De toelichting van het bestemmingsplan kent de volgende opbouw. In hoofdstuk 2 worden de huidige situatie en het te realiseren plan beschreven. Hoofdstuk 3 schetst het beleidskader. In hoofdstuk 4 worden de resultaten van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken behandeld. In hoofdstuk 5 wordt het bestemmingsplan in juridisch opzicht toegelicht. Er wordt beschreven hoe de verbeelding en de planregels zijn opgebouwd en welke bestemmingen er in het plan voorkomen. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische uitvoerbaarheid en in hoofdstuk 7 wordt ten slotte de maatschappelijke uitvoerbaarheid belicht en wordt de doorlopen procedure weergegeven.

DUTCH°PLAN'NER.S"

.

5

Hoofdstuk 2 Het plan 2.1 Inleiding Toetsingskader voor de herziening van het bestemmingsplan is de Wro. Hierin wordt gesteld dat de nieuwe ontwikkeling moet voldoen aan een goed ruimtelijke ordening. Dit betekent in dit geval dat de nieuwe functie goed moet worden ingepast in de bestaande ruimtelijke en planologische situatie. Voor de planologische situatie heeft dit geleid tot het zoveel mogelijk overnemen van de regels die ook in de omgeving zijn toegepast. Met betrekking tot de ruimtelijke inpassing wordt aansluiting gezocht bij de omvang, de architectuur, de terugligging en het ritme van de woningen langs de straat. De inrichting van de buitenruimte is afgeleid van de traditionele erven in het rivierengebied, maar wel als moderne versie hiervan.

2.2 Beschrijving huidige situatie

De planlocatie ligt ter hoogte van de bocht in de Molenstraat. Ten westen en oosten van het plangebied liggen woningen. De woning op het oostelijke perceel maakt deel uit van een agrarische

bestemming (bedrijfswoning. De verdere bebouwing aan de Molenstraat bestaat ook uit woningen, soms met een bedrijf aan huis. Het verharde pad aan de zuidoostkant behoort tot het perceel. Hierop rust een recht van overpad waardoor het pad vrijgehouden moet worden voor de ontsluiting van het naastgelegen perceel —

Het perceel is 7.770m? groot. Het terrein bestaat uit weiland en is onbebouwd. <

i

‘s

:

“

47

frac

a iy 2

=i P

a

’

=

omA E ~~ —

€

,

—_

Rc a har

Ff

-

_*.

P

"

,

apJ»a 4

—oe" ae;

5

m7

«+

=~ ke -—

*

= o. ne

se

f

AY

~.

’

:

* \ al

A

|

.

See es ql 4 ‘ eS

anil io

6

:

6%~~

x...

'

L

.

:

= f 7

=,

J

i

/

.

x

LA od

Figuur 3 Huidige situatie (AHN-beeld)

DUTCH°PLAN'NER.S

:

6

2.3 Toekomstige situatie Voor de toekomstige situatie is een stedenbouwkundig plan opgesteld. Een erfinrichtingsplan maakt daar deel vanuit.

2.3.1 Stedenbouwkundig plan De uitgangspunten bij de ruimtelijke inpassing, zoals in 2021 overeengekomen tussen de initiatiefnemer en de gemeente Heumen, zijn: e Twee kavels van elk ongeveer 950m?, met op beide één woning van max. 800m? inhoud e De afstand van de woningen tot de weg is minimaal 6 meter e e

Demaximale goothoogte is 6 m, de maximale nokhoogte 10 m De variatie in gebruikte materialen in de woningen aan de Molenstraat biedt kansen voor een meer uitgesproken architectuur maar passend bij het lint. Wel voornamelijk gebruik van zadeldaken

e

Vrijstaande woningen, met veel ruimte rondom

e

Aansluiten op of de loodrechte verkaveling of de speelse loop van de Molenstraat

e

Rekening houden met de milieuzone van 30 m rond het bestaande agrarische bedrijf ten oosten van het plangebied. Om te bepalen hoe er om moet worden gegaan met deze richtafstand, en hiervan eventueel af te kunnen wijken, wordt een milieukundig onderzoek uitgevoerd.

e = Zichtlijn vanuit de bocht Molenstraat en doorkijk vanaf de straat de agrarische grond op

2.3.2 Erfinrichtingsplan

De nieuwe woningen liggen in het overloopgebied van de lintbebouwing aan de Molenstraat naar het landelijk gebied — het natte heide- en broekontginningslandschap. Het erf rondom de nieuwe woningen krijgt een uitstraling die daarbij past: de tuinen vormen een moderne interpretatie van een landelijk erf in het Rivierengebied.

DUTCH°PLAN'NER.S"

7

a Fos”, = Yi

Figuur 4: Erfinrichtingsplan (Dutchplanners)

Achterliggend concept Traditioneel gezien was er bij dergelijke, meestal agrarische, erven een duidelijk onderscheid tussen het voorste en het achterste gedeelte. De vormgeving, de omvang en de plantenkeuze verschilden per regio, maar de opzet kwam grotendeels overeen. Het voorste deel van het erf, zichtbaar vanaf de openbare weg, had een meer gecultiveerde uitstraling en was bedoeld om de welstand van de bewoners te tonen — de pronktuin. Dit was het domein van de vrouw des huizes; de kruidentuin naast de keuken hoorde hier uiteraard bij. Het achterste deel van het erf was ingericht als werkterrein, aansluitend bij de schuren en andere productieve elementen van het terrein. De inrichting was dan ook flexibeler en de vormgeving losser, vaak zelfs rommelig. Tot dit deel van het erf behoorden onder andere de moestuin, de kippenren en de boomgaard. De man zwaaide in dit deel de scepter. Tuinen

In het ontwerp voor dit erf vormt dit verleden een inspiratiebron en maken we globaal dezelfde indeling: een meer formele uitstraling aan de voorzijde, een informele uitstraling in het achterste deel. De voorzijde krijgt een strakke vormgeving met grote geometrische plantvakken, bestaande uit afwisselende bloemen en kleine bomen. De plantvakken worden van elkaar gescheiden door stroken gemaaid gazon, die ook dienst doen als paden.

De achtertuin is vormgegeven als boomgaard, met gras en verspreide (groepjes) fruitbomen. Rond de bomen krijgen veldbloemen de kans om op te komen. In dit deel is ruimte om te picknicken, badmintonnen en spelen.

DUTCH°PLAN'NER.S"

8

Erfafscheidingen De tuinen worden aan drie zijden omgeven door heggen. Aan de zijkant is dit een hoge heg (2,0

meter) van liguster of veldesdoorn. De heg aan de zuidkant is lager (1,0-1,2 meter) vanwege het uitzicht; deze heg bestaat uit liguster of meidoorn. Dergelijke heggen komen veel voor in het rivierengebied, hebben een hoge dichtheid en vormen welkome onderkomens voor kleine vogels. De erfafscheiding aan de noordzijde van de tuin wordt gevormd door een hoge bloeiende border van 3,0 meter breed. Deze border bestaat uit planten die ook in de winter hun vorm grotendeels behouden, zodat de afscheiding intact blijft. Soorten die hiervoor gebruikt kunnen worden zijn siergrassen, kaardebol, sierdistels, alsem/bijvoet en Gelderse roos. Op de grens van de twee tuinen komt een toegangsweg/oprit. Ter hoogte van de border kan de oprit worden afgesloten met een houten poort. Daarnaast, in het verlengde van de Schutkolk, komt een magnolia te staan als markering van de entree. Weide

Het terrein buiten de heggen bestaat uit bloemrijk grasland. Daartoe wordt het ingezaaid met een bloemenmengsel geschikt voor dit type bodem (zavel). Om deze weide te onderhouden wordt het één- of tweemaal per jaar gemaaid, na de bloeitijd. Biodiversiteit

De bloemrijke beplanting, met soorten die insecten en vogels aantrekken, sluit aan op het Landschapsontwikkelingsplan van Heumen. Vergelijkbaar met de locaties die worden voorgesteld om bloemrijke linten te realiseren, kan ook hier een aanzet daartoe worden gegeven. De kruidachtige planten zijn bij voorkeur waardplanten voor bijen, vlinders en andere insecten. In de winter blijven ze overstaan, hetgeen niet alleen zorgt voor een mooi beeld, maar ook overwinteringsmogelijkheden biedt. Bomen en struiken zijn bloeiend; een groot deel ervan vormt in het najaar eetbare vruchten, voor mensen en dieren.

Strook t.b.v. mogelijk trottoir Langs de Molenstraat wordt een strook van 2,5 meter breed vrijgehouden. Hier wil de gemeente Heumen mogelijk in de toekomst een trottoir aanleggen.

Met de gemeente is overeengekomen (22 november 2022) dat in ruil voor het aangeven van deze strook de oostelijke grens van de bouwvlakken enigszins mag draaien in oostelijke richting. Dit betekent dat het bouwvlak voor de meest oostelijke woning voor een klein deel binnen de richtafstand van de agrarische bestemming aan de oostzijde komt te liggen. Er is onderzoek

uitgevoerd dat aantoont dat de woon- en leefkwaliteit van de zone liggend binnen deze richtafstand goed is en dat de bedrijfsuitoefening niet belemmerd wordt door de bouw van twee nieuwe woningen.

Wanneer de gemeente daadwerkelijk besluit om hier een trottoir aan te leggen, zal de strook van 2,5 meter worden aangekocht.

Voorwaardelijke verplichting Alle eerder benoemde punten samen vormen het erfinrichtingsplan voor deze kavels. Het erfinrichtingsplan is doorvertaald in een voorwaardelijke verplichting voor de herziening van het bestemmingsplan. Deze is in de Regels opgenomen in de paragrafen 3.2.3 en 5.4.2

DUTCH°PLAN'NER.S"

:

9

2.3.3 Beperkte omvang Het initiatief heeft een zeer beperkte omvang: het betreft het mogelijk maken van twee vrijstaande woningen in een reeds bestaand bebouwingslint. Tevens worden t.b.v. het wonen verharding aangelegd en een deel van het perceel als tuin ingericht.

De bestemmingswijziging heeft voornamelijk invioed op de waterhuishouding, de verkeersafwikkeling Vanwege deze geringe omvang zullen de effecten op de omgeving naar verwachting ook gering zijn.

DUTCH°PLAN'NER.S"

10

Hoofdstuk 3 Beleid 3.1

Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee moet ingespeeld worden op de grote uitdagingen die te wachten staan. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste op regionaal niveau worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. In de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten:

e e e e

Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. Duurzaam economisch groeipotentieel. Sterke en gezonde steden en regio's. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is om combinaties te maken en win-win situaties te creéren. In sommige gevallen moeten belangen worden afgewogen en scherper keuzes worden gemaakt. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: e

Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiént en zorgvuldig gebruik van de ruimte.

e

Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan

e

Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

in het andere.

Planspecifiek Voorliggend bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van 2 woningen mogelijk. De ontwikkeling sluit aan bij en maakt gebruik van de kenmerken/identiteit van het plangebied, waarmee een goede balans wordt nagestreefd tussen bescherming van de aanwezige kwaliteiten en het toevoegen van 2 woningen. Voor het plangebied is een erfinrichtingsplan opgesteld waarmee het groene karakter van het terrein wordt gewaarborgd. Onder andere door de aanleg van een (fruit)boomgaard, bloemrijk grasland en de inrichting als landelijk erf in het Rivierengebied. Tevens wordt door het duurzame en natuur-inclusieve karakter van de ontwikkeling ook ingezet op het voorkomen van afwenteling op toekomstige generaties. Er bestaat dan ook geen strijdigheid tussen de NOVI en voorliggend bestemmingsplan. Met voorliggend bestemmingsplan wordt geen lokale ontwikkeling mogelijk gemaakt waarmee rijksbelangen zijn gemoeid.

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

De Ladder voor duurzame verstedelijking (verder: 'de Ladder’) is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. De uitgangspunten hierbij zijn dat de ontwikkeling voorziet in een behoefte, en dat de ontwikkeling in eerste instantie in bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd.

DUTCH°PLAN'NER.S"

11

Artikel 3.1.6 lid twee Bro omschrijft de ladder als volgt: ‘De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.' Voor de Ladder is dus een onderzoek nodig dat uit drie stappen bestaat: a. b. c.

Is sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling’? Vindt de ontwikkeling plaats buiten bestaand stedelijk gebied? Als hier sprake van is, dan moet motivering plaats vinden volgens de Ladder: waarom kan niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte worden voorzien?

De toepassing van de Ladder is mede bepaald door uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS). De ABRS heeft in een 'overzichtsuitspraak' op 28 juni 2017 op een rij gezet hoe de Ladder gebruikt moet worden. Hiermee wordt houvast geboden aan de rechtspraktijk. Planspecifiek a. Is sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling’

De laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Artikel 1.1.1 Bro definieert een stedelijke ontwikkeling als ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Voor woningbouwlocaties geldt op basis van jurisprudentie dat vanaf 12 woningen in beginsel sprake is van een stedelijke ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van twee woningen, waarmee dus geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Toetsing aan de Ladder is dan ook niet nodig. Desalniettemin moet er wel worden aangetoond dat er behoefte is aan de voorgenomen ontwikkeling. In de regionale 'Woonagenda Nijmegen e.o. 2020-2030’ mogen er in Heumen de komende jaren 635 woningen worden gebouwd. Geconcludeerd wordt dat met het bouwplan kan worden voldaan aan de lokale behoefte, omdat het bouwprogramma is afgestemd op de lokale woningbouwbehoefte. Omdat er bij dit plan geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, is een verdere motivering van het plan volgens de Ladder niet aan de orde.

3.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Rijk legt met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), de nationale ruimtelijke belangen juridisch vast. Indien nationale of provinciale belangen dat met het 00g op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) respectievelijk provinciale verordening, regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is op 30 december 2011 deels in werking getreden en met enkele onderwerpen aangevuld per 1 oktober 2012. In het Barro, ook wel bekend als de AMVB Ruimte, zijn 13 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Inhoudelijk gaat het om nationale belangen die samenhangen met het beschermen van ruimtelijke functies, zoals natuur in de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), of met het vrijwaren van functies. Dat betekent dat de AMvB regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren.

Bij besluit van 28 augustus 2012 (inwerking getreden op 1 oktober 2012) is het Barro aangevuld met de ruimtevraag voor de onderwerpen hoofdinfrastructuur (reserveringen voor hoofdwegen en landelijke spoorwegen en vrijwaring rond Rijksvaarwegen), de elektriciteitsvoorziening, het regime van de herijkte ecologische hoofdstructuur en waterveiligheid (bescherming van primaire waterkeringen en bouwbeperkingen in het IJsselmeergebied).

DUTCH°PLAN'NER.S"

12

Planspecifiek Het Barro is niet van invloed op dit bestemmingsplan.

3.2

Provinciaal beleid Gelderland

3.2.1 Omgevingsvisie Gelderland De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland is op 19 december 2018 door Provinciale Staten van Gelderland vastgesteld en in werking getreden op 1 maart 2019. De visie beschrijft de lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving in Gelderland. Samen met de Omgevingsverordening heeft de provincie al vooruitgelopen op de Omgevingswet. Deze wet biedt meer ruimte voor initiatieven en ontwikkelingen in het fysieke domein, in samenspraak met de omgeving. De provincie streeft naar een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Dit wil de provincie bereiken door de focus te leggen op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Hiervoor zijn zeven ambities benoemd om richting te geven: 1. Energietransitie Gelderland is in 2050 klimaatneutraal. Dit bereiken we door grootschalige besparing en opwekking

uit verschillende duurzame bronnen van energie, zoals wind, zon, waterkracht, biomassa en bodemenergie. Innovatie en het uitrollen van bewezen technieken wordt gestimuleerd. Als tussendoel realiseert Gelderland in 2030 55% broeikasgasreductie. 2. Klimaatadaptatie Gelderland is in 2050 klimaatbestendig. We zijn goed voorbereid en toegerust op de gevolgen van

klimaatverandering: wateroverlast, droogte, hittestress en overstromingsgevaar. In 2020 heeft de provincie, samen met partners, de risico's en kansen van het veranderen klimaat in beeld gebracht en strategieén opgesteld die leidraad zijn voor ons handelen. 3. Circulaire economie

Gelderland wordt de eerste afval-loze provincie in Nederland. Afval bestaat niet meer; er zijn alleen nog grondstoffen die blijvend hun waarde behouden in de schone industrie. Om dit te bereiken is in 2030 het gebruik van primaire grondstoffen in Gelderland met 50% teruggebracht. 4. Biodiversiteit

In 2050 gaat het goed met de biodiversiteit in Gelderland. Er wordt natuur-inclusief gewerkt. Biodiversiteit wordt overal waar mogelijk versterkt en ingepast, 66k buiten de specifiek als natuur aangewezen gebieden. In 2030 is 75% van de Europese doelen van de vogel- en habitatrichtlijn behaald. 5. Bereikbaarheid

In 2050 is de groei van de mobiliteit op een slimme manier opgevangen en verplaatsen mensen in Gelderland zich veilig, snel, betaalbaar en klimaatneutraal. Snel en veilig internet fungeert daarbij als

alternatief voor fysieke verplaatsingen. In 2050 is het netwerk voor goederenvervoer in Gelderland toegankelijk, duurzaam en klimaatneutraal. In 2030 is al ons busvervoer zonder uitstoot en is 35% van het totaal aantal verplaatsingen met de fiets. 6. Vestigingsklimaat De concurreerde positie van Gelderland binnen het internationale stedelijke netwerk van Amsterdam, Brussel en Keulen wordt verder versterkt. Om onderscheidend te blijven, halen we in 2050 maximaal profijt uit de unieke combinatie van stedelijke en groene kwaliteiten. In 2050 zijn alle

DUTCH°PLAN'NER.S"

:

13

werklocaties in Gelderland duurzaam ingericht qua energie, klimaatbestendigheid en logistieke en productiestromen. Gelderland is hierin koploper van Nederland.

7. Woon- en leefklimaat. Gelderland heeft een aanbod aan woningtypen en woonmilieus passend bij de diversiteit van de woningvraag; voor ieder een passende, duurzame woning. We benutten de bestaande bebouwde omgeving optimaal met voldoende ruimte voor klimaatadaptieve maatregelen. Alle nieuwbouw wordt aardgasloos aangelegd en zoveel mogelijk circulair gebouwd. In 2035 zijn alle (bestaande) wijken van het aardgas. Woningen in Gelderland zijn in 2050 klimaatneutraal. Met vier 'spelregels’ of ‘doe-principes' - doen, laten, zelf en samen - wordt er werking aan gegeven. Dit is het kader waarbinnen de provincie wil werken en afwegingen wil maken. Themakaarten

Er is een aantal themakaarten onderdeel van de omgevingsvisie, waar specifiek beleid in is vastgelegd. Deze hebben betrekking op de volgende hoofdonderwerpen:

e = ruimtelijk beleid; ¢

waterbeleid;

e

~=6milieubeleid;

e

natuur- en landschapsbeleid.

Voor de uitvoering van de omgevingsvisie zijn tevens drie beleidsdocumenten vastgesteld: e e

Regionaal waterprogramma; Handreiking plussenbeleid;

e Beleidslijn windenergie. Planspecifiek

Woon -en leefklimaat en energietransitie Voorliggend bestemmingsplan maakt de realisatie van twee vrijstaande woningen mogelijk. Duurzaamheid en natuurinclusiviteit staat daarbij centraal. Vanzelfsprekend worden de woningen conform huidige wet- en regelgeving aardgasloos gebouwd. Klimaatadaptatie Op dit moment is het volledige terrein onverhard — het is een weide bestaande uit gras en kruiden. In

de toekomstige situatie zal het merendeel van het terrein onverhard blijven. De delen aan de oosten de zuidzijde blijven een weide. De percelen rond de woningen worden ingericht als tuin; de paden hierin worden aangelegd in halfverharding. Slechts een relatief klein deel zal verhard zijn — de daken, de oprit en de terrassen. De grote omvang van het onverharde terrein waarborgt de ruime opvang en infiltratie van hemelwater. Door het planten van (fruit)bomen in de tuinen wordt schaduw gecreéerd en daarmee hittestress voorkomen. Biodiversiteit

De toekomstige inrichting versterkt de ecologische waarde van het terrein. Door het perceel in te richten met planten die dienen als voedselbron, waardplant of schuilplaats voor dieren en/of insecten wordt de biodiversiteit versterkt. Een groot deel van de tuinen wordt ingericht als bloemrijk grasland, met een variatie aan grassen en kruiden. De sierplanten in de plantvakken worden naast

DUTCH°PLAN'NER.S

an

14

hun esthetische waarde uitgekozen op hun ecologische waarde. In de tuinen worden ook fruitbomen geplant — vanwege hun bloemen en vruchten hebben deze grote waarde als voedselbron voor insecten, vogels en andere kleine dieren. Volgroeide bomen hebben ook een functie als schuil- en nestgelegenheid. Aan drie zijden worden de tuinen omgeven door hagen; hier kunnen vogels en kleine dieren beschutting vinden. De bomen, hagen en andere beplanting zijn een toevoeging aan het ecosysteem van de omgeving. Themakaarten

Het plangebied maakt alleen onderdeel uit van de themakaart ruimtelijk beleid als zijnde aandachtsgebied windenergie en zonneparken mogelijk, maar dat is inzake de voorliggende

ontwikkeling niet relevant. Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat voorliggend bestemmingsplan aansluit bij de ambities van de Provincie Gelderland zoals die zijn opgenomen in de Omgevingsvisie. En in samenhang daarmee kan de conclusie worden getrokken dat het toevoegen van 2 woningen aan de Molenstraat in Heumen geen afbreuk doet aan het verduurzamen van het gebied.

3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland Op 21 december 2022 is een geactualiseerde omgevingsverordening door PS van de provincie Gelderland vastgesteld (NL.IMRO.9925.PVOmgverordeningGC-gc11). Deze is op 14 januari 2023 in werking getreden. Hierin zijn regels en bepalingen over de inrichting en beheer van de ruimtelijke

omgeving vastgelegd. Samen met de Omgevingsvisie heeft de provincie al vooruitgelopen op de Omgevingswet. Deze wet biedt meer ruimte voor initiatieven en ontwikkelingen in het fysieke domein, in gesprek met de omgeving. Deze geactualiseerde omgevingsverordening heeft ten

opzichte van de daarvoor geldende geen andere betekenis voor voorliggend plan. Planspecifiek Voor het voorliggend plan en de daarmee beoogde ontwikkeling van 2 woningen zijn de volgende

regels uit de Omgevingsverordening Gelderland van toepassing: a. instructieregel bestemmingsplan doorwerking regionale woonagenda (art. 2.2)

b. instructieregel klimaatadaptie (art. 2.65b) Ada.

In de Omgevingsverordening Gelderland is opgenomen dat in een bestemmingsplan nieuwe woonlocaties en de daar te bouwen woningen slechts toegestaan worden wanneer dit past in het

geldende door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief Woonprogramma en de kwantitatieve opgave wonen voor de betreffende regio. In de toelichting wordt hierbij aangegeven dat voornoemde betrekking heeft op alle nieuwe woningen die in een bestemmingsplan worden opgenomen.

Met dit bestemmingsplan wordt de mogelijkheid gecreéerd binnen het plangebied 2 woningen te realiseren. Zoals in paragraaf 3.1.2 blijkt past het planvoornemen binnen de regionale woonagenda. De voorgenomen ontwikkeling op dit punt niet strijdig met de Omgevingsverordening. Ad b.

Voor zover een bestemmingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, moet de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving bevatten van de maatregelen of voorzieningen

DUTCH°PLAN'NER.S"

15

die worden getroffen om de risico’s van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In die beschrijving moeten in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. Daarnaast moet de beschrijving worden opgesteld na overleg met in ieder geval het dagelijks bestuur van het waterschap waar de

activiteit wordt verricht of de ontwikkeling plaatsvindt. Voor die beschrijving is gebruik gemaakt van

de opgestelde klimaateffectatlas. Wateroverlast

Hevige neerslag over een korte periode kan lokaal zorgen voor wateroverlast. De verwachting is dat er voor het plangebied weinig risico is op plasvorming aangezien er zowel bij een hevige bui van 70

mm/2 uur (1x per 100 jaar) als van 140 mm/ 2uur (1x per 1000 jaar) maar in kleine delen van het plangebied een plasdiepte van 10-15 cm optreedt. Doordat er relatief weinig verharding wordt

toegevoegd met de ontwikkeling en er voldoende bergingscapaciteit is binnen het plangebied neemt het risico op wateroverlast niet toe met de beoogde ontwikkeling. Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat in voorliggend plan voldoende wordt ingezet op het voorkomen of beperken van mogelijke risico's door wateroverlast als gevolg van klimaatverandering. Hittestress

Uit de kaartbeelden is op te maken dat de temperatuur in het plangebied normaal zal zijn (niet extra

koeler of extra warmer) op warme dagen. Dit is naar waarschijnlijkneid gebaseerd op de huidige inrichting van het plangebied als openbaar groen en de ligging in het buitengebied. Hittestress in de

toekomstige situatie met bebouwing wordt voorkomen/beperkt door de beperkte toevoeging van verharding en de erfinrichting. Hiermee wordt geconcludeerd dat in voorliggend plan voldoende wordt ingezet op het voorkomen of beperken van mogelijke risico's door hittestress als gevolg van klimaatverandering. Droogte

De grondwaterstanden en droogtegevoeligheid laten in 2050 een beperkte verandering zien ten opzichte van de huidige situatie. Daarmee is en blijft in het plangebied sprake van lagere grondwaterstanden en van grotere droogtegevoeligheid. Door het hemelwater binnen het

plangebied te bergen en te infiltreren blijft het hemelwater in het gebied zelf, zoals dat in feite in de huidige (onbebouwde) situatie ook Zo is. Tot slot ligt het plangebied niet in een gebied waar een grotere kans op natuurbranden is bij langdurige droogte. Op basis van voorgaande wordt

geconcludeerd dat in voorliggend plan voldoende wordt ingezet op het voorkomen of beperken van mogelijke risico's door droogte als gevolg van klimaatverandering. Overstroming

Door het bezwijken van een dijk van de Maas heeft het plangebied naar verwachting een waterhoogte van 200 cm - 500 cm. Dit is gerelateerd aan de ligging van het plangebied relatief dicht bij de Maas. Hiermee in samenhang bestaat in 2050 ter plaatse van het plangebied echter een zeer

kleine overstromingskans (1x per 3000 tot 30000 jaar) op meer dan 0 cm. Gezien de geringe

overstromingskans wordt het mogelijke risico als gevolg van overstroming door het bezwijken van

een dijk van de Maas geaccepteerd. Temeer ook verwacht wordt dat de Waterschappen c.q. verantwoordelijke medeoverheden zich ook inzetten om zorg te dragen voor een goede waterveiligheid in het stroomgebied van de Maas.

DUTCH°PLAN'NER.S"

:

16

Het planvoornemen voldoet daarmee aan de regels zoals deze zijn gesteld in Omgevingsverordening Gelderland.

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Woonagenda De gemeente Heumen valt onder de regio Groene Metropool. In de Woondeal voor deze regio is

bepaald dat er tussen 2020 en 2030 33.000 woningen gebouwd mogen worden. Heumen valt in de

subregio Nijmegen en omstreken. Voor deze subregio is in februari 2018 de woonagenda vastgesteld — 'Woonagenda Nijmegen e.o. 2020-2030’. Deze is opgesteld aan de hand van de stappen analyse,

visie en afspraken. De belangrijke thema’s zijn: e

Versnellen van de woningbouw; streven om 16.000 woningen te bouwen in de periode tot

2030, waarvan 12.000 in de eersteviljf jaar. e

Afstemmen op de ontwikkelingen in de bestaande woningvoorraad en zorgen voor voldoende betaalbare woningen.

e

Duurzaam en toekomstbestendig bouwen en verbeteren.

e

Aandacht voor de huisvesting van specifieke doelgroepen.

Planspecifiek Voor de gemeente Heumen zijn in de woonagenda 635 woningen opgenomen, die hier mogen

worden gebouwd. Van deze woningen moet 28% in de categorie sociale huur gebouwd worden, 10% in de categorie middenhuur en 23% als betaalbare koop. 39% van de nieuwbouwwoningen is vrije sector koop of huur. Dit zijn 248 woningen. De twee nieuwbouwwoningen passen hiermee in het beleid van de provincie.

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie Heumen

Op 13 februari 2014 heeft de gemeenteraad van de gemeente Heumen de structuurvisie Heumen

vastgesteld. Deze structuurvisie bevat op hoofdlijnen het ruimtelijke beleid (tot 2025) voor de gehele gemeente. In de structuurvisie is de gemeente Heumen ingedeeld in verschillende deelgebieden. De locatie maakt deel uit van het gebied "Het Lierdal". Het gebied Het Lierdal is het gebied tussen de kernen Malden en Molenhoek. Het strekt zich uit van het Maas-

Waalkanaal tot aan de spoorlijn bij het Maldensvlak. Het gebied kent grotendeels een relatief lage

ligging. Dat valt met name aan de oostzijde langs de stuwwalflank op. Hier ligt de 'Kuil’, het resultaat van een zandafgraving. Het Lierdal beslaat het grondgebied van twee gemeenten: de gemeente Heumen en de gemeente Mook en Middelaar.

DUTCH°PLAN'NER.S

a

17

Het grondgebied is nog grotendeels agrarisch, maar er komen ook andere functies voor. Zo ligt in de Kuil sportpark De Lier bij Molenhoek en ligt bij Malden een manage. De Rijksweg loopt van noord

naar zuid dwars door het gebied. Langs deze weg zijn verschillende functies gevestigd, zoals woningen, horeca, kantoren en bedrijvigheid. Aan de westzijde vormt de Molenweg een bebouwingslint door het gebied tot aan het Maas-Waalkanaal. Positiebepaling

e

Het Lierdal is een belangrijk recreatief uitloopgebied tussen Malden en Molenhoek;

e

Hetis van belang om de openheid tussen de kernen Malden en Molenhoek te bewaren;

e

Als entree tot Malden en als onderdeel van een prettige woon- en leefomgeving is een landschappelijke versterking zeer gewenst;

e

Het Lierdal vormt een landschappelijke, ecologische en recreatieve schakel tussen het MaasWaalkanaal, de Maas en het stuwwallengebied.

Planspecifiek Naast de bouw van twee woningen wordt het erf ingericht met inheemse beplanting, grotendeels bestaande uit bloemrijk grasland en fruitbomen. In het plan wordt de openheid van het gebied gewaarborgd en wordt het gebruik van het gebied als recreatief uitloopgebied en landschappelijke, ecologische en recreatieve schakel in stand gehouden. Het plan heeft geen negatieve effecten op de uitgangspunten van de Structuurvisie Heumen.

3.4.2. Structuurvisie ‘Het Lierdal 2010-2020'

Voor het gebied ‘Lierdal’ is de Structuurvisie 'Het Lierdal 2010-2020' opgesteld (februari 2010). Vanuit het proces van de Structuurvisie Heumen wordt geen aanleiding gezien de structuurvisie voor

het Lierdal aan te passen. De bestaande visie is daarmee herbevestigd, met dien verstande dat de

looptijd wordt verlengd van 2020 naar 2025. Deze verlenging van de planhorizon is een gevolg van de economische crisis. Deze leidt tot een vertraging van de uitvoering. Er zijn tot nu toe dan ook nog geen ontwikkelingen in gang gezet op basis van de visie.

Het doel van de Structuurvisie ‘Het Lierdal 2010-2020' is te komen tot een algehele landschappelijke versterking van het gebied. Zo ontstaat een goed toegankelijk gebied als groene en aantrekkelijke buffer tussen Malden en Molenhoek.

In de Kanaalzone Lierdal wordt gesproken over herstel van het Maasheggenlandschap. Aan de

noordzijde van de Kuil wordt gedacht aan het herstel van de heide en het meer laten glooien van de

bosrand. Verder behoeft de overgang tussen de bebouwde kom van Malden (0.a. bij bedrijventerrein Sluisweg) en het Lierdal landschappelijke versterking. De Rijksweg speelt een belangrijke rol in het gebied. Hier wordt ingezet op verbetering van de oversteekbaarheid, zowel voor langzaam verkeer

als landschapsstructuren. De weg zelf kan vergroenen middels laanbeplanting, terwijl de aangelegen erven wat betreft bebouwing en beplanting opgewaardeerd moeten worden. Ontwikkelingen in het gebied die (financieel) bijdragen aan deze landschapsversterking zijn:

e

de ontwikkeling van nieuwe landgoederen langs de noordrand van de Kuil en in aansluiting op de bebouwde kom van Malden en de naastgelegen Rijksweg;

DUTCH°PLAN'NER.S"

18

e

het realiseren van statige villa's op open plekken of ter vervanging van bestaande bebouwing;

e

het onder voorwaarden toevoegen van woningen langs de Rijksweg en de Molenstraat.

Verder is het mogelijk om in het gebied te komen tot kleinschalige toeristische voorzieningen, versterking van de recreatieve structuur, verbreding van de landbouw en herontwikkeling van voormalige agrarische bedrijfslocaties. Planspecifiek Naast de bouw van twee woningen wordt het erf ingericht met inheemse beplanting, grotendeels bestaande uit bloemrijk grasland en fruitbomen. Door de nieuwe beplanting wordt het landschap van het Lierdal versterkt. Door het opstellen van

uitgangspunten voor de bouw (zie paragraaf 2.2.1) van nieuwe woningen is voldaan aan de eis dat toevoegen van woningen langs de Molenstraat onder voorwaarden mogelijk is. Het plan voldoet daarmee aan de Structuurvisie Lierdal.

3.3.2. Landschapsontwikkelingsplan Heumen (LOP) Om vanuit een vergelijkbare uitgangssituatie te vertrekken met de andere gemeenten uit Maas & Waal, is een vertaalslag gemaakt vanuit landschapsbeleidsplan naar een breder plan gericht op landschapsontwikkeling in de gemeente Heumen, met als titel LOP Gemeente Heumen. In het LOP Gemeente Heumen zijn projecten opgenomen die voortkomen uit het

Landschapsbeleidsplan die nog steeds of weer actueel zijn. Deze projecten zijn aangevuld met projectideeén of ontwikkelingen die in het buitengebied van de gemeente Heumen spelen en waar de gemeente graag invulling aan zou willen geven. De gemeente Heumen heeft in het LOP verschillende ambities opgesteld per landschapstype. De projectlocatie bevindt zich in de landschapstype ‘Natte heide en Broekontginningen’ en hierbij gelden de volgende ambities:

e

e

Beheer van bestaande landschapselementen.

Het versterken van de functies natuur en extensieve recreatie in het gebied ten noordwesten van het Heumense bos.

e

Stimuleren van de aanleg van oversteekplaatsen en poelen voor padden.

e

Versterking van de overgangen van bos naar cultuurlandschap, bijvoorbeeld door de ontwikkeling van struweelbegroeiingen en bermbeheer gericht op verschraling.

e

Opheffen van de barriérewerking van het Maas-Waalkanaal voor fauna door aanpassing van de oevers.

e = Versterking verbindingen voor de das middels het doortrekken van de Leigraaf tot aan Heumen en langs de zijloop tot aan het Maas-Waalkanaal.

Planspecifiek

In het plan wordt een erfinrichting gemaakt die de biodiversiteit en klimaatadaptatie van het gebied verbetert. Dit gebeurt door het aanleggen van hagen met inheemse planten. Naast hun sierwaarde worden grassen, kruiden, bomen en struiken gekozen op hun ecologische waarde. Het terrein kan DUTCH°PLAN'NER.S

=

19

daarom dienst doen als verbinding tussen bloemrijke weides en bermen en als habitat voor verschillende planten- en diersoorten. In het plangebied worden geen elementen voor de versterking van het landschap aangelegd, zoals

houtwallen, poelen of struweel. Het plan doet geen afbreuk aan de doelstellingen van het Landschapsontwikkelingsplan.

;

_

DUTCH°PLAN'NER.S

20

Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het

bestemmingsplan een beschrijving staan van het verrichte onderzoek naar de voor het plan relevante feiten en de af te wegen belangen (Algemene wet bestuursrecht, artikel 3.2).

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de geldende wet- en regelgeving die op voorliggend plan en plangebied van toepassing zijn. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor

afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden daarom de resultaten van het onderzoek naar o.a. de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreffen

voor zover relevant de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, verkeer, water en vormvrije m.e.r-beoordeling.

4.1 Milieuzonering Algemeen Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen

milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreéren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een

bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet

groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:

e

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere

gevoelige functies; e

het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave "Bedrijven

en Milieuzonering" uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBl-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van

een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke (indicatieve) richtafstand.

De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming, die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een

milieugevoelige functie, die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. De richtafstanden zijn uitsluitend van toepassing voor nieuwe situaties (nieuwe ontwikkelingen) en niet voor bestaande situaties, waarbij het zo kan zijn, dat gevestigde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige

functies op een kleinere afstand van elkaar gesitueerd zijn. Naast de geadviseerde milieuzonering voor bedrijven op basis van de VNG brochure "Bedrijven en milieuzonering" kunnen er ook nog afstandscriteria uit specifieke milieuwetgeving gelden. Denk hierbij aan de Wet milieubeheer, de

agrarische geurwetgeving (Wgv) of de veiligheidsregelgeving (Bevi/Revi). Deze wetgeving geldt DUTCH°PLAN'NER.S"

21

uiteindelijk als toetsingskader voor de toegestane milieueffecten. Ook deze afstandscriteria worden meegenomen bij de beoordeling van de gewenste ontwikkelingen.

Planspecifiek Met voorliggend bestemmingsplan worden geen milieubelastende functies/activiteiten mogelijk

gemaakt. Daarmee worden de bestaande woningen grenzend aan/in de omgeving van het plangebied niet belemmerd c.q. vindt geen toename van hinder en gevaar bij deze woningen plaats. Daarnaast is onderzocht of de realisatie van woningen een belemmering vormt voor bestaande activiteiten/bedrijven in de omgeving van het plangebied. Ten oosten van het plangebied ligt een perceel met een agrarische bestemming. Op basis van deze bestemming is bepaald dat er een VNG-richtafstand geldt van 30 meter voor het realiseren van gevoelige functies (o.a. wonen), gerekend vanaf de grens van het perceel.

\\

a ae aa

as

ree\ |

Ri/ Ly |

Ya

NK

/

|/ Xe

{

~

\

\(\ \ \ \ ae

/ \

‘e a

\>e*

‘ Fs \neee

rr

ie:

i~

oN Se,

\

ih

/

\ ‘ \ NY \—_ ag & \ \,\ Neead

®\ \

| atx a |

~SAA yg \)Nl\ “3et

x\i— = een

L_—-7 \

|

\a

\X

%

Ke

Ps

»

She.

/

re y i. ‘aes ra

jf

y,

/

7 Ps

“OS / ff

ff

\

j

oa

Fi)

\ =|

ee

\

Figuur 5: Milieuzonering naastgelegen bedrijf

4.1.2 Wet geurhinder en veehouderij Voor de planontwikkeling is onderstaande veehouderij relevant ten aanzien van geur.

°

Varkenshouderij, dieren mét geuremissiefactor aanwezig (9.200 ouE/s)

Om te bepalen of met de voorgenomen ontwikkeling de varkenshouderij aan de ERE EN in

de ontwikkelingsmogelijkheden wordt geschaad is een Geuronderzoek Wet geurhinder en veehouderij uitgevoerd. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 8. Vanuit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) gelden standaard, landelijk geldende, afstanden en normen waaraan de ligging en geurbelasting van dierenverblijven getoetst moeten worden. In dit geval geldt vanuit de Wgv een richtafstand van 50m.

Op locatic ERE EEEEE is volgens het gemeentelijke milieudossier, na een gedeeltelijke intrekking voor het houden van paarden, sprake van een milieutoestemming (valt sinds 1 januari 2013 van rechtswege onder het Activiteitenbesluit met OBM) voor het houden van 400 stuks varkens. De varkens worden gehouden in stal A gelegen ten zuiden van het woonhuis op het achtererf

‘

=

DUTCH°PLAN'NER.S

22

overeenkomstig het milieudossier, zie tevens onderstaande uitsnede van de plattegrondtekening. De

overige bedrijfsgebouwen zijn niet in gebruik voor het houden van vee (groen gearceerd op onderstaande afbeelding).

\

<I

et

QV, ry,

:

‘| lei! eS eee

oe ——- f

.

=a

a epi

| FS

Figuur 6: Doorsnede milieutoestemming en afstand tot het plangebied aan de Molenstraat

Het vee wordt derhalve op minimaal 110 m gehouden van de plangrens voor de beoogde nieuwe woningen. Uitgaande van mechanische ventilatie door middel van ventilatoren aan de rechter goot zijde, is het gemiddelde emissiepunt van de stal daarmee eveneens reeds verder gelegen dan 50

meter, zijnde de afstand indien in de varkensstal dieren gehouden zouden worden zonder geuremissiefactor. Hiermee wordt voldaan aan de afstand van 50 m.

Het bedrijf op de [EEEin de bestaande situatie reeds gehinderd in haar bedrijfsvoering

door burgerwoningen binnen de bebouwde kom, waarvoor bijvoorbeeld een vaste afstand van 100

m geldt en sprake is van een strengere geurnorm. Daarbij is de woning

ERE E binnen de

bebouwde kom dichter gelegen tot de varkensstal en zorgen de woningen in de bebouwde kom (o0.a.

| 5.1.20

dat een deel van het bouwvlak niet benutbaar is voor het

houden van vee ter plaatse van de bestaande bedrijfsgebouwen (die zijn namelijk binnen 100 m gelegen). Afhankelijk van de exacte situering van de nieuwe woningen is een gedeelte van het

bouwvlak behorende bij BES

ict meer geschikt voor het houden van dieren waarvoor

geen geuremissiefactor is vastgesteld. Echter een overgroot deel van het bouwvlak blijft nog benutbaar. Voor een eventuele ontwikkeling van het bedrijf met dieren waarvoor een

geuremissiefactor is vastgesteld dient reeds in de bestaande situatie rekening gehouden te worden met de 50/50-regeling ten aanzien van de woningen in de bebouwde kom. De beoogde ontwikkeling verandert dit niet. Conclusie

Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en

verblijfsklimaat en dat de omliggende veehouderijen niet in hun belangen worden geschaad door eventuele nieuwbouw van woningen ter plaatse van de onderzoekslocatie.

DUTCH°PLAN'NER.S

23

Concluderend vormen de onderzochte aspecten geen belemmering voor de realisatie van de nieuwe

woningen. De veehouderij wordt niet onevenredig in zijn ontwikkelingsmogelijkheden aangetast. Aanvullend kan worden geconcludeerd dat om deze reden afgeweken kan worden van de richtafstand van 30 meter. In het stedenbouwkundig plan is hierop ingespeeld door het meest oostelijke bouwvlak uit te breiden; hierdoor worden de bouwmogelijkheden iets ruimer, zodat de nieuwe woningen beter in het ritme van het lint aan de Molenstraat passen.

4.2 Bodem Volgens het Besluit ruimtelijke ordening zullen burgemeester en wethouders in verband met de uitvoerbaarheid van het plan onder meer een onderzoek verrichten naar de bodemgesteldheid in het

plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor

de betreffende functiewijziging. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone gronden te worden gerealiseerd.

Planspecifiek Ten behoeve van dit bestemmingsplan is een verkennend bodemonderzoek gedaan door

Econsultancy (bijlage 2). Gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieu hygiénische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de bestemmingsplanherziening en nieuwbouw op de onderzoek locatie. Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het ‘Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende

grond en baggerspecie’ of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing.

4.3 Geluid Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van

geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig

object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen.

Planspecifiek

Het plangebied ligt niet in de buurt van een weg of spoorweg waarvoor wettelijk een geluidszone

geldt. In de nabije omgeving van het plangebied liggen uitsluitend 30 km/h zone wegen. Ten aanzien van wegverkeerslawaai zijn er geen belemmeringen voor het plan.

4.4 Luchtkwaliteit Hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer bevat de regelgeving op het gebied van luchtkwaliteit. Daarin zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor diverse verontreinigende stoffen, waaronder

DUTCH°PLAN'NER.S"

24

stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). In artikel 5.16 van de Wet milieubeheer is vastgelegd in welke gevallen de luchtkwaliteitseisen geen belemmering vormen voor een nieuwe ontwikkeling. Dit is het geval wanneer: e

een ontwikkeling niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor luchtkwaliteit;

e

ten gevolge van een ontwikkeling de concentraties van de betreffende stoffen verbeteren of ten minste gelijk blijven;

e

een ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties van desbetreffende stoffen in de buitenlucht;

e

een ontwikkeling past binnen een vastgesteld programma (zoals het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit).

In artikel 2 van het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ is opgenomen dat een project 'niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de zogenaamde '3% grens' niet wordt overschreden. Na vaststelling van het Nationaal Samenwerkingsprogramma

Luchtkwaliteit (NSL) op 1 augustus 2009 is deze grens gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM1o) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2

microgram/m? voor zowel PMio als NOp. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' is voor bepaalde categorieén projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.

Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) Het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) is gericht op mensen die verhoogd gevoelig zijn voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2). In het besluit is geregeld dat wanneer een gevoelige bestemming binnen een onderzoekszone van een rijks- of provinciale weg wordt gevestigd of uitgebreid, een luchtkwaliteitsonderzoek nodig is. Gevoelige bestemmingen zijn functies waarbinnen kinderen, ouderen en zieken verblijven, zoals scholen, kinderdagverblijven, en

verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Een woning of ziekenhuis is geen gevoelige bestemming conform het besluit. De onderzoekszone van een rijksweg betreft 300 meter aan beide zijden van de weg, gemeten vanaf de rand van de weg. Voor een provinciale weg geldt hetzelfde, maar dan een zone van 50 meter.

Planspecifiek In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Voorliggend initiatief maakt de realisatie van 2 woningen mogelijk en valt dus binnen de NIBM-regeling. Daarom is onderzoek op grond van de Wet luchtkwaliteit niet noodzakelijk. Aangezien woningen in de zin van het Besluit gevoelige

bestemmingen niet als een gevoelige bestemming wordt gezien, hoeft ook niet aan dit besluit

getoetst te worden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied

bepaald met de monitoringstool van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Met

DUTCH°PLAN'NER.S"

25

behulp van de monitoringstool kan inzicht worden gekregen in de concentraties van de

luchtverontreinigende stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wet milieubeheer.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022

Extra

vain planrealisatie]

2024

Aandeel vrachtverkeer

0,0%|

PM, in yg/m®

0,00

Pozar verkeer als gevolg van het plan

Grens voor "Niet In Betekenende Mate"inugim®

P12

8 ee

Figuur 7: Berekening effecten extra verkeer op luchtkwaliteit

Uit de monitoringstool blijkt dat de optredende concentraties NO2 en PM10 ter plaatse van het plangebied ruim onder de in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2) gestelde grenswaarden liggen. Vanwege de beperkte omvang van het plan — en het aantal extra verkeersbewegingen dat hiervan het gevolg is — kan de ontwikkeling aangemerkt worden als een NIBM-project. Gesteld kan worden dat ter plaatse van het plangebied vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor onderhavig plan.

4.5 Externe veiligheid Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven,

vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer:

e

Het besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);

e

De regeling externe veiligheid (Revi);

e

Het registratiebesluit externe veiligheid;

e

Het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (Brzo 2015);

e

Het vuurwerkbesluit

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: DUTCH°PLAN'NER.S"

26

e

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt);

e

=Regeling basisnet;

e

de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

De regelgeving omtrent het vervoer van gevaarlijke stoffen via buisleiding is vastgelegd in het Besluit

externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van

risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

Planspecifiek

Op basis van de Risicokaart (www. risicokaart.nl) is beoordeeld of er zich in de nabijheid van het plangebied risicobronnen bevinden. Daarbij is bekeken of er in de nabijheid van het plangebied risicovolle inrichtingen aanwezig zijn, of er wellicht transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (wegen, spoorwegen, vaarwegen of buisleidingen) in de nabijheid gelegen zijn en of dat het plangebied gelegen is binnen een zone waarbinnen het risico op een luchtvaartongeval verhoogd is. Omdat geen sprake is van bovenstaande risicobronnen vormt het aspect externe veiligheid dan ook geen belemmering voor de beoogde realisatie van 2 wooneenheden t.b.v. dit bestemmingsplan.

4.6 Water

4.6.1 Waterbeheerprogramma 2022 - 2027 Het beleid van het waterschap Rivierenland staat in het waterbeheerprogramma 2022 - 2027 'Versterken, verbinden, vergroenen’. Dit plan gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterketen. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor

waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig

zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de

beleidsregels. Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar watergangen. Om te voorkomen dat hierdoor wateroverlast ontstaat is voor plannen met een toename van verharding compenserende waterberging nodig.

In feite is waterberging extra ruimte in sloten. Hiermee kan (regen)water uit de omgeving worden opgevangen. Technisch gezien is waterberging de ruimte tussen het zomerwaterpeil in de sloot en de bovenzijde van de oever. Het waterschap bepaalt aan de hand van normbuien hoeveel waterberging

nodig is. Er zijn vuistregels vastgesteld voor de benodigde waterberging in ruimtelijke plannen. De benodigde ruimte voor waterberging dient berekend te worden op basis van maatgevende regenbuien, de toename aan verhard oppervlak en de maximaal toelaatbare peilstijging in de watergangen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13943185/1