Bijlage I Malden, Hatertseweg 28 Toelichting
Tekst van het document
4.2.3
Situatie plangebied
Onderhavige planontwikkeling is aan te merken als NIBM. Het toevoegen van 4 woningen. Het plan draagt dan ook ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging Per saldo zal er zelfs een afname zijn van het aantal verkeersbewegingen van en naar de locatie vanwege de agrarische bedrijfsbeëindiging. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor onderhavige ontwikkeling omdat nergens de grenswaarden wordt overschreden
4.3
Geur
4.3.1
Algemeen
4.3.1.1 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landelijk beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. 4.3.1.2 Omgekeerde werking Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij moet een veehouderij voldoen aan een bepaalde afstand tot geurgevoelige objecten of voldoen aan de waarde voor de geurbelasting ter plaatse van die geurgevoelige objecten. Dit leidt tot een bepaalde geurcontour rondom een veehouderij. Op grond van jurisprudentie op het gebied van ruimtelijke ordening mag binnen dergelijke geurcontouren in beginsel niet gebouwd worden. Dit was ook al het geval onder de oude stankregelgeving en deze lijn is doorgetrokken naar de Wgv. Dit wordt de omgekeerde werking van de stankregelgeving genoemd.
34
Ter plaatse van de te realiseren geurgevoelige objecten moet beoordeeld worden of sprake is van een aanvaardbaar verblijfsklimaat.
4.3.2
Situatie plangebied
Voor de beoogde ontwikkelingen geldt artikel 14 van Wgv. Op grond van artikel 14 Wgv geldt voor de zogenaamde ruimte-voor-ruimte woningen en daarmee vergelijkbare geurgevoelige objecten een afwijkend toetsingskader. Ruimte-voor-ruimte woning (artikel 14.2) of geurgevoelig object (artikel 14.3) woning of geurgevoelig object die na 19 maart 2000 is gebouwd op een kavel die op dat tijdstip in gebruik was als veehouderij én is gebouwd in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de veehouderij (artikel 14, tweede lid) én in samenhang met de sloop van de bedrijfsgebouwen die onderdeel hebben uitgemaakt van de veehouderij. Voor deze woningen geldt een minimumafstand tussen het emissiepunt van een dierenverblijf en de gevel van een geurgevoelig object: • •
binnen de bebouwde kom 100 meter; buiten de bebouwde kom geldt een afstand van 50 meter
In de directe locatie van de planlocatie ligt een agrarisch bedrijf. Het agrarisch bedrijf is gelegen aan de Hatertseweg 36 en houdt zich bezig met het fokken en houden van schapen. Voor de diercategorie schapen is een geuremissie vastgesteld. Voor de woningen geldt een minimumafstand van 50 meter tussen de gevel en het emissiepunt het dierenverblijf aan de Hatertseweg 36. Deze afstand is ruim 130 meter. Hiermee kan worden geconcludeerd dat het aspect geur niet leidt tot belemmering van het voornemen.
4.4
Bodemkwaliteit
4.4.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740.
4.4.2
Situatie plangebied
Voorliggend initiatief betreft de bouw van drie nieuwe woningen en de realisatie van een woning in bestaande bebouwing. Her perceel is jaren in gebruik geweest voor agrarische werkzaamheden. Om de woningen te realiseren vinden er bouwwerkzaamheden en bodemingrepen plaats.
35
De woningen worden gerealiseerd op de gronden van het huidige agrarische bedrijf. De woningen komen op de plaats van de melkrundveestal. Deze stal wordt gesloopt en de putten wordt verwijderd. De putten worden opgevuld met schoon zand. In de agrarische bedrijven blijkt uit ervaring nooit verontreinigingen aanwezig te zijn. Mestputten zijn afdoende gebleken om verontreinigingen tegen te gaan. Dit komt mede door de Nederlandse richtlijn bodembescherming. Nederlandse richtlijn bodembescherming (NRB) Om te voorkomen dat nadelige gevolgen aan de voornoemde bodemsoort en grondwaterstanden optreedt is er een richtlijn opgesteld. De Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB). In de NRB worden de activiteiten genoemd, die een bodem kunnen vervuilen. Hierbij dient in onderhavige situatie vooral te worden gedacht aan de opslag van (drijf) mest, kadavers, opslag van dieselolie, zwavelzuur en reinigingsmiddelen. Tevens geeft het NRB aan hoe de vervuiling naar de bodem en het grondwater kan worden voorkomen. Volgens de plattegrondtekening behorende bij de aanvraag om milieuvergunning zijn voldoende maatregelen getroffen teneinde te voorkomen dat bodem- en/of grondwaterverontreiniging optreedt. Zo zijn de stallen voorzien van vloeistofdichte en mestdichte beton. Reden te meer dat geconcludeerd kan worden dat de bodem op de locatie aan de Hatertseweg waarschijnlijk schoon is.
Op grond van artikel 8 van de Woningwet bevat de bouwverordening voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigende bodem. Deze voorschriften hebben uitsluitend betrekking op bouwwerken waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen aanwezig zullen zijn. Voor de woningen aan de Hatertseweg dient eerst de grond aangevuld te worden. Deze gronden worden met een schone grondverklaring vervoerd en geleverd op de locatie Hatertseweg 28 te Malden. Bij de indiening van de omgevingsvergunning, activiteit bouw, zal de schone grondverklaring van de gronden onder de woningen worden aangeleverd.
36
4.5
Externe veiligheid
4.5.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszones en plasbrandaandachtsgebieden).
Het transporteren van gevaarlijke stoffen per buisleiding is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Inrichtingen c.q. bedrijven Het plangebied is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een risicovolle inrichting. In de kern Heumen zijn geen risicovolle inrichtingen gevestigd. Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg Het transport van gevaarlijke stoffen over de A73 is gelet op de afstand, van circa 1.3 km tot het plangebied, niet relevant. De 10-6 plaatsgebonden risicocontour wordt vanuit de as van de weg gemeten en bedraagt 10 m. Het plasbrandaandachtsgebied bedraagt 30 m uit de zijkant van de weg. Deze zones liggen buiten het plangebied. 37
Vervoer van gevaarlijke stoffen over het water De kern Heumen ligt ten noordwesten van het punt waar de Maas en het Maas-Waalkanaal tezamen komen. Het transport van gevaarlijke stoffen over de Maas en het Maas-Waalkanaal is gelet op de ruime afstand, van respectievelijk circa 4 km m en 200m tot het plangebied, niet relevant. De vaarwegen zijn conform het Basisnet water zwarte vaarwegen en hiervoor geldt dat de 106
plaatsgebonden risicocontour niet buiten de waterlijn komt. Het plasbrandaandachtsgebied ligt op
25 m langs de vaarweg. Deze zones liggen buiten het plangebied (zie onderstaande afbeelding). Vervoer van gevaarlijke stoffen door een buisleiding Het plangebied is niet gelegen in de directe nabijheid van een aardgastransportleiding. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid bij een zwaar ongeval.
Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid. Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.5.2
Situatie plangebied
Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In figuur 7 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven.
38
Figuur 9: Uitsnede risicokaart (bron: www.risicokaart.nl)
Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: • • • •
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Planspecifiek Externe veiligheid levert geen belemmeringen op voor dit initiatief.
4.6
Bedrijven en Milieuzonering
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden 39
gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 4.6.1
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’ vergelijkbaar omgevingstype. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Het gebied waarin het projectgebied zich bevindt is aan te merken als een ‘rustige woonwijk’.
Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen en rol: •
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking);
•
laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
4.6.2
Externe werking plangebied
Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ontwikkeling. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. In de nieuwe situatie is sprake van een woonbestemming. Dit betreft een functie waarbij geen sprake is van het veroorzaken van hinder. Door de functieverandering wordt de agrarische 40
bedrijfsactiviteiten opgeheven, wat het woon- en leefklimaat voor de naastgelegen woning doet verbeteren.
4.6.3
Interne werking plangebied
Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe (gevoelige) functie binnen het projectgebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. De directe omgeving van het projectgebied wordt gekenmerkt door burgerwoningen, een agrarische bedrijf en een aanemers bedrijf. De wijziging betreft de realisatie van woningen. Woningen worden aangemerkt als gevoelige functie. Op de locatie De VNG publicatie noemt voor het fokken en houden van schapen een minimale afstand van 50 meter tussen de grens van de bestemming en de gevel van de woning. De schapenhouderij aan de Hatertseweg 28 bevind zich om ruim 130 meter van de gevel van de nieuwe woningen. De VNG publicatie noemt een minimale afstand van 50 meter voor de grens van de bestemming en de gevel van de woning en een aannemersbedrijf, deze afstand is ruim 110 meter. Dit betekent dat de gewenste ontwikkeling op grond van de Brochure Bedrijven en Milieuzonering past op de locatie van de initiatiefnemer en dat omliggende woningen en bedrijven geen overlast ondervinden van het initiatief.
4.7
Ecologie
4.7.1
Algemeen
De wetgeving ten behoeve van de bescherming van de natuur is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten.
4.7.2
Gebiedsbescherming
4.7.2.1 Natura 2000- gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het plangebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied in het kader van de Wet natuurbescherming. Op circa 6,5 km afstand liggen de Rijntakken. Gezien de grote afstand en de aard
41
en omvang van de ontwikkeling wordt gesteld dat er geen sprake is van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. In casu valt de uitstoot van stikstof weg voor het houden van 172 melkkoeien, 55 stuks vrouwelijk jongvee, 10 vleeskalvere en 7 volwassen paarden (zie hierna bij NNN). Een Aeriusberekening (verschillenberekening) is niet noodzakelijk, de uitkomst is dat er geen negatief effect op een Natura 2000 gebied zal plaatsvinden door deze ontwikkeling.
4.7.2.2 Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS) Natuur Netwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’ - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. De omgevingsverordening Gelderland heeft een kaart van het Gelders Natuurnetwerk (GNN). Het plangebied is niet gelegen binnen de begrenzing van het Gelders natuurnetwerk (GNN), maar binnen de 'Groene Ontwikkelingszone'. Op figuur 9 is dat te zien. Het plangebied is rood omlijnd.
Figuur 10: Ligging plangebied t.o.v. GNN (bron: Omgevignsverordening Gelderland)
In een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen de Groene Ontwikkelingszone worden nieuwe grootschalige ontwikkelingen niet zomaar mogelijk gemaakt. De Groene Ontwikkelingszone (GO) bestaat uit gebieden met andere functies dan natuur. Die functies zijn ruimtelijk verweven met de natuur van de GNN en hangen daar functioneel mee samen. Er wordt ingezet op versterking van die samenhang tussen aangrenzende natuurgebieden. Het gaat vooral om landbouwgrond, maar ook om terreinen voor verblijfs- en dagrecreatie, infrastructuur, woningen en bedrijven.
42
In het voorgenomen initiatief is aandacht besteed aan het versterken van de ecologische en landschappelijke kwaliteit in het gebied. Dit wordt onder andere gedaan door; • • • •
Het gebruiken van gebiedseigen landschapselementen. Denk hierbij aan houtwallen, bloemrijk grasland, boomgroepen, poelen, glooiingen en bomenlanen. Het versterken van de achterzijde van het gebied door een zachte natuurlijke overgang; Het accentueren van de toerit met laanbeplanting; Het respecteren en versterken van de bestaande houtwal aan de noord-oostzijde van het gebied.
Voor een verdere toelichting zie het landschapsplan in de losse bijlage 1. Daarnaast is voor onderhavig bedrijf een natuurvergunning verleend voor 172 melkkoeien, 55 stuks vrouwelijk jongvee, 10 vleeskalvere en 7 volwassen paarden op 9 oktober 2015. Deze is ingevoegd als bijlage 3. Door het wegvallen van deze ammoniak, fijn stof en stikstof kan op voorhand worden gezegd dat onderhavig initiatief een positief effect heeft op NNN
4.7.3
Soortenbescherming
4.7.3.1 Algemeen Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd.
4.7.3.2 Situatie plangebied Het plan voorziet in het slopen van de huidige agarische opstallen, het bouwen van drie extra woningen achterop het perceel in één nieuw gebouw, twee bestaande bedrijfswoningen omzetten naar burgerwoningen en het realiseren van een woning in de karakteristieke schuur met mansardekap. De bestemming zal worden gewijzigd naar wonen. Bij de bovengenoemde ontwikkelingen worden geen sloten gedempt en bomen of struiken gekapt. De bestaande ecologische structuur wordt in het beoogde plan alleen maar bevorderd. Van enige vorm van aantasting van beschermde flora en/of fauna als gevolg van vaststelling van dit plan is dan ook geen sprake. Het uitvoeren van onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht voor de nieuwbouw. Echter voor de sloop van de oude gebouwen is een Quickscan flora en fauna uitgevoerd. Deze is ingevoegd als bijlage 4. De conclusie van dit onderzoek is: “ Voor de bepaling van de effecten en voor de beantwoording van de vraag of men in strijd komt met de Wet natuurbescherming, wordt de relatie gelegd tussen het initiatief met deze wet door waar mogelijk antwoord te geven op de volgende vragen: 1. Welke wettelijk beschermde soorten komen in het plangebied voor? Welke status hebben 43
deze soorten? 2. Welke invloed heeft de geplande ingreep in het betreffende gebied op de beschermde soorten en de staat van instandhouding? 3. Hoe dient omgegaan te worden met eventuele negatieve effecten van het plan op wettelijk beschermde planten- en diersoorten, en welke vervolgstappen zijn nodig? Het voornemen zoals opgenomen in de inleiding en de daarbij behorende werkzaamheden, zal naar verwachting geen negatief effect hebben op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Binnen het plangebied zijn geen (verblijfplaatsen van) strikt beschermde soorten aangetroffen die door de werkzaamheden worden beïnvloed. Uit de effectenbeschrijving blijkt dat er geen onevenredige directe of indirecte gevolgen zijn van de voorgenomen activiteiten op de voortplanting en instandhouding van beschermde dieren/ of plantsoorten. Lokaal zullen mogelijk algemene soorten uit het plangebied trekken op zoek naar een vervangende biotoop. Bij voorkeur dient de sloop van de gebouwen buiten het broedseizoen plaats te vinden. Voor aanvang van de werkzaamheden dient derhalve geen aanvullend onderzoek plaats te vinden. Een ontheffing met betrekking tot aantasting van beschermde soorten is niet nodig. De werkzaamheden kunnen leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige algemene soorten.
Een algehele vrijstelling op basis van de Verordening natuurbescherming voor ruimtelijke ontwikkelingen is hierop van toepassing. De algemene zorgplicht blijft onverminderd van toepassing. “
Dit aspect levert dan ook geen belemmingen op voor dit project.
4.8
Archeologie en cultuurhistorie
4.8.1
Archeologie
4.8.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudens waardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
4.8.1.2 Situatie plangebied De gemeentelijke archeologische verwachtingskaart In opdracht van de gemeente Heumen heeft RAAP Archeologisch Adviesbureau in 2005 een archeologische verwachtings- en advieskaart vervaardigd. De kaart is in 2013 herzien. 44
De kaart heeft betrekking op het gehele grondgebied van de gemeente. De archeologische verwachtings- en advieskaart is een kaart waarop bekend en archeologische vindplaatsen en terreinen die door de provincie en rijksoverheid zijn geoormerkt als terreinen met een archeologische status staan weergegeven. Daarnaast geeft de archeologische verwachtings- en advieskaart een zo actueel mogelijk overzicht van nog te verwachten archeologische waarden binnen de gemeente Heumen met daaraan gekoppeld uitvoeringsgerichte adviezen ten aanzien van het gemeentelijk Archeologische Monumentenzorg beleid. Onderhavige locatie heeft op grond van de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart gedeeltelijk een hoge archeologische waarde en gedeeltelijk een lage archelogische waarde. Figuur 11 toont de ‘waarden- en verwachtingskaart archeologie’ van de gemeente Heumen. Het plangebied is deels gelegen in de oranje zone met een hoge archeologische verwachting en deels in de groen zone met een lage archelogische verwachting.
Figuur 11: Waarden- en verwachtingskaart archeologie
Het gemeentelijk archeologisch beleid is opgenomen in het vigerend bestemmingsplan 'Buitengebied Heumen 2009' (niet actueel). 45
Ter plekke van de hoge verwachting is een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen. Bij een verstoring van de bodem is voorafgaand archeologisch onderzoek vereist. De nieuwe woningen worden gebouwd in de groene zone met een lage archeologische verwachting. Zie afbeelding 12 in het rood aangegeven. De woningen komen op de locatie waar voorheen de melkrundveestal stond met een diepte van 2 meter, waardoor archeologische waarden niet aangetroffen kunnen worden. De inpandige functiewijzigingen zullen plaatsvinden binnen de oranje zone en zal niet leiden tot bodemverstoring. Er is daarom in het kader van dit bestemmingsplan geen archeologisch onderzoek uitgevoerd. Wel is de dubbelbestemming archeologie overgenomen uit het vigerend bestemmingsplan 'Buitengebied Heumen 2009'.
Figuur 12: Locatie nieuw te bouwen woningen
Het bijgebouw is wel gelegen in het gebied wat is aangeduid met archeologische verwachting 1. Dit bijgebouw is slecht 150 m2 waardoor op grond van artikel 29.2.1 geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is: “ Bij een aanvraag voor een reguliere omgevingsvergunning voor het bouwen voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 500 m2 dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft, in voldoende mate is vastgesteld.
“ 46
Gelet op het bovenstaande vormt het aspect archeologie geen belemmering voor het planvoornemen.
4.8.2
Cultuurhistorie
4.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten.
4.8.2.2 Situatie plangebied In de onderstaande afbeelding is de planlocatie weergegeven op de cultuurhistorische waardekaart van gemeente Heumen. Met het planvoornemen blijven de oude kavelgrenzen (zie bruine lijnen in onderstaand kaartfragment), oude wegen (doorlopende rode lijnen), cultuurhistorische woningen en het opgaand groen dat is weergegeven op de waardenkaart behouden.
47
Hiermee kan worden geconcludeerd dat het aspect cultuurhistorie niet leidt tot een belemmering voor het planvoornemen.
4.9
Verkeer en parkeren
4.9.1
Algemeen
Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling.
48
4.9.2
Situatie plangebied
4.9.2.1 Parkeren In de beoogde situatie komen er 4 woningen extra bij op het erf. De bestaande agrarische bedrijfswoningen hebben al een parkeergelegenheid bij de woning, wanneer de agrarische bedrijfswoningen in het nieuwe plan de functie burgerwoningen krijgen zal dit niet veranderen. Voor de 4 nieuwe woningen op het erf in voldoende parkeerruimte aanwezig in de garage, zie afbeelding 12.
In de regels van dit bestemmingsplan is een regeling opgenomen, zodat met de realisatie van de woningen wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Het aspect 'parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.9.2.2 Inritten De inritten van de huidige boerderij en de agrarische berijfswoning blijven in het nieuwe plan intact. De inrit van de boerderij zal ook als inrit dienen voor de nieuwe woning in de karakteristieke schuur. De inrit van de huidige tweede bedrijfswoning blijft ongewijzigd en zal in de nieuwe situatie de inrit voor de burgerwoning zijn. De huidige inrit voor het achtererf van het agrarisch bedrijf wordt in de nieuwe situatie de inrit voor de drie nieuw te bouwen woningen. In afbeelding 13 wordt dit weergegeven. 49
Van een nieuwe inrit is geen sprake.
4.9.2.3 Infrastructuur
Om inzicht te bieden in de mate van verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling, die met dit bestemmingsplan wordt gefaciliteerd, moet de verkeersaantrekkende werking worden bepaald. Daarvoor is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de bouw van drietal kleine woningen en het omzetten van een schuur naar een woning. Op basis van de CROW-publicatie geldt
Het plangebied wordt ontsloten via een inrit aan de Hatertseweg. Het gaat om een relatief beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen. De afname van de verkeersbewegingen door de 50
beëindiging van het agrarisch verkeer zorgen in totaliteit voor een afname van de verkeersbewegingen op de Hatertseweg Het wegverkeer op de Hatertseweg is agrarisch en woon-werkverkeer. De Hatertseweg is en drukke weg met veel binnendoor verkeer tussen Malden en Nijmegen. Het initiatief betreft het beëindigen van het agrarisch bedrijf en hiermee tevens de beëindiging van de verkeersbewegingen die het agrarisch bedrijf veroorzaakt. Door de realisatie van de nieuwe woningen neemt het aantal verkeersbewegingen per definitie af. De inrit is zodanig gesitueerd dat de bewoners met ruim zicht kunnen invoegen in het normale wegverkeer. Er is geen sprake van een ontwikkeling die de capaciteit van de aansluitende wegen en omliggende wegenstructuur en de verkeersveiligheid op onevenredige wijze aantasten. De gewenste ontwikkeling vormt geen aanleiding tot infrastructurele wijzigingen. Planspecifiek. Het aspect 'verkeer' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan
4.10 Water Op grond van het Besluit Ruimtelijke Ordening moet in de toelichting van ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Hierin wordt beschreven hoe rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de taken en belangen van het waterschap. In het Besluit Ruimtelijke Ordening, dat sinds 1 november 2013 is ingegaan, is opgenomen dat het verplicht is om een watertoets te verrichten. Het is dan ook noodzakelijk om in de toelichting bij ruimtelijke besluiten en plannen een waterparagraaf op te nemen. In de waterparagraaf wordt een beschrijving gegeven over de manier waarop rekening wordt gehouden met de waterhuishouding als gevolg van het plan. In de paragraaf wordt dan ook een beschrijving gegeven van de beleidsuitgangspunten, waterhuishoudkundige situatie en wateropgaven in het plangebied, (motivatie van) meest geschikte oplossingen en ruimtelijke consequenties daarvan. Indien aan de orde is tevens het advies van het waterschap in de waterparagraaf verwerkt. Beleid Op 27 november 2015 heeft het bestuur van Waterschap Rivierenland het Waterbeheerprogramma 2016-2021 vastgesteld, met als titel “Koers houden, kansen benutten”. Met dit programma blijft het waterschap op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om het afvalwater effectief te zuiveren.
Bij de uitvoering van het programma beweegt het waterschap mee met de (klimaat)veranderingen om ons heen en benut zij 51
de kansen die zich voordoen in de regio. Het waterbeheerprogramma beschrijft wat het waterschap in de planperiode (2016-2021) wil bereiken en hoe zij dat willen bewerkstelligen. De drie speerpunten van het Waterbeheerprogramma zijn: ▪ Veel dijkverbeteringen: in het waterbeheerprogramma staat bescherming tegen overstromingen voorop. In de komende jaren zullen veel dijkverbeteringen in het rivierengebied plaatsvinden. Daarbij houdt het waterschap rekening met nieuwe normen voor waterveiligheid en met de belangen van de omgeving. Dijkverbeteringen worden op veel plaatsen innovatief uitgevoerd. Hierdoor kan het waterschap de overlast voor de omgeving beperken en efficiënter werken. ▪ Innovatie bij zuivering afvalwater: rioolwater is niet langer alleen maar afvalwater; het is ook een bron van nuttige energie en grondstoffen. In het waterbeheerprogramma neemt het waterschap zich voor steeds meer technieken toe te passen om grondstoffen en energie terug te winnen uit het afvalwater. ▪ Klimaatbestendig watersysteem: het klimaatbestendig maken van het watersysteem is een van de aandachtspunten in het beheerprogramma De zorg voor de bescherming van het drinkwater is een wettelijke taak van de provincie. De provincie Gelderland heeft in de omgevingsverordening de bescherming van het water meegenomen in de kaart ‘Water en Milieu’.
Conform deze kaart liggen in het plangebied geen specifieke waterkundige waarden.
Waterhuishoudkundige situatie
52
Op de leggerkaarten van waterschap Rivierenland is te zien dat binnen het plangebied geen oppervlaktewater ligt.
Op basis van de Keur mag binnen een zone van 7 meter van de insteek van de watergang met beschermingszone A niet zonder vergunning van het waterschap worden gebouwd. Voor een watergang met beschermingszone B geldt de zone van 1 meter. Het plangebied bevindt zich ruimschoots buiten deze zones. Een vergunning van het waterschap is derhalve niet benodigd. Grondwaterbescherming Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Gelderland. Water in relatie tot ontwikkeling Door het toekennen van de planologische mogelijkheid om de grond te verharden (in de vorm van een woning, bijgebouwen en erfverhardingen) neemt het verhard oppervlak in relatie tot de huidige situatie af. Watercompensatie behoeft niet plaats te vinden. Desondanks wordt aan de achterzijde een waterpartij aangelegd zodat sprake is van een vergroting van bestaande oppervlaktewateren. Tenslotte worden geen uitlogende materialen zoals zink, koper of lood toegepast bij de bouw. Ten behoeve van het afkaderen van het aspect water is er een watertoets uitgevoerd. Deze is bijgevoegd in de bijlagen (bijlage 6 ). In deze fase van de planvorming kan volgens het waterschap worden volstaan met dit automatisch gegenereerd wateradvies. Vanuit waterhuishoudkundige overwegingen worden er geen bezwaren verwacht tegen het initiatief.
53
Riolering Bij de nieuwe ontwikkeling moet het afvalwater worden aangesloten op de riolering. Het huishoudelijk afvalwater zal aangesloten worden op het bestaande (druk)rioleringssysteem van de gemeente Heumen. Hieromtrent heeft overleg plaats gevonden tussen de gemeente Heumen en initiatiefnemer. De noodzakelijke aanpassingen aan het stelsel met de bijbehorende kosten zijn met initiatiefnemer besproken en akkoord bevonden. Initiatiefnemer neemt deze kosten voor zijn rekening, hiervoor is een anterieure overeenkomst gesloten.
4.11 Milieueffetrapportage en vormvrije m.e.r. -beroordeling Behalve aan de uitvoeringsaspecten bedoeld in de Awb en het Bro dient ook te worden getoetst aan de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. of er sprake is van een mogelijke verplichting tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Een milieueffectrapportage (MER), en de bijbehorende procedure (m.e.r.), is een hulpmiddel om de belangen van het milieu volwaardig te betrekken bij de besluitvorming omtrent plannen en projecten. Het gaat hierbij wel enkel om plannen en projecten die kunnen leiden tot initiatieven waarmee het milieu mogelijk nadelig kan worden beïnvloed. Als uitgangspunt geldt voor plannen de onderstaande criteria om te beoordelen of een MER noodzakelijk is: 1. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten (boven de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.); 2. Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden; 3. Plannen en activiteiten die o.g.v. een provinciale milieuverordening zijn aangewezen als MER-plichtig. Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd.
De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r.-wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009 (HvJ EG 15 oktober 2009, zaak C-255/08 – Commissie vs. Nederland). Deze wijziging heeft gevolgen voor eerstgenoemd criterium om te beoordelen of een MER noodzakelijk is. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit de C- of D-lijst blijft, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een kwetsbaar natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom per 1 april van 2011 ook bij 'kleine projecten' (projecten onder de drempelwaarden van de C- of D-lijst) beoordelen of een m.e.r.(- beoordeling) nodig is. Dit wordt de 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' genoemd. Deze beoordeling houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een MER moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de
54
omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. 4.11.1 Situatie plangebied Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.-(beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r. In de onderhavige situatie is er sprake van de omschakeling naar wonen en een uitbreiding van 4 woningen. Binnen dit project is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling, de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen, zoals omschrijven op de D-lijst bij het Besluit m.e.r., maar van een kleinschalig project. Het betreft vier woningen in het buitengebied waardoor geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling waardoor geen vorm-vrije mer noodzakelijk is.
4.11.2 Conclusie Er kan worden geconcludeerd dat er in het betreffende plan wordt voldaan aan de wettelijke verplichtingen hieromtrent het Milieueffetrapportage en vormvrije m.e.r. -beroordeling
4.12 Kabels en leidingen Transport van gevaarlijke stoffen vindt plaats over de weg, het spoor, het water en door buisleidingen.
Tijdens het transport kunnen dingen misgaan waardoor de gevaarlijke lading kan ontbranden of exploderen of waardoor er bijvoorbeeld giftige gassen ont-snappen via een lek of breuk. Bij risicovolle buisleidingen kan gedacht worden aan (ho-gedruk) transport van aardgas, maar ook van olie, benzine, kerosine, chemische pro-ducten en industriële gassen. Deze stoffen kunnen giftig, lichtontvlambaar, of brandbaar zijn. Buisleidingen lopen meestal ondergronds, maar kunnen soms ook bovengronds voorkomen. De grootste kans op een beschadiging aan een buisleiding ontstaat door graafwerkzaam-heden. Denk hierbij aan werkzaamheden aan gas-, olie- en waterleidingen in de grond, of kabels voor stroom, TV, telefoon en internet. De risicokaart toont alle aardgasleidigen vanaf een diameter van 50 mm en een druk van 16 bar, alle buisleidingen voor brandbare vloeistoffen vanaf een diameter van 100 mm en alle overige buisleidingen waarvan geldt dat er een overschrijding van de wettelijke norm is op 5 meter afstand van de buis. Deze wettelijke norm is het plaatsgebonden risico 10-6. 55
Het Besluit Externe Veiligheid Buisleidingen (Bevb) is op 1 januari 2011 in werking getreden. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen zoals dit per 1 januari 2011 geldt, staan veiligheidseisen voor de exploitant en de gemeente. Exploitanten hebben een zorgplicht en moeten ervoor zorgen dat hun buisleidingen veilig zijn. Gemeenten moeten buisleidingen in hun bestemmingsplan opnemen en bij nieuwbouw zorgen voor genoeg afstand tot de buisleidingen. 4.12.1 Situatie plangebied Teneinde een goede belangenafweging mogelijk te maken voor de vele functies binnen het plangebied is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de ligging en eigenschappen van binnen het plangebied voorkomende kabels en leidingen. Sommige van deze kabels en leidingen vereisen een bepaalde afstand tot gevoelige functies. Voor het plan is met name de ligging van de hoofdtransportleidingen van belang, aangezien deze gekoppeld zijn aan een bepaalde afstand die aangehouden dient te worden waarbinnen geen bebouwing mag plaatsvinden. Besluit externe veiligheid buisleidingen Er bevindt zich geen (hoge druk) gasleiding binnen of op korte afstand van het plangebied. Overige kabels en (buis)leidingen Nutsbedrijven eisen dat kabels en leidingen in het openbaar gebied (komen te) liggen.
De initiatienemer van onderliggend bouwplan is verplicht zorg te dragen voor een door gemeente en nutsbedrijven geaccordeerde wijze van aansluiting. Verder ligt er geen hoogspanningslijn in de nabijheid van het plangebied. De kleinere leidingen worden voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden middels een KLIC-melding in kaart gebracht.
56
5. Juridische aspecten en planverantwoording 5.1
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van dit plan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
5.2
Opzet regels
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit wijzigingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het plan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. Dit plan verklaard het moederplan "Buitengebied Heumen 2009" grotendeels overeenkomstig van toepassing. Uitsluitend daar waar noodzakelijk om het planvoornemen mogelijk te maken, zijn bepalingen toegevoegd danwel gewijzigd. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4.
Inleidende regels (begrippen en wijze van meten); Bestemmingsregels; Algemene regels (o.a. afwijkingen); Overgangs- en slotregels.
Ad. 2 Bestemmingsregels: • • •
Artikel 3 Groen - Landschappelijke beplanting Artikel 4 Verkeer Artikel 5 Wonen 57
5.3
Verantwoording van de regels
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmings- of wijzigingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmings- of wijzigingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat een bestemmings- of wijzigingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmings- of wijzigingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld.
Gebiedsbestemming Bij het bestemmingsplan is zoveel mogelijk aangesloten op het vigerend bestemmingsplan " Buitengebied Heumen 2009’. De gebiedsbestemming geeft inzicht in de waarden op gebiedsniveau. De volgende gebiedsbestemmingen zijn opgenomen: •
Wonen
Ten aanzien van Wonen is aangegeven dat de woningen mogen worden gebruikt/gerealiseerd volgens dit plan Functieaanduidingen De volgende gebiedsaanduidingen zijn opgenomen: •
Sw-vv : specifieke vorm van wonen – voorwaardelijke verplichting
Deze voorwaardelijke verplichting heeft betrekking op het borgen van het aanleggen van de landschappelijke inpassing.
Dubbelbestemming Op de verbeelding is de volgende dubbelbestemming opgenomen: Waarde Archeologische verwachting 1. De als ‘Waarde – Archeologische verwachting 1’ bestemde gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor doeleinden ter bescherming en veiligheid van de archeologische waarden. De archeologische waarden zijn beschermd doordat de genoemde werken en werkzaamheden uitsluitend met een omgevingsvergunning uitgevoerd mogen worden.. 58
6. Uitvoerbaarheid 6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.1.1
Vooroverleg
Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Hiertoe wordt het ontwerp bestemmingsplan aan de betreffende instanties toegezonden en worden de gemaakte opmerkingen beoordeeld en zo nodig in het bestemmingsplan verwerkt.
6.1.2
Omgevingsdialoog
Een omgevingsdialoog heeft plaatsgevonden. De landschappelijke inpassing is aan de omwonenden voorgelegd en getekend. De omwonenden hebben geen problemen met de voorgenomen ontwikkeling. De getekende landschappelijke inpassing is bijgevoegd in bijlage 5
6.1.3
Ontwerp
Het ontwerp bestemmingsplan zal op grond van het bepaalde in de Algemene wet bestuursrecht gedurende zes weken ter inzage liggen, waarin eenieder een zienswijze naar voren kan brengen. De ingediende zienswijzen worden samengevat, beoordeeld en voorzien van een gemeentelijke reactie in de ‘nota van zienswijzen‘.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan of wijzigingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan of wijzigingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan of wijzigingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten zijn beperkt tot de ambtelijke kosten, welke worden verhaald middels de gemeentelijke legesverordening. Eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. Dit wordt vastgelegd in te sluiten overeenkomst tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hiermee is
59
het kostenverhaal anderzins verzekerd en is op grond van artikel 6.12 Wro geen exploitatieplan nodig.
60