CConstaterende datHeumen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage I Eindrapport Evaluatie WerkBedrijf Rijk van Nijmegen

Raad 10 maart 2022, gemeente HeumenBij agendapunt: Evaluatie WerkBedrijf Rijk van Nijmegen33.785 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Figuur 4.7

Percentage plaatsingen op werk naar leeftijdsgroep

45% 40% 35% 30% 25% 20% 15% 10% 5% 0%

2016

2017 0-26

27-34

2018 35-44

2019 45-54

2020 >55

Bron: GWS, EVA

WerkBedrijf heeft vier prioritaire doelgroepen: jongeren tot 27 jaar; 55-plussers; statushouders en mensen met een arbeidsbeperking. Wanneer we kijken naar de ontwikkelingen in

plaatsingen op werk per prioritaire doelgroep, dan zien we dat WerkBedrijf jaarlijks zo’n 1.2001.300 jongeren plaatst, zo’n 300-400 55-plussers, zo’n 300-500 statushouders en circa 800

mensen met een arbeidsbeperking. Door de wijziging van het registratiesysteem in 2019 en het

76

coronajaar 2020 is het niet gemakkelijk duidelijke trends te signaleren. De meest duidelijke

ontwikkelingen lijken het fors stijgend aantal plaatsingen op werk van statushouders en het licht dalend aantal plaatsingen op werk van 55-plussers. Dat laatste komt overeen met wat in de

voorgaande paragraaf signaleerden.

Tabel 4.2

Aantal plaatsingen op werk per prioritaire doelgroep (NB een kandidaat kan onder meerdere doelgroepen vallen) 2016

2017

2018

2019

2020

Jongeren (<27 jaar)

1325

1214

1185

1270

1335

55-plussers

438

416

340

339

324

Statushouders

261

337

416

502

496

.

.

.

771

809

Arbeidsbeperkten Bron: GWS, EVA

Ad 6) Het aantal kandidaten dat de uitkering is uitgestroomd naar werk

Het aantal kandidaten dat de bijstandsuitkering uitstroomt naar werk is de belangrijkste

prestatie-indicator op het gebied van arbeidsbemiddeling. De gegevens worden aangeleverd door gemeenten, omdat deze indicator gebaseerd wordt op de door gemeenten

geregistreerde uitkeringsgegevens. Er is daardoor geen sprake van trendbreuken als gevolg van invoering van een ander registratiesysteem. De doelstelling is in de jaren 2016-2020

ongewijzigd gebleven en gesteld op 1.100. We zien dat de uitstroom in de jaren tot 2017 ongeveer rond de 1.000 lag. In 2017, 2018 en 2019 is de uitstroom gestegen en is de

doelstelling behaald. In 2020 is deze doelstelling niet behaald. De belangrijkste oorzaak in 2020 zijn de coronabeperkingen.

Figuur 4.8

Aantal kandidaten dat de uitkering is uitgestroomd naar werk

1400 1200 1000

1256 1016

1022

1290 1100

1011

860

800 600 400 200 0

2014

2015

2016

2017

2018

2019

2020

Bron: Gemeenten (via WerkBedrijf)

77

Ad 7) Het aantal kandidaten dat is uitgestroomd naar onderwijs

Het aantal kandidaten dat de bijstandsuitkering uitstroomt naar onderwijs is vooral voor

jongeren tot 27 jaar een relevante indicator, omdat toe- of terugleiding naar een opleiding een taak voor WerkBedrijf is, en starten met een voltijdsstudie recht geeft op studiefinanciering en daarmee leidt tot uitstroom uit de uitkering. Ook deze indicator wordt aangeleverd door

gemeenten en is niet beïnvloed geweest door invoering van een ander registratiesysteem. De

uitstroom naar onderwijs varieert nogal per jaar. De uitstroom ligt in de jaren na 2016 hoger dan

in 2016. Er zijn geen doelstellingen geformuleerd en daardoor ook geen duidelijke conclusies te verbinden aan deze indicator.

Figuur 4.10

Aantal kandidaten dat de uitkering is uitgestroomd naar onderwijs

200

172

180 160 140 120 100

140

134

2018

2019

151

106

80 60 40 20 0

2016

2017

2020

Bron: Gemeenten (via WerkBedrijf)

Ad 8) Het aantal terugmeldingen van kandidaten

Wanneer kandidaten twee jaar of langer dienstverlening hebben ontvangen zonder resultaat, of wanneer kandidaten door WerkBedrijf niet bemiddelbaar worden geacht, dan meldt

WerkBedrijf kandidaten terug bij de gemeenten. De gegevens hierover komen vanaf 2019 uit

een ander registratiesysteem, wat kan leiden tot een trendbreuk. Het aantal terugmeldingen liep in 2016 tot 2019 op van bijna 2.000 tot ruim 2.600. In 2020 lag het aantal terugmeldingen beduidend lager dan in 2019.

78

Figuur 4.11

Aantal terugmeldingen van kandidaten

3000 2525

2500

2666 2177

1953

2000

1957

1500 1000 500 0

2016

2017

2018

2019

2020

Bron: GWS, EVA

Voor de jaren 2019 en 2020 is ook informatie beschikbaar over de redenen van terugmelding. Daarbij worden de volgende redenen onderscheiden: • • •

Kandidaat is tijdelijk niet plaatsbaar.

Kandidaat is structureel niet plaatsbaar.

Kandidaat is geen doelgroep voor de Participatiewet (meer) of niet verschenen zonder bericht.

•

Einde van de zoekperiode van vier weken voor jongeren tot 27 jaar die een bijstandsuitke-

ring aanvragen.

De meest voorkomende reden voor terugmelding is ‘kandidaat is geen doelgroep voor de

Participatiewet (meer) of niet verschenen zonder bericht’. In 2020 kwam dit minder vaak voor

dan in 2019. Iets minder vaak komt de reden voor dat kandidaten tijdelijk niet plaatsbaar zijn. Deze reden is in 2020 vaker genoemd dan in 2019. Figuur 4.12

Redenen voor terugmelding van kandidaten

2500 125

2000 1500

1307

1000 500 0

192 934

171

175

574

656

2019

2020

Tijdelijk niet plaatsbaar

Structureel niet plaatsbaar

Geen doelgroep P-wet (meer)/ NVZB

Einde zoekperiode jongeren

Bron: EVA

79

4.2.2

Ontwikkelingen arbeidsbemiddeling per gemeente

In bijlage 2 hebben we de resultaten per gemeente samengevat in indexcijfers, waarbij het jaar 2016 geldt als 100, behalve bij uitstroom uit de uitkering naar werk (2014 = 100). De

ontwikkelingen per gemeente zijn echter niet zondermeer met elkaar te vergelijken om de volgende redenen: 1.

WerkBedrijf heeft één kandidatenbestand en werkt niet met specifieke doelstellingen per gemeente. Een uitzondering hierop zijn projecten en aanvalsplannen die WerkBedrijf sa-

men met gemeenten initieert, die zich vaak richten op een bepaalde groep kandidaten en 2.

die soms wel een gemeentelijke doelstelling hebben.

De ontwikkelingen per gemeente worden mede beïnvloed door verschillen in bijstandspopulatie, zoals het aandeel jongeren tot 27 jaar en het aandeel gemakkelijk te bemiddelen

kandidaten. Wij beschikken niet over bestanden met de kenmerken van de bijstandspopula3.

4.

tie per gemeente.

In kleine gemeenten met een kleine bijstandspopulatie zijn ontwikkelingen in bijvoorbeeld plaatsingen op werk sterker afhankelijk van toeval dan in grote gemeenten met een grote bijstandspopulatie. Ontwikkelingen fluctueren in kleine gemeenten sterker per jaar.

De gegevens van WerkBedrijf over de jaren 2019 en 2020 – met uitzondering van uitkeringsgegevens – komen uit een ander systeem, wat kan leiden tot vertekeningen.

De onderstaande bevindingen moeten gelezen worden met de bovenstaande kanttekeningen in het achterhoofd.

Volume uitkeringsbestand neemt af behalve in Druten

In alle gemeenten, op Druten na, is het volume van het uitkeringsbestand in de jaren na 2016

afgenomen. De afname is het sterkst in Heumen en Mook en Middelaar. In Nijmegen en Wijchen is het uitkeringsbestand in 2020 met minder dan vijf procent gedaald ten opzichte van 2016.

Instroom kandidaten in dienstverlening WerkBedrijf neemt af, behalve in Nijmegen en Wijchen

In de meeste gemeenten is de instroom van kandidaten in de dienstverlening van WerkBedrijf

afgenomen. De afname is het sterkst in Druten, Heumen en Mook en Middelaar. In 2020 was de

instroom vanuit deze gemeenten meer dan 25 procent lager dan in 2016. Ook vanuit Beuningen en Berg en Dal is de instroom afgenomen, maar iets minder sterk. Nijmegen en Wijchen zijn een uitzondering op deze trend. Vanuit Nijmegen nam de instroom in de dienstverlening juist meer

dan 25 procent toe in 2020 ten opzichte van 2016. Ook in Wijchen is er sprake van een stijging, maar die is met 8 procent in 2020 ten opzichte van 2016 minder sterk dan in Nijmegen.

Aantal kandidaten in dienstverlening WerkBedrijf neemt in alle gemeenten af

De daling dan wel stijging van de instroom in de dienstverlening van WerkBedrijf per gemeente tekent zich niet zo sterk af in het totaal aantal kandidaten dat dienstverlening van WerkBedrijf ontvangt. WerkBedrijf heeft vanuit alle gemeenten in 2019 en 2020 minder kandidaten in de dienstverlening. De afname is het sterkst bij de gemeenten Wijchen (-27 procent in 2020 ten

opzichte van 2016), Druten (-24 procent) en Beuningen (-21 procent). Vanuit Nijmegen zijn in 2016 bijna evenveel kandidaten in de dienstverlening als in 2020 (-3 procent).

80

Aantal terugmeldingen van kandidaten naar gemeenten neemt toe in Nijmegen en Wijchen en af in andere gemeenten Het aantal terugmeldingen van kandidaten per gemeente laat een vergelijkbaar beeld zien als de instroom van kandidaten in de dienstverlening. Bij de gemeenten met een relatief hoge

instroom van kandidaten in 2020 ten opzichte van 2016, dus Nijmegen en Wijchen, ligt ook het aantal terugmeldingen relatief hoog. In Nijmegen ligt het aantal terugmeldingen in de jaren na 2016 22 tot 51 procent hoger. In Wijchen ligt het 25 tot 57 procent hoger. Het aantal

terugmeldingen van kandidaten uit Heumen lag tot 2020 hoger dan in 2016, maar is in 2020 juist fors gedaald. De sterkste daling van het aantal terugmeldingen is te zien in Mook en

Middelaar (-41 procent in 2020 ten opzichte van 2016), Beuningen (-37 procent) en Heumen (-21 procent).

Aantal kandidaten dat werkt met behoud van uitkering neemt in alle gemeenten af Eerder zagen we dat het aantal kandidaten dat werkt met behoud van uitkering daalt. Deze

ontwikkeling speelt in alle gemeenten, waarbij de daling in Mook en Middelaar (-85% in 2020

ten opzichte van 2016), Wijchen (-63 procent) en Druten (-71 procent) het sterkst is. In Nijmegen

is de daling van het aantal kandidaten dat werkt met behoud van uitkering minder fors dan in de andere gemeenten (-44 procent in 2020 en -17 procent in 2019).

Aantal plaatsingen op werk neemt tot 2018 overal toe en daalt daarna in alle gemeenten behalve Nijmegen en Heumen

Het aantal plaatsingen op werk nam in alle gemeenten tot en met 2018 toe. Vanaf 2019 ontstaat een gemengder beeld. Kandidaten uit Nijmegen (+33 procent in 2020 ten opzichte van 2016)

en Heumen (+9 procent in 2020 ten opzichte van 2016) worden vaker geplaatst op werk.

Kandidaten vanuit Berg en Dal, Beuningen en Mook en Middelaar worden in 2019 en 2020

minder vaak geplaatst op werk dan de jaren daarvoor. De daling is het sterkste in Beuningen (43 procent in 2020 ten opzichte van 2016).

Uitstroom uit de uitkering nam in de meeste gemeenten tot 2020 toe

De ontwikkeling in de uitstroom uit de uitkering verschilt aanzienlijk binnen en tussen

gemeenten. In alle gemeenten lag de uitstroom in de jaren 2015 tot en met 2020 meerdere

jaren hoger dan het referentiejaar 2014. In sommige gemeenten, zoals Berg en Dal, Druten en

Heumen, lag de uitstroom enkele jaren zelfs twee keer zo hoog dan in 2014. Vooral in Heumen nam de uitstroom sterk toe. In 2020 ligt de uitstroom in de meeste gemeenten lager dan in

2014, met uitzondering van Berg en Dal en Heumen. De daling in 2020 ten opzichte van 2014 is het sterkste in Beuningen (-28 procent) en Druten (-59 procent).

4.2.3

Sociale Werkvoorziening

Voor de sociale werkvoorziening heeft WerkBedrijf drie hoofddoelen geformuleerd: 1.

het verhogen van de toegevoegde waarde per fte SW

3.

het detacheren van zoveel mogelijk medewerkers.

2.

het verlagen van het ziekteverzuim

Daarnaast beschikken we via de jaarstukken over gegevens over het aantal SW-medewerkers.

81

Het aantal SW-medewerkers daalt (zie figuur 4.13), gemiddeld met 6% per jaar. Dat is het gevolg van het ‘afsluiten’ van nieuwe instroom in de WSW en uitstroom van SW-medewerkers vanwege

het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd of ziekte/arbeidsongeschiktheid. In 2020 lag het aantal SW-medewerkers 23% lager dan in 2016.

Figuur 4.13

Aantal SW-medewerkers in dienst bij WerkBedrijf

2500 2000

2011

1859

1774

1679

1500

1557

1000 500 0

2016

2017

2018

2019

2020

Bron: Compas

De toegevoegde waarde per fte in de SW is in de jaren tot 2020 gestaag toegenomen (zie figuur 4.14). In het coronajaar 2020 lag de toegevoegde waarde fors lager omdat veel SW-

medewerkers gedurende een aantal maanden niet of minder aan het werk waren. Wanneer we de gerealiseerde toegevoegde waarde vergelijken met de doelstellingen zoals beschreven in

tabel 4.2, dan zien we dat het doel alleen in het jaar 2017 is behaald. In de overige jaren lag de

gerealiseerde toegevoegde waarde 4 procent tot 15 procent lager dan de doelstelling.

Figuur 4.14

Gerealiseerde toegevoegde waarde per fte SW

€ 8.000 € 7.000 € 6.000

€ 6.183

€ 6.800

€ 7.127

€ 7.291

€ 7.504

2017

2018

2019

€ 6.734

€ 5.000 € 4.000 € 3.000 € 2.000 € 1.000 €-

2015

2016

2020

Bron: Compas

82

Het ziekteverzuim is structureel hoger dan WerkBedrijf wenst. De doelstelling van 12,5% (in 2016) en 15% (in de overige jaren) is in geen enkel jaar behaald. Figuur 4.15 geeft de ontwikkeling van het ziekteverzuim bij WerkBedrijf weer. Te zien is dat het verzuim bij WerkBedrijf toeneemt. In 2020 lag het verzuim bij WerkBedrijf lager.

Figuur 4.15

Ziekteverzuim in de SW bij WerkBedrijf

19,0%

18,4%

18,0% 17,0% 16,0%

16,1%

17,3%

16,8% 15,9%

15,0% 14,0% 13,0% 12,0% 11,0% 10,0%

2016

2017

2018

2019

2020

Bron: Compas

Ten slotte presenteert figuur 4.16 het percentage SW’ers dat ‘buiten de muren’ van WerkBedrijf

werkt. Dit percentage lag van 2016 tot 2020 rond de 65 procent en is in 2020 toegenomen naar 92 procent. Oorzaak is de in hoofdstuk 3 beschreven komst van BlueView. WerkBedrijf heeft geen doelstellingen verbonden aan deze indicator. We kunnen concluderen dat de ambitie ‘zoveel mogelijk’ SW’ers te detacheren bereikt is.

83

Figuur 4.16

Percentage SW’ers dat buiten de muren van WerkBedrijf werkt

100,0%

92,0%

90,0% 80,0% 70,0%

65,2%

66,1%

65,4%

65,4%

2016

2017

2018

2019

60,0% 50,0% 40,0% 30,0% 20,0% 10,0% 0,0%

2020

Bron: Jaarstukken (meerdere jaren)

4.2.4

Arbeidsmatige dagbesteding (Op Weg Naar Werk)

Het doel voor arbeidsmatige dagbesteding is het aantal kandidaten dat actief is (geweest)

binnen Op Weg Naar Werk te verhogen. Het aantal kandidaten dat actief is (geweest) binnen

Op Weg Naar Werk is tussen 2016 en 2020 toegenomen (zie figuur 4.17). In het coronajaar 2020 lag het wat lager dan in 2019. Dit is volgens WerkBedrijf (mede) het gevolg van het sneller

administratief afsluiten van trajecten wanneer een aanbieder geen tijdige aanvraag doet voor

een herindicatie. Kijkend naar de doelstelling, dan zien we dat deze in 2018 volledig is behaald en in de andere jaren bijna is behaald. Het aantal kandidaten binnen Op Weg Naar Werk ligt in die jaren iets lager dan de doelstelling.

Figuur 4.17

Aantal kandidaten actief (geweest) binnen Op Weg Naar Werk

500 450

466

471

2018

2019

396

400

435

350 300

274

250 200 150 100 50 0

2016

2017

2020

Bron: Jaarstukken en EVA

84

De toename van kandidaten in Op Weg Naar Werk verklaart WerkBedrijf door de groeiende

bekendheid bij de toeleidende organisaties over de mogelijkheden. Toeleidende organisaties

zijn bijvoorbeeld sociale wijkteams, jeugdhulpverlening en afdelingen Inkomen van de

deelnemende gemeenten. Tegelijk vindt WerkBedrijf dat de aanlevering van kandidaten achterblijft ten opzichte van het beschikbare budget.

4.2.5

Afsluitend: doelbereik

Ter afsluiting vatten we samen op welke prestatie-indicatoren WerkBedrijf de doelen al dan niet

behaald heeft. We kijken daarbij naar de kritieke prestatie-indicatoren waarop een doelstelling is geformuleerd. Wanneer de realisatie slechts een paar procenten lager ligt dan de doelstelling, beschouwen we de doelstelling als behaald. Tabel 4.3 bevat het overzicht.

Tabel 4.3

Doelbereik kritieke prestatie-indicatoren 2016 t/m 2020 2016

Aantal plaatsingen op fulltime/parttime werk

2017

2018

2019

2020

.

Uitstroom uit bijstand naar werk Toegevoegde waarde SW per fte Verzuimpercentage SW Aantal kandidaten Op Weg Naar Werk

4.3

Doelmatigheid Onder doelmatigheid verstaan wij in deze evaluatie de kwalitatieve verhouding tussen de ingezette middelen en de behaalde resultaten.

De ingezette middelen zijn in de jaren 2015 t/m 2020 iets afgenomen, zoals we zagen in

hoofdstuk 2. WerkBedrijf kreeg bij de oprichting een bezuinigingstaakstelling van € 750.000 per jaar. Die taakstelling heeft WerkBedrijf ingevuld door te bezuinigen op overhead. Ook is budget verschoven naar de primaire dienstverlening. Binnen de sociale werkvoorziening probeert WerkBedrijf een zo laag mogelijke kostprijs voor gemeenten te realiseren. Daarom is er

gestuurd op een zo hoog mogelijke omzet. Volgens de geïnterviewden bij WerkBedrijf zijn de huidige middelen toereikend om de taken te vervullen.

Wanneer we kijken naar de prestaties, dan zien we dat deze ondanks de bezuinigingen meestal niet zijn afgenomen en op punten zijn toegenomen. De uitstroom uit de bijstand naar werk bijvoorbeeld lag in 2017 t/m 2019 hoger dan in de jaren daarvoor. Met minder middelen

worden dus dezelfde of iets betere prestaties behaald. Dat wijst op een doelmatige inzet van

middelen. Het coronajaar 2020 vormt hierop een uitzondering. In dat jaar zijn de prestaties fors gedaald, maar heeft WerkBedrijf ook relatief veel budget overgehouden. Dat budget is

doorgeschoven naar 2021 en wordt aangewend om een grote groep bijstandsgerechtigden te spreken en te screenen op bemiddelbaarheid naar werk. Daarmee sluit WerkBedrijf aan bij de behoefte van een aantal gemeenten in de regio.

85

Bovenstaande bevindingen over de doelmatigheid nemen niet weg dat WerkBedrijf in de

perceptie van sommige gemeenten onvoldoende doelmatig opereert. Zoals in hoofdstuk 2

beschreven kijken gemeenten daarbij vooral naar de verhouding tussen het participatiebudget dat jaarlijks wordt overgemaakt en de lokale uitstroom. Omdat WerkBedrijf werkt met één

regionaal budget en één regionale set prestatie-indicatoren, kan op regionaal niveau doelmatig gewerkt worden, terwijl de doelmatigheid voor een individuele gemeente tekortschiet. Een

factor van betekenis daarbij is ook het aandeel werkfitte klanten in de bijstand. Gemeenten met een klein aantal klanten dat loonvormend is en aangemeld kan worden bij WerkBedrijf, maken een relatief groot deel van hun participatiebudget over en ervaren de dienstverlening van WerkBedrijf dus eerder als niet doelmatig.

4.4

Opvattingen over de prestaties In deze paragraaf beschrijven we de opvattingen over de prestaties op het gebied van

arbeidsbemiddeling en de verantwoording daarover door WerkBedrijf. Het gaat om de

opvattingen van (medewerkers van) gemeenten, omdat gemeenten meer zicht hebben op, en een duidelijkere mening hebben over de prestaties van WerkBedrijf dan ondernemers en kandidaten.

4.4.1

Arbeidsbemiddeling

De vertegenwoordigers van gemeenten die wij hebben gesproken, zijn van mening dat

WerkBedrijf de doelen over het algemeen behaald. De uitstroom naar werk is volgens de

meeste gemeenten hoger dan in de jaren voor oprichting van WerkBedrijf. In de praktijk is

uitstroom ook de belangrijkste indicator waar gemeenten naar kijken. Gemeenten missen – zoals

in paragraaf 4.1 beschreven – informatie over de kwaliteit van de uitstroom. Zitten kandidaten op hun plek? Vallen ze niet weer terug in de uitkering? Daarnaast hebben sommige

vertegenwoordigers van gemeenten de indruk dat de naamsbekendheid van WerkBedrijf –

buiten de groep van vaste relaties – beperkt is. Door het ontbreken van prestatie-indicatoren valt

deze observatie niet te staven.

Enkele vertegenwoordigers van gemeenten die zich bezighouden met inkomen en/of

participatie vinden dat WerkBedrijf relatief veel kandidaten terugmeldt bij de gemeente. De indruk bestaat dat WerkBedrijf zich soms onvoldoende inspant voor moeilijk bemiddelbare

kandidaten en te snel kiest voor terugmelding bij de gemeente. Gemeenten geven voorbeelden van kandidaten die na terugmelding bij de gemeente daarna op eigen kracht werk hebben gevonden. Wij beschikken niet over gegevens waarmee is na te gaan of dit incidenteel of

structureel gebeurt. Uit de beschikbare gegevens blijkt wel dat het aantal terugmeldingen in 2020 en 2019 lager lag dan in de jaren daarvoor en dat het aantal terugmeldingen in alle

gemeenten – op Nijmegen en Wijchen na – is gedaald.

4.4.2

Sociale werkvoorziening en arbeidsmatige dagbesteding

Wij hebben in onze gesprekken met vertegenwoordigers van gemeenten weinig uitgesproken

opvattingen gehoord over de prestaties op het gebied van de sociale werkvoorziening en geen opvattingen over arbeidsmatige dagbesteding. Het al dan niet behalen van doelstellingen rond de toegevoegde waarde en het ziekteverzuim is niet genoemd door gesprekspartners. Het beeld bij onze gesprekspartners is dat de SW het ‘goed doet’, dat de samenwerking met

86

BlueView een succes is en een verbetering ten opzichte van de oude situatie. Wij krijgen de

indruk dat de sociale werkvoorziening gezien wordt als going concern en daardoor niet in het middelpunt van de belangstelling staat.

4.5

Deelconclusie Het algemene beeld dat uit de prestaties naar voren komt, is dat de meeste indicatoren vanaf de oprichting van WerkBedrijf tot 2020 een positieve, stijgende lijn laten zien. WerkBedrijf heeft in deze periode een groeiend aantal unieke relaties met ondernemers; plaatste meer mensen op (parttime) werk, vooral jongeren tot 27 jaar en statushouders; registreerde een stijging van de

uitstroom uit de bijstand naar werk; realiseerde een aanzienlijke toename van de toegevoegde

waarde per fte SW; liet meer SW’ers buiten de muren van WerkBedrijf werken en zag een forse groei in het aantal kandidaten dat actief was binnen Op Weg Naar Werk.

Een uitzondering op deze positieve tendensen is het aantal kandidaten dat werkt met behoud van uitkering, dat fors afnam. Wel vond er substitutie plaats tussen deze voorziening en

loonkostensubsidie. Het ziekteverzuim in de SW is net als bij de start van WerkBedrijf nog steeds een zorgenkindje. De trend vertoont een stijgende lijn in plaats van de gewenste dalende lijn.

Ondanks de meestal positieve trend in de prestaties, behaalt WerkBedrijf niet alle doelen. We zien met name dat de doelrealisatie bij de sociale werkvoorziening achterblijft. Wat betreft

arbeidsbemiddeling zijn de doelen in de jaren 2017 tot en met 2019 behaald, terwijl de jaren 2016 en 2020 achterblijven qua doelrealisatie. Een verklaring voor deze achterblijvende

doelrealisatie moet op de eerste plaats gezocht worden in ‘zwaardere problematiek’ van

kandidaten. Het aandeel kandidaten met een hoge uitkeringsduur en oudere SW-medewerkers neemt toe, terwijl werkgevers op de arbeidsmarkt eerder hogere dan lagere eisen aan

werknemers stellen. Daarnaast wordt de doelrealisatie ook beïnvloed door incidentele factoren. Het coronajaar 2020 is daarvan het meest in het oog springende voorbeeld. De invoering van een ander registratiesysteem (EVA) leidt tot een trendbreuk in de cijfers over prestaties vanaf 2019.

WerkBedrijf rapporteert jaarlijks in de jaarstukken over de prestaties op het vlak van

arbeidsbemiddeling, sociale werkvoorziening en arbeidsmatige dagbesteding. Vanaf 2020 is de verantwoording geharmoniseerd en wordt onderscheid gemaakt tussen een vaste set kritieke

prestatie-indicatoren en een set kritieke succesfactoren. Op de kritieke prestatie-indicatoren zit ook een doelstelling die jaarlijks wordt vastgesteld en vastgelegd in de begroting van WerkBedrijf.

De vertegenwoordigers van gemeenten die wij hebben gesproken, vinden de verantwoording van WerkBedrijf over het algemeen adequaat, maar hebben ook aanvullende wensen bij de

verantwoording. Die komen er op neer dan de verantwoording zowel kwantitatief als kwalitatief

diepgravender mag worden. Daarbij maken sommige gemeenten wel de kanttekening dat extra

verantwoording wel doelmatig moet zijn en niet gepaard moet gaan met een forse stijging van de administratieve lasten voor WerkBedrijf en/of gemeenten. Wat betreft verantwoording over SW is vanuit de Kandidatenraad opgemerkt dat WerkBedrijf (te) veel stuurt op ‘harde’

kwantitatieve indicatoren die te weinig zeggen over de daadwerkelijke ervaringen van mensen.

87

88

Vergelijking met andere arbeidsmarktregio’s In dit hoofdstuk vergelijken we de regio Rijk van Nijmegen met andere arbeidsmarktregio’s. Op basis van deze vergelijking kunnen we de prestaties van het WerkBedrijf beter duiden: hoe verhouden de behaalde resultaten en effecten zich ten opzichte van die van andere arbeidsmarktregio’s?

5.1

Taken van het regionale werkbedrijf Het fenomeen “WerkBedrijf” is niet nieuw en ook niet uniek. In alle 35 arbeidsmarktregio’s is een werkbedrijf opgericht. De opdracht van de wetgever was dat gemeenten, UWV, andere

publieke partijen en werkgevers- en werknemersorganisaties hierin samenwerken. In veel arbeidsmarktregio’s is het werkbedrijf uitsluitend een bestuurlijk samenwerkingsverband.

WerkBedrijf Rijk van Nijmegen wijkt daarvan af, omdat ten eerste uitsluitend gemeenten hierin vertegenwoordigd zijn 95 en ten tweede sprake is van een uitvoeringsorganisatie voor

arbeidsbemiddeling, sociale werkvoorziening en arbeidsmatige dagbesteding. Er zijn maar

weinig regio’s waarin de dienstverlening op deze terreinen door één organisatie uitgevoerd wordt op één fysieke locatie, zoals bij WerkBedrijf.

95

Hoewel samenwerkingspartners zijn aangehaakt, maken zij geen onderdeel uit van het WerkBedrijf.

89

In de meeste arbeidsmarktregio’s zijn verschillende uitvoeringsorganisaties actief. De uitvoering van arbeidsbemiddeling, sociale werkvoorziening en arbeidsmatige dagbesteding verschilt fors tussen arbeidsmarktregio’s. Vaak is er een splitsing tussen: •

De dienstverlening voor werkgevers. Dit wordt in veel arbeidsmarktregio’s uitgevoerd door gemeenten samen met UWV in een Werkgeverservicepunt.

•

De inkomensverstrekking en dienstverlening voor kandidaten. Dit wordt in veel regio’s uitgevoerd door individuele gemeenten of door regionale/intergemeentelijke sociale diensten.

•

De sociale werkvoorziening. Dit wordt in veel arbeidsmarktregio’s uitgevoerd door één of meer SW-bedrijven.

•

De arbeidsmatige dagbesteding. Dit wordt in veel gemeenten uitgevoerd door gespecialiseerde organisaties in opdracht van individuele gemeenten.

Naast Rijk van Nijmegen heeft alleen de arbeidsmarktregio Helmond-De Peel (met werkbedrijf

Senzer) een volledig geïntegreerde structuur voor arbeidsbemiddeling, sociale werkvoorziening en arbeidsmatige dagbesteding. In Helmond-De Peel verzorgt Senzer ook de

inkomensverstrekking in het kader van de Participatiewet. Daarnaast zijn er een paar

arbeidsmarktregio’s met een gedeeltelijk geïntegreerde structuur of sterke regionale

samenwerking op deelgebieden. Een eerste voorbeeld is de arbeidsmarktregio Rivierenland. Hier voert Werkzaak Rivierenland voor de gemeenten uit de regio de arbeidsbemiddeling, sociale werkvoorziening en inkomensverstrekking uit, maar niet de arbeidsmatige

dagbesteding. Een ander voorbeeld is de arbeidsmarktregio Gorinchem, waar Avres namens drie gemeenten de Participatiewet, de WSW en Wet gemeentelijke schuldhulpverlening

uitvoert. Een laatste voorbeeld is de arbeidsmarktregio Drechtsteden, waar de gemeenten

intensief samenwerken, maar de dienstverlening op het vlak van arbeidsbemiddeling, sociale werkvoorziening en arbeidsmatige dagbesteding door drie verschillende uitvoeringsorganisaties wordt uitgevoerd.

In onderstaande tabel geven we de structuur weer in vier arbeidsmarktregio’s waarin net als in Rijk van Nijmegen relatief intensief wordt samengewerkt op het vlak van arbeidsbemiddeling

en/of sociale werkvoorziening en/of arbeidsmatige dagbesteding en/of inkomensverstrekking. Tabel 5.2

Uitvoeringsorganisaties in vijf arbeidsmarktregio’s Rijk van

HelmondDe Peel

Rivierenland

Arbeidsbemiddeling /

WerkBedrijf

Senzer

Werkzaak

Arbeidsbemiddeling /

WerkBedrijf

Senzer

Sociale Werkvoorziening

WerkBedrijf

Senzer

Arbeidsmatige

WerkBedrijf

Senzer

Inkomensverstrekking

Gemeenten

Senzer

Nijmegen diensten werkgevers diensten kandidaten

dagbesteding

RvN RvN RvN RvN

Drechtsteden Gorinchem

Rivierenland

Baanbrekend

Drechtsteden

Avres

Werkzaak

Sociale dienst

Avres

Werkzaak

Drechtwerk

Avres

Gemeenten

Drechtwerk

Gemeenten

Werkzaak

Sociale dienst

Avres

Rivierenland Rivierenland

Rivierenland

Drechtsteden

Drechtsteden

90

5.2

Sturing en verantwoording In deze paragraaf vergelijken we de wijze van sturing en verantwoording binnen WerkBedrijf Rijk van Nijmegen met drie redelijk vergelijkbare uitvoeringsorganisaties: Senzer in Helmond-De Peel, Werkzaak Rivierenland in Rivierenland en Avres in Gorinchem. Deze drie

uitvoeringsorganisaties betreffen net als WerkBedrijf allemaal gemeenschappelijke regelingen met een algemeen bestuur en een dagelijks bestuur en een jaarlijkse verantwoordingscyclus

met een begroting en een jaarrekening. Het re-integratiebeleid wordt door de gemeenten uit de regio’s opgesteld. In drie van de vier arbeidsmarktregio’s is de re-integratieverordening

regionaal.

In Rijk van Nijmegen en Helmond-De Peel wordt het werkbedrijf ook gebruikt als platform voor regionale afstemming en overleg over onder meer het regionale arbeidsmarktbeleid. In

Rivierenland en Gorinchem is er een (extern) werkbedrijf in de vorm van een bestuurlijk

samenwerkingsverband voor arbeidsmarktbeleid waarin naast de regiogemeenten ook

werkgevers- en werknemersorganisaties, UWV en onderwijsinstellingen participeren.

Tabel 5.2

Platform voor

arbeidsmarktbeleid

Sturing en verantwoording uitvoeringsorganisatie (werkbedrijf) in vier arbeidsmarktregio’s

Rijk van Nijmegen Helmond-De Peel

Rivierenland

Via WerkBedrijf

Extern:

Extern:

Werkbedrijf &

Werkbedrijf

(Regionale Tafel

Via Senzer

Arbeidsmarkt)

Regionaal

Platform Onderwijs Arbeidsmarkt

Rivierenland (RW

Gorinchem Regionaal

Alblasserwaard-

Vijfheerenlanden

POA) Structuur

Gemeenschappelij

Gemeenschappelij

Gemeenschappelij

Gemeenschappelij

Re-integratiebeleid

Gemeenten

Gemeenten

Gemeenten

Gemeenten

Re-

Regionaal

Regionaal

Gemeenten

Regionaal

Bestuur

Algemeen Bestuur

Algemeen Bestuur

Algemeen Bestuur

Algemeen Bestuur

Verantwoording

Begroting en

Begroting en

Begroting en

Jaarplan en

ke regeling

integratieverordeni

ke regeling

ke regeling

ke regeling

ng

Dagelijks Bestuur jaarstukken

Dagelijks Bestuur jaarrekening

Dagelijks Bestuur jaarrekening

Dagelijks Bestuur jaarverslag

De vier arbeidsmarktregio’s hanteren prestatie-indicatoren voor arbeidsbemiddeling en sociale werkvoorziening. Deze zijn te kenschetsen als throughput- en output-indicatoren. Throughput

heeft betrekking op het uitvoeringsproces, zoals het aantal kandidaten dat wordt begeleid of in een bepaalde SW-werkvorm werkt. Output heeft betrekking op de directe prestaties van de

organisatie, zoals plaatsing op werk. Alle regio’s waarmee we vergelijken hebben een regionale prestatie-indicator voor uitstroom uit de uitkering naar werk en voor de verdeling van SW-

91

medewerkers over de werkvormen. De overige prestatie-indicatoren verschillen enigszins tussen de vier arbeidsmarktregio’s. Rijk van Nijmegen heeft als enige arbeidsmarktregio een prestatieindicator voor het ziekteverzuim binnen de SW, voor plaatsingen op werk (ongeacht uitstroom uit de uitkering) en voor relaties met ondernemers. Verder valt op dat de arbeidsmarktregio Gorinchem als enige een prestatie-indicator heeft voor binnengekomen verzoeken van

gemeenten op het gebied van Social Return. Een interessant voorbeeld is ook de indicatoren herinstroom binnen 12 maanden in Helmond-De Peel.

Geen van de vier arbeidsmarktregio’s heeft targets geformuleerd op het niveau van outcome,

zoals kwaliteit van leven of duurzaamheid van werk. De prestatie-indicatoren betreffen in hoofdzaak gegevens die gemakkelijk te registreren zijn en die uit de standaard

registratiesystemen te halen zijn. We zijn onder de drie arbeidsmarktregio’s waarmee we vergelijken geen best practice tegengekomen die inzicht biedt in de effectiviteit van de dienstverlening of de kwaliteit van de uitstroom.

Tabel 5.3

Prestatie-indicatoren op het gebied van arbeidsbemiddeling en sociale werkvoorziening

Rijk van Nijmegen

Helmond-De Peel

Rivierenland

Gorinchem

KPI’s:

• Herinstroom binnen

• Aantal detacherin-

• Uitstroom uit de uit-

• Aantal gestarte part-

• Aantal groepsplaat-

• Uitstroom uit de uitkering naar werk

• Aantal plaatsingen op betaald werk

• Verdeling werkvormen SW

• Ziekteverzuim SW • Toegevoegde

waarde per fte SW

KSF’s: • Tevredenheid kandidaten, SW’ers en on-

12 maanden

time dienstverbanden

• Beëindiging uitkering door werk of studie

• Gemiddeld aantal leerwerkplekken

houd van uitkering

• Uitstroom naar onderwijs

sidie

• Duurzame uitstroom

(volledige uitstroom)

bestand (o.a. aantal detacheringen)

• Aantal mensen dat begeleid wordt in het kader van de baanafspraak

ten op het gebied

tacheerd, etc.)

• Werknemerstevre-

op werk met be-

met loonkostensub-

drijf (beschut, gede-

actief arbeidsbemid-

• Aantal plaatsingen

• Aantal plaatsingen

naar leeftijd en duur

• Ontwikkeling SW-

• Binnengekomen ver-

groep leerwerkbe-

• Loonwaarde dienst-

delingsproces

singen

kering richting werk

• Aantal fte per doel-

dernemers

• Aantal kandidaten in

gen

verband regulier

denheid leerwerkbedrijf

• Omvang netto toegevoegde waarde per fte

zoeken van gemeenvan Social Return

• Ontwikkeling uitke-

ringsbestand (duur/ leeftijd)

• Redenen in/uitstroom

• Percentage status-

houders en parttime werkenden

• Aantal unieke relaties met ondernemers

Bron: Informatieprotocol MGR Rijk van Nijmegen, Jaarrekening 2020 Senzer, Jaarrekening 2020 Werkzaak Rivierenland, Jaarverslag 2020 Avres.

92

5.3

Ontwikkelingen in de doelgroep

5.3.1

Bemiddelbaarheid

Zoals in hoofdstuk 2 aan bod is gekomen, leeft bij betrokkenen van het WerkBedrijf de opvatting dat de kandidaten in de loop der jaren moeilijker bemiddelbaar zijn geworden. Er is niet

onderzocht of dit daadwerkelijk het geval is in de regio of op landelijk niveau. Wel is het een

geluid dat in andere onderzoeken en andere regio’s eveneens naar voren wordt gebracht. Zo blijkt uit onderzoek van CentERdata dat de doelgroep van gemeenten divers is, zowel in de

mate waarin zij bemiddelbaar zijn als hun beschikbaarheid voor werk. Uit een inschatting van

hun klantenbestand blijkt dat gemeenten 36,3% van hun klanten als wél beschikbaar voor werk inschat, maar niet bemiddelbaar. Gemeenten verwoorden in dat onderzoek het gevoel dat er sprake is van een toename van de groep die moeilijk bemiddelbaar is: “er is een stijging

zichtbaar (nu 38%) van de groep met het moeilijkst bemiddelbare profiel. Dit hangt niet samen met de wet, maar met het feit dat de sterke kandidaten inmiddels werk hebben en dat wie nu niet zelf werk kan vinden in meer of mindere mate andere belemmeringen heeft.” 96

In een aantal arbeidsmarktregio’s wordt deze trend benoemd in de jaarstukken. Senzer

(Helmond-De Peel) schrijft in de jaarrekening van 2019 dat de dalende lijn in de uitstroomcijfers te maken heeft met een steeds moeilijker te bemiddelen doelgroep. 97 En ook Werkzaak

Rivierenland constateert dat sprake is van een teruglopend aantal werkzoekenden en een steeds moeilijker te bemiddelen doelgroep. 98 WerkSaam West-Friesland signaleerde in 2019 dat

huidige cliënten vaak te maken hebben met complexe problematiek. Schulden, armoede,

verslaving, lichamelijke en veelal psychische beperkingen maken de stap naar werk, volgens

WerkSaam West-Friesland, steeds moeilijker. 99 Verder weten we op basis van eerder onderzoek

dat meer dan de helft (60%) van doelgroep die vergelijkbaar is met de voormalige groep

mensen met een bijstandsuitkering naar eigen inschatting niet in staat is te werken. De helft van hen verwacht in de toekomst te kunnen werken, de andere helft denkt nooit meer te kunnen

werken. 100 Of de doelgroep daadwerkelijk moeilijker bemiddelbaar is geworden weten we niet.

Het zou plausibel kunnen zijn, aangezien er mede onder druk van de beperkt beschikbare

financiële middelen, vooral lijkt te zijn ingezet op de bemiddeling van kandidaten die relatief dichtbij de arbeidsmarkt staan.

5.3.2

Aandeel jongeren in de uitstroom

Zoals in hoofdstuk 4 naar voren is gekomen is het aandeel jongeren dat uitstroomt naar betaald

werk in de regio Rijk van Nijmegen relatief groot. Dit komt overeen met het landelijke beeld. Het aandeel werkenden met een Participatiewet-uitkering is het hoogst in de leeftijdsgroep tot 20

jaar (54% in 2019) en het laagst bij de oudste leeftijdsgroep (38% in 2019). Het aandeel

werkende mensen met een Participatiewet-uitkering in het doelgroepregister stijgt vooral bij de

oudere leeftijdsgroepen en bij de groep tussen de 20 en 25 jaar. De ontwikkeling van het

aandeel werkende mensen met een Participatiewet-uitkering in het doelgroepregister wordt vooral bepaald door de jongeren (onder 25 jaar). Zij zijn de grootste groep en hebben het

96

Centerdata, Ervaringen gemeenten met Participatiewet, 3e meting, p.29-30

97

Senzer, Jaarrekening 2019, p.24

98

Werkzaak Rivierenland, Jaarrekening 2019, p.7.

99

Begroting WerkSaam West-Friesland 2019

100

SCP, eindevaluatie Participatiewet, p.53

93

hoogste aandeel werkenden. 101 Verder blijkt uit eerder onderzoek dat de onderzochte

gemeenten vooral inzetten op de bemiddeling naar werk van jongeren afkomstig uit het

voortgezet speciaal onderwijs (vso) en praktijkonderwijs (pro). 102 Sinds de invoering van de

Participatiewet is vaker sprake van tijdelijke contracten. Van de jongeren die in een bepaald jaar in het doelgroepregister zijn ingestroomd en in dat jaar een baan heeft gevonden, heeft 13% een vast contract. 103

5.4

Prestaties In deze paragraaf vergelijken we de prestaties van WerkBedrijf met die van vergelijkbare

organisaties in andere regio’s of met landelijke cijfers. Zoals in hoofdstuk 1 en hoofdstuk 4 is toegelicht zijn er relatief weinig vergelijkbare gegevens door verschillen in definities en registraties. De volgende prestatie-indicatoren zijn wel beschikbaar: •

Arbeidsbemiddeling: o

Uitstroom uit de uitkering (landelijk gemiddelde).

o

Aantal kandidaten dat uitstroomt uit de uitkering naar werk (arbeidsmarktregio’s

o

Percentage werkzame personen uit de doelgroep Banenafspraak (arbeidsmarktre-

Rijk van Nijmegen, Drechtsteden, Gorinchem en Rivierenland).

gio’s Rijk van Nijmegen, Helmond-De Peel, Rivierenland, Gorinchem en Drechtsteden).

o •

gen en landelijke gemiddelde).

Sociale Werkvoorziening o o

5.4.1

Gemiddelde loonwaarde van kandidaten met loonkostensubsidie (Rijk van Nijme-

Percentage ziekteverzuim SW (Rijk van Nijmegen en landelijk gemiddelde).

Verdeling over de werkvormen (Rijk van Nijmegen en landelijk gemiddelde).

Arbeidsbemiddeling

Een eerste indicator die een beeld geeft van ontwikkelingen, is het landelijke

uitstroompercentage waarover Divosa in de jaarlijkse Benchmark Werk & Inkomen rapporteert.

Het uitstroompercentage is het aandeel gestopte bijstandsuitkeringen in een bepaald jaar ten

opzichte van het totale bestand van het eind van het voorgaande jaar. Het gaat hierbij om alle

vormen van uitstroom, niet alleen om uitstroom naar werk. Figuur 5.1 laat de landelijke

ontwikkeling van het uitstroompercentage zien.

101

UWV, Monitor arbeidsparticipatie arbeidsbeperkten 2020, p.63

102

SEO en De Beleidsonderzoekers (2019) Jonggehandicapten onder de Participatiewet, p.i-iiii

103

SCP, eindevaluatie Participatiewet, p.120-121

94

Figuur 5.1

Landelijke ontwikkeling uitstroompercentage 2013 t/m 2019

40% 35% 30% 25% 20%

2013

2014

2015

2016

2017

2018

2019

Bron: Divosa Benchmark Werk & Inkomen (meerdere jaren)

Te zien is dat de uitstroom uit de bijstand van 2013 tot en met 2019 afneemt van 36% naar 28%. Het uitstroompercentage daalt volgens Divosa omdat er steeds minder mensen in de bijstand zitten die makkelijk aan werk te helpen zijn. De instroom van mensen die kunnen werken is immers ook beperkt.

De arbeidsmarktregio’s Rijk van Nijmegen, Rivierenland, Drechtsteden en Gorinchem vermelden in hun jaarverslagen hoeveel kandidaten jaarlijks de uitkering uitstromen naar werk. In figuur 5.2

zetten we de ontwikkeling in uitstroom naar werk per arbeidsmarktregio over de jaren 2017 t/m 2020 op een rij. Dat doen we in indexcijfers waarbij het jaar 2017 100 is. Hierdoor zijn de

arbeidsmarktregio’s – waarvan de omvang van de uitstroom en het kandidatenbestand sterk

verschilt – beter vergelijkbaar. Of de definitie van de indicator uitstroom uit de uitkering naar

werk in de vier arbeidsmarktregio’s precies gelijk is, weten we niet. Door indexcijfers te

gebruiken krijgen we een beeld van ontwikkelingen en doen eventuele verschillen in registratie en definitie er minder toe. In bijlage 3 staan de brongegevens voor figuur 5.2. Figuur 5.2

Indexcijfer uitstroom uit de uitkering in vier arbeidsmarktregio’s (2017=100)

120 110 100 90 80 70 60 50

2017 Gorinchem

2018 Drechtsteden

2019

2020

Rijk van Nijmegen

Rivierenland

Bron: Jaarstukken Avres, MGR Rijk van Nijmegen, Werkzaak Rivierenland, Sociale Dienst Drechtsteden (meerdere jaren)

95

De vier arbeidsmarktregio’s laten een redelijk vergelijkbare ontwikkeling zien. In de jaren 2017 en 2018 lag de uitstroom fors hoger dan in 2019 en 2020. Er lijkt sprake te zijn van een structurele trend van een afnemende uitstroom uit de uitkering naar werk. Alleen in de

arbeidsmarktregio Rivierenland is de negatieve trend wat minder sterk en was er in 2020 zelfs iets meer uitstroom uit de uitkering naar werk dan in 2019.

UWV registreert per kwartaal welk aandeel van de doelgroep Banenafspraak werkzaam is. In figuur 5.3 vergelijken we de ontwikkeling vanaf 2015 voor de arbeidsmarktregio’s Rijk van

Nijmegen, Helmond-De Peel, Rivierenland, Drechtsteden en Gorinchem.

Figuur 5.3

Percentage werkzame personen uit doelgroep Banenafspraak

70 % 60 % 50 % 40 % 30 % 20 % 10 %

Rijk van Nijmegen

Helmond De Peel

Drechtsteden

Gorinchem

2021 Q2

2021 Q1

2020 Q4

2020 Q3

2020 Q2

2020 Q1

2019 Q4

2019 Q3

2019 Q2

2019 Q1

2018 Q4

2018 Q3

2018 Q2

2018 Q1

2017 Q4

2017 Q3

2017 Q2

2017 Q1

2016 Q4

2016 Q3

2016 Q2

2016 Q1

2015 Q4

2015 Q3

0%

Riviereland

Bron: https://www.werk.nl/arbeidsmarktinformatie/dashboards/banenafspraak

De ontwikkeling van het percentage werkzame personen uit de doelgroep Banenafspraak laat in alle vergeleken arbeidsmarktregio’s een positieve ontwikkeling zien. Het percentage neemt toe

van gemiddeld 33% in het derde kwartaal van 2015 naar gemiddeld 57% in het tweede kwartaal van 2021. Het aandeel werkzame personen uit de doelgroep Banenafspraak ligt in de

arbeidsmarktregio Helmond-De Peel en Riviereland het hoogst. De relatieve groei over de

periode Q3 2015 t/m Q2 2021 is in de regio’s Rijk van Nijmegen (+26%) en Gorinchem (+30%) het grootst.

Bij kandidaten die werken met een loonkostensubsidie wordt de loonwaarde gemeten. We

zagen in hoofdstuk 4 dat de gemiddelde loonwaarde in Rijk van Nijmegen in 2019 59% bedroeg en in 2020 56%. Dat is boven het landelijk gemiddelde van 50% in 2019 en 51% in 2020 volgens de Divosa Benchmark Werk en Inkomen. Dat betekent dat Rijk van Nijmegen minder budget kwijt is aan loonkostensubsidie.

5.4.2

Sociale werkvoorziening

Cedris, de brancheorganisatie voor SW-bedrijven houdt in de jaarlijkse

sectorinformatierapporten bij wat het ziekteverzuim is bij Wsw-medewerkers. Dit landelijk

96

gemiddelde is ook voor WerkBedrijf een belangrijke maatstaf, omdat de doelstelling is onder het landelijk gemiddelde te blijven.

Figuur 5.4

Ziekteverzuim in de SW bij WerkBedrijf en het landelijk gemiddelde

19,0%

18,4%

18,0% 17,0% 16,0%

16,1%

15,0% 14,0% 13,0%

13,9%

17,3%

16,8% 15,9%

16,3% 15,4%

15,3%

14,4%

12,0% 11,0% 10,0%

2016

2017

2018

WerkBedrijf

2019

2020

Landelijk

Bron: Cedris Sectorinformatie (meerdere jaren), Compas (meerdere jaren)

Uit de sectorinformatie van Cedris blijkt dat het gemiddelde ziekteverzuim in de SW sinds 2016

toeneemt. Lag het verzuimpercentage in 2016 nog op bijna 14%, in 2020 is dat gestegen naar 16,3%. Het verzuimpercentage is bij WerkBedrijf structureel hoger. In 2020 lagen het verzuimpercentage bij WerkBedrijf dichter bij het landelijk gemiddelde.

Ten slotte kijken we naar de verdeling van Wsw-medewerkers over de werkladder. Daarbij

maken we onderscheid tussen het totaal beschut werk (binnen) en het totaal aan werk buiten de muren van de SW (begeleid werken, groeps- en individuele detacheringen, werken op locatie). In de sectorinformatie van Cedris wordt jaarlijks vermeld welk percentage van de Wswmedewerkers buiten de muren van de SW werkt.

97

Figuur 5.5

Percentage SW-medewerkers buiten de muren van de SW

100%

92%

90% 80% 70% 60%

65%

59%

66%

60%

65%

61%

65%

60%

58%

50% 40% 30% 20% 10% 0%

2016

2017

2018

Rijk van Nijmegen

2019

2020

Nederland

Bron: Cedris Sectorinformatie (meerdere jaren), Jaarstukken WerkBedrijf (meerdere jaren)

Het percentage SW-medewerkers dat buiten de muren van de SW werkt, ligt in Rijk van

Nijmegen structureel hoger dan het landelijk gemiddelde. Als gevolg van de groepsdetachering bij BlueView in 2020 is het percentage ‘buiten’ in Rijk van Nijmegen zeer sterk gestegen.

5.5

Deelconclusie Waar in veel arbeidsmarktregio’s gekozen is voor een lichte organisatie voor het werkbedrijf in

de vorm van een bestuurlijk platform of samenwerkingsverband, is in het Rijk van Nijmegen een uitvoerende organisatie neergezet met een breed regionaal takenpakket. WerkBedrijf Rijk van Nijmegen is niet alleen een samenwerking tussen de zeven gemeenten op het gebied van arbeidsbemiddeling en arbeidsmatige dagbesteding, maar ook een integratie met het

voormalige SW-bedrijf Breed. De regio heeft als geheel één re-integratieverordening en één set

prestatie-indicatoren voor de hele regio. We stellen vast dat WerkBedrijf daarmee een

betrekkelijk unieke organisatie in Nederland is. Van de 35 arbeidsmarktregio’s zijn er naast Rijk

van Nijmegen nog drie arbeidsmarktregio’s met een dergelijke sterk geïntegreerde regionaal

structuur: Helmond-De Peel, Rivierenland en Gorinchem. De takenpakketten van deze regionale werkbedrijven verschillen enigszins (wel/niet inkomensverstrekking, wel/niet arbeidsmatige dagbesteding, wel/niet schuldhulpverlening). Geen van de vier arbeidsmarktregio’s heeft

targets geformuleerd op het niveau van outcome, zoals kwaliteit van leven of duurzaamheid van werk. De prestatie-indicatoren hebben vooral betrekking op output zoals uitstroom uit de uitkering en throughput, zoals het aantal kandidaten dat wordt begeleid.

Niet alleen in de arbeidsmarktregio Rijk van Nijmegen, maar ook landelijk en in andere regio’s

wordt gesignaleerd dat kandidaten in de loop der jaren moeilijker bemiddelbaar zijn geworden. En net als in Rijk van Nijmegen is ook landelijk het aandeel jongeren in de uitstroom relatief hoog. De ontwikkelingen op een aantal prestatie-indicatoren komen in de regio Rijk van

Nijmegen redelijk overeen met die in vergelijkbare arbeidsmarktregio’s en met landelijke trends. We zien dat de uitstroom uit de uitkering naar werk in zowel Rijk van Nijmegen als

98

Helmond-De Peel, Rivierenland en Gorinchem afneemt van 2017 tot en met 2020. Het

percentage werkenden uit de doelgroep Banenafspraak neemt van 2015 tot en met 2020 juist in alle regio’s toe. De relatieve stijging is in Nijmegen nog wat sterker dan in de andere regio’s. Verder zien we dat het ziekteverzuim in de SW in Rijk van Nijmegen boven het landelijk

gemiddelde ligt, maar de opwaartse trend ook in het landelijk gemiddelde zichtbaar is. Ten

slotte ligt het percentage SW-medewerkers dat buiten de muren van de SW werkt in Rijk van Nijmegen structureel hoger dan het landelijk gemiddelde. We concluderen hiermee dat de

prestaties van Rijk van Nijmegen over het algemeen vergelijkbaar zijn met het landelijke beeld en met de prestaties van vergelijkbare arbeidsmarktregio’s.

99

100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11116582/1