CConstaterende datHeumen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage I bestemmingsplan Oude Kleefsebaan 1-3 Overasselt

Raad 14 maart 2024, gemeente HeumenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Oude Kleefsebaan 1-3, Overasselt11.601 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Figuur 5.1: Worst-case berekening voor de bijdrage van extra verkeer [Infomil]

Hieruit blijkt dat het extra verkeer als gevolg van de twee nieuwe woningen niet in betekenende mate bijdraag aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De uitvoering van een onderzoek naar de luchtkwaliteit is daarom niet noodzakelijk.

5.4

Externe veiligheid

Externe veiligheid beschrijft de externe risico's met een externe werking, die ontstaan door het transport van, de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn onder andere het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Pagina 35 van 50

Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het groepsrisico is een maat die aangeeft hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen met een bepaalde groep slachtoffers. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Voor inrichtingen geldt daarnaast dat verantwoording van het groepsrisico verplicht is wanneer binnen het invloedsgebied van een risicobron nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten worden toegelaten. Voor transportassen (weg, spoor en water) geldt dat de verantwoording van het groepsrisico verplicht is wanneer sprake is van toename van het aantal personen (en daarmee een toename van het groepsrisico) of overschrijding van de oriëntatiewaarde.

Met behulp van de Risicokaart kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Onderstaand een uitsnede van die kaart voor de omgeving van het plangebied.

Pagina 36 van 50

Figuur 5.2: gevaaraspecten met bijbehorende risicocontouren [risicokaart.nl]

Uit de kaart blijkt dat het plangebied niet binnen de risicocontouren valt van risicovolle activiteiten plaatsvinden. Ten noorden is van de planlocatie staat op de kaart nog een tankstation met LPG. Dit tankstation is enige jaren geleden beëindigd en op deze locatie is een woningbouwontwikkeling voorzien, waarvoor het bestemmingsplan in 2022 is vastgesteld. Het plan valt evenmin binnen de invloedsfeer van de vaarweg de Maas, waar watertransport met gevaarlijke stoffen plaats vindt (Basisnet). Er kan dan ook worden geconcludeerd dat externe veiligheid voor de voorgenomen ontwikkeling geen belemmeringen oplevert.

5.5

Bedrijven en milieuzonering

Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van al aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid Pagina 37 van 50

van de gevoelige functies krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'.

Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen: • het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; • het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen. De nieuwe woningen zijn een milieugevoelige functie. In de directe omgeving van de planlocatie bevinden zich geen (agrarische) bedrijven. Ten oosten van de planlocatie bevindt zich aan de Maasbandijk een rioolwaterzuiveringsinstallatie. Deze bevindt zich op een afstand van 390 meter. Dit betreft een milieucategorie 4 inrichting, waarvoor richtafstanden gelden voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar van respectievelijk 300, 10, 200 en 10 meter. De nieuwe woningen worden buiten deze richtafstanden gesitueerd. Geconcludeerd kan worden dat milieuzonering geen belemmering vormt voor het plan.

Pagina 38 van 50

6. Waterparagraaf 6.1

Inleiding

Sinds 1 november 2003 is de zogenaamde Watertoets verplicht. Dat wil zeggen dat in elk ruimtelijk plan gemotiveerd moet worden aangegeven hoe met het water in het gebied wordt omgegaan en wat de ruimtelijke veranderingen voor het water betekenen. Het waterkwaliteitsbeheer en het waterkwantiteitsbeheer in de gemeente Heumen is in handen van het Waterschap Rivierenland. Tevens dienen voor alle waterhuishoudkundige werken waarvoor op grond van de Keur ontheffing noodzakelijk is, dit aangevraagd te worden bij het Waterschap. De uitvoering van het plan dient te gebeuren binnen de kaders van het duurzaam omgaan met water en de beleidsuitgangspunten van het waterschap.

6.2

Beleid waterschap

Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Versterken, Verbinden, Vergroenen’ beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema’s: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. Daarnaast beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels.

6.3

Gemeentelijk waterbeleid

De gemeente Heumen heeft in samenwerking met het Waterschap Rivierenland het Waterplan Heumen opgesteld. Het doel van dit plan is het creëren van een duurzaam, veilig en robuust watersysteem. Een van de hoofddoelstellingen van het waterplan is: “Water tot een van de mede ordenende principes maken in de ruimtelijke ordening.” De gemeente Heumen en het Waterschap Rivierenland hebben als beleid dat de hemelwaterafvoer van nieuwbouw niet op het riool wordt geloosd. Gemeenten zijn op waterhuishoudkundig gebied onder andere verantwoordelijk voor de zorg voor het inzamelen en transporteren van afvalwater naar het overnamepunt van de Rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI), (gedeeltelijk) onderhoud van wateren en ontwatering (grondwater). Daarnaast is de gemeente verantwoordelijk voor de verlening en handhaving van vergunningen in het kader van de Wet milieubeheer (Wm). Pagina 39 van 50

Op grond van de Waterwet (artikel 3.5 en 3.6) heeft de gemeente een zorgplicht bij inzameling en verwerking van overtollig hemel- en grondwater, voor zover dit niet ter plaatse te verwerken is. Perceeleigenaren dienen hemelwater op eigen perceel te verwerken. Indien dit redelijkerwijs niet kan worden gevergd, treedt de gemeentelijke zorgplicht in werking. Daarnaast heeft de gemeente een zorgplicht bij het treffen van maatregelen in openbaar gebied om structureel de gevolgen van niet passende grondwaterstanden voor de aan de grond gegeven bestemming te voorkomen c.q. beperken.

6.4

Waterhuishoudkundige situatie

Het plangebied ligt binnen het stroomgebied van de Maas. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen waterwingebieden of grondwaterbeschermingsgebieden (Omgevingsverordening Gelderland). Evenmin zijn er volgens de Legger van het Waterschap primaire watergangen in de directe omgeving van de planlocatie gesitueerd. Op de oostelijke perceelsgrens is een volgens de Legger een C-watergang aanwezig, die in noordelijke richting afwatert naar de A-watergang bij de Valkstraat. Aan de Oude Kleefsebaan is verder een rioolpersleiding gesitueerd.

Figuur: Legger oppervlaktewateren (Waterschap Rivierenland) Het plangebied is gesitueerd in de bebouwde kom. Het maaiveld ligt gemiddeld op circa 9,5 m boven NAP. De bodem bestaat uit zandgrond met lichte zavel (kalkloze ooivaaggronden). Pagina 40 van 50

Deze gronden hebben grondwatertrap VII met een gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) van 80 cm – mv. Om voldoende drooglegging te krijgen zal het terrein opgehoogd worden. Hiermee wordt ook voorkomen dat regenwater vanaf de openbare weg het plangebied in kan lopen. De omgeving is aangesloten op het gemeentelijk riool. De planlocatie ligt buiten de beschermingszones van de Maasdijk.

Figuur: Legger waterkeringen (Waterschap Rivierenland)

6.5

Uitwerking waterparagraaf

Het plan ziet op de bouw van drie woningen op een bedrijfsperceel in de bebouwde kom. Relevant daarbij is de vraag of er sprake is van toename van verhard oppervlak en hoe in de nieuwe situatie omgegaan wordt met het regenwater. In de bestaande en nieuwe situatie is op de planlocatie de volgende verdeling van oppervlakteverharding aanwezig. Gebouwen Erfverharding Onverhard Totaal

Bestaand m2 556 1.085 2.559 4.200 m2

Nieuw m2 500 750 2.950 4.200 m2 Pagina 41 van 50

Na sloop van de bedrijfsloods en het verwijderen van een deel van de erfverharding, worden en 3 nieuwe woningen (woning, bijbouw, erf) gebouwd. De bestaande toegangsweg aan de oostzijde is reeds (half)verhard, dit blijft zo. De hoeveelheid bebouwing (gebouwen, erf) is in de nieuwe situatie echter lager dan in de bestaande situatie. Het plan leidt per saldo derhalve tot een afname van verhard oppervlak met circa 400 m2. Waterberging In het kader van het gemeentelijk waterbeleid dient per nieuwe woning op het perceel een hemelwaterberging te worden aangebracht met een capaciteit van 66,4mm/m2 verhard oppervlak. Bij de keuze van het soort bergingsvoorziening hanteert het waterschap de voorkeursvolgorde hergebruik/vasthouden-bergen-afvoeren. Bestaande bebouwing Een bestaande gebouw kan niet worden verplicht om af te koppelen als de rest daarom heen wordt gesloopt. Bij nieuwbouw mag niet worden aangesloten op het riool indien er geen systeem voor regenwater beschikbaar of geschikt is. De gemeente neemt ook geen regenwater in van nieuw verhard oppervlak. Wel moet bestaande bouw worden afgekoppeld: - bij aanbouw (vergroting van het verhard oppervlak, zowel dakvlak, bouwvergunningvrij als overige verhardingen); - als een bestaande woning of pand zodanig wordt verbouwd dat de situatie wezenlijk veranderd. Deze situatie is hier niet aan de orde.

Het gemeentelijk uitgangspunt is dat er zo min mogelijk regenwater op het (gemengde) rioolsysteem wordt aangesloten en regenwater zoveel mogelijk ter plaatse in de bodem kan infiltreren. Via de voorkeursvolgorde: infiltreren-bergen-afvoeren. Gemeentelijk beleid spreek minder van regels maar voornamelijk van doelstellingen. We willen anders omgaan met regenwater, klimaat adaptief bouwen, verder werken aan klimaat adaptieve maatregelen om minder kwetsbaar te worden (te nat, te warm en te droog), wateroverlast bestrijden en afkoppelen is in de breedste zin onderdeel van dit beleid. De vraag bij het invullen van de waterparagraaf in relatie tot de bestaande bouw zou dan ook moeten zijn welke kansen dit project biedt als het gaat om regenwater van deze bestaande bouw. Kan het regenwater van een pand dat blijft staan ook eenvoudig worden afgekoppeld zeker als de hele omgeving straks op de schop gaat? De kansen worden vertaald in maatregelen en afspraken (ook financieel) vastgelegd in de anterieure overeenkomst. In dit geval wordt de bestaande bedrijfswoning niet afgekoppeld omwille van de volgende overwegingen: - Bestaande (bedrijfs)woning wordt niet vernieuwd, noch gerenoveerd qua dakconstructie of dakbedekking, dus geen verplichtingseis om af te koppelen vanuit gemeentelijk beleid.

- Afgravingen dieper dan 30cm in het noordelijk plangebied (zijtuin en oprit zijde bestaande woning) zijn niet mogelijk zonder archeologisch sleuven onderzoek. Gezien Pagina 42 van 50

de ondiepte zal er een zeer forse wadi zone dan nodig zijn. (350 + 162 = 512 m2 * 0,0664 = 34m3 waterberging). Dit zou inhouden dat zo goed als de gehele tuinzone aan de noordoost zijde volledig onder water komt te staan bij piekbuien, met een zeer ongewenste situatie van overstroming naar de bestaande woning. - Bij het toepassen van infiltratiekratten systemen geldt een minimale aanlegdiepte van 300 mm + 600 mm = 900mm beneden maaiveld, dit is dus geen optie in het totaalplan. - Bij de nieuwbouw aankoppelen en via een hoofdleiding naar de nieuwe wadi brengen is mogelijk ivm de aanlegdiepte op de oostzijde van het perceel ter plaatse van de nieuwbouw. Van wadi naar watergang ook. - Bij alleen de nieuwbouw is 740 * 0,0664 = 49m3 berging in de wadi nodig. Bij een diepte van 0,4m diep =122 m2 wadi, als daar de bestaande woning bij komt dan is er 34 m3 meer nodig en dus 113 m2 extra wateroppervlak wadi (0,3m diepte). De getekende wadi in het nieuwe inrichtingsplan is circa 125 m2 groot. Met aankoppeling van de bestaande bouw erbij, dan moet de wadi geheel over dat terreindeel verlengd worden, ofwel die gehele zijstrook wordt dan als wadi ingericht. Probleem is en blijft het hemelwater transport vanaf de bestaande bebouwing/bestrating naar de wadi toe.

Die moet meer dan 0,3m diep ingegraven worden om niet al geheel dicht te vriezen in de winter, met schade aan leidingen tot het gevolg. Kortom, de resterende bestaande bouw na sloop (de bedrijfswoning) wordt niet afgekoppeld. In het totaalplan vindt er echter reeds een substantiële reductie plaats doordat er minder verhard oppervlak (te slopen loods, erfverharding) niet meer aangekoppeld is. Nieuwe bebouwing De 3 nieuwe woningen zorgen voor een toename van circa 740 m2 aan verhard oppervlak (woning, erf). Hiervoor dient op grond van het gemeentelijk waterbeleid voorzien te worden in een bergingscapaciteit van totaal (740 m2* 66,4 mm/m2=) 49 m3. Dit hemelwater wordt opgevangen in een wadi die gedimensioneerd wordt op bergingsopgave. De nieuwe wadi wordt maximaal 40 cm diep en krijgt een oppervlak van circa 125 m2. De wadi wordt gerealiseerd op de eigen onbebouwde gronden ten zuiden van de nieuwe woningen. Vanuit de wadi wordt het water geleid naar de C-watergang aan de Valkstraat. Van hieruit wordt het hemelwater verder afgevoerd naar het oppervlaktewatersysteem. Het hemelwater van de nieuwbouw wordt hiermee niet aangekoppeld op het riool en verwerkt op het eigen perceel. De bodem op de locatie bestaat volgens de bodemkaart uit zand met lichte zavel en een gemiddeld hoogste grondwaterstand van 80 cm -mv. Hierdoor is infiltratie van het hemelwater mogelijk.

Binnen het plangebied zelf zal het hemelwater ook direct in de bodem infiltreren op de onverharde gronden, zoals ook in de huidige situatie gebeurd. Op de onverharde gronden van het perceel (totaal 2.950 m2) is ruimte aanwezig voor oppervlakkige afvloeiing in de tuinen en de boomgaard. Verder bestaat er de mogelijkheid om het hemelwater op te vangen in regentonnen en her te gebruiken voor het sproeien van de tuin bijvoorbeeld.

Pagina 43 van 50

Wadi 125 m2, 49 m3 40 cm diep

Pijp naar C-watergang C-watergang Figuur: waterberging Overige aspecten Het afvalwater van huishoudelijke aard van het complex wordt afgevoerd op het riool dat aan de voorzijde van de locatie loopt. Eventuele kosten voor uitbreiding en aansluiting op de riolering komen voor rekening van initiatiefnemer. Het bouwpeil dient daarvoor boven de 9,00 m +NAP te liggen om nog onder vrij verval aan te kunnen sluiten. De gemeente streeft naar een goede waterkwaliteit, die voldoet aan de gestelde eisen. Daarbij is het verboden om bodem en grondwater te vervuilen. Alleen schoon hemelwater wordt direct afgevoerd naar de bodem of het oppervlaktewater. Binnen het plangebied, wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende materialen. Het plan voldoet daarmee aan het gestelde in het Waterplan Heumen. Het aspect water vormt geen belemmering voor de onderhavige ontwikkeling.

6.6

Advies waterschap

Voor het plan is in het kader van de Watertoets het digitale formulier ingevuld (zie bijlage). Hieruit volgt dat de normale procedure gevolgd moet worden. Dit vanwege de aanwezigheid van een C-watergang en een rioolpersleiding aan de Oude Kleefsebaan. Dit betekent dat er nader overleg plaats moet vinden met Waterschap Rivierenland. Het plan zal voor advies aan het waterschap voorgelegd worden. Pagina 44 van 50

Pagina 45 van 50

7. Uitvoerbaarheid 7.1

Economische uitvoerbaarheid

Het plan zal geheel in particuliere handen uitgevoerd worden. Voor de gemeente zijn er geen financiële consequenties aan verbonden. De verrekening van de plankosten vindt plaats via leges. Anterieure overeenkomst Daarnaast wordt tussen initiatiefnemer en de gemeente een zogenaamde anterieure overeenkomst afgesloten. In deze overeenkomst zijn bepalingen over onder meer de plankosten, grondexploitatie, civieltechnische kosten en planschade tussen gemeente en initiatiefnemer opgenomen. Met deze overeenkomst is het verhaal van de kosten van grondexploitatie voldoende verzekerd en hoeft er geen exploitatieplan vastgesteld te worden. Planschade De bestemmingswijziging kan mogelijk leiden tot planologisch nadelige consequenties voor belanghebbenden. Hierbij kan er sprake zijn van planschade. Tussen gemeente en initiatiefnemer is een planschade overeenkomst afgesloten waarbij initiatiefnemer zich borg stelt voor eventuele planschade.

Conclusie Er is sprake van een uitvoerbaar plan omwille van de volgende redenen: • tussen gemeente en initiatiefnemer is een planschade overeenkomst afgesloten, waarin door initiatiefnemer eventuele planschade voor zijn rekening zal worden genomen; • de kosten voor uitvoering van het plan komen voor rekening van de initiatiefnemer; • de gronden waarop de bestemmingswijziging ziet zijn in eigendom van initiatiefnemer; • er is geen sprake van grote financiële, planologische of maatschappelijke belemmeringen.

7.2

Maatschappelijk

Het ontwerpbesluit voor het bestemmingsplan, zal door het college van B & W genomen worden. Daarna komt het plan ter inzage. Omwonenden en belanghebbenden worden hierbij in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen op het plan te geven. Op basis van de eventueel ingediende zienswijzen zal een afweging gemaakt worden of het plan al dan niet gewijzigd door de gemeenteraad wordt vastgesteld. Het definitieve plan zal ter inzage gelegd worden met de mogelijkheid tot het instellen van beroep.

Pagina 46 van 50

8. Juridische toelichting 8.1

Aanleiding

Dit plan betreft een partiële herziening van het bestemmingsplan “Kernen Heumen, Overasselt, Nederasselt en Molenhoek” van de gemeente Heumen voor de locatie Oude Kleefsebaan 1-3 te Overasselt. Aanleiding is de noodzaak om de herbestemming van deze locaties planologisch correct te regelen, vanwege het beëindigen van een bedrijf. Dit houdt in dat met de beëindiging van het bedrijf de bestemming Bedrijf komt te vervallen, en omgezet wordt in de bestemming ‘Wonen’ ten behoeve van de bouw van drie nieuwe woningen en het omzetten van de bedrijfswoning naar een (te splitsen) burgerwoning.

8.2

Regels

De herbestemming voor de locaties voorziet in een bestemmingsregeling voor een woonbestemming. De planregels bevatten regels met betrekking tot het bouwen en gebruiken van grond en gebouwen. Met de planregels wordt aangesloten op de regels van het vigerende bestemmingsplan.

8.3

Verbeelding

Op de verbeelding wordt de locatie Oude Kleefsebaan 1-3 voorzien van een woonbestemming voor 3 vrijstaande woningen en de voormalige bedrijfswoning. Voor deze karakteristieke bedrijfswoning wordt de mogelijkheid geboden om deze te splitsen. Alle dubbelbestemmingen en aanduidingen uit het vigerende bestemmingsplan worden overgenomen en blijven van kracht.

Pagina 47 van 50

9. De procedure 9.1

Omgevingsdialoog

In het kader van de zogenaamde omgevingsdialoog is het plan voorgelegd aan de direct omwonenden van de planlocatie. Door omwonenden zijn geen inhoudelijke reacties gegeven die aanleiding geven tot aanpassing van het plan. Het verslag van de omgevingsdialoog is als bijlage bijgevoegd.

9.2

Vooroverleg

In het kader van het wettelijk vooroverleg wordt het plan aangeboden aan provincie en waterschap.

9.3

Te volgen procedure

Het ontwerp bestemmingsplan is gedurende 6 weken ter inzage gelegd met bijbehorende stukken. Gedurende de termijn van de ter inzage legging wordt eenieder de gelegenheid geboden een zienswijze in te dienen. De eventuele zienswijzen worden beoordeeld en aanvullend in dit plan opgenomen.

9.4

Verslag procedure

Verslag procedure PM

Pagina 48 van 50

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13791428/1