CConstaterende datHeumen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1-IV Verkennend natuuronderzoek D2

Raad 2 februari 2023, gemeente HeumenBij agendapunt: Locatiekeuze verplaatsing sportcomplex SV Juliana14.680 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Eekhoorn

De hermelijn heeft een voorkeur voor een waterrijke omgeving. Ook in agrarische cultuurlandschappen met voldoende dekking komt de soort voor. De bunzing en wezel hebben een voorkeur voor kleinschalige cultuurlandschappen met veel schuilmogelijkheden. Voorbeelden hiervan zijn heggen, houtwallen, akker- en bosranden, oeverbegroeiing of slootkanten.6,7,8

Kleine marterachtigen

De planlocaties A, C en D zijn geschikte leefgebieden voor deze soorten, verspreid zijn hier heggen, akker- en bosranden, oeverbegroeiing en/of slootkanten aanwezig waar gefoerageerd kan worden en verbinding te vormen met andere gebieden. Deze planlocaties zijn voornamelijk geschikt als foerageergebied, echter bij locatie C en D is het op voorhand niet uit te sluiten dat hier ook verblijfplaatsen aanwezig kunnen zijn. Bij locatie B ontbreekt het aan takkenrillen, holen, houtstapels, holle bomen, schuurtjes, stallen etc. en is hierdoor niet geschikt als rust- en voortplantingsplaats en als foerageergebied. Door de ontwikkeling op de planlocatie worden mogelijk rust- en voortplantingsplaatsen van kleine marterachtigen vernietigd (Wnb art. 3.10 lid 1b). Nader onderzoek naar aanwezigheid en het gebruik van het leefgebied is nodig bij locatie A, C en D. De steenmarter heeft binnen zijn leefgebied soms wel tientallen schuilplaatsen, die hij echter niet allemaal even frequent gebruikt. Dit kunnen bijvoorbeeld boomholtes, takkenhopen, dichte struwelen, zolders of kruipruimtes zijn, maar ook spouwmuren of ruimten onder de dakbedekkingen. De steenmarter kan al door openingen van 5-6 cm kruipen om bij een schuilplaats te komen9.

Steenmarter

5

https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/eekhoorn https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/hermelijn 7 https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/wezel 8 https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/bunzing 9 https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/steenmarter 6

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Projectnummer: 51007211 Datum: 11-05-2022 Versie: D2

29/51

Bij locatie A en B zijn geen geschikte elementen, zoals hierboven beschreven, aanwezig voor vaste rust- en voortplantingsplaatsen. Bij locatie C en D is op voorhand niet uit te sluiten dat er geen geschikte ruimte is in de stallen en andere bebouwing. Het was tijdens het veldbezoek niet mogelijk de stallen, schuren en gebouwen te controleren op de aanwezigheid de steenmarter, omdat er geen toestemming was om private terreinen te betreden. Door de ontwikkeling op de planlocatie worden mogelijk rust- en voortplantingsplaatsen van de steenmarter vernietigd (Wnb art. 3.10 lid 1b). Nader onderzoek naar vaste rust- en voortplantingsplaatsen van de steenmarter is nodig bij locatie C en D. Kunstlicht heeft effect op onder andere nachtzoogdieren (zoals kleine marterachtigen, steenmarter, diverse muizensoorten). Deze soorten mijden plekken met kunstmatige verlichting en waar menselijke activiteit is. Het aanbrengen van verlichting op het terrein leidt niet tot wezenlijke negatieve effecten op essentiële functies, zoals foerageergebied en verblijfplaatsen. Er zijn beperkte effecten, maar er blijft voldoende gelijkwaardig foerageergebied over.

Kunstlicht

Nader onderzoek naar de das, kleine marterachtigen en steenmarter is noodzakelijk in verband met het mogelijk vernietigen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen (Wnb art. 3.10 lid 1b). Een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming met betrekking tot zoogdieren is mogelijk nodig.

Conclusie

3.3.5

Vogels

Vogels met jaarrond beschermde nesten Vogels met jaarrond beschermde nesten zijn ingedeeld in 5 categorieën, waarbij de nesten van categorie 1- tot en met 4-soorten altijd jaarrond beschermd zijn. Categorie 5-soorten hebben enkel een jaarrond beschermd nest wanneer er een zwaarwegend ecologisch belang is om het nest wel jaarrond te beschermen.

Vogels met jaarrond beschermde nesten (cat. 1 - 4) Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten De NDFF toont waarnemingen van de gierzwaluw, huismus, torenvalk, havik, buizerd en wespendief in de omgeving van het onderzoeksgebied. Daarnaast worden op basis van het habitat en de verspreiding de ransuil, bosuil, steenuil en kerkuil in de omgeving verwacht.

Analyse en toetsing van mogelijke effecten De huismus en gierzwaluw zijn twee ‘gebouwbewonende’ soorten, ze broeden in nissen, onder dakpannen etc. In verband met de afwezigheid van gebouwen binnen de planlocaties A en B wordt de aanwezigheid van verblijfplaatsen van de huismus en gierzwaluw op voorhand uitgesloten. Wel kunnen de soorten voorkomen in de gebouwen in de omgeving, een negatief effect op het leefgebied wordt uitgesloten. Voor de gierzwaluw blijft er voldoende foerageergebied over bij agrarische percelen in de omgeving. Voor de huismus blijft er in de directe omgeving ook voldoende foerageergebied over in bijvoorbeeld particuliere tuinen.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Projectnummer: 51007211 Datum: 11-05-2022 Versie: D2

Huismus en gierzwaluw

30/51

Er worden bij planlocaties C en D mogelijk gebouwen gesloopt. Deze zijn mogelijk geschikt voor de huismus en/of gierzwaluw. Omdat er geen toestemming was om private terreinen te betreden, was de geschiktheid van deze gebouwen voor de huismus en gierzwaluw niet nader te bepalen. Voordat aanvullend onderzoek naar nestplaatsen wordt uitgevoerd, wordt geadviseerd om de geschiktheid van deze gebouwen eerst nader te bepalen. Indien de panden potentieel geschikt worden bevonden voor nestlocaties van de huismus en/of gierzwaluw, is aanvullend onderzoek nodig. Tijdens het veldbezoek is de huismus gehoord (zie figuur 3.12) bij de boerderijen bij planlocatie B. De geplande activiteiten hebben geen negatief effect op het leefgebied van de huismus, omdat het terrein nu hoofdzakelijk uit grasland bestaat en hierdoor minder geschikt is als foerageergebied. Tijdens het veldbezoek zijn in de bomen (bij locatie C is enkel bij de bomen langs de bosrand gekeken) geen nesten aangetroffen die in gebruik kunnen zijn door de buizerd, sperwer, havik, torenvalk, ransuil en/of bosuil. Voor de steenuil en kerkuil zijn er geen geschikte gebouwen op de planlocaties aanwezig. Daarnaast zijn er voor de steenuil geen geschikte knotwilgen aanwezig waarin zij kunnen verblijven/broeden. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten van deze soorten wordt hiermee uitgesloten.

Wel kunnen deze soorten van de planlocaties gebruik maken als foerageergebied.

Roofvogels en uilen

Vanwege het huidige gebruik wordt – door het aanbrengen van verlichting – het foerageergebied van met name uilen aangetast, echter blijven er voldoende onaangetast bos en agrarisch gebied in de omgeving over om in te foerageren. Daarnaast brandt de verlichting niet de gehele nacht door en kan er in theorie gefoerageerd worden door uilen op het sportterrein wanneer de verlichting uit staat.

Vogels met jaarrond beschermde nesten (cat. 5) Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten De NDFF toont waarnemingen van de ekster, boerenzwaluw, koolmees, pimpelmees en boomkruiper. Deze soorten hebben geen jaarrond beschermde nesten wanneer er voldoende alternatief aanwezig is, omdat ze voldoende flexibel zijn.

Analyse en toetsing van mogelijke effecten

Boerenzwaluw

De paardenstallen (C) en de nertsenverblijven (D) bij de nertsenfarm zijn mogelijk geschikt voor de boerenzwaluw. Omdat de paardenstallen open zijn en de nertsenverblijven open staan, is het mogelijk voor de boerenzwaluw om hier te broeden. Het was tijdens het veldbezoek niet mogelijk om de stallen te controleren op de aanwezigheid van nestkommen, omdat er geen toestemming was om private terreinen te betreden. Een extra bezoek is noodzakelijk om te bepalen of de opstallen geschikt zijn. Indien deze geschikt zijn, dient te worden bepaald of er in de omgeving voldoende andere geschikte opstallen aanwezig zijn (omgevingsscan/check). Indien dit niet het geval is, dan dient nader onderzoek uitgevoerd te worden en is het mogelijk nodig om een ontheffing aan te vragen. De aangetroffen nesten in de bomen in het onderzoeksgebied zijn geschikt voor de ekster. Er staan echter voldoende bomen rondom planlocaties die een alternatief bieden voor deze soort, waaronder bomen die buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden staan.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Projectnummer: 51007211 Datum: 11-05-2022 Versie: D2

Ekster

31/51

Voor soorten, zoals de koolmees, pimpelmees en boomkruiper blijven er in de omgeving meer dan voldoende alternatieve nestlocaties over in het omliggend groen. Een negatief effect op het aanbod nestlocaties voor deze soorten is niet aan de orde.

Koolmees, pimpelmees en boomkruiper

Algemene broedvogels Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten In de bomen en struweel kunnen mogelijk algemene vogels, zoals de merel, koolmees en pimpelmees, gaan broeden. Langs de oevers en op het water kunnen de fuut, meerkoet, waterhoen en wilde eend broeden.

Analyse en toetsing van mogelijke effecten Alle in Nederland broedende vogels zijn tijdens het broeden beschermd. Voorafgaand aan de verstorende werkzaamheden binnen het broedseizoen (circa half maart tot half juli), is het uitvoeren van een broedvogelcontrole noodzakelijk. De Wnb erkent officieel geen broedseizoen. Er zijn soorten die al voor half maart kunnen en/of beginnen met broeden, zoals houtduif, bosuil (december/januari) en blauwe reiger (februari/maart). Kunstlicht heeft (mogelijk) een negatief effect op algemene broedvogels. Vogels worden ’s nachts onrustiger, omdat de kans op predatie toeneemt en sommige soorten beginnen eerder met broeden. Daarnaast blijven er in de omgeving meer dan voldoende alternatieve nestlocaties over in het omliggend groen. Een negatief effect op het aanbod nestlocaties voor algemene broedvogels is niet aan de orde.

Figuur 3.12

Waargenomen soorten tijdens het veldbezoek.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Projectnummer: 51007211 Datum: 11-05-2022 Versie: D2

32/51

3.3.6

Amfibieën en reptielen

Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten De NDFF toont waarnemingen van de zandhagedis, hazelworm en alpenwatersalamander in de omgeving van de planlocaties. Daarnaast wordt de gladde slang op basis van het habitat en verspreiding in de omgeving van de planlocaties verwacht. Vrijgestelde soorten die in de NDFF staan, zijn de gewone pad, bruine kikker en kleine watersalamander.

Analyse en toetsing van mogelijke effecten De Alpenwatersalamander is niet kieskeurig voor wat betreft zijn voortplantingsbiotoop. In het voorjaar is hij in allerlei typen water te vinden, zolang het niet snel stromend of rijk aan vis is. Hij heeft een voorkeur voor zandige leemgronden, waar hij voorkomt in beboste gebieden (loofbos) of kleinschalige landschappen met heggen en struwelen10.

Alpenwatersalamander

De watergangen langs planlocaties A en D zijn mogelijk geschikt voor de soort, zie figuur 3.13. Bij het dempen van watergangen kunnen voortplantingsplaatsen worden vernietigd (Wnb art. 3.10 lid 1b). Door middel van e-DNA onderzoek kan de aanwezigheid dan wel afwezigheid van de Alpenwatersalamander in de watergangen worden vastgesteld.

Figuur 3.13.

Impressie van de watergangen bij planlocatie A en D.

De hazelworm heeft een voorkeur voor enigszins vochtige, met dichte vegetatie bedekte gebieden. De soort komt voor in open bossen, bosranden, heide, houtwallen, struwelen, spoor- en wegbermen, kalkgraslanden, vestingwerken, steenhopen, ruderale plaatsen en tuinen11. De meeste waarnemingen komen uit bos- en heideterreinen. In de planlocaties is niet het juiste habitat aanwezig voor de soort.

Hazelworm

In Nederland is de zandhagedis sterk gebonden aan duin- en heidegebieden. In het binnenland en in de kalkarme duinen wordt hij vooral aangetroffen in droge struikheideterreinen. In de kalkrijke duinen komen de meeste zandhagedissen voor in het open struweelduin12. In de planlocaties is niet het juiste habitat aanwezig voor de soort.

Zandhagedis

De gladde slang bewoont vooral droge heideterreinen, maar ook hogere delen van hoogveengebieden en open bossen en jonge aanplant op zandgrond13. In de planlocaties is niet het juiste habitat aanwezig voor de soort.

Gladde slang

Bij het dempen van watergangen, kunnen voortplantingsplaatsen worden vernietigd (Wnb art. 3.10 lid 1b). Aanvullend onderzoek naar de alpenwatersalamander is noodzakelijk. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is met betrekking tot amfibieën en reptielen mogelijk nodig.

Conclusie

10

https://ravon.nl/Soorten/Soortinformatie/alpenwatersalamander https://ravon.nl/Soorten/Soortinformatie/hazelworm 12 https://ravon.nl/Soorten/Soortinformatie/zandhagedis 13 https://ravon.nl/Soorten/Soortinformatie/gladde-slang 11

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Projectnummer: 51007211 Datum: 11-05-2022 Versie: D2

33/51

3.3.7

Vissen

Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten De NDFF toont geen waarnemingen van beschermde soorten. De rivierdonderpad wordt vanwege zijn geringe verspreiding, concurrentie van andere soorten en het ontbreken van waarnemingen in de omgeving en het ontbreken van stenige oeverkanten, niet in de omgeving verwacht14. Door de aanwezige modderlaag en op plekken aanwezige oeverbegroeiing kan mogelijk de grote modderkruiper voorkomen in de watergangen van het onderzoeksgebied15. In Nederland komt de beekprik voor in enkele relatief natuurlijk beken met een goede waterkwaliteit16. Op basis van het aanwezige habitat (watergangen langs agrarische percelen) wordt de aanwezigheid van de beekprik uitgesloten. Algemene soorten die in de watergangen rondom de watergangen voor kunnen komen, zijn baars, bittervoorn, blankvoorn, vetje, zeelt etc.

Analyse en toetsing van mogelijke effecten De grote modderkruiper komt voor in kleinere, ondiepe stilstaande of langzaam stromende wateren met een dikke modderlaag van 10 tot 30 cm dik en een rijke oever- en onderwater-vegetatie. In agrarische gebieden vormen kleine greppels en smallere watergangen die in verbinding staan met de bredere sloot, onderdeel van het leefgebied van de grote modderkruiper. In een aantal watergangen langs planlocaties A en D zijn (figuur 3.13) her en der stukken met waterplanten en/of riet aanwezig, daarnaast was er zichtbaar een modderlaag aanwezig in de watergangen in het onderzoeksgebied. Op basis hiervan kan de aanwezigheid van de grote modderkruiper in de watergangen in het onderzoeksgebied niet uitgesloten worden. Mogelijk worden vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen van de soort beschadigd of vernietigd wanneer er werkzaamheden aan de watergangen plaatsvinden (Wnb 3.10 lid 1b).

Grote modderkruiper

Door middel van e-DNA onderzoek kan de aanwezigheid of afwezigheid van de grote modderkruiper in de watergangen worden vastgesteld. Nader onderzoek naar de grote modderkruiper is nodig. Een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming met betrekking tot vissen is mogelijk nodig.

3.3.8

Ongewervelden

Actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten Beschermde insectensoorten en andere beschermde ongewervelden eisen een zeer specifiek habitat. In de NDFF zijn in de omgeving van de planlocaties waarnemingen bekend van het vliegend hert, de grote vos en de iepenpage.

14

https://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie/rivierdonderpad https://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie/grote-modderkruiper 16 https://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie/beekprik 15

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Projectnummer: 51007211 Datum: 11-05-2022 Versie: D2

34/51

Analyse en toetsing van mogelijke effecten Het vliegend hert is voor de ontwikkeling van haar larven afhankelijk van door schimmels aangetast rottend eikenhout17. Het ontbreekt in de planlocaties aan oude eiken. Deze zijn in de omgeving van de planlocaties wel te vinden. De aanwezigheid van het vliegend hert binnen de planlocaties is uitgesloten.

Vliegend hert

De grote vos komt voor in vochtige, open bossen, bosranden, boomgaarden en andere plekken met grote vrijstaande bomen. De waardplanten waarop de soort gezien wordt, zijn vooral iep; ook zoete kers en sommige wilgensoorten18. Het ontbreekt in de planlocaties aan het benodigde habitat en waardplanten voor de soort. De aanwezigheid van de grote vos binnen de planlocaties is uitgesloten.

Grote vos

De iepenpage komt voor in iepen in (vochtige) bossen, bosranden, parken en grotere tuinen. De waardplanten van de soort zijn diverse soorten iep, zoals gladde iep, ruwe iep en sommige cultivars19. Het ontbreekt in de planlocaties aan het benodigde habitat en waardplanten voor de soort. De aanwezigheid van de iepengage binnen de planlocaties is uitgesloten.

Iepenpage

Kunstlicht heeft een aantrekkend effect op insecten, zoals nachtvlinders. Het vliegend hert, de grote vos en de iepenpage zijn soorten die hoofdzakelijk overdag actief zijn. Een negatief effect door de ontwikkeling op de directe omgeving waar deze soorten mogelijk voorkomen, is uitgesloten.

Kunstlicht

Aanvullend onderzoek naar beschermde soorten is niet noodzakelijk. Een ontheffing op grond kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig.

Conclusie

17

https://www.eisnederland.nl/vliegendhert#:~:text=Het%20vliegend%20hert%20(Lucanus%20cervus,niet%20om% 20mee%20te%20eten. 18 https://www.vlinderstichting.nl/vlinders/overzicht-vlinders/details-vlinder/grote-vos 19 https://www.vlinderstichting.nl/vlinders/overzicht-vlinders/details-vlinder/iepenpage

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Projectnummer: 51007211 Datum: 11-05-2022 Versie: D2

35/51

4. Wet natuurbescherming: Houtopstanden 4.1 Toetsingskader Houtopstanden buiten de bebouwde kom bestaande uit een rij van tenminste 20 bomen of een oppervlakte van tenminste 10 are bestaande uit boomvormers (stamdiameter tenminste 0,1 meter) zijn beschermd binnen de Wet natuurbescherming, tenzij deze zich binnen de bebouwde kom bevinden. Deze bescherming geldt ook wanneer velling van een (klein) deel van dergelijke beplantingen beoogd wordt. Een “kennisgeving van voorgenomen velling” indienen bij het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is nodig bij een velling van houtopstanden die zijn beschermd binnen de Wet natuurbescherming. De eigenaar van grond, waarop een houtopstand, anders dan bij wijze van dunning, is geveld of op andere wijze tenietgegaan, is verplicht binnen een tijdvak van drie jaren na de velling of het tenietgaan van de houtopstand te herbeplanten volgens regelen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen.

Bovenstaand is niet nodig wanneer de houtopstanden vallen onder de volgende categorieën: a) houtopstanden op erven en in tuinen; b) andere houtopstanden dan op erven en in tuinen binnen een bebouwde kom als bedoeld in het volgende lid; c) wegbeplantingen en eenrijige beplantingen op of langs landbouwgronden, beide voor zover bestaande uit populieren of wilgen; d) Italiaanse populier, linde, paardenkastanje en treurwilg; e) vruchtbomen en windschermen om boomgaarden; f) fijnsparren, niet ouder dan twaalf jaren, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen; g) kweekgoed h) Het periodieke vellen van griend- en hakhout wordt voor de toepassing van deze wet niet onder vellen begrepen. i) Dunning van houtopstanden, d.w.z. het periodiek vellen welke uitsluitend dient als een verzorgingsmaatregel ter bevordering van de houtopstand. j) Indien de velling van de houtopstand benodigd is voor de uitvoering van een werk in overeenstemming met een goedgekeurd bestemmingsplan.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Projectnummer: 51007211 Datum: 11-05-2022 Versie: D2

36/51

Door middel van een veldinspectie dient in beeld te worden gebracht in hoeverre een te vellen houtopstand voldoet aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden, om welke soort het gaat en om welke aantallen het gaat.

4.2 Analyse & conclusie Uit de kaart actualisatie grenzen bebouwde kom boswet blijkt dat de planlocaties binnen het toepassingsgebied houtopstanden is geleden, zie figuur 4.1 (en bijlage 1). Bij planlocaties A, B en D worden geen bomen gekapt en is de Wet natuurbescherming Houtopstanden is niet van toepassing. Bij locatie C worden wel bomen gekapt. Deze bomen maken echter deel uit van beplanting op erven (art 4.1 lid b) en vallen hierdoor niet onder de Wet natuurbescherming Houtopstanden. De Wet natuurbescherming Houtopstanden is niet van toepassing op de te kappen bomen.

Figuur 4.1.

Ligging van de planlocaties (rood) ten opzichte de grenzen van de bebouwde kom boswet (donkergroen).

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Projectnummer: 51007211 Datum: 11-05-2022 Versie: D2

37/51

5. Natuurbeleidskaders 5.1 Inleiding Het beleidskader van de overheid dat niet in wetgeving is vastgelegd, bestaat uit: · ·

Provinciaal beleid: ° Natuurnetwerk Nederland (NNN); ° andere gebieden buiten het NNN. Gemeentelijke beleid.

5.2 Provinciaal beleid 5.2.1

Toetsingskader

In Gelderland worden de volgende gebieden beschermd door regels in de Omgevingsverordening 2022 (Afdeling 2.6): · · · · · · ·

Gelders natuurnetwerk. Groene ontwikkelingszone. Weidevogelgebieden. Ganzenrustgebieden. Natte landnatuur. Waardevol open gebied. Nationale landschappen.

Het Gelders Natuurnetwerk (GNN) (art. 2.39 tot en met 2.51) is onderdeel van Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN is het landelijke netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN bestaat uit afzonderlijke natuurgebieden en uit zones die die deze natuurgebieden met elkaar verbinden. De afweging voor ingrepen in het GNN gaat volgens het ‘nee, tenzij-principe’. Ingrepen met een significant negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden mogen niet plaatsvinden, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang en indien er geen alternatieven zijn. Indien bij een ingreep schade wordt aangericht aan een GNN-gebied, dan dient dit in ieder geval gemitigeerd te worden. De resteffecten aan verlies van kwaliteit en/of oppervlakte dienen te worden gecompenseerd. In provincie Gelderland is de externe werking van het GNN niet van toepassing. Een ‘nee, tenzij-toets’ behoeft alleen te worden doorlopen, indien er sprake is van een RO-procedure met betrekking tot wijziging van de bestemming van het projectgebied.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Projectnummer: 51007211 Datum: 11-05-2022 Versie: D2

38/51

De Groene Ontwikkelingszone (GO) (art. 2.52 tot en met 2.54) De Groene ontwikkelingszone (GO) is het gebied dat tussen en rondom natuurgebieden ligt. Hierin liggen onder andere de zogenoemde ecologische verbindingszones (EVZ), de verbindende schakels tussen de natuurgebieden. Deze zones zijn aangewezen met als doel om hier de natuur- en landschapskwaliteit te versterken. Bij een ontwikkeling of activiteit in het GO moet de natuurkwaliteit worden versterkt. Dit betekent bijvoorbeeld dat wanneer een initiatiefnemer iets wil bouwen in deze zone, tegelijkertijd de kernkwaliteiten moeten worden versterkt door aanleg van natuur- en landschapselementen. Daarnaast zijn in de verordening nog weidevogel- en ganzenrustgebieden aangewezen. Ook hier gaat het om agrarische gebieden, maar in tegenstelling tot de Groene ontwikkelingszone streven we hier geen ontwikkeling van nieuwe natuur- en landschapswaarden na. Het gaat hier om het behoud van de betekenis als broedgebied voor weidevogels of als rustgebied voor overwinterende ganzen. ·

·

Voor zover een bestemmingsplan betrekking heeft op een Weidevogelgebied (art. 2.51a), laat het in ieder geval een nieuwe windturbine of nieuw zonneveld niet toe; en een andere nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als deze geen nadelige gevolgen kunnen hebben voor de functie als broedgebied voor weidevogels. Voor zover een bestemmingsplan betrekking heeft op een Ganzenrustgebied (art. 2.51b), laat het een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat deze activiteit of ontwikkeling wordt uitgevoerd op een locatie waar de nadelige gevolgen voor de functie als rustgebied voor overwinterende ganzen zoveel mogelijk worden beperkt; en na uitvoering minimaal 500 hectare in het betreffende Ganzenrustgebied overblijft.

Onder natte landnatuur (art. 2.61) worden gebieden verstaan die direct afhankelijk zijn van de grondwatersituatie ter plaatse. De zone rondom deze gebieden wordt daarom beschermd. In de waardevol open gebieden is grootschalige openheid belangrijk (Art. 2.55). Een bestemmingsplan voor gronden binnen een Waardevol open gebied maakt ten opzichte van het op 17 oktober 2014 geldende bestemmingsplan geen bestemming mogelijk die de openheid van een Waardevol open gebied aantast. De nationale landschappen zijn representatief voor het cultuurlandschap (art 2.56). Artikel 2.56 geldt alleen voor die delen van het Nationaal landschap die buiten het Gelders Natuurnetwerk, de Groene Ontwikkelingszone en de Nieuwe Hollandse Waterlinie liggen.

5.2.2

Inventarisatie

Voor de inventarisatie van beschermde gebieden op provinciaal niveau is gebruik gemaakt van het geoportaal van provincie Gelderland20. Uit het geoportaal blijkt dat de planlocaties onderdeel uitmaken van het Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelzone. Onderdeel van het GO is een Ecologische Verbindingszone (EVZ), zie figuur 4.1.

20

https://gldanders.planoview.nl/planoview/

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Projectnummer: 51007211 Datum: 11-05-2022 Versie: D2

39/51

Figuur 4.1

Ligging planlocaties (rood omlijnd) ten opzichte van GNN-gebied en ecologische verbindingszone (groen gearceerd).

De planlocaties liggen op circa 6 km van het dichtstbijzijnde ganzenrustgebied en op circa 13 km van het dichtstbijzijnde weidevogelgebied, zie figuur 4.2. Daarnaast bevinden de locaties zich op circa 1 km van het dichtstbijzijnde Nationale Landschap en op circa 650 m van het dichtstbijzijnde aangewezen gebied voor Natte landnatuur, zie figuur 4.3.

Figuur 4.2

Ligging van de planlocaties ten opzichte van rustgebieden voor winterganzen en weidevogelgebieden.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Projectnummer: 51007211 Datum: 11-05-2022 Versie: D2

40/51

Figuur 4.3

5.2.3

Ligging van de planlocaties ten opzichte van Nationale Landschappen en Natte landnatuur.

Analyse en toetsing effecten

De planlocaties vallen buiten de aangewezen ganzenrustgebieden, weidevogelgebieden, natte landnatuur en nationale landschappen. De planlocaties A, B, en D nemen langs de randen een klein stukje van een GNNgebied mee. Echter in de huidige plannen zal het GNN niet worden aangetast en buiten de ontwikkeling vallen, negatieve effecten zijn hiermee uitgesloten. De planlocaties B en C zijn aangewezen als GO-gebied met Ecologische Verbindingszone (EVZ)21, de ontwikkeling heeft mogelijk negatieve gevolgen op het GO en het EVZ. Een nadere inventarisatie van de effecten van het plan op de oppervlakte, kernkwaliteiten en samenhang van het GO en het EVZ is noodzakelijk voor de planlocaties B en C. Bij een ontwikkeling of activiteit in het GO (en het EVZ) moet de natuurkwaliteit worden versterkt. Dit betekent bijvoorbeeld dat wanneer een initiatiefnemer iets wil bouwen in deze zone, tegelijkertijd de kernkwaliteiten moeten worden versterkt door aanleg van natuur- en landschapselementen. Door het plaatsen van verlichting, kan de uitstraling van deze verlichting een negatief effect hebben op de omliggende GNN-gebieden waarbij donkerte één van de kernwaardes is. In de huidige situatie is er enkel bij planlocatie C voor een deel al verlichting aanwezig.

Wanneer de grenswaarde voor lichthinder in/op een natuurgebied van maximaal 2,0 lux uitstraling wordt gehanteerd tussen 07:00 – 23:00 uur en 1,0 lux tussen 23.00 – 07.00 uur (Richtlijn Lichthinder van de NSVV), treedt er geen negatief effect op de omliggende GNN-gebieden. Het minimaliseren van verstoring door verlichting kan door het toepassen van gerichte verlichting en aangepaste lichtbronnen. Aanbevolen wordt om ter onderbouwing een berekening (lichtplan) te laten opstellen.

21 Het EVZ valt onder het beschermingsregime van het GO.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Projectnummer: 51007211 Datum: 11-05-2022 Versie: D2

41/51

Tabel 4.1

Samenvattende tabel provinciaal beleid

Provinciaal beleid

Locatie A

Locatie B

Locatie C

Locatie D

Geldersnatuur Netwerk

Nee

Nee

Nee

Nee

Groene Ontwikkelzone

Nee

Ja

Ja

Nee

Ganzenrustgebieden

Nee

Nee

Nee

Nee

Weidevogelgebied

Nee

Nee

Nee

Nee

Natte landnatuur

Nee

Nee

Nee

Nee

Nationale landschappen

Nee

Nee

Nee

Nee

5.3 Gemeentelijk beleid 5.3.1

Toetsingskader

Gemeente Heumen heeft, samen met een aantal buurgemeenten, in 2014 een gezamenlijk Gebiedsuitvoeringsprogramma Maas en Waal (GUP) voor het buitengebied opgesteld. Deze is per gemeente uitgewerkt in een Landschapsontwikkelingsplan (LOP). Gemeente Heumen heeft de doorlopende opgave vanuit provincie Gelderland en het Rijk om de ecologische structuur te versterken door natuurgebieden en ecologische zones met elkaar te verbinden. In een gezonde situatie kunnen verschillende diersoorten zich goed door de gemeente verplaatsen en daardoor tussen aangrenzende regio’s migreren, hetgeen populaties versterkt. Om de ecologische verbindingen in onze gemeente te blijven verbeteren. vinden doorlopend projecten plaats22. In het LOP 2019 – 2023 van de gemeente Heumen ligt de focus op de volgende natuurdoelen: 1. versterken van biodiversiteit in het natuur- en cultuurlandschap; 2. het versterken van verschillende verbindingen, in relatie tot het landschap: ecologische verbindingszones om de ecologische structuur te versterken.

5.3.2

Inventarisatie, analyse en toetsing effecten

De planlocaties B en C liggen binnen een Ecologische Verbindingszone, zie figuur 4.4. Toetsing aan de Ecologische Verbindingszone vindt al plaats in het kader van de nadere toetsing aan het GNN, GO en de Ecologische Verbindingszone. In toekomstige plannen is het mogelijk om de natuurdoelen van de gemeente mee te nemen in het ontwerp. Het is namelijk mogelijk om de biodiversiteit te versterken door het aanbrengen van bloemrijke linten, bermen en perceelsranden en het natuurinclusief bouwen van een eventueel clubhuis.

22

https://www.heumen.nl/landschapsontwikkeling

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Projectnummer: 51007211 Datum: 11-05-2022 Versie: D2

42/51

Figuur 4.4

Globale ligging van de planlocaties (rood) ten opzichte van de ecologische verbindingszone GNN (groene pijl).

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Projectnummer: 51007211 Datum: 11-05-2022 Versie: D2

43/51

6. Conclusies 6.1 Wet natuurbescherming 6.1.1

Natura 2000-gebieden

Uit de gebiedendatabase blijkt dat de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden vanaf circa 5,9 km van de locaties zijn gelegen. Het betreft de Natura 2000gebieden ‘De Bruuk’, Oeffelter Meent’, ‘Rijntakken’ en ‘Sint Jansberg’. Gezien de ligging van het plangebied ten opzichte van het Natura 2000-gebied, zijn negatieve effecten van geluid en beweging op de instandhoudingsdoelstellingen op voorhand uit te sluiten. De werkzaamheden in het plangebied resulteren niet in een oppervlakteverlies van het Natura 2000-gebied, evenmin veroorzaakt het versnippering voor aangewezen soorten, verontreiniging en verdroging. De werkzaamheden leiden niet tot verstoring door verlichting en door mechanische effecten. Stikstofemissie kan optreden tijdens zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering voorziet per 1 juli 2021 in een partiële vrijstelling van de vergunningsplicht voor stikstofemissies, afkomstig van bouw- en sloopwerkzaamheden. De aanlegfase kan vanaf die datum buiten beschouwing gelaten worden voor de beoordeling van de vergunnings-plicht. Tijdens de gebruiksfase wordt er geen toename aan stikstofdepositie verwacht, aangezien het gaat om een bestaande activiteit die op korte afstand (< 2 km) wordt verplaatst. Een AERIUS-berekening is nodig om de stikstofdepositie tijdens de gebruiksfase vast te stellen.

Afhankelijk van de resultaten van de AERIUS-berekening moet een passende beoordeling worden geschreven en/of een Wnb-vergunning worden verkregen.

6.1.2

Soortenbescherming

Vleermuizen

Gebouwbewonende soorten Alleen op planlocaties C en D zijn bouwwerken aanwezig; schuren en gebouwen/woningen die bestaan uit bakstenenmuren (mogelijk met spouw) en daken met beplating of dakpannen. Voordat aanvullend onderzoek naar verblijfplaatsen wordt uitgevoerd, wordt geadviseerd om de geschiktheid van deze gebouwen eerst nader te bepalen.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Projectnummer: 51007211 Datum: 11-05-2022 Versie: D2

44/51

Indien de panden potentieel geschikt worden bevonden voor gebouwbewonende vleermuizen, is aanvullend vleermuisonderzoek nodig. Wanneer er vaste rust- en/of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn, is het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk.

Boombewonende vleermuizen Tijdens het veldbezoek zijn er langs de randen van de planlocaties bomen met holtes, scheuren en of los zittende bast aangetroffen. Deze locaties kunnen potentieel geschikt zijn als verblijfplaats voor boombewonende soorten. Het aanbrengen van verlichting, kan leiden tot het verstoren van de verblijfplaatsen van de vleermuizen. Het treffen van mitigerende maatregelen om verstoring door verlichting tijdens de gebruiksfase op de omliggende bomen met mogelijke verblijfplaatsen te voorkomen, is noodzakelijk.

Foerageergebied en vliegroutes De bomenrijen en bosranden die mogelijk een vliegroute vormen, blijven gehandhaafd. Echter komt er in de toekomstige situatie verlichting op het terrein te staan die kan uitstralen naar de bomenrijen en bosranden. Onder vleermuissoorten verschilt de maten van lichttolerantie. Lichtschuwe soorten kunnen momenteel door de afwezigheid van verlichting vliegroutes hebben langs de planlocaties. Het aanbrengen van sportverlichting kan leiden tot het verstoren van de vliegroutes van de vleermuizen. Indien de verstoring niet voldoende kan worden gemitigeerd, is aanvullend onderzoek naar vliegroutes van vleermuizen nodig.

Maatregelen Het treffen van mitigerende maatregelen om verstoring door (bouw)verlichting tijdens en na de werkzaamheden op de omliggende vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen te voorkomen, is noodzakelijk. Verstoring door verlichting wordt geheel voorkomen door buiten de actieve periode van vleermuizen te werken, namelijk van 15 oktober – 15 april. Bij (geheel of gedeeltelijk) werken in de periode 15 april – 15 oktober dient tussen één uur vóór zonsondergang en één uur na zonsopgang verlichting niet gericht te zijn op omliggende gebouwen, bomen en andere groenstructuren. Bij de permanente verlichting dient er zo min mogelijk uitstraling te zijn naar de omgeving. Met een grenswaarde van maximaal 2,0 lux uitstraling tussen 07:00 – 23:00 uur en 1,0 lux tussen 23:00 – 07:00 uur (Richtlijn Lichthinder van de NSVV). Indien de verstoring niet voldoende kan worden gemitigeerd, is aanvullend onderzoek naar foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen nodig (Wnb art. 3.5 lid 2). Een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is dan mogelijk nodig.

Grondgebonden zoogdieren

Das In de omgeving van alle planlocatie zijn locaties van dassenburchten bekend. Bij de planlocaties A, B, C en D zijn faunavoorzieningen getroffen voor de das; faunarasters en dassentunnels. Bij de planlocaties A, B, C en D zijn loopsporen van de das aangetroffen. Bij planlocatie D is enkel een pootafdruk in een sloot aangetroffen. Op deze locatie was bij een faunatullen de afrastering kapot.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Projectnummer: 51007211 Datum: 11-05-2022 Versie: D2

45/51

Aanvullend onderzoek bij alle planlocaties is noodzakelijk om het gebruik van de locaties door de das in kaart te brengen. Vanwege de nabijheid van de dassenburchten is het noodzakelijk om vast te stellen of het essentieel foerageergebied van de das betreft, waar de burchten zijn gelegen en of deze in gebruik zijn.

Eekhoorn De eekhoorn bouwt zijn nesten in bomen, in planlocatie C worden wellicht bomen gekapt. Het was tijdens het veldbezoek niet mogelijk om alle bomen te controleren op de aanwezigheid van nesten van de eekhoorn, omdat er geen toestemming was om private terreinen te betreden. Aanvullend onderzoek bij locatie 1 is noodzakelijk om nesten van de eekhoorn uit te kunnen sluiten wanneer er bomen gekapt gaan worden.

Kleine marterachtingen De planlocaties A, C en D zijn geschikte leefgebieden voor deze soorten, verspreid zijn hier heggen, akker- en bosranden, oeverbegroeiing en/of slootkanten aanwezig waar gefoerageerd kan worden en verbinding te vormen met andere gebieden. Deze planlocaties zijn voornamelijk geschikt als foerageergebied, echter bij locatie C en D is het op voorhand niet uit te sluiten dat hier ook verblijfplaatsen aanwezig kunnen zijn. Bij locatie B ontbreekt het aan takkenrillen, holen, houtstapels, holle bomen, schuurtjes, stallen etc. en is hierdoor niet geschikt als rust- en voortplantingsplaats. Nader onderzoek naar vaste rust- en voortplantingsplaatsen van kleine marterachtigen is nodig bij locatie C en D.

Steenmarter Bij locatie C en D zijn geen geschikte elementen aanwezig voor vaste rust- en voortplantingsplaatsen. Bij locatie C en Dis op voorhand niet uit te sluiten dat er geen geschikte ruimte is in de stallen en andere bebouwing. Het was tijdens het veldbezoek niet mogelijk de stallen, schuren en gebouwen te controleren op de aanwezigheid de steenmarter, omdat er geen toestemming was om private terreinen te betreden. Nader onderzoek naar vaste rust- en voortplantingsplaatsen van de steenmarter is nodig bij locatie C en D.

Vogels met jaarrond beschermde nesten De huismus en gierzwaluw zijn twee ‘gebouwbewonende’ soorten, ze broeden in nissen, onder dakpannen etc. Er worden bij planlocaties C en D mogelijk gebouwen gesloopt. Deze zijn mogelijk geschikt voor de huismus en/of gierzwaluw. Voordat aanvullend onderzoek naar nestplaatsen wordt uitgevoerd, wordt geadviseerd om de geschiktheid van deze gebouwen eerst nader te bepalen. Indien de panden potentieel geschikt worden bevonden voor nestlocaties van de huismus en/of gierzwaluw, is aanvullend onderzoek nodig.

Algemene broedvogels Alle in Nederland broedende vogels zijn tijdens het broeden beschermd. Voorafgaand aan verstorende werkzaamheden binnen het broedseizoen (circa half maart tot half juli), is het uitvoeren van een broedvogelcontrole noodzakelijk.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Projectnummer: 51007211 Datum: 11-05-2022 Versie: D2

46/51

Amfibieën De watergangen langs planlocaties A en D zijn mogelijk geschikt voor de soort. Door middel van e-DNA onderzoek kan de aanwezigheid of afwezigheid van de Alpenwatersalamander in de watergangen worden vastgesteld. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is met betrekking tot amfibieën mogelijk nodig.

Vissen In een aantal watergangen langs planlocaties A en D zijn her en der stukken met waterplanten en/of riet aanwezig, daarnaast is een modderlaag aanwezig in de watergangen in het onderzoeksgebied. Op basis hiervan kan de aanwezigheid van de grote modderkruiper in de watergangen in het onderzoeksgebied niet uitgesloten worden. Door middel van e-DNA onderzoek kan de aanwezigheid of afwezigheid van de grote modderkruiper in de watergangen worden vastgesteld. Een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming met betrekking tot vissen is mogelijk nodig.

Overige soorten De werkzaamheden hebben geen negatief effect op beschermde planten, amfibieën, reptielen en ongewervelden. Voor algemene (niet beschermde en/of vrijgestelde soorten) geldt de zorgplicht.

Zorgplicht Ten slotte geldt de zorgplicht voor alle (ook de onbeschermde) plant- en diersoorten. De zorgplicht houdt in dat de werkzaamheden die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk worden nagelaten of maatregelen worden genomen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen.

6.1.3

Houtopstanden

Uit de kaart actualisatie grenzen bebouwde kom boswet blijkt dat de planlocaties binnen het toepassingsgebied houtopstanden is geleden. Bij planlocaties A, B en D worden geen bomen gekapt en is de Wet natuurbescherming Houtopstanden derhalve niet van toepassing. Bij locatie C worden wel bomen gekapt. Deze bomen maken echter deel uit van beplanting op erven (art 4.1 lid b) en vallen hierdoor niet onder de Wet natuurbescherming Houtopstanden.

6.2 Natuurbeleidskaders 6.2.1

Provinciaal beleid

De planlocaties vallen buiten de aangewezen ganzenrustgebieden, weidevogelgebieden, natte landnatuur en nationale landschappen. De planlocaties A, B, en D nemen langs de randen een klein stukje van een GNNgebied mee. Echter in de huidige plannen zal het GNN niet worden aangetast en buiten de ontwikkeling vallen, negatieve effecten zijn hiermee uitgesloten. De planlocaties B en C zijn aangewezen als GO-gebied met Ecologische Verbindingszone (EVZ), de ontwikkeling heeft mogelijk negatieve gevolgen op het GO en het EVZ.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Projectnummer: 51007211 Datum: 11-05-2022 Versie: D2

47/51

Een nadere inventarisatie van de effecten van het plan op de oppervlakte, kernkwaliteiten en samenhang van het GO en het EVZ is noodzakelijk voor de planlocaties B en C. Bij een ontwikkeling of activiteit in het GO (en het EVZ) moet de natuurkwaliteit worden versterkt. Dit betekent bijvoorbeeld dat wanneer een initiatiefnemer iets wil bouwen in deze zone, tegelijkertijd de kernkwaliteiten moeten worden versterkt door aanleg van natuur- en landschapselementen. Door het plaatsen van verlichting, kan de uitstraling van deze verlichting een negatief effect hebben op de omliggende GNN-gebieden waarbij donkerte één van de kernwaardes is. Het minimaliseren van verstoring door verlichting kan door het toepassen van gerichte verlichting en aangepaste lichtbronnen. Aanbevolen wordt om ter onderbouwing een berekening (lichtplan) te laten opstellen.

6.2.2

Gemeentelijk beleid

De planlocaties B en C liggen binnen een Ecologische Verbindingszone. Toetsing aan de Ecologische Verbindingszone vindt al plaats in het kader van de nadere toetsing aan het GNN, GO en de Ecologische Verbindingszone. In toekomstige plannen is het mogelijk om de natuurdoelen van de gemeente mee te nemen in het ontwerp. Het is namelijk mogelijk om de biodiversiteit te versterken door het aanbrengen van bloemrijke linten, bermen en perceelsranden en het natuurinclusief bouwen van een eventueel clubhuis.

6.3 Haalbaarheid 6.3.1

Natura 2000-gebieden

Uit de analyse blijkt dat er mogelijke effecten van stikstofdepositie kunnen optreden op Natura 20000-gebieden als gevolg van het voorgenomen plan. Omdat het hier gaat om een bestaande activiteit die naar een andere locatie wordt verplaats, wordt er geen toename aan stikstofdepositie verwacht. De verwachting is dat stikstof geen probleem vormt voor de haalbaarheid van het plan. Echter dient er voor elke planlocatie wel een AERIUS-berekening uitgevoerd te worden om aan deze verwachting te toetsen.

6.3.2

Soortbescherming

Voor het eventueel overtreden van de verbodsbepalingen van de Wnb met betrekking tot vleermuizen, kleine marterachtigen, steenmarter, huismus, gierzwaluw, boerenzwaluw, Alpenwatersalamander en grote modderkruiper, wordt het verkrijgen van een ontheffing en het treffen van mitigerende en compenserende maatregelen haalbaar geacht. De aanwezigheid van individuen, aanwezigheid van leefgebied en aanwezigheid van vaste rust- en voortplantingsplaatsen van deze soorten vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van het plan. Eventuele negatieve effecten/ overtredingen van verbodsbepalingen met betrekking tot de das zijn lastiger te compenseren/mitigeren. Er zijn binnen de planlocaties geen dassenburchten aanwezig, maar is er wel foerageergebied aanwezig. In hoeverre dit essentieel foerageergebied betreft voor het behouden van de omliggende burchten, is niet bekend.

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Projectnummer: 51007211 Datum: 11-05-2022 Versie: D2

48/51

Essentieel (primair) foerageer-gebied dient bij aantasting voor 120% gecompenseerd te worden door (akker)bouwland23 om te vormen naar grasland. Er is in de omgeving niet veel bouwland beschikbaar. Daarnaast zijn er ook nog andere lopende projecten (onder andere aanleg zonnevelden) die aanspraak doen op hetzelfde schaarse bouwland voor het compenseren van de effecten op het foerageer-gebied van de das (communicatie gemeente Heumen). De haalbaarheid van het plan hangt af van het gebruik van de planlocaties door de das en de mogelijkheid tot het compenseren van de negatieve effecten die optreden. (Essentieel) Foerageergebied van de das is op alle 4 de planlocaties potentieel aanwezig. De compensatie-opgave voor de das is verder uitgewerkt in de notitie compensatie das en GO (Spijker, 2022). Hierin heeft een eerste verkenning plaatsgevonden naar de locaties die mogelijk zijn in te zetten voor de compensatieopgave voor de das. Indien de negatieve effecten voldoende kunnen worden gecompenseerd wordt een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming vergun baar geacht.

6.3.3

Natuurbeleidskaders

Bij wijzigingen in het bestemmingsplan die binnen het GNN/GO vallen, is het noodzakelijk om het nee, tenzij principe te doorlopen. Tijdens het nee, tenzij principe dient te worden aangetoond dat er een reden van groot openbaar belang is, er geen andere alternatieven zijn en de effecten worden gecompenseerd. Voor dit plan is het de verwachting dat deze punten onderbouwd kunnen worden en het plan haalbaar is. Binnen de planlocaties A, B, C en D is een GNN-gebied gelegen. De planlocaties B en C zijn daarnaast ook aangewezen als GO-gebied met Ecologische Verbindingszone (EVZ). Omdat de zoeklocaties groter zijn dan de uiteindelijke ontwikkeling, is geen nadere beoordeling mogelijk.

23

https://boerenbunder.nl/report/51.79690,5.84007

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Projectnummer: 51007211 Datum: 11-05-2022 Versie: D2

49/51

Referenties Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), periode 2016-2021. Ingezien van https://ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal/. BIJ12 (2017) Kennisdocument Das. Ingezien van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-003-Kennisdocument-Das-1.0.pdf Spijker, R.R. (2022) Compensatieopgave das en Groene Ontwikkelzone. [concept] Referentienummer: NL22-648800269-18216. Sweco Nederland B.V., Arnhem.

Websites SOVON

www.sovon.nl.

EIS Nederland

www.eis-nederland.nl.

Vlinderstichting

www.vlinderstichting.nl.

RAVON

www.ravon.nl.

Zoogdiervereniging

www.zoogdiervereniging.nl.

Omgevingsverordening Gelderland: https://gldanders.planoview.nl/planoview/

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Projectnummer: 51007211 Datum: 11-05-2022 Versie: D2

50/51

Bijlage 1

Begrenzing bebouwde kom boswet gemeente Heumen

Sweco | Verkennend natuuronderzoek Projectnummer: 51007211 Datum: 11-05-2022 Versie: D2

51/51

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11660482/1