bijlage 1 Actualisatieplan 8 Omgevingsverordening
Tekst van het document
1. Vastgesteld actualisatieplan 8 Omgevingsverordening
INHOUDSOPGAVE Toelichtingen op de wijzigingen
3
Toelichting actualisatieplan 8
4
Toelichting op de aanleiding voor deze actualisatie
6
Toelichting op de algemene wijzigingen. Wijzigingen die inwerkingtreden onder de Omgevingswet
8
Toelichting op de wijzigingen per onderwerp
11
Motivering wijziging Natuur.
11
Motivering wijziging Water.
14
Motivering wijziging zonneparken in het buitengebied.
18
Motivering wijziging Wegen.
19
Motivering wijziging Glastuinbouw.
21
Motivering overige wijziging.
23
Bijlagen bij Toelichting op de wijzigingen
26
Bijlage Was/wordt lijst
27
Bijlage Concept Omgevingsverordening Gelderland 2022
28
Wijzigingen in Kaarten Wijzigingen in kaart Regels Glastuinbouw
29 30
glastuinbouwontwikkelingsgebied ERAF
30
glastuinbouwontwikkelingsgebied ERBIJ
30
glastuinbouwontwikkelingsgebied (2021)
30
glastuinbouw regionaal cluster (2021)
30
glastuinbouw regionaal cluster met verbrede reikwijdte extra (2021)
30
reserve glastuinbouwontwikkelingsgebied (2021)
30
glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied ERAF - ERBIJ
30
glastuinbouw in overige gebieden (2021)
30
glastuinbouwextensiveringsgebied VERVALT
30
tijdelijk verbod uitbreiding bestaande glastuinbouw (2021) VERVALT
30
tijdelijk verbod hervestiging glastuinbouw (2021) VERVALT
30
tijdelijke verbod nieuwvestiging glastuinbouw (2021) VERVALT
30
Wijzigingen in kaart Regels Natuur
31
Gelders natuurnetwerk ERAF
32
Gelders natuurnetwerk ERBIJ
32
Gelders natuurnetwerk (2021)
32
Groene ontwikkelingszone ERAF
32
Groene ontwikkelingszone ERBIJ
32
Groene ontwikkelingszone (2021)
32
1
ganzenrustgebied ERBIJ
32
ganzenrustgebied (2021)
32
weidevogelgebied ERBIJ
32
weidevogelgebied (2021)
32
verkenningsgebied voorwaarden natuurbegraven in Gelders natuurnetwerk ERAF
32
verkenningsgebied voorwaarden natuurbegraven in Gelders natuurnetwerk ERBIJ
32
verkenningsgebied voorwaarden natuurbegraven in Gelders natuurnetwerk (2021)
32
Wijzigingen in kaart Regels Erfgoed
33
molenbiotoop ERAF
33
molenbiotoop (2021)
33
bufferzone van de Romeinse Limes (NIEUW)
33
Romeinse Limes (2021)
33
Wijzigingen in kaart Regels Windenergie
34
verbodsgebied windenergie (2021) VERVALT
34
Wijzigingen in kaart Technische wijzigingen I
35
Nationaal landschap (buiten Gelders natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone) ERAF
35
Nationaal landschap (buiten Gelders natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone) ERBIJ
35
Nationaal landschap (buiten Gelders natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone) (2021)
35
verkenningsgebied voorwaarden natuurbegraven in Gelders natuurnetwerk ERAF
35
verkenningsgebied voorwaarden natuurbegraven in Gelders natuurnetwerk ERBIJ
35
verkenningsgebied voorwaarden natuurbegraven in Gelders natuurnetwerk (2021)
35
Gelders natuurnetwerk windturbines onder voorwaarden mogelijk ERAF
35
Gelders natuurnetwerk windturbines onder voorwaarden mogelijk (2021)
35
Wijzigingen in bijlagen bij Regels Bijlage aangewezen provinciale wegen voor geluidproductieplafond
36 37
2
TOELICHTINGEN OP DE WIJZIGINGEN In dit actualisatieplan vindt u de toelichting en motivering van de wijziging en de voorgestelde wijziging per onderwerp. Ook zijn de wijzigingen naar aanleiding van zienswijze en ambtshalve wijzigingen vermeld. Daarna volgt een was/wordt lijst van de artikelen. Ook treft u hier de omgevingsverordening in concept aan zoals deze wordt als dit actualisatieplan is vastgesteld door Provinciale Staten. Als laatste worden de wijzigingen in en van kaarten weergegeven.
3
Toelichting actualisatieplan 8 De Omgevingsverordening Gelderland is onderdeel van de beleidscyclus van de provincie en één van de instrumenten waarmee uitvoering wordt gegeven aan de ambities uit de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. Die beleidscyclus en daarmee ook deze verordening is gericht op zowel het beschermen als het (duurzaam) benutten van de fysieke leefomgeving in onze provincie. Telkens letten wij op een goede balans tussen het beschermen en borgen van belangen en het mogelijke maken van ontwikkelingen in een bepaalde gebied binnen de provincie. Daarbij zorgen wij ook voor de bescherming van belangrijke waarden als het Gelders natuurnetwerk en grondwaterbeschermingsgebieden. De huidige omgevingsverordening wordt met deze actualisatie in zijn geheel aangepast. Dat is nodig om te voldoen aan de vereisten en om aan te sluiten bij de taal en de bedoelingen van de Omgevingswet. We voeren met deze actualisatie ook een aantal beleidsinhoudelijke wijzigingen door. Deze toelichting heeft de volgende inhoud: • Een toelichting op de aanleiding voor deze actualisatie, met de volgende onderwerpen: ◦ Omgevingswet en beleidscyclus voor de leefomgeving van Gelderland; ◦ uitgangspunten bij deze Actualisatie 8; ◦ typen van regels in deze verordening.
• Een toelichting op de algemene wijzigingen, met de volgende onderwerpen: ◦ gewijzigde indeling; ◦ gewijzigde inhoud; ◦ gewijzigde terminologie; ◦ gewijzigde bevoegdheidstoedeling; ◦ termijn voor uitvoering van instructieregels. • Een toelichting op wijzigingen per onderwerp: ◦ natuur; ◦ water; ◦ zonneparken in het buitengebied; ◦ wegen; ◦ glastuinbouw. Uitstel inwerkingtreding Omgevingswet Op 26 mei werd bekend dat de invoering van de Omgevingswet voor de derde keer uitgesteld is. De nieuwe datum van inwerkingtreding is 1 juli 2022. De belangrijkste reden voor het uitstel is het opleveren, inregelen en stabiel werkend krijgen van het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO). Omdat niet gegarandeerd kon worden dat dit voor 1 januari 2022 zou lukken, ontstonden risico’s voor de dienstverlening aan inwoners en bedrijven en de doorgang van urgente gebiedsontwikkelingen. Dit actualisatieplan is gemaakt met het oog op de uitvoering van de Omgevingswet. Dit betekent dat de daarbij behorende opbouw, inhoud, bevoegdheden en terminologie pas bij inwerkingtreding van de Omgevingswet in kunnen gaan. In dit actualisatieplan staan ook beleidsrijke veranderingen. Een deel hiervan staat los van de Omgevingswet en gaat na vaststelling van de verordening in (groen blokje). Een ander deel gaat tegelijk met de Omgevingswet in (paarse blokje). Zie schema hieronder.
4
Daarnaast hebben we ook de wijzigingen uit de zienswijzen of ambtshalve per onderwerp vermeld in dite plan. Wijzigingen die direct na het Provinciale Staten-besluit waarin het actualisatieplan is vastgesteld inwerking treden, zijn uiteraard ook in de verordening onder de Omgevingswet aangebracht.
5
Toelichting op de aanleiding voor deze actualisatie Directe aanleiding: de inwerkingtreding van de Omgevingswet De omgevingsverordening is één van de kerninstrumenten van de Omgevingswet. Met dit instrument stellen Provinciale Staten regels voor de fysieke leefomgeving van Gelderland en instructieregels voor gemeenteraden en waterschapsbesturen. Daarmee draagt de omgevingsverordening bij aan de realisatie van de ambities en doelen die in de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland staan. Die omgevingsvisie is in 2018 vastgesteld en is ook een kerninstrument van de nieuwe Omgevingswet. De ambities en doelen die erin zijn beschreven, zijn bedoeld als een lange termijn perspectief voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving van Gelderland. Dat is de kwaliteit van de plek waar we wonen, werken en onze vrije tijd doorbrengen. Deze plek moet veilig en gezond zijn en tegelijkertijd ook ruimte bieden aan nieuwe ontwikkelingen en aan initiatieven van inwoners en ondernemers. De visie wordt verder uitgewerkt door Gedeputeerde Staten in (beleids-)programma’s en in uitvoerende maatregelen. Die uitwerking is gebaseerd op bestuurlijke afwegingen, die gemaakt worden in overleg met Provinciale Staten en in dialoog met andere bestuursorganen, instellingen en belanghebbenden. Om beleidsprogramma’s uit te kunnen voeren kan onder andere gekozen worden voor deze verordening.
Daarin leggen Provinciale Staten vast welke regels er binnen gebieden gelden en op welke manier bepaalde belangen binnen die gebieden worden beschermd. Ook regelt de verordening dat in concrete situaties een afweging tussen belangen kan plaatsvinden en op die manier maatwerk kan worden geleverd. Maatwerk dat in concrete situaties nodig is om een zo optimaal mogelijk resultaat te krijgen. Vooruitlopend op de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn we in Gelderland in 2014 al overgegaan tot de integratie van verschilende provinciale regelingen tot één omgevingsverordening. Die integratie wordt met dit Actualisatieplan 8 afgerond, zodat we voldoen aan de Omgevingswet met één integrale set van regels voor de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Uitgangspunten bij deze actualisatie Bij het opstellen van het ontwerp van deze actualisatie is kritisch bekeken welke redenen (provinciale belangen, taken en bevoegdheden) wij hebben om regels te stellen en wat de wettelijk verplichte inhoud is die wordt voorgeschreven door de Omgevingswet. Ook hebben we rekening gehouden met de geschiktheid van andere bevoegdheden en instrumenten om onze ambities en doelen te realiseren, in plaats van het stellen van regels. We stellen geen regels als de rijksregels voldoende toereikend zijn, of als gemeenten en waterschappen aan zet zijn of als een regel in de praktijk weinig effectief is.
Dit past bij het uitgangspunt van de Omgevingswet “decentraal, tenzij” (subsidiariteitsbeginsel). In aansluiting op dit uitgangspunt maken we in deze omgevingsverordening expliciet welke provinciale belangen met de gestelde regels worden behartigd en welke doelen ermee worden nagestreefd. We doen dit via oogmerkbepalingen. Ook die duidelijkheid zijn we volgens de Omgevingswet verplicht. We vinden dat bovendien wenselijk met het oog op onze ambities en doelen. In aansluiting bij de Omgevingswet heeft de omgevingsverordening een ruime mate van flexibiliteit. Deze afwegingsruimte is al bij de vorige Actualisatie (nummer 7) in 2021 in de verordening opgenomen, waarmee toen al werd vooruitgelopen op de Omgevingswet. Samengevat wordt aan de behoefte aan flexibiliteit op twee manieren vormgegeven in de omgevingsverordening: • De omgevingsverordening opent met een algemeen beoordelingskader voor de sturing op de bescherming van de fysieke leefomgeving in Gelderland, inclusief de mogelijkheid voor een belangenafweging met het oog op de realisatie van ambities en doelen. Dit kader biedt ruimte voor maatwerk in concrete situaties, waar uitvoering van de regels knelt. Dat maatwerk moet dan wel gebaseerd worden op een goed gemotiveerde beslissing, met toepassing van de criteria die in het afwegingskader staan.
Sommige belangen lenen zich niet voor dit maatwerk, zoals het belang van de bescherming van weidevogels. Voor die belangen is het maatwerk expliciet
6
uitgesloten. • In de omgevingsverordening stellen we ook specifiekere regels met een eigen afwegingskader. De meeste specifieke regels bevatten dus ook al een mogelijkheid van flexibiliteit en afweegbaarheid binnen die regel. Het is niet nodig om het algemeen afwegingskader te gebruiken als de afweegruimte van specifieke regels volstaat. Die afweegruimte biedt dan voldoende duidelijkheid over de bescherming van een belang, de mogelijkheid voor een ontwikkeling en toepassing ervan leidt niet tot knelpunten. Typen van regels in deze verordening De regels gaan over uiteenlopende onderwerpen en zij gelden voor verschillende doelgroepen. Zo scheppen we voorwaarden en mogelijkheden voor inwoners en bedrijven om activiteiten te verrichten, als daarbij sprake is van provinciale belangen of taken. In een ander deel van de omgevingsverordening verschaffen wij opdrachten aan andere bestuursorganen van de overheid, zoals het bestuur van de gemeente, het waterschap, maar ook van de provincie zelf. Die bestuursorganen krijgen via de omgevingsverordening bepaalde instructies over de inhoud van hun besluiten en over de manier waarop zij hun taken uitvoeren. Daarnaast is in de omgevingsverordening sprake van een aantal procedurele regels. In de volgende hoofdstuk staat de toelichting op alle wijzigingen in dit plan.
Daarbij is vermeld in de titel en met blokjes of deze wijzigingen vanwege de Omgevingswet zijn of dat de wijzigingen vanwege beleidsverandering zijn.
7
Toelichting op de algemene wijzigingen. Wijzigingen die inwerkingtreden onder de Omgevingswet
Door de invloed van de Omgevingswet zijn algemene wijzigingen doorgevoerd in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om wijziging in de indeling, inhoud, termen, bevoegdheid en termijn voor uitvoering. Gewijzigde indeling Het eerste dat opvalt aan actualisatieplan 8 is de gewijzigde indeling van de omgevingsverordening. De geconsolideerde versie van de omgevingsverordening die nu nog geldt, is een bundeling van losse, sectorale verordeningen. Met hoofdstukken over ruimte, milieu, water en wegen. De nieuwe indeling die we voorstellen in dit actualisatieplan sluit aan bij de structuur en opbouw van het stelsel van de Omgevingswet. In onderstaande tabel wordt de nieuwe indeling globaal vergeleken met de huidige indeling. In de zogenaamde Was-wordt-lijst, zie bijlage, (transponeringstabel) is per artikel te zien of en zo ja, op welke plek de huidige regels in de gewijzigde indeling staan. Huidige indeling
Nieuwe indeling
omgevingsverordening
omgevingsverordening
Hoofdstuk 1 Algemeen
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Hoofdstuk 2 Ruimte
Hoofdstuk 2 Toedeling van beheer en onderhoud
Hoofdstuk 3 Milieu, ontgrondingen, natuur Hoofdstuk 4 Water
Hoofdstuk 3 Omgevingswaarden Hoofdstuk 4 Regels over activiteiten in de leefomgeving
Hoofdstuk 5 Provinciale wegen
Hoofdstuk 5 Instructieregels omgevingsplan
Hoofdstuk 6 Procedures
Hoofdstuk 6 Overige instructieregels
Hoofdstuk 7 Handhaving
Hoofdstuk 7 Procedures, toezicht en handhaving
Hoofdstuk 8 Overgangs- en
Hoofdstuk 8 Monitoring en
slotbepalingen
verslaglegging Hoofdstuk 9 Overgangsrecht en slotbepaling
Door meerdere sectorale verordeningen in één omgevingsverordening te bundelen, liepen we al vooruit op de Omgevingswet om alle provinciale regels over de fysieke leefomgeving samen te voegen. Met Actualisatieplan 8 ronden we die bundeling af. We nemen ook de volgende provinciale verordeningen op in de omgevingsverordening:
8
• de Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht provincie Gelderland (VTH -verordening) • de Waterverordening waterschap Rijn en IJssel • de Waterverordening waterschap Rivierenland; • de Waterverordening waterschap Vallei en Veluwe; en • de Nadere regels Wegenverordening Gelderland 2010. Gewijzigde inhoud De regels zijn vrijwel allemaal overgenomen uit de huidige omgevingsverordening en de hiervoor genoemde verordeningen. Alle regels zijn eerst getoetst aan het subsidiariteitsbeginsel uit de Omgevingswet. Dit betekent dat de taakverdeling tussen de provincie en de gemeenten en waterschappen is bekeken: welke provinciale belangen hebben bescherming nodig en of doorwerking via de omgevingsverordening? Deze toets heeft niet geresulteerd in het schrappen van veel regels. De huidige omgevingsverordening beperkt zich al tot regels over provinciale belangen. Bij de motivering van de beleidsrijke wijzigingen wordt hier verder op ingegaan. Een tweetal kleinere voorbeelden waarin de subsidiariteitstoets leidt tot een toedeling of overlaten van een bevoegdheid aan het gemeentebestuur (omgevingsplanwetgever) zijn: • Afwijkruimte bij instructieregels: In het vorige actualisatieplan is de ADC-toets uit het nieuwe beoordelingskader (hoofdstuk 1a) expliciet opgehangen aan de ontheffingsbevoegdheid van Gedeputeerde Staten.
In dit nieuwe actualisatieplan wordt voorgesteld deze bevoegdheid toe te delen aan het gemeentebestuur. De wensen-enbedenkingen-procedure die in de verordening bij amendement is opgenomen (Actualisatieplan 7) geldt niet meer bij een voorgenomen besluit (besluit dat nog moet worden genomen) van Gedeputeerde Staten op een verzoek om ontheffingverlening door een gemeentebestuur. Deze procedure ‘verhuist’ naar het voornemen om wel of geen zienswijze in te dienen beroep in te stellen en of een reactieve interventie te plegen. Deze middelen kunnen worden ingezet bij gemeenten die een voornemen hebben om in een omgevingsplan of een bij een wijziging daarvan gebruik maken van deze ADC-toets. De wensen-en-bedenkingenprocedure blijft ook gelden voor de andere afwijkbevoegdheden, die bij Gedeputeerde Staten liggen. Voorbeelden daarvan zijn maatwerkvoorschrift, maatwerkregels en experimentbepaling. De wensen-en-bedenkingenprocedure geldt niet voor de ontheffing van instructieregels waarbij gebruik wordt gemaakt van het wettelijk toetsingscriterium die in de omgevingswet staan. Die ontheffingsbevoegdheid maakt geen deel uit van het opgenomen beoordelingskader. Van deze bevoegdheid is in het verleden gebruik gemaakt zonder toepassing van een wensen-en-bedenkingen-procedure.
• Overgangsrecht bij instructieregels: De huidige omgevingsverordening bevat standaard overgangsrecht voor instructieregels. In dit actualisatieplan wordt voorgesteld de regulering van overgangsrecht bij de omzetting van provinciale instructieregels over te laten aan de omgevingsplanwetgever. Het aantal regels is niet verminderd (eerder toegenomen door de toevoeging van regels uit andere verordeningen). Wel is een aantal regels vereenvoudigd. Zie bijvoorbeeld de wijzigingen in de regels over glastuinbouw in het volgende hoofdstuk. Gewijzigde terminologie Met de inwerkingtreding van het nieuwe stelsel van de Omgevingswet worden nieuwe instrumenten en bijbehorende nieuwe termen geïntroduceerd. Deze wijzigingen werken uiteraard ook door in deze verordening als één van de bouwstenen van dat nieuwe stelsel. Voorbeelden van nieuwe instrumenten zijn: een omgevingsplan in plaats van een bestemmingsplan of beheersverordening, een omgevingsvergunning in plaats van een ontheffing, en maatwerkregels in plaats van nadere regels. Andere voorbeelden van nieuwe termen zijn: activiteit, beoordelingsregel, beperkingengebied, maatwerkregels en maatwerkvoorschriften. Verdwenen zijn termen als: bestemmingsplan
9
en inrichting. Gewijzigde bevoegdheidstoedeling De Omgevingswet gaat bij algemene regels op decentraal niveau uit van één document: op provinciaal niveau worden alle algemene regels over de fysieke leefomgeving opgenomen in een omgevingsverordening. Dit geldt dus ook voor nadere regels of maatwerkregels, die vanwege het uitvoerende karakter of detailniveau door Gedeputeerde Staten worden vastgesteld. De Omgevingswet maakt het daarom mogelijk dat delen van de omgevingsverordening voortaan door Gedeputeerde Staten worden vastgesteld. Welke delen dat zijn, wordt bepaald in artikel 2.22, tweede lid, van de Omgevingswet en in een nieuw delegatiebesluit op grondslag van artikel 2.8 van de Omgevingswet, dat tegelijkertijd met de Omgevingswet in werking zal treden. In dat delegatiebesluit zal een verdeling van de bevoegdheid om regels te maken worden opgenomen. Een voorbeeld hiervan zijn de nadere regels in het kader van het gebruik, beheer en onderhoud van provinciale wegen die door Gedeputeerde Staten zijn vastgesteld en nu deel gaan uitmaken van de omgevingsverordening. Termijn voor uitvoering van instructieregels Gemeentebesturen krijgen (waarschijnlijk) tot 1 januari 2029 de tijd om de huidige bestemmingsplannen, beheersverordeningen en andere verordeningen over onderdelen van de fysieke leefomgeving (bijvoorbeeld de kapverordening) tot één omgevingsplan te maken.
Die huidige plannen worden, vanaf de datum waarop de Omgevingswet in werking treedt, gezien als een delen van ‘het omgevingsplan’. In dit plan stellen wij geen termijn waarbinnen uitvoering moet zijn gegeven aan provinciale instructieregels. Voor alle instructieregels in hoofdstuk 5 geldt dat daaraan uitvoering moet worden gegeven met ingang van 1 juli 2022. Dit betekent niet dat gemeenten al vóór 1 juli 2022 het omgevingsplan van de Omgevingswet gereed moet hebben. Het betekent wel dat gemeenten binnen de eigen planning voor het opstellen van het omgevingsplan aan alle op dat moment geldende en relevantie instructieregels uitvoering moet geven. Bijvoorbeeld bij het verlenen van omgevingsvergunningen. Wanneer bij toekomstige aanpassingen van de instructieregels een lopende planning van gemeente belemmert, kunnen afspraken gemaakt worden over de uitvoeringstermijn. Uiteindelijk zal in elk gemeentelijk omgevingsplan dat uiterlijk op 1 januari 2029 wordt vastgesteld aan alle instructieregels uitvoering worden gegeven en geborgd door de gemeenten. In twee gevallen is een aparte omzettingstermijn opgenomen: bij het Plussenbeleid en het verbod nieuwvestiging en uitbreiding van geitenhouderij, zie ook hoofdstuk Motivering overige wijzigingen.
10
Toelichting op de wijzigingen per onderwerp In dit hoofdstuk motiveren we per onderwerp welke wijzigingen worden voorgesteld. Dit kunnen wijzigingen zijn die verband houden met inwerkingtreding van de Omgevingswet (a. paarse blokje) en wijzigingen die daar los van staan (b. groene blokje). Het gaat om de volgende onderwerpen: natuur, water, zonneparken in het buitengebied, provinciale wegen en glastuinbouw.
Motivering wijziging Natuur. a. Wijzigingen die inwerkingtreden onder de Omgevingswet.
Zoals aangegeven passen wij door de Omgevingswet de verordening op een aantal punten technisch aan. Ook geven wij uitleg over de invloed van de Omgevingswet op een aantal onderdelen binnen natuur. Het betreft hier geen beleidsrijke wijzigingen. Gelders natuurnetwerk De Omgevingswet beoogt een beleidsneutrale overgang. Toch zijn er twee verschillen. • Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) heeft als doel: behoud van kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk. Wij hebben in de verordening opgenomen dat activiteiten worden toestaan, mits de kwaliteit, oppervlakte en samenhang (per saldo in het gebied) behouden blijven of als deze succesvol de ADC-toets (artikel 1.7) doorlopen. Het Bkl schrijft de ADC-toets niet meer voor maar wij blijven deze wel hanteren. • Een ander verschil is dat Provinciale Staten ruimere bevoegdheden krijgen om de begrenzing van het natuurnetwerk aan te passen. Op dit moment mag een herbegrenzing plaatsvinden onder de voorwaarden genoemd in artikel 2.10.5 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ontwikkeling (Barro). Onder de Omgevingswet mag een herbegrenzing plaatsvinden als de oppervlakte, kwaliteit en samenhang van het GNN niet achteruit gaan. Houtopstanden De regels over houtopstanden blijven inhoudelijk gelijk, op twee kleine aanpassingen na.
Dat is het verruimen van de mogelijkheid voor afwijking van de termijn voor herbeplanting bij het vellen van een houtopstand (artikel 7.23) en het gebruik van de compensatiepool bij herbeplanting op andere grond (artikel 7.25). De regels voor houtopstanden zijn op twee plaatsen te vinden: paragraaf 4.2.2 en paragraaf 7.4.3. Paragraaf 4.2.2 geeft uitleg over wat Provinciale Staten verstaan onder wettelijke begrippen als kapverbod, bosbouwkundig verantwoord herbeplanten en brandgang. Paragraaf 7.4.3 geeft regels om een besluit te kunnen nemen op aanvragen. Bijvoorbeeld een aanvraag om af te wijken van de termijn voor herbeplanting. Voor de volledigheid vermelden wij dat een bepaling die voorheen in de Uitvoeringsregels Wet natuurbescherming Gelderland 2018 stond, nu is verplaatst naar artikel 4.10. Faunabeheer In de artikelen over faunabeheer (afdeling 2.1) wordt voorgesteld enkele onnodige bepalingen te schrappen. Het gaat dan bijvoorbeeld over het telprotocol het faunaregistratiesysteem en bepaalde technische eisen aan het
11
faunabeheerplan. Het is niet nodig dit in de omgevingsverordening op te nemen nu hierover afspraken zijn gemaakt met de Faunabeheereenheid Gelderland. Aan het faunabeheerplan stellen we als eis dat deze een beschrijving van de handelingen van het huidige en voorgaande faunabeheerplan bevat. Ook moet het faunabeheerplan voldoen aan de wettelijk eisen en die nodig zijn om vergunningen te kunnen verlenen om uitvoering te geven aan het plan. Wijzigingen naar aanleiding van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen Er zijn geen wijzigingen vanuit zienswijzen of ambtshalve in de verordening onder de Omgevingswet.
b. Wijzigingen die direct inwerking treden.
Bij natuur wordt aanpassing op de volgende onderwerpen voorgesteld: Groene ontwikkelingszone en grensaanpassingen van verschillende kaarten. Daarnaast volgen een aantal wijzigingen vanuit de zienswijzen en ambtshalve wijzigingen. Groene ontwikkelingszone De Groene ontwikkelingszone (GO) is het gebied dat tussen en rondom de grote natuurkernen is gelegen. Hier worden bijvoorbeeld natuur- en landschapselementen aangelegd ter verbetering van de migratiemogelijkheden voor planten en dieren. Het gaat vooral om landbouwgrond, maar ook om terreinen voor verblijfs- en dagrecreatie, wegbermen, erven en landgoederen. De Groene ontwikkelingszone heeft een dubbele doelstelling. Er is ruimte voor economische ontwikkeling in combinatie met een versterking van kernkwaliteiten en de samenhang tussen natuurgebieden in deze zone. We willen de regels aanpassen omdat bij de uitvoering van de huidige regels te vaak discussie is over wat verstaan wordt onder een grootschalige of een kleinschalige ontwikkeling en onduidelijk is wat verstaan wordt onder de vereiste substantiële versterking bij kleinschalige ontwikkelingen. De nieuwe regel houdt in dat elke ontwikkeling die in de Groene ontwikkelingszone plaatsvindt moet bijdragen aan de versterking van de kwaliteiten. De mate van versterking hangt af van de omvang en de impact van de ontwikkeling.
Bovendien is vastgelegd dat de samenhang niet verloren mag gaan. Een zonnepark dat de functie als verbindingszone aantast, waardoor de samenhang verloren gaat, is bijvoorbeeld niet toegestaan. Grensaanpassingen We passen op een aantal plaatsen de begrenzing aan. Het betreft: • Uitbreiding van een verkenningsgebied natuurbegraven op verzoek van de gemeente Apeldoorn. Het gebied voldoet aan de criteria. • Uitbreiding van een ganzenrustgebied naar aanleiding van een toezegging in reactienota van Actualisatieplan 7. • Uitbreiding van een weidevogelgebied naar aanleiding van een toezegging in de reactienota van Actualisatieplan 7. • Enkele herbegrenzingen Gelders natuurnetwerk (GNN) en GO. Het gaat hier om een herbegrenzing naar aanleiding van natuurontwikkeling, in het Rivierklimaatpark langs de IJssel. Drie herbegrenzingen (Lochem, Groesbeek en Barneveld) vinden plaats in verband met verbeteren van de ecologische samenhang en één
12
herbegrenzing (Nijmegen) vindt plaats in verband met het herstel van een fout. • Bij actualisatieplan 7 zijn de weidevogelgebieden en de ganzenrustgebieden uit de Groene ontwikkelingszone gehaald en hebben deze gebieden een eigen, beter passend, beschermingsregime gekregen. In enkele gevallen was er overlap tussen deze twee gebieden. Omdat weidevogelgebieden een strenger beschermingsregime hebben dan ganzenrustgebieden, hebben we bij overlap ervoor gekozen het gebied alleen aan te wijzen als weidevogelgebied. In de praktijk blijkt dat het niet wenselijk is, omdat hierdoor enkele ganzenrustgebieden ten onrechte verkleind wordt. Daarom zal het deel van de ganzenrustgebieden dat overlapt met weidevogelgebied weer als ganzenrustgebied op de kaart gezet. Zie voor de precieze locaties Wijzigingen in kaarten natuur. Wijzigingen naar aanleiding van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen Een aantal zienswijzen heeft geleid tot een aanpassing van de begrenzing van kaarten. Het betreft zienswijzen 10 (begrenzing GO), 12 en 13 (begrenzing GNN), 22 (begrenzing Verkenningsgebied natuurbegraven) en 23 (begrenzing Nationaal Landschap). Daarnaast heeft een aantal insprekers goede suggesties gedaan om de bijlage Kernkwaliteiten GNN en GO aan te vullen. Wij hebben deze zienswijzen overgenomen en de tabel met kernkwaliteiten aangevuld. Het betreft zienswijzen 7, 8 en 16.
Eigenaren van landgoederen hebben ingesproken op de nieuwe artikelen van de Groene ontwikkelingszone. Zij verzoeken de regels voor landgoederen met opstallen als bedoeld in de Natuurschoonwet gelijk te houden aan de huidige regels. Dit was ook onze bedoeling en daarom hebben we de suggesties overgenomen. Het betreft zienswijzen 16 en 44. Naar aanleiding van zienswijzen hebben wij in de toelichting duidelijk gemaakt wat wij bedoelen met bepaalde begrippen. Bij zienswijze 29 hebben wij in de toelichting bij artikel 5.4 het verschil uitgelegd tussen de Groene ontwikkelingszone en het Gelders natuurnetwerk. Bij zienswijze 44 hebben wij in de toelichting aangegeven wat wordt bedoeld met de functie ‘samenhang’ van de Groene ontwikkelingszone: het gaat om ecologische samenhang, oftewel de verbindende functie. Ambtshalve hebben wij tekstuele aanpassingen doorgevoerd (artikel 5.2, 5.5, 5.10 en 7.25). Daarnaast hebben wij de verplichting om de natuur in stand te houden toegevoegd aan de artikelen voor compensatie in het GNN en versterking in de GO. Het artikel over uitbreiding in het GNN (artikel 5.8) hebben wij aangepast zodat de tekst inhoudelijke gelijk blijft aan de huidige tekst. In de bijlage Kernkwaliteiten GNN en GO hebben wij modellen van ecologische verbindingszones en locaties toegevoegd. Deze waren per abuis niet opgenomen in de versie die ter inzage heeft gelegen.
In de bijlage ‘Vergunningvrij geval: asbestsanering’ hebben wij ambtshalve een kennelijke fout gecorrigeerd. In de bijlage stond dat activiteiten in het broedseizoen moeten worden uitgevoerd, uiteraard moet dit buiten het broedseizoen zijn. In artikel 2.2 hebben wij toegevoegd dat het faunabeheerplan ook een beschrijving bevat van de handelingen van het huidige en voorgaande faunabeheerplan. Ook hebben wij de toelichting aangepast. In artikel 4.2 (aanwijzing vergunningvrij geval: schadeveroorzakende soorten) hebben wij de woelrat van de provinciale vrijstellingenlijst geschrapt. Dit is al aangekondigd in het Uitvoeringskader Fauna Gelderland van 5 februari 2019. Ook hebben wij het opzettelijk storen van de brandgans van de provinciale vrijstellingenlijst geschrapt. De reden hiervan is dat het opzettelijk storen van de brandgans op grond van de Wet natuurbescherming al is toegestaan. Dit is het geval als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de brandgans. De staat van instandhouding van de brandgans is gunstig. Hierdoor is het niet nodig de brandgans op de vrijstellingenlijst te plaatsen.
13
Motivering wijziging Water. a. Wijzigingen die inwerkingtreden onder de Omgevingswet.
Bij water wordt aanpassing op de volgende onderwerpen voorgesteld: grondwaterbescherming, bodem- en grondwaterverontreiniging, waterverordeningen voor de waterschappen, omgevingswaarden, zwemwater, waterprogramma en financiële bepalingen. Daarnaast volgen een aantal wijzigingen vanuit de zienswijzen en ambtshalve wijzigingen. Grondwaterbescherming Het zogenaamde ‘inrichtingenbegrip’ uit de Wet milieubeheer komt in de Omgevingswet niet meer terug. Daarom is het noodzakelijk om de regels voor grondwaterbescherming in de omgevingsverordening te wijzigen. We gebruiken alleen nog rechtstreeks werkende regels voor bedrijven en inwoners. De instructieregels aan gemeenten vervallen. In de omgevingsverordening zeggen we welk resultaat en of doel een initiatiefnemer moet behalen. Via het Omgevingsloket kan de initiatiefnemer vinden welke maatregelen en voorziening gebruikt moeten worden om dat doel te behalen. De nieuwe regels hebben hetzelfde uitgangspunt: een goede bescherming van het grondwater dat wordt gebruikt voor de openbare drinkwaterwinning. De verboden en verplichtingen (waaronder de voorgeschreven maatregelen en voorzieningen) zijn dan ook inhoudelijk grotendeels hetzelfde gebleven. Op enkele details zijn er wel verschillen met de huidige regels. Dat komt onder andere omdat het inrichtingenbegrip vervalt.
Zo is de lijst van verboden inrichtingen in waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden omgezet naar een nieuwe lijst van verboden activiteiten, gebaseerd op het Besluit activiteiten leefomgeving. Twee activiteiten zijn in de nieuwe regels explicieter verboden dan in de huidige regels. Dat is het verbod om in een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied een ondergrondse opslagtank aan te leggen, en het verbod om in alle beschermingsgebieden de beschermende werking van een bodemlaag aan te tasten. Hoewel de huidige regels hier theoretisch gezien nog uitzonderingen op mogelijk maken, is praktisch gezien al sprake van een verbod. Dit maken we in de nieuwe regels expliciet. Voor de beschermende bodemlagen waar het om gaat staat bij de informatie van de betreffende beschermingsgebieden wat de maximale (boor)diepte is, waarbij ervan uit mag worden gegaan dat de beschermende werking van een bodemlaag niet wordt aangetast. Bodem - en grondwaterverontreiniging Als de Omgevingswet en de Aanvullingswet bodem gaan gelden, wordt de Wet bodembescherming ingetrokken. De nieuwe bodemregels binnen het stelsel van de Omgevingswet gaan uit van de volgende drie pijlers: 1. nieuwe verontreiniging of aantasting voorkomen (preventie); 2.
bodemkwaliteit meewegen als onderdeel van een brede afweging van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in relatie tot de functies (toedeling van functies);
14
3. resterende, historische verontreinigingen duurzaam en doelmatig beheren (beheer van historische bodemverontreinigingen). Aanvullend op de regels van het Rijk en om de Kaderrichtlijn Water en de Grondwaterrichtlijn goed uit te kunnen voeren, worden in deze verordening enkele regels over bodemonderzoek en bodemsanering bij grondwaterverontreiniging opgenomen. Die regels richten zich op de verplichtingen van een initiatiefnemer die wil saneren of ontgraven bij een grondwaterverontreiniging met negatieve gezondheidseffecten of een grondwaterverontreiniging met risico’s voor kwetsbare objecten, zoals bijzondere natuur of zwemwater. De verplichtingen bestaan uit het doen van onderzoek naar de kwaliteit van het grondwater en, indien noodzakelijk, het zoveel mogelijk verwijderen van de verontreinigingsbron in de vaste bodem om zo veel mogelijk te voorkomen dat het grondwater verder wordt vervuild. Waterverordeningen waterschappen - omgevingswaarden De inhoud van de huidige waterverordeningen voor de waterschappen (Rijn en IJssel, Vallei en Veluwe, Rivierenland) wordt onder de Omgevingswet verplicht onderdeel van de omgevingsverordening. Het gaat hier om regels over de fysieke leefomgeving. De bestaande normen voor regionale waterkeringen en waterkwantiteit worden binnen de systematiek van de Omgevingswet omgevingswaarden.
Deze omgevingswaarden en de monitoring en verslaglegging daarvan, worden opgenomen in de omgevingsverordening. De andere regels uit de waterverordeningen over de beheerplannen, leggers, peilbesluiten en verdringingsreeksen van de waterschappen zijn omgezet in instructieregels in de omgevingsverordening. Ook de inhoud van de diverse uitvoeringsbesluiten op grond van de waterverordeningen is in de omgevingsverordening opgenomen. De drie individuele waterverordeningen worden ingetrokken. Uitgangspunt bij de overheveling van de regels is een beleidsneutrale overgang. Er zijn wel enkele details die voorheen werden geregeld en nu worden overgelaten aan de verantwoordelijkheid van de waterschappen zelf. Bijvoorbeeld met betrekking tot de verplichte inhoud van een beheerplan (straks waterbeheerprogramma) of de te gebruiken handreikingen van de Stichting Toegepast onderzoek Waterbeheer (Stowa). Daarnaast wordt een van de normen voor waterkwantiteit gewijzigd ("omgevingswaarde wateroverlast regionale wateren”). De gemiddelde kans op overstroming binnen het stedelijk gebied van 1/100 per jaar gaat gelden voor locaties waar echt bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen aanwezig zijn. Voorheen gold het voor locaties die als zodanig ‘op papier’ bestemd waren. We leggen daarmee de huidige praktijk vast, omdat de norm al op die manier wordt toegepast.
Zwemwater Ook onder de Omgevingswet is het de verantwoordelijkheid van de Provincie om zwemwateren aan te wijzen en toezicht te houden op de veiligheid en hygiëne. De huidige landelijke regels gericht op de houders van zwemwateren staan niet in de Omgevingswet. Wel maakt de Memorie van Toelichting bij het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) duidelijk dat de provincie hiervoor algemene regels in de omgevingsverordening kan opnemen. Bijvoorbeeld een bepaling waarin degene die gelegenheid biedt tot baden en zwemmen verantwoordelijk gesteld wordt voor het beheer en onderhoud van de zwemlocatie. Wij vinden het belangrijk dat er voor de inwoners van Gelderland voldoende plaatsen zijn waar zij veilig kunnen zwemmen, waar de waterkwaliteit goed is en die goed onderhouden worden. Daarom wijzen we voor de aangewezen zwemlocaties een houder aan die zorgt voor het beheer en onderhoud van de zwemlocatie. Het gaat hierbij onder meer om voorzieningen voor het inzamelen van afval, het schoonhouden van het terrein, het verbieden van honden en het terreinonderhoud. Als er geen sprake is van exploitatie van de zwemlocatie wordt de gemeente waarin de zwemlocatie gelegen is als houder aangewezen. Daarnaast is het onze taak om toezicht te houden op de veiligheid en hygiëne van zwembaden.
De bestaande regels voor zwembaden staan onder de Omgevingswet niet op dezelfde manier in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Net als bij andere activiteiten staat de (specifieke) zorgplicht centraal. De toegepaste techniek valt daarmee volledig onder de eigen verantwoordelijkheid van de houder. Maar uiteindelijk moet de kwaliteit van het zwemwater wel goed
15
zijn. Daar komt bij dat de huidige verplichting komt te vervallen om de realisatie of wijziging van een zwembad 3 maanden van tevoren bij de provincie te melden. Om ingrijpende en kostbare aanpassingen aan zwembaden zoveel mogelijk te voorkomen (omdat de kwaliteit van het zwemwater achteraf niet voldoende blijkt) en om zoveel mogelijk te waarborgen dat inwoners van Gelderland gebruik kunnen maken van veilige en kwalitatief goede zwembaden, nemen we de bestaande regeling voor meldingen op in de omgevingsverordening. Dit betekent dat het verplicht is om de realisatie of aanpassing van een zwembad drie maanden van tevoren bij de provincie te melden. Waterprogramma Het regionale waterplan op grond van de Waterwet wordt een regionaal waterprogramma onder de Omgevingswet, waarin het provinciale waterbeleid is opgenomen. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is geregeld dat in een waterprogramma maatschappelijke functies voor regionale wateren worden vastgelegd en dat het waterprogramma een belangrijke rol speelt bij de beoordeling (vergunningverlening) van wateractiviteiten zoals grondwateronttrekkingen.
Dit leidt ertoe dat de bestaande regels voor het verplichte feitendossier bij de aanvraag van een vergunning voor een industriële grondwateronttrekking en de afwijkmogelijkheden bij de realisatie van waterfuncties niet langer in de verordening worden opgenomen, maar worden gereguleerd via de regels in het Bkl en de inhoud van het waterprogramma. Daarmee is geen sprake van een inhoudelijke wijziging. Financiële bepalingen grondwaterbescherming De financiële bepalingen uit de huidige omgevingsverordening over de schadevergoedingsregeling van de Wet milieubeheer, staan niet in de nieuwe omgevingsverordening. Het gaat om de procedurele bepalingen over de totstandkoming van een besluit over de vergoeding van schade en kosten als bodem- of grondwaterbeschermingsregels van toepassing zijn. De nieuwe regels voor nadeelcompensatie in de Omgevingswet en de Algemene wet bestuursrecht bieden bijna hetzelfde kader, waardoor het niet langer noodzakelijk is om dit specifiek in de omgevingsverordening te regelen. Verschillen zitten in de beslistermijnen van het bestuursorgaan, die zijn iets korter geworden. Op basis van de wettelijke regels kan en zal dezelfde methode worden gebruikt zoals met de huidige regels bedoeld.
De rol van partijen blijft hetzelfde als het gaat om het deskundigenadvies en de betrokkenheid van het drinkwaterbedrijf wanneer sprake is van een verzoek om schadevergoeding als gevolg van de grondwaterbeschermingsregels. Wijzigingen naar aanleiding van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen Zienswijzen 28, 41 en 55 geven aanleiding tot wijziging van de nieuwe regels over bodemonderzoek en bodemsanering bij grondwaterverontreiniging. Het toepassingsbereik van de regels wordt aangepast, zodat de regels niet van toepassing zijn op werkzaamheden ten behoeve van kabels en leidingen. In het tweede lid van artikel 4.38 was ten onrechte verwezen naar bijlage Vc en dat is nu aangepast naar bijlage Vd. Daarnaast is nu in de toelichting van artikel 4.38 opgenomen dat het vrij staat om zelf de volgorde van de benodigde onderzoeken te bepalen afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Tot slot was onvoldoende duidelijk welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is voor deze regels. Daarom is de kop van artikel 4.39 aangepast en is bij dat artikel nu een uitgebreide toelichting opgenomen. De gemeente is het bevoegd gezag voor de activiteiten ‘graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit’ en ‘saneren van de bodem’ op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
Dat betekent dat initiatiefnemers met betrekking tot genoemde activiteiten verplicht een melding moeten doen bij de gemeente en dat de gemeente deze meldingen als het bevoegd gezag moet beoordelen en afhandelen. De regels in de omgevingsverordening zijn maatwerkregels ‘bovenop’ de landelijke regels met betrekking tot genoemde activiteiten. Dat betekent dat de gemeente als het bevoegd gezag bij de beoordeling en afhandeling niet alleen toetst of door de initiatiefnemer wordt voldaan aan de relevante regels van het Bal, maar ook of door de initiatiefnemer wordt voldaan aan de relevante (maatwerk)regels van de omgevingsverordening. Wanneer het gaat om de bestuursrechtelijke handhaving blijkt uit de Omgevingswet (en het Bal) dat ook in het geval van maatwerkregels, die taak kortgezegd berust bij het bevoegd gezag dat de regels heeft gesteld, in dit geval dus de provincie. Dat betekent dat standaard de
16
provincie het bevoegd gezag is wanneer het op toezicht en handhaving aankomt van deze provinciale (maatwerk) regels. Indien nodig en gewenst is het mogelijk om gebruik maken van de flexibiliteitsregeling inzake het bevoegd gezag die de Omgevingswet biedt (om de handhavingsbevoegdheid over te dragen). Tot die tijd zullen wij het toezicht en de handhaving van onze regels op ons nemen. Ambtshalve hebben we een gebrek geconstateerd in de bijlage ‘Lijst van verboden grondwaterbedreigende activiteiten’ en met betrekking tot de grondwaterbeschermingsregels inzake de activiteit ‘buiten gebruik stellen van een boorgat’. In de bijlage ‘Lijst van verboden grondwaterbedreigende activiteiten’ werd met betrekking tot mijnbouw ten onrechte alleen vermeld het ‘exploiteren van een mijnbouwwerk’. Omdat ook het aanleggen van een mijnbouwwerk als verboden grondwaterbedreigende activiteit geldt, is dit hersteld in: het aanleggen en exploiteren van een mijnbouwwerk. Voor de grondwaterbedreigende activiteit ‘buiten gebruik stellen van een boorgat’ geldt dat de vergunning- en meldingsplicht en algemene voorschriften alleen relevant zijn vanaf een diepte van meer dan 2 of 3 meter onder het maaiveld; net als bij de activiteit ‘roeren van de bodem’.
Gelijk aan de activiteit ‘roeren van de bodem’ hebben we desbetreffende diepten nu ook opgenomen bij de activiteit ‘buiten gebruik stellen van een boorgat’ (in de artikelen 4.18 lid 1, 4.20 lid 1, 4.28 lid 1 en 4.32). Voor boorgaten van minder dan 2 of 3 meter diep zijn geen algemene voorschriften en dus ook geen vergunning of melding noodzakelijk ter bescherming van het grondwater. Daarnaast is in een aantal artikelen de datum aangepast waar deze afhangt van de inwerkingtreding van de Omgevingswet (van 1 januari 2022 naar 1 juli 2022). Dit geldt voor de artikelen 3.14 lid 2, 5.45, 5.46 lid 1, 9.2 en 9.4; en voor de toelichting bij artikelen 4.37 lid 1, 9.1, 9.4 en bij hoofdstuk 9 algemeen.
b. Wijzigingen die direct inwerking treden.
Bij water wordt aanpassing op de volgende onderwerpen klimaatadaptatie en grondwaterbescherming voorgesteld. Daarnaast volgt een aantal wijzigingen vanuit de zienswijzen en ambtshalve wijzigingen. Klimaatadaptatie Het is belangrijk dat de leefomgeving klimaatbestendig en waterrobuust is om met weersextremen, zoals droogte en hevige regenval, te kunnen omgaan. Om ervoor te zorgen dat bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen hier aandacht voor is, hebben we een nieuw artikel opgenomen dat van gemeenten vraagt om in de toelichting van een omgevingsplan die een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt, te beschrijven hoe daarbij rekening is gehouden met de risico’s van klimaatverandering. Hierbij is de klimaateffectatlas een bruikbaar hulpmiddel. Grondwaterbescherming De lijst van schadelijke stoffen in de bijlage (Grondwaterbescherming) is aangepast. Daarbij speelt niet alleen het vervallen van de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming onder de Omgevingswet een rol, maar ook het feit dat die verwijzing in het verleden onbedoeld ongenuanceerd is opgenomen in betreffende bijlage van de verordening. Daarbij is het maatwerk verloren gegaan dat binnen die richtlijn uitdrukkelijk van toepassing is. Met de nieuwe lijst herstellen we dit gebrek en leggen we de huidige praktijk vast. De inhoud van de omschrijving van schadelijke stoffen blijft
17
hetzelfde: schadelijke stoffen waren en blijven kortgezegd alle stoffen waarvan verwacht wordt dat ze het grondwater kunnen vervuilen. De lijst in de bijlage van de verordening geeft daar een eerste invulling aan. Wijzigingen naar aanleiding van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen Zienswijze 37 geeft aanleiding tot wijziging van de grondwaterbeschermingsregels over meststoffen. Voorgesteld is om het verbod op het gebruik van meststoffen in waterwingebieden niet te laten gelden voor het extensief gebruik van dierlijke meststoffen voor natuur- of terreinbeheer. Omdat het gaat om een verwaarloosbaar risico voor het grondwater nemen we dit over in de regels. We nemen een nieuwe begripsomschrijving op voor het begrip ‘meststoffen’, die er voor zorgt dat alle meststoffen zoals bedoeld in het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet en dierlijke uitwerpselen onder het begrip meststoffen vallen, behalve de door indiener genoemde uitzonderingen. Daarbij vertalen we die uitzonderingen naar concrete maximale hoeveelheden. Die concrete maximale hoeveelheden vormen een vertaling van extensief gebruik, zoals ook wordt gehanteerd in het Besluit gebruik meststoffen. Vervolgens worden enkele wijzigingen doorgevoerd in de regels voor activiteiten om de reikwijdte van de verbodsbepalingen weer op de juiste manier in overeenstemming te brengen met de nieuwe begripsomschrijving.
Het gaat om de artikelen 3.10 lid 2, 3.19, 8.7 en de toelichting bij artikel 3.19 en paragraaf 8.2.1 van de bestaande omgevingsverordening. En de artikelen 4.20 lid 3 en 4.23 (inclusief de toelichting daarbij) van de nieuwe omgevingsverordening onder de Omgevingswet. Ambtshalve stemmen we de regels over schadelijke stoffen beter af op de lijst van schadelijke stoffen in de bijlage. Om onnodig groot effect op de samenleving te voorkomen, zijn er enkele activiteiten met schadelijke stoffen genoemd die zijn uitgezonderd van de verboden. Het betreft zogenoemd ‘huishoudelijk gebruik’ van dergelijke stoffen. Die uitzondering gold niet voor gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Die bleven ook in de vorm van ‘huishoudelijk gebruik’ verboden. Dat komt niet overeen met de aangepaste lijst van schadelijke stoffen, waarin bestrijdingsmiddelen (in tegenstelling tot biociden) niet zomaar als schadelijke stoffen worden aangemerkt. Daarom zijn de regels zo aangepast dat biociden ook in de vorm van ‘huishoudelijk gebruik’ verboden blijven. Naar aanleiding hiervan wordt benadrukt dat wel altijd de zorgplicht geldt en bestrijdingsmiddelen waarvan verwacht wordt dat ze het grondwater verontreinigen of kunnen verontreinigen wel degelijk als schadelijke stoffen aangemerkt en verboden blijven.
Het gaat om de artikelen 3.10 lid 2 en lid 7, 3.23 lid 2 en de toelichting bij artikel 3.10 van de bestaande omgevingsverordening. En de artikelen 4.18 lid 3 en 4.20 lid 4 van de nieuwe omgevingsverordening onder de Omgevingswet. Daarnaast bleek de kaart in de bijlage Vaarwegen, waarop de toedeling van het vaarwegbeheer voor de Arkervaart wordt weergegeven, niet helemaal correct en dat is hersteld. Volgens de kaart ging de aanwijzing voorbij aan de sluis van de Arkervaart (tot in het beheersgebied van Rijkswaterstaat) en dat is nu hersteld in een correcte weergave tot aan (of vanaf) de sluis van de Arkervaart
Motivering wijziging zonneparken in het buitengebied. a. Wijzigingen die inwerkingtreden onder de Omgevingswet.
Er zijn geen wijzigingen die moeten wachten op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Wijzigingen naar aanleiding van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen
18
Er zijn geen wijzigingen vanuit zienswijzen of ambtshalve in de verordening onder de Omgevingswet.
b. Wijzigingen die direct inwerking treden.
We willen de energietransitie in Gelderland versnellen, passend bij de Gelderse kwaliteiten. In toenemende mate worden er initiatieven ontwikkeld voor het opwekken van zonne-energie. Het inpassen van zonne-energie in het stedelijk gebied (zoals op daken, parkeerplaatsen, bedrijventerreinen) heeft de voorkeur. Ook het aantal zonneparken in het buitengebied neemt toe. Deze zijn ook nodig om de klimaatdoelen te halen, maar vergen een zorgvuldige ruimtelijk afweging (en inrichting) gelet op de kwaliteit van inrichting van de Gelderse leefomgeving. Het toestaan van zonneparken in het buitengebied is een bevoegdheid van gemeenten. Om ervoor te zorgen dat zonneparken in het buitengebied zorgvuldig worden afgewogen wordt in de verordening opgenomen dat gemeenten bij het toestaan van zonneparken in het buitengebied rekening houden met: 1. de behoefte aan energieopwekking met zonne-energie; 2. de mogelijkheden om binnen het stedelijk gebied en op daken van gebouwen in die behoefte te voorzien; 3. de mogelijke nadelige gevolgen voor de ruimtelijke kwaliteit van gebieden of locaties waar zonneparken mogelijk zijn; 4. de samenhang met het omringende landschap; 5. de consequenties voor het elektriciteitsnet; en 6. het huidige grondgebruik. De instructieregel is gericht op een goede afweging en motivering van gemeenten.
Daarnaast is een maximale gebruikstermijn van 30 jaar opgenomen en de voorwaarde dat het zonnepark na gebruik moet worden verwijderd. Wijzigingen naar aanleiding van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen Zienswijze 29 geeft aanleiding om artikel 5.74, lid 1, onderdeel a te verduidelijken. De uitwerking zal per gemeente en door de gemeente moeten gebeuren. De tekst 'de behoefte aan energieopwekking met zonne-energie' wordt vervangen door: de bijdrage van zonne-energie aan de energiebehoefte in de gemeente. Zienswijze 46 geeft aanleiding om in artikel 5.74 lid 1 onderdeel c de gevolgen voor de ruimtelijke kwaliteit te verduidelijken. Daarvoor voegen we ook een extra lid aan artikel 1 toe, lid 3, voor instandhouding van versterking van de kwaliteiten van een gebied. Ook hebben we de toelichting aangepast.Ambtshalve hebben we het oogmerkartikel in lijn gebracht met lid 1 onderdeel c door ‘natuurlijke- en landschappelijke kwaliteiten van het buitengebieden’ te vervangen door ‘ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied’. In de toelichting wordt toegelicht om wat voor kwaliteiten het gaat.
Motivering wijziging Wegen. a. Wijzigingen die inwerkingtreden onder de Omgevingswet.
19
Bij wegen vindt onder de Omgevingswet de volgende twee aanwijzingen plaats. Aangewezen provinciale wegen voor geluidproductieplafond Op grond van artikel 2.13a van de Omgevingswet en artikel 7.10a van het Besluit kwaliteit leefomgeving moet als omgevingswaarden geluidproductieplafonds worden vastgesteld voor de bij omgevingsverordening aangewezen wegen in beheer bij de provincie. Het gaat om de provinciale wegen met een verkeersintensiteit van meer dan 1000 motorvoertuigen per etmaal, wat feitelijk neerkomt op alle provinciale wegen in beheer bij de provincie. Zie bijlage aangewezen provinciale wegen voor geluidproductieplafond. Aangewezen beperkingsgebieden bij provinciale wegen Op de kaart worden zogenaamde beperkingsgebieden aangewezen bij een provinciale weg. Met zo’n gebied wordt voorkomen dat er op of vlak naast een weg handelingen of activiteiten plaatsvinden die nadelige gevolgen hebben voor de conditie of de werking van de weg. In het beperkingengebied gelden daarvoor regels, zoals een vergunningplicht, een meldingsplicht of een zorgplicht. Een voorbeeld is het uitvoeren van werkzaamheden, of het plaatsen van objecten op, naast, onder of over de weg. Denk bijvoorbeeld aan kabels en leidingen, bouwwerken, bermmonumenten, reclame -uitingen en andere borden. Zie kaart provinciale wegen (technische wijzigingen II).
Wijzigingen naar aanleiding van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen Er zijn geen wijzigingen vanuit zienswijzen of ambtshalve in de verordening onder de Omgevingswet.
b. Wijzigingen die direct inwerking treden.
Bij wegen wordt aanpassing op de volgende onderwerpen voorgesteld: kabels en leidingen en gedenktekens. Daarnaast volgt een ambtshalve wijziging. In de regels over de provinciale wegen wordt er een beleidsrijke wijziging voorgesteld, namelijk het stellen van algemene regels in plaats van een vergunningplicht voor het leggen van kabels en leidingen en het plaatsen van gedenktekens. Het stellen van inhoudelijke algemene regels met een meldingsplicht heeft minder administratieve lasten, dan een vergunningsaanvraag.
20
Kabels en leidingen Alle werkzaamheden die verband houden met kabels en leidingen (niet zijnde telecomkabels, want daarvoor geldt de Telecommunicatiewet) gaan onder algemene regels vallen met een meldingsplicht. Dit betekent dat er geen vergunning meer hoeft te worden aangevraagd, maar dat de werkzaamheden 4 weken van tevoren moeten worden gemeld. De regels waaraan bij de werkzaamheden moet worden voldaan liggen vooraf vast. Er gelden dus feitelijk dezelfde regels als die nu in de vergunning worden voorgeschreven, alleen het verschil is dat die regels in de omgevingsverordening staan. Als de regels worden overtreden, kunnen onze toezichthouders daar handhavend tegen optreden. Daarnaast kunnen we maatwerkvoorschriften stellen voor die gevallen waarbij de algemene regels niet toereikend zijn (bijvoorbeeld strengere regels voorschrijven) of daar waar de algemene regels juist te streng zijn (bijvoorbeeld de regels versoepelen). We verwachten dat in ongeveer 10% van de gevallen maatwerk nodig is. Gedenktekens Het plaatsen van gedenktekens leent zich ook voor deze vorm van deregulering omdat ook hiervoor de gestelde regels standaard zijn en dus weinig of geen variatie kennen. Net als voor kabels en leidingen geldt dat werkzaamheden en veranderingen minimaal 4 weken van tevoren bij ons gemeld moeten worden en dat iedereen zich aan de algemene regels voor de uitvoering moet houden.
Wijzigingen naar aanleiding van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen De voorgestelde wijzigingen hebben ook gevolgen voor het overgangsrecht. Ambtshalve veranderen we daarom het overgangsrecht voor vergunningen voor gebruik van de provinciale weg. Het tweede lid van artikel 8.23 vervalt, omdat er geen aanvragen op basis van de Wegenverordening uit 2010 meer zijn. Voor de wijziging van de vergunningplicht in een meldingsplicht voegen we juist overgangsrecht toe. We beschouwen een aanvraag als een melding, als op de aanvraag nog geen beslissing is genomen, wanneer de wijziging van afdeling 5.3 in werking treedt. Voor een melding hoeft geen leges te worden betaald. Mocht dat wel al gebeurd zijn, dan betalen we die terug.
Motivering wijziging Glastuinbouw. a. Wijzigingen die inwerkingtreden onder de Omgevingswet.
Er zijn geen wijzigingen die moeten wachten op de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Wijzigingen naar aanleiding van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen Er zijn geen wijzigingen vanuit zienswijzen of ambtshalve in de verordening onder de Omgevingswet.
b. Wijzigingen die direct inwerking treden.
21
De uitgebreide regeling voor glastuinbouw is vereenvoudigd en van twaalf artikelen teruggebracht naar twee. Vooral de (instructie)regels met betrekking tot de concentratie van de glastuinbouw zijn vereenvoudigd. We voeren al 15 jaar een concentratiebeleid (concentratie van de glastuinbouw in een beperkt aantal gebieden). Dit beleid is recent herijkt. Eén van de aanleidingen om het beleid opnieuw te bekijken en wijzigen was om tegemoet te komen aan de wens voor meer maatwerk en flexibilisering, de gedachte achter de Omgevingswet (eenvoudig beter). Wij stellen de volgende wijzigingen voor: • Aanpassing van de definitie: De oorspronkelijke definitie voor glastuinbouw ging uit van een constructie van glas en staal met een maatvoering groter dan 2.500 m2. Nu hebben we deze aangepast naar een maatvoering van 2 ha. Voor glastuinbouwbedrijven kleiner dan 2 ha zijn deze regels niet van toepassing. De reden is dat bedrijven die de glastuinbouw als hoofdtak hebben, al groter zijn dan 2 ha. Bedrijven waarvan de kas een ondersteunende functie is bij open grondteelt of als onderdeel van een onderzoeksinstelling worden niet meer belemmerd in hun ontwikkeling. • Vereenvoudiging in verschillende type gebieden en bijbehorende regiems: Voorgesteld wordt te volstaan met de aanwijzing glastuinbouwontwikkelingsgebieden.
De reserve-glastuinbouwontwikkelingsgebieden (in Velddriel en Huissen-Angeren) en de regionale clusters (in Voorst en Neerijnen) worden als zodanig aangewezen. Daarmee wordt de regeling eenduidiger: alle betrokken gebieden beogen hetzelfde doel. De aanduiding glastuinbouwextensiveringsgebied vervalt: het clusterings- of concentratie-beleid wordt gecontinueerd. • Eén uitbreidingsregeling: Er komt één eenmalige uitbreidingsregeling voor de glastuinbouw die niet gevestigd is in een glastuinbouwontwikkelingsgebied (zogenaamde solitaire bedrijven) in plaats van meerdere regels. Deze regeling maakt onder strikte voorwaarden een eenmalige uitbreiding van een bedrijf op de huidige locatie mogelijk vanaf de datum 29 juni 2005 (vaststellingsdatum Streekplan 2005, waarin het glastuinbouwbeleid voor het eerst volledig is vastgesteld). • Schrappen van uitzonderingen: De uitzonderingen die gaandeweg bij achtereenvolgende actualisatie in de verordening zijn opgenomen rond glastuinbouw worden eruit gehaald. De uitzondering in het regionale cluster Voorst (glastuinbouw met verbrede reikwijdte ten behoeve van een zonnepark) wordt via een herbegrenzing verwerkt. De uitzondering voor onderzoeks- en onderwijs-instellingen is niet meer actueel omdat onderzoeksinstellingen met een kas van 2 ha in bijna alle gevallen uit de voeten kunnen.
Daarnaast passen we de tuinbouwontwikkelingsgebieden op de kaart aan, omdat op basis van voortschrijdend inzicht een andere invulling passender is. Het gaat om de volgende locaties: • Welvaartsstraat in Bemmel: Op deze locatie is de glastuinbouw bijna helemaal verdwenen. Vanwege de vele bedrijfswoningen is hier geen duurzame glastuinbouwlocatie te ontwikkelen. Daarom is voor een maatwerk Vrijkomende Agrarische Bebouwing (VAB)-regeling gekozen. • Leutsestraat in Angeren: We passen voor een voormalig landbouwbedrijf de VAB-regeling toe. Om de woningbouw mogelijk te maken halen we het erf uit de aanduiding van glastuinbouwontwikkelingsgebied. • Agropark in Bemmel: We passen een grenscorrectie toe met het glastuinbouwontwikkelingsgebied vanwege een ongunstige verkaveling van dit bedrijventerrein, door glastuinbouwontwikkelingsgebied eraf te halen.
22
• Parkeerterrein Flicka in Maasdriel:We passen een kleine grenscorrectie toe bij de aanduiding glastuinbouwontwikkelingsgebied om de verkeersveiligheid op de dijk te verbeteren. Hier wordt nieuwe parkeergelegenheid aangelegd voor 2 restaurants aan de dijk bij Kerkdriel. • De Hoven Zutphen: Voor Zutphen wordt bij De Hoven een nieuw cluster (glastuinbouwontwikkelingsgebied) opgenomen. Dit nieuwe cluster maakt het mogelijk om uitvoering te geven aan de Structuurvisie ‘Noordrand De Hoven’ van de gemeente Zutphen. Tevens wordt hiermee verlies van glasruimte bij Voorst gecompenseerd. Wijzigingen vanuit zienswijze en ambtshalve Wijzigingen naar aanleiding van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen Zienswijze 23 geeft aanleiding tot om de kaarten in de verordening over de glastuinbouwontwikkelingsgebieden aan te passen aan het inpassingsplan Bommelerwaard, dat door de Staten is vastgesteld. Ambtshalve wijzigen wij eenmalige uitbreidingsruimte voor glastuinbouw met een maximum. Dit maximum is gesteld op 5 ha. Het glastuinbouwconcentratiebeleid is gericht om grootschalige glastuinbouw buiten de glastuinbouwontwikkelingsgebieden te vermijden. Wel willen we zittende ondernemers nog eenmalig een groeimogelijkheid geven.