Bijlage bij raadsvoorstel 9.5 - 1. Centrumgebied, Graaf Willemlaan vastgesteld 1
Tekst van het document
4.4
Wegverkeerslawaai
Toetsingskader Ten aanzien van geluidhinder is de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst. Voor het onderhavige plan is geluidhinder als gevolg van wegverkeerslawaai van belang. Woningen zijn volgens de Wet geluidhinder (Wgh) geluidgevoelige functies. Akoestisch onderzoek is noodzakelijk als de woningen binnen de geluidzone vallen van gezoneerde wegen. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/h‐wegen de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting te worden onderbouwd.
33/118
Akoestisch onderzoek is uitgevoerd omdat woningen op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidgevoelige functies zijn. De woningen zijn gelegen binnen de geluidzone van de Van Godewijckstraat en de Graaf Willemlaan. Daarnaast wordt in het kader van een goede ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie ook de niet gezoneerde wegen onderzocht op wegverkeerslawaai. In voorliggend onderzoek geldt dit voor de Mauritsstraat, Tesselschadestraat en de Willem de Zwijgerstraat. Het akoestisch onderzoek is toegevoegd in bijlage 3. Onderzoek en conclusie De resultaten van het akoestisch onderzoek zijn: Ten gevolge van het wegverkeer op de Van Godewijckstraat en de Graaf Willemlaan wordt de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB overschreden. De hoogst berekende geluidbelasting bedraagt 52 dB respectievelijk 50 dB inclusief aftrek artikel 110g Wgh. Ten gevolge van het verkeer op de 30 km/uur wegen Mauritsstraat, Willem de Zwijgerstraat en Tesselschadestraat wordt de richtwaarde van 48 dB niet overschreden. Toetsing gemeentelijk geluidbeleid Omdat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden op het bouwblok in figuur 4.2 aan de zijde van de van Godewijckstraat en de Graaf Willemlaan is getoetst aan het geluidbeleid. De geluidkwaliteit is als redelijk tot goed beoordeeld, met uitzondering van de gevel langs de van Godewijckstraat en de gevel aan de Graaf Willemlaan.
Hier is de geluidkwaliteit matig, zie figuur 4.2.
34/118
Figuur 4.2: Gecumuleerde geluidbelasting De appartementen/woningen met een overschrijding van de wettelijke voorkeursgrenswaarde ten gevolge van de Van Godewijckstraat en de Graaf Willemlaan, beschikken allen over minimaal één geluidluwe gevel en een geluidluwe buitenruimte. Hiermee wordt voldaan aan het gemeentelijk geluidbeleid. De geluidwering van de gevel dient te voldoen aan de standaardeis van 20 dB conform het Bouwbesluit. Voor de appartementen grenzend aan de Van Godewijckstraat en de Graaf Willemlaan dienen hogere waarden te worden vastgesteld. Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
35/118
4.5
Water
Toetsingskader De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits‐ en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente nader wordt behandeld. Europees: Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal: Nationaal Waterplan (NW); Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW); Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie. Waterwet Provinciaal: Provinciaal Waterplan; Provinciale Structuurvisie; Verordening Ruimte.
Waterschapsbeleid In het Waterbeheerprogramma (WBP) (2016‐2021) staan de doelen van het waterschap Hollandse Delta voor de taken waterveiligheid (dijken en duinen), voldoende water, schoon water en de waterketen (transport en zuivering van afvalwater). Ook wordt aangegeven welk beleid gevoerd wordt en wat het waterschap in de planperiode wil doen om de doelen te bereiken. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn onderdeel van het plan. Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de belasting van de afvalwaterzuivering. De toename van verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en leidt met regelmaat tot wateroverlast stroomafwaarts. Om de zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem onder normale omstandigheden tegen te gaan is het brengen van hemelwater vanaf verhard oppervlak op het oppervlaktewaterlichaam specifiek vergunningplicht gesteld. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer in stedelijk gebied of 1.500 m2 of meer in landelijk gebied dient een vergunning aangevraagd te worden in het kader van de Keur.
De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige
36/118
vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 10% van de toename van verharding. Het waterschap geeft in volgorde de voorkeur aan de volgende gelijkwaardige voorzieningen: Nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de verhardingstoename; Nieuw te graven oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied; Nieuw te graven oppervlaktewater in het benedenstrooms gelegen peilgebied of een eventueel alternatief. Gemeentelijk beleid Gemeentelijk rioleringsplan 2019‐2023 De gemeente is op grond van de Wet milieubeheer verplicht periodiek een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) vast te stellen om invulling te geven aan haar zorgplichten voor afvalwater, hemelwater en grondwater. Aspecten uit het voormalige Waterplan Van H tot Z (2003) zijn tegenwoordig verankerd in het GRP, de bestuurlijke afspraken met het waterschap zijn vastgelegd in een Afvalwaterakkoord. Het GRP bevat de beleidsambities en een overzicht van alle aanwezige rioleringsvoorzieningen, inclusief de actuele toestand ervan en de te verwachten vervangingsperioden. Ook geeft het plan inzicht in de wijze waarop de riolering wordt beheerd, welke effecten er zijn voor het milieu en hoe het beheer wordt gefinancierd. De rode draad in het beleid is dat de gemeente streeft naar een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem.
Bij grootschalige nieuwbouw wordt een gescheiden rioolstelsel aangelegd, bij kleinere projecten wordt gekeken of er voorbereidingen getroffen kunnen worden op de aanleg van een gescheiden systeem. Huidige situatie Het plangebied bestaat in de huidige situatie voor het overgrote deel uit onbebouwd terrein. De enige aanwezige bebouwing betreft het ten zuiden van het voormalig schoolgebouw gelegen trafohuisje. Het terrein ten oosten van het voormalig schoolgebouw is in gebruik als parkeerveld. Verder bestaat het zuidelijk deel van het plangebied uit groen en daarmee onverhard terrein. In het plangebied bevindt zich een hoofdriool en een overstort die intact dienen te blijven en waarvoor een zakelijk recht voor onderhoud dient te worden gevestigd. Bodem en grondwater Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. Vanwege de ligging van het plangebied in de bebouwde kom van Hendrik‐Ido‐Ambacht is het plangebied niet gekarteerd op de Bodemkaart van Nederland. Op circa 500 meter afstand van het plangebied bestaat de bodem uit zware klei (kalkrijke poldervaaggronden) en is sprake van grondwatertrap VI. Dit wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) schommelt tussen de 40 en 80 centimeter onder maaiveld. De gemiddelde laagste grondwaterstand (GLG) ligt dieper dan 120 centimeter onder maaiveld.
De maaiveldhoogte ter plaatse bedraagt circa 1,2‐0,6 meter ‐NAP. Waterkwantiteit Conform de Legger oppervlaktewaterlichamen en kunstwerken van Waterschap Hollandse Delta is in het zuiden van het plangebied een watergang behorende tot de categorie 'overig water' aanwezig. Voor dit type watergang geldt aan beide zijden vanaf de insteek een beschermingszone van 1,0 meter. Binnen deze beschermingszone gelden conform de Keur van Waterschap Hollandse Delta beperkingen voor bouwen en aanleggen om te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast.
37/118
Figuur 4.3: Uitsnede Legger wateren en kunstwerken Watersysteemkwaliteit en ecologie Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Verder bevinden zich tevens geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied is niet gelegen binnen de kern‐ of beschermingszone van een waterkering. Afvalwaterketen en riolering Het plangebied is in de huidige situatie gedeeltelijk aangesloten op het gemeentelijk rioleringsstelsel. Toekomstige situatie De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 81 woningen en dienstverlenende functies. Bodem en grondwater De beoogde ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bodem en grondwater. Waterkwantiteit Volgens het beleid van Waterschap Hollandse Delta dient een toename van het verhard oppervlak gecompenseerd te worden. In het kader van de Keur dient bij een toename van het verhard oppervlak van 500 m2 of meer voor de versnelde afstroom van hemelwater een vergunning te worden aangevraagd. In de huidige situatie is het plangebied voor een groot deel onverhard. In de huidige situatie bedraagt de oppervlakte aan verharding 8.685 m2. In de toekomstige situatie is dit 5.796 m2.
De verharding neemt dus af ten opzichte van de huidige situatie.
38/118
Watercompenserende maatregelen zijn dan ook niet noodzakelijk. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in‐) filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet‐uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw‐ als de gebruiksfase. Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de 'Keur'. Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen.
Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan‐ of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de 'Keur'. Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Voor de beoogde ontwikkeling is op basis van de Keur geen vergunning noodzakelijk. Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
39/118
4.6
Bodem
Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Onderzoek De beoogde ontwikkeling voorziet ten opzichte van de vigerende planologische situatie in een functiewijziging naar wonen en buurtfuncties. Vanwege deze functiewijziging dient in het kader van het bestemmingsplan (verkennend) bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is door Tritium Advies B.V. tweemaal verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Tritium Advies B.V., 7 november 2019, kenmerk 1507/047/RK‐01 en kenmerk 1507/033/RK‐01). Beide onderzoeken zijn in de bijlage toegevoegd (bijlage 4 en 5).
Het verkennend bodemonderzoek met kenmerk 1507/033/RK‐01 richt zich op het voormalige ABN‐AMRO kantoorgebouw binnen het plangebied (figuur 4.4). Uit dit onderzoek blijkt dat de bovengrond niet verontreinigd is met de geanalyseerde parameters. De ondergrond is maximaal licht verontreinigd met koper, kobalt en zink. Het grondwater is licht verontreinigd met barium en naftaleen. De aangetoonde gehaltes verontreinigingen in de ondergrond en het grondwater zijn echter dermate laag dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. De onderzoeksresultaten leveren geen beperkingen op ten aanzien van het gebruik en de ontwikkeling van de locatie tot woonbestemming.
Figuur 4.4 Onderzoekslocatie verkennend bodemonderzoek kenmerk 1507/033/RK‐01). (Bron: Tritium Advies B.V.)
40/118
Het verkennend bodemonderzoek met kenmerk 1507/047/RK‐01 richt zich op vier deellocaties binnen het plangebied (figuur 4.5). Uit dit onderzoek blijkt dat ter plaatse van deellocatie A (school) de zwak puinhoudende bovengrond licht verontreinigd is met kwik, kobalt en zink. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Ter plaatse van deellocatie B (braakliggend terreindeel) is de puinhoudende bovengrond licht verontreinigd met PAK en de zintuiglijk schone bovengrond maximaal licht verontreinigd met zink, PCB en PAK. De zwak puinhoudende ondergrond is licht verontreinigd met nikkel en PAK, de zintuiglijk schone ondergrond maximaal licht verontreinigd met PAK. Het grondwater is licht verontreinigd met barium, nikkel en naftaleen. Ter plaatse van deellocatie C (openbaar gebied) is de bovengrond maximaal licht verontreinigd met kwik, zink en PCB. Het grondwater is licht verontreinigd met barium en naftaleen. Ter plaatse van deellocatie D (twee voormalige watergangen) zijn tijdens de veldwerkzaamheden in de bodem geen afwijkingen waargenomen die duiden op een mogelijke dempingslaag en of voormalige slootbodem. Hiervoor zijn zodoende geen aanvullend analyses verricht. De zwak puinhoudende bovengrond ter plaatse van boringen D05, D07 en D08 ten behoeve van een voormalige watergang duidt niet op een mogelijke dempingslaag.
De zwak puinhoudende bovengrond is onderzoek als onderdeel van deellocatie B (braakliggend terreindeel) en is maximaal licht verontreinigd met PAK. De aangetoonde gehaltes verontreinigingen in de ondergrond en het grondwater zijn echter dermate laag dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. De onderzoeksresultaten leveren geen beperkingen op ten aanzien van het gebruik en de ontwikkeling van de locatie tot woonbestemming.
41/118
Figuur 4.5: Onderzoekslocatie verkennend bodemonderzoek kenmerk 1507/047/RK‐01. (Bron: Tritium Advies B.V.) Naar aanleiding van de beoordeling van de onderzoeken door de Omgevingsdienst is in 2020 een nieuw aanvullend bodem‐ en verkennend asbestonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd in bijlage 6. Ter hoogte van één voormalige watergang zijn in de ondergrond sporen van puin aangetroffen die mogelijk duidt op een dempingslaag. Uit de toetsing van de analyseresultaten blijkt dat deze laag maximaal licht verontreinigd is met minerale olie. De aangetoonde verontreiniging is in overeenstemming met de hypothese dat deze bodemlaag verdacht is. Het aangetoonde gehalte is echter dermate laag, dat nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk wordt geacht. Asbest In de onderzochte puinhoudende grond en de puinverharding is zowel zintuiglijk als analytisch geen asbest aangetoond. Derhalve mag worden geconcludeerd dat de grond niet verontreinigd is met asbest. Nader onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. De onderzoeksresultaten leveren geen beperkingen op ten aanzien van het voorgenomen gebruik van de locatie en vormen geen belemmering voor de afgifte van een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit.
42/118
De Omgevingsdienst Zuid Holland Zuid heeft een positief advies gegeven ten aanzien van de uitgevoerde onderzoeken (bijlage 7). De bodemonderzoeken tezamen zijn naar behoren en conform de NEN‐5740/NEN‐5707 richtlijnen uitgevoerd. Op grond van de resultaten vormt de kwaliteit van de bodem geen bezwaar voor de geplande bestemmingsplanwijziging. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.7
Archeologie en cultuurhistorie
Toetsingskader De Nederlandse bodem zit vol met archeologische waarden. Met de ondertekening van het Europese verdrag van Valletta in 1992, een verdrag over behoud en beheer van het archeologische erfgoed, hebben de lidstaten zich tot doel gesteld het bodemarchief te beschermen. Met ingang van 1 september 2007 is het Verdrag van Valletta geïmplementeerd in de Nederlandse wetgeving door middel van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz), waardoor het verdrag een juridisch fundament kreeg. Deze wijzigingswet heeft onder meer wijzigingen aangebracht in de Monumentenwet 1988. De Monumentenwet is op 1 juli 2016 deels (met een overgangstermijn tot de Omgevingswet) vervangen door de Erfgoedwet. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed. Naast de Monumentenwet vervangt de Erfgoedwet ook andere wetten zoals de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Het gaat om het vaststellen van een gemeentelijke erfgoedverordening en het bijhouden van een erfgoedregister. Ook dienen burgemeester en wethouders het voornemen om hun cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekend te maken. De Erfgoedwet bevat bovendien diverse veranderingen met lokale gevolgen, zoals de vervanging van de landelijke aanwijzing van beschermde stads‐ en dorpsgezichten door een rijksinstructie aan gemeenten.
Onderdelen van de Monumentenwet 1988 die in 2019 naar de Omgevingswet overgaan, blijven van kracht tot die wet in werking treedt. De vuistregel voor de verdeling tussen de Erfgoedwet en de nieuwe Omgevingswet is: Roerend cultureel erfgoed en de aanwijzing van rijksmonumenten staat in de Erfgoedwet; De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed (stads‐ en dorpsgezichten en cultuurlandschappen) en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving komt in de Omgevingswet. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk archeologiebeleid is op 13 januari 2014 vastgesteld door de gemeenteraad. Op de bijbehorende archeologische beleidsadvieskaart is weergegeven waar in de gemeente (en in welke mate) kans is op het aantreffen van archeologische resten, uitgedrukt in een verwachtingszone (VAW). Aan deze verwachtingszones zijn ondergrenzen gekoppeld, die aangeven wanneer archeologisch onderzoek vanwege een voorgenomen ontwikkeling nodig is. Onderzoek Cultuurhistorie Binnen en in de nabije omgeving van het plangebied zijn geen monumenten aanwezig. Verder maakt het plangebied geen deel uit van cultuurhistorisch waardevol gebied.
43/118
Archeologie Op de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart ligt het plangebied in een zone met te verwachten archeologische waarden categorie 4 (VAW4). Ter plaatse van het plangebied is in 2015 reeds archeologisch onderzoek uitgevoerd door Archeodienst (Archeodienst, 16 juli 2015, rapportnummer 716). Dit onderzoek is in de bijlage toegevoegd (bijlage 8). Uit dit onderzoek blijkt het plangebied een lage archeologische verwachtingswaarde kent voor de perioden Laat‐Paleolithicum tot en met Mesolithicum en geen archeologische verwachtingswaarde kent voor de perioden Neolithicum tot en met Nieuwe tijd. Het booronderzoek heeft uitgewezen dat deze verwachting kan worden gehandhaafd voor de bovenste 2‐4 m van de bodem. De verwachting is dat zeker tussen 2‐4 m –mv geen archeologische waarden (en waarschijnlijk ook nog dieper) te verwachten zijn, waardoor de voorgenomen graafwerkzaamheden geen bedreiging vormen voor het archeologische bodemarchief. In 2019 heeft de gemeentearcheoloog het onderzoek goedgekeurd (zie bijlage 9) en is het onderzochte deel van het plangebied vrijgegeven voor verdere ontwikkeling. Voor het overige deel van het plangebied is de bestemming Waarde ‐ Archeologie 4 opgenomen. Conclusie Het aspect cultuurhistorie en archeologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.8
Externe veiligheid
Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet‐ en regelgeving, de concrete uitwerking volgt in het Basisnet.
Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het
44/118
PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10‐6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10‐6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10‐6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 meter vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichting (Bevi), zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.
Onderzoek Overeenkomstig de professionele risicokaart waarin relevante risicobronnen worden getoond, is in de nabije omgeving van het plangebied een risicovolle inrichtingen aanwezig (figuur 4.6) en worden in de nabije omgeving van het plangebied gevaarlijke stoffen vervoerd over de weg, het spoor, het water en door buisleidingen (tabel 4.2).
Figuur 4.6: Ligging plangebied (paarse cirkel) ten opzichte van risicovolle bronnen. (Bron: Professionele risicokaart) Risicovolle inrichtingen Ten oosten van het plangebied is, op het bedrijventerrein 'Aan de Noord', de risicovolle inrichting Bolidt Kunststoftoepassing BV gelegen. Het maatgevende scenario betreft een toxische wolk. Het plangebied is niet gelegen binnen de PR 10‐6 contour. Het invloedsgebied van Bolidt reikt volgens de professionele risicokaart tot een afstand
45/118
van 1088 meter. Het plangebied is op circa 650 meter afstand van Bolidt gelegen en valt zodoende binnen het invloedsgebied. Door de beoogde ontwikkeling zal de personendichtheid beperkt toenemen. Daarnaast ligt het gehele bedrijventerrein Aan de Noord en de woonwijk Oostendam binnen het invloedsgebied van Bolidt. De beperkte toename van personen zal hierdoor en door de afstand van circa 650 meter geen merkbaar invloed hebben op het groepsrisico. In de huidige situatie ligt het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde, waardoor berekening van het groepsrisico niet noodzakelijk is en kan worden volstaan met een beknopte verantwoording. Transportroute
PAG
Maatgevend invloedsgebied [m]
Afstand tot plangebied [m]
Ligging binnen.. PAG
Weg
Invloedsgebied
A15
Ja
355
1.000
Nee
Nee
A16
Ja
355
2.000
Nee
Nee
N915
Nee
355
850
Nee
Nee
Spoor
202C1.1
Ja
4.000
1.400
Nee
Ja
Water
Corridor Rotterdam ‐ Duitsland
Ja
1.070
1.080
Nee
Nee
Buisleiding
W‐507‐02
Nee
70
712
Nee
Nee
Tabel 4.2: Relevante transportroutes gevaarlijke stoffen. (Bron: Professionele risicokaart) Het plangebied valt voor alle transportroutes buiten het invloedsgebied, met uitzondering van het spoortraject Kijfhoek – Betuweroute Meteren. Het plangebied ligt buiten 200 meter van de transportroute, waardoor berekening van het groepsrisico niet noodzakelijk is. Wel is een beknopte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Beknopte verantwoording groepsrisico De onderstaande beknopte verantwoording van het groepsrisico zal op basis van het advies van de veiligheidsregio nader worden uitgewerkt. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van en incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via verschillende wegen, waaronder de Graaf Willemlaan, de Van Godewijckstraat en de Tesselschadestraat.
Deze straten sluiten allen aan op het verdere wegennetwerk van de kern Hendrik‐Ido‐Ambacht. Het gedegen wegennetwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede. Zo kan een mogelijke brand via meerdere aanvalswegen worden geblust. Het wegennetwerk biedt daarnaast vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Zelfredzaamheid In de toekomstige situatie zal het plangebied bestaan uit woningen. De aanwezige personen zullen over het algemeen zelfredzaam zijn. Aanwezige kinderen en ouderen worden wel beschouwd als verminderd zelfredzame
46/118
personen. Hierbij wordt echter ervan uitgegaan dat in geval van nood de ouders/verzorgers de kinderen en ouderen kunnen begeleiden. Als gevolg van een incident met toxische stoffen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in dit scenario is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Instructie met betrekking tot de juiste handelswijze in geval van een incident is noodzakelijk voor een effectieve zelfredzaamheid. Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de risicovolle inrichting Bolidt Kunststoftoepassing BV en het spoortraject Kijfhoek – Betuweroute Meteren. Uit de beknopte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Het aspect externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling
4.9
Bedrijven en milieuzonering
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de naastgelegen woningen een goed woon‐ en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en de milieuruimte van de betreffende bedrijven. Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Integrale milieuzonering houdt rekening met cumulatieve effecten. Bij ruimtelijke scheiding kan een uitwaartse of inwaartse zonering worden gehanteerd. Milieuzonering hanteert richtafstanden. De richtafstanden gelden ten opzichte van de gebiedstypen 'rustige woonwijk' en 'rustig buitengebied'. Ten opzichte van milieugevoelige functies die zijn gelegen in gebieden met een andere typering kunnen kortere richtafstanden worden aangehouden. Onderzoek Het plangebied grenst met de noordzijde aan het winkelcentrum De Schoof en met de west‐, zuid‐ en oostzijde aan bestaande woonwijken. Verder is het plangebied gelegen binnen de geluidszone van de Graaf Willemlaan en gedeeltelijk binnen de geluidszone van het gezoneerde industrieterrein 'Aan de Noord'. Het plangebied kan daarmee getypeerd worden als 'gemengd gebied'.
Vanwege de ligging in de geluidszone van de Graaf Willemlaan is akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd, dit is beschreven in paragraaf 4.4. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 81 woningen en daarmee een milieugevoelige ontwikkeling. Het plangebied is gedeeltelijk gelegen binnen de in het vigerende bestemmingsplan aangegeven geluidszone van het industrieterrein 'Aan de Noord'. Door de Omgevingsdienst Zuid‐Holland Zuid is een uitsnede van de geluidscontour industrielawaai aangeleverd (figuur 4.7). Hieruit blijkt dat het plangebied niet binnen de geluidszone van het gezoneerde industrieterrein ligt.
47/118
Figuur 4.7: Contour industrielawaai (bron: Omgevingsdienst Zuid‐Holland Zuid) Het winkelcentrum De Schoof kent de bestemming 'Gemengd – 2'. Binnen deze bestemming zijn detailhandel en dienstverlening toegestaan. In het winkelcentrum zijn winkels gevestigd zoals supermarkten, drogisterijen en kledingwinkels. Deze winkels behoren volgens de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009) tot milieucategorie 1. Ook de horeca die mogelijk is binnen de bestemming 'Gemengd ‐ 2' valt binnen milieucategorie 1. Voor deze milieucategorieën vormt geluid het maatgevende aspect en geldt voor gemengd gebied een richtafstand van 0 meter. De beoogde woningen binnen het plangebied zijn op circa 17 meter afstand gelegen, waarmee aan de richtafstand wordt voldaan. Geconcludeerd kan worden dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat. Conclusie Het aspect bedrijf‐ en milieuzonering vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.10 Ecologie Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier‐ en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming
48/118
Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000‐gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura‐2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten.
De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming provincie Zuid‐Holland In de provincie Zuid‐Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen.
In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien
49/118
van de soorten genoemd in bijlage 6 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een natuur‐ of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde Natura 2000‐gebied is gelegen op een afstand van circa 2,8 kilometer en betreft het gebied 'Boezems Kinderdijk'. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitat maakt deel uit van het gebied 'Biesbosch' en is gelegen op circa 8,0 kilometer. Het dichtstbijzijnde natuurgebied behorende tot het Natuurnetwerk Nederland is gelegen op circa 1,1 kilometer afstand. In bijlage 10 is de memo stikstofberekeningen toegevoegd. De bijbehorende AERIUS‐berekeningen van de aanleg‐ en de gebruiksfase zijn opgenomen in respectievelijk bijlage 11 en 12. Hieruit blijkt dat in zowel de aanleg‐ als gebruiksfase geen sprake is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jr op het dichtstbijzijnde Natura 2000‐gebied. Soortenbescherming Door bureau IDDS is een quickscan ecologie uitgevoerd (bijlage 13).
Uit bureaustudie en biotooptoets is naar voren gekomen dat met de plannen mogelijk vaste rust‐ en verblijfplaatsen of belangrijk leefgebied wordt aangetast van beschermde vleermuissoorten. In aanvulling hierop is een jaarrond onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd in bijlage 14. In het plangebied zijn geen verblijfplaatsen, essentieel foerageergebied of vliegroutes van vleermuizen vastgesteld. Er is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig om de werkzaamheden uit te kunnen voeren. De groenstrook in het zuidwestelijk deel van het plangebied blijft behouden, voor dit deel is daarom geen aanvullend ecologisch onderzoek nodig. Bij toekomstige woningbouwplannen moeten de bomen langs de van Godewijckstraat worden behouden. Deze bomen hebben een hoge waarde voor de biodiversiteit in de stad. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.11 Luchtkwaliteit Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2, van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordenings‐ praktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven.
50/118
Stof
Toetsing van
Grenswaarde
Stikstofdioxide (NO2)
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
Uurgemiddelde concentratie
Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m³
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
24‐uurgemiddelde concentratie
Max. 35 keer p.j. Meer dan 50 µg / m³
Jaargemiddelde concentratie
25 µg/m³
Fijn stof (PM10)
Fijn stof (PM2,5)
Tabel 4.3: Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer Besluit niet in betekenende mate (nibm) In het Besluit nibm en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% toename van concentratie NO2 (stikstof dioxide) en PM10 (fijn stof) in de buitenlucht; een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m² bvo bij één ontsluitingsweg. Schone Lucht Akkoord Het college van Hendrik‐Ido‐Ambacht heeft op 12 december 2019 besloten om deel te nemen aan het Schone Lucht Akkoord (SLA). Het SLA is op 29 januari 2020 ondertekend door de portefeuillehouder Ralph Lafleur. Daarbij stellen deelnemende partijen als gezamenlijk doel om in 2030 minimaal 50% gezondheidswinst uit binnenlandse bronnen te realiseren t.o.v. peiljaar 2016, waarbij toegewerkt wordt naar de WHO‐advieswaarden in 2030. In het Schone Lucht Akkoord worden maatregelen voorgesteld voor sectoren (weg)verkeer, landbouw, scheepvaart, industrie en huishoudens.
Daarbij worden door deelnemende overheden, afspraken en verplichtingen en eventuele aanvullende lokale/regionale maatregelen, nader vastgelegd in uitvoeringsplannen per organisatie. In het SLA worden ook afspraken gemaakt om via aanbesteding en opdrachtverlening in relatie tot projecten en via vergunningverlening nadere emissie‐eisen te stellen aan inzet van mobiele werktuigen en te komen tot inzet van schone‐ en/of 0‐emissie bouwmaterieel. Daarbij wordt ook een koppeling gemaakt met het Klimaatakkoord en zo mogelijk aansluiting gezocht bij de versnelling die in het kader van de stikstofaanpak plaatsvindt in relatie tot de inzet van schonere mobiele werktuigen ter voorkoming van stikstofdepositie bij Natura 2000‐gebieden. Gemeenten en provincies zullen na de aanscherping van de MVI‐criteria vanaf 2021 emissie‐eisen en criteria gaan opnemen die gericht zijn op het terugdringen van luchtvervuilende emissies in de aanbesteding van (bouw)projecten en andere aanbestedingen waaronder mobiele werktuigen. De aanbestedingscriteria komen dan minimaal overeen met de emissie‐eisen van de MVI criteria zoals gepubliceerd op de PIANOo website. Voorgesteld wordt om in kader van het plan en de aanscherping van de MVI‐criteria in 2021 minimaal te voldoen aan de emissie‐eisen van de MVI criteria. Deze zullen tevens worden opgenomen in het aanbestedingsbeleid van de Drechtsteden.
Onderzoek De beoogde ontwikkeling voorziet in de ontwikkeling van maximaal 81 woningen. Dit aantal valt ruim onder de
51/118
drempelwaarde van 1.500 woningen die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het plan draagt dan ook 'niet in betekenende mate' bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijnstof in de lucht en is vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden. Er wordt voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL‐monitoringstool die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Antoniuslaan ten oosten van het plangebied. Uit de NSL‐monitoringstool blijkt dat in 2018 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen voor deze weg bedroegen in 2018; 25.3 µg/m3 voor NO2, 19.4 µg/m3 voor PM10 en 11.9 µg/m3 voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24‐uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 7 dagen. Aangezien direct langs deze weg aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de maatgevende weg ligt.
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.12 Kabels en leidingen Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek en conclusie Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Wel is in het plangebied een transformator gebouw aanwezig, hier is in het ontwerp rekening mee gehouden. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling dan ook niet in de weg.
52/118
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Algemeen
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moeten worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevatten de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie‐ en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi. Planvorm Het bestemmingsplan Centrumgebied, Graaf Willemlaan staat in het plangebied de ontwikkeling van woningen toe. De juridische planvorm is afgestemd op het kunnen realiseren van de nieuwe ontwikkeling. Verbeelding en regels Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. De regels geven duidelijkheid over de bestemmingsomschrijving, de bouwregels en de specifieke gebruiksregels. In de regels zijn verder afwijkings‐ en wijzigingsregels opgenomen. Bestemmingsvlak en bouwvlak Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik toegestaan is.
Het bouwvlak is een gebied dat op de verbeelding is aangeven waarbinnen gebouwen mogen worden gebouwd met in achtneming van de in de regels gestelde regels. Het bouwvlak is op de verbeelding voorzien van aanduidingen die betrekking hebben op de maatvoering. Aanduidingen Op de verbeelding is een onderscheid gemaakt in 2 verschillende maatvoeringsaanduidingen: een maximum bouwhoogte en het maximum aantal woningen. Daarnaast zijn een specifieke bouwaanduiding en twee functieaanduidingen opgenomen. Opbouw planregels De regels van het bestemmingsplan bestaan uit de volgende onderdelen: 1. inleidende regels; 2. bestemmingsregels; 3. algemene regels; 4. overgangs‐ en slotregels.
53/118
5.2
Inleidende regels
Begrippen Dit artikel definieert de begrippen die in het bestemmingsplan worden gebruikt. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen. Wijze van meten Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken wordt gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard.
5.3
Bestemmingsregels
In het bestemmingsplan zijn vier verschillende enkelbestemmingen en een dubbelbestemming opgenomen. Hieronder wordt ingegaan op de inhoud van deze bestemmingen. Groen Het zuidelijke deel van het plangebied heeft de bestemming Groen. Binnen deze bestemming is onder andere groen en water toegestaan. Hiermee wordt de mogelijkheid geboden de bestaande watergang uit te breiden. Verkeer De Graaf Willemlaan is bestemd als Verkeer. Binnen deze bestemming zijn twee maal een doorgaande rijstrook toegestaan. Verkeer ‐ Verblijfsgebied Het plein grenzend aan De Schoof is bestemd als Verkeer ‐ Verblijfsgebied. Naast de functie voor verblijf en verplaatsing, zijn ter plaatse tevens terrassen toegestaan behorende bij de aangrenzende horecavoorzieningen. Woongebied Binnen deze bestemming is wonen met de daarbij behorende functies in het openbaar gebied mogelijk. Binnen de aanduiding ' gemengd' is tevens dienstverlening en praktijkruimten op de begane grond toegestaan, detailhandel is niet toegestaan. Binnen het bestemmingsvlak geldt dat ten minste 45% moet worden ingericht met groen‐ en watervoorzieningen. Tevens zijn regels opgenomen om klimaatbestendig bouwen te stimuleren. Gebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd. Er mogen maximaal 81 (7 en 74) woningen worden gebouwd.
De maximum bouwhoogte bedraagt 8 meter voor de patiowoningen en voor het overige 13,5 meter met uitzondering van het seniorenblok waar 15,5 meter is toegestaan met voor een deel de maximum bouwhoogte van 18,5 meter. Binnen de bestemming zijn parkeervoorzieningen op maaiveld, verdiept en halfverdiept toegestaan. Tot slot dient ten minste 30% van het totaal aantal woningen gerealiseerd te worden in de sector sociale huur of sociale koop. Waarde ‐ Archeologie 4 In het plangebied geldt op grond van de gemeentelijke beleidskaart een archeologische verwachting. In verband met de betreffende verwachtingswaarde is de dubbelbestemming 'Waarde ‐ Archeologie 4' opgenomen.
54/118
Bouw‐ en grondwerkzaamheden zijn uitsluitend toegestaan wanneer (verkennend) archeologisch onderzoek is uitgevoerd waaruit blijkt dat er geen archeologische waarden worden geschaad. Er is een beperkt aantal uitzonderingen op deze regeling, onder andere voor werkzaamheden die niet dieper reiken dan of niet groter zijn dan een bepaalde maat. De maat die geldt voor bouwwerken in deze beleidszone bedraagt 2.500 m². De maximum diepte bedraagt 50 cm ‐mv. Werkzaamheden die kunnen worden aangemerkt als regulier beheer en onderhoud zijn in ieder geval van deze verplichting gevrijwaard.
5.4
Algemene regels
In dit onderdeel van de regels komen algemene regels aan de orde die gelden voor alle bestemmingen in het bestemmingsplan. De algemene regels bestaan uit de volgende artikelen. Anti‐dubbeltelregel In dit artikel is bepaald dat grond die in aanmerking moest worden genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning, waarvan de uitvoering heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden, bij de beoordeling van een andere aanvraag om omgevingsvergunning niet opnieuw in beschouwing mag worden genomen. Algemene bouwregels In dit artikel staat een regeling voor geringe overschrijdingen van ondergeschikte bouwdelen, zoals trappen, galerijen, balkons en afdaken. Algemene aanduidingsregels In dit artikel is bepaald dat de realisering van geluidgevoelige objecten ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone ‐ industrie' uitsluitend is toegestaan indien voldaan wordt aan de in of krachtens de Wet geluidhinder geldende normen. Algemene gebruiksregels In het eerste en tweede lid is een aantal vormen van gebruik benoemd, die strijdig zijn met dit bestemmingsplan. Er is onderscheid gemaakt in onbebouwde gronden en bouwwerken. In het derde lid is bepaald dat bij nieuwe ontwikkeling dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Hiervoor geldt in principe de normering zoals opgenomen in de 'Parkeernota Nieuwe Ontwikkelingen 2018'.
Slechts in bijzondere gevallen kan hiervan worden afgeweken. Algemene afwijkingsregels Dit artikel is een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken. Bijvoorbeeld een geringe overschrijding van de toegestane bouwhoogte of het overschrijden van bouwgrenzen. Aan de toepassing van de afwijking dient een belangenafweging ten grondslag te liggen.
5.5
Overgangs‐ en slotregels
In het afsluitende onderdeel van de regels komen de overgangs‐ en slotregels aan de orde.
55/118
Overgangsrecht De formulering van het overgangsrecht is bindend voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.2.1 Bro). Slotregel Deze regel bevat de titel van het plan.
56/118
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid Het project richt zich op een marktsegment waar momenteel vraag naar is. De kosten worden gedekt uit de opbrengst van de woningen. Hiermee kan het bestemmingsplan financieel haalbaar worden geacht. Grondexploitatie Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd. De grond is in eigendom van de gemeente, maar de uitvoering van de beoogde ontwikkeling wordt gedaan door een ontwikkelaar. Na de selectie van de ontwikkelaar, worden de gronden overgedragen aan de ontwikkelaar.
Door middel van een anterieure overeenkomst wordt de dekking van de gemaakte kosten verzekerd. Hierin worden ook afspraken gemaakt ten aanzien van planschade.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Voorontwerpbestemmingsplan In het kader van het vooroverleg wordt het bestemmingsplan naar de vooroverlegpartners gestuurd. Het voorontwerpbestemmingsplan is gedurende 6 weken ter inzage gelegd. In deze periode zijn inspraakreacties worden ingediend. De inspraakreacties en vooroverlegreacties zijn samengevat in Bijlage 15. Daarbij is aangegeven op welke punten het bestemmingsplan is aangepast. Ontwerpbestemmingsplan Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende zes weken ter inzage gelegen. De ingekomen zienswijzen zijn samengevat en beantwoord in de Nota Zienswijzen in bijlage 18. In de Nota zienswijzen is tevens aangegeven of de zienswijzen hebben geleid tot aanpassing van het plan.
57/118
58/118
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING
60/118
Bijlage 1 Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.‐beoordeling
61/118
62/118
BESTEMMINGSPLAN AMBACHTS LINT HENDRIK-IDO-AMBACHT Vormvrije m.e.r.-beoordeling 19 mei 2021
1/13
2/13
DATUM KENMERK
19 mei 2021 20191034.001
PROJECT PROJECTLEIDER
BP Ambachts Lint drs. W. Kraaijeveld
OPDRACHTGEVER
Gemeente Hendrik-Ido-Ambacht
AUTEUR STATUS
ing. P. Springvloed Concept
INHOUD 1.
2.
3.
4.
3/13
Inleiding
4
1.1 1.2 1.3
4 4 4
Aanleiding Wat houdt een m.e.r.-beoordeling in? Leeswijzer
Plaats en kenmerken van het project
5
2.1 2.2 2.3
Plaats van het project Kenmerken van het project Cumulatie met andere projecten
5 7 7
Kenmerken van de milieueffecten
8
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9 3.10 3.11
8 8 8 9 10 10 11 11 11 12 12
Verkeer en parkeren Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid Bodem en water Water Ecologie Cultuurhistorie en archeologie Gezondheid Sloop- en aanlegwerkzaamheden Mitigerende maatregelen
Conclusies
13
1. INLEIDING 1.1
Aanleiding
De gemeente Hendrik-Ido-Ambacht heeft het voornemen om het centrumgebied te gaan ontwikkelen. Hiervoor heeft de gemeenteraad in juli 2019 de Gebiedsvisie Centrum vastgesteld. In 2020 is een concept ontwikkeld voor de concrete invulling van het gebied. Het plan bestaat uit drie woonblokken voor maximaal 81 woningen en de benodigde parkeervoorzieningen. Daarnaast is er in het plan veel aandacht en ruimte voor groen, water en (herinrichting van) de openbare ruimte. De ontwikkeling past niet binnen het vigerende bestemmingsplan ‘Centrum’. Om de ontwikkeling mogelijk te maken wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Het planvoornemen behoort tot de activiteit ‘stedelijke ontwikkelingsproject’ zoals bedoeld in onderdeel D11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Voor deze activiteit geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer, of 3. een bedrijfsvloeroppervlak van 200.000 m2 of meer. De beoogde ontwikkeling betreft maximaal 81 woningen in een gebied van circa 1,5 hectare. Er wordt geen drempelwaarde overschreden daarom kan worden volstaan met een zogenaamde ‘vormvrije’ m.e.r.-beoordeling. Dit document bevat die beoordeling.
1.2
Wat houdt een m.e.r.-beoordeling in?
In een m.e.r.- beoordeling wordt getoetst of een m.e.r. procedure doorlopen moet worden. De wettelijke regeling voor de m.e.r.-beoordeling gaat uit van het principe 'nee, tenzij'. Dat wil zeggen, een volwaardige m.e.r.-procedure is alleen noodzakelijk als sprake is van 'belangrijke nadelige gevolgen' die het betreffende project voor het milieu kan hebben. Daarbij moet het bevoegd gezag rekening houden met de omstandigheden zoals aangegeven in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, te weten: ● de plaats van het project; ● de omvang van het project; ● de kenmerken van de potentiële milieueffecten (in samenhang met de eerste twee criteria). Het bevoegd gezag dient een m.e.r-beoordelingsbeslissing te nemen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de omvang van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.
1.3
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 worden de plaats en omvang van het project beschreven. In hoofdstuk 3 worden de verwachte milieueffecten voor de verschillende omgevingsaspecten beschreven. Hoofdstuk 4 bevat de conclusie van de m.e.r.-beoordeling.
4/13
2. PLAATS EN KENMERKEN VAN HET PROJECT 2.1
Plaats van het project
Het plangebied ligt ten zuidwesten van winkelcentrum De Schoof ter hoogte van de Graaf Willemlaan. Aan de zuidoostzijde wordt het gebied begrensd door de Tesselschadestraat, waarbij het appartementengebouw aan de Tesselschadestraat geen onderdeel is van het plangebied. Aan de noordwestzijde wordt het plangebied begrensd door de Van Godewijckstraat. Tot slot behoort de groenstrook tussen vier bestaande appartementencomplexen tot het plangebied. Zie figuur 2.1 voor de ligging en begrenzing van het plangebied.
Figuur 2.1: Ligging en begrenzing plangebied (bron: Arcgis luchtfoto 2019)
Ligging plangebied ten opzichte van beschermde/bijzondere gebieden Archeologie Op de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart ligt het plangebied in een zone met te verwachten archeologische waarden categorie 4 (VAW4). Voor deze waarde geldt dat bodemverstoringen met een oppervlak van 2.500 m2 of meer en dieper dan 50 cm-Mv verboden zijn zonder archeologisch onderzoek. Natuur Het projectgebied is niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied (figuur 2.2). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op circa 2,8 kilometer en betreft het gebied ‘Boezems Kinderdijk’. Het projectgebied ligt niet in een waterwin-, grondwaterbeschermings- en/of milieubeschermingsgebieden (figuur 2.3).
5/13
Figuur 2.2: Ligging projectgebied t.o.v. Natuur Netwerk Nederland
Figuur 2.3: Ligging projectgebied t.o.v. waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden (bron: Atlas Leefomgeving)
6/13
2.2
Kenmerken van het project
De beoogde ontwikkeling betreft sloop van de bestaande bebouwing, nieuwbouw van drie woongebouwen ten behoeve van 81 woningen en de herinrichting van de openbare ruimte. Ook wordt maximaal 250 m2 dienstverlening en maatschappelijke voorzieningen mogelijk gemaakt. Zie figuur 2.2 voor een ontwerptekening van de toekomstige situatie.
Figuur 2.2: Impressie beoogde ontwikkeling (bron: Blauwhoed)
ONTSLUITING De ontsluiting van het plangebied vindt plaats via de Graaf Willemlaan, Tesselschadestraat en Van Godewijckstraat. De Graaf Willemlaan is een gebiedsontsluitingsweg met een maximum toegestane snelheid van 50 km/h. De Tesselschadestraat en de Van Godewijckstraat zijn erftoegangswegen met een maximum toegestane snelheid van 30 km/h. In zuidwestelijk richting wordt via de Tesselschadestraat en de Antoniuslaan richting de A16 ontsloten. In noordelijke richting wordt via de Van Godewijcklaan, Graaf Willemstraat en de Kerkstraat richting de N915 en de A15 ontsloten. De Graaf Willemlaan en de Van Godewijckstraat zijn belangrijke doorgaande straten in de wegenstructuur van Hendrik-Ido-Ambacht.
VERKEER EN PARKEREN Aan de hand van kencijfers van het CROW is voor het plangebied de verkeersgeneratie berekend. Daarbij is uitgegaan van de maximale planmogelijkheid van 81 woningen. Er is geen rekening gehouden met het verdwijnen van het bestaande schoolgebouw. Uit de berekening blijkt dat de verkeersgeneratie maximaal 502 mvt/etmaal (motorbewegingen en per etmaal) bedraagt.