CConstaterende datHendrik-Ido-Ambacht
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage bij raadsvoorstel 9.2 20221024 PvA Omgevingsplan HIA def incl bijlagen

raadsvergadering openbaar 7 december 2022, gemeente Hendrik-Ido-AmbachtBij agendapunt: Plan van aanpak Omgevingsplan25.902 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Het gebied met beschermingscategorie 1, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit natuurnetwerk Nederland, bedoeld in artikel 2.11, eerste lid, en kroonjuweel cultureel erfgoed en beschermd grasland in de Bollenstreek, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in

Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op het Centrumgebied

Niet van toepassing op het Centrumgebied Niet van toepassing op HIA

4

7.43 (ruimtelijke kwaliteit)

1

bijlage II. Het gebied met beschermingscategorie 2, bedoeld in het tweede lid, bestaat uit belangrijk weidevogelgebied, groene buffer en recreatiegebied, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. Een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt, neemt de volgende bepalingen in acht ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit: a. de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied en houdt rekening met de relevante richtpunten genoemd in bijlage IX, onder A (inpassen); b. als de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar wijziging op structuurniveau voorziet (aanpassen), wordt deze alleen toegelaten mits de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft door: 1° zorgvuldige inbedding van de ontwikkeling in de omgeving, rekening houdend met de relevante richtpunten genoemd in bijlage IX, onder A; en 2° het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid; c.

als de ruimtelijke ontwikkeling niet past bij de bestaande gebiedsidentiteit (transformeren), wordt deze alleen toegestaan mits de ruimtelijke kwaliteit van de nieuwe ontwikkeling is gewaarborgd door: 1° een integraal ontwerp, waarin behalve aan de ruimtelijke kwaliteit van het gehele gebied ook aandacht is besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd, en rekening is gehouden met de relevante richtpunten genoemd in bijlage IX, onder A; en 2° het zo nodig treffen van aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het derde lid.

Niet van toepassing op het Centrumgebied

Niet van toepassing op het Baxpark (geen ontwikkeling)

2

3

4

Een omgevingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 1 kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onder b en c, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 7.47 of een zwaarwegend algemeen belang en voorts wordt voldaan aan de onder het eerste lid, onder b en c, gestelde voorwaarden Een omgevingsplan voor een gebied met beschermingscategorie 2 kan niet voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid, onder c, tenzij het gaat om de ontwikkeling van bovenlokale infrastructuur of van natuur of om een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 7.47 of een zwaarwegend algemeen belang en voorts wordt voldaan aan de onder het eerste lid, onder c, gestelde voorwaarden. Aanvullende ruimtelijke maatregelen als bedoeld in het eerste lid, aanhef onder b, onder 2° zijn: a. de aanvullende ruimtelijke maatregelen kunnen bestaan uit (een combinatie van): 1° duurzame sanering van leegstaande bebouwing, kassen of boom- en sierteelt; 2° wegnemen van verharding; 3° toevoegen of herstellen van kenmerkende landschapselementen; 4° andere maatregelen waardoor de ruimtelijke kwaliteit verbetert; b.

de onder a genoemde maatregelen worden in beginsel getroffen in de omgeving van de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling, tenzij kan worden gemotiveerd dat dat niet mogelijk is en de ruimtelijke maatregelen daarom elders worden getroffen; c. in afwijking van onder b kan het bevoegd gezag in

Niet van toepassing op het Centrumgebied

Niet van toepassing op het Centrumgebied

Niet van toepassing op het Centrumgebied (geen ontwikkeling)

5

6

7

plaats van het treffen van ruimtelijke maatregelen een gehele of gedeeltelijke financiële compensatie verlangen door een storting in een kwaliteitsfonds, dat is ingesteld op basis van de door provinciale staten vastgestelde regeling voor kwaliteitsfondsen, mits de daadwerkelijke uitvoering van de compenserende ruimtelijke kwaliteitsmaatregelen afdoende is verzekerd Een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt als bedoeld in het eerste lid bevat een beeldkwaliteitsparagraaf, waarin het effect van deze ontwikkeling op de bestaande kenmerken en waarden wordt beschreven en waaruit blijkt dat de ruimtelijke kwaliteit ten minste gelijk blijft, voor zover het gaat om een ruimtelijke ontwikkeling: a. waarbij de richtpunten genoemd in bijlage IX, onder A in het geding zijn; of b. die is gelegen in een gebied binnen een beschermingscategorie als bedoeld in het tweede lid, onder a en b. Voor zover in deze afdeling specifieke regels zijn opgenomen ten behoeve van bepaalde typen ruimtelijke ontwikkelingen gaan die specifieke regels voor, tenzij dit artikel zich daartegen niet verzet.

Voor zover een ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid een significante aantasting tot gevolg heeft van de wezenlijke kenmerken en waarden van belangrijke weidevogelgebieden, recreatiegebieden rond de stad of karakteristieke landschapselementen, moet deze aantasting worden gecompenseerd. Gedeputeerde staten leggen de vereisten over de aard en omvang van de compensatie en het moment waarop de compensatie gerealiseerd moet zijn, vast in een beleidsregel over de compensatie bij nieuwe ontwikkelingen. De motivering bij het omgevingsplan bevat een verantwoording over de wijze van compensatie.

Niet van toepassing op het Centrumgebied (geen ontwikkeling)

Niet van toepassing op het Centrumgebied (geen ontwikkeling)

Niet van toepassing op het Centrumgebied (geen ontwikkeling)

8

7.3.8 Stedelijke ontwikkelingen

7.44 (afgestemde regionale behoefte)

7.45 (ladder voor duurzame verstedelijking)

1

2

7.46 (aanwijzing en geometrische begrenzing grote buitenstedelijke bouwlocaties) 7.47 (grote buitenstedelijke bouwlocaties)

7.3.9 Detailhandel

7.48 (detailhandel)

1

Een omgevingsplan voor een gebied buiten het bestaand stads- en dorpsgebied laat bij een niet-agrarisch bedrijf of een agrarisch aanverwant bedrijf buiten bestaand stads- en dorpsgebied ten hoogste één bedrijfswoning toe, voor zover dat noodzakelijk en doelmatig is voor de bedrijfsvoering. Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voor wonen, bedrijventerreinen of kantoren mogelijk maakt houdt rekening met de op de behoefteramingen van gedeputeerde staten gebaseerde regionale afgestemde behoefte aan deze ontwikkeling. De regionaal afgestemde behoefte kan blijken uit de instemming met regionale bestuurlijke afspraken door gedeputeerde staten of uit een door gedeputeerde staten openbaar gemaakt document. Een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt gaat in de motivering in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Als over de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling regionale bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, waarmee gedeputeerde staten heeft ingestemd, dan kan de motivering van de behoefte, bedoeld in artikel 5.129g, tweede lid, onder a, bestaan uit een verwijzing naar die afspraken.

Grote buitenstedelijke bouwlocaties zijn de locaties benoemd in bijlage IX, onder B, en waarvan de geometrische begrenzing indicatief is vastgelegd in bijlage II. Een omgevingsplan voorziet alleen in een nieuwe stedelijke ontwikkeling groter dan 3 hectare die niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien op een grote buitenstedelijke bouwlocatie. Een omgevingsplan voorziet alleen in detailhandel in gebieden:

Niet van toepassing op het Centrumgebied

Niet van toepassing op het Centrumgebied (geen ontwikkeling)

Niet van toepassing op het Centrumgebied (geen ontwikkeling)

Niet van toepassing op het Centrumgebied (geen ontwikkeling)

Niet van toepassing op het Centrumgebied

Niet van toepassing op het Centrumgebied

Relevant

a.

2

7.49 (uitzonderingen detailhandel)

1

binnen of aansluitend aan een bestaande winkelconcentratie in de centra van steden, dorpen en wijken; b. binnen een nieuwe wijkgebonden winkelconcentratie in een nieuwe woonwijk; c. binnen een nieuwe goed bereikbare en centraal gelegen winkelconcentratie als gevolg van herallocatie. De detailhandel, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de volgende eisen: a. de ontwikkeling is in overeenstemming met het in bijlage IX, onder C, beschreven ontwikkelingsperspectief voor de daarin benoemde te versterken centra, te optimaliseren centra en de overige centra; b. aangetoond is dat als gevolg van de ontwikkeling het woon- en leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast en geen onaanvaardbare leegstand ontstaat; c. voor zover de ontwikkeling een omvang heeft van meer dan 4.000 m2 bruto-vloeroppervlakte in de binnensteden van Rotterdam en Den Haag of 2.000 m2 bruto-vloeroppervlakte in de andere centra, is ook met het oog op de eisen onder a en b, advies gevraagd aan de adviescommissie detailhandel ZuidHolland In afwijking van artikel 7.48 kan een omgevingsplan voorzien in de volgende detailhandel: a.

detailhandel in goederen die qua aard of omvang van de aangeboden goederen niet of niet goed inpasbaar is in de centra: 1° detailhandel in brand- en explosiegevaarlijke goederen; 2° detailhandel in volumineuze goederen; 3° meubelbedrijven, inclusief in ondergeschikte mate een assortiment woninginrichting en

Niet van toepassing op het Centrumgebied (geen ontwikkeling)

Relevant

2

stoffering, evenals detailhandel in de volumineuze woongoederen: keukens, badkamers, vloeren, zonwering en jacuzzi’s, voor zover de ontwikkeling plaatsvindt binnen de bedrijventerreinen met locaties voor perifere detailhandelsvestigingen (PDV) waarvan de locatie geometrisch is begrensd in bijlage II; 4° tuincentra; 5° bouwmarkten; b. kleinschalige detailhandel: 1° in de vorm van een gemakswinkel; 2° bij sport-, culturele, medische, onderwijs, recreatie- en vrije tijdsvoorzieningen, evenals andere locaties met veel bezoekers of passanten, met een assortiment dat aansluit op de aard van deze voorzieningen of locaties; c. ondergeschikte detailhandel: 1° in ter plaatse vervaardigde goederen bij een productiebedrijf; 2° bij een beroep aan huis of bij een ambachtelijk of dienstverlenend bedrijf, met een assortiment dat aansluit bij de hoofdactiviteit; 3° bij een agrarisch bedrijf met een assortiment van producten uit eigen teelt; d. afhaalpunten voor niet-dagelijkse artikelen op goed bereikbare locaties; e. kringloopwinkels; f. supermarkten net buiten het winkelconcentratiegebied in kleine kernen, als is aangetoond dat hiervoor onvoldoende ruimte is in een bestaande winkelconcentratie.

Het omgevingsplan kan toevoeging of uitbreiding van detailhandel, bedoeld in het eerste lid, onder a en f, alleen mogelijk maken als is aangetoond dat het woonen leefklimaat niet onevenredig wordt aangetast en geen onaanvaardbare leegstand ontstaat. Ook met het oog hierop is advies gevraagd aan de adviescommissie

Niet van toepassing op het Centrumgebied (geen ontwikkeling)

3

7.3.10 Kantoren

7.50 (aanwijzing en geometrische begrenzing kantorengebieden)

1

2

3

7.51 (kantoren)

1

2

detailhandel Zuid-Holland, voor zover het gaat om de detailhandel, bedoeld in het eerste lid, onder a, onderdelen 3, 4 of 5, of bedoeld in het eerste lid, onder f, en voor zover die nieuwe detailhandel een omvang heeft van meer dan 1.000 m2 bruto-vloeroppervlakte. Een omgevingsplan dat voorziet in detailhandel als bedoeld in het eerste lid, onder a stelt de volgende voorwaarden aan de nevenassortimenten: a. ten hoogste 20% van het nettoverkoopvloeroppervlakte wordt voor de verkoop van het nevenassortiment gebruikt; en b. het nevenassortiment past bij het hoofdassortiment. Kantorengebieden categorie 1 zijn de grootstedelijke top- en centrumlocaties, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. Kantorengebieden categorie 2 zijn de OVknooppuntlocaties en centrum- en (intercity)stationslocaties, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. Kantorengebieden categorie 3 zijn de bijzondere locaties, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. Een omgevingsplan kan voorzien in kantoren op een locatie: a. binnen de kantorengebieden categorie 1; b. binnen de kantorengebieden categorie 2, mits is aangetoond dat de behoefte aan kantoren groter is dan de nog onbenutte plancapaciteit voor kantoren op die locatie; c. binnen de kantorengebieden categorie 3, mits passend in het profiel van deze locaties.

Het eerste lid is niet van toepassing op: a. kantoren die in overeenstemming zijn met de regionale behoefte aan kantoren waarover bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, waarmee gedeputeerde staten heeft ingestemd;

Niet van toepassing op het Centrumgebied

Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op HIA

Relevant

b. kleinschalige zelfstandige kantoren tot een brutovloeroppervlakte van 1.000 m² per vestiging;

c. kantoren met een lokaal verzorgingsgebied; d. bedrijfsgebonden kantoren met een bruto-

7.3.11 Bedrijven

Artikel 7.52 (bedrijven)

1

2

3

4

5

vloeroppervlakte dat minder bedraagt dan 50% van het totale bruto-vloeroppervlakte van het bedrijf; en e. functiegebonden kantoren bij een luchthaven, een haven of een veiling Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een bedrijventerrein laat bedrijven toe met de grootst mogelijke gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf, vastgelegd in een hoogst mogelijke geluidruimte zone en geurruimte zone of vergelijkbare milieuzonering, passend bij de omgeving van het bedrijventerrein, waarbij rekening wordt gehouden met toekomstige ontwikkelingen die zijn opgenomen in een onherroepelijk omgevingsplan of ontwikkelingen als bedoeld in artikel 7.47. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een watergebonden bedrijventerrein laat in hoofdzaak watergebonden bedrijven toe. Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan in beperkte mate voorzien in woningen, bedrijfswoningen en andere functies op delen van een bedrijventerrein, voor zover dit niet in strijd is met het eerste lid. Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een bestaand bedrijventerrein als bedoeld in het eerste lid of het tweede lid en dat gehele of gedeeltelijke transformatie naar andere activiteiten dan bedrijven mogelijk maakt, verantwoordt in de motivering op welke wijze binnen de regio compensatie van bedrijventerrein zal plaatsvinden. Compensatie als bedoeld in het vierde lid, kan achterwege blijven, als: a.

het een bestaand niet-watergebonden bedrijventerrein met een in een milieuzonering

Niet van toepassing op het Centrumgebied

Niet van toepassing op het Centrumgebied Niet van toepassing op het Centrumgebied

Niet van toepassing op het Centrumgebied

Niet van toepassing op het Centrumgebied

7.3.12 Glastuinbouwgebied

7.53 (aanwijzing en geometrische begrenzing glastuinbouwgebied)

1

2

3

4 5 7.54 (glastuinbouwgebied)

1

2

3

vastgelegde gebruiksruimte voor geluid en geur van ten hoogste een geluidruimte zone 3 en een geurruimte zone 2, of milieucategorie 3, of vergelijkbare milieuzonering, en een oppervlakte van minder dan 1 hectare betreft; of b. regionale afstemming heeft plaatsgevonden en hieruit is gebleken dat na transformatie voldoende bedrijventerrein in de regio beschikbaar zal blijven afgezet tegen de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Het glastuinbouwgebied is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. Het glastuinbouwgebied Westland-Oostland is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. Het glastuinbouwgebied Glasparel en Knibbelweg Oost is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. Het glastuinbouwgebied Tinte is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. Het maatwerkgebied glastuinbouw is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. Een omgevingsplan voor het glastuinbouwgebied als bedoeld in artikel 7.53, eerste tot en met vijfde lid, laat alleen glastuinbouwbedrijven en openlucht tuinbouwbedrijven toe, evenals de daarbij behorende voorzieningen en voorzieningen voor energieopwekking.

Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan bij uitzondering een andere ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maken als sprake is van een zwaarwegend algemeen belang en er geen reële andere mogelijkheid is. In het omgevingsplan kan de begrenzing van de locaties, bedoeld in artikel 7.53, eerste tot en met vijfde lid, in beperkte mate worden aangepast, rekening houdend

Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op HIA Niet van toepassing op HIA Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op HIA

4

5

6

7

8

met de lokale omstandigheden en bestaande bedrijven en functies, anders dan glastuinbouwbedrijven en openlucht tuinbouwbedrijven, mits aangetoond is dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang van de locaties en de bruikbaarheid voor de glastuinbouw. In afwijking van het eerste lid, kan een omgevingsplan voor het glastuinbouwgebied Westland-Oostland, bij uitzondering een bedrijf toelaten dat behoort tot de keten glastuinbouw en dat een bijdrage levert aan de ontwikkeling van het glastuinbouwgebied als internationaal centrum voor teelt, kennis en handel van glastuinbouwproducten, voor zover aangetoond is dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het glastuinbouwgebied. In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan voor het glastuinbouwgebied Glasparel en Knibbelweg Oost, ruimtelijke ontwikkelingen toelaten die niet behoren tot de keten glastuinbouw voor zover de ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt met toepassing van efficiënt en meervoudig grondgebruik door een combinatie met glastuinbouw. In afwijking van het eerste lid, kan een omgevingsplan voor het glastuinbouwgebied Tinte, voortzetting van het huidige gemengde agrarische grondgebruik mogelijk maken in een deel van het gebied.

In afwijking van het eerste lid, kan een omgevingsplan voor het maatwerkgebied glastuinbouw, transformatie naar andere functies mogelijk maken. Een omgevingsplan dat voorziet in het toevoegen of uitbreiden van glastuinbouw met een oppervlakte van ten minste vijf hectare aan aaneengesloten percelen, bevat in de motivering een verantwoording waarin de behoefte aan het gebruik van nieuwe locaties voor glastuinbouw als gevolg van de vervangings- en

Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op het Centrumgebied

9

7.3.13 Boom- en sierteelt

7.55 (aanwijzing en geometrische begrenzing boomsierteeltgebied)

1

2

3

4

5

uitbreidingsvraag wordt onderbouwd. Ook wordt onderbouwd waarom in deze behoefte niet kan worden voorzien door herstructurering of intensivering van elders in de betrokken regio gelegen bestaande glastuinbouwgebieden. Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan als de behoefte aan het gebruik van nieuwe locaties voor glastuinbouw nog niet is aangetoond, zoals bedoeld in het achtste lid, voortzetting van het huidige grondgebruik mogelijk maken totdat er alsnog behoefte ontstaat aan ontwikkeling voor glastuinbouw. De mogelijkheden voor ontwikkeling voor glastuinbouw mogen daarbij niet significant worden beperkt, tenzij het een ontwikkeling betreft die past binnen het huidige agrarische grondgebruik. Het boom- en sierteeltgebied is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. Het boom- en sierteeltgebied PCT-terrein is de locatie voor boom- en sierteelt pot- en containerteelt, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. Een omgevingsplan voor het boom- en sierteeltgebied PCT-terrein kan voorzien in kassen bij volwaardige boom- en sierteeltbedrijven, tot de helft van de beteelbare oppervlakte per bedrijf.

Een omgevingsplan voor het boom- en sierteeltgebied PCT-terrein kan naast de vestiging van boom- en sierteeltbedrijven in beperkte mate voorzien in de vestiging van bedrijven en andere functies die een directe binding hebben met de boom- en sierteelt en noodzakelijk zijn voor het functioneren van de boom- en sierteelt. Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan bij uitzondering een andere ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maken als sprake is van een zwaarwegend algemeen belang en er geen reële andere mogelijkheid

Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op HIA

6

7.3.14 Bollenteeltgebied

7.57 (aanwijzing en geometrische begrenzing bollenteeltgebied)

1

2 7.58 (bollenteeltgebied)

1

2

3

is. In afwijking van het eerste lid, kan het omgevingsplan beperkte uitbreiding van bestaande bebouwing of functies of wijziging daarvan naar een andere functie toelaten, mits aangetoond is dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het boom- en sierteeltgebied. Het bollenteeltgebied is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. Het compensatiegebied bollenteelt is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. Een omgevingsplan voor het bollenteeltgebied, laat primair bollenteeltbedrijven, bestaande gemengde bollenteelt- en glastuinbouwbedrijven en bestaande stekbedrijven toe, evenals de daarbij behorende voorzieningen. Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan voorzien in kassen: a. bij een volwaardig bollenteeltbedrijf tot ten hoogste 3.000 m2 per bedrijf; b. bij een bestaand volwaardig gemengd bollenteelt- en glastuinbouwbedrijf tot ten hoogste 6.000 m2 per bedrijf; c. bij een bestaand volwaardig stekbedrijf tot ten hoogste 6.000 m2 per bedrijf. In afwijking van het tweede lid, onder a, kan het omgevingsplan voorzien in kassen tot meer dan 3.000 m2 bij een volwaardig bollenteeltbedrijf, mits: a. tegenover de uitbreiding van de bestaande kassen in gelijke mate de duurzame sanering staat van kassen elders binnen het bollenteeltgebied; b.

de ruimtelijke kwaliteit binnen het bollenteeltgebied per saldo wordt verbeterd; en c. de te saneren kassen zijn opgericht voor 1

Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op HIA Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op HIA

4

5

6

7

8

9

januari 2014 Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan ook voorzien in greenportwoningen en compensatiewoningen. a. dit noodzakelijk en doelmatig is voor de bedrijfsvoering; b. verplaatsing naar een bedrijventerrein geen reële mogelijkheid is; en c. de ruimtelijke kwaliteit niet significant wordt aangetast. Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan ook voorzien in uitbreiding van bestaande handels- en exportbedrijven op locaties binnen het bollenteeltgebied, mits: Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, kan bij uitzondering een andere ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maken als sprake is van een zwaarwegend algemeen belang en er geen reële andere mogelijkheid is. In afwijking van het eerste lid, kan het omgevingsplan beperkte uitbreiding van bestaande bebouwing of functies of wijziging daarvan naar een andere functie toelaten, mits aangetoond is dat geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de omvang en de bruikbaarheid van het bollenteeltgebied. Een omgevingsplan voor het bollenteeltgebied, bedoeld in het eerste lid, dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling anders dan bollenteelt toestaat in een gebied dat in het voorgaande omgevingsplan is aangewezen voor bollenteelt, voorziet in compensatie van bollenteeltgebied door een overeenkomst hierover met de Greenport Ontwikkelingsmaatschappij Duin- en Bollenstreek.

Voor zover ten behoeve van de compensatie van bollenteeltgebied, bedoeld in het vorige lid graslanden worden gebruikt, dan wordt daarvoor het

Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op HIA

7.3.15 Agrarische bedrijven

7.59 (agrarische bedrijven)

1

compensatiegebied bollenteelt gebruikt. Een omgevingsplan voor agrarisch gebied neemt de volgende voorwaarden in acht: a. agrarische bebouwing, uitgezonderd kassen en schuilgelegenheden voor vee, wordt geconcentreerd binnen een bouwperceel van maximaal 2 hectare; b. in afwijking van onderdeel a, kan bij samenvoeging van twee akkerbouwbedrijven de omvang van het agrarisch bouwperceel worden vergroot tot de op het moment van samenvoeging bestaande maximaal mogelijke planologische omvang van beide bouwpercelen gezamenlijk, mits het achter te laten bouwperceel wordt gesaneerd; c. het toevoegen of uitbreiden van agrarische bebouwing is alleen mogelijk als deze noodzakelijk en doelmatig is voor de bedrijfsvoering van volwaardige agrarische bedrijven; d. bij een volwaardig agrarisch bedrijf wordt ten hoogste één agrarische bedrijfswoning toegelaten; e. kassen, anders dan bedoeld in de artikelen 7.54, 7.56 en 7.58, worden alleen toegelaten bij bestaande volwaardige glastuinbouwbedrijven tot een oppervlakte van 2 hectare per bedrijf en bij bestaande volwaardige boom- en sierteeltbedrijven tot een oppervlakte van 300 m2 per bedrijf; f. toevoegen of uitbreiden van boom- en sierteelt, anders dan bedoeld in artikel 7.56, wordt uitgesloten; g. het vestigen of uitbreiden van intensieve veehouderij als hoofdtak of als neventak wordt uitgesloten; h.

verplaatsing van een op 1 januari 2017 in de provincie Zuid-Holland bestaande intensieve veehouderij, kan worden toegelaten; i. uitbreiding of ingebruikname van bebouwing ten behoeve van een op 1 januari 2017 in de provincie

Niet van toepassing op het Centrumgebied

2

Zuid-Holland bestaande hoofdtak intensieve veehouderij, kan worden toegelaten binnen het bouwperceel van maximaal 2 hectare; j. uitbreiding of ingebruikname van bebouwing ten behoeve van een op 1 januari 2017 in de provincie Zuid-Holland bestaande neventak intensieve veehouderij, kan worden toegelaten binnen het bouwperceel van maximaal 2 hectare, voor zover de neventak meer dan 20% bedraagt van de economische bedrijfsomvang; k. het vestigen of uitbreiden van geitenhouderij wordt uitgesloten als hoofdtak en als neventak, evenals uitbreiding of ingebruikname van bebouwing ten behoeve van een bestaande geitenhouderij, tenzij het aantal geiten niet toeneemt. In afwijking van het eerste lid, onder e, kan een omgevingsplan voorzien in een oppervlakte van meer dan 2 hectare kassen bij een bestaand volwaardig glastuinbouwbedrijf en meer dan 300 m2 kassen bij een volwaardig boom- en sierteeltbedrijf, mits: a. tegenover de uitbreiding van de bestaande oppervlakte van de kassen staat: 1° in gelijke mate duurzame sanering van bestaande kassen elders buiten het glastuinbouwgebied, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II; of 2° een combinatie van ten minste 50% duurzame sanering van bestaande kassen en ruimtelijke maatregelen als bedoeld in artikel 6.9, derde lid; b. de ruimtelijke kwaliteit in beide gebieden per saldo wordt verbeterd; c.

de uitbreidingslocatie niet is gelegen binnen een gebied met beschermingscategorie 1 of 2, als bedoeld in artikel 7.42; d. de kassen op de saneringslocatie zijn opgericht voor 1 januari 2014;

Niet van toepassing op het Centrumgebied

e.

3

7.3.16 Natuurnetwerk Nederland

7.60 (wezenlijke kenmerken en waarden)

1

2

7.61 (activiteiten met mogelijk (significante) nadelige gevolgen)

gebleken is dat verplaatsing van het uit te breiden bedrijf naar een glastuinbouwgebied als bedoeld in artikel 7.53, eerste tot en met vijfde lid, geen reële mogelijkheid is; en f. de belangen van andere functies in de omgeving van de uitbreidingslocatie niet in onevenredige mate worden geschaad. Een omgevingsplan voor agrarisch gebied kan onder de volgende voorwaarden voorzien in verbredingsactiviteiten bij agrarische bedrijven, waaronder zorg, recreatie, energieopwekking en de verkoop van producten uit eigen teelt: a. het oprichten van bebouwing of het aanbrengen van verharding voor de verbredingsactiviteit is in beperkte mate mogelijk binnen het agrarisch bouwperceel, dat hiervoor in afwijking van het eerste lid, onder a en b, zo nodig vergroot kan worden met ten hoogste 0,5 hectare; b. de agrarische functie blijft de hoofdfunctie van het bedrijf; en c. de bedrijfsvoering van de omliggende agrarische bedrijven wordt niet belemmerd. De wezenlijke kenmerken en waarden van gebieden aangewezen als Natuurnetwerk Nederland zijn de wezenlijke kenmerken en waarden in bijlage IX, onder D en voor Natura 2000-gebieden de kenmerken en waarden die voor deze gebieden zijn omschreven in een beheerplan als bedoeld in artikel 3.8, derde lid en artikel 3.9, derde lid, van de Omgevingswet.

Voor een Natura 2000-gebied behoren in ieder geval tot de wezenlijke kenmerken en waarden van dat gebied, de in het aanwijzingsbesluit beschreven kenmerken en waarden. Een omgevingsplan voor het natuurnetwerk Nederland, bedoeld in artikel 2.11, eerste lid, laat daarbinnen geen activiteiten toe die de instandhouding en ontwikkeling

Niet van toepassing op het Centrumgebied

Niet inhoudelijk

Niet inhoudelijk

Niet van toepassing op het Centrumgebied

7.62 (ontwikkelen prioritaire nieuwe natuur)

7.63 (ontwikkelen Buijtenland van Rhoon)

7.3.17 Werelderfgoed

7.64 (aanwijzing en geometrische begrenzing van werelderfgoed)

1

2

van de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden significant beperken, of die leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op prioritaire nieuwe natuur, bedoeld in artikel 2.11, tweede lid, onder b, bevat het omgevingsplan alleen functies die de natuurfunctie rechtstreeks mogelijk maken. Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op Buijtenland van Rhoon, bedoeld in artikel 2.11, tweede lid, onder c, bevat het omgevingsplan regels die hoogwaardige akkernatuur en (openlucht)recreatie mogelijk maken met ruimte voor extensieve agrarische bedrijvigheid, voor zover deze bijdraagt aan hoogwaardige akkernatuur en (openlucht)recreatie en met behoud van landschappelijke elementen en cultureel erfgoed, en ook leidingen voor telecommunicatie of het transport van gassen, vloeistoffen of elektriciteit. Nieuwe Hollandse Waterlinie is de locatie bekend als de vroegere verdedigingslinie Nieuwe Hollandse Waterlinie, die van Muiden naar Woudrichem loopt en eindigt bij Werkendam en die is gelegen op het grondgebied van de provincies Noord-Holland, Utrecht, Gelderland, ZuidHolland en Noort-Brabant als bedoeld in artikel 7.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en waarvan de geometrische begrenzing van het Zuid-Hollandse deel is vastgelegd in bijlage II.

Neder-Germaanse Limes is de locatie bekend als een serie van archeologische monumenten van de vroegere Romeinse rijksgrens, die van Katwijk aan Zee tot de grens met Duitsland loopt over het grondgebied van de provincies Zuid-Holland, Utrecht en Gelderland als bedoeld in artikel 7.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en waarvan de geometrische begrenzing

Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op HIA

7.65 (kernkwaliteiten werelderfgoed)

7.66 (geen aantasting kernkwaliteiten werelderfgoederen) 7.67 (aanwijzing en geometrische begrenzing van gebieden met archeologische waarden binnen de NederGermaanse Limes)

1

2

7.68 (bescherming archeologische waarden binnen de Neder-Germaanse Limes)

1

2

van het Zuid-Hollandse deel is vastgelegd in bijlage II. In aanvulling op artikel 7.4, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn kernkwaliteiten van de werelderfgoederen Nieuwe Hollandse Waterlinie en Neder-Germaanse Limes de in het belang van het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed in bijlage IX, onder D beschreven essentiële kenmerken van het aanwezige landschap en cultureel erfgoed. Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op de werelderfgoederen Nieuwe Hollandse Waterlinie of Neder-Germaanse Limes, laat het omgevingsplan geen activiteiten toe die de kernkwaliteiten aantasten. Het gebied binnen de Neder-Germaanse Limes met een hoge of zeer hoge bekende archeologische waarde, is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. Het gebied binnen de Neder-Germaanse Limes met een hoge of zeer hoge archeologische verwachtingswaarde, is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. Een omgevingsplan voor het gebied binnen de NederGermaanse Limes met een hoge of zeer hoge bekende archeologische waarde, bevat regels die de bekende archeologische waarden beschermen. De regels, bedoeld in het eerste lid, voorzien in ieder geval in een verbod op werken of werkzaamheden waarbij de bodem tot meer dan 30 cm onder het maaiveld wordt geroerd, tenzij: a.

door archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden aangetast, of b. het werken of werkzaamheden betreffen die naar hun aard de archeologische waarden niet aantasten.

Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op HIA

3

4

5

7.3.18 Archeologie

7.69 (aanwijzing en geometrische begrenzing gebieden met bekende archeologische waarden) 7.70 (bescherming bekende archeologische waarden)

1

2

3

7.3.19 Traditionele windmolens

7.71 (aanwijzing en geometrische begrenzing molenbiotopen)

1

2

In afwijking van het tweede lid kan het bevoegd gezag bij uitzondering besluiten tot behoud van de archeologische waarden ‘ex situ’, als andere belangen prevaleren. Een omgevingsplan voor het gebied binnen de NederGermaanse Limes met een hoge of zeer hoge archeologische verwachtingswaarde, bevat regels die de verwachte archeologische waarden beschermen. De regels, bedoeld in het vierde lid voorzien in ieder geval in de voorwaarde van archeologisch onderzoek bij werken of werkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 100 m2 waarbij de bodem tot meer dan 30 cm onder het maaiveld wordt geroerd en de voorwaarde, dat gehandeld wordt in overeenstemming met de uitkomsten van dat onderzoek. Gebieden met een hoge of zeer hoge bekende archeologische waarde, zijn de locaties 1 waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.

Niet van toepassing op HIA

Een omgevingsplan voor een gebied met een hoge of zeer hoge bekende archeologische waarde bevat regels die de bekende archeologische waarden beschermen De regels, bedoeld in het eerste lid, voorzien in ieder geval in een verbod op werken of werkzaamheden waarbij de bodem tot meer dan 30 cm onder het maaiveld wordt geroerd, tenzij: a. door archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden aangetast, of b. het werken of werkzaamheden betreffen die naar hun aard de archeologische waarden niet aantasten. In afwijking van het tweede lid kan het bevoegd gezag bij uitzondering besluiten tot behoud van de archeologische waarden ‘ex situ’, als andere belangen prevaleren. Molenbiotopen zijn de locaties rondom traditionele windmolens, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. Bijzondere molenbiotopen zijn de locaties binnen de

Niet van toepassing op het Centrumgebied

Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op het Centrumgebied

Niet van toepassing op het Centrumgebied

Niet van toepassing op het Centrumgebied Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op HIA

7.72 (bescherming molenbiotoop)

1

2

molenbiotopen van incomplete, heropgebouwde of verplaatste traditionele windmolens, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. Een omgevingsplan voor een molenbiotoop als bedoeld artikel 7.71, eerste en tweede lid, garandeert in voldoende mate de vrije windvang en het zicht op de molen en neemt de volgende waarden in acht: a. binnen een straal van 100 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, wordt geen bebouwing of beplanting toegelaten, hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wieken; b. binnen een straal van 100 tot 400 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, gelden de volgende hoogtebeperkingen voor bebouwing en beplanting: 1° voor zover dit gebied is gelegen buiten bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte niet meer dan 1/100ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wieken; 2° voor zover dit gebied is gelegen binnen bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte van bebouwing en beplanting niet meer dan 1/30ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wieken. In afwijking van het eerste lid, onderdelen a en b, is bebouwing mogelijk ten behoeve van: a.

een ontwikkeling binnen een molenbiotoop waarin vrije windvang en het zicht op de molen al zijn beperkt door bebouwing, zolang de vrije windvang en het zicht op de molen niet verder worden beperkt, of zeker is gesteld dat de belemmering van de windvang en het zicht op de molen door

Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op HIA

7.3.20 Landgoederen en kastelen

7.73 (aanwijzing en geometrische begrenzing landgoed- en kasteelbiotopen)

1

2 7.74 (bescherming landgoed- en kasteelbiotoop)

1

2

maatregelen elders in de molenbeschermingszone worden gecompenseerd; of b. een ontwikkeling binnen een bijzondere molenbiotoop als bedoeld in artikel 7.71, tweede lid, mits de molen en de molenbiotoop op een goede manier ruimtelijk worden ingepast. Landgoedbiotopen zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. Kasteelbiotopen zijn de locaties waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. Een omgevingsplan voor een landgoedbiotoop of kasteelbiotoop kan voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling voor zover: a. geen aantasting plaatsvindt van de waarden van de landgoedbiotoop of kasteelbiotoop, of b. de ontwikkeling is gericht op verbetering en versterking van de waarden van de landgoedbiotoop of kasteelbiotoop. Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, bevat een beeldkwaliteitsparagraaf, waarin het effect van deze ontwikkeling op de landgoedbiotoop of kasteelbiotoop wordt beschreven. Naast de analyse van de cultuurhistorische kwaliteiten en waarden van het landgoed of het kasteel gaat deze paragraaf in op de wijze waarop de kenmerken en waarden van de landgoedbiotoop of kasteelbiotoop beschermd of versterkt worden. Het gaat in ieder geval om de volgende kenmerken en waarden: a.

de buitenplaats, bestaande uit het hoofdhuis met bijgebouwen en het bijbehorende park of tuin, of het kasteel of kasteelterrein in de vorm van ruïne, muurrestanten, één of meer bijgebouwen, omgracht terrein, de functionele en visuele relaties tussen de verschillende onderdelen; b. de basisstructuur waaraan het landgoed of de

Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op HIA Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op HIA

3

7.3.21 Energie

7.75 (aanwijzing en geometrische begrenzing locaties windenergie) 7.76 (windenergie)

1 2

3

4

kasteellocatie bewust direct is gekoppeld: een weg, een waterloop, of beide of in geval van een buitenplaats ook indirect door zichtlijnen; c. het blikveld: de vrije ruimte die nodig is om de historische buitenplaats of het kasteel in het landschap te herkennen. Naast deze kenmerken en waarden kunnen er voor zowel de landgoedbiotoop als de kasteelbiotoop afzonderlijke kenmerken en waarden aan de orde zijn. Afwijking van het eerste lid is alleen mogelijk als sprake is van het noodzakelijk continueren van bouw- en gebruiksrechten uit het voorgaande omgevingsplan of als sprake is van een zwaarwegend algemeen belang en er geen reële andere mogelijkheid is. De motivering van het omgevingsplan bevat hierover een verantwoording. Locaties voor windenergie zijn de locaties waarvan de geometrisch begrenzing is vastgelegd in bijlage II. Een omgevingsplan laat windturbines alleen toe binnen de locaties voor windenergie. In het omgevingsplan kan de begrenzing van de in het eerste lid bedoelde locaties in beperkte mate worden aangepast, rekening houdend met de lokale omstandigheden.

In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan voor een gebied buiten het bestaand stads-en dorpsgebied kleine windturbines met een ashoogte tot 15 m toelaten en kan een omgevingsplan voor een gebied binnen het bestaand stads- en dorpsgebied of voor locatie binnen het glastuinbouwgebied, bedoeld in artikel 7.53, eerste lid, kleine en middelgrote windturbines met een ashoogte tot 45 m toelaten, voor zover dat passend is bij de lokale situatie In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan dat betrekking heeft op een gebied buiten de locaties voor windenergie, vervanging van grote windturbines

Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op HIA Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op het Centrumgebied

Niet van toepassing op het Centrumgebied (deze is voor HIA alleen relevant als

door nieuwe windturbines mogelijk maken. 7.3.22 Provinciale vaarwegen

7.77 (vrijwaringszone provinciale vaarwegen)

1

2

3

7.3.23 Recreatietoervaartnet

7.78 (aanwijzing en geometrische begrenzing recreatietoervaartnet) 7.79 (bescherming recreatietoervaartnet)

Een omgevingsplan voor een gebied binnen de vrijwaringszone provinciale vaarwegen als bedoeld in artikel 2.7 houdt rekening met het voorkomen van belemmeringen voor: a. de vlotte en veilige doorvaart van de scheepvaart in de breedte, hoogte en diepte; b. de zichtlijnen van de bemanning en de op het schip aanwezige navigatieapparatuur voor de scheepvaart; c. het contact van de scheepvaart met bedienings- en begeleidingsobjecten; d. de toegankelijkheid van de provinciale vaarweg voor hulpdiensten; en e. het uitvoeren van beheer en onderhoud aan de provinciale vaarweg. Voor de beoordeling of sprake is van belemmeringen als bedoeld in het eerste lid wordt advies gevraagd aan de vaarwegbeheerder. De breedte van de vrijwaringszone provinciale vaarweg, bedoeld in het eerste lid, gemeten vanuit de oever, bedraagt: a. 10 meter aan weerszijden van een recht vaarwegvak; b. 15 meter in een buitenbocht; c. 25 meter in een binnenbocht. Het recreatietoervaartnet is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. Een omgevingsplan voor het recreatietoervaartnet houdt rekening met het voorkomen van belemmeringen van de recreatieve bevaarbaarheid van de vaarweg en is zo mogelijk gericht op verbetering en versterking van de bevaarbaarheid of de recreatieve waarden van de vaarweg.

er binnen de gemeentegrenzen al grote windmolens staan) Niet van toepassing op het Centrumgebied

Niet van toepassing op het Centrumgebied Niet van toepassing op het Centrumgebied

Niet van toepassing op HIA

Niet van toepassing op HIA

7.3.24 Beschermingszones drinkwatervoorziening (infrastructuur) 7.3.25 ontheffing en afwijken

[gereserveerd]

7.82 (ontheffingsbevoegdheid gedeputeerde staten) 7.83 (indieningsvereisten ontheffing)

7.84 (motivering omgevingsplan)

7.85 (intrekking ontheffing)

7.86 (afwijkingsmogelijkheid – balansregeling)

Nog niet bekend

Gedeputeerde staten kunnen op verzoek ontheffing verlenen van de regels in afdeling 7.3. Een verzoek om een ontheffing, wordt ingediend met gebruikmaking van het daarvoor door gedeputeerde staten vastgestelde e-formulier en gaat vergezeld van de daarin aangegeven bescheiden en bevat, als het verzoek is gedaan door het college van burgemeester en wethouders, een motivering dat het verzoek is gedaan in overeenstemming met de gemeenteraad. De motivering van een omgevingsplan dat ook wordt gebaseerd op een verleende ontheffing, bevat een afschrift van de beschikking van die ontheffing en de in artikel 7.83 bedoelde bescheiden. Gedeputeerde staten kunnen een ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken als binnen twee jaar na verlening van de ontheffing, geen omgevingsplan is vastgesteld met gebruikmaking van die ontheffing Een omgevingsplan kan voorzien in activiteiten waarbij in relatief beperkte mate wordt afgeweken van de bepalingen in afdeling 7.3 van deze verordening, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de doelen van deze bepalingen.

Niet inhoudelijk Niet inhoudelijk

Niet van toepassing op het Centrumgebied

Niet inhoudelijk

Relevant (mits afwijking nodig)

Overzicht relevante instructieregels Besluit activiteiten leefomgeving in Besluit kwaliteiten leefomgeving

Bodem Instructieregels Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13. 14. 15. 16. 17. 18. 19. 20. 21. 22. 23. 24. 25. 26. 27. 28. 29. 30. 31. 32. 33. 34. 35. 36. 37. 38. 39. 40. 41. 42. 43.

§ 3.2.6: Bodemenergiesystemen. § 3.2.13: Opslaan, mengen, scheiden en verdichten van bedrijfsafval of gevaarlijk afval voorafgaand aan inzameling of afgifte. § 3.2.14: Op of in de bodem brengen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen buiten stortplaatsen. § 3.2.20: Het op of in de bodem brengen van meststoffen. § 3.2.21: Graven in bodem met een kwaliteit onder de interventiewaarde bodemkwaliteit. § 3.2.22: Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. § 3.2.23: Saneren van de bodem. § 3.2.24: Opslaan, zeven, mechanisch ontwateren en samenvoegen van zonder bewerking herbruikbare grond of baggerspecie. § 3.2.26: Toepassen van grond of baggerspecie. § 3.5.8: Grondbank of grondreinigingsbedrijf. § 3.5.11: Verwerken van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen. § 4.3: Grote stookinstallaties. § 4.4: Afvalverbrandingsinstallaties en afvalmeeverbrandingsinstallaties. § 4.7: Asfaltcentrale. § 4.8: Betoncentrale. § 4.9: Vormgeven betonproducten. § 4.10: Grafische processen. § 4.11: Aanbrengen van lagen op metalen. § 4.12: Smelten en gieten van metalen. § 4.15: Etsen en beitsen van metalen. § 4.18: Mechanisch en thermisch bewerken van metalen. § 4.19: Mechanisch bewerken van steen. § 4.20: Mechanisch bewerken van diverse materialen. § 4.21: Reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen.

§ 4.22: Onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen. § 4.24: Schoonmaken van pleziervaartuigen. § 4.25: Verwerken van rubbercompounds. § 4.26: Verwerken van thermoplastisch kunststof. § 4.27: Verwerken van ployesterhars. § 4.28: Voedingsmiddelenindustrie. § 4.31: Kleine en middelgrote stookinstallaties voor standaard brandstoffen. § 4.34: Oplosmiddeleninstallatie. § 4.35: Tanken en opslaan van LPG. § 4.36: Tanken en opslaan van LNG. § 4.37: Tanken en opslaan van CNG. § 4.38: Tanken en opslaan van waterstof. § 4.39: Kleinschalig tanken. § 4.40: Grootschalig tanken. § 4.42: Kleinschalig tanken van brandstoffen aan vaartuigen of drijvende werktuigen. § 4.43: Grootschalig tanken van brandstoffen aan vaartuigen of drijvende werktuigen. § 4.44: Wasstraat of wasplaats. § 4.45: Verwijderen graffiti. § 4.47: Autodemontage en tweewielerdemontage.

44. 45. 46. 47. 48. 49. 50. 51. 52. 53. 54. 55. 56. 57. 58. 59. 60. 61. 62. 63. 64. 65. 66. 67. 68. 69. 70. 71. 72. 73. 74. 75. 76. 77. 78. 79. 80. 81. 82. 83. 84. 85. 86. 87. 88. 89. 90.

§ 4.49: Zuiveringstechnisch werk. § 4.55: Laboratorium. § 4.57: Chemisch reinigen textiel. § 4.59: Binnenschietbaan. § 4.60: Buitenschietbaan. § 4.61: Kleiduivenbaan. § 4.62: Aanmaken en transporteren via vaste leidingen van gewasbeschermingsmiddelen, biociden of bladmeststoffen. § 4.65: Behandelen van geoogste gewassen met gewasbeschermingsmiddelen. § 4.68: Spoelen van gewassen. § 4.69: Spoelen van niet-biologisch geteelde bloembollen of bloemknollen. § 4.73: Substraatteelt van gewassen in de openlucht. § 4.82: Dierenverblijven. § 4.83: Opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie. § 4.84: Opslaan van kuilvoer of bijvoedermiddel. § 4.85: Opslaan van gebruikt substraatmateriaal. § 4.86: Opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin. § 4.88: Mestvergistingsinstallatie. § 4.89: Composteren en opslaan van groenafval. § 4.90: Reinigen van werktuigen, voertuigen of apparatuur voor agrarische activiteiten. § 4.93: Opslaan van brandbare vloeistoffen anders dan diesel in bovengrondse opslagtanks. § 4.94: Opslaan van diesel, oxiderende, bijtende of aquatoxische vloeistoffen of oliën, vetten of pekel in bovengrondse opslagtanks. § 4.95: Opslaan van diesel, oxiderende, bijtende of aquatoxische vloeistoffen of oliën, vetten of pekel in een tankcontainer of verpakking die als opslagtank wordt gebruik.

§ 4.96: Opslaan van brandbare vloeistoffen anders dan diesel in ondergrondse opslagtanks. § 4.97: Opslaan van diesel, oxiderende, bijtende of aquatoxische vloeistoffen of oliën, vetten of pekel in ondergrondse opslagtanks. § 4.98: Opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking. § 4.99: Opslaan van organische peroxiden in verpakking. § 4.104: Opslaan van goederen. § 4.105: Exploiteren van een benzineterminal. § 4.111: Gesloten bodemenergiesystemen. § 4.112: Open bodemenergiesystemen. § 4.113: Militaire oefeningen. § 4.115: Militaire schietbaan. § 4.116: Het op of in de bodem brengen van meststoffen. § 4.117: Het op of in de bodem brengen van zuiveringsslib. § 4.118: Het vernietigen van de zode van gras. § 4.119: Graven in bodem met een kwaliteit onder de interventiewaarde bodemkwaliteit. § 4.120: Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. § 4.121: Bodemsanering. § 4.122: Opslaan, zeven, mechanisch ontwateren en samenvoegen van zonder bewerking herbruikbare grond of baggerspecie. § 4.123: Toepassen van bouwstoffen. § 4.124: Toepassen van grond of baggerspecie. § 5.2.1: Eindonderzoek bodem. § 5.2.2: Voorafgaand bodemonderzoek. § 5.4.2: Bodembeschermende voorzieningen. § 6.2.7.5: Lozingen bij graven en saneringen. § 7.2.2: Grondverzet. § 7.2.7.5: Lozingen bij graven en saneringen.

Instructieregels: Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl); 1. 2. 3.

§ 5.1.4.5.1: Toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. § 5.1.4.5.2: Nazorg. § 5.1.4.5.3: Aanwijzing bodembeheergebieden en indeling landbodem in bodemfunctieklassen.

Geluid Instructieregels Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.

§ 4.13: Stralen van metalen. § 4.16: Lassen van metalen. § 4.18: Mechanisch en thermisch bewerken van metalen. § 4.19: Mechanisch bewerken van steen. § 4.20: Mechanisch bewerken van diverse materialen. § 4.23: Proefdraaien van verbrandingsmotoren. § 4.56: Traumahelikopter. § 4.109: Werkzaamheden met verplaatsbaar mijnbouwwerk.

Instructieregels: Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl); 1. 2. 3.

Afdeling 3.5: Beheersing van geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. § 5.1.4.2: Geluid door activiteiten. § 5.1.4.3: Geluid rond luchthavens (N.B. gereserveerd).

Lucht Instructieregels Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): 1. § 4.3: Grote stookinstallatie. 2. § 4.4: Afvalverbrandingsinstallatie en afvalmeeverbrandinginstallatie. 3. § 4.5: Titaandioxideinstallatie. 4. § 4.7: Asfaltcentrale. 5. § 4.8: Betoncentrale. 6. § 4.10: Grafische processen. 7. § 4.11: Aanbrengen van lagen op metalen. 8. § 4.12: Smelten en gieten van metalen. 9. § 4.13: Stralen van metalen. 10. § 4.14: Schoonbranden van metalen. 11. § 4.15: Etsen en beitsen van metalen. 12. § 4.16: Lassen van metalen. 13. § 4.17: Solderen van metalen. 14. § 4.18: Mechanisch en thermisch bewerken van metalen. 15. § 4.19: Mechanisch bewerken van steen. 16. § 4.20: Mechanisch bewerken van diverse materialen. 17. § 4.21: Reinigen, lijmen en coaten van diverse materialen. 18. § 4.25: Verwerken van rubbercompounds. 19. § 4.26: Verwerken van thermoplastisch kunststof. 20. § 4.28: Voedingsmiddelenindustrie. 21. § 4.31: Kleine en middelgrote stookinstallaties voor standaard brandstoffen. 22. § 4.32: Middelgrote stookinstallaties voor niet-standaard brandstoffen. 23. § 4.34: Oplosmiddeleninstallatie.

24. § 4.40: Grootschalig tanken. 25. § 4.47: Autodemontage en tweewielerdemontage. 26. § 4.49: Zuiveringstechnisch werk. 27. § 4.54: Crematorium. 28. § 4.55: Laboratorium. 29. § 4.57: Chemisch reinigen textiel. 30. § 4.59: Binnenschietbaan. 31. § 4.82: Dierenverblijven. 32. § 4.86: Opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin. 33. § 4.88: Mestvergistingsinstallatie. 34. § 4.96: Opslaan van brandbare vloeistoffen anders dan diesel in ondergrondse opslagtanks. 35. § 4.104: Opslaan van goederen. 36. § 4.105: Exploiteren van een benzineterminal. 37. § 4.109: Werkzaamheden met verplaatsbaar mijnbouwwerk. 38. § 4.116: Het op of in de bodem brengen van meststoffen. 39. § 4.117: Het op of in de bodem brengen van zuiveringsslib. 40. § 5.4.3: Zeer zorgwekkende stoffen. 41. § 5.4.4: Luchtmodule.

Geur Instructieregels Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): 1. Artikel 4.178: lucht en geur: afvoeren emissies bij alle grafische processen. 2. Artikel 4.202: lucht en geur: afvoeren emissies bij het aanbrengen van lagen op metalen. 3. Artikel 4.217: lucht en geur: afvoeren emissies (N.B. geldt alleen bij het smelten en gieten van metalen). 4. Artikel 4.337: lucht en geur: afvoeren emissies (N.B. geldt alleen bij het reinigen en coaten van materialen). 5. § 4.27: Verwerken van polyesterhars: verbod op het verwerken van polyesterhars zonder voorafgaande melding (N.B. dit geldt alleen voor activiteiten waarbij meer dan 1 kg. Organische peroxiden opgeslagen wordt). 6. § 4.28: Voedingsmiddelenindustrie: maken en bewerken van levensmiddelen of voerder. 7. § 4.29: Zuiveringstechnisch werk. 8. § 4.82: Dierenverblijven. 9. § 4.87: Meststoffenbehandelingsinstallatie. 10. § 4.109: Werkzaamheden met verplaatsbaar mijnbouwwwerk. Instructieregels: Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl); § 5.1.4.6: 1. 2. 3. 4.

§ 5.1.4.6.1: Algemene bepalingen, § 5.1.4.6.2: Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken. § 5.1.4.6.3: Geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf. Geur door andere agrarische activiteiten.

Omgevingsveiligheid Instructieregels Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): zie bijlage 1. 2. 3. 4. 5.

§ 3.4.3: Buisleiding met gevaarlijke stoffen. § 3.2: Seveso-inrichting. § 4.10: Grafische processen. § 4.22: Onderhouden en repareren van verbrandingsmotoren, gemotoriseerde voertuigen, vliegtuigen, vaartuigen of werktuigen. § 4.29: Regelen en meten van aardgas.

6. § 4.30: Windturbine. 7. § 4.31: Kleine en middelgrote stookinstallaties voor standaard brandstoffen. 8. § 4.33: Koelinstallaties met kooldioxide, koolwaterstoffen of ammoniak. 9. § 4.35: Tanken en opslaan van LPG. 10. § 4.36: Tanken en opslaan van LNG. 11. § 4.37: Tanken en opslaan van CNG. 12. § 4.38: Tanken en opslaan van waterstof. 13. § 4.39: Kleinschalig tanken. 14. § 4.40: Grootschalig tanken. 15. § 4.42: Kleinschalig tanken van brandstoffen aan vaartuigen of drijvende werktuigen. 16. § 4.43: Grootschalig tanken van brandstoffen aan vaartuigen of drijvende werktuigen. 17. § 4.46: Natte koeltoren. 18. § 4.59: Binnenschietbaan. 19. § 4.60: Buitenschietbaan. 20. § 4.61: Kleiduivenbaan. 21. § 4.88: Mestvergistingsinstallatie. 22. § 4.91: Opslaan van propaan of propeen in opslagtanks. 23. § 4.92: Opslaan van oxiderende en verstikkende gassen in opslagtanks. 24. § 4.93: Opslaan van brandbare vloeistoffen anders dan diesel in bovengrondse opslagtanks. 25. § 4.95: Opslaan van diesel, oxiderende, bijtende of aquatoxische vloeistoffen of oliën, vetten of pekel in een tankcontainer of verpakking die als opslagtank wordt gebruik. 26. § 4.96: Opslaan van brandbare vloeistoffen anders dan diesel in ondergrondse opslagtanks. 27. § 4.98: Opslaan van gevaarlijke stoffen in verpakking. 28. § 4.99: Opslaan van organische peroxiden in verpakking. 29.

§ 4.100: Opslaan van vaste minerale organische meststoffen. 30. § 4.101: Vullen van gasflessen met propaan of butaan. 31. § 4.102: Opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik. 32. § 4.103: Opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik. 33. § 4.106: Opstellen van voertuigen, opleggers of aanhangers met gevaarlijke stoffen. 34. § 4.108: Buisleiding met gevaarlijke stoffen. 35. § 4.113: Militaire oefeningen. 36. § 4.114: Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen of voorwerpen. 37. § 4.115: Militaire schietbaan. 38. § 9.2.4: Andere beperkingengebiedactiviteiten bij hoofdspoorwegen. Instructieregels: Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl); § 5.1.2: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

§ 5.1.2.1: Algemene bepalingen over veiligheidsrisico’s, toepassingsbereik, eerbiedigende werking en bepalingen t.b.v. de interpretatie van de navolgende paragrafen. § 5.1.2.2: Bepalingen over de opslag, productie, gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarnaast zijn in deze paragraaf bepalingen over de veiligheid rondom windturbines opgenomen. § 5.1.2.3: Bepalingen over het belemmeringengebied rondom buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. § 5.1.2.4: Bepalingen over het opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik. § 5.1.2.5: Bepalingen over de veiligheid van het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten. § 5.1.2.6: Bepalingen over de veiligheid rond luchthavens (vooralsnog gereserveerd).

7. § 5.1.2.7: Bepalingen over de veiligheid van infrastructuur rond Seveso-inrichtingen.

De informatie die in dit rapport is opgenomen is uitsluitend bestemd voor de geadresseerde(n) en kan persoonlijke of vertrouwelijke informatie bevatten. Gebruik van deze informatie, door anderen dan de geadresseerde(n) en gebruik door hen die niet gerechtigd zijn van deze informatie kennis te nemen, is niet toegestaan. De informatie is uitsluitend bestemd om te worden gebruikt door de geadresseerde, voor het doel waarvoor dit rapport is vervaardigd. Indien u niet de geadresseerde bent of niet gerechtigd bent tot kennisneming, is openbaarmaking, vermenigvuldiging, verspreiding en/of verstrekking van deze informatie aan derden is niet toegestaan, tenzij na schriftelijke toestemming door Antea Group en wordt u verzocht de gegevens te verwijderen en direct melding te maken bij security@anteagroup.nl. Derden, zij die niet geadresseerd zijn, kunnen geen rechten aan dit rapport ontlenen, tenzij na schriftelijke toestemming door Antea Group.

Over Antea Group Antea Group is het thuis van 1500 trotse ingenieurs en adviseurs. Samen bouwen wij elke dag aan een veilige, gezonde en toekomstbestendige leefomgeving. Je vindt bij ons de allerbeste vakspecialisten van Nederland, maar ook innovatieve oplossingen op het gebied van data, sensoring en IT. Hiermee dragen wij bij aan de ontwikkeling van infra, woonwijken of waterwerken. Maar ook aan vraagstukken rondom klimaatadaptatie, energietransitie en de vervangingsopgave. Van onderzoek tot ontwerp, van realisatie tot beheer: voor elke opgave brengen wij de juiste kennis aan tafel. Wij denken kritisch mee en altijd vanuit de mindset om samen voor het beste resultaat te gaan. Op deze manier anticiperen wij op de vragen van vandaag en de oplossingen voor morgen. Al 70 jaar.

Contactgegevens Rivium Westlaan 72 2909 LD CAPELLE A/D IJSSEL Postbus 8590 3009 AN ROTTERDAM E. laura.neijenhuis@anteagroup.nl

www.anteagroup.nl

Copyright © 2021 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12050234/1