Bijlage 9 bij raadsvoorstel 9.3 bijlage bij toelichting 6 - archeologisch onderzoek Margrietstraat e.o., Hendrik-Ido-Ambacht
Tekst van het document
Transect-rapport 3289 Hendrik-Ido-Ambacht, Margrietstraat e.o. / herstructurering Oranjebuurt Gemeente Hendrik-Ido-Ambacht (ZH) Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en Inventariserend Veldonderzoek (IVO) verkennende fase
Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl
Colofon Titel
Rapportnummer
Hendrik-Ido-Ambacht, Margrietstraat e.o. / herstructurering Oranjebuurt. Gemeente Hendrik-Ido-Ambacht (ZH). Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Transect-rapport 3289
Auteur
A.T.L.E. van Bussel RMA, J. Rap MA
Versie
Definitief
Datum
17-03-2022
Projectnummer
BO: 20120038 IVO: 21090010
Onderzoeksmelding
BO: 4989231100 IVO: 5148128100
Opdrachtgever
Buro SRO ’t Goylaan 11 3525 AA Utrecht
Uitvoerder
Transect b.v. Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
Bevoegde overheid
Gemeente Hendrik-Ido-Ambacht
Adviseur namens gemeente
Vakteam Erfgoed gemeente Dordrecht, mevr. J. Hoevenberg
Toetsing rapport bevoegde overheid
Goedgekeurd door J. Hoevenberg op 01-02-2022
Beheer en plaats documentatie Omslagafbeelding
Transect b.v., Nieuwegein De omgeving van het plangebied op het Kadastrale Minuutplan uit 1811-1832 (bron: www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl).
Autorisatie Naam Drs. T. Nales Senior KNA Prospector
Datum 04-01-2022
Paraaf
ISSN: 2211-7067 © Transect b.v., Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl
Samenvatting In opdracht van Buro SRO heeft Transect b.v. in maart 2021 een archeologisch Bureauonderzoek uitgevoerd, waarop in december 2021 een Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase is uitgevoerd in een plangebied aan de Margrietstraat e.o. in Hendrik-Ido-Ambacht (gemeente HendrikIdo-Ambacht). De aanleiding voor het onderzoek vormt de ruimtelijke onderbouwing voor de herziening van het bestemmingsplan ‘Centrum’uit 2012, waarna voor daadwerkelijke grondroerende ingrepen een omgevingsvergunning voor de sloop van de huidige bebouwing en de realisatie van een nieuwbouwwijk noodzakelijk is. Het archeologisch vooronderzoek is uitgevoerd in de vorm van een bureauonderzoek, met als doel de archeologische verwachting van het plangebied te specificeren. Het onderzoek probeert hiermee aan de hand van feitelijke informatie antwoord te geven op de volgende vragen: 1. 2. 3. 4.
Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante bodemniveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? In hoeverre zijn de archeologisch relevante bodemniveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog?
Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied zich bevindt in het stroomgebied van de Slikkerveer en de Noord stroomgordels. Deze stroomgordels hebben het landschap rond Hendrik-Ido-Ambacht beïnvloed vanaf de Romeinse tijd. In de periode voorafgaand aan de Romeinse tijd bestond de omgeving van het plangebied uit een veenmoeras, doorsneden door enkele veenriviertjes en getijdenkreken. In de directe omgeving van het plangebied zijn nog geen aanwijzingen gevonden voor bewoonbare plaatsen in het veen (veraard veen). Ook zijn nog geen vindplaatsen aangetroffen uit de periode Neolithicum tot en met de IJzertijd. In het wijdere Maasmondingsgebied is echter van dergelijke aanwijzingen en vindplaatsen wel sprake. Vanwege de onbekendheid met het veen (en op grotere schaal: eventuele getijdenkreken of veenriviertjes) in het plangebied, geldt dan ook vooralsnog een middelhoge verwachting voor de periode Neolithicum tot en met de IJzertijd. Op basis van een recent uitgevoerd milieukundig booronderzoek kan het veen in het plangebied worden aangetroffen vanaf een diepte van 150-220 cm -Mv. In de periode vanaf de Romeinse tijd was het plangebied gelegen in een rivierkomgebied. In de omgeving zijn nog geen aanwijzingen gevonden voor goede bewoningsmogelijkheden. Eventuele vegetatieniveaus kunnen duiden op lokaal goed bewoonbare plaatsen in het komgebied.
Direct ten oosten van het plangebied zijn overslaggronden aangetroffen. Deze overslaggronden zijn ontstaan tijdens een dijkdoorbraak in de 14e/15e eeuw. Ze hebben tot aan de Tweede Wereldoorlog aan het oppervlakte gelegen. Ten oosten van het plangebied is de top van de kom- en oeverafzettingen tijdens de dijkdoorbraak weggeslagen. De overslagafzettingen kunnen er echter ook toe hebben geleid dat het landschap is afgedekt met een kleilaag, waardoor eronder gelegen afzettingen juist goed bewaard zijn gebleven. Of in het plangebied van erosie of juist van afdekking sprake is, is niet bekend. Aan de hand hiervan geldt dan ook vooralsnog een middelhoge archeologische verwachting voor de periode Romeinse tijd tot en met de Late-Middeleeuwen-A. De overslaggronden hebben, op basis van eerder onderzoek ten oosten van het plangebied, waarschijnlijk vanaf de 14/15e eeuw tot aan de Tweede Wereldoorlog aan het maaiveld gelegen. Pas na de Tweede Wereldoorlog, bij de oprichting van de Oranjebuurt, is een antropogeen
ophogingspakket op de overslagafzettingen aangebracht. In de top van de overslagafzettingen zijn in de omgeving onder meer fosfaatvlekken en baksteenresten gevonden. Deze indicatoren duiden op menselijke aanwezigheid in de periode Late-Middeleeuwen-B/Nieuwe tijd. Direct ten oosten van het plangebied zijn de overslaggronden aangetroffen vanaf 70 cm -Mv (1,4 m -NAP). Op welke diepte deze gronden in het plangebied liggen is vooralsnog onbekend. Voor de periode Late-MiddeleeuwenB/Nieuwe tijd bestaat in deze afzettingen een lage archeologische verwachting. Aan de hand van historische kaarten zullen archeologische resten uit deze periode voornamelijk bestaan uit resten van landgebruik, die dus reeds bekend zijn aan de hand van historisch kaartmateriaal. Er worden geen resten van oude bebouwing verwacht. Uit de periode 18e-begin 20e eeuw worden in het plangebied geen historische bewoningsresten verwacht. Op historische kaarten uit deze periode staat in het plangebied geen bebouwing weergegeven. Het plangebied is in die periode in gebruik genomen als weiland en bouwland. Uit deze periode kunnen wel sporen van landgebruik aanwezig zijn, zoals sloten. Uit het veldonderzoek is gebleken dat in het plangebied inderdaad sprake is van overslag- en komafzettingen op Hollandveen.
De fluviatiele afzettingen zijn aangetroffen onder een modern ophoogpakket, op een diepte van 70-110 cm -Mv (1,3-1,8 m -NAP). Het ontbreekt in de fluviatiele afzettingen aan een vegetatieniveau of een bewoningsniveau. Het veen is aangetroffen vanaf een diepte van 180-255 cm -Mv (2,6-3,4 m -NAP). In het veen zijn geen veraarde niveaus aangetroffen die zouden wijzen op gunstige omstandigheden voor bewoning of de daadwerkelijke bewoning van het gebied. Daarom is voor de periode Neolithicum – Late Middeleeuwen A aan de hand van het veldonderzoek een lage verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten vast te stellen. Advies In het plangebied bestaat het voornemen de huidige bebouwing (circa 7000 m 2) te slopen en een herstructurering van de Oranjebuurt door te voeren. In het kader van de herstructurering worden op een zevental plaatsen nieuwe woningen gerealiseerd, in de vorm van grondgebonden woningen en een appartementencomplex (in totaal circa 5575 m 2). 3175 m2 van de nieuwbouwwerkzaamheden vindt plaats in momenteel onbebouwde grond. De diepte van de bodemverstorende werkzaamheden (zowel sloop als nieuwbouw) is ten tijde van onderhavig onderzoek niet bekend. Op basis van het veldonderzoek is echter vastgesteld dat in de ondergrond tot een diepte van 4,0 m Mv geen sprake is van intacte archeologisch relevante niveaus.
Daarom adviseren wij om het plangebied vrij te geven voor eventuele ingrepen in de ondergrond tot een diepte van 3,5 m -Mv, zodat sprake blijft van een bufferzone van minimaal 50 cm tussen de onderzijde van eventuele ingrepen en de bovenzijde van een onontdekt archeologisch relevant niveau. Mochten er tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan wijzen wij de initiatiefnemer en de uitvoerder van de werkzaamheden op de wettelijke plicht dergelijke toevalsvondsten direct te melden bij de bevoegde overheid, de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht (conform Erfgoedwet 2016, artikel 5.10). Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal de bevoegde overheid (de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht) een selectiebesluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.
Inhoud Aanleiding.............................................................................................................................. 7 Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek ............................................................. 8 Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied ................................................................... 9 Consequenties toekomstig gebruik ..................................................................................... 11 Beleidskader ........................................................................................................................ 12 Landschap, geomorfologie en bodem ................................................................................. 13 Archeologische verwachtingen en bekende waarden ........................................................ 17 Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen ............................................... 19 Gespecificeerde archeologische verwachting ..................................................................... 24 Resultaten veldonderzoek ................................................................................................... 26 Beantwoording onderzoeksvragen .....................................................................................
28 Conclusie en advies ............................................................................................................. 29 Geraadpleegde bronnen ..................................................................................................... 31 Bijlage 1.
Archeologische periode-indeling voor Nederland (conform ABR) ...................................... 33
Bijlage 2.
Ligging van het plangebied op een actuele luchtfoto ......................................................... 34
Bijlage 3.
Huidige situatie in het plangebied ...................................................................................... 35
Bijlage 4.
Plantekeningen .................................................................................................................... 36
Bijlage 5.
Nieuwe ten opzichte van bestaande situatie ...................................................................... 39
Bijlage 6.
Gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart ............................................................. 40
Bijlage 7.
Geologische kaart ................................................................................................................ 42
Bijlage 8.
Stroomruggenkaart ............................................................................................................. 44
Bijlage 9.
Gemeentelijke archeologische landschappenkaart ............................................................ 45
Bijlage 10. Maaiveldhoogte .................................................................................................................. 47 Bijlage 11. Maaiveldhoogte, detail ....................................................................................................... 48 Bijlage 12. Archeologische waarden en onderzoeken .......................................................................... 49 Bijlage 13. Beschrijving archeologische onderzoeken .......................................................................... 50 Bijlage 14. Gemeentelijke historisch-geografische waardenkaart........................................................ 55 Bijlage 15. Boorpuntenkaart met KLIC .................................................................................................. 57 Bijlage 16. Foto’s van boringen ............................................................................................................. 58 Bijlage 17. Boorbeschrijvingen.............................................................................................................. 59
Aanleiding In opdracht van Buro SRO heeft Transect b.v.1 in maart 2021 een archeologisch Bureauonderzoek uitgevoerd, waarop in december 2021 een Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase is uitgevoerd in een plangebied aan de Margrietstraat e.o. in Hendrik-Ido-Ambacht (gemeente HendrikIdo-Ambacht). De aanleiding voor het onderzoek vormt de ruimtelijke onderbouwing voor de herziening van het bestemmingsplan ‘Centrum’uit 2012, waarna voor daadwerkelijke grondroerende ingrepen een omgevingsvergunning voor de sloop van de huidige bebouwing en de realisatie van een nieuwbouwwijk noodzakelijk is. Het archeologisch vooronderzoek is uitgevoerd in de vorm van een bureauonderzoek, met als doel de archeologische verwachting van het plangebied te specificeren. Het plangebied bevindt zich volgens het bestemmingsplan ‘Centrum’ (2012) in een gebied met een Waarde - Archeologie 2. Een archeologisch onderzoek is verplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm -Mv. Het plangebied heeft een omvang van circa 1,75 ha. Er zullen in (nagenoeg) het gehele plangebied grondwerkzaamheden dieper dan 30 cm -Mv plaatsvinden. Daarom is in het kader van de omgevingsvergunning onderhavig onderzoek uitgevoerd. In het plangebied heeft eerder nog geen archeologisch onderzoek plaatsgevonden.
Het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1 en het Plan van Aanpak (Rap, 2021).
1 Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm ‘BRL SIKB 4000’, versie 4.1, en is gecertificeerd
door middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: ‘KNA Protocol 4001 Programma van Eisen’, ‘KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig’, ‘Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven’ en ‘Protocol 4004 Opgraven’, en staat geregistreerd bij het RCE en de SIKB.
7
Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek Het archeologisch vooronderzoek bestaat hier uit een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting, dat wil zeggen het aan de hand van beschikbare en nieuwe informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik, bepalen van de kans dat binnen het plangebied archeologische resten kunnen voorkomen. Hiervoor is onder andere het centraal Archeologisch Informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geraadpleegd, waarin de Archeologische MonumentenKaart (AMK) is opgenomen. Aanvullende (cultuur)historische informatie is verkregen uit divers voorhanden historisch kaartmateriaal. Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap zijn onder andere de bodemkaart en beschikbaar geologisch-geomorfologisch kaartmateriaal geraadpleegd. Deze gegevens zijn aangevuld met relevante informatie uit achtergrondliteratuur. Lokale amateurs of historische verenigingen zijn niet geraadpleegd.
Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar mogelijk bijstellen van de gespecificeerde archeologische verwachting, door het verzamelen van informatie over de feitelijke bodemopbouw, bodemreliëf en bodemintactheid in het plangebied. Hiermee ontstaat inzicht in de landschapsvormende processen en landschappelijke eenheden uit het verleden. Op basis hiervan kan een oordeel worden gegeven over waar, wanneer en in hoeverre het gebied in het verleden geschikt was voor de mens. Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een booronderzoek (IVO-O). De werkwijze is nader toegelicht in hoofdstuk 10. Het onderzoek probeert hiermee aan de hand van feitelijke informatie antwoord te geven op de volgende vragen: 1. 2. 3. 4.
Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante bodemniveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? In hoeverre zijn de archeologisch relevante bodemniveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog?
Het resultaat van het archeologisch vooronderzoek is dit rapport met een conclusie omtrent het risico dat eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied worden verstoord als gevolg van de voorgenomen plannen. Op basis van dit rapport neemt het bevoegd gezag een beslissing in het kader van de vergunningverlening of planprocedure. Het rapport bevat waar mogelijk gegevens over de – verwachte – aan- of afwezigheid, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocollen 4002 (bureauonderzoek) en 4003 (inventariserend veldonderzoek) van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1).
8
Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied Gemeente
Hendrik-Ido-Ambacht
Plaats
Hendrik-Ido-Ambacht
Toponiem
Margrietstraat e.o. / herstructurering Oranjebuurt
Adressen
Margrietstraat 1-62 (even en oneven), Willem de Zwijgerstraat 1-45 (oneven) en Marijkestraat 1-8 (even en oneven)
Kadastrale percelen
Diverse percelen binnen HDK03 sectie E
Kaartblad
38C
Centrum-coördinaten
103.768 / 429.312
Omvang
Circa 1,75 ha
Huidig gebruik
Woonwijk met woningen, schuren en tuinen, trottoirs, de Margrietstraat (klinkerverharding)
Binnen het archeologisch bureauonderzoek is onderscheid gemaakt in het plangebied en het onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waarin de geplande bodemingrepen zullen plaatsvinden. Het onderzoeksgebied omvat het plangebied en een deel van het direct omringende gebied en wordt bij het onderzoek betrokken om tot een beter inzicht te komen in de archeologische, (cultuur)historische en bodemkundige situatie in het plangebied. Het onderzoeksgebied beslaat in dit geval een straal van ca. 500 meter rond het plangebied. Het plangebied omvat een deel van een woonwijk in de wijk Oostendam in Hendrik-Ido-Ambacht (gemeente Hendrik-Ido-Ambacht). De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1 en bijlage 2. Aan de zuidkant wordt het plangebied begrensd door de Willem de Zwijgerlaan; aan de noordoostkant door de Marijkestraat en het perceel rond Margrietstraat 2. De noordwesthoek wordt gevormd door het perceel aan de Margrietstraat 62; de zuidwesthoek door het perceel aan de Willem de Zwijgerstraat 45. In totaal heeft het plangebied hiermee een oppervlakte van circa 1,75 ha. Ten tijde van onderhavig onderzoek is het plangebied in gebruik als onderdeel van een woonwijk. Te midden van het plangebied bevindt zich de Margrietstraat. Deze straat is bedekt met (rode) klinkerverharding.
Langs de weg is geen sprake van parkeervakken of fietspaden, maar bevinden zich wel trottoirs (stoeptegels) en boomperken. Onder de straat en de trottoirs zijn huisaansluitingen en elektriciteitskabels voor straatverlichting aanwezig (zie bijlage 3). De Margrietstraat wordt aan de noord- en zuidkant omgeven door rijtjeswoningen (noorden: even; zuiden: oneven). In het noorden wordt het patroon van rijtjeswoningen onderbroken door een oprit met klinkerverharding. De Margrietstraat sluit in het (noord)oosten aan op de Marijkestraat, die zich richting het zuiden toe uitstrekt. De Marijkestraat zelf maakt geen deel uit van het plangebied, maar de woningen die hieraan in het westen grenzen wel (nummers 1-8). De Marijkestraat sluit, op zijn beurt, weer aan op de Willem de Zwijgerstraat (het zuiden). Ook de Willem de Zwijgerstraat zelf maakt geen deel uit van het plangebied, maar wel de woningen ten noorden ervan (oneven nummers 1-45). Achter de huizen (in totaal 85) aan alle straten is sprake van een tuin. In sommige tuinen staan schuurtjes, tuinhuizen, duiven- of kippenhokken of volières (bron: www.regionaalarchief dordrecht.nl/archief). De tuinen achter de oneven adressen aan de Margrietstraat en de Willem de Zwijgerstraat worden van elkaar gescheiden door een brandgang, waarlangs zich een reeks van 9
schuurtjes of stallingen bevindt. De totaaloppervlakte van de bebouwing bedraagt ongeveer 7000 m2.
Figuur 1. De ligging van het plangebied op een topografische kaart (bron kaart: www.opentopo.nl).
10
Consequenties toekomstig gebruik Planvorming
Sloop bestaande woningen en realisatie nieuwbouwwijk
Aard bodemverstoringen
Sloop- en bouwwerkzaamheden
Verstoringsoppervlakte
Circa 5575 m2
Verstoringsdiepte
Onbekend
In het plangebied bestaat het voornemen om de huidige bebouwing aan de Margrietstraat, de Marijkestraat en de Willem de Zwijgerstraat te slopen. In totaal worden 85 woningen en bijbehorende schuurtjes, tuinhuizen, duiven- of kippenhokken en volières gesloopt (circa 7000 m2). Hiervoor in de plaats worden 115 nieuwe woningen gebouwd, bestaande uit grondgebonden woningen en appartementen. Een situatietekening van de toekomstige situatie en ontwerptekeningen zijn opgenomen in bijlage 4. De contouren van de huidige bebouwing zijn op de kaart met rode lijnen aangegeven. Een schets van de nieuwe situatie is hieronder (in figuur 2) weergegeven. De oppervlakten van de bouwblokken zijn weergegeven in tabel 1. Aan het bestaande stratenpatroon vinden geen wijzigingen plaats. Wel worden nieuwe paden en pleintjes op de bestaande straten aangesloten. Ter hoogte van de huidige woningen aan de noordkant van de Margrietstraat (even) worden een drietal bouwblokken met nieuwbouwwoningen gebouwd (‘Bokken C-1, B-2 en B-3’). Deze bouwblokken overlappen voor een deel met de huidige bebouwing, maar zullen hier ook gedeeltelijk buiten komen te staan. Hier is sprake van een ‘nieuw verstoringsoppervlakte’ van circa 715 m2. Daarentegen zal circa 270 m2 van de momenteel bebouwde grond in de nieuwe situatie worden omgevormd tot pleinen en andere ‘open ruimtes’ (zie bijlage 5).
De inrichting van het gebied ten zuiden van de Margrietstraat (oneven, Willem de Zwijgerstraat en Marijkestraat) wordt vrijwel volledig heringedeeld. Hier verrijzen vier bouwblokken met grondgebonden woningen (‘Blokken C-2, B-1 en A(1-2)’) en één appartementencomplex. De grondgebonden woningen zullen leiden tot een aanvullende verstoring van circa 915 m 2, het appartementencomplex voor een verstoring van circa 1525 m2 van momenteel onbebouwde grond. De keerzijde is hier dat ongeveer 620 m2 van de momenteel bebouwde ruimte wordt ‘opengelaten’. Alles bij elkaar opgeteld vinden de grondwerkzaamheden plaats over een oppervlakte van 5575 m 2. Hiervan zal 3175 m2 plaatsvinden op momenteel nog onbebouwde grond. De diepte van de bodemverstorende werkzaamheden is ten tijde van onderhavig onderzoek nog niet bekend. Vermoedelijk zal de fundering bestaan uit palen met een 50 x 120 cm funderingsbalk (bron: Buro SRO). Tabel 1. Locaties en oppervlakten bouwblokken. Naam Bouwblok C-1 Bouwblok B-2 Bouwblok B-3 Bouwblok C-2 Bouwblok B-1 Bouwblokken A Appartementen
Locatie Noordwesten Margrietstraat Centraal-noorden Margrietstraat Noordoosten Margrietstraat Zuidwesten Margrietstraat Centraal-zuiden Margrietstraat Noordwesten W. de Zwijgerstraat Noordoosten W. de Zwijgerstraat Totaal
Oppervlakte 770 m2 495 m2 440 m2 725 m2 565 m2 560 m2 2020 m2 5575 m2
11
Beleidskader Onderzoekskader
Herziening bestemmingsplan; daarna Omgevingsvergunning
Beleidskader
Beleidsnota Archeologie Hendrik-Ido-Ambacht
Onderzoeksgrens
100 m2 en 30 cm -Mv
In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend; ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds juli 2016 is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die (naar verwachting) in 2022 in werking zal treden. Het gemeentelijk archeologiebeleid inzake het plangebied staat verwoord in de beleidsnota Archeologie van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht (2013). In dit beleidsplan heeft het plangebied een waarde ‘Archeologie - 2’. Deze waarde is gebaseerd op de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart (De Boer en Wink, 2013; bijlage 6). Op deze kaart staat het plangebied afgebeeld in een zone met een medebestemming ‘te Verwachten Archeologische Waarden 4’ (VAW4).
Een klein deel van het noordoosten van het plangebied valt binnen een ‘VAW2’. Aan de zoneringen op de beleidsadvieskaart zijn planregels gekoppeld, die archeologie beschermen in juridisch-planologische zin. Wanneer binnen één plangebied meerdere regels van toepassing zijn, geldt altijd de strengste eis. Volgens de beleidskaart geldt voor een zone VAW4 dat archeologisch onderzoek verplicht is bij bodemingrepen dieper dan 50 cm -Mv in een plangebied groter dan 2500 m2. In een zone VAW2 zijn bodemingrepen archeologisch onderzoeksplichtig bij een omvang vanaf 500 m2 en een diepte van 50 cm -Mv of meer. Aan de hand van onderhavig onderzoek kan blijken of deze waarden in het te wijzigen bestemmingsplan kunnen worden gehandhaafd of gewijzigd.
12
Landschap, geomorfologie en bodem Geologie Geomorfologie
Afzettingen van Tiel (rivierafzettingen) op een afwisseling van Hollandveen met Afzettingen van Gorkum (oudere rivierafzettingen) Bebouwd, pleistocene terrasvlakte bedekt met holocene rivierafzettingen
Maaiveldhoogte
Circa 1,0 tot 0,4 m -NAP
Bodem
Niet gekarteerd, vermoedelijk kalkrijke poldervaaggronden
Grondwatertrap
Tussen 145 en 305 cm -Mv / 2,45-3,45 m -NAP
Landschap De omgeving van Hendrik-Ido-Ambacht, met inbegrip van het plangebied, ligt in het zuidwestelijk zeekleigebied nabij de monding van de Maas en de Rijn (Berendsen, 2005). Reeds in het midden van de laatste ijstijd (het Weichselien, vanaf 50000 tot 15000 jaar geleden) maakte dit gebied deel uit van een brede riviervlakte, waarbinnen de riviergeulen in een verwilderd (‘vlechtend’) patroon verspreid lagen. Door deze geulen werd grof zand en grind afgezet, dat geologisch gezien wordt gerekend tot het Formatie van Kreftenheije (De Mulder et al., 2003). De aanwezigheid van grof zand en grind wijst op hoge stroomsnelheden en sterke variaties in de (piek)afvoer (als gevolg van grote hoeveelheden (smelt)water). Op andere momenten lag de bedding van de riviervlakte langere perioden droog. Vanuit de drooggelegen vlakte kon fijner rivierzand door sterke winden worden verstoven, dat vervolgens langs de randen van de riviervlakte tot afzetting kwam. Daar konden op grote schaal rivierduinen ontstaan (Berendsen en Stouthamer, 2001). Vanaf 15000 jaar geleden begon het landschap enigszins te veranderen aangezien toen het klimaat geleidelijk begon te verbeteren. In eerste instantie was sprake van enkele relatief kortdurende warmere perioden (respectievelijk het Bølling- en Allerød-interstadiaal, 14650 tot 14000 BP en 13900 tot 12850 BP).
Gedurende deze oplevingen nam de vegetatie toe en werd de afvoer van rivierwater beter verdeeld. De riviergeulen begonnen te kronkelen (meanderen) en sneden zich in de riviervlakte in, waardoor langzamerhand een rivierdal ontstond. In het dal werd tijdens overstromingen zogenaamd ‘Hochflutlehm’ afgezet, ook wel bekend als het Laagpakket van Wijchen (De Mulder et al., 2003; Bennema en Pons, 1952). Pas vanaf 8000 v.Chr., in het Holoceen, zetten de verbeterde klimaatomstandigheden definitief door, waardoor de toenemende vegetatie de verstuivingen van rivierzand aan banden legde en de oevers van de rivieren door de alsmaar kleiner wordende verschillen in afvoer zich stabiliseerden. Door de stabiele oevers traden de rivieren alleen nog bij hoogwater buiten de oevers. De klei, die toen bij hoogwater buiten de rivieren werd afgezet, wordt eveneens gerekend tot het Laagpakket van Wijchen. De zich insnijdende meanderende rivieren gingen onder invloed van een voortdurend stijgende zeespiegel in het Holoceen over in accumulerende meanderende rivieren, die meermalen hun loop verlegden en daardoor verschillende stroomgordels ontwikkelden. Hierdoor vond in het grootste deel van het rivierengebied afzetting plaats van zand (beddingafzettingen), zandige klei (oeverafzettingen) en zware klei (komafzettingen), die werden afgewisseld door veen.
Daarbij werden de oudere afzettingen door jongere begraven. Het moment waarop dit optreedt, hangt af van de ligging van de zogenaamde terrassenkruising (Berendsen en Stouthamer, 2001). De terrassenkruising is het punt waarop de netto insnijding overgaat in een netto accumulatie van sediment (Berendsen, 2005). De ligging van dit punt ligt niet vast maar is afhankelijk van het debiet, de sedimentlast van een rivier en de stijging cq. daling van de zeespiegel. Berendsen en Stouthamer (2001) vermoeden dat de terrassenkruising rond 5500 v.Chr.in de omgeving van Hendrik-Ido-Ambacht heeft gelegen. Daarna raakten de Laat-Pleistocene en Vroeg-Holocene afzettingen afgedekt met holocene rivierafzettingen
13
en kon veenvorming optreden op de plekken die verder verwijderd van een rivier lagen. Uiteindelijk raakte het volledige laat-pleistocene dal opgevuld met holoceen sediment en konden rivieren buiten het oude rivierdal treden. Omstreeks 8700 jaar geleden vormden de mondingen van de toenmalige rivieren onder invloed van een snel stijgende zeespiegel zich om tot estuaria (Hijma et al., 2009). Binnen een estuarium is zowel sprake van een geleidelijke overgang van fluviatiel sediment naar sediment, dat onder invloed staat van getijde. De afzettingen binnen het estuarium zullen hier echter hoofdzakelijk zoetwatercondities gekend hebben (Hijma et al., 2009). Doorgaans worden ter hoogte van Hendrik-Ido-Ambacht deze afzettingen aangetroffen op een diepte van circa 7 tot 9 m –NAP. Deze kunnen vervolgens zijn afgedekt met mariene getijdeafzettingen, die zijn afgezet onder invloed van overstromingen vanuit zee. Deze afzettingen worden tot de Afzettingen van Calais 2 gerekend. Na het Subboreaal (omstreeks 5000 jaar geleden; grofweg in het Midden-Neolithicum) zwakte de stijging van de zeespiegel af, waardoor zich voor de kust strandwallen konden vormen. Deze strandwallen beschermden het achterland tegen overstromingen vanuit zee, waardoor een relatief rustig en vochtig milieu kon ontstaan.
De aanhoudende stijging van het grondwater zorgde daarbij voor de uitgebreide vorming van (riet)veen, dat geologisch gezien tot het Hollandveen Laagpakket wordt gerekend (de Mulder et al., 2003). Alleen nabij actieve rivierlopen, zoals de Zwijndrecht en de Slikkerveer stroomrug ter plaatse van het plangebied, kon de veengroei worden onderbroken door de afzetting van klei in het veenmoeras. De veenvorming duurde voort tot circa 2500 jaar geleden (de Midden-Bronstijd). Vanaf toen trad de zee via de Maasmonding diverse malen het achterland binnen. Er ontstonden daarbij soms diepe kreek- en getijdegeulen en het veengebied werd tot ver landinwaarts aangetast. Met name in de Middeleeuwen werd veel veen weggeslagen of werd vanuit de kreken sediment op het veen afgezet, vooral in het gebied ten westen van het plangebied. Dit sediment (dat bestaat uit marien zand en klei) wordt geologisch gezien tot de Afzettingen van Duinkerke gerekend (Zagwijn en Van Staalduinen, 1975). In het oosten, waaronder in de omgeving van het plangebied, zijn in die tijd rivierafzettingen als onderdeel van de Afzettingen van Echteld tot stand gekomen via de Slikkerveer stroomrug en de Noord (zie hieronder; Zagwijn en Van Staalduinen, 1975). Deze rivieren zijn met name in de recente periode bepalend geweest voor het ontstaan van het lokale rivierenlandschap rondom Hendrik-Ido-Ambacht.
Geologie Volgens de geologische kaart van Nederland bevindt het plangebied zich in een deel van het landschap waarin sprake is van Afzettingen van Tiel (komafzettingen) op een afwisseling van Hollandveen met Afzettingen van Gorkum (kom- en oeverafzettingen; Kok en Bosch, 1980; bijlage 7). ‘Afzettingen van Tiel’ en ‘Afzettingen van Gorkum’ zijn oude benamingen voor rivierafzettingen uit de Formatie van Echteld. Deze afzettingen zijn afkomstig van Holocene rivieren en veenkreken en liggen erosief op oudere, pleistocene fluviatiele afzettingen (Formatie van Kreftenheije, Laagpakket van Wijchen). Ze bestaan doorgaans uit humeuze klei met dunne discontinue veenlagen (Hollandveen) en siltige en zandige klei afgewisseld met dunne zandlagen van zeer fijn tot uiterst grof zand. Hierbij neemt de korrelgrootte en grindgehalte van oost naar west af, en de aanwezigheid van schelpenresten (mollusken, diatomeeën en ostracoden) toe (bron: www.dinoloket.nl). In het overgangsgebied van het Hollands veen-kleigebied naar het rivierengebied wordt sterk schelphoudend Hollandveen ook wel aangeduid als gyttja. Het gyttja is ontstaan als gevolg van zoute omstandigheden.
Vermoedelijk zijn de rivierafzettingen in het plangebied afkomstig van de Slikkerveer stroomrug en de Noord, die respectievelijk noordelijk en oostelijk van Hendrik-Ido-Ambacht liggen (zie ook hieronder, kaartcode 2 De afzettingen van Calais betreft een oude geologische benaming naar Zagwijn en van Staalduinen (1975). De afzettingen
vallen tegenwoordig samen met de afzettingen van Duinkerke onder de Formatie van Naaldwijk (de Mulder et al., 2003). De afzettingen van Calais vormen binnen die Formatie het Laagpakket van Wormer, terwijl de afzettingen van Duinkerke onder het Laagpakket van Walcheren vallen.
14
rF2k). Vrijwel direct ten noorden van het plangebied bevindt zich een zone met kom- op geulafzettingen van de Slikkerveer stoomrug (kaartcode rD0k). Lithologie In het plangebied is één geologische boring bekend in Dinoloket (bron: www.dinoloket.nl; boring B38C1421, in 1993). Deze boring toont aan dat vanaf maaiveld (0,80 m -NAP) sprake is van een circa 300 cm dikke laag holocene rivierafzettingen (Formatie van Echteld; tot 3,90 m -NAP). De rivierafzettingen bestaan uit een pakket van zandige klei, die naar onderen toe over gaat in sterk siltige, zwak siltige en sterk humeuze, zwak siltige klei. De onderste 110 cm van het pakket rivierafzettingen bestaan uit zwak humeuze, zwak siltige klei. Onder de klei (Afzettingen van Tiel) is een laag veen van circa 200 cm dikte aangetroffen (Hollandveen Laagpakket, Formatie van Nieuwkoop; 3,90-5,70 m -NAP). Het veen is kleiig, de onderste 20 cm ‘sterk kleiig’. De ‘Afzettingen van Gorkum’ komen voor vanaf een diepte van circa 510 cm -Mv / 5,90 m -NAP. Deze bestaan uit zwak humeuze, matig siltige klei. Geomorfologie De omgeving van het plangebied heeft vanaf het passeren van de terrassenkruising onder directe invloed gestaan van de Slikkerveer stroomrug en de Noord stroomrug. De ligging van deze stroomruggen is te zien op de stroomruggenkaart van Cohen et al. (2012; bijlage 8).
Het plangebied ligt volgens de stroomruggenkaart in de overstromingsvlaktes van deze beide rivieren. De oudste van beide stroomruggen is de Slikkerveer stroomrug. Deze stroomrug is ontstaan als een getijdegeul, die onderdeel uitmaakte van het Nieuwe Maas estuarium. Het Maas estuarium kreeg vorm in de Romeinse tijd toen de Lek, de Hollandse IJssel en de Merwede met het zeegat in verbinding kwamen te staan. Met name de verbinding met de Merwede was belangrijk in de Middeleeuwen: de Slikkerveer stroomrug kreeg ineens zoveel waterafvoer te verwerken dat rond het jaar 1000 na Chr. de Noord ontstond. Hierdoor vormde de Noord een verbinding tussen het Slikkerveer-Nieuwe Maas systeem en het Merwede Oude Maas systeem. De Slikkerveer is na de overstromingen van 1331 afgedamd en zodoende binnen de Zwijndrechtse Waard komen te liggen. In de loop van de 17e eeuw is een groot deel van de restgeul dichtgeslibd. De Noord is daarentegen nog steeds watervoerend. Op de geomorfologische kaart van Nederland is het plangebied niet gekarteerd, vanwege de ligging in de bebouwde kom (Alterra, 2017; niet als kaartbeeld opgenomen). Aan de hand van deze kaart zijn dus geen nadere gegevens af te leiden omtrent de landschappelijke ligging van het plangebied.
Op de gemeentelijke Archeologische Landschappenkaart is het plangebied afgebeeld in een pleniglaciale terrasvlakte, afgedekt met holocene afzettingen (bijlage 9). Volgens deze kaart is geen sprake van holocene oeverafzettingen (De Boer en Wink, 2013). Het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN, versie 3) laat zien dat het plangebied ligt in een relatief laag deel van de kern van Hendrik-Ido-Ambacht (bron: www.ahn.nl; bijlage 10). De maaiveldhoogte varieert er tussen circa 1,0 en 0,4 m -NAP. In de zone waarin volgens de Landschappenkaart en de stroomruggenkaart sprake is van oeverafzettingen ligt het maaiveld op een hoogte tussen 0,2 m -NAP en 0,6 m +NAP. Deze hoogteverschillen kunnen samenhangen met de aanwezigheid van oeverafzettingen in de ondergrond, maar zouden anderzijds (gedeeltelijk) kunnen samenhangen met antropogene ophoging. Binnen het plangebied is aan de hand van het AHN sprake van minieme hoogteverschillen (bijlage 11). Deze hoogteverschillen hangen samen met de inrichting van het terrein. De Margrietstraat ligt, bijvoorbeeld, in het geheel lager (circa 0,90-0,85 m -NAP) dan de grond direct rond de woningen (circa 0,40 m -NAP). De tuinen betreffen de laagste delen van het plangebied (circa 1,0 m -NAP).
15
Bodem Op de bodemkaart is het plangebied niet gekarteerd vanwege de ligging in de bebouwde kom (Alterra, 2015; niet als kaartbeeld opgenomen). In de omgeving van de bebouwde kom komen met name kalkrijke poldervaaggronden voor (kaartcodes Mn25A, Mn35A, Mn45A). Het betreffen poldervaaggronden in respectievelijk zware zavel, lichte klei en zware klei. Naar verwachting kunnen dergelijke gronden ook in de bebouwde kom van Hendrik-Ido-Ambacht worden aangetroffen. Deze gronden hebben zich gevormd in een, overwegend, dik pakket overstromingsafzettingen, bestaand uit klei en/of zavel. Ze zijn niet ontkalkt. De korrelgrootte neemt toe richting de zee. In de omgeving van Hendrik-Ido-Ambacht is binnen 120 cm -Mv slechts zeer lokaal sprake van een venige ondergrond. Doordat het gebied pas in de loop van de 19e eeuw is ingepolderd, is het veen vaak afgedekt met een relatief dik pakket overstromingsafzettingen (Markus, 1984). Grondwatertrap De grondwatertrap (GWT) van de poldervaaggronden rond de bebouwde kom van Hendrik-IdoAmbacht is overwegend een GWT VI. Naar verwachting is in het plangebied van een vergelijkbare grondwatertrap sprake. Bij een dergelijke grondwatertrap ligt de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) tussen 40 en 80 cm -Mv. De Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) wordt aangetroffen beneden 120 cm -Mv.
Gezien de bebouwing is het denkbaar dat de grondwatertrap in het plangebied antropogeen is beïnvloed. In recente grondwaterstandmeting in het plangebied uit de periode 2014-2019 laat zien dat de grondwaterstand in het plangebied waarschijnlijk varieert tussen een diepte van circa 2,45 en 3,45 m -NAP (bron: www.dinoloket.nl; BRO-ID GMW00000017585). Gezien de maaiveldhoogte in het plangebied betekent dit dat het grondwater kan worden aangetroffen op een diepte tussen ongeveer 145 en 305 cm -Mv. Vanuit archeologisch oogpunt betekenen dergelijke grondwaterstanden dat organische resten (zoals leer en hout) in het plangebied binnen een diepte van 145 cm -Mv zullen zijn vergaan of aangetast. Tussen een diepte van 145 en 305 cm -Mv kunnen sporadisch nog organische resten worden aangetroffen. Binnen deze diepte zal de kwaliteit van het materiaal echter aanzienlijk achteruit zijn gegaan als het gevolg van de wisselende grondwaterstanden. Anorganische resten kunnen binnen een diepte van 305 cm -Mv nog wel goed geconserveerd zijn. Beneden een diepte van 305 cm -Mv en in humeuze grondlagen kunnen zowel goed geconserveerde organische als anorganische resten bewaard zijn gebleven.
16
Archeologische verwachtingen en bekende waarden Wettelijk beschermde monumenten
Nee
AMK-terreinen
Nee
Archeologische waarden
Nee
Archeologische verwachting Op de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart staat het plangebied afgebeeld in een zone met een medebestemming te Verwachten Archeologische Waarden 4 (VAW4; De Boer en Wink, 2013; bijlage 6). Het noordoosten valt binnen een zone VAW2. De eisen binnen een zone VAW4 zijn minder streng dan binnen een zone VAW2. Dit duidt erop dat in het noordoosten van het plangebied relatief sprake is van de hoogste verwachting op archeologische resten. Deze verwachting hangt samen met de ligging van het plangebied aan de rand van een gebied waarin oeverafzettingen van de Slikkerveer stroomgordel en de Noord stroomgordel verwacht kunnen worden. Bekende waarden binnen het plangebied Volgens het centraal archeologisch informatiesysteem (Archis3) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) heeft het plangebied geen archeologisch wettelijk beschermde status. Het plangebied is ook niet opgenomen op de Archeologische Monumentenkaart (AMK; bijlage 12). Verder zijn in het plangebied eerder geen archeologische onderzoeken uitgevoerd. Bekende waarden in de omgeving van het plangebied Om tot een gerichte verwachting van het plangebied te komen, zijn archeologische waarden, onderzoeken en vondstmeldingen in de directe omgeving van het plangebied – binnen een straal van 500 m – geïnventariseerd.
De ligging van deze waarden en onderzoeken is weergegeven op de kaart in bijlage 12. Een korte beschrijving per onderzoek is opgenomen in bijlage 13. De resultaten worden hieronder kort samengevat. Aan de hand van de inventarisatie van archeologische waarden en onderzoeken in de omgeving wordt vastgesteld dat in de omgeving van het plangebied nog nagenoeg geen archeologische resten zijn aangetroffen. In totaal hebben 13 archeologische booronderzoeken (verkennende fase) plaatsgevonden. Deze hebben vooralsnog niet geleid tot archeologische vervolgonderzoeken. Op basis van een deel van de booronderzoeken is wél een archeologische verwachting vastgesteld en een vervolgonderzoek geadviseerd. Het selectieadvies is echter van kracht op bodemingrepen vanaf een bepaalde diepte, waardoor een vervolgonderzoek in geen van de gevallen noodzakelijk bleek. In het oog springt AMK-terrein 6432 ‘Kerkstraat’, circa 280 m ten noordwesten van het plangebied. Op dit AMK-terrein bevinden zich de archeologische resten van de stenen kamer Waelnes (/’de Waelneshoeve’). De stenen kamer is waarschijnlijk voor het eerst opgericht in de 14 e eeuw en stond toen bekend als het ‘kasteel’ Wittensteen’. In eerste instantie bestond deze uit een boerderij. Na verwoesting door de Spanjaarden in 1572 werd de boerderij verstevigd en ging deze functioneren als herenkamer of ambachtsheerlijke hofstede (‘Bouquet’).
Bij een veldcontrole is een duidelijke verhoging ten opzichte van het omringende gebied vastgesteld. Het terrein van het hof/de hoeve meet circa 45 x 25 m en is omgeven door een 3-8 m brede gracht. In de directe omgeving van de hoeve zijn dijken langs de Oude Waal opgericht in de loop van de 14e15e eeuw. Het dijklichaam van de Veersedijk is bij één van de archeologische booronderzoeken in de omgeving van het plangebied aangetroffen (Sprangers en Warning, 2014). In/op het dijklichaam kunnen resten van bewoning uit de Late-Middeleeuwen/Nieuwe tijd worden aangetroffen. Het dijklichaam bevindt zich echter onder een verstoringslaag, waardoor deze niet direct bedreigd werd 17
door grondwerkzaamheden. In de omgeving van de dijk liggen oeverafzettingen en komafzettingen van de Oude Waal (Slikkerveer stroomgordel) en de Noord. Rond het plangebied zijn slechts op een klein aantal plaatsen sporen van bodemvorming, vegetatieniveaus of archeologische indicatoren in de kom- en oeverafzettingen aangetroffen. Ten oosten van het plangebied is dit waarschijnlijk mede debet aan dijkdoorbraken (overslaggronden; Sprangers en Warning, 2014; Holl, 2017). Bewoonbare oeverafzettingen bevonden zich bijvoorbeeld circa 360 m ten noorden van het plangebied in het plangebied ‘Ida Hoeve’ (Wullink, 2017). Hier worden in de oeverafzettingen met name resten van de 19e-20e Ida Hoeve verwacht. In het plangebied ‘Willem de Zwijgerstraat 1A’, direct ten oosten van onderhavig plangebied zijn tijdens een archeologisch booronderzoek overslaggronden aangetroffen vanaf een diepte van 70 cm Mv / 1,4 m -NAP (Moerman en Wilbers, 2019). Deze overslaggronden zijn ontstaan bij een doorbraak van de dijk rond de Oude Waal. Ze hebben waarschijnlijk vanaf de 14 e eeuw tot aan de Tweede Wereldoorlog aan maaiveld gelegen. Omdat op basis van historische kaarten blijkt dat in deze periode bebouwing in het onderzochte gebied gestaan heeft, is een vervolgonderzoek door middel van proefsleuven geadviseerd bij bodemingrepen vanaf 70 cm -Mv / 1,4 m -NAP.
De locatie is door bevoegd gezag vrij gegeven voor de voorgenomen ontwikkelingen (schriftelijke mededeling J. Hoevenberg; Gemeente Dordrecht).
18
Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen Historische bebouwing
Nee
Historisch gebruik
Weiland, bouwland
Huidig gebruik
Woonwijk
Bekende verstoringen
Akkerbouw, sloten, huidige bebouwing
Historische situatie Het plangebied bevindt zich in de Zwijndrechtse Waard. In dit gebied hebben in de eerste helft van de 14e eeuw veel dijkdoorbraken plaatsgevonden. In 1331 slaagde Willem III, Graaf van Holland erin de Waard te bedijken. De financiering geschiedde door investeerders Ambachtsheer in de Waard te geven, waaraan een aantal voorrechten kleefden. Hierop is de naam Hendrik-Ido-Ambacht gebaseerd. De Veersedijk aan de Noord, ten oosten van het plangebied was hiervan het gevolg. De Ambachtsheren konden zodoende de gronden ontginnen en in gebruik nemen, hetgeen geschiedde in langwerpige kavels vanaf de Veersedijk. Aan de achterzijde lag de Vrouwgelenweg. Deze weg en de Veersedijk vormden relevante cultuurhistorische elementen, waarbij zich ‘op de kop van de historische kavels’ agrarische nederzettingen vormden. Vaak waren het de boerderijen of huizen van de gebruikers van het betreffende perceel. Deze lagen langs de Veersedijk, zoals reeds op historisch kaartmateriaal uit de 19e eeuw is te zien (bron: www.geschiedenisvanzuidholland.nl). De gemeentelijke historisch-geografische waardenkaart laat zien dat het plangebied zich deels bevond binnen het (ambachts)heerlijk erf De Heuvel, dat langs de Veersedijk lag (De Boer en Wink, 2013; bijlage 14).
Het bevond zich zelfs binnen een hoeve, waarvan de ‘heerlijke boerderij’ aan de hand van historische kaarten ongeveer 150 m ten oosten van het plangebied heeft gestaan. Het westelijk deel van het plangebied bevond zich, daarentegen, in het ‘Tiendblok van Waelnes’. Een tiendblok was een blok van percelen, waarover een bepaald percentage van de opbrengst (‘tienden’) betaald moest worden aan – in dit geval – de Sint-Paulusabdij en, later, de graaf van Holland (vanaf 1323). Historische kaarten (figuren 2-6) Op de oudst geraadpleegde kaart van het plangebied, de kaart van Nicolaes Visscher uit de periode 1718-1730, is de ligging van het plangebied binnen de Zwijndrechtse Waard te zien. Ten noorden van het plangebied bevond zich de Oude Waal, en ten oosten ervan het Noord en het ‘Noort Diep’. De eerste gedetailleerde weergave van het plangebied is te zien op het Kadastrale Minuutplan van 18111832 (hermeten in 1894; bron: www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl). Op deze kaart beslaat het plangebied delen van percelen 299, 302, 313-314. In het plangebied is geen bebouwing aanwezig. Volgens de Oorspronkelijk Aanwijzende Tafelen bij de kaart zijn de twee meest westelijke percelen in eigendom van bouwman Pieter van der Geer en in gebruik als weilanden.
De twee oostelijke percelen (percelen 313-314) waren in eigendom van de kinderen van bouwman Adriaan Holendijk en in gebruik als bouwlanden (bron: www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl). Aan de hand van historische kaarten uit de periode na het Kadastrale Minuutplan tot aan 1962 is te zien dat het gebruik van het plangebied in de loop van de 2e helft van de 19e en de eerste helft van de 20e eeuw niet is gewijzigd. De huidige bebouwing is gerealiseerd vanaf de jaren ’50 van de 21e eeuw. Hieraan hebben in de loop van de 2e helft van de 20e eeuw uitsluitend kleinschalige wijzigingen (voornamelijk in tuinen) plaatsgevonden (bronnen: www.topotijdreis.nl; www.bagviewer.kadaster.nl; www.regionaalarchiefdordrecht.nl).
19
Militaire resten De Bommenkaart van de Vereniging voor Explosieven Opsporing (VEO) geeft geen informatie over explosievenonderzoek in het plangebied (bron: www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart). In het plangebied hebben na afloop van de Tweede Wereldoorlog bouwwerkzaamheden plaatsgevonden. Het is onwaarschijnlijk dat Niet-gesprongen Explosieven worden aangetroffen. Huidig gebruik en bodemverstoringen Aan de hand van de geïnventariseerde historische gegevens van het plangebied is in de periode 18e20e eeuw geen sprake geweest van bebouwing, anders dan de huidige. Het plangebied is wel voor een deel in gebruik geweest als bouwlanden (oosten). Er bestaat in het oosten van het plangebied dus een kans dat de oorspronkelijke bodemopbouw is aangetast door landbouwwerkzaamheden. In de rest van het plangebied kan de ondergrond verstoord zijn door de realisatie van de naoorlogse (rijtjes)woningen en een schoolgebouw (Margrietstraat 1). Van de huidige bebouwing in het plangebied zijn bij de opdrachtgever geen bouwtekeningen voorhanden. Uit een bestudering van gegevens uit het Regionaal Archief Dordrecht blijkt dat in het plangebied de volgende ingrepen zijn uitgevoerd (bron: www.regionaalarchiefdordrecht.nl): •
•
• • • •
Margrietstraat: hier is in 1950-1951 de ‘Bijzondere School’ de Margrietschool gebouwd. In 1953 is bij de school een rijwielbewaarplaats en uitbreiding gerealiseerd. De school is in 1958 nog eens verbouwd. Hierbij is de rijwielstalling naar een gymnastieklokaal getransformeerd. In 1977-1978 heeft nog een uitbreiding van de school plaatsgevonden tot Stichting en Instandhouding scholen voor Christelijk Nationaal Onderwijs. Margrietstraat 17-43 en Margrietstraat 22-62: woningen met bergplaatsen van verschillende types zijn gebouwd in de periode 1954-1956. Aan de Margrietstraat 22-62 zijn verder 4 garages gerealiseerd. In 1974 hebben wijzigingen plaatsgevonden aan de kozijnen van de bestaande panden. Margrietstraat 2 en 20: in 1965 hebben verbouwingen van de reeds bestaande panden plaatsgevonden. Marijkestraat 1-8: in 1969 hebben wijzigingen aan bestaande woningen plaatsgevonden. In 1990 is aan de Marijkestraat 5 een geld- en emissieautomaat GEA voor PTT Post geplaatst. Willem de Zwijgerstraat 9: hier hebben in 1979 verbouwingen plaatsgevonden. Verder zijn in de loop van de 2e helft van de 20e eeuw kleinschalige ingrepen in verschillende tuinen uitgevoerd, die samenhangen met de bouw van volières, duiven- en kippenhokken, schuurtjes en tuinhuizen. Ook hebben wijzigingen aan kozijnen plaatsgehad.
Onder de bestaande bebouwing lijkt geen sprake te zijn van kelders. Aan de hand van de recentelijk door het Kadaster opgestelde Funderingskaart is het typefunderingen onder de woningen niet af te leiden (bron: arcgis.com3). Uit Bodemloket blijkt dat in het plangebied een milieukundig bodemonderzoek is uitgevoerd (bron: www.bodemloket.nl). Het betreft een recentelijk uitgevoerd verkennend (asbest)bodemonderzoek door Inventerra (projectcode 20-2380-R01AvH). Tijdens dit onderzoek zijn in totaal 39 milieukundige boringen geplaatst tot een diepte tussen 1 en 3 m -Mv. De boringen zijn gezet in de vermoedelijke tracés van slootdempingen. In de boringen bleek sprake van diverse (mogelijke) slootdempingen met baksteenpuin. In de bovengrond in het zuidelijke deel van het plangebied zijn lichte verontreinigingen met diverse zware metalen en PAK aangetoond. Er is in het hele plangebied visueel geen asbest in de bodem aangetroffen. Bij het onderzoeken van de genomen grondmonsters bleek tevens geen sprake van asbestgehalten boven de norm. Er is geen nader milieukundig onderzoek geadviseerd.
3
Bron: https://www.arcgis.com/apps/MapSeries/index.html?appid=e0ff1f373bca4574a751529c7bc536d7.
20
Aan de hand van de milieukundige boringen kunnen geen goede uitspraken gedaan worden over de intactheid (archeologisch gezien) van het bodemprofiel ter plaatse. Veen is aangetroffen op een diepte tussen 150 en 220 cm -Mv. Boven het veen is sprake van overwegend zwak zandige (neutraalgrijze en/of neutraalbruine) klei. Aan de hand van de geïnventariseerde kenmerken kan de klei zowel duiden op oever- als komafzettingen als op antropogene ophogings-/dempings- of verstoringslagen. Eventuele kenmerken van veraarding in het veen zijn niet gedocumenteerd.
Figuur 2. Indicatieve ligging van het plangebied op de historische kaart van Visccher uit de periode 1718-1730 (bron: mapy.mzk.cz). 21
Figuur 3. De ligging van het plangebied op het Kadastrale Minuutplan van 1811-1832 (bron: www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl).
Figuur 4. De ligging van het plangebied op een historische kaart van omstreeks 1880 (bron: www.topotijdreis.nl). 22
Figuur 5. De ligging van het plangebied op een historische kaart van omstreeks 1920 (bron: www.topotijdreis.nl).
Figuur 6. De ligging van het plangebied op een topografische kaart uit 1962 (bron: www.topotijdreis.nl). 23
Gespecificeerde archeologische verwachting Archeologische verwachting
Middelhoog
Neolithicum-IJzertijd
Middelhoog
Romeinse tijd tot Late-Middeleeuwen-A
Laag
Late-Middeleeuwen-B/Nieuwe tijd
Complextypen
Nederzettingsterreinen
Stratigrafische positie
Top van (veraard) veen In vegetatieniveaus binnen oever- of komafzettingen
Diepteligging
Direct onder de bouwvoor / vanaf 150-220 cm -Mv
Archeologische verwachting, periode en diepteligging Op grond van het bureauonderzoek bevindt het plangebied zich in het overstromingsgebied van de Slikkerveer en de Noord stroomgordels. Deze stroomgordels oefenden sinds de Romeinse tijd hun invloed uit op het gebied, dat daarvóór bestond uit een veenmoeras. • Op plaatsen waar het veen lokaal ontwaterd was (hoogveenkussens of lokaal ontwaterde plaatsen door veenriviertjes of getijdekreken) is theoretisch gezien vanaf het Neolithicum bewoning mogelijk geweest. Hoewel in de omgeving van het plangebied nog geen veraard veen of Neolithische resten zijn aangetroffen, sluit dit niet geheel uit dat ze in het plangebied aanwezig kunnen zijn. In het bredere Maasmondingsgebied zijn resten uit deze perioden wel bekend. De verwachting op archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de IJzertijd in de top van het veen is daarom, vooralsnog, middelhoog. De top van het veen wordt in het plangebied, aan de hand van milieukundige boringen, verwacht op een diepte van 150-220 cm -Mv. • In de periode vanaf de Romeinse tijd kan bewoning hebben plaatsgevonden op de oevers van de Slikkerveer stroomgordel en in het komgebied. Indicatief voor de mogelijke aanwezigheid van bewoningsresten uit de periode Romeinse tijd tot Late-Middeleeuwen-A is het voorkomen van een vegetatieniveau, dat duidt op een relatief rustig milieu.
Anderzijds vormt de intactheid van de top van de kom- of oeverafzettingen een aanwijzing. Mogelijk zijn de kom- en oeverafzettingen in het plangebied geërodeerd geraakt tijdens overstromingen in de 14 e/15e eeuw. Direct ten oosten van het plangebied zijn hiervoor aanwijzingen gevonden in de vorm van overslagafzettingen. Overslagafzettingen kunnen echter niet alleen het landschap hebben geërodeerd, maar kunnen ook hebben gezorgd voor afdekking (en daarmee bescherming) van eronder gelegen lagen. Aan de hand hiervan geldt in het plangebied vooralsnog een middelhoge verwachting op archeologische resten uit de periode Romeinse tijd tot en met de LateMiddeleeuwen-A. • De overslagafzettingen hebben waarschijnlijk aan maaiveld gelegen van de 14 e eeuw tot aan de Tweede Wereldoorlog. In de top ervan zijn bij het onderzoek direct ten oosten van het plangebied archeologische indicatoren aangetroffen zoals fosfaatvlekken en baksteenresten. Hoewel de datering van het baksteen niet is gespecificeerd, werd baksteen ook in de periode direct na de vorming van de overslagafzettingen (14e/15e eeuw) reeds geproduceerd. In de overslagafzettingen zou dus sprake kunnen zijn van archeologische resten uit de LateMiddeleeuwen/Nieuwe tijd. Indicatief voor de mogelijke aanwezigheid hiervan is de intactheid van de top van de overslagafzettingen.
Door de onbekendheid met de intactheid van dit niveau in het plangebied (en de intactheid ervan in het gebied er direct ten oosten van) is de verwachting voor de periode Late-Middeleeuwen/Nieuwe tijd op basis van het bureauonderzoek laag. Eventuele resten zijn echter reeds bekend aan de hand van historische kaarten en vertegenwoordigen daarmee een geringe informatiewaare. Blijken de overslaggronden verstoord
24
•
door de 20e-eeuwse bouwwerkzaamheden, kan de verwachting op intacte archeologische resten naar laag worden bijgesteld. Tot slot, bestaat een lage archeologische verwachting op archeologische resten uit de periode van het begin van de 18e tot en met het midden van de 20e eeuw. Op historische kaarten is in deze periode geen bebouwing te zien. Het plangebied is in gebruik geweest als weiland en landbouwgronden. Uit deze periode kunnen wel restanten van sloten worden aangetroffen.
Complextype, omvang en aanwezigheid Vondstcomplexen uit het Laat-Neolithicum en de Bronstijd zullen vooral bestaan uit een concentratie van aardewerk, houtskool, vuursteen, (on)verbrand botmateriaal en bewerkt natuursteen. Mogelijk zijn ook sporen van huisplaatsen uit deze periode aan te treffen in de vorm van paalkuilen, afvalkuilen of andere diepliggende sporen. Deze resten zullen zich over het algemeen kenmerken als een donkere ‘vuile laag’ of ‘vondstlaag’ in de top van het oude duin-/strandwalzand. Uit de Bronstijd kunnen ook fragmenten metaal of metaalslak worden aangetroffen. Uit de periode van de Midden-Bronstijd tot en met Vroege-Middeleeuwen kunnen resten verwacht worden van huisplaatsen, maar ook – en naar verwachting voornamelijk – van landrichting. Deze resten zullen bestaan uit paalkuilen, kuilen, greppels en uit diepere sporen zoals waterputten. Met betrekking tot deze periode is echter uit de directe omgeving van het plangebied nog weinig bekend. Uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd kunnen naar verwachting sporen van landrichting worden aangetroffen. Op grond van het onderzoek direct ten oosten van het plangebied – waarbij onder meer fosfaatresten zijn gevonden – bestaat echter ook een verwachting op nederzettingsresten / resten van een boerderij uit de periode van de 14e tot de 17e eeuw. De omvang van een eventuele vindplaats is niet bekend.
Deze kan variëren van enkele tientallen tot honderden vierkante meters voor een nederzetting die betrekking heeft op een enkele boerderij. In welke mate nog daadwerkelijk archeologische resten en/of sporen aanwezig kunnen zijn is mede afhankelijk van de mate van intactheid van de bodem. Om de mate van bodemintactheid in het plangebied en de ouderdom en aard van archeologische resten vast te stellen is een booronderzoek noodzakelijk.