Bijlage 1 bij raadsvoorstel 9.1 - Achter Vrouwgelenweg 80 - Toelichting
Tekst van het document
35
gemeente Hendrik-Ido-Ambacht
36
od205 | bestemmingsplan Achter Vrouwgelenweg 80
Hoofdstuk 4
Omgevingsaspecten
Gezien de beperkte reikwijdte van dit bestemmingsplan zijn niet alle milieuonderzoeken noodzakelijk. Het plan biedt een bouwmogelijkheid voor drie nieuwe woningen. Hieronder wordt een en ander toegelicht.
4.1
Aanmeldnotitie m.e.r.
4.1.1
Aanleiding
Op grond van de Wet milieubeheer is het verplicht ten aanzien van plannen, gevallen, activiteiten en besluiten die (mogelijk) grote gevolgen kunnen hebben voor het milieu, een procedure voor milieueffectrapportage (m.e.r.) te doorlopen. De m.e.r. is bedoeld om milieubelangen meer expliciet af te wegen bij het opstellen van plannen en het uitvoeren van projecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen "m.e.r.-plichtige activiteiten" waarvoor een volledig milieueffectrapport (MER) moet worden opgesteld en "m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten" waarbij moet worden afgewogen of sprake kan zijn van significante negatieve gevolgen voor het milieu. Het Besluit m.e.r. en de Wet milieubeheer zijn per 7 juli 2017 gewijzigd. Gemeenten zijn thans verplicht om een expliciet besluit te nemen over het al dan niet opstellen van een milieueffectrapport (Mer). Het besluit behoeft niet separaat te worden gepubliceerd, maar moet wel worden opgenomen in het besluitvormingsproces van het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is moet door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld.
Onderhavige notitie voorziet hierin voor de realisatie van 'Achter Vrouwgelenweg 80' te Hendrik-Ido-Ambacht; de ontwikkeling van drie nieuwe woonhuizen. In het kader van het bestemmingsplan 'Achter Vrouwgelenweg 80' is door od205 een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling (zie 4.1.2) opgesteld. Uit deze notitie blijkt dat de activiteiten die in het voorliggende bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt, gelet op de kenmerken en de plaats van de activiteiten en de kenmerken van de potentiële effecten, niet zodanig van invloed op het milieu zijn dat een milieueffectrapportage moet worden doorlopen. Het voorstel is om de gemeenteraad van Hendrik-Ido-Ambacht op basis van deze notitie te laten besluiten dat geen milieueffectrapportage nodig is.
4.1.2
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling bestaan geen vereisten voor de vorm, maar wel voor de inhoud. Met betrekking tot de inhoud ('wat moet er in de vormvrije m.e.r.-beoordeling worden onderzocht?') moet aandacht worden besteed aan alle criteria die zijn opgenomen in Bijlage III bij de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten', te weten: de kenmerken van het project; de plaats van het project; de kenmerken van het potentiële effect.
4.1.3
Kenmerken van het project
Het gaat om een relatief klein particulier ontwikkelingsproject voor de locatie achter de woning op het perceel Vrouwgelenweg 80 in Hendrik-Ido-Ambacht. De bedoeling is om hier drie nieuwe woningen te realiseren. In februari 2018 hebben burgemeester en wethouders van Hendrik-Ido-Ambacht het besluit genomen om in principe mee te willen werken aan deze ontwikkeling. De ontwikkeling omvat: twee vrijstaande woningen (maximum grondoppervlakte 210 m2) op woonkavels - westelijk en
37
gemeente Hendrik-Ido-Ambacht
noordoostelijk in het plangebied - van elk circa 1.150 m2, met een standaard omvang aan aan- en uitbouwen, bijgebouwen en dergelijke, overeenkomstig de wettelijk 'vergunningvrij' toegestane omvang van dergelijke 'bouwactiviteiten' op grond van artikel 2 en 3 bijlage II Besluit omgevingsrecht; een vrijstaande woning (maximum grondoppervlakte 270 m2) op een grote woonkavel - zuidoostelijk in het plangebied - (circa 2.600 m2), met een relatief grote omvang aan bijgebouwen (maximaal 310 m2) (maatwerkbepaling speciaal voor dit grote woonkavel). Het gehele plangebied heeft een omvang van circa 6.370 m2. Deze ontwikkeling sluit aan op de ontwikkeling van de wijk De Volgerlanden-Oost. Omdat het een particuliere ontwikkeling is, wordt voor deze ontwikkeling een afzonderlijk bestemmingsplan opgesteld.
4.1.4
Plaats van het project
Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen: a. het bestaande grondgebruik; b. de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied; c. het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: - wetlands; - kustgebieden; - berg- en bosgebieden; - reservaten en natuurparken: gebieden die in de wetgeving van lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG (= Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (= Habitatrichtlijn); - gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden; - gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid; - landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang . Ad a. Het plangebied is onbebouwd, met uitzondering van één tuinhuisje en één stalletje en is thans in gebruik als tuin. Het gebruik verandert van tuin naar wonen met tuin erbij. Dat dit in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening is onderbouwd in het kader van het ontwerpbestemmingsplan. De verandering op zich rechtvaardigt niet het doorlopen van een milieueffectrapportage. Ad 2.
Het plangebied ligt geheel buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Op afstand van het bestemmingsplan (circa 1 kilometer) ligt een gebied met de volgende aanduidingen: bestaande en nieuwe natuur; grote wateren en Noordzee. In het kader van het grotere bestemmingsplan De Volgerlanden - Oost, waar het plangebied door omsloten wordt, is al een afweging gemaakt tussen groen en rood. Het gebied ligt in de bebouwde kom van Hendrik-Ido-Ambacht en wordt omringt door woningbouw en andere 'rode' activiteiten. De woning Vrouwgelenweg 80 ten zuidwesten van het plangebied is niet meer aanwezig; er wordt nieuw gebouwd. Mogelijk worden bomen gekapt en watergangen gedempt om de realisatie van de drie woningen mogelijk te maken. Voor het gedempte water en de toename aan verhard oppervlak zal binnen het plangebied compensatie worden gezocht voor oppervlaktewater om zo de waterberging te garanderen.
38
od205 | bestemmingsplan Achter Vrouwgelenweg 80
Afbeelding 4.1. NNN gebieden in de buurt van het plangebied Ad c. In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen van de in de opsomming genoemde (potentieel) waardevolle gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan is een onderzoek naar archeologische waarden uitgevoerd1 . Op basis van het vooronderzoek is vastgesteld dat het plangebied een lage verwachting heeft op de aanwezigheid van archeologische resten uit de periode Neolithicum-Nieuwe tijd. Het aspect archeologische waarden geeft geen aanleiding voor het doorlopen van een milieueffectrapportage.
4.1.5
Kenmerken van het potentiële effect
Het feitelijke gebruik van de gronden binnen het plangebied wijzigt, van een woonbestemming zonder mogelijkheden voor de bouw van woningen naar een woonbestemming met mogelijkheden voor de bouw van (drie) woningen. De beoogde ontwikkeling is getoetst op haar milieugevolgen en aan de daarvoor gestelde wettelijke normen. Op basis van de verschillende uitgevoerde onderzoeken kan worden geconcludeerd dat de milieugevolgen beperkt zijn.
4.1.6
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu als gevolg van de voorgenomen realisatie van drie woningen op de locatie ‘Achter Vrouwgelenweg 80’ niet te verwachten zijn. Op grond hiervan bestaat er geen aanleiding om een m.e.r.-beoordeling uit te voeren als bedoeld in artikel 7.16 en verder van de Wet milieubeheer.
4.2
Bedrijven en milieuzonering
Milieuzonering betekent het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
39
gemeente Hendrik-Ido-Ambacht
het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. In de brochure Bedrijven en milieuzonering (VNG, 2009) wordt een handreiking gegeven voor het verantwoord inpassen van bedrijfsactiviteiten in de omgeving. De handreiking geeft informatie over een aantal ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala van bedrijfsactiviteiten. Gelet op het bovenstaande kan worden geconstateerd dat in de directe omgeving van de nieuwe locatie één bedrijf voorkomt waarvan de hinderzone tot over het plangebied zou kunnen reiken: Vrouwgelenweg 84: hoofdkantoor HAP Foods Holland BV (en HAP Trading en HAP Forwarding). De activiteiten van dit bedrijf zijn: handel, zowel nationaal als internationaal, in voornamelijk temperatuurgevoelige levensmiddelen, zoals vlees, vis, wild, gevogelte, alsmede in agrarische en andere producten, daaronder begrepen: a. de import, export, opslag, inkoop, verkoop en het transport daarvan; b. het exploiteren van koel- en vrieshuizen; c. het voeren van agenturen. Onder 'andere producten' en het 'voeren van agenturen' is begrepen: d. de hiervoor genoemde werkzaamheden in dranken, meubelen, bouwmaterialen, auto's, vrachtauto's, machines). Aan de Vrouwgelenweg bevindt zich het hoofdkantoor van dit bedrijf. Dit is in het bestemmingsplan De Volgerlanden-Oost bestemd als 'Kantoor'.
Voor de kantoorfunctie geldt volgens de bovengenoemde VNG-brochure een hinderafstand van 10 meter (geluid). Van dit hoofdkantoor (gemeten vanaf de rand van de bestemming 'Kantoor') gaat geen milieuzone uit die reikt tot aan de gevels van de woningen die gerealiseerd kunnen worden op grond van het bestemmingsplan 'Achter Vrouwgelenweg 80'. De 10 meter-zone bereikt de bouwvlakken die in dit bestemmingsplan zijn opgenomen, niet. Dus kan er vanuit worden gegaan dat in het plangebied 'Achter Vrouwgelenweg 80' sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat.
4.3
Geluid
Op grond van de Wet geluidhinder is een akoestisch onderzoek noodzakelijk wanneer een nieuw geluidsgevoelig object wordt mogelijk gemaakt binnen een door deze wet aangewezen geluidzone. Met het plan wordt de realisatie van drie geluidsgevoelige objecten mogelijk gemaakt. De maximaal toelaatbare waarde van 48 dB (voorkeurswaarde) wordt niet overschreden, zoals blijkt uit het akoestisch onderzoek dat is uitgevoerd in het kader van de planvorming voor het gebied Volgerlanden-Oost. Zie Bijlage 1 pagina [28]. Zie ook afbeelding 4.2.
40
od205 | bestemmingsplan Achter Vrouwgelenweg 80
Afbeelding 4.2. Uitsnede van de kaart op pagina [28] van Bijlage 1 Toegevoegd is, indicatief, de contour van het plangebied 'Achter Vrouwgelenweg 80'. Deze kaartuitsnede laat de geluidscontouren zien van het wegverkeer in de omgeving van het plangebied. Oranje = 53 dB - 58 dB. Geel = 48 dB - 53 dB. Groen = 0 dB - 48 dB. Het plangebied ligt in de groene gebied (dat aan de rand van het onderzoeksgebied niet groen meer is ingekleurd). Dat betekent dat de voorkeurswaarde van 48 dB op deze locatie niet wordt overschreden.
Er kan worden geconcludeerd dat vanuit de Wet geluidhinder geen belemmeringen gelden voor de beoogde ontwikkeling op het perceel Achter Vrouwgelenweg 80.
4.4
Luchtkwaliteit
Volgens de Wet luchtkwaliteit dragen 'kleine' projecten dragen niet in betekenende mate bij aan de (verslechtering van de) luchtkwaliteit. Grote projecten, zoals bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen), dragen wel in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het 'Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)', een regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer d.d. 31 oktober 2007, geeft de categorieën van gevallen aan die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, onder c, van de Wet milieubeheer. Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten - die jaarlijks meer dan 3 procent van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van PM10 en NO2 bijdragen- een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Voor woningbouw geldt dat woningbouwprojecten van netto niet meer dan 1500 woningen (in het geval van één ontsluitingsweg) niet in betekende mate bedragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit, volgens artikel 4 lid 1 Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en artikel 4 lid 2 bijlage 3B.2 Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen).
Het onderhavige bestemmingsplan, dat de toevoeging van drie nieuwe woningen mogelijk maakt, is zodanig beperkt van omvang dat gesteld mag worden dat het project niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Via de NSL-Monitoringstool zijn de concentraties ter plaatse van het ontwikkelingsgebied voor de jaren 2016, 2020 en 2030 afgelezen. In de verkeersmodellen die gebruikt worden bij de NSL-monitoringstool is de verkeersgeneratie als gevolg van de beoogde ontwikkelgebieden in de omgeving reeds opgenomen in
41
gemeente Hendrik-Ido-Ambacht
het model voor de jaren 2020 en 2030. Er zijn derhalve geen aanpassingen doorgevoerd aan de data afkomstig uit de NSL-rekentool. NO2 Uit de resultaten blijkt dat de concentraties voor NO2 in alle gevallen afnemen ten opzichte van 2016. In geen van de gevallen wordt de jaargemiddelde grenswaarde overschreden. PM10 Uit de resultaten blijkt dat de concentraties voor PM10 in 2020 licht toenemen ten opzichte van 2016. In 2030 neemt de concentratie echter weer af. Ter plaatse van het plangebied is de concentratie PM10 in 2030 kleiner dan de concentratie in 2016. Er wordt voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarde voor PM10 (40 µg/m3). De wereldgezondsheidsorganisatie (WHO) beoogt een advieswaarde van een jaargemiddelde waarde van 20 µg/m3. Deze wordt in 2020 licht overschreden (maximale geconstateerde waarde bedraagt 20,2 µg/m3) maar in 2030 neemt de concentratie weer af tot onder de WHO-advieswaarde. PM2,5 Uit de resultaten blijkt dat dat de concentraties PM2,5 in 2020 licht toenemen, maar in 2030 weer licht afnemen. De jaargemiddelde grenswaarde (25 µg/m3) wordt in geen geval overschreden. Ook de jaargemiddelde richtwaarde voor 2020 (20 µg/m3) wordt in geen geval overschreden. Er wordt in 2030 echter net niet voldaan aan de WHO-advieswaarde van 10 µg/m3. De maximale waarde in 2030 bedraagt 10,1 µg/m3.
4.5
Externe veiligheid
Het externe veiligheidsbeleid richt zich op de risico's van het vervoer en gebruik van gevaarlijke stoffen. Doel is hierin voor burgers een acceptabel veiligheidsniveau te waarborgen. Het risico wordt hierbij bepaald door de kans op en het effect van een incident met gevaarlijke stoffen.
4.5.1
Buisleidingen
Door het plangebied Volgerlanden-Oost loopt een hogedruk aardgasleiding. De plaatsgebonden contour ligt op de leiding zelf en vormt geen probleem. Hier moet gekeken worden naar het groepsrisico. Op basis van de rapportage “Kwantitatieve Risicoanalyse Gasunieleiding A-555 Volgerlanden te Hendrik-Ido-Ambacht” d.d. 20 april 2015, uitgevoerd door de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid, en het bijbehorende advies van de Veiligheidsregio ZHZ d.d. 21 april 2015 (kenmerk 2014/4593b/PG) blijkt dat volstaan kan worden met een beperkte groepsrisicoverantwoording vanwege de buisleiding. Zie voor deze rapportage plus bijbehorend advies: Bijlage 2 bij de plantoelichting. Groepsrisicoverantwoording buisleiding Een verantwoording bestaat uit de volgende elementen: risico's; zelfredzaamheid; beheersing van een incident met de gasleiding.
4.5.2
Risico's
De risico's zijn beschreven in de bovengenoemde kwantitatieve risico-analyse van Gasunie. Hieruit blijkt dat de leiding ter plaatse van het plangebied geen PR10-6 contour kent. Dat betekent dat er geen ruimtelijke beperkingen zijn, als gevolg van deze leiding. Het groepsrisico is eveneens berekend. De conclusie is dat het groepsrisico niet veranderd als gevolg van dit plan.
42
od205 | bestemmingsplan Achter Vrouwgelenweg 80
Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid gaat over de mate waarin mensen in staat zijn, zichzelf in veiligheid te brengen. In de meeste gevallen is het bericht om naar binnen te gaan en ramen en deuren te sluiten voldoende. Zo ook in deze situatie. De afstand tussen plangebied en leiding is zodanig dat bij een incident een verblijf binnen voldoende bescherming biedt. Het plangebied 'Achter Vrouwgelenweg 80' ligt op een grote afstand van de leiding, vanaf 300 meter. Dit is inzichtelijk gemaakt via de afbeelding 4.3 en tabel 4.1.
Afbeelding 4.3. Ligging PR-contouren langs de leiding A-555 en het plangebied
Op basis van de onderstaande tabel, afkomstig uit het advies van de veiligheidsregio, kan het effect variëren tussen secundaire branden en geen effecten, in geval van langdurige blootstelling. Bij kortdurende blootstelling zijn er nauwelijks effecten. De tabel geeft aan wat mogelijke effecten zijn, indien er iets met de gasleiding gebeurt. Kortdurende Langdurende 42 inch hogedruk blootstelling blootstelling 35 kW/m2 100 % letaliteit 190 2 1 10 kW/m PBM Secundaire branden 350 3 kW/m2 Veilig PBM 675 2 1 kW/m Veilig Veilig 1125 Tabel 4.1. Contouren (in meters) van warmtestraling bij aardgastransportleidingen (Bron: "Gele kaart, versie 6, september 2008" en letaliteitsgrenzen (beide Gasunie))
4.5.3
Beheersing van een incident
Hulpdiensten moeten een incidentlocatie kunnen bereiken, en tevens voldoende blusmiddelen (water) tot hun beschikking hebben om er voor te zorgen dat een incident beheerst blijft. De infrastructuur langs de gasleiding wordt niet aangepast als gevolg van dit plan, daarmee is de bereikbaarheid geborgd.
43
gemeente Hendrik-Ido-Ambacht
De bereikbaarheid in de wijk is op basis van het wegenplan zodanig, dat er voldoende wegen de wijk in leiden en daarmee ook vluchtroute zijn. Voor brandweer voertuigen is er rekening mee gehouden dat de belasting van de wegen geschikt is voor een brandweervoertuig. Ten aanzien van de bluswatervoorziening wordt aangesloten bij de handreiking bluswater en bereikbaarheid. Hiervoor wordt afstemming gezocht met de veiligheidsregio, zodra de plannen concreter uitgewerkt zijn.
4.5.4
Conclusie
De gasleiding voldoet aan de wetgeving, waarbij er geen 10-6 contour is. Ook het groepsrisico blijft onder de oriëntatiewaarde. Bij een incident bij de gasleiding hebben mensen de beste bescherming indien de landelijke uitgangspunten voor een calamiteit opgevolgd worden (ramen en deuren sluiten). In verband met de beheersing van het incident en uiteindelijk de bereikbaarheid en bluswater in de wijk, wordt aangesloten bij de handreiking bluswater en bereikbaarheid en vindt afstemming met de veiligheidsregio plaats. Voor dit plan worden de restrisico's als acceptabel gezien.
4.6
Energie
Het Rijk heeft in 2016 haar Energieagenda vastgesteld. Daarin is vastgelegd dat alle woningen van het aardgas af moeten. Er wordt geen nieuwe aardgasinfrastructuur meer aangelegd en de aansluitplicht aardgas wordt geschrapt. De huidige wetgeving (zoals de Gas- en Elektriciteitsnet) moet daarop nog worden aangepast. Duidelijk is dat de lokale overheid een belangrijke rol krijgt in het doorvoeren van die verandering. Op dit moment is dit wettelijk niet te regelen. Wel is het mogelijk om met hogere duurzaamheidsambities aardgasloze functies te realiseren door deze ambities in een vroeg stadium bij gebiedsontwikkeling te betrekken. Beoordeling Het bestemmingsplan kan het gasloos bouwen niet afdwingen. Tevens is het gasloos bouwen geen onderdeel van de haalbaarheid van het bestemmingsplan. Desalniettemin wordt zoveel mogelijk gestuurd op het realiseren van gasloze nieuwbouwwoningen, zodat deze in de toekomst niet alsnog omgezet moeten worden naar elektrisch of aangesloten moeten worden op een warmtenet. Het plan maakt de bouw van 3 nieuwbouwwoningen mogelijk. De gemeente is geen eigenaar van de gronden en zal in overleg met de initiatiefnemer zoeken naar mogelijkheden om de woningen gasloos te bouwen.
4.7
Water
Dit bestemmingsplan maakt geen ontwikkelingen mogelijk die een negatieve invloed hebben op de waterhuishouding. De realisatie van drie nieuwe woningen op de locatie 'Achter Vrouwgelenweg 80' (totale oppervlakte plangebied: circa 6.370 m2) zorgt voor een toename van het verhard oppervlak met maximaal 2.950 m2. Deze 2.950 m2 worden als volgt gespecificeerd: 1.450 m2 maximaal mogelijke grondoppervlakte woonbebouwing (woningen en bijgebouwen), gespecificeerd als 360 m2 voor het westelijke en 360 m2 voor het noordoostelijke woonperceel, en 730 m2 voor het zuidoostelijke woonperceel; 500 m2 geschatte maximale oppervlakte aan paden, terrassen e.d., gespecificeerd als 100 m2 voor het westelijke en 100 m2 voor het noordoostelijke woonperceel, en 300 m2 voor het zuidoostelijke woonperceel; 1.000 m2 geschatte maximale oppervlakte wegdek; uitgaande van de veronderstelling dat van de circa 1470 m2 die buiten de drie woonpercelen valt, circa 2/3de als weg verhard zal worden.
44
od205 | bestemmingsplan Achter Vrouwgelenweg 80
Hieruit volgt dat de wateropgave voor dit bestemmingsplan de volgende inhoud moet krijgen: 1. er moet 10% x 1.450 m2 = 145 m2 aan oppervlaktewater worden gerealiseerd in het plangebied; 2. De verharding moet voor 5% gecompenseerd worden. Er moet hiervoor 5% x 1.500 m2 = 75 m2 aan oppervlaktewater worden gerealiseerd. 3. In totaal moet er 145 + 75 m2 = 220 m2 aan oppervlaktewater worden gerealiseerd. 4. hieraan moet nog worden toegevoegd: de eventuele oppervlakte van bestaande watergangen die worden gedempt. Door middel van de aanduiding 'overige zone - voorwaardelijke verplichting' wordt gewaarborgd dat deze oppervlakte aan open water daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Deze aanduiding ligt over het hele plangebied en maakt deel uit van een regeling die degenen die het plangebied ontwikkelen, verplicht om, voordat de door hen gebouwde woningen voor bewoning beschikbaar komen, het totaal van 220 m2 aan oppervlaktewater in dit plangebied te realiseren. Zolang deze hoeveelheid oppervlaktewater niet is gerealiseerd, mag er niet gewoond worden in het plangebied.
4.8
Bodem en asbest
4.8.1
Inleiding
Tritium Advies B.V. heeft een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd op de locatie Vrouwgelenweg. Zie Bijlage 3 bij deze plantoelichting. Aanleiding voor het onderzoek is de voorgenomen bestemmingsplanprocedure voor de locatie en de toekomstige aanvragen van omgevingsvergunningen voor bouwen. Doel van het onderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (grond en grondwater) om te bepalen of op de locatie sprake is van een bodemverontreiniging die mogelijk een belemmering vormt voor de voorgenomen bestemmingsplanprocedure. Op basis van het vooronderzoek zijn de volgende verdachte deellocaties onderscheiden. Het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740+A1 (april 2016): A. Gehele locatie (verdacht); B. Onderzoek bestrijdingsmiddelen (verdacht); C. Onderzoek PFAS (verdacht). Zintuiglijk zijn tijdens de veldwerkzaamheden ter plaatse van de geplande ontsluitingsweg bijmengingen aangetroffen met (sporen) puin. Omdat de herkomst en kwaliteit van het puin onbekend is, is deze verdacht op het voorkomen van asbest. In overleg met de opdrachtgever is direct een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd conform de NEN 5707+C2 (december 2017) ter plaatse van de aangetroffen bijmengingen met puin in de bodem.
4.8.2
Verkennend bodemonderzoek
Gehele locatie (A) Uit de analyseresultaten blijkt dat de grond licht verontreinigd is met koper, kwik, lood, zink, PAK, molybdeen en nikkel. Het grondwater blijkt licht verontreinigd te zijn met barium Onderzoek bestrijdingsmiddelen (B) Uit de analyseresultaten blijkt de bovengrond licht verontreinigd te zijn met drins. Het grondwater blijkt niet verontreinigd te zijn met organochloorbestrijdingsmiddelen. Onderzoek PFAS (C) Uit de analyseresultaten blijkt dat in de kleiige bovengrond PFOA (perfluoroctaanzuur), PFOS (perfluoroctaansulfonzuur) en PFHpA (perfluorheptaanzuur) zijn aangetoond. In de kleiige en zandige
45
gemeente Hendrik-Ido-Ambacht
ondergrond (rond de grondwaterstand) is PFOA aangetoond. In het grondwater is PFOA, PFOS en PFBA (perfluorbutaanzuur) aangetoond. Deze stoffen vallen onder de verzamelnaam PFAS. Bij de gemeten gehalten/concentraties PFOA is geen sprake van humane risico’s (RIVM 2017-0092).
4.8.3
Verkennend asbestonderzoek (geplande ontsluitingsweg)
Voorafgaand aan de veldwerkzaamheden is het maaiveld en het uitkomende materiaal beoordeeld op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen (zie Bijlage 4). Hierbij zijn zowel op het maaiveld als in het uitkomende materiaal géén asbestverdachte materialen waargenomen. Uit de analyseresultaten blijkt dat in het mengmonster van de puinhoudende grond géén asbest is aangetoond in de fijne fractie (<20 mm).
4.8.4
Conclusie
De onderzoeksresultaten vormen geen belemmering ten aanzien van de voorgenomen bestemmingsplanprocedure van de onderzoekslocatie en de voorgenomen aanvragen van omgevingsvergunningen voor bouwen. In de grond is PFOA, PFOS en PFHpA aangetoond. De Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid heeft aangegeven dat de handreiking voor PFOA houdende grond (vooralsnog) eveneens gebruikt kan worden voor PFOS houdende grond. De vrijkomende grond kan derhalve, conform het stand-still principe, alleen worden toegepast op locaties binnen dezelfde zone met verhoogde PFOA gehalten, of binnen een zone dichterbij de verontreinigingsbron dan de herkomstlocatie. Toepassen van de grond is derhalve toegestaan in de zones 1, 2 en 3. Hoe dient te worden omgegaan met de overige aangetoonde PFAS verbindingen is onbekend. Indien grondwater wordt onttrokken op de locatie dient rekening te worden gehouden met de aangetoonde concentraties PFOA (en overige PFAS). Indien grond wordt afgegraven en van de locatie wordt afgevoerd, dient er rekening mee te worden gehouden dat deze grond elders niet zonder meer toepasbaar is. Met betrekking tot het elders hergebruiken van grond zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit van toepassing, die doorgaans een grotere onderzoeksinspanning vereisen. De analyseresultaten van de grond zijn indicatief vergeleken met de hergebruikswaarden uit het Besluit bodemkwaliteit.
Aanbevolen wordt om hergebruik van de grond af te stemmen met het bevoegd gezag. Bijvoorbeeld middels een Bbk melding voor het elders toepassen van grond.
4.9
Ecologie
4.9.1
Inleiding
Tritium Advies B.V. heeft een quickscan flora en fauna ( zie Bijlage 5) uitgevoerd ten behoeve van het voornemen om op de locatie Vrouwgelenweg 80 te Hendrik-Ido-Ambacht drie woningen te realiseren. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 6.370 m2 en is onbebouwd, met uitzondering van één tuinhuisje en één stalletje en is thans in gebruik als tuin. De woning Vrouwgelenweg 80 ten zuidwesten van het plangebied is niet meer aanwezig; er wordt nieuw gebouwd. Mogelijk worden bomen gekapt en watergangen gedempt om de realisatie van de drie woningen mogelijk te maken. Voor de realisatie van de drie woningen wordt een juridisch-planologische procedure doorlopen conform de Wet ruimtelijke ordening. In het kader van deze procedure dient onder andere een quickscan flora en fauna te worden uitgevoerd. Hiermee kan worden voorkomen dat in strijd met de geldende natuurwetgeving wordt gehandeld. Doel van het onderhavige onderzoek is om te bepalen of de wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming (verder: Wnb). Het is noodzakelijk om voorafgaande aan ruimtelijke ingrepen en inrichting te toetsen of de geplande activiteiten geen negatief effect hebben op beschermde plant- en/of diersoorten en leefgebieden. Op basis van de ecologische
46
od205 | bestemmingsplan Achter Vrouwgelenweg 80
waarden van een planlocatie blijkt uit een verkennend flora- en faunaonderzoek (quickscan) of er een overtreding te verwachten is van de Wnb. Tevens wordt duidelijk of er meer soortgegevens nodig zijn door middel van inventarisatie en of er een uitgebreide studie noodzakelijk is naar de effecten van een ruimtelijke ingreep. In veel situaties is het uitvoeren van een verkennend onderzoek echter reeds voldoende zijn om aan te tonen of een plan uitgevoerd kan worden met of zonder enkele eenvoudige maatregelen of aanpassingen om een overtreding van de Wnb te voorkomen.
4.9.2
Beschermde gebieden
Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De provincie Zuid-Holland hanteert geen externe werking als het gaat om NNN. De afstand tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is dermate groot dat er geen direct negatief effect te verwachten is.
4.9.3
Soorten
Er wordt in het kader van de Wnb nagegaan of vaste rust- en verblijfplaatsen door de beoogde ingreep opzettelijk worden aangetast (verwijderd, ongeschikt gemaakt) of dat dieren opzettelijk worden verontrust, verjaagd of gedood. Verder is er gekeken of er invloeden zijn die leiden tot een verminderde geschiktheid als foerageergebied waarbij het een zodanig belang betreft dat bij het wegvallen van deze functie ook vaste rust- en verblijfplaatsen niet langer kunnen functioneren. Flora Er zijn binnen het plangebied geen beschermde wilde soorten aangetroffen. Deze soorten zijn ook niet te verwachten. Om deze redenen zullen er door de voorgenomen plannen geen nadelige effecten optreden ten aanzien van deze soortgroep en zijn er, naast de zorgplicht, vanuit de Wnb geen verdere verplichtingen. Vogels Er zijn geen jaarrond beschermde vogelnesten c.q. verblijfplaatsen aangetroffen. Algemeen voorkomende soorten zonder jaarrond beschermd nest kunnen blijven broeden in de directe omgeving van het plangebied. Indien broedende vogels in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn, kunnen verstorende werkzaamheden zoals bouwwerkzaamheden of een verwijdering van beplanting mogelijk echter niet plaatsvinden zonder hinder te veroorzaken. Wanneer er geen broedende vogels aanwezig zijn kunnen de werkzaamheden wel plaatsvinden.
Indien er op deze manier wordt gehandeld, treden er geen nadelige effecten op ten aanzien van vogels. Wanneer de werkzaamheden in het geheel plaatsvinden in de minst kwetsbare periode (tussen begin oktober en half februari) worden eveneens geen nadelige effecten verwacht. Dit laatste verdient derhalve aanbeveling. Indien de werkzaamheden worden uitgevoerd op bovenstaande wijze, zullen er geen nadelige effecten optreden ten aanzien van vogels. Grondgebonden zoogdieren Binnen het plangebied zijn geen vaste verblijf- of voortplantingsplaatsen vastgesteld van soorten die zijn beschermd bij de Habitatrichtlijn of van soorten die niet zijn vrijgesteld door de provincie. Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten Zolang de zorgplicht wordt nageleefd zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen Drie bomen in het plangebied zijn geschikt als vaste verblijf- of voortplantingsplaats voor vleermuizen. Indien deze bomen worden gekapt dient er voorafgaande aan de kap aanvullend onderzoek plaats te vinden in de vorm van minimaal vier veldbezoeken, waarvan twee in de periode van 15 mei tot 15 juli en twee in de periode van 15 augustus tot 1 oktober.
Een dergelijk onderzoek wordt uitgevoerd conform het Vleermuisprotocol 2017 van Netwerk Groene Bureaus en de Zoogdiervereniging. Mogelijk wordt er gefoerageerd binnen en nabij het plangebied. Foerageergebied is alleen beschermd wanneer dit gebied noodzakelijk is om de functionaliteit van een vaste verblijfplaats te behouden. In de directe omgeving van het plangebied is echter voldoende alternatief foerageergebied aanwezig in de vorm
47
gemeente Hendrik-Ido-Ambacht
van weilanden en tuinen van woningen. Ook is het verstorend effect op foeragerende vleermuizen uit te sluiten omdat de kap- en bouwwerkzaamheden overdag uitgevoerd worden. Een negatief effect op vaste vliegroutes is eveneens niet te verwachten. Biorectech, Ecologisch advies en veldonderzoek (zie Bijlage 6) heeft aanvullend onderzoek gedaan naar verblijfplaatsen voor vleermuizen in het plangebied. In het plangebied komen drie soorten vleermuizen voor: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Al deze soorten gebruiken het plangebied als foerageergebied. Van deze soorten is de gewone dwergvleermuis veruit het algemeenst. Ook de laatvlieger was in de kraamperiode geregeld in het onderzoeksgebied te zien en te horen. Van de ruige dwergvleermuis zijn twee exemplaren waargenomen tijdens het tweede bezoek in de paarperiode. Tijdens het onderzoek naar zomer-, kraamen vaste paarverblijfplaatsen in het plangebied zijn er geen verblijfplaatsen of aanwijzingen voor verblijfplaatsen gevonden. Omdat het aantal mogelijkheden voor vaste verblijfplaatsen in het plangebied erg klein is (Paulusse 2018), kan men ervan uitgaan dat deze daadwerkelijk niet in het plangebied aanwezig zijn. Er zijn hier dus geen strijdigheden met de natuurwetgeving.
Amfibieën, reptielen en vissen Binnen het plangebied is geschikt voorplantingswater en landhabitat aanwezig voor de alpenwatersalamander. Het is mogelijk dat door de voorgenomen plannen de aanwezige watergangen (deels) gedempt worden. Om deze redenen dient aanvullend onderzoek gedaan te worden naar de alpenwatersalamander. In de geschikte watergangen dient in juni te worden geschept met een schepnet om af- of aanwezigheid van larven en/of volwassen exemplaren van deze soort aan te tonen zoals wordt omgeschreven in het kennisdocument van de kamsalamander (BIJ12, 2017). De kamsalamander vertoont namelijk overeenkomstig gedrag waardoor dit kennisdocument deels ook gevolgd kan worden voor de alpenwatersalamander. Ook wordt in het kennisdocument verwezen naar de aanwezigheidsprotocollen van Netwerk Groene Bureaus (verder: NGB). Het NGB heeft namelijk wel een methode en werkwijze om af- of aanwezigheid van de alpenwatersalamander aan te tonen. Deze is vergelijkbaar met de methode en werkwijze van voornoemd kennisdocument. Biorectech, Ecologisch advies en veldonderzoek (zie Bijlage 6) heeft aanvullend onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van alpenwatersalamanders in het plangebied. Er zijn geen salamanders aangetroffen in het plangebied, noch andere soorten amfibieeën of vissen. Er zijn ook hier geen strijdigheden met de natuurwetgeving.
Algemeen voorkomende soorten zijn door de provincie vrijgesteld van de verbodsbepalingen als het een ruimtelijke ingreep of inrichting betreft. Wel geldt de zorgplicht voor dergelijke soorten. Indien de watergangen of delen daarvan gedempt worden, dient er rekening te worden gehouden met de zorgplicht voor alle aanwezige dieren en planten. De werkzaamheden aan de watergangen dienen te worden uitgevoerd in de periode 15 augustus tot 1 november met een voorkeur voor de maand oktober. Dit is namelijk de periode tussen de voortplanting en de winterrust van vissen en amfibieën. Bovendien hebben water- en oeverplanten in deze periode zaad gezet. De maand oktober is tevens de minst kwetsbare periode voor vissen zoals bijvoorbeeld de kleine modderkruiper. De watertemperatuur dient niet hoger te zijn dan 20 graden Celsius en niet lager dan 4 graden Celsius. De luchttemperatuur moet boven het vriespunt liggen en er mag geen ijs aanwezig zijn in de watergangen. Bij het dempen van de watergangen wordt indien nodig de waterstand verlaagd tot circa 20 cm. Dit kan worden toegepast door bijvoorbeeld gebruik te maken van dammen en het wegpompen van water. De in de watergang aanwezige vissen en amfibieën worden door een deskundige weggevangen met behulp van elektrische visapparatuur of schepnet en verplaatst naar een geschikt water in de nabije omgeving.
Het water wordt zo snel mogelijk na het wegvangen gedempt. Bij het dempen van een deel van de watergangen kan een tijdelijke dam worden geplaatst. Na de dieren te hebben weggevangen kan de definitieve dam aangelegd worden. Zolang de zorgplicht wordt nageleefd, zijn er derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot de overige amfibieën, reptielen en vissen. Ongewervelden/ overige soorten Vaste verblijfplaatsen of exemplaren van Habitatrichtlijnsoorten of van nationaal beschermde soorten zijn
48
od205 | bestemmingsplan Achter Vrouwgelenweg 80
niet aangetroffen. Er zijn derhalve geen negatieve effecten te verwachten met betrekking tot deze soortgroepen.
4.9.4
Zorgplicht
Voor alle soorten geldt een zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan deze soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De kwetsbare perioden zijn niet voor alle verschillende soortgroepen gelijk. Als 'veilige' periode voor alle groepen geldt in het algemeen de periode van half oktober tot eind november, de periode waarin de voortplantingstijd achter de rug is en dieren als de egel en amfibieën nog niet in winterslaap zijn. Bovendien zijn de houtduiven uit het laatste legsel dan ook uitgevlogen. Indien vooraf bekend is dat werkzaamheden moeten worden uitgevoerd binnen de kwetsbare perioden van de betreffende soorten, is het zaak ervoor te zorgen dat het gebied tegen die tijd ongeschikt is als leefgebied voor die soorten. Zo kunnen bijvoorbeeld struiken gedurende het groeiseizoen kort gesnoeid worden, zodat er geen vogels gaan broeden. Indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden beschermde soorten worden waargenomen dienen maatregelen te worden genomen om schade aan deze individuen zo veel mogelijk te beperken (bijvoorbeeld wegvangen en verplaatsen).
4.9.5
Conclusie
In onderstaande vier punten wordt de conclusie weergegeven: de omschreven werkwijzen met betrekking tot zowel de zorgplicht als ten aanzien van vogels, vissen, amfibieën en reptielen dienen in acht te worden genomen zodat een overtreding van de natuurwetgeving wordt voorkomen; nader onderzoek naar vleermuizen heeft aangetoond dat er geen strijdigheden zijn voor de natuurwetgeving ten aanzien van de vleermuizen; nader onderzoek naar de alpenwatersalamander heeft aangetoond dat er geen salamanders zijn aangetrodden in het plangebied; voor algemeen voorkomende soorten geldt een algemene vrijstelling als het ruimtelijke ingrepen betreft. Nader onderzoek: In juni 2018 zijn twee bezoeken aan de Vrouwgelenweg 80 te Hendrik Ido Ambacht gebracht om vast te stellen of de alpenwatersalamander aldaar voorkomt. De salamander is er niet aangetroffen. In juni en juli 2018 zijn twee bezoeken aan de genoemde lokatie gebracht om te vast te stellen of er kraam- of zomerverblijven van vleermuizen zijn. Deze zijn er niet aangetroffen. Er zullen nog twee bezoeken aan de genoemde lokatie gebracht worden om te kijken of er paarverblijfplaatsen van vleermuizen zijn. Deze bezoeken zullen conform het vleermuisprotocol worden afgelegd tussen 15 augustus en 1 oktober.
Dit alles conform de adviezen omrent het vervolgonderzoek die in de 'Quickscan Flora en Fauna Vrouwgelenweg 80 Hendrik Ido Ambacht' opgesteld door Tritium Advies BV gegeven zijn. Conclusies vleermuisonderzoek In het plangebied komen drie soorten vleermuizen voor: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger. Al deze soorten gebruiken het plangebied als foerageergebied. Van deze soorten is de gewone dwergvleermuis veruit het algemeenst. Ook de laatvlieger was in de kraamperiode geregeld in het onderzoeksgebied te zien en te horen. Van de ruige dwergvleermuis zijn twee exemplaren waargenomen tijdens het tweede bezoek in de paarperiode. Tijdens het onderzoek naar zomer-, kraamen vaste paarverblijfplaatsen in het plangebied zijn er geen verblijfplaatsen of aanwijzingen voor verblijfplaatsen gevonden. Omdat het aantal mogelijkheden voor vaste verblijfplaatsen in het plangebied erg klein is (Paulusse 2018), kan men ervan uitgaan dat deze daadwerkelijk niet in het plangebied aanwezig zijn. Er zijn hier dus geen strijdigheden met de natuurwetgeving.
49
gemeente Hendrik-Ido-Ambacht
Conclusies onderzoek Alpenwatersalamander Er zijn geen salamanders aangetroffen in het plangebied, nog andere soorten amfibiee?n of vissen. Er zijn ook hier geen strijdigheden met de natuurwetgeving.
4.10
Archeologie
4.10.1 Inleiding Transect heeft in april 2018 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in het plangebied achter de Vrouwgelenweg 80 (zie Bijlage 7). De aanleiding voor het onderzoek is de bestemmingsplanwijziging en toekomstige aanvragen van omgevingsvergunningen die de realisatie van een drietal woningen in het plangebied mogelijk moeten maken. Bij de voorgenomen werkzaamheden zal grondverzet plaatsvinden, waardoor de oorspronkelijke bodem en daarmee eventueel aanwezige archeologische resten in het gebied kunnen worden verstoord. In het plangebied geldt in het vigerende bestemmingsplan een dubbelbestemming Waarde Archeologie. Een archeologisch onderzoek is verplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 2.500 m2.en dieper dan 50 cm. Dit betekent dat gezien de omvang van de voorgenomen bodemingrepen archeologisch vooronderzoek nodig is.
4.10.2 Het vooronderzoek Op basis van het vooronderzoek is vastgesteld dat het plangebied een lage verwachting heeft op de aanwezigheid van archeologische resten uit de periode Neolithicum-Nieuwe tijd. In de ondergrond van het plangebied zijn zoetwater-getijde-afzettingen aanwezig, die overeenkomen met de door Coppens (2012a) gekarteerde crevasse ten noordoosten van het plangebied. Op basis van het bureauonderzoek heeft de top van deze afzettingen een middelhoge archeologische verwachting. Op basis van de resultaten van het veldonderzoek is echter vastgesteld dat de top ongerijpt is en er geen sporen van bodemvorming in de klei aanwezig zijn. De landschappelijke omstandigheden moeten in ieder geval nat geweest zijn. De vraag is zodoende in hoeverre deze afzettingen daadwerkelijk bewoonbaar zijn geweest. Op basis van de resultaten van het veldonderzoek in combinatie met het ontbreken van vindplaatsen tijdens de eerdere onderzoeken in en de omgeving van het plangebied op dit niveau, wordt voorgesteld de archeologische verwachting hier naar laag bij te stellen. De top van het veen is op een aantal plaatsen niet meer intact (als gevolg van erosie) en veraarde of sterk verteerde trajecten – die op relatief drogere omstandigheden wijzen, ontbreken. Ook binnen het veen zijn geen aanwijzingen voor relevante bodemniveaus waargenomen.
Zodoende is de archeologische verwachting op resten uit de periode IJzertijd-Vroege Middeleeuwen laag. Wat betreft de overige perioden is de verwachting binnen het onderzochte (diepte-)traject laag op basis van het bureauonderzoek. Er zijn aan het maaiveld hoofdzakelijk komafzettingen en afgetopte slappe, crevasseafzettingen gevonden, die begraven liggen onder een pakket overslagsediment als resultaat van de overstroming van de Zwijndrechtse Waard in 1315. Waarschijnlijk is ook een deel van het sediment tijdens de doorbraak verdwenen.
4.10.3 Advies Het plangebied heeft een lage archeologische verwachting. Op grond hiervan zijn ten aanzien van de realisatie van de nieuwe woningen geen aanvullende maatregelen noodzakelijk voor wat betreft het behoud van archeologische waarden. Wel geldt als er tijdens de graafwerkzaamheden toch zaken aan het licht komen, deze op grond van de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10, bij de gemeente dienen te worden gemeld.
50
od205 | bestemmingsplan Achter Vrouwgelenweg 80
4.10.4 Conclusie De locatie 'Achter Vrouwgelenweg 80' zou, op grond van de gemeentelijke archeologische beleidskaart, in dit bestemmingsplan in zijn geheel de dubbelbestemming ‘Waarde – archeologie' moeten krijgen. Deze bestemming wordt echter achterwege gelaten op grond van bovenstaand advies.
51
gemeente Hendrik-Ido-Ambacht
52
od205 | bestemmingsplan Achter Vrouwgelenweg 80
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische toelichting
Juridische planopzet
Het digitale bestemmingsplan ‘Achter Vrouwgelenweg 80’ is de verzameling geometrisch bepaalde planobjecten die is vervat in een GML-bestand (GML-bestand NL.IMRO.0531.bp34Vrouwgelenw80-3001) met bijbehorende regels. Dit bestemmingsplan is via elektronische weg uitwisselbaar en raadpleegbaar. Het geeft de bestemming en de bebouwingsmogelijkheden van de gronden aan. Het digitale bestemmingsplan 'Achter Vrouwgelenweg 80' treedt in de plaats van het bestemmingsplan 'De Volgerlanden-Oost' (uiteraard slechts binnen de grenzen van het plangebied 'Achter Vrouwgelenweg 80').
Regels In artikel 1 is een aantal begrippen opgenomen dat voorkomt in de regels van het plan, ter verduidelijking van hun betekenis en ter voorkoming van misverstanden. In artikel 2 wordt de wijze van meten toegelicht. Hierbij wordt uitleg gegeven van diverse begrippen die te maken hebben met het (eenduidig) bepalen van meetpunten, afstanden en oppervlakten. In artikel 3 zijn de regels voor de bestemming 'Woongebied' opgenomen. De bestemming 'Woongebied' is toegedeeld aan het hele plangebied, omdat dit voor een nog verder te ontwikkelen bouwplan als de juiste (flexibiliteit biedende) bestemming wordt gezien. Op de grond met de bestemming ‘Woongebied’ is voorzien in ruimte voor in ieder geval zes wezenlijke onderdelen van deze woonontwikkeling: 1. bouwvlakken voor de woningen; 2. grond met de aanduiding 'specifieke vorm van woongebied - ontsluiting en tuin' voor zowel de ontsluitingsweg van het woongebiedje als voor voortuinen (groenstroken, water en dergelijke passen ook onder deze aanduiding); 3. grond met de aanduiding 'erf' voor de gebieden bij de woningen die buiten het bouwvlak vallen en die ook niet vallen onder het aanduidingsvlak 'specifieke vorm van woongebied - ontsluiting en tuin'; 4.
water dat op grond van de wateropgave moet worden gerealiseerd in dit plangebied (de aanduiding 'overige zone - voorwaardelijke verplichting' ligt over het hele plangebied en maakt deel uit van een regeling die de ontwikkelaar(s) verplicht om voldoende open water te realiseren); 5. voorgeveloriëntatie met de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - voorgeveloriëntatie' om zo te regelen waar de voorgevel van een gebouw zich op moet richten; 6. hekwerken uitgesloten. Een vlak met de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - hekwerken uitgesloten' is opgenomen om te regelen waar de weg openbaar toegankelijk moet blijven voor bezoekers. De woningen hebben een maximale oppervlakte die min of meer is bepaald door de oppervlakten die zijn getekend in het bouwplan. Dat bouwplan fungeert, sterk vereenvoudigd, als de ruimtelijke opzet van dit bestemmingsplan. Zie voor de schets van die ruimtelijke opzet: in paragraaf 3.3.6. In het geval van de twee woningen op het westelijke woonperceel en het noordoostelijke woonperceel is hier een uitbreidingsmogelijkheid van maximaal 20% aan toegevoegd. Deze uitbreidingsmogelijkheid is al verdisconteerd in de 'maximum oppervlakte hoofdgebouw' (210 m2) die voor beide woningen is gegeven. In het geval van de woning op het zuidoostelijke woonperceel is de 'maximum oppervlakte hoofdgebouw' bepaald op 270 m2.
Het zich ontwikkelende bouwplan voor dit bijzondere woonperceel heeft behoefte aan een dergelijke grote omvang. Zie ook de ruimtelijke, in paragraaf 3.3.6, voor een uitleg waarom. De maximaal per bouwvlak toegestane oppervlakten van de hoofdgebouwen zijn dus met een aanduiding 'maximum bebouwd oppervlak' in het bouwvlak aangegeven. De maximale goot- en bouwhoogte van de bebouwing die gerealiseerd mag worden, is in de regels
53
gemeente Hendrik-Ido-Ambacht
opgenomen. De bijgebouwenregeling volgt de wettelijke regeling van het vergunningvrij bouwen volgens artikel 2 en 3 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). De bijgebouwenregeling voor het veel grotere, zuidoostelijke, perceel wijkt daar weer van af. Dat is een maatwerkregeling, waarbij maximaal 310 m2 aan bijgebouwen wordt toegestaan. In artikel 5 zijn de regels voor de dubbelbestemming 'Waarde - Waterstaat' opgenomen. Deze dubbelbestemming dient ter bescherming van de waterkering. Artikel 6 bevat de antidubbeltelbepaling. Deze is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meegeteld mag worden bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 7 bevat de algemene bouwregels. Hierin zijn algemene bepalingen opgenomen ten aanzien van bestaande maatvoeringen en (beperkte) overschrijdingen van bouwgrenzen. Daarnaast is een regeling voor ondergronds bouwen opgenomen. Artikel 8 bevat de algemene afwijkingsregels. Deze geven aan het bevoegd gezag de mogelijkheid om bij een omgevingsvergunning af te wijken van de regels ten behoeve van niet-ingrijpende bouw- en aanlegactiviteiten. Artikel 9 bevat de algemene wijzigingsregels.
Deze geven aan B&W de mogelijkheid om het bestemmingsplan te wijzigen waar het gaat om beperkte overschrijdingen of verschuivingen van bestemmingsgrenzen ten behoeve van onder meer de (technisch) betere realisatie van projecten of de correctie van bepaalde afwijkingen. Artikel 10 bevat overige regels, waaronder de parkeernormen. Artikel 11 bevat de wettelijk voorgeschreven, in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) opgenomen, overgangsregels. Deze hebben betrekking op het overgangsrecht zoals dat geldt voor bouwwerken en zoals dat geldt voor het gebruik. Dit overgangsrecht geldt vanaf de inwerkingtreding van het bestemmingsplan. Artikel 12 ten slotte bevat de citeertitel van het bestemmingsplan. Verbeelding In de verbeelding (plankaart) zijn voor de gronden in het plangebied passende bestemmingen opgenomen, conform de in de regels gehanteerde indeling. Daarnaast zijn door middel van dubbelbestemmingen zones weergegeven waarbinnen bijzondere beschermingsregelingen gelden (voor waterstaatkundige werken, in dit geval). De aanduidingen ten slotte geven, daar waar noodzakelijk, een specifieke bepaling per (bouw)perceel weer. In de regels worden, zoals in het bovenstaande toegelicht, bestemmingen, dubbelbestemmingen en aanduidingen van een juridische bepaling voorzien.
5.2
Algemeen
In artikel 1.2.5 van het Besluit ruimtelijke ordening (een Algemene maatregel van bestuur die hoort bij de Wet ruimtelijke ordening) is onder meer bepaald dat bestemmingsplannen digitaal beschikbaar gesteld dienen te worden. Toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) is daarbij verplicht.
54
od205 | bestemmingsplan Achter Vrouwgelenweg 80
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Bij het opstellen van een bestemmingsplan dient de financiële haalbaarheid van het plan aangetoond te worden. Hiermee wordt voorkomen dat een bestemmingsplanregeling in werking treedt die niet realistisch blijkt te zijn. Op grond van artikel 6.12, lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) moet voor een bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld indien er sprake is van een 'bouwplan'. Artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) beschrijft wat een 'bouwplan' is. De raad kan bij een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan, besluiten geen exploitatieplan vast te stellen, wanneer: het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd is (art. 6.12 Wro); er geen kosten te verhalen zijn (art 6.2.1a Bro). Dit wettelijk stelsel van kostenverhaal is erop gericht de gemeente de kosten te laten verhalen zij maakt ten gevolge van een bouwplan. Indien de gemeente geen kosten maakt, is er geen grond tot kostenverhaal. Voorliggend bestemmingsplan omvat een ontwikkeling, een 'bouwplan', waarbij voor de gemeente kostenverhaal aan de orde is. Voor de ontwikkeling op het perceel Achter Vrouwgelenweg 80 wordt een anterieure overeenkomst over grondexploitatie gesloten met de initiatiefnemer. Wettelijk is bepaald dat in dat geval een exploitatieplan niet noodzakelijk is (het kostenverhaal is 'anderszins verzekerd').
Het plan wordt economisch uitvoerbaar geacht.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Draagvlakmeting en overleg Het voroontwerpbestemmingsplan heeft ter inzage gelegen vanaf 11 oktober 2018, waarna het gedurende zes werken voor een ieder mogelijk was om een inspraakreactie in te dienen. Daaruit zijn twee reacties binnengekomen, (zie Bijlage 8). Daarnaast wordt in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening het ontwerp van dit bestemmingsplan toegezonden aan de overlegpartners, voor zover deze relevante belangen hebben bij de inhoud van dit bestemmingsplan. Tijdens de voorbereiding van het ontwerpbestemmingsplan is door de initiatiefnemer een draagvlakpeiling uitgevoerd in de omgeving. De reacties uit de draagvlakmeting hebben niet geleid tot aanpassingen in het ontwerpbestemmingsplan. Terinzagelegging van het ontwerp Het ontwerp van bestemmingsplan 'Achter Vrouwgelenweg 80' wordt vervolgens overeenkomstig artikel 3.8 Wro gedurende zes weken ter inzage gelegd ten behoeve van het indienen van zienswijzen. In deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld om mondeling of schriftelijk te reageren op de inhoud van het ontwerp van dit bestemmingsplan. De zienswijzen kunnen leiden tot aanpassingen / wijzigingen aan het vast te stellen bestemmingsplan.
55