CConstaterende datHendrik-Ido-Ambacht
Koppel je AI →
Document · PDF

20220501 Scriptie R.J.B. van Adrichem

commissie ABA-Financiën openbaar 22 februari 2023, gemeente Hendrik-Ido-AmbachtBij agendapunt: Stand van zaken Openbare orde en veiligheid waarin opgenomen ook afstudeerrapport kwalitatief en kwantitatief onderzoek naar preventieve maatregelen hangjongerenoverlast27.958 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Kwalitatief en kwantitatief onderzoek naar preventieve maatregelen hangjongerenoverlast

2022

Ruben van Adrichem Scriptie Integrale Veiligheid - Criminologie 1-5-2022

Scriptie R.J.B. van Adrichem Welke preventieve maatregelen kan de gemeente Hendrik-IdoAmbacht hanteren om jeugdoverlast te verminderen?

Studentnaam

Ruben van Adrichem

Studentnummer

994882319

Opleidingscode

7772

Opleiding

Integrale Veiligheid – Criminologie

Datum van vervaardiging

01-05-2022

Plaats

Hendrik-Ido-Ambacht

Opdrachtgever

De gemeente Hendrik-Ido-Ambacht

Hogeschool

NTI

1

Voorwoord Beste Lezer, Voor u ligt mijn afstudeeronderzoek voor de bachelor Integrale Veiligheid aan de hogeschool NTI. Ik heb gekozen voor de minor Criminologie omdat deze in combinatie met de affiniteit naar de ontwikkeling van jongeren, goed aansloot bij mij interesses. Voor de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht heb ik in het verlengde hiervan onderzoek mogen doen. Dit afstudeeronderzoek gaat over preventieve maatregelen om jongerenoverlast te voorkomen. Tijdens het onderzoek ben ik regelmatig in de verleiding gekomen het onderzoek verder uit te breiden. Een belangrijke stap is dan ook de structurering en afbakening geweest. Ik weet mij te beperken tot een krachtige kern die de primaire vraagstukken en onderwerpen weergeeft. Dit onderzoek draagt bij aan het reveleren van wat er speelt bij jongeren, bewoners en partners van het integrale netwerk, met als doel deze partijen inzicht te geven en mogelijkheden te bieden om jongerenoverlast verder te verminderen. Ondanks dat het onderzoek gericht is op het Sophiapark kan een overgroot deel van de inhoud toegepast worden op andere locaties waar overlast ervaren wordt. Ik heb een erg leerzame periode gehad waarbij ik de begeleiding van mijn opdrachtgever vanuit de gemeente Henrik-Ido-Ambacht niet had willen missen.

Ik wil Chantal Jurado dan ook bedanken voor haar tussentijdse feedback, haar kritische blik en alle informatie die ze gevraagd en ongevraagd met mij gedeeld heeft gedurende het onderzoek. Daarnaast ook mijn dank aan scriptiebegeleidster Annemieke Beukelman, die mij op het juiste spoor gezet en gehouden heeft. Ook mijn vrouw heeft een grote rol gespeeld bij de totstandkoming van mijn scriptie. Mariska heeft mij regelmatig ontzorgt zodat ik tijd kon maken voor mijn scriptie. Daarnaast heeft zij veel tijd en aandacht besteed aan het helpen vormgeven en structuren van het onderzoek. Tot slot wil ik alle respondenten bedanken die meegewerkt hebben aan het onderzoek. Zonder hun medewerking had ik dit onderzoek niet kunnen voltooien. Ruben van Adrichem Hendrik-Ido-Ambacht, 1 mei 2022

2

Samenvatting Jongerenoverlast is van alle tijden, echter lijkt het in Hendrik-Ido-Ambacht de laatste jaren te zijn toegenomen. Waar al met regelmaat wordt in gezet op preventieve en repressieve maatregelen verklaart dit onderzoek, in opdracht van de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht, aanvullende preventieve maatregelen. Er wordt ingezoomd op het Sophiapark, een locatie in de gemeente die veel aandacht trekt vanwege de centrale ligging, sporthal, voetbalveld, winkels, woningen, scholen en kinderopvang. Kortom een locatie waar de samenleving uit de gemeente elkaar treft. Helaas gaat dit soms ook gepaard met overlast veroorzaakt door jongeren. Van groot belang in het onderzoek is het betrekken van alle integrale partners. Daarnaast spelen volgens de literatuur, belangen van omwonende en de jongeren ook een grote rol. Uit de literatuur blijkt dat het bevorderen van pro-sociaal gedrag, het voorzien in voldoende activiteiten en faciliteiten die aansluiten bij de wensen van de jongeren, overlast kan verminderen. Wanneer het integrale netwerk goed op elkaar afgestemd is zou dit eveneens kunnen bijdragen aan het verminderen van jongerenoverlast. Middels kwantitatief onderzoek worden jongeren en bewoners bevraagd naar hun mening over de gemeente en jongerenwerk, de overlast van hangjongeren, het aanbod aan activiteiten en faciliteiten en hun eigen wensen en behoeftes.

Met behulp van enquêtes geven 30 jongeren hun mening en stuurt meer dan 50% van de bewoners een ingevulde enquête retour. Een veelbelovende respons binnen het onderzoek wat het belang en de betrouwbaarheid misschien nog wel meer onderstreept. Door het toepassen van kwalitatief onderzoek zijn verschillende partners van het integrale netwerk geïnterviewd over de maatregelen van de gemeente, activiteiten en faciliteiten en de samenwerking binnen het integrale netwerk. Zorgvuldig zijn de primaire partners gekozen en verzocht mee te werken aan een interview naar jongerenoverlast. Op deze wijze is veel data verzameld en kan met zekerheid geconcludeerd worden dat er veel goed gaat, maar er ook zeker ruimte voor verbetering is. Uit de onderzoeken blijkt dat niet alle jongeren goed op de hoogte zijn van de activiteiten en faciliteiten binnen de gemeente. Daarnaast geven veel jongeren aan dat deze niet goed aansluiten bij de behoeftes. Een groot deel van het Integrale netwerk bevestigt dit en benadrukt daarbij dat de personele onderbezetting en de beschikking over voldoende en juiste middelen een negatieve invloed hebben.

Ook blijkt dat er onnodig veel spanning aanwezig is bij omwonenden, door meer aandacht te besteden aan de omgeving, het verbeteren van de perceptie en stimuleren van pro-sociaal gedrag (bij zowel jongeren als omwonenden) is het aannemelijk dat ook de (gemelde) overlast vermindert. Geconcludeerd kan worden dat de gemeente over het algemeen goed weet in te steken op preventieve maatregelen tegen jongerenoverlast. Wel is er nog wat winst te behalen. Vanuit het Integrale netwerk is de wil er en zijn preventieve oplossingen voorhanden, echter gaat dit gemoeid met de nodige personele en materiele behoeftes. Jongerenwerk heeft de tijd nodig het nieuwe team tot stand te brengen, zich weer te versterken binnen het netwerk en de relatie met buurgemeente Zwijndrecht te verbreden om zicht en contact te houden met de jongeren. Politie en BOA kunnen nog een stap zetten in het verhogen van het kennisniveau door de nodige opleidingen of cursussen te volgen die betrekking hebben op jongeren (en het puberbrein). Wel moeten zij hier de tijd voor krijgen. De rol van de straatcoaches en Hi5Ambacht lijkt helder en goed georganiseerd. Tot slot komt de inzet van vrijwilligers, lokale ondernemers en de jeugdBOA ter sprake.

De inzet van deze ogenschijnlijke nog niet eerder ingezette “partners” binnen het netwerk, lijkt in de ogen van het overgrote deel van het huidige netwerk een positieve bijdrage te kunnen leveren.

3

Inhoudsopgave 1.

2.

3.

4.

Inleiding ............................................................................................................................................ 6 1.1

Omgeving ................................................................................................................................ 6

1.2

Overlast gevende jongeren ..................................................................................................... 7

1.3

Doel van het onderzoek en centrale vraag .............................................................................. 7

1.4

Deelvragen .............................................................................................................................. 8

Literatuuronderzoek ......................................................................................................................... 9 2.1

Hangjongeren .......................................................................................................................... 9

2.1.1

Ontwikkeling ............................................................................................................................ 9

2.1.2

Problematische jeugdgroepen ............................................................................................... 10

2.1.3

Afbakening van de literatuur .................................................................................................. 10

2.2

De omgeving.......................................................................................................................... 10

2.2.1

Bewoners en ouders .............................................................................................................. 10

2.2.2

Beïnvloeding en bevorderen van pro-sociaal gedrag ............................................................ 11

2.3

De rol van de Gemeente ....................................................................................................... 13

2.3.1

Bestuursmaatregelen ............................................................................................................ 13

2.3.2

Wat heeft de gemeente te bieden ......................................................................................... 13

2.3.3

Integrale aanpak .................................................................................................................... 14

2.4

Externe hulp........................................................................................................................... 15

2.4.1

Frontlijnwerkers ..................................................................................................................... 15

2.4.2

Politie en BOA’s ..................................................................................................................... 15

2.5

Afsluiting ................................................................................................................................ 16

Methoden van Onderzoek .............................................................................................................. 17 3.1

Doel van het onderzoek ......................................................................................................... 17

3.2

Methoden van onderzoek ...................................................................................................... 17

3.2.1

Literatuuronderzoek (deelvraag 1 & 2) .................................................................................. 17

3.2.2

Kwantitatief onderzoek jongeren (deelvraag 3) ..................................................................... 17

3.2.3

Kwantitatief onderzoek bewoners .......................................................................................... 17

3.2.4

Kwalitatief onderzoek Integrale netwerk (deelvraag 4) ......................................................... 18

3.3

Meetinstrumenten kwantitatief en kwalitatief onderzoek ....................................................... 18

3.3.1

Betrouwbaarheid en validiteit ................................................................................................ 18

3.4

Populatie, steekproef en dataverzameling ............................................................................ 18

3.4.1

Literatuuronderzoek ............................................................................................................... 18

3.4.2

Kwantitatief onderzoek: enquête jongeren ............................................................................ 19

3.4.3

Kwantitatief onderzoek: enquête bewoners .......................................................................... 19

3.4.4

Kwalitatief onderzoek: interviews integrale netwerk .............................................................. 20

3.5

Analyse van de data .............................................................................................................. 20

Resultaten ...................................................................................................................................... 21 4

5.

4.1

Resultaten kwantitatief onderzoek: enquête jongeren .......................................................... 21

4.1.1

Algemeen ............................................................................................................................... 21

4.1.2

Vrije tijd .................................................................................................................................. 21

4.1.3

Activiteiten en faciliteiten ....................................................................................................... 21

4.1.4

Invloed via school .................................................................................................................. 22

4.1.5

Overlast ................................................................................................................................. 22

4.2

Resultaten kwantitatief onderzoek: enquête bewoners ......................................................... 22

4.2.1

Algemeen ............................................................................................................................... 22

4.2.2

Overlast ................................................................................................................................. 22

4.2.3

Oorzaak en oplossing ............................................................................................................ 22

4.2.4

Weten en willen ..................................................................................................................... 23

4.3

Resultaten kwalitatief onderzoek: interviews integrale netwerk ............................................ 23

4.3.1

Algemeen ............................................................................................................................... 23

4.3.2

Intro Problematiek hangjongerenoverlast .............................................................................. 23

4.3.3

Beïnvloeding via middelbare scholen en ouders ................................................................... 23

4.3.4

Bestuursmaatregelen – De gemeente ................................................................................... 24

4.3.5

Activiteiten & faciliteiten ......................................................................................................... 24

4.3.6

Het integrale netwerk ............................................................................................................. 25

4.3.7

Externe en interne samenwerking ......................................................................................... 26

4.3.8

Uitbreiding van het netwerk? ................................................................................................. 27

Conclusies en aanbevelingen ........................................................................................................ 28 5.1

Investeren in relatie met de omgeving .................................................................................. 28

5.2

Repressie bestendigen, preventie uitbreiden ........................................................................ 28

5.3

Activeren van faciliteiten en faciliteren van activiteiten ......................................................... 29

5.4

Netwerk in evenwicht en samenwerking versterken ............................................................. 30

Discussie ............................................................................................................................................... 32 Literatuur................................................................................................................................................ 33 Bijlagen .................................................................................................................................................. 35 Bijlage 1: Overzicht integrale netwerk ............................................................................................... 35 Bijlage 2: Zwijndrecht, Ambacht en Sophiapark ................................................................................ 36 Bijlage 3: Indeling Sophiapark ........................................................................................................... 37 Bijlage 4: Vragenlijst jongeren ........................................................................................................... 38 Bijlage 5: Vragenlijst bewoners .......................................................................................................... 42 Bijlage 6: Foto’s van verspreiden enquête bewoners ........................................................................

45 Bijlage 7: Basisvragen interviews integrale netwerk .......................................................................... 46 Bijlage 8: Basisvragen interviews jongerenwerkers Zwijndrecht en Gemeente Zwijndrecht ............ 47 Bijlage 9: Plan van aanpak ................................................................................................................ 48

5

1. Inleiding Overlast door jongeren lijkt het afgelopen jaar toegenomen te zijn. Dit is zorgwekkend voor de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht (verder als Ambacht) omdat dit veel onrust veroorzaakt. De problemen die zich voordoen zijn voornamelijk in het Sophiapark, en betreft jongeren van zowel de gemeente Ambacht als de gemeente Zwijndrecht, waarbij de overlast varieert. Ondanks dat COVID19 en de avondklok deze problematiek het afgelopen jaar mogelijk heeft versterkt, zag men voor de COVID-19 pandemie ook eenzelfde overlast op dezelfde locatie(s). Ook is Ambacht de laatste jaren sterk gegroeid. In 2010 telde Ambacht nog zo’n 27.500 inwoners, terwijl dit er in 2020 ruim 31.000 zijn geworden (Gemeente Hendrik-Ido-Ambacht, 2020).

1.1 Omgeving Ambacht is een gemeente in de Nederlandse provincie Zuid-Holland. De gemeente grenst aan de gemeentes Alblasserdam, Zwijndrecht, Papendrecht en Ridderkerk (zie afbeelding 1). Van oorsprong is Ambacht een dorp, maar door de snelle bouw van nieuwe wijken, trekt dit veel mensen van buitenaf aan. Zo wordt Ambacht ook wel een dorp met stadstrekken genoemd. Aan de zuidzijde van Ambacht grenst Zwijndrecht. De gemeentes gaan hier naadloos in elkaar over, in tegenstelling tot de andere gemeentes. Vanaf die grens is het ongeveer één kilometer richting het noorden naar het centrumgebied Hoogambacht. Met daar de Sophiapromenade en het Sophiapark. Dit Sophiapark is een locatie om mensen te verbinden en alle voorzieningen samen te brengen. Zo zijn hier supermarkten, scholen, ouderenzorg, kinderopvang, ruimte om te recreëren, op zaterdag een markt en mogelijkheden om te winkelen (zie ook bijlage 2). Daarnaast kent Ambacht geen middelbare scholen. Ooit is er besloten met de gemeente Zwijndrecht om alle middelbare scholen in Zwijndrecht te plaatsen. Vele jongeren uit Ambacht gaan naar school in de gemeente Zwijndrecht. Ondanks dat de twee gemeentes al naadloos in elkaar overgaan, zorgt ook deze vermenging van scholieren dat er geen grenzen tussen de gemeentes bestaan. De hedendaagse digitalisering doet hier nog een schepje bovenop.

Via een appje/berichtje is men al snel met elkaar in contact.

Afbeelding 1: De gemeente Ambacht met omliggende gemeentes

In beide gemeentes doen zich echter ook de nodige problemen voor. De jongerenoverlast speelt al jaren een rol. Naast het Louwersplein (een ander klein centrumgebied in Ambacht) ondervindt de gemeente Ambacht vooral problemen omtrent jongerenoverlast in het eerdergenoemde Sophiapark en Sophiapromenade, ook wel centrumgebied Hoogambacht (Gemeente Hendrik-Ido-Ambacht, 2020). Zwijndrecht kent ook problemen met jeugdoverlast, dit speelt zich vooral rondom winkelcentrum Noord af (zie bijlage 2). Een centrum dat dicht tegen Ambacht aan ligt. Doordat beide gemeentes op hun beurt samenscholingsverboden invoeren lijkt het op duw- en trekwerk met de overlast gevende jongeren tussen de verschillende gebieden. De overlast in Ambacht gaat met ups en downs. Het gaat een periode goed en dan weer mis. Deze golfbewegingen lijken te maken te hebben met de verschillende groepen jeugd, maar ook de weersomstandigheden en de aanpak van politie. Het is iets dynamisch wat de laatste twee jaar heftiger en grilliger lijkt te worden. In november 2020 bereikt dit zijn limiet. Door schade van ruim 100.000 euro rondom het Sophiapark (Gemeente Hendrik-IdoAmbacht, 2020). Ook de burgemeester (Jan Heijkoop) geeft op RTV Rijnmond aan dat het ‘de spuitgaten uitloopt’ (RTV Rijnmond, 2020).

6

1.2 Overlast gevende jongeren Er werd in 2020 precies 389 keer melding gemaakt van overlast van jongeren in de gemeente Ambacht, ruim 50% meer dan het 5-jarig gemiddelde van de jaren ervoor (Gemeente Hendrik-Ido-Ambacht, 2020). Het overgrote deel van de overlast ervaart men rondom het Sophiapark (zie afbeelding 2). De overlast varieert van vandalisme (papiercontainers in brand steken), vuurwerk, vervuiling en (geluids-) overlast (eieren tegen ramen gooien) tot aan het intimideren en bedreigen van omstanders en wordt veroorzaakt door bepaalde groepen/individuen uit de gemeente Ambacht en Zwijndrecht. Er wonen zo’n 8900 jongeren van onder de 18 jaar in Ambacht. Alleen van deze groep, onder de 18 jaar, zijn er al 200 namen genoteerd en 119 brieven gestuurd naar ouders, omdat de jongeren zijn aangesproken of aangehouden op grond van overlast. Een kleine kern (aanstichters?) keert regelmatig terug en zorgen stelselmatig voor overlast. De samenstelling van de jongeren bestaat voor het grootste gedeelte (60%) uit minderjarigen. De jongste die ooit is aangehouden is 11, de meeste zijn rond de 13 en 14 jaar oud wat oploopt tot een jaar of 20. De oudste die ooit is aangehouden is 27 jaar. Het betreft vooral jongens, maar Afbeelding 2: Hotspots van jongerenoverlast in de gemeente Ambacht ook meisjes doen mee.

Veelal wordt de overlast geconstateerd op donderdag, vrijdag en/of zaterdag, opvallend is dat het vooral om het eind van de week gaat. Op zondag wordt er nagenoeg geen overlast ervaren en bij mooi weer wil de overlast nog wel eens verplaatsen naar het recreatiepark de Sandelingen aan de rand van Ambacht (zie bijlage1).

1.3 Doel van het onderzoek en centrale vraag De Gemeente Hendrik-Ido-Ambacht is op zoek naar (aanvullende) preventieve maatregelen voor het verminderen van jongerenoverlast. Een en ander is reeds geprobeerd maar toch denkt de gemeente dat er nog wat winst te halen valt (meer informatie over de maatregelen van de gemeente, haar partners en de samenwerking binnen het Integrale netwerk, zie het Plan van Aanpak in bijlage 9). Zijn de huidige preventieve maatregelen voldoende, moeten ze anders ingericht of gehanteerd worden, of zijn er nog andere aanvullende preventieve maatregelen die tot op heden nog niet getroffen zijn? Zijn vragen die spelen bij de gemeente Ambacht. Het doel van het onderzoek is om middels literatuur- en praktijkgericht onderzoek te achterhalen welke preventieve maatregelen er bekend zijn die de gemeente Ambacht niet of anders hanteert om jongerenoverlast te verminderen of te voorkomen. De gemeente heeft niet het idee dat het volledig voorkomen kan worden en begrijpt ook dat jongeren een plek moeten hebben voor vermaak en het onderhouden van sociale contacten. Middels het onderzoek wordt verwacht te achterhalen welke preventieve maatregelen gehanteerd worden in het buitenland, maar ook bij andere gemeentes in Nederland.

Door deze maatregelen te vergelijken met de huidige maatregelen die Ambacht hanteert, wordt verwacht dichter bij de beantwoording van de centrale vraag te komen. De centrale vraag voor het behalen van dit doel is:

Centrale vraag: Welke preventieve maatregelen kan de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht hanteren om jeugdoverlast te verminderen?

7

1.4 Deelvragen De centrale vraag is niet opzichzelfstaand. Het onderzoek wat benodigd is om hier antwoord op te geven, is verdeeld onder vier deelvragen. Door het beantwoorden van deze deelvragen, wordt een deel van de centrale vraag beantwoord. Na het samenvoegen van de uitkomsten op de deelvragen zal een antwoord en advies geformuleerd worden op de centrale vraag. Op deze wijze wordt het onderzoek gefaseerd aangepakt en krijgen de essentiële begrippen van de centrale vraag uitgebreid de aandacht. De vier deelvragen die ondersteunen om de centrale vraag te beantwoorden, zijn: 1 - Welke preventieve maatregelen zijn er in de internationale literatuur bekend omtrent de aanpak van jeugdoverlast? (Literatuuronderzoek) 2 - Welke preventieve maatregelen hanteren andere gemeentes in Nederland ter bestrijding van jeugdoverlast? (Literatuuronderzoek) 3 - Welke onvervulde behoeftes hebben overlast gevende jongeren naar eigen zeggen, die leiden tot overlast gevend gedrag? (Literatuur- en praktijkonderzoek) 4 - Op welke wijze kan er volgens verschillende partners preventief worden ingezet tegen overlast gevende jongeren? (Praktijkonderzoek)

8

2. Literatuuronderzoek In het eerste deel van dit literatuuronderzoek wordt omschreven wat hangjongerenoverlast is, waardoor dit wordt veroorzaakt en in welke groepen hangjongeren zijn in te delen. In het tweede deel van dit literatuuronderzoek wordt omschreven hoe de omgeving invloed heeft op de hangjongerenoverlast en op welke wijze. De rol van ouders en bewoners in de omgeving staat centraal. Tot slot wordt ingezoomd op het beïnvloeden en bevorderen van pro-sociaal gedrag. Deel drie van het literatuuronderzoek verdiept zich in de rol van de gemeente. Welke bestuursmaatregelen kent de gemeente en wat heeft de gemeente te bieden. Het laatste deel van dit hoofdstuk legt uit hoe het integrale netwerk in elkaar steekt en wat het belang is van goede samenwerking. Het vierde en tevens laatste deel van het literatuuronderzoek verdiept zich in de primaire externe actoren. Zowel de rol en het effect van frontlijnwerkers als die van de politie en BOA’s worden besproken.

2.1 Hangjongeren In Nederland gebruiken we de term ‘hangjongeren’ pas sinds de jaren 90, maar de ‘nozems’, ‘pleiners’ en ‘dijkers’ zorgden in de jaren 60 ook al voor overlast. Dit waren de jongeren die zich minder makkelijk de wet lieten voorschrijven en de straat gebruikten als sociaal ontmoetingspunt. Uit het zicht van ouders, rondhangen met leeftijdsgenoten en indruk maken op elkaar staat centraal tijdens deze ontwikkelfase (Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid, 2008). In Zuid-Holland (volgens het CBS de provincie waar men het meeste geconfronteerd wordt met jeugdoverlast in Nederland) geeft meer dan 36,8% van de inwoners aan dat ze ‘wel eens’ met hangjongeren zijn geconfronteerd. Binnen de provincie Zuid-Holland fluctueert dit aantal tussen ruim 45% in de gemeente Gouda en 27,6% in de gemeente Hoeksche waard. De regio Drechtsteden, waarbinnen de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht valt, scoort 36% op het geconfronteerd worden met jeugdoverlast (Centraal bureau voor Statistiek, 2020). 2.1.1

Ontwikkeling

Jongeren zijn volop in ontwikkeling, niet alleen fysiek maar ook mentaal. Het lijkt erop dat jongeren soms niet nadenken voordat ze iets doen, maar dat is zeker niet altijd het geval. Ook jongeren weten best wat de consequenties zijn van hun gedrag, echter is dit nog niet zo ver ontwikkeld als dat van volwassenen zelf. Jongeren denken wel na over hun keuzes, maar vaak niet zo lang van te voren en er wordt sneller gehandeld op het moment zelf (Haines, 2020). Zeker wanneer jongeren enthousiast of verveeld zijn wordt er minder goed nagedacht over de consequenties van keuzes. Deze zogeheten risicofactoren die van invloed zijn op jongeren hoeven volgens Haines (2020) niet per se te leiden tot crimineel gedrag, een opstapeling van risicofactoren geeft echter wel een verhoogde kans op crimineel gedrag. Risicofactoren kunnen onder andere zijn: ontbreken van een zinvolle dagbesteding, problemen met autoriteit, laag IQ, impulsiviteit, gevoelig voor snelle beloning en weinig vrees voor consequenties (Visscher, 2017). Allochtonen met een niet westerse achtergrond lopen een groter risico om probleemgedrag te ontwikkelen door de afwezigheid van voldoende kennis over de dominante cultuur waar men in leeft. Ieder kind is een individueel persoon die op zijn eigen manier ontwikkeld en waarvan de leefomstandigheden verschillen met die van een ander kind (Haines, 2020).

Daarnaast kopiëren jongeren vaak het gedrag van de mensen om zich heen. Volgens de sociale leertheorie van Bandura (1977) leert men het meest door het gedrag van anderen te observeren, zowel positief als negatief (Mason, Downward & Walpole, 2017). Ook Hirschi (sociale bindingstheorie) stelde in 1969 al dat contacten met familie, verenigingen en het betrokken zijn bij activiteiten met anderen, bijdraagt aan de sociale ontwikkeling van het individu (Mason, Downward & Walpole, 2017). Door deze sociale behoefte ontstaan ook hanggroepen, deze zijn niet altijd slecht en zeker niet te voorkomen, wel is het van belang onderscheid te maken tussen de groepen.

9

2.1.2

Problematische jeugdgroepen

Groepen hangjongeren zijn in te delen in hinderlijke jeugdgroepen, overlastgevende jeugdgroepen en criminele jeugdgroepen (van Beek, 2011). Hinderlijke jeugdgroepen zijn vaak nog goed te corrigeren en zorgen vooral voor geluidsoverlast of lichte vernielingen, deze groep maakt minimaal gebruik van alcohol en drugs. Het merendeel gaat nog naar school en enkele hebben een baantje. Overlastgevende jeugdgroepen gaan een stap verder, hier word fors gebruik gemaakt van alcohol en drugs, komen vaak in aanraking met politie en hebben een duidelijke harde kern. Tot slot zijn er ook nog de criminele jeugdgroepen. De criminele jeugdgroep kenmerkt zich door de handel in drugs en het veelvuldig gebruik ervan. De meerderheid bezit een wapen en de criminele acties leveren vaak gewin (van Beek, 2011). Uit een rapportage over problematische jeugdgroepen in Nederland blijkt dat politieregio Zuid-Holland zuid, waarin Hendrik-Ido-Ambacht en omgevende gemeentes is gelegen, voornamelijk te maken heeft met hinderlijke jeugdgroepen (111 groepen). Overlastgevende (4 groepen) en criminele jeugdgroepen (0 groepen) zijn in verhouding verwaarloosbaar (Ferweda & Ham, 2010). Het treffen van maatregelen geldt voor alle drie de groepen om te voorkomen dat hinderlijke groepen zich ontwikkelen tot overlastgevende groepen en overlastgevende groepen tot criminele groepen.

Daarnaast is het voorkomen van recidive ook van belang (Noije & Wittebrood, 2009). Jeugdoverlast en jeugdcriminaliteit (criminele groepen) staat dan ook vaak met elkaar in verbinding, echter bij overlast hoort niet altijd criminaliteit. Overlast gaat wel vaak gepaard met misdrijven en overtredingen. Uit onderzoek is gebleken dat 75 procent van jeugdcriminaliteit voortkomt uit de groep of groepsdynamische processen (Ferweda & Ham, 2010). 2.1.3

Afbakening van de literatuur

In de internationale literatuur wordt er niet vaak gesproken over ‘jongerenoverlast’ maar eerder over crimineel gedrag, dit komt onder andere omdat er geen onderscheid gemaakt wordt tussen de verschillende jeugdgroepen. In het onderzoek wat voor u ligt wordt er dan ook met enige regelmatig gesproken over ‘criminaliteit’ in plaats van overlast. Dit onderzoek richt zich daarnaast ook enkel op de ‘hinderlijke’ jeugdgroepen. De hangjongeren die zorgen voor overlast, vervuiling, vandalisme, agressie en gebrek aan aanspreekbaarheid in het openbaar. Dit onderzoek is niet gericht op jongeren die te maken hebben met uitgaansgeweld, vuurwapens, overmatig gebruik van alcohol, het gebruik van drugs of grote vormen van crimineel gedrag. Doordat overlast wel vaak gepaard gaat met misdrijven of overtredingen wordt de groep jeugdcriminaliteit niet direct uitgesloten (ook vanwege het beperkte onderscheid in de internationale literatuur). Preventieve maatregelen die toepasbaar zijn op jeugdcriminaliteit (bijvoorbeeld het beïnvloeden van de leefomstandigheden of sociale omgeving) worden dan ook in ogenschouw genomen als mogelijke aanvullende preventieve maatregelen ter voorkoming van hangjongerenoverlast.

2.2 De omgeving Het gedrag van hangjongeren heeft niet alleen effect op omstanders, maar zorgt in het grote geheel ook voor een onveiligheidsgevoel op straat. Dit gevoel gaat voor sommigen gepaard met angst (Paterson, 2013). Volgens een studie van Martineau (2006) is angst voor hangjongeren ontstaan na de ideologische ontwikkelen sinds de jaren 60. Een toenemende individualisering en persoonlijke vrijheid, de wens dat de verzorgingsstaat ook de sociale problemen oplost en de verspreiding van een geïdealiseerd beeld van esthetische woonomgevingen. Het onderzoek laat zien dat omgevingen divers reageren op de overlast van hangjongeren. De interpretaties van volwassenen op jongerenproblematiek kunnen complex, gevarieerd en tegenstrijdig zijn. Met de maatschappelijke veranderingen zijn ook de wetgeving en beleidsmaatregelen in de huidige maatschappij steeds meer een centrale plaats gaan innemen. Het reduceren van veiligheidsrisico’s omtrent hangjongeren is hier onderdeel van (Moris & Loopmans, 2015). In de loop van de tijd zijn er meer partijen betrokken geraakt die een specifieke rol spelen in de aanpak van jongerenoverlast. Omwonende en ouders spelen hierbij een grote rol. Het beïnvloeden van jongeren maar ook zeker het bevorderen van prosociaal gedrag is hierbij de sleutel tot succes.

In onderstaand hoofdstuk wordt uitgelegd hoe deze omgeving eruit ziet en hoe deze te beïnvloeden is. 2.2.1

Bewoners en ouders

Ondanks dat jongeren de aandacht trekken en hun gedrag als afwijkend en storend kan worden ervaren, lijkt het niet meer van deze tijd dat omwonenden ze op dit gedrag aanspreken (Moris & 10

Loopmans, 2015). Naast de vaak te verwachten grote mond, worden hangjongeren ook al snel als criminelen gezien. De meeste omwonende durven de jongeren niet zelf aan te spreken en schakelen de politie of gemeente in (Swam, 2017). Daarnaast is de sterke sociale controle door de individualisering van de afgelopen jaren flink afgenomen. Buurtbewoners kennen elkaar nauwelijks, een klagende bewoner of passant wordt al snel gezien als een anonieme volwassene waar geen jongere zich druk om lijkt te maken (Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid, 2008). Het versterken van de sociale relatie (tussen hangjongeren en ouders, bewoners en politie) speelt hierbij een belangrijke rol. In Arnhem, Amersfoort, Deventer en s’-Hertogenbosch laten jeugd- en wijkagenten zich bijvoorbeeld actief zien in de wijk om de sociale controle en het veiligheidsgevoel te vergroten. Daarnaast worden er activiteiten georganiseerd om jongeren en bewoners meer bij elkaar te betrekken (van Beek, 2011). De sociale cohesie tussen de bewoners en gebruikers van de wijk is van groot belang om de overlast te verminderen (Noije & Wittebrood, 2009). In de gemeente Deventer wordt benadrukt dat er vanuit de buurtbewoners tolerantie voor jongeren moet zijn om zo een open samenleving te kunnen creëren en de sociale cohesie te vergroten (van Beek, 2011).

Hiermee wordt ook het zelf oplossende vermogen tussen burgers verhoogt (Noije & Wittebrood, 2009). De gemeente Hollands Kroon heeft het over een andere boeg gegooid om meer verantwoordelijkheid van de omgeving te vragen. Als experiment, de zogeheten Compacte APV (Algemene Plaatselijke Verordening), heeft de gemeente juist meerdere regels afgeschaft. Dit zou ertoe moeten leiden dat burgers en omwonende meer zeggenschap en verantwoordelijkheid krijgen. Het aanspreken op gedrag zou meer effect hebben dan het aanspreken op basis van regels (Swam, 2017). Of burgers daadwerkelijk vaker overlastplegers aanspreken wanneer er en compactere APV is, dan een gemeente waar geen compacte APV is, is niet uit het experiment gebleken (Moris & Loopmans, 2015). Sociale cohesie en verantwoordelijkheidsgevoel bij omwonenden in een buurt kan ook toenemen wanneer activiteiten worden georganiseerd. Dit kan bijdragen aan het veiligheidsgevoel onder de buurtbewoners. Men voelt zich veiliger doordat ze zich in een sociaal netwerk begeven die zichtbaar actief is om de lokale veiligheidssituatie te verbeteren (Noije & Wittebrood, 2009). Ook opvoedingsvaardigheden, toezicht houden en het stellen van grenzen en regels zou anti sociaal aangeleerd gedrag kunnen doen afnemen (Visscher, 2017).

In het verlengde hiervan heeft JSO (expertisecentrum voor Jeugd, Samenleving en Opvoeding) het project “onwijze moeders” opgestart, waarbij moeders van probleemjeugd samenkomen met de politie. Er wordt gesproken over het gedrag en opvoeding van jongeren, het tegengaan van overlast en de gevaren van bijvoorbeeld social media (JSO, 2021). Daarnaast geeft de literatuur ook aan dat het beïnvloeden van ouder- en gezinsfactoren, door opvoedingscompetenties te bevorderen door het aanbieden van opvoedingsondersteuning of buurtouder projecten, een aanvullend positief effect heeft (van Beek, 2011). Zo worden ouders bijvoorbeeld gecoacht om hun kind alternatieven te bieden. Kinderen kunnen bijvoorbeeld worden aangemeld bij een sportvereniging of muziekles. Het stimuleren om zelf activiteiten te ondernemen, zoals samen met vrienden afspreken om naar de bioscoop te gaan, is eveneens een optie (Centrum voor jeugd en gezin, z.d.). 2.2.2

Beïnvloeding en bevorderen van pro-sociaal gedrag

Naast ouders of omwonenden heeft het hele sociale leven van een jongere invloed op het gedrag van de jongere. Dit betekent dus ook dat deze beïnvloed kan worden. Het bevorderen van pro-sociaal gedrag, beter om kunnen gaan met autoriteit, werkhouding, positieve sociale relaties en betere normen en waarden zijn interventies die aangetoond hebben invloed te hebben op gedragsveranderingen bij overlastgevende of criminele jongeren (Visscher, 2017). Zowel door ambulante begeleiding, middels individuele traject begeleiding of Halt hebben hier veel invloed op. Met een constructieve pro-sociale aanpak, is de kans het grootst de jongeren inzicht te geven in wat de consequenties zijn van de keuzes die ze maken. Jongeren ervaren een sociale ontwikkeling en kunnen soms wel een duwtje in de goede richting gebruiken (Haines, 2020). De beïnvloeding vanuit scholen (middelbare scholen) lijkt eveneens essentieel te zijn. Volgens Ashford is er een sterke correlatie tussen een laag opleidingsniveau en schoolverzuim of criminaliteit. Hij geeft aan dat het van groot belang is dat preventieorganisaties of -programma’s in nauw contact staan met onderwijsdiensten/scholen (Ashford, 2007). Dit zorgt voor de mogelijkheid om relevant beleid te beïnvloeden zodat spijbelen en overlast buiten schooltijden mogelijkerwijs gereduceerd wordt.

Of klassikale voorlichting effectief is ter preventie van overlast of criminaliteit, is niet bewezen. Het werkt hooguit normbevestigend voor jongeren die toch al weinig risico lopen (Noije & Wittebrood, 2009). Het School Adoptie Plan is zo’n voorbeeld van het beïnvloeden van jongeren via school. Wijkagenten ‘adopteren’ een basisschool waarbij ze voorlichting geven aan jongeren tussen de 10 en 13 jaar. De doelstelling van de zogeheten SAP (School Adoptie Plan) lessen is ‘kennen en gekend worden’. Het is 11

een unieke kans voor de politie om de jongeren uit de wijk te leren kennen. Naast het bijbrengen van normen, waarden en goed contact met de politie levert het ook een (niet meetbare) bijdrage aan de preventie van jongerenoverlast. Daarnaast wordt er aandacht besteed aan het matigen van alcohol door samen te werken met politie, school, horeca, winkels en ouders (Demiryürek, 2007). Volgens het rapport is de aandacht en tijd die besteed wordt, geen zinloze tijdbesteding maar doeltreffend en een investering in de toekomst. Het lijkt dus waardevol jongeren niet uit het oog te verliezen maar ze steeds te blijven begeleiden en betrekken. Ook activiteiten in de vorm van werk en sport dragen hieraan bij. Engeland en Wales steken in op verschillende programma’s om jeugdcriminaliteit te verminderen. Ondanks het verschil tussen criminaliteit en overlast komt uit onderzoeken naar voren dat het bieden van sport(programma’s) een preventieve werking lijkt te hebben op criminaliteit en/of overlast (Ashford, 2007). De sportprogramma’s die daar geboden worden, leren jongeren om te gaan met de sociale omgeving. Daarnaast krijgen ze de kans te werken aan de ontwikkeling van competenties. Dit soort preventieve ideeën lijken weerslag te hebben op de jeugd.

Het voorkomen van verveling en aandacht steken in negatieve dingen, wordt omgezet in positiviteit, ontwikkeling en vermaak (Mason, Downward & Walpole, 2017). Het onderzoek van Kelly (2012) baseert dit op drie pijlers, namelijk het aanmoedigen van zelftransformatie (ontwikkelen), het aanbieden van alternatieve activiteiten (als je sport, heb je geen tijd om rotzooi te trappen) en het beïnvloeden van de keuzes hoe er met grensoverschrijdend gedrag om gegaan dient te worden (strafrechtelijk of juist niet). Projecten gebaseerd op sportactiviteiten bieden de mogelijkheid voor jongeren om de sociale contacten te leggen. Het biedt de mogelijkheid om ook inzicht te krijgen wat het overtreden van sportregels voor consequenties heeft en dat het overtreden van regels in de maatschappij ook consequenties heeft. Een rationele benadering om te reflecteren over het eigen gedrag (Ekholm, 2013). Op deze leuke en sportieve wijze krijgen jongeren binnen een veilige omgeving de kans om te experimenteren, ook met het overtreden van regels. Het ervaren van consequenties draagt bij aan de ontwikkeling van zelfdiscipline, vooral rondom agressie en geweld (Mason, Downward & Walpole, 2017). Dat zo’n sportprogramma effect heeft op de jongerenoverlast, blijkt uit een studie van Mason, Downward en Walpole (2017), die verdeeld over Engeland en Wales 8 pilot projecten hebben gevolgd.

Een daarvan is het South Yorkshire Sport, ‘sport for change’ programma. Sportclubs of organisaties krijgen subsidies om 11-18 jarige te laten deelnemen aan activiteiten tijdens de schoolvakanties. Het doel is om anti sociaal gedrag en criminaliteit rondom de zomermaanden in South Yorkshire te verminderen (South Yorkshire, 2016). Synchroon aan dit project leken ook de cijfers van jongerenoverlast te verminderen in de zomermaanden. Of dit een causaal verband heeft wordt niet aangetoond, zo stelt ook Zweeds onderzoeker Ekholm (2013) in zijn onderzoek naar het verband tussen sportactiviteiten en ‘crime prevention’. Hij benadrukt hierin het belang van sportactiviteiten voor de ontwikkeling van jongeren die wel bij kunnen dragen aan het voorkomen van crimineel of overlastgevend gedrag. Het ontwikkelen van sociale competenties met de omgeving, het aangaan van persoonlijke relaties en het plezier van sport welke tegelijkertijd voorkomt dat narigheid uitgehaald kan worden (Ekholm, 2013). Naast sportprogramma’s vermeld de literatuur ook andere soorten programma’s die de jeugd ondersteunen in hun ontwikkeling, toekomst en kansen. Deze dragen eveneens bij aan de preventie van jongerenoverlast. Zo zijn er programma’s waarbij jeugd cursussen aangeboden wordt zodat perspectief en vertrouwen binnen de maatschappij ontstaat.

Ook op jonge leeftijd kunnen jongeren al aan hun toekomst werken is hierbij de boodschap (Ashford, 2007). Cursussen (voorbereidende cursussen voor bijvoorbeeld een specifiek beroep) zorgen er wederom voor dat jongeren kunnen ontwikkelen, van de straat zijn en werken aan hun toekomst. Project “toekomst in Den Haag” organiseert bijvoorbeeld werkgeversbijeenkomsten om jongeren aan het werk te krijgen die het via jongerenwerk niet voor elkaar krijgen aan werk te komen (door bijvoorbeeld de overvloed aan sollicitanten op een vacature) of om naar school te gaan. Het project wordt uitgevoerd door een onderneming die zich specialiseert in het ontwikkelen van netwerkbijeenkomsten genaamd ‘jongeren in de lift’ waarbij jongeren in contact komen met werkgevers en zo elkaar kunnen ontmoeten. Daarnaast leren ze zichzelf beter te uiten en te presenteren tegenover mensen die ze niet kennen (JSO, 2021). Het bieden van werk houdt hongeren van de straat. Een Haags leerwerkbedrijf heeft ‘sleutelen met jongeren’ bedacht waarbij jongeren tussen de 14 en 23 jaar al doende een vak leren. Dit is een officiële stichting waarbij de gemeente ondersteunt met subsidie. Sleutelen met jongeren zorgt voor een gevulde dagbesteding waar de jongeren ook wat kunnen leren. Daarnaast krijgen ze hulp bij de ontwikkeling van sociale vaardigheden, eigen waarde en hoe ze zich moeten presenteren (JSO, 2021).

12

2.3 De rol van de Gemeente De gemeente draagt een groot deel van de verantwoordelijkheid als het gaat om de bestrijding van hangjongerenoverlast en heeft bepaalde bevoegdheden in te zetten ter voorkoming van jongerenoverlast. Naast de bestuursmaatregelen die een burgemeester kan hanteren, heeft een gemeente ook wat te bieden aan faciliteiten. Tot slot wordt het belang benadrukt om jongeren zelf een stem te geven in wat ze nodig hebben binnen de gemeente en wordt uitgelegd op welke wijze een integrale aanpak een positief effect kan hebben bij de bestrijding van jongerenoverlast. 2.3.1

Bestuursmaatregelen

Een burgemeester moet voorzichtig zijn met het inzetten van maatregelen.Zo wil een burgemeester zich vaak niet te veel opstellen als crimefighter, want dan verliest hij het vertrouwen als burgervader (Mein, 2010). Bij vrees voor het ontstaan van ordeverstoringen kan de burgemeester ervoor kiezen gebruik te maken van zijn bevoegdheid om een samenscholingsverbod op te leggen of de bevoegdheid om de bestuurlijke ophouding uit te geven ten aanzien van groepen ordeverstoorders (Mein, 2010). Het opleggen van een samenscholingsverbod werkt vaak averechts, jongeren zorgen dan elders voor overlast of er dienen zwaardere maatregelen getroffen te worden omdat het samenscholingsverbod tot escalaties werkt (Wegwijzer jeugd en veiligheid, 2017). Het opleggen van een bestuurlijke dwangsom lijkt effectiever, door uitschrijven van hogere boetes passen jongeren hun gedrag aan en wordt de overlast minder of het stopt (Wegwijzer jeugd en veiligheid, 2017). Ook heeft de burgemeester lichte bevelsbevoegdheden in het kader van handhaven van de openbare orde. Zo kan de burgemeester een gebieds- of verblijfsontzegging of een verwijderingsbevel opleggen (Mein, 2010). Hiermee kunnen specifieke personen weggehouden worden van bepaalde locaties. Echter moet precies worden benoemd en bewezen wie verantwoordelijk is voor welk overlastgevend gedrag.

Met het toepassen van deze maatregelen is de groepsdynamiek te beïnvloeden waardoor overlast mogelijk afneemt (Wegwijzer jeugd en veiligheid, 2017). Naast het toepassen van de bovengenoemde maatregelen, heeft een gemeente ook de bevoegdheid tot het toepassen van preventief fouilleren, het opleggen van een alcoholverbod en het inzetten van beveiligingscamera’s ten behoeve van toezicht. Zo is het sinds 2002 mogelijk om vroegtijdig jongeren te identificeren en fouilleren zonder dat er een delict aan ten grondslag ligt, waarbij er naast het aantreffen en innemen van verboden wapens ook een signaal wordt gemaakt naar de samenleving (Mein, 2010). Een nadeel is dat het voor de politie lastig is onderscheid te maken tussen wie er wel of niet gefouilleerd wordt. Beschuldigd worden van discriminatie is een gevaar wat op de loer ligt (NOS, 2011). De controle op het nuttigen van alcohol in de openbare ruimte lijkt minder risicovol te zijn en makkelijker toepasbaar. Volgens de gemeente Barendrecht is veel jongerenoverlast gerelateerd aan het gebruik van alcohol en hebben om deze reden een algeheel alcoholverbod ingesteld (Demiryürek, 2007). Een alcoholverbod kan door de gemeente bepaald worden voor gebieden waar overlast wordt ervaren in combinatie met het gebruik van alcohol.

Na het uitgeven van het verbod mag er op de aangewezen locatie geen alcohol genuttigd worden en ook aangebroken flesjes en blikjes drank zijn daar dan verboden (Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid, z.d.). Tot slot hebben gemeentes sinds 2005 ook de bevoegdheid tot het plaatsen van camera’s bij openbare ruimtes ten behoeve van toezicht (Mein, 2010). Enkele nadelen die hieraan kleven zijn de hoge aanschafkosten van dergelijke systemen en wordt er inbreuk gemaakt op de privacy van eenieder die op beeld komt. De omwonende kunnen het hier niet mee eens zijn. Volgens de gemeente Assen is daarnaast de preventieve werking beperkt, het weerhoudt jongeren niet snel om overlastgevend gedrag te vertonen (Public Space Info, z.d.). Voordelen van het plaatsen van camera’s zijn er ook. Zo heeft het over het algemeen een positief effect op het veiligheidsgevoel, levert het bewijsmiddel op bij opsporing en neemt de pakkans toe (Mein, 2010). 2.3.2

Wat heeft de gemeente te bieden

Naast de reeds genoemde bestuursmaatregelen hebben de gemeentes de mogelijkheid jongeren te voorzien in faciliteiten. Een JOP (Jongeren Ontmoetings Plek) is hier een voorbeeld van. Dit is een speciaal ingerichte (vaste) locatie binnen of aan de rand van de gemeente waar jongeren kunnen samenkomen. Net als verwijsplekken (ruimtelijke locaties, niet speciaal ingericht maar waar jongeren eveneens naar verwezen kunnen worden), worden JOP’s aan de rand van de gemeente of op locaties waar jongeren niet snel tot overlast zullen zijn, geplaatst. In verschillende gemeentes, waaronder ook de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht wordt er al veel gebruik gemaakt van JOP’s (Gemeente-Hendrik Ido-Ambacht, 2010). Een MOP daarentegen is een Mobiele Ontmoetingsplek voor jongeren, dit kan letterlijk een bus zijn. Jongeren kunnen elkaar daar ontmoeten, in playstationen of andere spelletjes 13

doen. In een MOP kunnen ook gesprekken worden gevoerd met jongeren. Daarnaast is er de mogelijkheid talenten te ontdekken en verder te ontwikkelen (JSO, 2021). Het enige jeugdcentrum binnen Ambacht waar begeleiding aanwezig is door jongerenwerkers heet ‘het Baxhuis’. Men kan hier samenkomen, sportactiviteiten doen of zich bezighouden met andere hobby’s (Playstations en muziek). Het onderzoeksproject van ‘uit de marge’ vermeld dat een soort buurthuis van groot belang is voor jongeren. Daarbij is het wel van belang dat deze ook wordt ingericht naar de wensen van de jongeren (Moris & Loopmans, 2015). Sommige buurthuizen zijn speciaal geopend tijdens de zomermaanden, enkel voor de jeugd om de drukte te verspreiden tijdens de vakantieperiode. Dit soort gecreëerde jongeren ontmoetingsplekken of verwijslocaties zijn echter niet voor alle jongeren aantrekkelijk. Jongeren hebben nu eenmaal een eigen voorkeur. De een houdt van voetbal, de ander van hangen op straat. Andere jongeren hebben weer geen moeite met een daarvoor ontworpen JOP en er zijn jongeren die zich daar nu eenmaal niet naar laten leiden (Demiryürek, 2007). De behoefte van deze laatste groep is vooral de ongeorganiseerde vrijetijdsmogelijkheden. Het verenigingsleven is te saai of te duur of jongeren denken moeite te hebben met het luisteren naar een autoritair persoon zoals bijvoorbeeld een trainer (Demiryürek, 2007).

Daarnaast maakt het deel uit van het opgroeigedrag van jongeren, het verkennen van grenzen is min of meer normaal (Ferweda & Ham, 2010). Om toch zoveel mogelijk jongeren te binden heeft de gemeente Barendrecht bijvoorbeeld gekozen de jongeren te betrekken bij de beleidskeuzes. Het betrekken van de jongeren geeft ze het gevoel erbij te horen en de uitvoering van het beleid sluit aan bij de doelgroep. De gemeente Barendrecht hanteert een jeugdbeleid waarbij jongeren betrokken worden middels een jongerenplatform (jeugddebat). Het is een samenwerkingsverband tussen politie, jeugd- en jongerenwerk en de gemeente. Hiermee wordt ook, mits de juiste begeleiding geboden wordt, de tolerantie verhoogd bij bewoners ten opzichte van jongeren (Demiryürek, 2007). 2.3.3

Integrale aanpak

Samenwerken is vele mate effectiever omdat geen enkele partij de kennis in pacht heeft om alleen de hangjongerenproblematiek aan te pakken. Zo’n samenwerkingsnetwerk kan er op verschillende manieren uitzien. In de gemeente Barendrecht (buurgemeente van Hendrik-Ido-Ambacht) bestaat het netwerk uit de gemeente (werkeenheid jeugd- en jongerenwerk van de afdeling Sport Welzijn Onderwijs en Cultuur (SWOC) en werkeenheid Openbare Orde en Veiligheid (OOV)), wethouder jeugd- en jongerenwerk, buurtagenten, jongerenwerk, buurtbewoners, hangjongeren, Top Nederland security, bewonersorganisaties, opbouwwerkers (versterken van sociale cohesie in een wijk), winkeliersverenigingen en de leerplichtambtenaar (Demiryürek, 2007). Het inzichtelijk maken van het netwerk en het hanteren van een netwerkbenadering bij de aanpak van hangjongerenoverlast, is volgens de gemeente Barendrecht dan ook van groot belang. Alle actoren (behalve de jongeren zelf) geven onafhankelijk aan dat ze zonder elkaar een gevoel van machteloosheid ervaren. (Demiryürek, 2007). Samenwerking vindt niet alleen plaats tussen partners uit eenzelfde gemeente, maar ook de samenwerking met omliggende gemeentes heeft zijn waarde aangetoond. Zo zoeken de gemeentes Amersfoort, Arnhem, Deventer en s’-Hertogenbosch de samenwerking met elkaar op als het gaat om ‘groepsaanpak’.

Deze aanpak steekt integraal in op 3 maatregelen, namelijk: domeingericht, groepsgericht en persoonsgericht. Met domeingerichte aanpak zetten deze gemeentes zich integraal in om de overlast te verminderen door jongeren op een locatie samen te laten komen. De domeingerichte aanpak bestaat in de verschillende gemeentes uit het faciliteren van ‘hangplekken’ en extra sport en spel activiteiten in de zomer in de wijken met geprioriteerde jeugdgroepen (van Beek, 2011). Met groepsgerichte maatregelen willen de gemeentes aan een relatie bouwen met de groep en op die manier zorg bieden. Persoonsgerichte aanpak wordt vooral ingezet bij jongeren die crimineel gedrag vertonen of in een zorgsituatie zitten. Het zo snel mogelijk weer participeren in de maatschappij, het activeren in het zoeken naar een dagbesteding of het voeren van gesprekken met de jongeren staat hierin centraal (van Beek, 2011). De regie voor de aanpak van overlast ligt bij de gemeente en werkt het best als alle betrokken partijen zich gezamenlijk inzetten (Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid, 2008). In Schotland heeft deze versterkte wijze van samenwerking indrukwekkende resultaten opgeleverd in de afgelopen decennia. Zo zijn de cijfers van jeugdcriminaliteit tussen 2009 en 2011 gedaald met 30% (Paterson, 2013). In Nederland gelooft men ook in deze integrale aanpak.

In sommige gemeente, waaronder Arnhem, Amersfoort en ’s Hertogenbosch, wordt daarom gebruik gemaakt van zogeheten veiligheidshuizen. Dit is een fysiek gebouw op een locatie waar plek is ingericht voor alle 14

ketenpartners. Niet alleen de ketenaanpak staat centraal, ook zorg en overlastbestrijding zijn primaire taken van een veiligheidshuis. Ze houden zich bezig met huiselijk geweld, veelplegers en jeugd. Niet alleen de criminele jeugdgroepen, maar ook de hinderlijke en overlastgevende jeugdgroepen. Een veiligheidshuis draagt bij aan een efficiënte integrale aanpak van jeugdoverlast, het voorziet in korte lijnen naar partners en heeft bewezen een positieve bijdrage te leveren (Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid, 2008).

2.4 Externe hulp Bij de bestrijding van jongerenoverlast kan de gemeente rekenen op externe hulp. Van politie en boa’s tot aan frontlijnwerkers zoals jeugdopbouwwerkers (ambulant jongerenwerkers) en straatcoaches die een cruciale rol vervullen. In de literatuur zijn er nog andere vormen van frontlijnwerkers te vinden, zoals de ‘straathoekwerker’ in Zaandam of een ‘wijkopbouwwerker’ in Deventer (Oude Vrielink & van de Wijdeven, 2008). Veel van deze frontlijnwerkers hebben overeenkomsten met de jeugdopbouwerker. In onderstaande deel wordt ingezoomd op de meest voorkomende frontlijnwerkers, te vinden in de literatuur, en afgesloten met de rol van de politie (wijkagenten) en BOA’s. 2.4.1

Frontlijnwerkers

Het direct invloed hebben op jongeren is een belangrijke maar vooral ook vertrouwelijke verantwoordelijkheid. Frontlijnwerkers zoals de jeugdopbouwwerker en de straatcoach vervullen in grote mate deze rol. Straatcoaches zijn vaak particuliere beveiligers, die veelal in opdracht van de gemeente, toezicht houden op de jeugd, de vertrouwensrol (positieve rolmodel) naar de jongeren en hun familie is hierbij cruciaal. Vaak komen zij uit dezelfde etnische groepering en spelen de rol van ‘grote broer’ (Bervoets, 2015). Daarnaast worden straatcoaches in Amsterdam bijvoorbeeld ook ingezet om bepaalde locaties (huizen en bewoners) te observeren waarbij het vermoeden bestaat dat deze een rol spelen in een netwerk van georganiseerde criminaliteit (Jeursen, 2020). Ook leerkrachten, vrijwilligers, familieleden of een bewoner uit de wijk kunnen deze rol van straatcoach op zich nemen. In de gemeente ’s-Hertogenbosch worden straatcoaches bijvoorbeeld gevormd door de bewoners uit de wijk. Met straatcoaches lijkt het vaak lastig te zijn goede afspraken te maken. Hierdoor blijkt de informatievoorziening vaak niet goed uit de verf te komen. Ook is het twijfelachtig of de impact van deze straatcoaches op de overlast en criminaliteit werkzaam is (Bervoets, 2015).

In de gemeente Bredene (België) werden in 2013 verschillende interventies ondernomen waarbij de rol van een jeugdopbouwwerker centraal stond. Het bouwen aan een vertrouwensband speelde hierbij een cruciale rol. De jeugdopbouwwerker wordt daarnaast al snel gezien als een neutraler persoon dan de politie. Door in gesprek te gaan en de jongeren te ondersteunen in het versterken van hun communicatie, worden ze zich ook bewuster van hun relatie met de omgeving. Door de aanwezigheid tussen de jongeren is een jeugdopbouwwerker in staat de angstbeelden van sommige omwonenden over ‘de gevaarlijke’ jongelui weg te nemen en onverdraagzame reacties te scheiden van signalen over gedrag waarop jongeren best aangesproken konden worden (Moris &Loopmans, 2015). Kritische succesfactoren zijn het betrekken van jongeren bij infrastructurele ingrepen zoals het aanleggen van een skatepark of verwijslocatie. Het in gesprek blijven gaan is van belang, ook als het om grenzen gaat. Bij conflicten kloppen jongeren spontaan aan bij de jeugdopbouwwerker en is gebleken dat gedragen afspraken in de publieke ruimte tussen alle gebruikers van groot belang is (Moris &Loopmans, 2015). In tegenstelling tot straatcoaches bestaan de jeugdopbouwwerkers vaak juist uit personeel die niet uit dezelfde woonwijk komen (van Beek, 2011). Wat het nu precies oplevert verschilt per gemeente en per jeugdgroep of wijk.

Eric Bervoets stelt in zijn onderzoek dat de inzet van ambulant jongerenwerkers (jeugdopbouwwerkers) net als de Jeugdboa’s positief resultaat oplevert doordat zij steeds meer complementair zijn aan de politie (Bervoets, 2015). 2.4.2

Politie en BOA’s

In de gemeente Hendrik-Ido-Ambacht zijn BOA’s, beveiligers en politie- en wijkagenten onderdeel van het straatbeeld. Allen dragen ze bij aan zowel een preventieve als repressieve aanpak ten over staande van de overlast van hangjongeren. Een repressieve aanpak ligt gevoelig en kan een averechtse werking hebben wanneer jongeren zich ‘gelabeld’ voelen tot crimineel en zal de verleiding groter zijn om weer foutief gedrag te vertonen (Ashford, 2007). Vooral wanneer het zicht op een goede baan steeds verder lijkt en men wordt geconfronteerd met bepaalde beperkingen in hun leven. Of dit 15

nu gepaard gaat met een strafblad of niet, kan dit daarnaast ook bijdragen aan een groepsidentiteit welke sterker is dan voorheen en kan leiden tot een crimineel effect (Moris & Loopmans, 2015). Naast repressie lijkt toezicht op een pro-actieve wijze een generaal preventieve werking te hebben op jongeren en vergroot daarnaast ook de veronderstelling dat mensen zich veiliger voelen met politie in de buurt (Noije & Wittebrood, 2009). Deze pro-actieve preventieve aanpak biedt jongeren de kans op het rechte pad te blijven maar brengt ook risico’s met zich mee. Jongeren kunnen onbedoeld het gevoel krijgen ongelijk behandeld te worden. Uit een onderzoek van politie & wetenschap blijkt dat pro-actieve contacten meer bijdragen aan wederzijds begrip en respect, dan de repressieve contacten. Door zorgvuldig optreden en een gelijke behandeling door politie (ook bij etnische groepen) ervaren de jongeren een veel genuanceerdere politie. Toch lijkt dit niet in alle gemeentes voldoende, zo wordt er ook gesteld (bijvoorbeeld door jongeren uit de gemeente Barendrecht) dat er überhaupt weinig vertrouwen is naar de politie omdat de gemeente vaak buurtagenten of jongerenwerkers bij probleemsituatie stuurt en de jongeren zelf niemand van de gemeente kent die naar ze luistert (Demiryürek, 2007).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12452968/1