RN 2026-001 Motivering BOPA tijdelijke AMV-opvanglocatie Helmond
Tekst van het document
4.3
Gebieden van provinciaal belang
Er bevinden zich geen gebieden van provinciaal belang in de omgeving van het projectgebied en binnen de invloedsfeer van de beoogde ontwikkeling.
4.4
Houtopstanden
Gezien de grootte van houtopstanden binnen het projectgebied en de locatie (binnen bebouwingscontouren), is wettelijke bescherming niet aan de orde.
Projectcode: Versie: 1.0
Pagina 11 van 22
Rapportage Quickscan flora en fauna Smalstraat te Helmond
5 Beschermde soorten Hoofdstuk 5 geeft een overzicht van de soorten en soortgroepen die binnen dit verkennend onderzoek zijn meegenomen. Het toont welke beschermde soorten mogelijk aanwezig zijn in en/of rondom het projectgebied en van welke soorten mogelijke aanwezigheid niet aannemelijk is. Soorten zijn opgenomen of uitgesloten op basis van verspreidingsgegevens en geregistreerde waarnemingen in combinatie met bevindingen tijdens het locatiebezoek.
5.1
Grondgebonden zoogdieren
5.1.1
Eekhoorn
Voorkomen en functie De eekhoorn (Sciurus vulgaris) is nationaal beschermd en wordt in de provincie Noord-Brabant niet vrijgesteld. De eekhoorn prefereert oude loof- of naaldbossen maar komt ook voor in jonge bossen, parken, houtwallen en tuinen. Indien voldoende voedsel beschikbaar is komen ze ook voor in bebouwd gebied (Zoogdiervereniging, z.d.). Volgens verspreidingsgegevens en de NDFF komt de eekhoorn voor rondom het projectgebied. In de omgeving van het projectgebied zijn lijnvormige elementen, struweel, hoge vegetatie en voldoende bedekt foerageergebied aanwezig. Het projectgebied kenmerkt zich door een hoge vegetatiedichtheid, zandbodem en lijnvormige elementen. Effectenbeoordeling Gezien de afwezigheid van nesten, sporen en indicaties van de aanwezigheid van de eekhoorn binnen het projectgebied, heeft de beoogde ontwikkeling geen negatief effect op de gunstige instandhouding van kleine marterachtigen (Afbeelding 5.1).
5.1.2
Steenmarter
Voorkomen en functie De steenmarter (Martes foina) is een nationaal beschermde soort die niet is vrijgesteld in de provincie NoordBrabant. De soort wordt gezien als een 'cultuurvolger' en dankt zijn naam aan zijn voorkeur voor steenachtig habitat zoals steengroeven en gebouwen. De soort is te vinden in parklandschap maar vooral in de buurt van dorpen, boerderijen en zelfs grote steden. Oude schuren, heggen en geriefbosjes zijn erg geschikt. Essentieel is de aanwezigheid van groenstroken, heggen, bosjes en bermen waar de soort foerageert (Zoogdiervereniging, z.d.). Effectenbeoordeling Gezien de afwezigheid van sporen en verblijfplaatsen is het niet aannemelijk dat de steenmarter het projectgebied gebruikt als functioneel leefgebied. De beoogde ontwikkeling heeft geen negatief effect op de gunstige instandhouding van kleine marterachtigen (Afbeelding 5.1). De steenmarter ondervindt geen negatieve effecten van de beoogde ruimtelijke ontwikkelingen. Een aanvullend soortenonderzoek en mogelijke omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit zijn niet nodig.
5.1.3
Kleine marterachtigen
Voorkomen en functie De hermelijn (Mustela erminea), wezel (Mustela nivalis) en bunzing (Mustela putorius) zijn nationaal beschermde martersoorten. Deze soortgroep is niet vrijgesteld in de provincie Noord-Brabant. Deze soorten komen in de meeste habitats voor, al heeft de hermelijn een voorkeur voor vochtiger terrein. Ze zijn te vinden in open landschap, bossen, weilanden, rietlanden, houtwallen en akkers en prefereren kleinschalig (cultuur)landschap met takkenrillen, struweel, hagen, bosschages, rommelhopen en rommelschuren. Deze essentiële lijnvormige elementen dienen als rust- of verblijfplaats, voortplantingsplaats of als verbindingsroute tussen gebieden (BIJ12, 2024).
Projectcode: Versie: 1.0
Pagina 12 van 22
Rapportage Quickscan flora en fauna Smalstraat te Helmond
Volgens verspreidingsgegevens en de NDFF komen de hermelijn, wezel en bunzing voor rondom het projectgebied. In de omgeving van het projectgebied zijn lijnvormige elementen, struweel, hoge vegetatie en voldoende bedekt foerageergebied aanwezig. Het projectgebied kenmerkt zich door een hoge vegetatiedichtheid, zandbodem en lijnvormige elementen. Effectenbeoordeling Gezien de hoge vegetatiedichtheid, foerageermogelijkheden en lijnvormige elementen is het projectgebied geschikt voor kleine marterachtigen. De beoogde ontwikkeling heeft een mogelijk negatief effect op de gunstige instandhouding van kleine marterachtigen (Afbeelding 5.1). De hermelijn, wezel en bunzing ondervinden negatieve effecten van de beoogde ruimtelijke ontwikkelingen. Een aanvullend soortenonderzoek en mogelijke omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit zijn nodig.
Afbeelding 5.1: Mogelijk essentieel leefgebied van kleine marterachtigen en steenmarter.
Projectcode: Versie: 1.0
Pagina 13 van 22
Rapportage Quickscan flora en fauna Smalstraat te Helmond
5.2
Vleermuizen
Voorkomen en functie Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Habitatrichtlijn. Verblijfplaatsen zijn doorgaans te vinden in holten, kieren en andere openingen in bomen of gebouwen. Vleermuizen komen bijna overal voor en zijn vooral te vinden in gesloten tot halfopen landschap waar ze doorgaans in de beschutting van opgaande elementen foerageren langs een vast netwerk van lijnvormige structuren zoals kanalen, lanen, tuinen, boomkruinen, bebouwing en waterpartijen. Volgens verspreidingsgegevens en de NDFF kunnen in de omgeving van het projectgebied de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) worden aangetroffen. Effectenbeoordeling Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van een essentiële vliegroute of foerageergebied van vleermuizen. Gezien het ontbreken van gebouwen en holtes in bomen, kan de aanwezigheid van een verblijfplaats van vleermuizen binnen het projectgebied worden uitgesloten. De beoogde ontwikkeling heeft door de omvang en nabijheid tot de werkzaamheden geen negatief effect op deze essentiële functie van de vleermuis in het projectgebied én op de gunstige staat van instandhouding van de soort. Een aanvullend soortenonderzoek naar vleermuizen is niet noodzakelijk.
5.3
Vogels
Voorkomen en functie Alle inheemse in het wild levende vogels zijn beschermd onder de Vogelrichtlijn. Tabel 5.1 geeft een overzicht van alle vogelsoorten die gezien verspreidingsgegevens, NDFF en het locatiebezoek mogelijk in of rondom het projectgebied voorkomen. Aan een deel van deze soorten is een categorie toebedeeld gerelateerd aan de nest beschermde status. Nesten van vogels uit categorie 1 t/m 4 zijn altijd jaarrond beschermd. Soorten met een andere categorie vallen onder soorten mét jaarrond beschermde nesten of hebben een andere specifieke beschermde status gerelateerd aan hun nestbouwkenmerken of staat van instandhouding. Vogelsoorten die niet onder categorie 1 t/m 5 vallen zijn soorten waarvan het nest niet jaarrond beschermd is. De exacte definities van deze categorieën zijn opgenomen in Lijst beschermde soorten Omgevingswet (Hunink, 2024). Tabel 5.1: Vogelsoorten die a.d.h.v. NDFF-verspreidingsgegevens in of rondom het projectgebied aanwezig zijn inclusief nest beschermde status.
Soort Categorie Steenuil 1 Gierzwaluw 2 Huismus 2 Roek 2 Grote gele kwikstaart 3 Kerkuil 3 Ooievaar 3 Slechtvalk 3 Buizerd 4 Havik 4 Ransuil 4 Sperwer 4 Wespendief 4 Blauwe reiger 5 Boerenzwaluw 5 Bonte vliegenvanger 5 Boomklever 5 Boomkruiper 5 Bosuil 5 Ekster 5 Gekraagde roodstaart 5 Grauwe vliegenvanger 5 Groene specht 5 Grote bonte specht 5 Huiszwaluw 5 IJsvogel 5 Kleine bonte specht 5 Koolmees 5 Projectcode: Versie: 1.0
Pagina 14 van 22
Rapportage Quickscan flora en fauna Smalstraat te Helmond
Oeverzwaluw Pimpelmees Spreeuw Torenvalk Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht
5 5 5 5 5 5 5 5
Niet-gebouwbewonende vogels met een jaarrond beschermd nest Binnen het projectgebied zijn geen grote nesten aangetroffen die mogelijk in gebruik zijn door vogels met een jaarrond beschermd nest. In de directe omgeving en aan de rand van het projectgebied staan hoge bomen, welke geïnspecteerd moeten worden middels een bomeninspectie op de aanwezigheid van nesten die hoger gelegen zijn en tijdens het bloeiseizoen niet aangetroffen konden worden. Algemene broedvogels Gezien het aanwezige groen is de aanwezigheid van nesten van algemene broedvogels aannemelijk. Effectenbeoordeling Er zijn geen jaarrond beschermde nesten of vogels met jaarrond beschermde nesten aangetroffen in de bomen en gebouwen in en rondom het projectgebied. Gezien de locatie, het terrein en gebouwkenmerken is het niet aannemelijk dat deze vogels de bomen, bosschages of gebouwen in het projectgebied als broedlocatie (gaan) gebruiken. Nesten van algemene broedvogels zijn alleen beschermd wanneer ze in gebruik zijn tijdens de broedperiode. Nesten van broedende vogels én hun omgeving zijn altijd wettelijk beschermd en mogen niet worden verstoord. Gezien de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden ondervinden deze soorten geen negatieve effecten van de beoogde werkzaamheden.
5.4
Reptielen
Voorkomen en functie Reptielen vormen een klasse van koudbloedige dieren waarvan een deel Nationaal beschermd wordt, of valt onder de bescherming van de Habitatrichtlijn. Reptielen komen voor in verschillende habitats, variërend van droge heide en zandgronden onder vegetatie en dood hout tot vochtige plaatsen, duinen, hoogveen en andere waterrijke gebieden. Tijdens het locatiebezoek zijn geen geschikte habitats voor soorten die in deze groep vallen aangetroffen. Rondom het projectgebied zijn geen waterlichamen of beschutting biedende plekken zoals dichte strooisellagen en houtstapels aanwezig. Effectenbeoordeling Gezien de locatie en terreinkenmerken van het projectgebied en het ontbreken van geschikte habitats, kan de aanwezigheid van reptielen binnen en rondom het projectgebied worden uitgesloten. De beoogde ruimtelijke ontwikkelingen hebben geen negatieve effecten op soorten in deze klasse en aanvullend onderzoek en een mogelijke omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit zijn niet nodig.
5.5
Amfibieën
Voorkomen en functie Amfibieën zijn een soortgroep die aan waterrijke habitats zijn gebonden al zijn er amfibieën die grotendeels op het land leven. Net als reptielen worden sommige soorten uit deze soortgroepen Nationaal beschermd en vallen onder bescherming van de Habitatrichtlijn. Er zijn geen verspreidingsgegevens of waarnemingen bekend binnen de NDFF betreft deze soortgroep in en rondom het projectgebied. Er zijn geen geschikte habitats voor deze soortgroep aangetroffen en ook in de omgeving zijn er geen plassen, waterpartijen of mogelijke voortplantingsbiotopen aanwezig. Effectenbeoordeling Binnen en rondom het projectgebied zijn geen geschikte habitats aanwezig voor amfibiesoorten. Permanent natte locaties ontbreken volledig en door de huidige terreinkenmerken is het niet aannemelijk dat (regen)water in delen van het projectgebied stagneert. De aanwezigheid van beschermde amfibieën kan worden uitgesloten. Aanvullend soortenonderzoek en een mogelijke omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit zijn niet nodig. Projectcode: Versie: 1.0
Pagina 15 van 22
Rapportage Quickscan flora en fauna Smalstraat te Helmond
5.6
Vissen
Voorkomen en functie Er zijn enkele vissoorten die Nationaal worden beschermd en een paar die vallen onder de Habitatrichtlijn. Vissen zijn gebonden aan water. De meeste beschermde soorten komen voor in stromende beken en riviertjes, al zijn er ook soorten die die juist voorkomen in sloten met ondiep water en een dikke modderlaag. Er zijn geen verspreidingsgegevens of waarnemingen bekend binnen de NDFF betreft deze soortgroep in en rondom het projectgebied. Binnen het projectgebied zijn geen (permanente) waterlichamen zoals beken of sloten aanwezig. Effectenbeoordeling Gezien het ontbreken van geschikte habitats voor deze watergebonden soortgroep, kan de aanwezigheid van beschermde vissen binnen het projectgebied worden uitgesloten. Aanvullend soortenonderzoek en een mogelijke omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit zijn niet nodig.
5.7
Ongewervelden
Voorkomen en functie De groep ongewervelden wordt breed vertegenwoordigd. Echter wordt maar een relatief klein deel Nationaal of onder de Habitatrichtlijn beschermd. Het betreft hier onder andere libellensoorten, keversoorten en verschillende soorten dagvlinders. De habitat van beschermde soorten die hieronder vallen is wijdverspreid en sterk afhankelijk van bodem, vegetatietypen, kwaliteit en beheer. Er zijn verspreidingsgegevens of geregistreerde waarnemingen bekend van beschermde ongewervelden in of in de omgeving van het projectgebied. Dit zijn de teunisbloempijlstaart (Proserpinus proserpina) en de kleine ijsvogelvlinder (Limenitis camilla). Binnen en rondom het projectgebied is natuurlijke inheemse vegetatie aanwezig (zie Paragraaf 2.1). De waardplanten van beiden vlindersoorten (sneeuwbes & teunisbloem) zijn waargenomen binnen het projectgebied, maar zonder aanwezige rupsen in de planten (Afbeelding 5.2).
Afbeelding 5.2: sneeuwbes (links) en teunisbloem (rechts).
Projectcode: Versie: 1.0
Pagina 16 van 22
Rapportage Quickscan flora en fauna Smalstraat te Helmond
Effectenbeoordeling Het projectgebied biedt geschikte habitats voor beschermde ongewervelden. Derhalve kan de aanwezigheid van beschermde ongewervelden binnen het projectgebied redelijkerwijs worden uitgesloten door het ontbreken van rupsen of eitjes in de waardplanten tijdens de kwetsbare periode en rupsentijd van deze soorten. Aanvullend soortenonderzoek en een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit niet nodig.
5.8
Flora
Voorkomen en functie Volgens verspreidingsgegevens komen rondom het projectgebied de zomereik (Quercus robur), hazelaar (Corylus avellana), teunisbloem (Oenothera fruticosa) en sneeuwbes (Symphoricarpos albus) voor. Effectenbeoordeling Ondanks dat het locatiebezoek aan het einde van het groeiseizoen is uitgevoerd, kan door het ontbreken van een geschikt habitattypen en de huidige inrichting van het projectgebied, de aanwezigheid van deze soorten redelijkerwijs worden uitgesloten. Aanvullend onderzoek en een mogelijke omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit zijn niet nodig.
5.8.1
Monumentale bomen
Binnen het projectgebied aan de Smalstraat te Helmond zijn twee monumentale bomen met een beschermde status vastgesteld. Deze bomen vertegenwoordigen een aanzienlijke cultuurhistorische en landschappelijke waarde en zijn als zodanig van belang voor de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. Daarnaast vervullen zij een ecologische functie door het bieden van habitat voor diverse soorten flora en fauna. Gezien hun beschermde status dient bij de planvorming en uitvoering van werkzaamheden rekening te worden gehouden met het behoud en de instandhouding van deze bomen (Afbeelding 5.2 en Afbeelding 5.3). Effectenbeoordeling De monumentale bomen die zijn aangetroffen betreffen twee Japanse cipres (Chamaecyparis pisifera). De aanwezige bomen zijn opgenomen als monumentale bomen met een beschermde status. Dit betekent dat zij onder de reikwijdte van het gemeentelijk beleid en de geldende Bomenverordening vallen. In dit kader is het behoud van deze bomen beleidsmatig verplicht. Ingrijpende maatregelen, zoals kap of verplaatsing, zijn uitsluitend toegestaan wanneer hiervoor een ontheffing of vergunning is verleend en zwaarwegende belangen dit rechtvaardigen. De bescherming is ingesteld om de cultuurhistorische, landschappelijke en ecologische waarden van de bomen te waarborgen en draagt bij aan de duurzame instandhouding van groen erfgoed binnen de gemeente Helmond.
Projectcode: Versie: 1.0
Pagina 17 van 22
Rapportage Quickscan flora en fauna Smalstraat te Helmond
Afbeelding 5.2: Bomencatalogus Gemeente Helmond Japanse cipres (Chamaecyparis pisifera) (Gemeente Helmond, 2014).
Projectcode: Versie: 1.0
Pagina 18 van 22
Rapportage Quickscan flora en fauna Smalstraat te Helmond
Afbeelding 5.3: Bomencatalogus Gemeente Helmond Japanse cipres (Chamaecyparis pisifera) (Gemeente Helmond, 2014).
5.9
Overige soorten
Gezien de aangetroffen vegetatie en omgeving kunnen soorten als egel, konijn en algemene muizensoorten als de bosmuis worden verwacht. Het projectgebied is mogelijk onderdeel van de leefomgeving van deze soorten. Deze soorten zijn beschermd onder ‘andere soorten’, maar staan ook in de categorie ‘vrijgestelde soorten’. Dit houdt in dat bij uitvoering van de werkzaamheden in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling, een vrijstelling voor deze soorten geldt. Wel geldt te allen tijde de zorgplicht voor de uitvoerende partij.
5.10 (Invasieve) exoten Aanwezigheid Invasieve exoten kunnen op den duur schade veroorzaken aan fundering, verhardingen, infrastructuur, rioleringen en drainagebuizen (NVWA, 2021). Ze vormen een bedreiging voor de biodiversiteit, kunnen ecosysteemdiensten veranderen en kunnen soms schadelijk zijn voor de gezondheid en veiligheid voor mensen (NVWA, z.d.) Volgens verspreidingsgegevens komen er geen invasieve exoten voor binnen of rondom het projectgebied. Invasieve soorten zijn tijdens het locatiebezoek ook niet waargenomen. Overige exoten die zijn waargenomen binnen het projectgebied zijn de hemelboom (Ailanthus altissima) en taxus (Taxus baccata L). Effectenbeoordeling De aanwezigheid van invasieve exoten (flora en fauna) is niet aannemelijk. De aanwezige exoten hebben geen beschermde status. Aanvullende maatregelen of andere vervolgstappen zijn niet aan de orde.
Projectcode: Versie: 1.0
Pagina 19 van 22
Rapportage Quickscan flora en fauna Smalstraat te Helmond
6 Conclusie en aanbevelingen Op basis van de resultaten van dit verkennend onderzoek zijn de belangrijkste conclusies en aanbevelingen als volgt: Gebiedsbescherming De beoogde ruimtelijke ontwikkeling veroorzaakt geen (significante) negatieve effecten op beschermde natuurgebieden als gevolg van directe verstoring (licht, geluid en trillingen). Wettelijk beschermde houtopstanden zijn niet aanwezig. Er geldt geen omgevingsvergunning of plicht tot kapmelding bij de provincie Noord-Brabant. Wel staan er twee bomen in het projectgebied met een monumentale status. Een eventuele kapvergunning of werkzaamheden rondom deze bomen zou nader besproken moeten worden met de gemeente Helmond. Een substantieel, negatief effect van de beoogde ontwikkeling op de stikstofemissie en depositie en daarmee op Natura 2000-gebieden is kan niet worden uitgesloten en kan desgewenst nader onderzocht worden d.m.v. een stikstofberekening. Soortenbescherming De aanwezigheid van essentieel leefgebied van de onderstaande beschermde soortgroepen kan niet worden uitgesloten. Deze soortgroepen zijn beschermd onder de Habitatrichtlijn. Omdat negatieve effecten op deze soortgroepen als gevolg van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling mogelijk zijn en hierdoor wellicht verbodsbepalingen uit de Omgevingswet worden overtreden, is aanvullend soortenonderzoek noodzakelijk. ● ●
Kleine marterachtigen Boominventarisatie
Aanvullend soortenonderzoek Omreden dat de aanwezigheid van enkele door de Omgevingswet beschermde soorten niet kan/kunnen worden uitgesloten, adviseert GRAS Advies deze soorten definitief vast te stellen, dan wel uit te sluiten d.m.v. een aanvullend soortenonderzoek. Wanneer de aanwezigheid van een soort hiermee wordt vastgesteld, zal blijken welke vervolgstappen mogelijk zijn en/of een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit noodzakelijk is. Indien geen soortspecifiek, ofwel aanvullend soortenonderzoek wordt uitgevoerd kan er mogelijk geen omgevingsvergunning op basis van een flora- en fauna-activiteit worden verleend. De aanwezigheid van (beschermde) soorten uit onderstaande soortgroep is aannemelijk. Aanvullend soortenonderzoek en een mogelijke omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit zijn niet nodig mits tenminste één van de daaropvolgende maatregelen wordt toegepast: ●
(Broed)vogels:
1 2
Verstorende werkzaamheden vinden plaats buiten het broedseizoen, of; Wanneer werkzaamheden toch binnen het broedseizoen vallen, dienen de aanwezige bosschages/bomen met nesten en de omgeving hiervan niet te worden verstoord, of; Er vindt een broedvogelinspectie plaats door een deskundige ecoloog vóór aanvang van ontwikkeling gerelateerde werkzaamheden.
3
Verstoring van broedende vogels is verboden Verstoring van broedvogels kan voorkomen worden door de voorgenomen werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Het broedseizoen is globaal aan te geven tussen 15 maart en 15 juli, afhankelijk van weersomstandigheden en de specifieke soort. Eerdere en latere broedgevallen zijn ook beschermd conform de Omgevingswet.
Projectcode: Versie: 1.0
Pagina 20 van 22
Rapportage Quickscan flora en fauna Smalstraat te Helmond
De aanwezigheid van algemene soorten waaronder het konijn en de egel valt niet uit te sluiten. Deze soorten zijn in de provincie Noord-Brabant vrijgesteld. Een aanvullend soortenonderzoek en omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit voor deze soorten is niet nodig. Desondanks geldt voor deze soorten de zorgplicht. Zorgplicht In artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), is de zorgplicht voor alle in het wild voorkomende planten en dieren vastgelegd. Lid 1 van het artikel luidt als volgt: 1. “Degene die een flora- en fauna-activiteit of een activiteit als bedoeld in artikel 11.22, eerste lid, onder b tot en met g, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 11.23, is verplicht: a. “alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en c.
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.” Deze zorgplicht wordt nader geconcretiseerd omdat initiatiefnemers op grond van lid 2 verplicht zijn zich ervan dienen te vergewissen dat op de locatie van de voorgenomen activiteit, geen in het wild levende dieren van beschermde soorten of hun belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats aanwezig zijn (Bron: BIJ12, 2024).
Projectcode: Versie: 1.0
Pagina 21 van 22
Rapportage Quickscan flora en fauna Smalstraat te Helmond
Bronnen BIJ12 (2024). Juridisch kader. Behorende bij kennisdocumenten soortbescherming. Versie 2.0, januari 2024. BIJ12 (2024). Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus. Versie 2.0, april 2024. BIJ12 (2024). Kennisdocument Kleine marterachtigen. Versie 1.0, januari 2024. Bouwens, S. (2017). Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming. Provincie Noord-Brabant. Zoogdiervereniging, 13 oktober 2017. Guillon, C.P., de Groot, M.R, van Hees, S.R.W, van der Wijngaart, T., & Faber, P.A. (2022). Ruimtelijke bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) onder de Omgevingswet. Juli 2022. Hunink, S. (2025). Lijst beschermde soorten Omgevingswet. Natuurinclusief, Borculo. 07 juli 2025. Interprovinciaal overleg (IPO). (2022). Natuurnetwerk Nederland (ehs). Atlas Leefomgeving. Ministerie van Economische Zaken. (2018). Natura 2000-gebieden. Atlas Leefomgeving. Nationale Databank Flora en Fauna (z.d.). https://ndff-ecogrid.nl/ Datum geraadpleegd: 16-09-2025. Overheid.nl. Officiële bekendmakingen. https://zoek.officielebekendmakingen.nl/uitgebreidzoeken. Datum geraadpleegd: 16-09-2025. Patronale Dienst voor Organisatie en Kontrole van de Bestaanszekerheidstelsels https://app.pdok.nl/viewer/?origin=pdoknl. Datum geraadpleegd: 16-09-2025. Provincie x -> Bron NNN juiste provincie toevoegen.
(PDOK).
Stichting Floron (2011). Nieuwe Atlas van de Nederlandse Flora. KNNV Uitgeverij, Nijmegen. 176p. SynBioSys Nederland (z.d.). https://www.synbiosys.alterra.nl/synbiosys.svg. Datum geraadpleegd: 00-002023. Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging (2021). Vleermuisprotocol 2021, januari. Webgispublisher (z.d.) Monumentale bomen. https://rce.webgispublisher.nl/Viewer.aspx?map=groen%5Ferfgoed# Datum geraadpleegd: 16-09-2025. Zoogdiervereniging (z.d.). Steenmarter. https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/steenmarter Datum geraadpleegd: 18-09-2025. Zoogdiervereniging (z.d.). Eekhoorn. https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/eekhoorn Datum geraadpleegd: 18-09-2025.
Projectcode: Versie: 1.0
Pagina 22 van 22
Rapportage Quickscan flora en fauna Smalstraat te Helmond
Bijlage 1: Impressie projectgebied
Projectcode: Versie: 1.0
Rapportage Quickscan flora en fauna Smalstraat te Helmond
Bijlage 2: Veldwerk inventarisatie en indicatoren ●
Bebouwing en overige complexen: Kenmerken zoals gaten, spleten, kieren, luiken, holten en andere openingen in wanden, kozijndelen, muren en afwerking, stootvoegen, schachten en bekisting, onder dakgoten of dakpannen, onder enige dakbedekking of afwerking zoals loodslabben, dakbeschot en boeiboorden, tussen schotten, balken, aanleunende delen en ventilatieopeningen, spouwmuren, zolders, kelders, kruipruimten en platte daken.
●
Lijnvormige elementen: Structuurvormende eenheden met aansluitende delen en/of opzichzelfstaande doorlopende elementen waaronder akkers, grasland, bomenrijen, lanen, wegdelen, watergangen, muren, aaneensluiting van panden, complexen of andere vormen van bebouwing, een aaneensluiting van scheidingslijnen tussen open velden of open water of andere kenmerken die sterk afwijken van kenmerken van naastgelegen en verbonden structuren zoals begroeiing.
●
Vegetatie: Kenmerken van staande en liggende vegetatie waaronder type, kwantiteit, soorten, hoogte, dikte, dichtheid en algemene doorlaatbaarheid en toegankelijkheid, locatie en afstand t.o.v. mogelijk verstorende elementen, aaneensluiting van vegetatie, aaneensluiting en ligging t.o.v. routebepalende elementen of andere mogelijke habitatfuncties, losse bast delen, leeftijd en aanwezigheid van dood hout.
●
Rust- verblijf- en broedplaatsen: Indicerende kenmerken beschreven onder ‘Bebouwing en overige complexen’ en kenmerken aanwezig in bomen of andere houtige elementen, in palen, kasten, zolders en afgesloten ruimtes zoals takjes, bedding en andere isolerende materialen, als dan niet verzameld, holen of kuilen in vegetatie, bodem of in andere al dan niet aangebrachte structuren, hopen van takken, puin of andere dekking creërende materialen, zandplaatsen en de verplaatsbaarheid van zand.
●
Water: Kwaliteit waaronder helderheid, diepte, stroming en stabiliteit, aanwezigheid van waterplanten en oevervegetatie, aansluiting met andere waterpartijen of watergangen, bodem en oeverkenmerken, helling van het talud, fluctuaties, mate van verstoring en ligging.
●
Sporen: Kenmerken waaronder excrementen zoals braaksels, braakballen en uitwerpselen, latrines, delen van eischalen, nesten en prooiresten, delen van vacht zoals haren en veren, pootafdrukken, wissels, krabsporen, knaagsporen, voedselresten, voedselverzamelplaatsen en wroetsporen.
●
Overige: Geluiden zoals zang, roep en bewegingsgeluiden, geur, smeerplekken, aanwezigheid van waardplanten en zaadplanten of overige voedselbronnen waaronder vruchtdragende vegetatie of knaagdieren, aanwezigheid en volledigheid van (essentiële) habitatfuncties, aansluiting met omliggende habitatfunctie leverende gebieden en algemene verstoringsfactoren.
Projectcode: Versie: 1.0
Memo ONDERWERP
PROJECTNUMMER
Uitgangspuntenmemo stikstofdepositieberekeningen AMV-opvanglocatie 30247246-0012 Helmond
ONZE REFERENTIE
DATUM
VTRYQSYS77MH-499180344-228:v0.1
10 november 2025 VAN
Team Lucht, Geluid & Wind AAN
Projectteam
1 Inleiding Het Centraal orgaan Opvang Asielzoekers (COA) is voornemens om een opvang voor Alleenstaande Minderjarige Vreemdelingen (AMV) te realiseren op een perceel aan de Smalstraat in Helmond. Gedurende de bouwfase, worden mobiele werktuigen ingezet die zorgen voor stikstofemissie. In de gebruiksfase van de AMV-opvanglocatie, wordt mogelijk meer verkeer aangetrokken vanwege personeel en bevoorrading. Dit kan leiden tot een toename van de stikstofemissie en daarmee stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Het COA heeft Arcadis daarom gevraagd een stikstofdepositieberekening uit te voeren voor de realisatiefase en gebruiksfase. Voorliggend memo beschrijft de uitgangspunten van de stikstofdepositieberekeningen voor de realisatiefase en gebruiksfase van AMV-opvanglocatie Helmond.
2 Situatie De ligging van de AMV-opvanglocatie is weergegeven in figuur 1. De AMV-opvanglocatie ligt aan de Smalstraat. Aan de noordzijde van het perceel ligt de provinciale weg N270 (Kasteel-Traverse) en aan de west- en zuidzijde ligt de Smalstraat.
Arcadis Nederland B.V., Amsterdamseweg 13, 6814 CM Arnhem
T +31 (0)88 4261 261
www.arcadis.com
Arcadis Nederland B.V. - Registered office: Arnhem - Registered number: 09036504 - Internal
Figuur 1: Locatie AMV-opvang Helmond (wit vlak)
3 Wettelijk kader Voor de bepaling of een activiteit een Natura 2000-activiteit is voor het aspect stikstofdepositie wordt een ecologische voortoets uitgevoerd. Deze voortoets bestaat in eerste instantie uit een stikstofdepositieberekening in Aerius. Als hierin geen resultaten boven de 0,00 mol/ha/jaar worden berekend op stikstofgevoelige (bijna) overbelaste Natura 2000gebieden kan direct worden uitgesloten dat het project significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. Bij een hogere berekende depositiewaarde kan een ecologische voortoets uitsluitsel geven. In het geval dat uit de voortoets blijkt dat het project geen significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied is het project niet vergunningplichtig betreffende het aspect stikstofdepositie. Als uit de voortoets blijkt dat significante gevolgen niet uit te sluiten zijn, wordt het project vergunningplichtig voor een Natura 2000-activiteit en is een passende beoordeling nodig. In een passende beoordeling wordt gekeken of het project past in het totaalplan van het Natura 2000-gebied en kunnen instrumenten als mitigeren, intern salderen en extern salderen worden meegenomen. Een vergunning wordt alleen verleend als uit de passende beoordeling de zekerheid verkregen wordt dat het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.
Onze referentie: VTRYQSYS77MH-499180344-228:v0.1 - Datum: 10 november 2025 - Internal
2 van 11
4 Methode De belasting van de Natura 2000-gebieden rondom de emissiebronnen is berekend met behulp van een verspreidingsmodel. De verspreidingsberekeningen zijn uitgevoerd met behulp van de online-applicatie AeriusCalculator (versie 2025). Aerius-Calculator is een rekenprogramma om de verspreiding van stoffen in de lucht te simuleren. Daarnaast berekent het model hoeveel van die stoffen per hectare terechtkomt (depositie).
5 Uitgangspunten De uitgangspunten zijn beschreven in onderstaande paragraaf.
5.1 Realisatiefase Gedurende de realisatiefase wordt er dieselmaterieel ingezet. Bij het gebruik van dieselmaterieel komt NO x en NH3 vrij, bij elektrisch materieel niet. Onderstaande paragrafen beschrijven de gehanteerde uitgangspunten voor de realisatiefase. Er wordt onderscheid gemaakt tussen mobiele werktuigen en utiliteitsvoertuigen.
Mobiele werktuigen Mobiele werktuigen zijn werktuigen die standaard actief zijn op een werkplaats. Voor het berekenen van de NO x en NH3 emissie heeft TNO de AUB-methode en de U-methode voorgeschreven. De AUB-methode is in beginsel van toepassing op situaties waarbij specifieke praktijkgegevens over de in te zetten werktuigen op voorhand beschikbaar zijn, zoals het brandstofverbruik en het AdBlue-verbruik. In dit geval zijn deze gegevens nog niet precies bekend en is de U-methode beter van toepassing. De U-methode wordt beschreven in het rapport TNO-2023-R11233.1 In de Umethode is de uitstoot afhankelijk van het aantal draaiuren, het maximale motorische vermogen en de emissiefactor van het materieel. De emissiefactor kan worden bepaald op basis van de stageklasse en het maximale motorische vermogen. Het aantal draaiuren en het maximale motorische vermogen zijn projectafhankelijk, de stage-klasse kan worden bepaald volgens onderstaande richtlijn. Stageklasse Voor dieselmaterieel gelden sinds 1997 emissievoorschriften. De EU-richtlijnen (97/68/EC en 2002/88/EC) bevatten normen voor de maximale uitstoot van luchtverontreiniging per vermogensklasse in gram/kWh. Er is sprake van invoering van vijf fasen van strenger wordende emissienormen. De verdeling in fases is afhankelijk van het bouwjaar.
De eerste fase werd geïmplementeerd in 1999, bij de tweede fase gebeurde dit tussen 2001 tot 2004, afhankelijk van de vermogensklasse van de motor. De derde fase verloopt in twee stappen: Stage IIIA voor motoren met een variabel toerental met bouwjaar 2006/2008 en Stage IIIB voor bouwjaar 2011/2013. De vierde fase (Stage IV) geldt vanaf 2014 (EU-richtlijnen 2004/26/EC) en de vijfde fase (Stage V) geldt vanaf bouwjaar 2019/2020 (Verordening EU 2016/1628). In tabel 1 zijn de materieelgegevens en bijbehorende NOX en NH3 emissie voor alle werkzaamheden weergegeven. Tabel 1: Gegevens mobiele werktuigen Werktuigen Draaiuren Motorisch [uur] vermogen [kW]
Stage klasse
Graafmachine middelmaat
40
110,4
Mobiele kraan
40
147,2
Emissiefactor
Emissievracht
NOx [g/kWh]
NH3 [g/kWh]
NOx [kg]
NH3 [kg]
Stage IV
0,34
0,021
1,5
0,1
Stage IV
0,34
0,021
2,0
0,1
1 TNO-2023-R11233: U-methode, NOx en NH3 emissies van mobiele werktuigen op basis van draaiuren alleen d.d. 30 juni 2023
Onze referentie: VTRYQSYS77MH-499180344-228:v0.1 - Datum: 10 november 2025 - Internal
3 van 11
Werktuigen
Draaiuren Motorisch [uur] vermogen [kW]
Stage klasse
Emissiefactor
Emissievracht
NOx [g/kWh]
NH3 [g/kWh]
NOx [kg]
NH3 [kg]
Heimachine
68
220,8
Stage IV
0,34
0,021
5,1
0,3
Hijskraan
240
184
Stage V
0,34
0,021
15,0
0,9
Verrijker/hoogwerker
100
14,72
Stage IV
1,8
0,0007
2,6
0,0
26,3
1,5
Totaal realisatiefase
Utiliteitsvoertuigen Vrachtwagens die actief zijn op de bouwplaats, zoals kiepwagens, vallen buiten de categorieën voor mobiele werktuigen. Binnen de definitie van deze utiliteitsvoertuigen vallen alle vrachtwagens die op de bouwplaats vermogen leveren voor werkzaamheden, zoals kiepen, cementmixen en hijsen. Ook vrachtwagens voor levering van materiaal die op de bouwplaats maximaal 15 km/u rijden, worden beschouwd als utiliteitsvoertuigen. De uitstoot van deze voertuigen wordt bepaald op basis van het aantal draaiuren op de bouwplaats. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen middelzware en zware utiliteitsvoertuigen (MUT en ZUT): • Middelzware utiliteitsvoertuigen: maximaal 19,5 ton en 2 wielassen; • Zware utiliteitsvoertuigen: minimaal 20 ton en 3 wielassen Emissiefactoren volgen uit TNO-rapport 2021 R12305.2 Voor de realisatie van de AMV-opvanglocatie worden utiliteitsvoertuigen ingezet. In tabel 2 zijn de materieelgegevens en bijbehorende NOX en NH3 emissie samengevat. Tabel 2: Gegevens utiliteitsvoertuigen Werktuigen
Draaiuren [uur]
Klasse
Betonwagens
9
Vrachtwagens units Vrachtwagens materieel
Emissiefactor
Emissievracht
NOx [kg/uur]
NH3 [kg/uur]
NOx [kg]
NH3 [kg]
ZUT
0,2
0,00147
1,8
0,0
37,5
ZUT
0,2
0,00147
7,5
0,1
37,5
ZUT
0,2
0,00147
7,5
0,1
16,8
0,1
Totaal
Invoer mobiele werktuigen en utiliteitsvoertuigen in Aerius De emissiehoogte, warmte-inhoud en spreiding van de mobiele werktuigen verschillen per vermogensklasse. In Aerius 2025 is het mogelijk mobiele werktuigen volgens eigen specificatie onder de sectorgroep Mobiele Werktuigen te modelleren. Hierbij is het wel nodig de emissiekarakteristieken van de verschillende mobiele werktuigen op te geven. Tabel 3 geeft een overzicht van de verschillende emissiekarakteristieken per vermogensklasse van de werktuigen, middelzware en zware utiliteitsvoertuigen.
2 TNO rapport 2021 R12305 - AUB (AdBlue verbruik, Uren, en Brandstofverbruik): een robuuste schatting van NOx en NH3 uitstoot van mobiele
werktuigen.
Onze referentie: VTRYQSYS77MH-499180344-228:v0.1 - Datum: 10 november 2025 - Internal
4 van 11
Tabel 3: Emissiekarakteristieken per vermogensklasse Emissiehoogte [m]
Spreiding [m]
Warmte-inhoud [MW]
Mobiele Werktuigen ≤56 kW
1,0
0,3
0,006
Mobiele Werktuigen 56-75 kW
2,5
0,4
0,011
Mobiele Werktuigen 75-560 kW
2,9
0,7
0,027
Mobiele Werktuigen ≥560 kW
3,0
1,1
0,043
MUT
0,3
0,6
0,008
ZUT
0,3
0,7
0,008
Om de emissiekarakteristieken toe te passen, zijn de emissies van de werktuigen in de verschillende vermogensklassen gegroepeerd en daarna ingevoerd in Aerius.
Bouwverkeer Gedurende de realisatiefase wordt vrachtverkeer ingezet voor de aan- en afvoer van materieel en materiaal. Ook bouwend personeel veroorzaakt verkeersbewegingen van en naar de bouwlocaties. De verkeersbewegingen zijn weergegeven in tabel 4. Tabel 4: Jaarintensiteit bouwverkeer Straat
Lichte motorvoertuigen
Middelzware motorvoertuigen
Zware motorvoertuigen
Smalstraat/Stationsplein
240
0
318
Totaal
240
0
318
Koude start Voor de berekeningen moet ook gerekend worden met een koude start van motorvoertuigen. Deze koude start geldt wanneer een motorvoertuig langer dan 2 uur stil heeft gestaan en kan gelden voor: • •
Motorvoertuigen van werknemers wanneer deze langer dan 2 uur geparkeerd zijn; Middelzware en zware vrachtwagens die bij het laden en lossen de motor afzetten en waarvan de laad- en lostijd meer dan 2 uur bedraagt.
In de stikstofdepositieberekening voor de AMV-opvanglocatie Helmond is ervan uitgegaan dat motorvoertuigen van bouwend personeel langer dan 2 uur geparkeerd zijn. Ook is als uitgangspunt aangehouden dat alle lichte motorvoertuigen van personeel zijn. Daarom is op alle lichte motorvoertuigen een koude start toegepast. Voor de laaden lostijd van vrachtwagens is uitgegaan van een duur van minder dan 2 uur. Het uitgangspunt is dat er bij het laden/lossen de motor afgezet wordt. Incidenteel kan door omstandigheden de laad- en lostijd toch langer zijn. Daarom is koude start toegepast op 20% van de (middel)zware motorvoertuigen. Het aantal motorvoertuigen dat de locatie met koude motor verlaat is weergegeven in tabel 5, voor de realisatiefase.
Onze referentie: VTRYQSYS77MH-499180344-228:v0.1 - Datum: 10 november 2025 - Internal
5 van 11