CConstaterende datHelmond
Koppel je AI →
Document · PDF

RN 074 APV Hulptekst in kleur 3e wijziging

Gemeenteraad 26 september 2023, gemeente HelmondBij agendapunt: Derde wijziging Algemene Plaatselijke verordening Helmond 202025.191 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

APV Helmond 2020 (derde wijziging)

Blz. 16 van 45

5. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 6. Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 7. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan. Artikel 2.4.3

(vervallen)

Artikel 2.4.4 Vervoer inbrekerswerktuigen en dergelijke (artikel 2:44 VNG) 1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben. 2. Het is verboden op een openbare plaats in de nabijheid van winkels te vervoeren of bij zich te hebben een voorwerp dat er kennelijk toe is uitgerust om het plegen van winkeldiefstal te vergemakkelijken. 3. Het is verboden op een openbare plaats in de nabijheid van een gestalde (brom)fiets bij zich te hebben gereedschap, een valse sleutel of een ander voorwerp of middel dat ertoe kan dienen om diefstal van een (brom)fiets te vergemakkelijken. 4. De in het eerste, tweede en derde lid gestelde verboden zijn niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. Artikel 2.4.5 Rijden over bermen en dergelijke (artikel 2:46 VNG) 1. Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs wordt vereist. 2.

Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de (Interim) omgevingsverordening Noord-Brabant 2010. Artikel 2.4.6 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen (artikel 2:47 VNG) 1. Het is verboden op een openbare plaats: a. te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair; b. zich op te houden op een wijze die aan andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder berokkent. 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet1994. Artikel 2.4.7 Verboden gebruik lachgas Het is verboden in het openbaar gebied lachgas te gebruiken als daardoor hinder ontstaat voor personen of de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. Artikel 2.4.7

(Vervallen)

Artikel 2.4.8 Verboden drankgebruik (artikel 2:48 VNG) 1. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: a. een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet; b. een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet. 3. Het verbod geldt voorts niet voor zover artikel 45 van de Alcoholwet van toepassing is.

APV Helmond 2020 (derde wijziging)

Blz. 17 van 45

Met opmerkingen [JH33]: Door uitbreiding van de bijlage behorende bij de Opiumwet per 1 januari 2023 wordt lachgas nu als softdrug beschouwd. Het verboden (openlijk) gebruik wordt straks gereguleerd via een ander artikel in de APV en wel via artikel 2.7.2 APV (= artikel 2:74a model VNG). Artikel 2.4.7 komt deels overeen met artikel 2:48a van het model van de VNG dat per 1 januari 2024 verdwijnt. Daarmee zal ook de feitcode van de Commissie Feiten en Tarieven komen te vervallen en kan er op basis van 2.4.7. APV niet langer strafrechtelijk worden gehandhaafd. Omdat er dus een alternatief is (2.7.2 APV) wordt deze bepaling overbodig en kan komen te vervallen. Overigens is een totaalverbod zoals verwoord in het huidige artikel 2.4.7 niet proportioneel. Daarmee is er geen evenredigheid tussen middel en doel, en dat wordt geacht in strijd te zijn met artikel 3:4 Awb (Zie Factsheet van de VNG d.d. 22-12-2022).

Artikel 2.4.9 Verboden gedrag bij of in gebouwen (artikel 2:49 VNG) 1. Het is verboden zonder redelijk doel: a. zich in een portiek of poort op te houden; b. in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen. 2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo’n gebouw. Artikel 2.4.10 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten (artikel 2:50 VNG) Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimte wordt in elk geval begrepen: portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen. Artikel 2.4.10a Vechten in het openbaar 1. Het is verboden in het openbaar te vechten of iemand lastig te vallen; 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424 of 426 bis van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2.4.11 Messen en andere voorwerpen als steekwapen 1.

Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen of in daaraan grenzende voor het publiek toegankelijke gebouwen messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben. 2. Het verbod geldt niet voor messen of voorwerpen die zodanig zijn ingepakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik gereed zijn. 3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover het wapens betreft als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie.

Met opmerkingen [JH34]: Geheel nieuwe bepaling volgens model VNG. Voor toelichting zie het raadsvoorstel waarin uitgebreid wordt ingegaan op de introductie van dit nieuwe artikel.

Artikel 2.4.12 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein en dergelijke (artikel 2:52 VNG) Het is verboden zich op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein. Artikel 2.4.14

(verplaatst naar 2.4.21)

Artikel 2.4.14 t/m 16

Met opmerkingen [JH35]: Verwijderen.

(vervallen)

Artikel 2.4.17 Loslopende honden (artikel 2:57 VNG) 1. Het is de eigenaar, houder of verzorger van een hond, alsmede degene die een hond onder zijn hoede heeft, verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: a. onaangelijnd binnen een door het college aangewezen gebied; b. op door het college aangewezen plaatsen; c. op openbare plaatsen te laten verblijven of te laten lopen zonder halsband voorzien van naam en adres van de eigenaar, houder of verzorger. 2. Van het verbod zoals gesteld in het eerste lid onder a zijn, indien het een bosgebied betreft, vrijgesteld de leden van een vereniging, die zich de africhtingssport van honden ten doel stelt, uitsluitend voor zover het de aan de vereniging toegewezen afgebakende oefenterrein betreft. 3. Het college kan, al dan niet onder het stellen van voorschriften, ontheffing verlenen van het gestelde in het eerste lid onder a, onder meer ten behoeve van africhtingsexamens of oefeningen daarvoor, dan wel indien het revierterreinen van hondenverenigingen betreft.

APV Helmond 2020 (derde wijziging)

Blz. 18 van 45

4. Van het verbod als gesteld in het eerste lid onder b zijn vrijgesteld de bewoners van woningen, welke direct grenzen aan de aangewezen plaats of die daarbinnen woonachtig zijn en deze plaats moeten betreden om hun woning te bereiken of te verlaten. 5. De verboden als gesteld in het eerste lid onder a en b gelden niet voor de eigenaar of houder van een hond: a. die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of b. die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond. 6. Op de ontheffing als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking van rechtswege bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2.4.18 Verontreiniging door honden (artikel 2:58 VNG) 1. Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. 3. De eigenaar, houder of verzorger van een hond is verplicht tijdens het verblijf met die hond op een openbare plaats in het bezit te zijn van een zakje dat geschikt is voor de verwijdering van uitwerpselen. 4.

Onder verwijderen als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan: het afvoeren van de uitwerpselen naar het huisperceel van degene, als bedoeld in het eerste lid, alsmede het deponeren van de uitwerpselen in een hondenpoepbak of afvalbak. 5. Het eerste en derde lid gelden niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of voor zover een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond. Artikel 2.4.19 Gevaarlijke honden (artikel 2:59 VNG) 1. Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. 2 . De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 3. De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die: a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen; b.

door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn. Artikel 2.4.20 Gevaarlijke honden op eigen terrein (artikel 2:59a VNG) 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2.4.19, eerste lid, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk. 2. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als: a. op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht; b. het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en c. het terrein voorzien is van een hoge en deugdelijke afrastering en de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen. Artikel 2.4.21 Bedelarij (artikel 2:65 VNG) Het is verboden op een openbare plaatsen of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken in door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast aangewezen gebieden.

APV Helmond 2020 (derde wijziging)

Blz. 19 van 45

Met opmerkingen [JH36]: Een deel van het artikelnummer is weggevallen in de tekst van de geldende APV. Reparatie. Met opmerkingen [JH37]: Zie zomerupdate VNG 19 juli 2022 (ledenbrief): Het is verboden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken in door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast aangewezen gebieden. Argumenten tot wijzigen conform model VNG: 1. Openbare plaatsen sec omvat alle wegen, straten en pleinen en vrij toegankelijke gedeelten van overdekte (winkel)passages. 2. Het is niet proportioneel om het hele grondgebied van de gemeente aan te wijzen. 3. Het motief openbare orde (Helmond) is ruimer dan overlast (model VNG).

Afdeling 5

Bestrijding van heling van goederen

Artikel 2.5.1 Definitie (artikel 2:66 VNG) In deze afdeling wordt onder handelaar verstaan de handelaar aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2.5.2 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister (artikel 2:67 VNG) 1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onmiddellijk: a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; b. de datum van verkoop of overdracht van het goed; c. een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed; d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. 2. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen. 3. Op de vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking van rechtswege bij niet tijdig beslissen) van toepassing. Artikel 2.5.3 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 ter van het Wetboek van Strafrecht (artikel 2:68 VNG) De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: a.

de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: 1o. dat deze het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; 2o. van een verandering van de onder 1o bedoelde adressen; 3o. dat deze het beroep van handelaar niet langer uitoefent; 4o. dat deze enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan. b. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; c. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; d. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Afdeling 6

Consumentenvuurwerk

Artikel 2.6.1 Definitie (artikel 2:71 VNG) In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik. Artikel 2.6.2 Ter beschikking stellen consumentenvuurwerk tijdens verkoopdagen (artikel 2:72 VNG) 1 Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder vergunning van het college 2. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking van rechtswege bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

APV Helmond 2020 (derde wijziging)

Blz. 20 van 45

Met opmerkingen [JH38]: Zie ledenbrief VNG zomerupdate 2022.

Artikel 2.6.3 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling (artikel 2:73 VNG) 1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. 2. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. 3. De verboden zijn niet van toepassing op vuurwerk van categorie F1 en op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1o, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2.6.3a Schieten met carbid of soortgelijke stoffen 1. Het is verboden binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom acetyleengas afkomstig van een reactie tussen carbid (calciumacetylide) en water en / of een gasmengsel met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden of er een voorwerp mee af te schieten. 2. Het is verboden om op een openbare plaats carbid of een andere in het eerste lid genoemde stof voorhanden te hebben, te vervoeren of onbeheerd achter te laten. 3. Het verbod om carbid of een andere stof als bedoeld in het tweede lid voorhanden te hebben en te vervoeren is niet van toepassing op degene die aannemelijk maakt dat hij die stof of stoffen nodig heeft in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf. 4.

De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht.

Afdeling 7

Met opmerkingen [JH39]: De VNG kent nog een alternatieve bepaling waarbij gekozen wordt voor een algeheel verbod via het eerste lid en uitzonderingen bij aanwijzing via tweede lid (zie toelichting op model APV). Probleem is dat de jaarwisseling 20222023 heeft aangetoond dat een volledig verbod in 11 gemeenten waar zo’n verbod van kracht was, het verbod massaal werd overtreden en ook niet handhaafbaar bleek. Beter is om te wachten op een mogelijk landelijk verbod waarbij welllicht ook de voorkant (een verbod tot verkoop) wordt meegenomen. Met opmerkingen [JH40]: Ingevoegd op verzoek van afdeling V&N omdat het afsteken van fop- en schertsvuurwerk ingevolge landelijke wetgeving het gehele jaar geoorloofd is. Met opmerkingen [JH41]: En / of moet worden vervangen door “of” zie 100 Igr (Igr 29 lid 2). Met opmerkingen [JH42]: Komma staat in de geldende tekst verkeerd en de tekst is voor verbetering vatbaar. Het gebruik van de term “redelijkerwijs” kan bovendien in de praktijk discussie opleveren. Door de nieuwe redactie kan het derde lid ingekort worden.

Drugsoverlast

Artikel 2.7.1 Drugshandel op straat (artikel 2:74 VNG) Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Met opmerkingen [JH43]: Tekstuele verbetering (cosmetisch) zodat tekst conform model VNG is.

Artikel 2.7.2 Openlijk drugsgebruik (artikel 2:74a VNG) Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor het publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.

Met opmerkingen [JH44]: Hieronder valt ook het openlijk gebruik van lachgas. Hieraan is in tegenstelling tot artikel 2.4.7 wel een CFT-feitencode gekoppeld waarmee de strafbaarheid is geborgd. Voor meer informatie zie het raadsvoorstel. N.B. Deze (model) bepaling is door de ABRvS getoetst en als verbindend beoordeeld (ECLI:NL:RVS:2022:1361).

Afdeling 8

Bestuurlijke ophouding

Artikel 2.8.1 Bestuurlijke ophouding (artikel 2:75 VNG) De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in artikel 2.1.1.1, 2.1.1.2, 2.1.5.1, 2.1.5.2, 2.2.1.3, 2.2.2.7, 2.4.8, 2.4.9, 2.4.10, 2.4.10a, 2.6.3, 2.6.3a en 5.5.1 van deze verordening groepsgewijs niet naleven.

Met opmerkingen [JH45]: Toegevoegd de verbodsbepaling inzake de verstoring van evenementen. Met opmerkingen [JH46]: Toegevoegd. Motivering: carbidschieten ontbreekt in lijst en wordt nu toegevoegd.

APV Helmond 2020 (derde wijziging)

Blz. 21 van 45

Afdeling 9

Veiligheidsrisicogebieden

Artikel 2.9.1 Veiligheidsrisicogebieden (artikel 2:76 VNG) De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.

Afdeling 10

Cameratoezicht op openbare plaatsen

Artikel 2.10.1 Cameratoezicht op openbare plaatsen (artikel 2:77 VNG) 1. De burgemeester kan op grond van artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. 2. De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid ook voor andere voor het publiek toegankelijke plaatsen.

Afdeling 11

Met opmerkingen [JH47]: In het huidige lid staat nu: voor een ieder toegankelijke plaatsen. Qua terminologie is het zuiverder en beter om te spreken van voor het publiek toegankelijke plaatsen (zie overzicht Openbare plaatsen en niet openbare plaatsen – HJ.SB.JT juni 2022). Zie ook APV gemeente Deurne.

Woonoverlast

Artikel 2.11.1 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet (artikel 2:79 VNG) 1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt. 2. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke: a. geluid- of geurhinder; b. hinder van dieren; c. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in de woning of op het erf aanwezig zijn; d. overlast door vervuiling of verwaarlozing van de woning of het erf; of e. intimidatie van derden vanuit de woning of op of vanaf het erf.

Afdeling 12

Met opmerkingen [JH48]: Betreft verplaatsing binnen hetzelfde hoofdstuk. Zie toelichting hiervoor.

Toezicht op bedrijfsmatige activiteiten en gebouwen

Artikel 2.12.1 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat (artikel 2:81 VNG) 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. exploitant: natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend; b. beheerder: de natuurlijke persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten; c. bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, of een bij dat gebouw behorend perceel, een perceelsgedeelte of andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.

APV Helmond 2020 (derde wijziging)

Blz. 22 van 45

Met opmerkingen [JH49]: Dit artikel valt nu nog onder de reikwijdte van afdeling 3 (toezicht op openbare inrichtingen). Dat suggereert qua plaatsing een beperkte reikwijdte. Deze bepaling is bedoeld om criminele activiteiten te verhinderen in voor het publiek openstaande gebouwen waar bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden (autoverhuurbedrijven, garagebedrijven, belwinkels, bruidsmodezaken etc.).

2. De burgemeester kan gebouwen, gebieden en bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw kan zich tot een of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit onder druk staat. 3. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen: a. In een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester genoemde bedrijfsmatige activiteiten; of b. Indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het tweede lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft. 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester kan een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren: a. in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten; b. indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed; c. indien de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is; d.

indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met de aanvraag in overeenstemming zal zijn; e. indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; f. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan of een geldende Leefmilieuverordening; g. indien een of meer beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken. 5. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 APV kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid intrekken of wijzigen indien: a. door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast, of; b. door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed, of; c. de voorschriften uit de vergunning of de plichten voortvloeiend uit dit artikel niet worden nageleefd, of; d. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is, of; e.

de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf dan wel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed, of; f. er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden, of; g. er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde, of; h. de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd dan wel sprake is van een gewijzigde exploitatie; i. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke exploitatie niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is; of j. indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met het bestemmingsplan of een geldende Leefmilieuverordening. 6. De burgemeester kan een bedrijf sluiten indien dat bedrijf in strijd met het verbod uit het derde lid van deze bepaling wordt geëxploiteerd, de vergunning is ingetrokken of als de aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen niet worden nagekomen. 7. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het zesde lid van deze bepaling gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven. 8.

De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven. 9. Indien er een verandering van omstandigheden optreedt, waardoor er een wijziging van de vergunning dient te komen, moet de exploitant onverwijld een wijzigingsaanvraag indienen. Indien deze aanvraag niet binnen een APV Helmond 2020 (derde wijziging)

Blz. 23 van 45

Met opmerkingen [JH50]: De (oude) Helmondse bepaling is letterlijk overgenomen van Tilburg. De Rotterdamse (oer)bepaling die de VNG nu introduceert als modelbepaling - maakt het ook mogelijk om naast gebouwen en bedrijfsmatige activiteiten ook gebieden aan te wijzen.

Met opmerkingen [JH51]: Leesteken ontbreekt. Zie ook 100 Igr.

Met opmerkingen [JH52]: Er stond artikel 4 APV ? Dat artikel bestaat niet en moet zijn artikel 1:6 van deze verordening.

Met opmerkingen [JH53]: Wetgevingstechnisch gezien wordt volgens de 100 Igr alleen het woordje “of” geplaatst tussen het voorlaatste en laatste onderdeel van de opsomming (zie Igr 20 en 21). Met opmerkingen [JH54]: De bevelsbevoegdheid is eruit gehaald; zie argumentatie bij artikel over gebiedsontzegging. Wordt in het model van de VNG nog aangepast.

maand is ingediend na de verandering van omstandigheden, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een vergunning vervalt, wanneer de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden. 10. Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat een op de vergunning vermelde beheerder in het bedrijf aanwezig is. 11.In afwijking van het derde lid geldt dit verbod voor de exploitant die op het moment van inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit reeds onder het aanwijzingsbesluit vallende bedrijfsmatige activiteiten verricht, voor die bestaande activiteiten op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of met ingang van inwerkingtreding van het besluit tot weigering of intrekking van een door hem aangevraagde vergunning, voor zover dat eerder is. 12.Op de vergunning als bedoeld in het derde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

HOOFDSTUK 3

Afdeling 1

REGULERING PROSTITUTIE, SEKSBRANCHE EN AANVERWANTE ONDERWERPEN

Algemene bepalingen

Artikel 3.1.1 Definities In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; b. prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; c. seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een (raam)prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotischemassagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; d. escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; e. exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen; f.

beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in een seksinrichting of escortbedrijf; g. bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van: 1º de exploitant; 2º de beheerder; 3º de prostituee; 4º het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is; 5º toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2 van deze verordening; 6º andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Artikel 3.1.2 Bevoegd bestuursorgaan In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.

APV Helmond 2020 (derde wijziging)

Blz. 24 van 45

Met opmerkingen [JH55]: Lid 11 van het model is anders geformuleerd. Lid 9 is een nadere invulling van artikel 1.6.

Met opmerkingen [JH56]: De wettelijke basis voor het gemeentelijke prostitutiebeleid is onverminderd artikel 151a Gemeentewet. De (landelijke) Wet regulering sekswerk (Wrs) laat nog steeds op zich wachten en zal zeker niet voor 1 januari 2024 in werking treden (info CCV). Het huidige prostitutiebeleid voor de Peelgemeenten is verouderd en zal t.z.t. opnieuw tegen het licht moeten worden gehouden. Een en ander is afhankelijk van de landelijke ontwikkelingen en de komst van de nieuwe landelijke wetgeving. De VNG heeft overigens via nieuwe modelbepalingen voorgesorteerd op de Wrs.

Artikel 3.1.3 Nadere regels Met het oog op de openbare orde belangen en de belangen genoemd in artikel 3.3.2, tweede lid, kan het college nadere regels stellen met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in dit hoofdstuk.

Afdeling 2

Seksinrichtingen, escortbedrijven, straatprostitutie, sekswinkels en dergelijke

Artikel 3.2.1 Seksinrichtingen en escortbedrijven 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen. 2. Het college kan gebieden of delen van de gemeente aanwijzen waar het niet is toegestaan om een seksinrichting te exploiteren. 3. Het bevoegde bestuursorgaan kan voor maximaal twee seksinrichtingen vergunning verlenen voor zover deze seksinrichtingen niet zijn gelegen in een gebied of deel van de gemeente dat is aangewezen ingevolge het tweede lid. 4. In afwijking van het bepaalde in het derde lid kan het bevoegde bestuursorgaan voor maximaal één seksbioscoop vergunning verlenen. 5. Geen vergunning wordt verleend voor seksinrichtingen zijnde raamprostitutiebedrijven. 6. Het college kan ten aanzien van escortbedrijven bepalen dat er een maximum aantal vergunningen wordt verleend. 7. In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld: a. de persoonsgegevens van de exploitant; b. de persoonsgegevens van de beheerder; en c. de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf. 8. Op de vergunning als bedoeld in het eerste lid is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking van rechtswege bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing. Artikel 3.2.2 Gedragseisen exploitant en beheerder 1. De exploitant en de beheerder: a.

staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; b. is niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en c. heeft de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. 2. Naast de gestelde eisen in het eerste lid, zijn de exploitant en de beheerder niet: a. met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; b. binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland (inclusief de drie openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint-Eustasius) Aruba, Curaçao en Sint-Maarten, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; c.

binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: 1º bepalingen gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000 en de Wet arbeid vreemdelingen en Hoofstuk 3 van de Algemene plaatselijke verordening Helmond; 2º de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 416, 417, 417bis, 420bis tot en met 420quinquies, 426 en 429quater van het Wetboek van Strafrecht; 3º artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen; 4º de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 en artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; APV Helmond 2020 (derde wijziging)

Blz. 25 van 45

Met opmerkingen [JH57]: Ontbrekende interpunctie.

5º de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; of 6º de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. 3. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld: a. vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid , onder a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375 bedraagt; b. een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. 4. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: a. bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning; b. bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. 5. De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake geen verwijt treft. Artikel 3.2.3 Sluitingstijden seksinrichtingen 1. Het bevoegd bestuursorgaan kan door middel van een vergunningvoorschrift voor een seksinrichting sluitingstijden vaststellen. 2.

Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid, dan wel krachtens artikel 3.2.4, eerste lid, gesloten dient te zijn. 3. Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of het Activiteitenbesluit milieubeheer gebaseerde voorschriften. Artikel 3.2.4 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting 1. Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel 3.3.2, tweede lid, of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan: a. tijdelijk andere dan de in de vergunningvoorschriften opgenomen sluitingsuren vaststellen; b. de afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk gedeeltelijk of volledig sluiten. algehele sluiting bevelen. 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend. Artikel 3.2.5 Aanwezigheid en toezicht door exploitant en beheerder 1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3.2.1 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is. 2.

De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting: a. geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en b. geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. Artikel 3.2.6 Straatprostitutie 1. Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, te trachten als prostituee de aandacht van passanten op zich te vestigen. 2. Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te begeven. Artikel 3.2.7

(vervallen)

APV Helmond 2020 (derde wijziging)

Blz. 26 van 45

Met opmerkingen [JH58]: Er stond bevoegd gezag; moet zijn het bevoegd bestuursorgaan (zie artikel 3.1.2) en gezien het gegeven dat de definitie bevoegd gezag met de inwerkingtreding van de VFL uit de APV verdwijnt

Met opmerkingen [JH59]: Bevelsbevoegdheid verwijderd (zie argumentatie bij bepaling over gebiedsontzegging). Sluiting vindt plaats op basis van bevel. Voor het overige tekstueel vereenvoudigd.

Artikel 3.2.8

Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen e.d. 1. Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: a. indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt; b. anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels. 2. Het verbod bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.

Afdeling 3

Beslistermijn en weigeringsgronden

Artikel 3.3.1 Beslistermijn 1. Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. 2. Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen. Artikel 3.3.2 Weigeringsgronden 1. De vergunning bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, wordt geweigerd indien: a. de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3.2.2 gestelde eisen; b. de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan of stadsvernieuwingsplan; c. er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde; d. er door vergunningverlening meer vergunningen verleend zouden worden dan het door het bevoegd bestuursorgaan bepaalde maximum aantal vergunningen. 2. Voor seksinrichtingen en in Nederland gevestigde escortbedrijven kan, onverminderd het bepaalde in artikel 1:8, de vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1, eerste lid, worden geweigerd in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast; b. het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat; c.

de veiligheid van personen of goederen; d. de verkeersvrijheid- of veiligheid; e. de volksgezondheid of zedelijkheid; of f. de arbeidsomstandigheden van de prostituee.

Afdeling 4

Beëindiging exploitatie en wijziging beheer

Artikel 3.4.1 Beëindiging exploitatie 1. De vergunning vervalt zodra de op de vergunning vermelde exploitant de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd. 2. Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.

APV Helmond 2020 (derde wijziging)

Blz. 27 van 45

Met opmerkingen [JH60]: Zie opmerking bij artikel 3.2.3 APV. Met opmerkingen [JH61]: Zie opmerking bij artikel 3.2.3 APV.

Met opmerkingen [JH62]: Wijziging interpunctie

Artikel 3.4.2 Wijziging beheer 1. Indien de beheerder het beheer van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk beëindigt, geeft de exploitant daarvan binnen een week schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan. 2. Het beheer kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder of nieuwe beheerders, indien de exploitant het bevoegd bestuursorgaan hiervan vooraf in kennis heeft gesteld en het bevoegd bestuursorgaan de kennisgeving heeft aanvaard, dan wel na de kennisgeving zes weken zijn verstreken.

HOOFDSTUK 4

Afdeling 1

BESCHERMING VAN MILIEU EN NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE

Voorkomen of beperken geluidhinder en hinder door verlichting

Artikel 4.1.1 Definities (artikel 4:1 VNG) In deze afdeling wordt verstaan onder: - Besluit: het Activiteitenbesluit milieubeheer; - inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, met dien verstande dat de artikelen 4.1.2 tot en met 4.1.5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; - houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; - collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; - incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen; - gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer; - gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer; - onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt. Artikel 4.1.2 Aanwijzing collectieve festiviteiten (artikel 4:2 VNG) 1. De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4.1.4a van deze verordening gelden niet voor horeca inrichtingen voor de volgende collectieve festiviteiten: a.

Carnaval: -carnavalsvrijdag vanaf 17.00 uur; -carnavalszaterdag t/m dinsdag vanaf 10.00 uur. b. Koningsnacht vanaf 13.00 uur en Koningsdag vanaf 09.00 uur. c. Jaarwisseling op 31 december vanaf 17.00 uur en op 1 januari tot 09.00 uur. 2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3:148, eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3. In een aanwijzing als bedoeld in tweede lid kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer delen van de gemeente. 4. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 5. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting, bedraagt niet meer dan 85 dB(A)/100 dB(C), gemeten op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 7. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

APV Helmond 2020 (derde wijziging)

Blz. 28 van 45

Met opmerkingen [JH63]: Stond enkel het begrip inrichting zonder verdere definiëring. Tekst overgenomen uit het model van de VNG.

8. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4.1.4a van deze verordening - uiterlijk om 24.00 uur beëindigd en op dagen dat een zaterdag, zondag of erkende feestdag volgt uiterlijk om 01.00 uur. Artikel 4.1.3 Kennisgeving incidentele festiviteiten (artikel 4:3 VNG) 1. Het is een houder van een inrichting gelegen binnen een horecaconcentratiegebied als bedoeld in artikel 4.1.6 van deze verordening toegestaan op maximaal zes dagen per kalenderjaar en een houder van een inrichting elders in de gemeente op maximaal tien dagen per kalenderjaar incidentele festiviteiten te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a van het Besluit en artikel 4.1.4a van deze verordening niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 2.

Het is een houder van een inrichting toegestaan om tijdens maximaal twaalf dagen per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3:148, eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 3. Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving. 4. De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 5. De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat. 6. Het equivalente geluidsniveau LAeq veroorzaakt door de inrichting bedraagt niet meer dan 85 dB(A)/100 dB(C) gemeten op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter. 7. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 8.

Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2:19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4.1.4a van deze verordening - uiterlijk om 24.00 uur beëindigd en op dagen dat een zaterdag, zondag of erkende feestdag volgt uiterlijk om 01.00 uur. 9. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid in het bebouwde gedeelte van de inrichting blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. Artikel 4.1.4

(vervallen)

Artikel 4.1.4a Onversterkte muziek (artikel 4:5 VNG) 1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid van het Besluit binnen inrichtingen is de onder e. opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; b. de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; c. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder en verblijfsruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder. d. bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. e. Tabel 7.00 – 19.00 uur 19.00 – 23.00 uur 23.00 – 7.00 uur LAr,LT op de gevel van 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) geluidsgevoelige gebouwen LAr,LT in in- en aanpandige 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) geluidsgevoelige gebouwen

APV Helmond 2020 (derde wijziging)

Blz. 29 van 45

LAmax op de gevel van geluidsgevoelige gebouwen LAmax in in- en aanpandige geluidsgevoelige gebouwen

70 dB(A)

65 dB(A)

60 dB(A)

55 dB(A)

50 dB(A)

45 dB(A)

2. Voor de duur van 8 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. 3. Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Besluit van toepassing. 4. Het eerste lid geldt niet voor collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 4.1.2 of artikel 4.1.3. Artikel 4.1.4b Geluidhinder door dieren (artikel 4:5c VNG) Degene die buiten een inrichting de zorg heeft voor een dier moet voorkomen dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt. Artikel 4.1.5 Overige geluidhinder (artikel 4:6 VNG) 1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3.

Het verbod geldt niet in situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit 2012 of de Provinciale milieuverordening Noord-Brabant 2010 (Interim) omgevingsverordening Noord-Brabant. 4. Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking van rechtswege bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Met opmerkingen [JH64]: Zie gewijzigde tekst in ledenbrief VNG zomerupdate 2022.

Artikel 4.1.6 Aanwijzing horecaconcentratiegebied Het college kan delen van de gemeente aanwijzen als concentratiegebied voor horeca-inrichtingen als bedoeld in artikel 2.19a van het Besluit. Artikel 4.1.7 Verbod ballonnen op te laten 1. Het is verboden ballonnen op te laten stijgen. 2. In het eerste lid wordt onder een ballon verstaan: elke onbemande ballon of huls die door middel van helium, open vuur of andere gassen in de lucht wordt gebracht, waarbij de richting en/of de hoogte van de ballon niet door menselijk ingrijpen kan worden bepaald.

Afdeling 2

Bodem-, weg- en milieuverontreiniging

Artikel 4.2.1 Natuurlijke behoefte doen (artikel 4:8 VNG) Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

Afdeling 3

Het bewaren van houtopstanden

Artikel 4.3.1 Definities (artikel 4:10 VNG) In deze afdeling wordt verstaan onder: 1. In deze afdeling wordt verstaan onder: a. houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen; b. hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen; APV Helmond 2020 (derde wijziging)

Met opmerkingen [JH65]: Twee keer dezelfde aanhef; dat is er één teveel.

Blz. 30 van 45

c. puntelement: een solitaire boom of boomgroep; d. lijnelement: een bomenlaan, bomenrij of houtwal; e. vlakelement: een gebied. 2. In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

Met opmerkingen [JH66]: Cosmetische aanpassingen en toevoegen ontbrekende interpunctie.

Artikel 4.3.2 Aanwijzing elementen 1. Het college wijst puntelementen, lijnelementen en vlakelementen aan op grond van leeftijd, conditie, zeldzaamheid en locatie van de houtopstand. Voorts kan aanwijzing plaats vinden in verband met de beeldbepalende, cultuurhistorische, dendrologische, economische, ecologische of milieuwaarde van de houtopstand. 2. De ingevolge het eerste lid aangewezen vlakelementen, lijnelementen en puntelementen worden aangegeven op een bomenkaart en beschreven in een boomcatalogus. Artikel 4.3.3 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden (artikel 4:11 VNG) 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de houtopstanden te vellen of te doen vellen die staan aangegeven op de bomenkaart en zijn beschreven in de boomcatalogus. 2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing: a. op houtopstand die in verband met dunnen moet worden geveld; b. als de burgemeester toestemming verleent voor het onmiddellijk vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of een acuut gevaar voor personen of goederen; c. het vellen van houtopstanden die aantoonbaar op bedrijfseconomische wijze worden geëxploiteerd. 3. Het in het eerste lid genoemde verbod is verder niet van toepassing op: a. fruitbomen en windschermen om boomgaarden; b.

naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; c. kweekgoed; d. uit populieren of wilgen bestaande: 1°. wegbeplantingen; 2°. beplantingen langs waterwegen, en 3°. eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; e. uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: 1°. ten minste eens per tien jaar worden geoogst; 2°. bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en 3°. zijn aangelegd na 1 januari 2013. 4. Het bevoegd gezag kan een vergunning als bedoeld in het eerste lid verlenen indien: a. de houtopstand een gevaar oplevert voor de veiligheid; b. de houtopstand zwaarwegende overlast veroorzaakt; c. het vellen van de houtopstand noodzakelijk wordt geacht voor een goede agrarische bedrijfsvoering; of d. in afweging van alle betrokken belangen het algemeen belang prevaleert. e. ingevolge artikel 4.3.8 juncto artikel 5:42 lid 2 BW de boom te dicht bij de erfgrens staat 5. In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd op grond van: a. de natuurwaarde van de houtopstand; b. de landschappelijke waarde van de houtopstand; c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon; d.

de beeldbepalende waarde van de houtopstand; e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand; of f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand. 6. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften. 7. Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking van rechtswege bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

APV Helmond 2020 (derde wijziging)

Blz. 31 van 45

Met opmerkingen [JH67]: Leesteken aangepast. Met opmerkingen [JH68]: Leesteken aangepast.

Artikel 4.3.4 Aanvraag omgevingsvergunning Een omgevingsvergunning kan alleen worden aangevraagd door of namens dan wel met toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken. Artikel 4.3.5 Herplantplicht zonder omgevingsvergunning en instandhoudingsplicht 1. Indien de houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in artikel 4.3.3 van toepassing is, zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hem te geven aanwijzingen en binnen een door hem te stellen termijn. 2. Wordt een verplichting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen. 3.

Indien het voortbestaan van de houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in artikel 4.3.3 van toepassing is ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen en binnen een door hem te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die dreiging wordt weggenomen. Artikel 4.3.7 Bestrijding iepziekte 1. De rechthebbende op een terrein waarop zich een of meerdere iepen bevinden die naar het oordeel van het bevoegd gezag gevaar opleveren voor verspreiding van de iepziekte of voor vermeerdering van iepenspintkevers, is - na daartoe door het bevoegd gezag te zijn aangeschreven en binnen de in de aanschrijving genoemde termijn verplicht: a. deze iepen te vellen voor zover deze in de grond staan; b. deze iepen te ontbasten en de bast te vernietigen of c. de niet ontbaste iepen of delen daarvan te vernietigen dan wel zodanig te behandelen dat verspreiding van de iepziekte wordt voorkomen. 2. Het is verboden gevelde iepen of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren. Dit verbod is niet van toepassing op geheel ontbast iepenhout en op iepenhout met een doorsnede kleiner dan 4 cm. 3.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12970522/1