CConstaterende datHelmond
Koppel je AI →
Document · PDF

RN 034 Toelichting bestemmingsplan Buitengebied - Goorsebaan 16 en 20

Gemeenteraad 9 juni 2022, gemeente HelmondBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Buitengebied – Goorsebaan 16 en 20.13.218 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

32

Bestemmingsplan ‘Buitengebied - herziening Goorsebaan 16 en 20’ Helmond’

Voorgrondbelasting

Achtergrondbelasting

Geurgehinderden (%)

Leefklimaat

≤1

≤3

<5

Zeer goed

1-3

3–7

5 - 10

Goed

4-6

7 – 13

10 - 15

Redelijk goed

7-9

13 – 20

15 - 20

Matig

10 - 13

20 – 28

20 - 25

Tamelijk slecht

14 - 18

28 - 38

25 - 30

Slecht

19 - 24

38 -50

30 - 35

Zeer slecht

≥ 25

≥ 50

35 - 40

Extreem slecht

Figuur 21: Wet geurhinder en veehouderij, bijlagen 6 en 7

4.6.3

Veehouderijen in omgeving

In de omgeving van het plangebied is één locatie waar dieren worden gehouden. Het betreft hierbij de locatie Goorsebaan 15. Aan Goorsebaan 16-20 is tevens een vergunning aanwezig voor 4 paarden. Navolgend worden beide vergunning inzichtelijk gemaakt.

Figuur 22: Vergunde situatie Goorsebaan 15 (BVB-Brabant)

Figuur 23: Vergunde situatie Goorsebaan 16-20 (BVB-Brabant)

4.6.4

Aanvaardbaar woon- en leefklimaat

4.6.4.1 Inleiding Als vuistregel voor de beoordeling van het woon- en leefklimaat geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder, als de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting.

4.6.4.2 Voorgrondbelasting Met de voorgrondbelasting wordt de geurbelasting van een individuele veehouderij bedoeld en wel van die veehouderij welke de meeste geur op het geurgevoelige object veroorzaakt (dominantie veehouderij), hetzij omdat het een grote veehouderij betreft, hetzij omdat de veehouderij dicht bij het geurgevoelige object is gelegen. Binnen een straal van 1 kilometer VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

33

Bestemmingsplan ‘Buitengebied - herziening Goorsebaan 16 en 20’ Helmond’

bevinden

zich

geen

veehouderijen

waar

dieren

worden

gehouden

waarvoor

een

geuremissiefactor is vastgesteld. De voorgrondbelasting zal dan ook niet bepalend zijn voor het woon- en leefklimaat. Voor omliggende veehouderijbedrijven geldt een vaste afstand van 50 meter. Aan de vaste afstand wordt voldaan.

4.6.4.3 Achtergrondbelasting De geurbelasting ten gevolge van meerdere intensieve veehouderijen in de omgeving vormt de achtergrondbelasting. Door de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB) is een kaart met de indicatieve achtergrondbelasting (peildatum maart 2022) gepubliceerd. Een uitsnede van deze kaart is navolgend opgenomen, waarbij het plangebied met een rode cirkel is aangeduid.

Figuur 24: Uitsnede kaart achtergrondbelasting (ODZOB)

De achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied bedraagt 0-3 oue/m³. Op basis van de achtergrondbelasting is dan ook sprake van een ‘zeer goed’ woon- en leefklimaat.

4.6.4.4 Conclusie Binnen een straal van 1 kilometer bevinden zich geen veehouderijen met een geuremissie. De voorgrondbelasting zal dan ook niet bepalend zijn voor het woon- en leefklimaat. Op basis van de achtergrondbelasting is sprake van een ‘zeer goed’ woon- en leefklimaat. Ter plaatse is een aanvaardbaar woon- en verblijfklimaat dan ook gegarandeerd.

4.6.5

Ontwikkelingsmogelijkheden omliggende veehouderijen

Herontwikkeling van het plangebied mag de toekomstige ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijbedrijven niet belemmeren. Middels onderhavige ontwikkeling wordt geen nieuw geurgevoelig object toegevoegd. De woning aan Goorsebaan 20 is reeds een geurgevoelig object. Er worden derhalve geen veehouderijbedrijven in de bedrijfsvoering gehinderd. VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

34

Bestemmingsplan ‘Buitengebied - herziening Goorsebaan 16 en 20’ Helmond’

4.7

Bedrijven en milieuzonering

4.7.1

Inleiding

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Om te komen tot een verantwoorde, ruimtelijk relevante toetsing in milieuhygiënisch opzicht van nieuwe ontwikkelingen wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde milieuzonering. Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Bij de milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten uit de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering”. Deze (indicatieve) lijst geeft de richtafstanden weer voor milieubelastende activiteiten voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bestemming en de uiterste grens van de gevel van een woning die volgens het bestemmingsplan of via vergunning vrij bouwen mogelijk is. De richtafstanden zijn afgestemd op twee omgevingstypen: ‘rustige woonwijk’ en ‘gemengd gebied’. Het plangebied kan getypeerd worden als ‘gemengd gebied’. Het kan in dergelijke gebieden gaan om bestaande gebieden met functiemenging en om gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd, bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen.

Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid wordt hieronder verstaan. In de omgeving is een melkveebedrijf gevestigd en een fruitteeltbedrijf. Tevens ligt het plan in de nabijheid van de Kanaalzone en de N612. De richtafstanden in de VNG-publicatie kunnen in ‘gemengd gebied’, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap verlaagd worden.

4.7.2

Toets

Ten opzichte van het melkveebedrijf was de woning aan Goorsebaan 20 reeds aan te merken als gevoelig object. Hierin vinden geen wijzigingen plaats. Aan de woning Goorsebaan 20 wordt de functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – plattelandswoning’ toegekend. Met de beoogde herontwikkeling wordt geen nieuw gevoelig object opgericht. De plattelandswoning hoeft niet te worden beschermd tegen milieugevolgen van de eigen inrichting. Ten aanzien van andere inrichtingen wordt deze woning beschermd als ware het een bedrijfswoning. Aan deze situatie wijzigt dan ook niets; de woning blijft immers een bedrijfswoning behorende bij een agrarische inrichting. De ontwikkeling is geen bezwaar in het kader van bedrijven en milieuzonering.

4.8

Bodemkwaliteit

Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient te zijn aangetoond dat de bodem geschikt is voor de beoogde functie. Ter plaatse wordt geen nieuwe gevoelige functie toegevoegd. De bestaande opstallen worden al gebruikt ten behoeve van gevoelige functies. Er is geen aanwijzing dat de bodemkwaliteit risico’s oplevert voor de gebruikers van de bodem. De bodemkwaliteit verslechtert niet door grondverzet. Een verkennend bodemonderzoek is niet noodzakelijk. VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

35

Bestemmingsplan ‘Buitengebied - herziening Goorsebaan 16 en 20’ Helmond’

4.9

Gewasbeschermingsmiddelen

Bij het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen komt drift vrij. Drift is een term die gebruikt wordt voor de spuitvloeistof die tijdens de bespuiting buiten het gebied waar de bestrijdingsmiddelen worden toegepast terecht komt als gevolg van wind- en luchtstromen. Drift is een belangrijke en directe bron van luchtverontreiniging, waardoor mens en dier in contact kunnen komen met gewasbeschermingsmiddelen. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico’s voor de gezondheid inhouden. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet bij de toevoeging van een nieuwe gevoelige functies een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Op grond van deze afweging kan het noodzakelijk zijn om een spuitvrije zone aan te houden. Welke afstand (minimaal) aangehouden moet worden, is niet in een wettelijke regeling voorgeschreven. Uit jurisprudentie blijkt dat de Raad van State een afstand van 50 meter, tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid, waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Volgens vaste rechtspraak kan een kortere afstand ook aanvaardbaar zijn, mits hieraan een goede onderbouwing ten grondslag ligt. Uit rechtspraak volgt dat dit een locatie-specifiek onderzoek moet zijn.

Tevens volgt uit de rechtspraak dat met bijvoorbeeld een afschermende beplanting en afschermende bebouwing een kleinere afstand gemotiveerd kan worden. Naast omstandigheden zoals een afschermende beplanting en afschermende bebouwing, blijkt uit de jurisprudentie dat ook

andere

omstandigheden een rol kunnen spelen bij het bepalen van de afstand voor de spuitzone. Als voorbeelden kunnen worden genoemd het soort gewas dat wordt geteeld/gekweekt, wijze en frequentie van bespuiten, gehinderden (beperkt of kort van duur) en de heersende windrichting en de aanwezigheid van een sloot of watergang. Bovendien is per 1 januari 2018 het Activiteitenbesluit aangescherpt en moet, waar dan ook, minimaal 75% drift-arm gespoten worden. Voor onderhavige ontwikkeling is het van belang dat er geen sprake is van het toevoegen van een nieuwe woning, maar enkel het bestemmen van een tweede bedrijfswoning als plattelandswoning. Een dergelijke woning mag worden bewoond door derden zonder binding met het agrarisch bedrijf maar wordt wel beschouwd als onderdeel van die inrichting. Desalniettemin wordt beschouwd of ter plaatse sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De voorzijde van de woning ligt op een afstand van circa 25 meter tot de gewassen. De perenboomgaard is hoofdzakelijk ten noorden van de woning gelegen. Het buiten gebruik op het perceel vindt hoofdzakelijk achter en/of in de woning plaats. De achtertuin wordt dan ook grotendeels afgeschermd door het hoofdgebouw, aangebouwd bijgebouw en aanliggende beplanting. De heersende windrichting bevindt zich tevens hoofdzakelijk afwaarts van de woning.

Tussen de woning en de teeltgronden is tevens sprake van opgaande beplanting die een afschermde werking heeft. Het betreft een doorgeschoten haag van fruitbomen en laanbeplanting van essen. Op het perceel van de woning zelf is een groenblijvende taxushaag aanwezig.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

36

Bestemmingsplan ‘Buitengebied - herziening Goorsebaan 16 en 20’ Helmond’

Figuur 25: Situatie tussen woning en de gewassen

Op het fruitteeltbedrijf wordt gewerkt volgens het principe van Milieu Bewuste Teelt (MBT). Dit betekent dat de fruitteler hoofdzakelijk biologische vijanden (o.a. insecten) als bescherming voor de gewassen gebruikt en dat spuiten met bestrijdingsmiddelen wordt beperkt. Daarnaast gelden er, onder andere

op het gebied van volksgezondheid en milieu, steeds strengere

toepassingseisen aan bestrijdingsmiddelen en het gebruik daarvan. De gewassen worden gespoten met behulp van een tunnelspuit, waardoor er minder drift ontstaat dan bij een reguliere spuitmethode. Gezien het bovengenoemde wordt gesteld dat in onderhavige situatie afgeweken kan worden van de richtafstand van 50 meter en dat het toekennen van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – plattelandswoning’ geen bezwaar is in het kader van gewasbeschermingsmiddelen en driftzonering.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

37

Bestemmingsplan ‘Buitengebied - herziening Goorsebaan 16 en 20’ Helmond’

5.

SECTORALE ASPECTEN

5.1

Waterhuishouding

5.1.1

Inleiding

Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante plannen en besluiten. Een watertoets maakt de mogelijke negatieve invloeden van het initiatief inzichtelijk. Tevens geeft de watertoets oplossingsrichtingen aan waarmee mogelijke optredende negatieve invloeden beperkt of ongedaan gemaakt kunnen worden. Het waterschap heeft een aantal principes gestileerd, die van belang zijn als vertrekpunt van het overleg tussen initiatiefnemer en waterbeheerder. Het plangebied valt onder het beheer van waterschap Aa en Maas.

5.1.2

Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie

De relevante beleidsontwikkelingen op het gebied van water worden bij het Rijk opgenomen in het Deltaprogramma. Hierin is voor verschillende thema’s beschreven wat het beleid is en hoe het Rijk dat in overleg met overige partners wil gaan bereiken. Het Deltaprogramma bestaat uit verschillende onderwerpen op het gebied van water. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie het meest relevant, omdat hierin de consequenties van de klimaatontwikkelingen voor Nederland zijn opgenomen, evenals de maatregelen die we moeten nemen om ‘klimaatadaptief’ te worden. Een deel van deze maatregelen zal ruimtelijke impact hebben. Met ‘klimaatadaptief’ wordt bedoeld: het klimaatrobuust en klimaatbestendig inrichten van Nederland, gegeven de klimaatontwikkelingen die op ons afkomen. Op basis van de internationale en nationale klimaatmodellen is de verwachting dat het weer in Nederland extremer gaat worden. Dat betekent: meer hevige regenbuien (veel neerslag in korte tijd) en langere periodes met droogte en hitte. Dit heeft consequenties voor de leefbaarheid in steden en dorpen en voor bijna alle (economische) sectoren in Nederland. Met het nemen van klimaatrobuuste maatregelen wordt ingespeeld op deze veranderingen waarmee we steden en dorpen leefbaar houden en (economische) schade door wateroverlast, droogte en hitte beperken.

5.1.3

Provinciaal Milieu- en Waterplan 2016-2021 (PMWP 2016-2021)

Het PMWP bevat het strategische milieu- en waterbeleid van de provincie Noord-Brabant voor de periode 2016-2021. Daarnaast is voor het waterdomein ook toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water, met name voor waterschappen. De beleidsdoelen zijn ondergebracht in drie integrale thema’s: gezonde fysieke leefomgeving, veilige fysieke leefomgeving en groene groei. De verschillende wateronderwerpen zijn ondergebracht bij deze drie integrale thema’s. Deze onderwerpen zijn:

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

38

Bestemmingsplan ‘Buitengebied - herziening Goorsebaan 16 en 20’ Helmond’

-

Voldoende en schoon water voor mens, dier en plant

-

Aanvaardbare risico’s vanuit hoogwater

-

Duurzame zoetwatervoorziening

Belangrijke thema’s hierbij zijn de verbetering van de waterkwaliteit, de verdrogingsbestrijding en een meer natuurlijke inrichting van de watersystemen (waaronder beekherstel en de aanleg van ecologische verbindingszones). Ook vanuit het provinciale beleid is steeds meer aandacht voor een klimaatbestendige stedelijke en landelijke ontwikkeling. Het PMWP fungeert voor een aantal ruimtelijk relevante wateronderwerpen tevens als structuurvisie.

5.1.4

Principes waterschap Aa en Maas

Het waterschap Aa en Maas hanteert navolgende principes: -

gescheiden houden van vuil water en schoon hemelwater;

-

doorlopen van de afwegingsstappen: ‘hergebruik-infiltratie-buffering-afvoer’;

-

hydrologisch neutraal bouwen;

-

water als kans;

-

meervoudig ruimtegebruik;

-

voorkomen van vervuiling;

-

wateroverlastvrij bestemmen;

-

waterschapsbelangen.

5.1.5

Relevant beleid

5.1.5.1 Keur 2015 Voor waterhuishoudkundige ingrepen binnen het plangebied is de Keur waterschap Aa en Maas van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Op grond van de Keur is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het waterschap. Het plangebied is op de kaart behorende bij de Keur waterschap Aa en Maas niet aangewezen als gelegen in beschermd gebied of attentiegebied. Het Eindhovens kanaal, gelegen ten zuiden van het plangebied en de Goorloop en het Groot Goor zijn aangeduid als ‘beschermd gebied’.

5.1.5.2 Waterbeheerplan Aa en Maas 2016-2021 ‘Waardevol water’ In het Waterbeheerplan (WBP) is beschreven welke doelstellingen door Waterschap Aa en Maas worden nagestreefd in de periode 2016 - 2021 en hoe zij die doelstellingen gaan halen. Dit is geformuleerd aan de hand van vier programma’s: 1.

Veilig en Bewoonbaar beheergebied Bij dit programma gaat het er om het beheergebied zo goed mogelijk te beschermen tegen overstromingen van de Maas en het regionale watersysteem. Goede dijken om overstromingen vanuit de Maas te voorkomen. Voldoende ruimte voor water om overlast uit het regionale systeem te beperken en een goede calamiteitenorganisatie om als er toch problemen dreigen te ontstaan, zo adequaat mogelijk te kunnen handelen.

2.

Voldoende water en Robuust watersysteem

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

39

Bestemmingsplan ‘Buitengebied - herziening Goorsebaan 16 en 20’ Helmond’

Dit programma gaat over het zorgen voor een adequate en duurzame watervoorziening in ons beheergebied voor de diverse gebruiksfuncties in hun onderlinge samenhang. Dit doen we door het optimale peil en debiet na te streven in beken, kanalen, sloten én in de ondergrond (voorraadbeheer). Droogteperioden hebben daardoor nu en in de toekomst een zo kort en klein mogelijke impact. 3.

Gezond en Natuurlijk water Dit programma gaat in op alle activiteiten van het waterschap die bijdragen aan het bereiken van de doelstellingen op het gebied van gezond en natuurlijk water. We gaan in op hoe we toewerken naar een watersysteem met een goede waterkwaliteit, dat ecologisch goed functioneert en waar de inwoners en bezoekers van ons beheergebied van kunnen genieten.

4.

Schoon water Dit programma gaat over de doelen en activiteiten met betrekking tot de afvalwaterketen met daarbinnen een centrale plek voor het zuiveren van afvalwater. Het programma vertoont een grote samenhang met het programma gezond en natuurlijk water. Immers, transporteren en zuiveren van afvalwater is een belangrijke activiteit om tot een gezond en natuurlijk watersysteem te komen.

In aanvulling daarop is ook het waterschap bezig het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie te vertalen naar haar eigen beleid.

5.1.6

Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen

De drie Brabantse waterschappen, Aa en Maas, De Dommel en Brabantse Delta hanteren sinds 1 maart 2015 dezelfde (beleids)uitgangspunten voor het beoordelen van plannen waarbij het verhard oppervlak toeneemt. Deze (beleids)uitgangspunten zijn geformuleerd in de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’. Bij een toename en afkoppelen van het verhard oppervlak geldt het uitgangspunt dat plannen zoveel mogelijk hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. De waterschappen maken bij het beoordelen van plannen met een toegenomen verhard oppervlak onderscheid tussen grote en kleine

plannen.

Hoewel

er

relatief

veel

kleine

plannen

zijn

veroorzaken

deze

op

deelstroomgebiedsniveau nauwelijks een toename van de maatgevende afvoer. Het waterschap maakt grofweg onderscheid in projecten met een toename van verhard oppervlak van maximaal 500 m², een toename van het verhard oppervlak tussen 500 m² en 10.000 m² en een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m². Dit bestemmingsplan voorziet enkel in het omzetten van een bedrijfswoning in een plattelandswoning. Er wordt geen verhard oppervlak toegevoegd. Op basis van de ‘Beleidsregel Hydrologische uitgangspunten bij de Keurregels voor afvoeren van hemelwater, Brabantse waterschappen’ wordt geen compensatie vereist voor plannen met een toename van verhard oppervlak van minder dan 500 m². Het hemelwater afkomstig van het toegenomen verhard oppervlak mag naar bestaand oppervlaktewater worden afgevoerd. Regenwaterinfiltratie dient ten alle tijden op eigen terrein geïnfiltreerd te worden. Het plangebied biedt hiertoe voldoende mogelijkheden. VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

40

Bestemmingsplan ‘Buitengebied - herziening Goorsebaan 16 en 20’ Helmond’

5.1.7

Waterplan Helmond 2012-2015/2018

Het waterbeleid van de gemeente Helmond is vastgelegd in het ‘Waterplan 2012-2015’ dat door de gemeenteraad is vastgesteld en geeft de kaders aan waarbinnen het waterbeheer in Helmond vorm moet krijgen. Het ‘Waterplan 2012-2015’ is door de gemeenteraad verlengd voor de periode tot en met 2018. Het gemeentelijke waterplan is een gezamenlijk product van gemeente en waterbeheerder en geeft een uitgewerkte visie op de plaats die het water nu en in de toekomst in Helmond kan innemen. Het geeft daarbij aan wat als gewenste ontwikkeling wordt gezien. De visie is richtinggevend voor het onderdeel water bij planvorming en invulling van projecten. Belangrijke onderwerpen in het Waterplan 2012-2015/2018 zijn: 

Water en ruimtelijke ordening;

Water en ecologie;

Beleving van water;

Waterkwaliteit;

Stedelijk grondwater;

Waterketenbeheer (waaronder afkoppelen en de voorkeursvolgorde voor het verwerken van schoon hemelwater);

Beheer en onderhoud van stedelijk water.

Op deze wijze wordt het mogelijk het aspect water te betrekken bij integrale beleidsafwegingen en daarbij de consequenties van keuzes voor het water aan te geven. Het onderwerp ‘klimaatadaptatie’ is benoemd in het programmaplan Duurzame en Gezonde Stad. De gemeente heeft nog geen beleid vastgesteld over dit onderwerp, dat gebeurt naar verwachting in 2018. Daar waar mogelijk worden klimaatadaptieve maatregelen al wel meegenomen in projecten en plannen.

5.1.8

Bodemsamenstelling en geohydrologische situatie

Het plangebied is gelegen in Madeveengronden op zand zonder humuspodzol. De maaiveldhoogte ter plaatse is circa NAP + 20 meter. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) varieert tussen 20-40 cm onder maaiveld. De gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) bedraagt ongeveer 120-160 cm onder maaiveld. Op grond van de regels van het waterschap zijn voor de beoogde ontwikkeling geen compenserende maatregelen noodzakelijk.

5.1.9

Waterhuishouding huidige situatie

Op dit moment is er geen oppervlaktewater in het plangebied aanwezig ter plaatse van de af te splitsen woning.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

41

Bestemmingsplan ‘Buitengebied - herziening Goorsebaan 16 en 20’ Helmond’

5.1.10

Kwaliteit van te lozen en infiltreren hemelwater

Enkel schoon regenwater mag worden geïnfiltreerd. Om de kwaliteit van het hemelwater te garanderen, dienen onderdelen welke met regenwater in aanraking kunnen komen, te worden vervaardigd of te bestaan uit niet-uitloogbare bouwmaterialen zoals kunststoffen of gecoat staal of aluminium (in plaats van zink, lood of asfalt et cetera). Door het gebruik van niet-uitlogende materialen komen geen verhoogde concentraties verontreinigende stoffen (DuBo-maatregelen) voor in het te infiltreren water. Infiltratie van afgekoppelde verhardingen zoals opritten, parkeerplaatsen en terrassen mag niet verontreinigd zijn met chemische bestrijdingsmiddelen, olie, agressieve reinigingsmiddelen of andere verontreinigende stoffen.

5.1.11 Afvalwater Er vinden geen wijzigingen plaats voor wat betreft de afkoppeling van afvalwater.

5.1.12 Toepassing waterbeleid op het plangebied 5.1.12.1 Voorkeursvolgorde omgaan met regenwater De voorkeursvolgorde voor het omgaan met regenwater is: hergebruik, infiltratie, buffering en afvoer. Bij hergebruik kan gedacht worden aan de aanleg van gescheiden watercircuits door het hergebruik van bijvoorbeeld regenwater (drinkwater, grijswater, huishoudwater). De ervaringen met een aantal proefprojecten leert echter dat deze pas rendabel zijn bij projecten met 1000 of meer te bouwen woningen. Ook de aangescherpte regelgeving maakt het grootschalige hergebruik van (regen)water niet snel haalbaar. In dit plan wordt geen rekening gehouden met hergebruik van regenwater. Voor de aspecten infiltratie, buffering en afvoer wordt onderstaand aangegeven hoe hiermee omgegaan wordt.

5.1.12.2 Infiltratie, buffering en afvoer van regenwater -

Afvoer van vuil- en hemelwater moet worden gescheiden.

-

Het verhard oppervlak neemt niet toe.

-

Het hemelwater van de verharde oppervlakken moet worden afgevoerd naar een voorziening op eigen terrein.

-

Waterbergingsopgave (wordt bepaald met een rekenregel uit de Keur en kaart met gevoeligheidspiekafvoeren) = 0 m³.

-

Het waterschap heeft geen rol/taak in de beoordeling van het plan.

-

Vanuit de openbare ruimte en vanuit de riolering worden er geen situaties verwacht die tot wateroverlast kunnen leiden.

5.1.12.3 Hydrologisch neutraal ontwikkelen -

Het gebied is vanuit oppervlaktewater niet inundatiegevoelig.

-

Het gebied is vanuit grondwater niet gevoelig voor wateroverlast.

5.1.12.4 Voorkomen vervuiling Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater niet mag verslechteren ten opzichte van de huidige situatie. Waar mogelijk wordt een verbetering

nagestreefd.

De

waterkwaliteit

wordt

beïnvloed

door

het

(veranderende)

ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen. Het ruimtegebruik verandert van agrarisch naar woningbouw. Voor de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater heeft dit geen VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

42

Bestemmingsplan ‘Buitengebied - herziening Goorsebaan 16 en 20’ Helmond’

consequenties, mits met bouwmaterialen en onkruidwerende middelen rekening gehouden wordt. Hieronder wordt beschreven hoe dat ingevuld wordt. Bouwmaterialen: De gemeente streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (lood) om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden. Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het pakket duurzaam bouwen en is ook van toepassing op het onderhavige plangebied. Van de initiatiefnemer wordt verwacht dat deze het vrijkomende regenwater niet onnodig vervuild en daarom geen uitlogende bouwmaterialen gebruikt. Gebruik onkruidwerende middelen in groen en op verhardingen: Voor het gebruik van onkruidwerende middelen in groen en op verharding volgt de gemeente Helmond het landelijke beleid. Onkruidwerende middelen worden al sinds enkele jaren niet meer gebruikt in openbaar groen. Voor bestrijding op verhardingen vindt gebruik, voor zover toegestaan, plaats via de DOB-systematiek. Vanaf 2015 vindt bestrijding op verhardingen alleen nog mechanisch plaats, dat wil zeggen: branden, heet water en/of borstelen.

5.2

Flora en Fauna

5.2.1

Inleiding

Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht geworden. Zowel in deze wetgeving zijn de nationale natuurwetgeving en internationale richtlijnen en verdragen verankerd, zoals Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, Wetland-Conventie, Conventie van Bern, Cites en Verdrag van Ramsar. De wet is opgesplitst in de bescherming van gebieden (gebiedsbescherming) en de bescherming van soorten (soortenbescherming).

5.2.2

Gebiedsbescherming

In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogel- en Habitatrichtlijn als uitgangspunt genomen. De gebiedsbescherming van de Wnb richt zich in hoofdzaak op de bescherming van de Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van gebiedsbescherming is in de Wet natuurbescherming opgenomen dat beoordeeld dient te worden of plannen (en projecten) significante gevolgen kunnen hebben voor de Natura 2000-gebieden. Een plan kan worden vastgesteld indien op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat een plan, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, een verslechterend of een significant verstorend effect kan hebben voor de Natura 2000-gebieden. Er gelden dan geen verdere restricties of procedurele vereisten vanuit de Wet natuurbescherming. Het meest dicht bij het plangebied gelegen vogel- en Habitatrichtlijngebied betreft ‘Strabrechtse Heide & Beuven’ en is gelegen op een afstand van circa 5 kilometer ten zuiden van het plangebied. Natura 2000-gebieden kunnen schade ondervinden wegens diverse aspecten, zoals verdroging, oppervlakteverlies, verontreiniging, versnippering, verzilting, optische verstoring, verzuring en vermesting. Potentiële externe effecten, niet zijnde ten gevolge van stikstofdepositie, kunnen in VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

43

Bestemmingsplan ‘Buitengebied - herziening Goorsebaan 16 en 20’ Helmond’

de regel reeds met voldoende zekerheid worden uitgesloten indien een locatie op ruime afstand van een Natura 2000-gebied is gelegen. De potentiële effecten ten gevolge van stikstofdepositie (en dientengevolge verzuring en vermesting) kunnen ook op grotere afstanden merkbaar zijn. In Nederland zijn er 118 (van de 161) Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats, waarvan de kritische depositiewaarde (KDW) reeds wordt overschreden. De KDW geeft aan bij welke mate van stikstofdepositie wordt aangenomen dat niet langer op voorhand kan worden uitgesloten dat er een risico is dat de kwaliteit van het habitattype wordt aangepast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van de stikstofdepositie. Indien een planvoornemen geen stikstofdepositie veroorzaakt op de Natura 2000-gebieden, of per saldo geen toename ten opzichte van de referentiesituatie, kan worden uitgesloten dat het plan een significant gevolg kan hebben. Door de aard van de beoogde situatie kunnen effecten reeds met zekerheid worden uitgesloten. Het object wordt reeds als woning gebruikt. Het gebruik verandert niet. In de Natura 2000gebieden worden geen ingrepen verricht, dan wel zijn geen effecten merkbaar vanuit het plangebied.

5.2.3

Soortenbescherming

In de Wet natuurbescherming geldt een aantal verbodsbepalingen ter bescherming van plantenen diersoorten. Er is sprake van 2 beschermingsniveaus, te weten: Europees beschermde soorten volgens de Habitat- en Vogelrichtlijn en Nationaal beschermde soorten. Voor alle inheemse diersoorten, beschermd of onbeschermd, geldt de zorgplicht. De zorgplicht wil zeggen dat men deze niet onnodig mag doden, verwonden of beschadigen. Voor onbeschermde soorten geldt geen ontheffingsplicht maar alleen de zorgplicht. Naast soorten beschermt de Wet natuurbescherming ook verblijfplaatsen die als ‘vast’ kunnen worden aangemerkt. Een vaste verblijfplek betreft een verblijfplek waarnaar een dier regelmatig terugkeert en niet slechts eenmalig voor een specifieke functie gebruikt wordt, zoals de nesten van de meeste vogels. Voor beschermde soorten dienen de effecten op populatieniveau te worden getoetst. In tegenstelling tot de voorgaande Flora en faunawet is de bescherming in mindere mate individueel en dient de staat van de instandhouding van de gehele populatie in aanmerking te worden genomen. Middels onderhavige ontwikkeling wordt enkel een bedrijfswoning bestemd als plattelandswoning. Negatieve effecten op beschermde natuurgebieden en beschermde soorten en hun leefgebied kunnen derhalve worden uitgesloten.

5.3

Archeologie

5.3.1

Inleiding

De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta. De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Gemeenten spelen een belangrijke rol in het archeologische stelsel. Tijdens het opstellen van bestemmingsplannen houden ze rekening met archeologische waarden. Ook maken zij meestal de afweging of archeologische waarden in situ behouden moeten blijven of kunnen worden opgegraven. VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

44

Bestemmingsplan ‘Buitengebied - herziening Goorsebaan 16 en 20’ Helmond’

5.3.2

Beleidsplan archeologie Eindhoven – Helmond 2008 – 2012

Op 13 januari 2009 zijn het ‘Beleidsplan archeologie Eindhoven – Helmond 2008 – 2012’ en de ‘Archeologische Waardenkaart Helmond’ (versie 25 november 2008) door de gemeenteraad vastgesteld. Inmiddels is op 26 september 2017 de “Archeologische beleidskaart 2017” (versie april 2017) door de gemeenteraad vastgesteld. De beleidskaart is feitelijk een actualisering van de waardenkaart van 2009. Ten aanzien van het plangebied wordt aangegeven dat ter plaatse geen archeologische resten in de bodem verwacht worden. Daarnaast vinden er geen bodemingrepen plaats binnen het plangebied ingevolge de herbestemming. Een archeologisch onderzoek is derhalve niet vereist.

5.4

Cultuurhistorie

Op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van de provincie Noord-Brabant zijn de cultuurhistorische (landschaps)waarden van bovenlokaal belang aangegeven. Het plangebied is op basis van deze kaart gelegen in regio van provinciaal cultuurhistorisch belang ‘Peelrand’ en het archeologisch landschap van provinciaal cultuurhistorisch belang ‘Helmondse akkers’. Regio Peelrand is een zwak golvend dekzandlandschap dat als een hoefijzer rond het voormalige veengebied van de Peel ligt. Door het westelijk gedeelte loopt de Peelrandbreuk, die de Centrale Slenk en de Peelhorst van elkaar scheidt. Langs de breuk vindt nog steeds beweging plaats. Aan het aardoppervlak is de breuklijn hier en daar te zien als een trede in het terrein met een hoogteverschil van enkele meters. Langs de breuklijn komt kwel aan de oppervlakte (wijst). Deze natte delen vormen het brongebied van de bovenlopen van de Aa. De oostzijde van de Peelhorst wordt eveneens door een breuk begrensd. Het noordelijke gedeelte van de Peelhorst is een vlak gebied met plaatselijk dekzandruggen en bevat een gradiëntrijke overgang naar de regio Maaskant waar kwel aan de oppervlakte komt. Het westelijke gedeelte van de Peelrand bestaat uit het open beeklandschap van de Aa. De Peelrand is een overwegend oud en gevarieerd zandlandschap met een kralensnoer van agrarische nederzettingen, akkercomplexen, weilanden en bossen.

De oude dorpen liggen in een wijde boog rond het voormalige hoogveengebied. Het oude zandlandschap rond Stiphout met bolle akkers, beemden, hakhoutbosjes en -wallen is een voorbeeld van dergelijke oude ontginningen. Op verschillende plaatsen zijn in de beekdalen restanten van vloeisystemen aangetroffen. De boeren gebruikten de randen van de Peel om hun vee te weiden, om strooisel te winnen voor de potstallen en om, op bescheiden schaal, turf te steken. In de loop van de afgelopen 1000 jaar werd er vanuit deze dorpen steeds verder geknabbeld aan de randen van het veen. Karakteristiek zijn de vele kloostercomplexen, kerken en processieparken. Tussen de oude dorpen en het Peelgebied liggen jonge ontginningen en boscomplexen uit de negentiende en twintigste eeuw. In deze randzone ontstonden nieuwe dorpen als Odiliapeel en Venhorst. Met het in cultuur nemen van deze 'woeste gronden' werd ook de waterhuishouding steeds verder gereguleerd. Bestaande beken werden rechtgetrokken en stroomopwaarts verlengd en er zijn tal van nieuwe waterlopen gegraven. Bij Mill ligt een deel van de Peel-Raamstelling, bestaande uit het Defensiekanaal, inundatieterreinen en diverse kazematten. Het westelijke gedeelte van de Peelrand is na de Tweede Wereldoorlog sterk verstedelijkt. Hier liggen grote plaatsen als Helmond, Deurne, Uden, Oss, Someren, Gemert en Heesch.

Het oostelijk gedeelte van de Peelrand wordt gekenmerkt door kleine dorpen als Schaijk, VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

45

Bestemmingsplan ‘Buitengebied - herziening Goorsebaan 16 en 20’ Helmond’

Mill, Sint Anthonis en Overloon. De infrastructuur wordt hier bepaald door enkele regionale wegen. Het archeologisch landschap ‘Helmondse akkers ligt in de nabijheid van Helmond en omvat het sterk gevarieerde landschap tussen het Dommeldal in het westen en de Peelhorst in het oosten. Het gebied wordt van zuid naar noord doorsneden door de Aa en de Goorloop en hun zijbeken. Hierdoor is een mozaïek van kleinere en grotere dekzandgebieden ontstaan die veelal zijn bedekt met oude akkercomplexen en woeste gronden heide, bos). Met name in het westen komen zones met stuifduinen voor. De beoogde herontwikkeling doet geen afbreuk aan de cultuurhistorische omgevingswaarden. Aan het plangebied zelf zijn geen specifieke cultuurhistorische waarden toegekend.

5.5

Wonen

5.5.1

Wonen en duurzaamheid

Gemeente Helmond heeft een breed gedragen klimaatbeleidsvisie met een haalbare ambitie vastgesteld, waarbij in een concreet Meerjaren Uitvoeringsprogramma de uit te voeren projecten verwerkt zijn. De nota Klimaatbeleid is een paraplu van alle gemaakte afspraken, getekende convenanten en ambities op het gebied van klimaat, energie en duurzaam bouwen. Middel onderhavige woning wordt enkel aan een bestaande bedrijfswoning de aanduiding ‘plattelandswoning’ toegekend.

5.6

Verkeer en parkeren

Het plangebied wordt ontsloten op de Goorsebaan. Van extra verkeersbewegingen is geen sprake. Er vinden geen wijzigingen plaats wat betreft de ontsluiting van het plangebied. Bij de woning aan Goorsebaan 20 dienen op eigen terrein dienen minimaal twee parkeerplaatsen aanwezig te zijn. Het perceel biedt hiertoe ruimschoots voldoende ruimte.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

46

Bestemmingsplan ‘Buitengebied - herziening Goorsebaan 16 en 20’ Helmond’

6.

HAALBAARHEID

6.1

Economische uitvoerbaarheid

Op 1 juli 2008 is samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) de Grondexploitatiewet (Grexwet) in werking getreden. In deze Grexwet is bepaald dat een gemeente bij het vaststellen van een planologische maatregel, die mogelijkheden biedt voor de bouw van één of meer hoofdgebouwen, verplicht is maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Voor de ontwikkeling van dit plan is er sprake van een particulier initiatief. De gemeente Helmond zal in het kader van het bepaalde in de Grexwet daarom alle door de gemeente te maken kosten verhalen op de initiatiefnemer. De initiatiefnemer zal derhalve met de gemeente Helmond een anterieure overeenkomst sluiten. Tevens wordt door de initiatiefnemer een planschadeverhaalsovereenkomst gesloten met de gemeente Helmond waarin is bepaald dat de initiatiefnemer de kosten voor rekening neemt. Op deze wijze is de financiële haalbaarheid van het plan gegarandeerd.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan zal conform de wettelijke vereisten kenbaar worden gemaakt. Naar aanleiding van zienswijzen op het bestemmingsplan vindt een heroverweging op deze onderdelen plaats en kan besloten worden onderhavig bestemmingsplan op een aantal punten te wijzigen.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

47

Bestemmingsplan ‘Buitengebied - herziening Goorsebaan 16 en 20’ Helmond’

7.

JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING

7.1

Inleiding

Een bestemmingsplan is een planologische regeling die zowel de burger als de overheid rechtstreeks bindt. De regels en verbeelding dienen als één geheel te worden beschouwd en kunnen niet los van elkaar worden gezien. De toelichting op de regels en verbeelding is niet juridisch bindend, maar biedt wel inzicht in de belangenafweging die tot de aanwijzing van bestemmingen heeft geleid. Bovendien draagt de toelichting bij aan de planinterpretatie.

7.2 De

Algemene toelichting verbeelding verbeelding

heeft

een

belangrijke

rol

bij

het

bepalen

van

de

gebruiks-

en

bebouwingsmogelijkheden in het plangebied. Daartoe zijn op de verbeelding onder meer bestemmingsvlakken en aanduidingen opgenomen.

7.3

Algemene toelichting regels

De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De opbouw is als volgt: -

Hoofdstuk 1 Inleidende regels;

-

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels;

-

Hoofdstuk 3 Algemene regels;

-

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels.

Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels) wordt uit de volgende leden in deze volgorde opgebouwd: -

Bestemmingsomschrijving;

-

Bouwregels;

-

Nadere eisen;

-

Afwijking van de bouwregels;

-

Specifieke gebruiksregels;

-

Afwijking van de gebruiksregels;

-

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;

-

Wijzigingsbevoegdheden.

De specifieke afwijkingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden zijn zoveel mogelijk per bestemming opgenomen. Hierdoor wordt direct per bestemming inzicht geboden in de eventuele afwijkingsmogelijkheden en de toegankelijkheid van het bestemmingsplan bevorderd.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

48

Bestemmingsplan ‘Buitengebied - herziening Goorsebaan 16 en 20’ Helmond’

7.4

Toelichting bestemmingen

7.4.1

Agrarisch - Agrarisch bedrijf

De voor 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor één agrarisch bedrijf met daarbij behorende gebouwen, bouwwerken en voorzieningen. Ter plaatse zijn twee bedrijfswoningen toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – plattelandswoning’ mag de bedrijfswoning worden bewoond door derden zonder binding met het agrarisch bedrijf.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

49

Bestemmingsplan ‘Buitengebied - herziening Goorsebaan 16 en 20’ Helmond’

8.

PROCEDURE

8.1

Inspraakprocedure

In de Gemeentewet is bepaald dat de gemeenteraad een inspraakverordening dient vast te stellen waarin geregeld wordt op welke wijze ingezetenen en andere belanghebbenden bij de voorbereiding van een bestemmingsplan worden betrokken. In de inspraakverordening is aangegeven dat inspraak wordt verleend wanneer dit wettelijk verplicht is. Daarnaast kan elk bestuursorgaan ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden besluiten of inspraak wordt verleend.

8.2

Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

Dit bestemmingsplan is in het kader van het wettelijk vooroverleg aangeboden aan waterschap Aa en Maas en de provincie Noord-Brabant.

8.3

Omgevingsdialoog

Door initiatiefnemer zijn de omwonenden ingelicht over de voorgenomen ontwikkeling.

8.4

Zienswijzen

Het ontwerp bestemmingsplan heeft met ingang van 12 november 2021 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn twee zienswijzen kenbaar gemaakt. De zienswijzen zijn in de Nota van zienswijzen samengevat en van beantwoording voorzien.

VASTGESTELD Crijns Rentmeesters bv

50

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11546254/1