CConstaterende datHelmond
Koppel je AI →
Document · PDF

Fanfare De Vooruitgang Stiphout - Monumentale woningen en schuur Dorpsstraat 9-11

Opiniecommissie Omgeving 9 september 2021, gemeente HelmondBij agendapunt: 3. Omgevingsvergunning Dorpsstraat 38 - Verzoek agendering projectafwijkingsbesluit (20.25 - 21.30 uur; 65 minuten)53.221 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 7

Leenders, Paul Onderwerp: Bijlagen:

FW: Monumentale woningen en schuur Dorpsstraat 9-11 ED 11-08-2021 Stiphoutenaren stoppen sloop.docx; ED 12-08-2021 Monumentenwerkgroep.docx; Brondocument plus veklaring oud eigenaar.pdf; RV 021 Erfgoedverordening Helmond 2011.pdf; Helmond Monumenten inventarisatie project.pdf

Van: Secretariaat De Vooruitgang <secretariaat@fanfaredevooruitgang.nl> Verzonden: dinsdag 31 augustus 2021 23:53 Aan: Vereijken-Hagebols, Nicole <N.Vereijken@helmond.nl> CC: Postbus Raadsgriffie <Raadsgriffie@helmond.nl>; helmond@ed.nl; Bianca Clerx <b.clerx@ed.nl>; Ine Bouwman <coboli@bbhmail.nl>; Postbus Raadsgriffie <Raadsgriffie@helmond.nl>; Toine Franken <acwmfranken@gmail.com>; Ruud Bloks <ruudbloks@hotmail.com>; info@monumentenwerkgroephelmond.nl; jw de rijk <jwderijk@yahoo.com> Onderwerp: Re: Monumentale woningen en schuur Dorpsstraat 9-11

Beste mevrouw Vereijken, Ik begrijp dat de documenten niet goed te openen zijn. Bij deze nogmaals. Met vriendelijke groet De gek oppelde afbeelding k an niet worden weergegev en. Het bestand is mogelijk v erplaatst, heeft een andere naam gek regen of is v erwijderd. C ontroleer of de k oppeling v erwijst naar het juiste bestand en de juiste locatie.

monumenten (1).pdf

Rita Jansen van Stiphout, secretaris Fanfare De Vooruitgang Stiphout Op di 31 aug. 2021 om 13:04 schreef Secretariaat De Vooruitgang <secretariaat@fanfaredevooruitgang.nl>:

Beste mevrouw Vereijken, Namens Fanfare De Vooruitgang zal voorzitter Dhr. Jan Willem de Rijk morgen, woensdag 1 september om 09:45u aanwezig zijn bij het overleg aan de Kloosterstraat bij de monumentale woningen 9-11. Gedurende de vakantie is er heel wat roering geweest rondom de monumentale schuur die behoort tot de monumentale woningen 9-11. Verschillende artikelen zijn gepubliceerd in het ED, een schriftelijke verklaring is afgegeven door de oud eigenaar van de woningen Dhr. Harrie Heesterbeek aan Dhr. Dirk van de Laar, eigenaar van het aangrenzende pand Kloosterstraat 13, het brondocument en het plaatsingsbesluit is toegezonden door een attente Stiphoutenaar, alom, er is veel informatie vrijgekomen. Om ervoor te zorgen dat ook u volledig bent geïnformeerd stuur ik u de verschillende documenten als bijlage toe. Met vriendelijke groet, Brondocument plus veklaring oud eigenaar.pdf ED 11-08-2021 Stiphoutenaren stoppen sloop.docx ED 12-08-2021 Monumentenwerkgroep.docx Helmond Monumenten inventarisatie project.pdf 1

monumenten.pdf RV 021 Erfgoedverordening Helmond 2011.pdf

Rita Jansen van Stiphout, secretaris Fanfare De Vooruitgang Stiphout

2

CULTUURHISTORISCHE INVENTARISATIE NOORD-BRABANT MONUMENTEN INVENTARISATIE PROJECT

GEMEENTE HELMOND

UITGAVE PROVINCIE NOORÜ-BRABANT EN GEMEENTE HELMOND

colofon De cultuurhistorische inventarisatie van de gemeente Helmond is door mevr. drs. M. Daru-Schoemann in opdracht van de Gemeente Helmond uitgevoerd in nauw overleg met de coördinator van het Monumenten Inventarisatie Project NoordBrabant. De Cultuurhistorische Inventarisatie Noord-Brabant/ Monumenten Inventarisatie Project wordt verricht door mevr. drs. M. Daru-Schoemann. dhr. drs N. Maes, dhr. drs A. van Leeuwen (coördinatie), dhr. drs. ]. Michels, dhr. H. Ruiter arch. h.b.o. mevr. drs. M. Vaessen, mevr. drs. W. Wessel. Secretariaat: Hildebrandstraat 24, 5216 VR 's-Hertogenbosch. Tel. 073-147471. De rapporten zijn te bestellen bij de afdeling Voorlichting van de Provincie Noord-Brabant, Brabantlaan 1, 5216 VR VHertogenbosch. Tel. 073-812511. 's-Hertogenbosch, januari 1991

INHOUD

1.

2.

3. 4.

5.

6.

7.

8. 9.

WOORD VOORAF WERKWIJZE EN CRITERIA Werkwijze Criteria SAMENSTELLING RAPPORT SITUERING DER GEMEENTE 1 1.1. Ligging 1.2. Ontwikkeling BODEMGESTELDHEID 2 2.1. Grondsoorten 2.2. Hoogte en afwatering GRONDGEBRUIK 4 INFRASTRUCTUUR 5 4.1. Wegen 4.2. Spoorwegen 4.3. Waterwegen 4.4. Militaire infrastructuur. ONTWIKKELING VAN DE NEDERZETTINGEN 7 5.1. Helmond 5.2. Mierlo-Hout 5.3. Stiphout 5.4. Brouwhuis 5-5. Gehuchten 5.6. Verspreide bebouwing STEDEBOUWKUNDIGE TYPOLOGIE EN GEBIEDEN MET BIJZONDERE WAARDE 6.1. Typologie 6.2. Beschrijving van de gebieden van bijzondere stedebouwkundige waarde KARAKTERISERING DER OBJECTEN, BOUWVORMEN EN TYPEN 21 7.1. Woonhuizen 7.2. Boerderijen 7.3. Industriële en bedrijfsgebouwen 7.4. Openbare gebouwen 7.5. Kerkelijke gebouwen 7.6. Kastelen en buitenhuizen 7.7. Infrastuccurele en waterstaatswerken 7.8. Artefacten 7.9. G-roenelementen OBJECTGEGEVENS 3 2 LITERATUUR 9 0 ARCHITECTEN EN CONTRUCTEURS IN HELMOND - BIJLAGE TABELLEN EN KAARTEN BIJLAGE FOTO'S KAART (APARTE BIJLAGE)

14

WOORD VOORAF Dir rapport over Helmond is een uitgave in de serie Cultuurhistorische Inventarisatie Noord-Brabant / Monumenten Inventarisatie Project. Deze serie geeft per gemeente een overzicht van de waardevolle nederzettingen, gebouwen en groenelementcn tot ca. 1940 in de steden en dorpen van de provincie. De snelle en vaak ingrijpende veranderingen in het Brabantse cultuurlandschap hebben de totstandkoming van een dergelijk overzicht urgent gemaakt. Ondanks vervlakking en schaalvergroting, bezit elke gemeente een eigen karakter in de stedebouwkundige structuur, de bebouwing van kern en buitengebied. We doelen daarbij zeker niet alleen op erkende monumentale gebouwen, maar evenzeer op boerderijen, woonhuizen, fabrieksgebouwen, bruggen en sluizen, wegkruizen of een ijzeren sierhek en dorpslinde. Na het monumentenjaar 1975 heeft het provinciebestuur besloten om de cultuurhistorisch waardevolle bebouwing van de provincie vast te laten leggen. Hiervoor is in 1976 de "Inventarisatiecommissie Brabantse Monumenten" ingesteld. In september 1979 is een drietal inventarisatoren aangesteld om een werkmodel te ontwikkelen en veldwerk en rapportage te verrichten. Dit model is tot einde 1988 gehanteerd in 69 gemeenten. Najaar 1988 is ook in Noord-Brabant het door de minister van WVC geëntameerde Monumenten Inventarisatie Project van start gegaan.

Binnen dit project wordt vastgelegd hetgeen in Nederland tussen ca. 1850 en 1940 aan bouwkunst en stedebouw is gerealiseerd. Het MIP beoogt: - het verkrijgen van een eerste landelijke overzicht van de zogenaamde "jongere bouwkunst en stedebouw" (circa 1850 - 1940); - het bevorderen van kennis en waardering voor historische stad- en dorpsgezichtcn en voor monumenten van geschiedenis en kunst uit de periode 1850-1940; - het formuleren van uitgangspunten ten behoeve van publikaties en wetenschappelijk onderzoek op architectuurhistorisch, bouwhistorisch, stedebouwkundig, historisch-geografisch of industrieel-archeologisch gebied;

- het verkrijgen van bouwstenen als een eerste aanzet tot nieuw te ontwikkelen beleid van Rijk, provincies en gemeenten ten aanzien van de ruimtelijke ordening, stadsontwikkeling en monumentenzorg, alsmede een basis voor planologisch-stedebouwkundige afwegingen; - het verzamelen van informatie die voor Rijk, provincies en gemeenten als basis kan dienen bij het selecteren en registreren van objecten, ensembles, structuren en dorps- en stadsgezichten. In Brabant zullen daarnaast ook nog objecten en structuren van vóór 1850 vastgelegd worden als uitvloeisel van de in 1979 begonnen Cultuurhistorische Inventarisatie. Onderzoek, veldwerk en tekstschrijven voor dit rapport vonden in opdracht van de Gemeenre Helmond plaats in 1989 -1990 door mevr. drs. M.M.R. Daru -Schoemann overeenkomstig de werkwijze van het MIP en op verzoek van de Provincie Noord-Brabant. Kartografisch tekenwerk is door diverse diensten van de Gemeente Helmond verricht. Invoer van gegevens ten behoeve van de Rijksdienst Monumentenzorg vindt plaats binnen de afdeling Kunst en Oudheidkunde van de provincie NoordBrabant te 's-Hertogenbosch. Bij de provincie is ook het drukwerk verricht. Aan deie inventarisatie ging een inventarisatie van industrieel-historische relicten vooraf, in 1989 uitgegeven onder de titel 'Een verdwijnend industrielandschap'.

Daarbij opgedane kennis en ervaring evenals verzamelde documentatie konden voor de MIP inventarisatie worden gebruikt. Knkele paragrafen uit deze studie zijn gedeeltelijk overgenomen. Er is rekening gehouden met sinds het verschijnen van deze studie aan het licht gekomen feiten of correcties.

WERKWIJZE EN CRITERIA Werkwijze

Deelname aan het MIP verleent de provinciale inventarisatie een belangrijke toegevoegde waarde. Zonder extra provinciale investering wordt het inventarisatiebestand geautomatiseerd en in overeenstemming gebracht met een landelijke opzet.

In Brabanr is her MIP officieel van start gegaan op 1 oktober 1988. De inventarisatie wordt hierbij gebiedsgewijs aangepakt. Daartoe is de provincie in acht werkgebieden verdeeld, op basis van de historische en bestuurlijke ontwikkelingen in de periode 1850 - 1940. Deic gebieden zijn:

Voor verdere details verwijzen wij naar de Handleiding Inventarisatie jongere Bouwkunst en stedebouw (1850 - 1940), Zeist / 's-Gravenhagc 1987.

1. Brabants Kleigebied 2. Zuidwest Brabant 3. Regio 1 ilburg 4. Regio 's-Hertogenbosch 5. Kempen 6. Regio Eindhoven 7. Maaskant 8. Brabantse Peel Bij de inventarisatie wordt - binnen een zo breed mogelijke context - gewerkt van groot naar klein. Eerst wordr van elk gebied een schets gegeven van de algemene karakteristieken. Op basis hiervan wordt voorts - gemeentegewijs - ingegaan op de stedebouwkundige aspecten van stad en dorp. Tegen deze achtergrond worden tenslotte de objecten in de verschillende gemeenten beschreven. De door het Rijk voorgestelde werkwijze sluit goed aan bij de sinds 1979 door de drie inventarisatoren voor de Cultuurhistorische Inventarisatie gevolgde werkwijze. Onbewust vooruitlopend op het MIP heeft de provincie Noord-Brabant vanaf het begin naast de oudere bouwkunst (circa 10 % van de monumenten in Brabant) ook steeds de jongere bouwkunst (circa 90 % van de monumenten) in haar werkwijze betrokken. Dit uitgangspunt zal binnen het MIP gehandhaafd blijven, met dien verstaande dat de gegevens van de oudere bouwkunst buiten het MI P-kader vallen en dus niet aan het Rijk geleverd zullen worden. Zij zullen wel voorkomen in de rapporten van de gemeenten die gewoon zullen blijven verschijnen. Tevens worden nu naast Helmond ook de andere grote gemeenten (Tilburg, Breda, Bergen op Zoom, Eindhoven en 's Hertogenbosch) beschreven.

In de geautomatiseerde MIP bestanden welke uiteindelijk aan het Rijk geleverd gaan worden, zal ook het bestaande materiaal van jongere bouwkunst van de 69 reeds geïnventariseerde gemeenten worden opgenomen.

Criteria Uit de vele objecten die voor inventarisatie in aanmerking komen moet uiteraard een keuze worden gedaan. Dat gebeurt aan de hand van een aantal criteria, die groepsgewijs worden omschreven. Bij deze criteria wordt het bindend element in veel gevallen gevormd door de "historische karakteristiek" van de nederzetting. Wat wordt daaronder verstaan ? Een nederzetting is, in de gebruikte terminologie, een geheel van bebouwing, percelen, wegen en waterlopen, dat in de loop der tijd een meer of minder samenhangende vorm heeft opgeleverd. Het eigen karakter van een nederzetting is het produkt van een - al dan niet geleidelijke - historische ontwikkeling, die in vele gevallen tot op de dag van vandaag valt af te lezen, zowel in het ruimtelijke patroon als aan de bebouwing zelf. Dat geldt in beginsel net zo goed voor een oud akkerdorp, als voor een moderne nieuwbouwwijk. Op zeker moment leidt een reeks van ontwikkelingen tot een situatie, waar de nederzetting naar ons gevoel een uitgesproken eigen vormidentiteit bereikt. Ddt moment bepaalt de "historische karakteristiek" van de nederzetting, die dus als het ware de optel- en aftreksom is van een reeks structuurbepalende en structuurverstorende ingrepen. De invloed van dat moment kan zich, meer of minder nadrukkelijk zichtbaar, vaak uitstrekken tot het moment van nu.

Zo is voor de landelijke nederzettingen tussen Oirschot en Best de situatie rond het midden van de vorige eeuw nog steeds beeldbepalend. Vandaar dat het moment van de historische karakteristiek ook omstreeks dat tijdstip

II

is gekozen. Zowel de middeleeuwse aanleg, als de wijzigingen van na 1850 zijn daarbij als wezenlijke bestanddelen aan te merken. Een heel ander voorbeeld is de oude vestinggordel van Bergen op Zoom. Daar is een essentieel element in de historische karakteristiek, zoals die rond 1800 bestond, thans niet meer afleesbaar. In die tijd werd de stad sterk gedomineerd door haar uitgebreide vesringswerken. Sinds die echter aan het einde van de vorige eeuw zijn ontmanteld, wordt het huidige beeld bepaald door een parken-, straaten bebouwingsgordel, die rond 1920 zijn uiteindelijke vorm kreeg. Daarmee is de historische karakteristiek van circa 1800 nu dus niet meer relevant voor dit deel van de stad. Die van rond 1920 echter des te meer. Tegen de achtergrond van deze historische karakteristiek worden alle objecten afzonderlijk getoetst aan de volgende criteria:

Sociaal- en cultuurhistorische criteria

- aan het object zijn historische herinneringen verbonden in de ruimste zin des woords - het object vertegenwoordigt een aspect van de sociale of economische geschiedenis - het object is representatief voor een bepaalde fase in de ontwikkeling van dorp, stad of streek. Afhankelijk van de situatie en de aard van het object, is het ene criterium bij de selectie meer bepalend dan het andere. Zo kan men zich voorstellen dat bij een eenvoudig voorbeeld van landelijke bouwkunst criteria als type, bouwtechniek, samenhang met de directe en wijdere omgeving, historische verkaveling en patroon van wegen en waterlopen, meer gewicht in de schaal werpen, dan bij een kerkgebouw. Daar zullen eerder stijl, gaafheid van details, esthetische kwaliteiten en geschiedkundige aanknopingspunten de doorslag geven. Bij monumenten van jongere datum zijn op hun beurt bouwtype, techniek, vormgeving, architect en sociaal-historische betekenis weer het meest van belang. De samenhang met de omgeving heeft bij de beoordeling een grote - zo niet dominerende - rol gespeeld. Objecten als daglonershuizen, wevers woningen, smidsen e.d., ontlenen vooral daaraan hun bijzondere aard.

Een op zich interessant object, dat als laatste getuige de herinnering oproept aan een overigens geheel verstoorde situatie, scoort doorgaans minder hoog, dan een object dat deel uitmaakt van een karakteristiek, betrekkelijk ongerept gebleven omgeving. Daarentegen zal een in detail aangetaste reeks gebouwen, die een onderdeel vormt van een qua maat en schaal nog goed bewaarde en interessante structuur, op grond daarvan in deze inventarisatie juist worden meegenomen. Tenslotte heeft, zoals men begrijpen zal, ook de zcldzaamhcidswaarde van een object of nederzettingstype bij de afwegingen meegespeeld.

Architectonische en kunsthistorische criteria

- het object is een goed voorbeeld van een bepaalde stijl of bouwtrant, of van het werk van een bekende architect, stedebouwkundige of kunstenaar. - het object is gaaf qua stijl en detaillering - het object vertegenwoordigt een unieke (bouw) techniek, (bouw)- type of is typerend voor de ontwikkeling van de industriële techniek - het object heeft esthetische waarde op grond van de vorm en detaillering van exterieur en/of interieur. Planologische, landschappelijke en stedebouwkundige criteria

- het object vormt samen met bijgebouwen, kleine artefacten, erfbeplanting of tuinaanleg een karakteristiek geheel - het object sluit, met name in historisch en geomorfologisch opzicht, aan bij het landschap - het object maakt deel uit van een gebied met een grote continuiteït, waardoor een historisch patroon van verkaveling, wegen en waterlopen goed geconserveerd is gebleven - het object vormt een onder deel van een historische stedebouwkundige structuur of een historisch nederzettingstype - het object is karakteristiek voor stad, dorp of streek.

III

SAMENSTELLING RAPPORT In dit rapport wordt een beeld gegeven van de cultuurhistorisch waardevolle structuren en objecten van oudere en jongere bouwkunst binnen de gemeente. Hierbij is de samenhang tussen de objecten en het landschap of de nederzetting van groot belang.

bouwdata, bouwstijl en een beschrijving der gevels, ramen, deuren, daken, bijzondere constructies en in een enkel geval interieurgegevens (meestal wordt alleen het exterieur geregistreerd) weergegeven. (Voor het vaststellen van deze gegevens wordt gebruik gemaakt van beschikbare (secundaire) bronnen, informanten en eigen schatting. Voor Helmond is ook gebruik gemaakt van de administratie van Publieke Werken voor de datum van een aantal bouwaanvragen). Dan volgen bijgebouwen, artefacten (stoepen, stootstenen, hekken etc.) en groenelementen. Ook wordt aangegeven een motivering voor opname en of het object beschermd is. Tenslotte volgt de literatuur. In afwijking van de standaardindeling van de rapporten van het MIP Noord-Brabant is een kleine bijlage toegevoegd over architecten en constructeurs die te Helmond aan het werk zijn geweest. Bijgevoegd worden in elk MIP rapport kaarten 1 : 10.000 en indien nodig (zoals voor dit rapport) deelkaarten van de stedebouwkundige typologie en de dichtbebouwde kernen. Op de kaart 1 : 10.000 worden aangegeven:

Door het raadplegen van de historisch-geografische beschrijving van het inventarisatiegebied (afzonderlijk verkrijgbaar) en het naslaan van specifieke plaatsgebonden literatuur ontstaat een beeld van de ontwikkelingen tot ca. 1950. De topografische kaarten van ca. 1850, 1900 en heden op de schalen 1 : 50.000 en 1 : 25.000 zijn eveneens van belang, omdat door vergelijking een indruk ontstaat van occupatiepatronen en ontwikkelingen tot op heden. In het veld wordt dit beeld aangevuld met eigen waarneming. Vervolgens worden per kern en in het buitengebied de objecten die aan de eerder genoemde criteria voldoen geregistreerd. Elk rapport omvat de volgende onderdelen. Na Woord Vooraf en Werkwijze en Criteria worden de ligging van de gemeente (hoofdstuk 1), de bodemgesteldheid (2) en het grondgebruik (3) behandeld. Dan volgt een overzicht van de veranderingen in infrastructuur, wegen, waterlopen etc. (4). Vervolgens worden de nederzettingen behandeld (5). In de hoofdstukken 6 - 8 worden de onderzoeksresultaten beschreven. Voor de grotere gemeenten met planmatige ontwikkelingen tussen 1850-1940 wordt een stedebouwkundige typologie gegeven met een kaart van gebieden van bijzondere stedebouwkundige waarde. Bij de meeste kleinere gemeenten blijft dit onderdeel achterwege.

Hier hebben in het algemeen immers in de periode 1850-1940 geen samenhangende stedebouwkundige ontwikkelingen plaatsgehad. Wel worden in sommige gemeenten waardevolle bebouwingsgroepen van vóór de periode 18501940 apart aangegeven. Dan volgt een karakterisering der objecten, bouwvormen en typen (boerderijen, woonhuizen, openbare gebouwen etc). Dit alles wordt afgesloten met de objectgegevens, geordend naar adres en huisnummer (even, oneven). Per object worden de oorspronkelijke en huidige functie, architect,

- geïnventariseerde objecten met cultuurhistorische betekenis (zwarte stip) - beschermde monumenten (zwarte stip met cirkel) - straatnaam en huisnummers - gemeentegrenzen - dijken, waterlopen en st ei Iran den - oude wegenpatronen en oude akkerbodems met een humusdikte van minimaal 50 cm. (globaal aangegeven). - beschermde stads- en dorpsgezichten, alsook landgoederen worden eveneens aangegeven.

IV

1.

SITUERING DER GEMEENTE

1.1. Ligging De gemeente Helmond bevindt zich in het zuidoosten van de provincie Noord-Brabant en in de MIP inventarisatie-regio Eindhoven. Zij ligt aan de Zuid-Willemsvaart en de Aa. De totale oppervlakte van de gemeente Helmond omvat 4584 ha, de bebouwde kom is 1447 ha groot. Helmond grenst aan de gemeenten Aarle-Rixtel en Lieshout (in het noorden), Bakel-en-Müheeze en Deurne (in het oosten), Asten, Someren en Mierlo (in het zuiden), Nuenen ca. (in het westen). De grens is bij de (al vanaf 1949 voorbereide) annexatie in 1968 gewijzigd. Hierbij is de gehele gemeente Stiphout aan het Helmondse gebied toegevoegd, evenals delen van Aarle-Rixtel, Bakel (in het bijzonder Rijpelberg en Brouwhuis - dat zelf eertijds deel uitmaakte van Vlierden-), Deurne, Someren en Mierlo. In het noorden volgt de grens de Bakelse Aa, wijkt daarvan af om het gebied Scheepstal en de Bakelsche Beemden op te nemen en buigt daarna naar het zuiden af. In het zuidoosten volgt de grens het vroegere natuurlijke tracé van de inmiddels gekanaliseerde loop van de Astense Aa. In de gemeente bevinden zich de gehuchten of buurtschappen Beersdonk, Blikhalm, Bokhorst, Duizeldonk, Ganzenwinkel, Kloostereind, Kruisschot, Overbrug, Peeleik, Rijpelberg, Scheepstal en de Weijer. Sinds 1966 werkt Helmond samen met de gemeenten Gemert, Beek en Donk, Lieshout, Bakel, Aarle-Rixtel, Deurne, Mierlo, Someren, en Asten.

Kerkdorpen in de gemeente Helmond zijn Stiphout, Mierlo-Hout en Brouwhuis.De gemeenschappelijke belangen zijn vertegenwoordigd in het samenwerkingsverband gewest Helmond. 1.2. Ontwikkeling De oudste bewoning is verspreid geweest op een paar plaatsen binnen het gemeentelijk grondgebied. De cultuurgronden bevonden zich in Helmond, Binderen, Mierlo-Hout, het oude Haag, Klein Dongen en Stiphout. In de middeleeuwen vervulde

Helmond een centrumfunctie die zowel tot uitdrukking kwam door vier jaarmarkten, alsook door de status van hoofdplaats van het oude kwartier Peelland. Helmond was toen al een nijverheidscentrum en had talrijke handelscontacten buiten haar onmiddellijke omgeving. De produkten van de thuisweverij werden voornamelijk aangekocht door handelaren uit Haarlem en omstreken. De Helmondse huisnijverheid bleef lange tijd afhankelijk van de kapitaalkrachtige Hollandse handel. Na een periode van welvaart aan het begin van de 17e eeuw, kwam er in de loop van de 18e eeuw een diepe crisis en een afname van de bevolking. In 1730 telde Helmond slechts 385 huizen. De grote groeiperiode van Helmond vond plaats in de negentiende eeuw, toen de industrialisatie voornamelijk de textiel- en metaalindustrie- een grote vlucht nam. Deze periode was al voorafgegaan door een intensivering van het textielambacht en een verzelfstandiging daarvan ten opzichte van Haarlem. Het graven van de Zuid-Willemsvaart versterkte een al aanwezige groei. Tussen 1880 en 1910 nam de bevolking in een versneld tempo toe, en zelfs nog meer tussen 1910 en 1940, ondanks de tegenslagen van de crisistijd. Tot ongeveer 1925 nam Helmond ten opzichte van Eindhoven een belangrijker plaats in. Na die tijd was de stad in toenemende mate als industriecentrum de mindere. De bevolking groeide echter sterk na de Tweede Wereldoorlog.

Het terreinverlies van textiel en metaal, de traditionele trekkers van de Helmondse industrie, heeft grote problemen opgeleverd, die tot een achteruitgang van de stedelijke omgeving hebben geleid. Om dit tegen te gaan, zijn de laatste twintig jaar verscheidene maatregelen genomen, die stedebouwkundig in grootschalige operaties zijn vertaald. De aanwijzing van Helmond als groeistad heeft er een sterk impuls gegeven aan de demografische groei. De bevolking telde 68.154 inwoners op 1.1 .'90.

2.

BODEMGESTELDHEID

2.1. Grondsoorten Helmond bestaat voornamelijk uit dekzanden, dunner dan twee meter en bevindt zich in haar geheel binnen de geologische depressie aangeduid als de "Centrale Slenk". Men vindt binnen het areaal van Helmond een aantal laag gelegen, betrekkelijk natte beekdalen. Beckdalcn in het oosten van Helmond zijn die van de Oude Aa Bakclse Aa en de Weijerloop. In de beekdalen treft men sterk leemhoudende zandgronden aan, evenals in het gebied de Dierdonkse Beemden en in de buurt van de Haagstraten. Smeltwaterafzettingen ten zuiden van Stiphout hebben leem geleverd voor de steenfabriek "de Nijverheid". Veen komt op verschillende plaatsen in de bodem voor: langs de Oude Aa, ten zuiden van de samenloop van Kaweischc Loop en Oude Aa; langs de Bakelse Aa in het gebied de Bakelse Beemden; ten zuiden van de Vlierdcnse Dijk en ten noorden van de Heibergweg. Droog gelegde, vroeger in de heide gelegen vennen zijn te vinden tussen podzolgronden. Zij zijn in natte periodes natter dan de omgeving. De meeste oude cultuurgronden (met een humuslaag van boven de 50 cm) zijn door stadsuitbreidingen weggevaagd.

2.2. Hoogte en afwatering Het reliëf om Helmond heen is door de aanwezigheid van dekzanden zwak golvend, over het algemeen dalend van Zuid naar Noord. Het maximale hoogteverschil is circa zeven meter (22.5 m +NAP tussen Brouwhuis en Rijpclberg in het oosten, 15,7m +NA1J tussen Helmond en Stiphout in het westen). Meer reliëf komt plaatselijk voor door opeenhoping van stuifzanden. Uitzondering hierop is de voormalige leemgroeve De Vennen in het westen van de gemeente, die met afval is gedicht en met zand is afgedekt. Relatief hoog gelegen podzolbodem - van nature arme grond, met resten van heidegrond- is door de hele gemeente verspreid aanwezig, maar vaak door jongere bodemtypen overdekt. De oude bouwlandgronden zijn eveneens relatief hoog gelegen, met name Rijpelberg en Brouwhuissche Heide aan de oostkant. Het reliëf van de Brouwhuissche Heide is echter door recente stadsuitbreidingen aangetast. De Rijpelberg is een

onderdeel van een rug die zich verder in het oosten uitstrekt over de gemeente Bakel. In het westen zijn sterke hoogteverschillen in de vorm van steilranden aanwezig aan de rand van het gebieden Overbrug en Eenselaar. De stroomrichting van de Aa door de gemeente is grofweg zuid oost- noord west. Het stroomgebied van de Aa is zeer omvangrijk, het stroomgebied van de Oude Aa is daar slechts een onderdeel van. (Voor een overzicht, zie regio-omschrijving). De meeste kleine lopen die het gebied afwateren zijn gedeeltelijk of geheel gekanaliseerd, met name de Bakelse Aa (gekanaliseerd) de Nieuwe Aa (gekanaliseerd) de Goorloop (grotendeels gekanaliseerd, de Oude Aa (overkluisd en gekanaliseerd). Tussen de twee wereldoorlogen vonden veel kanalisaties plaats, maar de meeste zijn van na 1960. De vroegere loop van de Oude Aa is op kaarten nog te herkennen in de grenzen van een aantal kavels ten noorden van de stad en in het tracé van enkele straten. Tijdens de negentiende eeuw werd voor de industrie op diverse (conflicterende) manieren gebruik gemaakt van het water van de Aa. Schoon en bevaarbaar water wilden circa 1830 bijvoorbeeld de kasteelheer jhr.

Wesselman van Helmond en de brouwer Timmermans: de eerste in verband met de ontginningen, zodat meststoffen voor de ontginning zouden worden gebruikt in plaats van in het water geloosd, de tweede vanzelfsprekend voor de kwaliteit van zijn bier. Zowel Wesselman van Helmond als Timmermans verloren het pleit tegen de ververs en de looiers. De rivier de Oude Aa bleef lang deel uitmaken van het stadsbeeld in het centrum, maar werd intensief voor lozingen van de textielindustrie gebruikt. Met de toenemende industrialisering is de rivier echter zoals in zoveel steden steeds minder gaan betekenen behalve als een natuurlijk open riool. De watermolen moest wijken. Deze omzetting van een levend water in een ondergronds riool heeft geleid tot het scheppen van de Nieuwe Aa ten oosten van de bebouwde kom. In 1930 vond de demping van een deel van de oude Aa bedding plaats. In de jaren dertig zijn werken uitgevoerd zoals de aanleg van spuiduikers langs de

schutsluizen - op het Helmondse gebied de sluizen 7 en 8- en het graven van aflcidingskanalcn van de Aa naar de Zuid-Willemsvaart te Stipdonk. Daarna zijn zijriviertjes zoals de Bakelse Aa en een deel van de Goorloop gekanaliseerd. De omvangrijkste werken betroffen echter de kanalisering en

omleiding van de Aa zelf. Het laatste gedeelte kwam pas in de jaren vijftig aan de beurt. Helmond maakt deel uit van het gebied van de waterschap het Stroomgebied van de Aa. Deze is in 1922 opgericht. Het gebied van het waterschap bevatte oorspronkelijk ca 40000 ha, maar werd in 1926 al uitgebreid tot ca 81000 ha.

3.

GRONDGEBRUIK In de 14e eeuw zijn de woeste gronden uitgegeven in de vorm van "gemeynten", waar alle ingezetenen van de gerechtigde dorpen gebruiksrechten konden laten gelden. Het gebruik werd geregeld door "gemeynte-meesters". De woeste gronden waren om velerlei redenen belangrijk. Zij waren essentieel voor het in evenwicht houden van het potstalsysteem, dat wil zeggen voor het leveren van plaggen voor de potstal, voor het grazen van schapen, voor turf (bij veenmoerassen), voor brandhout, Daarnast boden zij ruimte voor bijkomende activiteiten ais het houden van bijen. De gemeynte-meesters moesten erop toezien dat er geen plaggeroof of overbegrazing plaatsvond. Waar toezicht onvoldoende was, of de bevolkingstoename te groot, werd de oppervlaktelaag te dun en ontstonden er stuifzanden. Het potstalsysteem is in de regio Helmond tot eind negentiende eeuw blijven bestaan. Waar eeuwenlange bemesting had plaatsgevonden zijn plaatselijke ophogingen van het maaiveld (bolle akkers) opgetreden. Er zijn echter nog slechts enkele plaatsen aanwezig waar dit verschijnsel nog te zien is. Het kunstmesrverbruik is ondanks aanvankelijke tegenstand in de laatste decennia van de vorige eeuw na 1900 toegenomen, waardoor het potstalsysteem verdween. Door de toepassing van kunstmest was men niet meer afhankelijk van het vee voor bemesting.

Tegelijkertijd nam de vraag naar hout toe in verband met het ontstaan van de mijnen, waardoor bebossing van woeste gronden aantrekkelijk werd. De ontginning van bovenstrooms gelegen woeste gronden veroorzaakte wateroverlast in de lager gelegen delen. Daarmee was de noodzaak van een verbetering van de waterhuishouding aanwezig (zie ook paragraaf 2.2.). De ontginningswerkzaamheden en de ingrepen in de waterhuishouding namen toe in de jaren twintig-dertig ook in verband met werkverschaffingsprojekten. De hoog gelegen

zandgronden zijn nu grotendeels bebost (voornamelijk naaldhout) maar er is ook vochtig populierenbos op jong ontginningslandschap ingeplant zoals in de Bakelse Beemden. Dit soort landschap valt samen met die gebieden waar zich vroeger grote oppervlakten heidevelden bevonden. De beekdalen waren bijna geheel in gebruik als grasland. Op droge stuifzanden zijn naaldbossen aangeplant. Door veranderde bedrijfsvoering en beekkanalisatie zijn in de beekdalen de vroegere perceelsscheidingen verdwenen. De toegenomen ontwatering van de beekdalen heeft de nivellering van het landschap in de hand gewerkt door droognat verschillen weg te nemen. Door de verstedelijking bestaan er nog slechts enkele oude bouwland complexen. De gebieden met oude, hoger gelegen bouwland gronden zijn in het oosten van Helmond Dierdonk, Rijpelberg, Brouwhuis, de Weijerloop, Kloostereind, Blikhalm, Beersdonk. Een groot deel van deze gebieden maakt deel uit van bestemmingsplannen en is als mogelijke bouwlocatie geannexeerd. Open akkers vindt men in het gebied de Dierdonk dat deel uitmaakt van het bestemmingsplan Dierdonk. Een aantal gebieden is nog in gebruik voor agrarische doeleinden, voornamelijk als graslanden en voor de verbouwing van snijmaïs. Het buitengebied in het westen heeft nog ondanks uitbreidingen een gevarieerde verkaveling. Het gehucht Overbrug behoudt nog veel van de oude kavelstructuur.

Het huidige ruimtelijke ordeningsbeleid concentreert de industrieterreinen in het zuidoosten waar een nieuwe haven is gegraven en in mindere mate in het westen langs de snelweg EindhovenHelmond. Daarmee wordt de verplaatsing van de industrie - weg van de Kanaalzone en het centrum voortgezet.

4.

INFRASTRUCTUUR

4.1. Wegen In het midden van de negentiende eeuw was her wcgcnscelsel rondom Helmond beperkt. Zo bestond er nog geen rechtstreekse wegverbinding tussen Helmond en Eindhoven. Ofschoon de bouw van de Zuid-Willemsvaarr tussen 1822 en 1826 de aanleg van een noord-zuid landverbinding.met zich meebracht, beperkte de verbinding zich echter tot jaagpaden. Helmond was wel via Aarle-Rixtel en Lieshout met Vught verbonden door een grindweg. Vanuit Stiphout richting Nuenen liep er een weg die nog te herkennen is in het rechtgetrokken tracé van de Nuenensedijk. De huidige weg richting Deurne komt niet overeen met het tracé uit het midden van de vorige eeuw. In 1853-1856 vond de aanleg plaats van de (provinciale) grindweg Geldrop-Helmond. De weg Helmond-Gerwen werd in 1901-1905 verhard. Diverse verbeteringen werden in de jaren twintig aan de wegen rondom Helmond aangebracht, zoals het vervangen van de steenslagbaan van de weg Helmond-Stiphout door klein plaveisel in 1923, het aanbrengen van een bituumlaag op de weg Geldrop-Helmond in 1925, het doleren van de Goorloop langs de weg Micrlo-Helmond. In 1929 werd de Provinciale Weg Rosmalen-Helmond verbreed en in 1934 werden diverse wegvakken gebitumineerd: Geldrop-Helmond, HelmondDeurne, Sint Oedenroede-Helmond, evenals de weg tussen Stiphout en Gerwen.

Aan het einde van de jaren twintig en het begin van de jaren dertig zijn als werkverschaffing veel wegen aangepast aan "de eisen der moderne tijd". Dit betekende in hoofdzaak bitumineren. Van de oude landwegen zijn in het gebied van de woningbouw-uitbreiding slechts zwakke sporen nog te vinden, soms zijn delen van een tracé in de wijk opgenomen. In ontginningsgebieden waar bebost werd, is het grillige padenstelsel vervangen door strak aangelegde wegen met een min of meer rechthoekig stramien (Geeneindsche Heide in het westen, Bakelse Bossen in het oosten). In het buitengebied (in het bijzonder Stiphout, Kleine Overbrug, Dierdonk en in het zuidelijkste gedeelte van de gemeente) in de bossen en langs de

noordrand van het Eindhovens Kanaal bevinden zich nog onverharde wegen. 4.2. Spoor- en tramwegen Met de aanleg van de spoorlijn Eindhoven-Venlo in 1866 kwam de nieuwe bepalende oost-west verkeersas tot stand. Er kwam een goede infrastructuur, met de mogelijkheid van overslag van goederen tussen kanaal en spoor. De nu sporadisch als zwaaikom gebruikte spoorweghaven is hiervan een zichtbare herinnering. De spoorweg veroorzaakte een ruimtelijke splitsing. De gebieden aan de zuidkant van de spoorweg hebben slechts met moeite enige aansluiting gekregen op de oude kern. Van de vanaf 1882 - met het oog op een toekomstige tram - aangelegde trottoirs is niets meer te zien, evenmin van het tramstation dat zich ten oosten van het spoorstation bevond. De lijn Helmond- Den Bosch was in 1883 de eerste tramlijn in de regio. De stoomtram richting Asten kwam in 1905 in bedrijf.Bij het tramstation kwamen de twee lijnen uit het Noorden en her Westen samen en liepen verder richting Deurne. De Tramweg Maatschappij Eindhoven-Geldrop moest twee trambruggen bouwen. Deze kwamen gereed in 1906. De lijn Eindhoven-Helmond kreeg daarmee haar beslag. Zij bleef tot 1935 bestaan.

4.3. Waterwegen De Zuid-Willemsvaart vormt sinds 1826 een verbinding tussen de Maas bij Maastricht en de Dieze te 's Hertogenbosch. Zij loopt over een lengte van 75 km door Nederland en voor de rest circa 35 km over Belgisch grondgebied. Er zijn 15 sluizen op Nederlands grondgebied, waarvan drie op het gebied van Helmond, de sluizen 7, 8 en 9. Totaal werden er 19 sluizen gebouwd. Tot de jaren vijftig van de vorige eeuw waren de landverbindingen van Helmond met omringende centra slecht. Het is daarom niet verwonderlijk dat de Zuid-Willemsvaart ai direkt na haar voltooing in 1826 als een magneet heeft gewerkt bij de vestiging van bedrijven, maar de binnenvaartverbinding verliep nog traditioneel tot de komst van stoomboten in 1861. Zelfs nu zijn er nog

incidenteel omvangrijke transporten via deZuidWillemsvaart, met name voor de metaalbedrijven. De vorm van de in 1824 gegraven en in 1884 gedempte haven is nog terug te vinden in de verbreding aan het begin van de Havenweg. Vanaf het begin van de eeuw kwamen er dwars over de kanaaldijk grote transportinstallaties die de per water aangevoerde goederen mechanisch naar hun plaats van bestemming in de fabriek brachten en zo het sjouwwerk sterk verminderden. De jaagpaden langs de Zuid-Willcmsvaart vergemakkelijkten de noord-zuid goederenstroom, maar brachten geen verbetering voor de oost-west wegenas. De huidige Zuid-Willemsvaart in Helmond mist de draaibrug bij de Waardstraat uit 1886, de voetgangersbrug ten zuiden van de Veestraatbrug en de trambrug uit 1906, die wel een oost-west verbinding vormden. Het zwaartepunt van het watertransport verplaatste zich met de uitbouw van het industrieterrein ten /.uiden van het spoor naar de nieuwe haven. Thans vindt een verdere beweging oostwaarts plaats. Momenteel (1990) wordt gewerkt aan een nieuw tracé voor de Zuid-Willemsvaart, ten oosten van de stad. Wanneer de werkzaamheden voltooid zijn, komt de oude functie van het kanaal te vervallen. Slechts het oostelijk deel van het Eindhovens Kanaal valt binnen de grenzen van Helmond.

Het Eindhovens Kanaal is ontstaan doordat Eindhoven telkens gepasseerd werd bij het bouwen van infrastructurele werken die de stad zouden ontsluiten en aantrekkelijker zouden maken voor

•.'<•. .-// Kiutus Jtcdmoruk £ jvr JitJtn Ex*x£'nttu j ^ . ». I j '\~j-?.-n .urn /.•/.• .K.rn/u li II

II

^ • ' • ^ •'"•V.-.-J:

^"

de vestiging van industrie. Burgers van Eindhoven vonden op eigen kracht de financiering voor het kanaal, dat in 1846 werd opengesteld. Het werd in 1932 verruimd en toen bevaarbaar gemaakt voor schepen tot 400 ton. Het heeft zijn functie behouden tot ruim na de Tweede Wereldoorlog, maar is sinds 1 juli 1974 voor het vrachtverkeer gesloten. Het maakt nu deel uit van een recreatiegebied. 4.4.

Militaire infrastructuur. In de periode 1306-1405 werd Helmond voorzien van wallen en grachten. Vier poorten verleenden toen toegang tot de stad: de Hoogeindse Poort (einde Kerkstraat), de Binderpoort (nabij het huidige postkantoor), de Veepoort (aan het einde van de Veestraat dichtbij de Zuid-Willemsvaart en de Meipoort (tegenover de Molenstraat). Buiten de vesting hebben twee landweren (langwerpige aarden verdedigingswerken) gelegen. De toenmalige structuur is in het huidige stadsplattegrond nog duidelijk herkenbaar, ondanks de stedebouwkundige lotgevallen van het Helmondse centrum. Helmond maakte deel uit van de tegen de Gelderse invallen tot vesting gemaakte steden. De wallen werden in 1613 voor een deel geslecht, (zie ook volgend hoofdstuk) en de vestingswerken raakten in verval. Wat ervan overbleef deed nog dienst ter verdediging tegen rondzwervende troepen. Dit gebeurde voor het laatst in 1706. Daarna had Helmond tot 1940 geen militaire betekenis meer.

5.

ONTWIKKELING VAN DE NEDERZETTINGEN

5.1. Helmond Helmond is oorspronkelijk een voordestadje aan de Aa. De eerste vermelding van Helmond dateert van 1178, in een Bul van de paus Alexander III. Vermeldenswaard zijn ook de oprichting van het kolveniersgilde (het Broederschap van O.L. Vrouw) in 1186 en in 1231 de stichting van het klooster Binderen door Keizerin Maria van Brabant. De bevolking van Helmond concentreerde zich aanvankelijk op het domein Den Hage of Die Hage. Circa 1200 was het zwaartepunt verplaatst naar de omgeving van het kasteel, op de oostelijke oever van de Aa. In de vijftiende eeuw was er een periode van groei. In 1314 ruilde hertog Jan van Brabant de heerlijkheid van Helmond met ridder Jan Berthout gezegd van Berlaer (tegen diens bezittingen in de stad lier en omstreken). Volgens sommige interpretaties is het kasteel in 1402 gebouwd. De bouw van het kasteel is verbonden met de strategische ligging van de stad. Tijdens de 15e eeuw kwam Helmond in het bezit van de familie Cortenbach. Toen was er een periode van groei. In 1602 nam prins Maurits de stad in en in 1613 werden de stadswallen gedeeltelijk geslecht. Na de tachtigjarige oorlog en de pestepidemie van 1636 was de welvaart van Helmond verleden rijd. De eerste aanleg van straten en wegen van hogerhand gebeurde onder de hoede van de heer van Helmond, die daartoe het recht bezat.

De oude voorde kon men nabij het kasteel in de Veestraat en over de Aa vinden. De Oude Aa liep iets schuin in noord-zuid richting, en evenwijdig aan de rivier ontstond de Markt als een langgerekte driehoek. Enkele straatnamen herinneren nog aan de vroegere wallen. Net als in vele steden, was de vorm van het vroegere Helmond die van een veelhoek met een centraal assenkruis van wegen. Op een plattegrond valt behalve de vijfhoek van de wallen, het kruis van de Markt en de Veestraat nog duidelijk te herkennen, evenals de uitvalswegen naar de omliggende dorpen: de Aarle-Rixtelse weg, de Mierloseweg, de Bakelsedijk en de Deurneseweg. Dit patroon is wel doorsneden door de aanleg van de Zuid-Willemsvaart, terwijl de spoorlijn

Eindhoven-Venlo begeleid werd door de aanleg van parallelwegen. Deze barrières leidden tot een gescheiden ontwikkeling van de vier kwartieren die gevormd worden door het kruis ZuidWillemsvaart-spoor. Lintbebouwing heeft in de negentiende eeuw plaatsgevonden langs de belangrijkste uitvalswegen met name langs de Mierloseweg, de Heistraat met in haar verlengde de Bakelsedijk en langs de Molenstraat. In 1830 was van de Molenstraat niet veel meer dan honderd meter bebouwd. Het grootste deel van de bebouwing dateert van de twee laatste decennia van de negentiende eeuw. In 1880 was de Molenstraat nog een grindweg. Tussen Molenstraat en Heistraat is tussen de twee wereldoorlogen een nieuw, fijnmazig netwerk van straten geschapen. In dezelfde periode ging men over van de radiale aansluiting op een zogenaamd tangentieël systeem. De Heistraat, de Molenstraat en de Mierloseweg zijn nog overblijfselen van de oude radiale structuur. In de jaren tachtig van de vorige eeuw is men begonnen met de riolering in het centrum van Helmond. Aansluitend daarop ging men geleidelijk over tot het overkluizen van het open water binnen de stad. Met de modernisering van Helmond werd de oude stadsgracht, de Ameide (vroeger de Mey), gedempt. Aan het begin van de twintigste eeuw verdween de Ameide ondergronds evenals een deel van de Heuvelse Loop.

De Hemelrijkse waterloop werd in 1925 gedempt, in 1936 was de Kruisloop ondergronds verdwenen evenals de Heistraatse Loop. In het stedelijk landschap zijn er nog wel in het westen delen van de Goorloop aanwezig, soms Zelfs niet-gekanaliseerd. De Helmondse wevers woonden omstreeks 1840 bijna allen in huizen die eigendom waren van hun opdrachtgevers. Na 1860 - de opkomst van de mechanische weverij - groeide ook de behoefte aan huizen voor de fabrieksarbeiders. De kwaliteit van de woonhuizen was slecht tot zeer slecht. Evenals elders in het land, maakte men zich in Helmond in toenemende mate zorgen om de slechte behuizing van arbeiders (en de slechte invloed ervan op de

volksgezondheid). In 1869 kwam er oen concept bouwverordeningen in 1871 een 'verordeningop het inrichten der woonhuizen in het belang der openbare gezondheid', begeleid door een verordening op het slopen van bouwvallige woningen en op het onbewoonbaar verklaren. Aan het einde van de negentiende eeuw was de verhouding opdrachtgever-wever in veel gevallen vervangen door de verhouding werkgeverwerknemer: arbeiders woonden vaak in huizen die het eigendom waren van fabrikanten. Na de oprichting van de eerste woningbouw vereniging in 1916 werd echter een groot gebied ten noordoosten van de oude kern ontwikkeld als sociale woningbouw. Kort na de Tweede Wereldoorlog stelde Simon in zijn sociaal-geografische dissertatie vast dat het Helmondse winkelareaal vrij klein was en luxewinkels vrijwel geheel ontbraken. De Markt en de Veestraat zijn van oudsher winkelstraten. In de jaren twintig van deze eeuw hebben zich langs de Steenweg in het verlengde van de Veestraat aan de andere kant van de Zuid-Willemsvaart nieuwe winkels en horeca gevestigd. Deze bestemmingen zijn nog aanwezig, maar de scheidingslijn van de Zuid-Willemsvaart had een ongunstige werking op de betrekking van het areaal tot het centrum. Nijverheid

In 1643 waren in Helmond 400 weefgetouwen in bedrijf, in 1653 nog slechts 196. In 1756 was het aantal weer gestegen tot circa 750, maar vier jaar later gedaald tot circa 450. De Iinnenfabricage ging zienderogen achteruit, in 1760 waren er nog maar 10 wevers te vinden. De concurrentie van Eindhoven werd zo sterk, dat de Haarlemse kooplieden bijna geen garen meer naar Helmond stuurden. Uit historisch onderzoek blijkt dat de Helmondse nijverheid zich aan het begin van de negentiende eeuw slechts aarzelend heeft aangesloren bij de mechanisering, zolang met traditionele middelen een aanvaardbare winst te maken viel. Voor 1810 voerde de linnenweverij de boventoon. Het ging om kleine bedrijven, en veel werk werd verricht door thuiswerkers. Daarna groeide het aandeel van katoen gestaag. Tussen 1815 en 1850 vond het grootste gedeelte van de Helmonders haar bestaan in de thuisweverij. Circa

1815 kende Helmond minder bedrijven dan Eindhoven of Geldrop, maar de concentratie van de bedrijven was groter. Lange tijd was de Helmondse textielnijverheid afhankelijk van Haarlem. De economische politiek onder Willem I en onder invloed van de (in 1824 met steun van Willem I opgerichte) Nederlandse HandelMaatschappij was gericht op een regionale verdeling van specialisatie. De N.H.M, en haar agent van Lanschot waren van groot belang voor de financiering van de Helmondse industrie. Een nieuwe fase begon in de jaren twintig van de vorige eeuw toen een vrij groot aantal kleine ondernemingen ontstonden. Deze fase was ingeleid doordat in de Franse tijd een aantal ondernemers al begonnen waren met de voor- en nabewerking van stoffen. Veel van deze bedrijven werden gesticht door niet-Helmonders. De ondernemers waren vaak van andere branches afkomstig. In de jaren dertig overheerste de textielnijverheid, maar waren er bedrijven met zeer diverse specialisaties. Het gereedkomen van de Zuid-Willemsvaart in 1826 betekende een belangrijke impuls. De aanwezigheid van de Aa en van de watermolen, gecombineerd met de nabijheid van de ZuidWillemsvaart, concentreerde in eerste instantie een aantal bedrijven in de driehoek tussen de huidige Havenweg en de Veestraat (in het bijzonder looierijen) en ten oosten van de watermolen.

Maar vrij vlug vestigden zich bedrijven aan de overkant, aan de Kanaaldijk West. Na 1830 kwamen de spinnerijen in de knel. De textielnijverhied had te kampen met verscheidene averechtse efFecten, o.a. met de ingewikkelde gevolgen van de Belgische afscheiding en de met de daarmee samenhangende verplaatsing van de textielproductie. Wel speelden de nieuwe exportmarkten (Indië) een grote rol in de ontwikkeling, in het bijzonder van de katoendrukkerijen. In 1839 telde men in Helmond vijf linnen- en katoendrukkerijen. Inmiddels bleef de technologische verandering beperkt tot vrij kleine stappen. In 1855 waren er zeven fabrieken voor lijnwaden, een katoendrukkerij, een roodververij en twee blauwververijen. Tot het einde van de jaren twintig van de vorige eeuwwerd in Helmond geen stoomkracht toegepast. Tot 1860 was de toename aan stoomkracht vrij

langzaam (in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Gentse textielindustrie waar stoomkracht na 1820 vrij algemeen werd toegepast). Het tempo van de technologische verandering versnelde pas na 1860 drastisch. Tussen 1866 en 1867 was het totale stoomvennogen in de stad meer dan verdubbeld. De metaalnijverheid bloeide na 1860 op. Belangrijk hierbij was de vraag afkomstig van spoorwegaanleg. Zo kreeg de machinefabriek van Bcgemann belangrijke opdrachten, o.a. de produkcie van de gehele overkapping van het Bossche station en produceerden de fabrieken van Van Thiel massaal schroeven en bouten. De metaalnijverheid kon profiteren van kapitaal en van de vraag afkomstig van de textielnijverheid. Textiel en metaal groeiden naast elkaar, soms onder één en dezelfde eigenaar. Het verwisselen van branche was aan het einde van de negentiende eeuw vrij gangbaar. Het overstappen vond niet alleen plaats van textiel naar metaal, maar ook van metaal naar textiel zoals in het geval van de linnenweverij van de gebroeders Van Thiel. Het spreiden van de belangen was wel nuttig, zoals de gevolgen van de Amerikaanse Burgeroorlog voor de textielindustrie lieten zien. Vanaf de jaren zeventig van de negentiende eeuw was er een aanzienlijke groei bij de katoenbedrijven en in de Helmondse industrie als geheel, waarbij het aandeel van de huisnijverheid steeds afnam.

Rond 1850 was de verhouding fabrieksarbeiders/ thuiswevers echter nog circa 300 tegenover circa 2400. De gunstige periode voor de textielnijverheid (vooral de bonrweverijen) ging door tot circa 1900. Tegen die tijd was de thuisweverij in Helmond zo goed als verdwenen. Daarna werd de concurrentie te groot voor de kleinere bedrijven, en vond een concentratie plaats. Ondanks de groei van de metaalnijverheid bleef het aandeel van de textielnijverheid in de werkgelegenheid het grootst, maar bood de metaalindustrie werk aan beter gekwalificeerde arbeiders. In de jaren twintig zorgde de conjunctuurgevoeligheid van de Helmondse industrie voor een aanmerkelijke teruggang van de werkgelegenheid, met een verhouding werknemer/bevolking die terugliep van 1 op 4 inwonersin 1928 tot 1 op 6,5 in 1934. Naast metaal en textiel was er ook voeding- en genotsmiddelenindustrie (in het bijzonder

margarine, cacao, bakkerijen) en sigarenindustrie. Deze branches hebben echter hun economisch belang niet of veel minder kunnen handhaven. De margarine-, de cacao- en de sigarenindustrieën zijn verdwenen, wat in de traditionele toeleverende verpakkingsindustrie niet zonder gevolgen bleef. In de metaal- en de textielbranches hebben ingrijpende reorganisaties plaatsgevonden die sterke repercussies hebben voor het stadsbeeld. Elke verdwenen of verhuisde industrie betekende de laatste jaren niet alleen een verandering van bestemming van de ruimte, maar meestal ook sloop. Diensten en handel

In 1862 werd de gasfabriek geopend (grofweg waar nu nog het gebouw van het gasbedrijf staat, toen nog nabij de haven). De gasfabriek te Helmond diende enigszins als model voor Eindhoven, waar enige tijd later een gasfabriek werd opgericht. In 1927 functioneerden vrachtbootdiensten tussen Helmond en Rotterdam, Helmond en Amsterdam, en maakte Helmond deel uit van de dienstroute Maastricht- 's-Hertogenbosch en MaastrichtRotterdam. Stroomlevering in 1899 werd verzorgd door de NV Peelcentrale en vanaf de fabriek van Van Vlissingen. In 1915 ging de Peelcentrale failliet en werden de gebouwen en de machines aan de PNEM verkocht, die ook de electriciteitslevering overnam. In 1927 vond aankoop van terreinen van het slachthuis plaats, in 1930 werd het toendertijd zeer moderne gemeentelijke slachthuis geopend. De markten en het winkelareaal van Helmond gaven de stad tot de Tweede Wereldoorlog een sterke centrale positie voor de omringende gemeenten. Daarna heeft Eindhoven in toenemende mate als regionale metropool deze positie afgezwakt. Helmond blijft echter een centrumfunctie houden. Onderwijs

Het onderwijs was in 1839 in handen van de zusters van Liefde (die zich ook in de ziekenverpleging actief toonden). De eerste neutrale school was in 1868 de bijzondere school voor jongens en meisjes aan de Wiel. De Wilhelminaschool die daarop volgde heeft moeten

wijken voor de Kasteel Traverse. Het was voornamelijk aan de invloedrijke protestantse industriëlen te danken dat ook voor het niet katholieke volksdeel onderwijs geboden werd. In 1880 kwamen de Broeders van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria (Broeders van Maastricht) naar Helmond. De Sint Lamberrusschool (jongensschool) werd in 1907 in de Molenstraat gesticht, ü c Meisjesschool (Mariaschool) naast O.L. Vrouw ten Hemelopneming kwam er in 1914. Een eerste ambachtsschool verscheen in 1912, de Sint Hendricusschool aan de Weg op den Heuvel (het gebouw is afgebroken), in 1919 gevolgd door de Gemeentelijke Burgeravond- en Tekenschool. In hetzelfde jaar openden de Handelsavondschool, het St. Christina- patronaat, de huishoudschool en de Volkshuishoudschool O.L.V. Maria. Het stichten van katholieke lagere scholen ging door met de Sint Nicolaasschool in de Molenstraat, de volksschool van de Sint Lambertus parochie in 1922, in 1924 de Sint Canisiusschool. Naast het onderwijs, heeft de R.K. kerk een zichtbaar stempel gedrukt op andere aspecten van het stedelijk leven. Zo is er in 1896 een R.K.. werkliedenvereniging opgericht die in 1899 een verenigingsgebouw liet bouwen en werd in 1916 een verenigingsgebouw opgekocht door pater Ildefonsus OHM Cap.

De Vereniging Zuigelingenzorg en melkverschaffing was tussen 1910 en 1921 actief. Uit 1911 dateert de Helmondse Kruisvereniging. (De wijkzusters van het Wit-Gele kruis waren toen religieuzen). In 1925 werd een consultatiebureau voor zuigelingen en kleuters opgericht. In de laatste twintig jaar zijn gezondheidsvoorzieningen naar de periferie verplaatst. Planologische ontwikkelingen In Helmond hebben al in een vrij vroeg stadium na de Woningwet belangrijke stedebouwkundige ontwikkelingen plaatsgevonden. Door vertragingen in de besluitvorming is het echter niet gelukt om de planmatige ingrepen een eenduidige uitvoering te geven. In 1915 werd - na een prijsvraag van de woningbouwvereniging Volksbelang voor het maken van een partieel plan - aan Albert Otten een opdracht verleend voor het maken van een volledig uitbreidingsplan. In 1921 werd het plan definitief ingediend. Albert Otten heeft een belangrijk gedeelte van de sociale woningbouw aan de oostkant van de binnenstad ontworpen. Daarnaast heeft hij ten zuiden van de het spoor (Hoogeinde) een stadsuitbreidingsplan ontworpen welke geen doorgang vond.

In 1924 bracht de Dienst Publieke Werken ingrijpende wijzigingen aan de plannen aan, rekening houdend met mogelijke aansluiting van Mierlo-Hout, uitgevoerde partiële uitbreiding, reeds genomen beslissingen en toekomstige uitwerkingen, Enkele gedeelten van de voorgaande voorstellen waren inmiddels niet meer uitvoerbaar. Op 14/15 februari 1927 is een raadsbesluit voor verdere uitwerking genomen, in september 1927 werd een plan voor hoofdwegen in de vergadering van B & W besproken. Het hoofdwegen plan hield rekening met het Rijkswegenplan. In 1931 werd het streekplan voor het ZO deel van Noord Brabant voorgesteld. Concretere hoofdlijnen kwamen er in 1933. Niet alleen in Eindhoven, maar ook in Helmond was rond 1936 de invloed van de planoloog W. de Casseres als hoofd streekplandienst voelbaar, vooral in de uitwerking van het verkeerspatroon met radialen en een dubbele ringweg. Het plan kreeg in 1938 een gedeeltelijk uitwerking, waarbij de hoofdlijnen uit 1933 werden aangehouden, maar waar gekozen

Vanaf 1911 was een R.K. consultatiebureau tot redding van drankzuchtigen in de stad actief en daarna een vereniging die voor de katholiek kerk aanvaardbare vormen van vermaak organiseerde. Gezondheidszorg

De Zusters van Liefde zorgden in het Sint Aloysiusgesticht op de Markt voor de zieken. De Hclmondse gezondheidscommissie begon in 1902 haar werk (zij bevatte naast leden met een medische scholing prominente leden uit de industrie, o.a. J.J.J. Raijmakers en J.B. Kam). De gezondheidscommissie onderzocht o.a. de wantoestanden in de arbeiderswoningen. Volkswoningbouw inclusief badhuizen viel in die periode nog algemeen onder het hoofd volksgezondheid. Het in 1910 geopende zwembad tussen draaibrug en sluis 8, (in 1930 verbouwd) kan in wezen ook gerekend worden tot de voorzieningen in dienst van de volksgezondheid.

10

werd voor een enkele ring. In 1947 vond er een aanpassing plaats van het rijkswegenplan. Helmond heeft in de negentiende eeuw grotendeels de oude wegenstructuur gehandhaafd, maar de continuïteit van het wegennetwerk is door de Zuid Willemsvaart, later door het spoor en recentelijk door de Kasteel Traverse verstoord. Deze is aangelegd onder inspiratie van de in 1948 als adviseur aangetrokken stedebouwkundige prof. ir. J.H. Froger, toen een onbetwiste autoriteit op verkeersgebied. Deze oost-west doorbraak is in de jaren zestig gerealiseerd ondanks hevige weerstand. Aan het einde van de jaren zeventig en in de jaren tachtig, maakte Helmond met stadsuitbreidingen haar in 1976 verkregen groeistad status waar. Nieuwe woongebieden bevinden zich om de kernen van Stiphout en Mierlo-Hout, en als volledig nieuwe gebieden in het oosten, in de nieuwe woonkernen Rijpelberg en Brouwhuis.

volgebouwd, behalve een als 'groene longen' gereserveerde gebieden zoals het Grote Goor (in de hoek gevormd door Zuid-Willemsvaart en Eindhovenskanaal, ten oosten van Mierlo-Hout). Ten westen van Mierlo-Hout bevindt zich nabij het spoor een kleine na-oorlogse wijk, gebouwd als wederopbouwwijk van Mierlo vóór de annexatie.

5.3. Stiphout De oudste Stiphoutse bewoning was waarschijnlijk geconcentreerd rond de Oude Toren, ten noordwesten van de huidige kern. Het is echter niet mogelijk om met zekerheid te stellen of deze kerk (met kerkhofplaats) het centrum van een vroegmiddeleeuwse nederzetting markeert. Aan het begin van de negentiende eeuw was de Stiphoutse kern een straatdorp ten zuiden van de Oude Toren, welke pas een duidelijk centrum kreeg met de bouw van de kerk in 1883-1884. Deze structuur wordt nu pas ingesloten door grootscheepse uitbreidingen aan de rand van de negentiende-eeuwse bebouwing. Tot ruim na de Tweede Wereldoorlog was slechts sprake van een verdichting van de bestaande structuur.

5.2. Mierio-Hout Mierlo-Hout maakte tot de annexatie in 1968 deel uit van de gemeente Mierlo. Mierlo-Hout zou zijn oorsprong te danken hebben aan de stichting van een apostelhuis in de middeleeuwen. Ten noorden van het spoor bevindt zich nog een boerderij, genaamd de Apostelhoeve. Onder de bevolking van Mierlo-Hout bevonden zich tijdens de negentiende eeuw veel klompenmakers en thuiswevers. In 1930 werkte al meer dan 50% van de mannelijke en bijna 50 % van de vrouwelijke actieve bevolking van Mierlo voor de Helmondse industrie. Voor Mierlo-Hout zal dit in nog hoger mate het geval zijn geweest.

In het zuidoosten kende Stiphout relatief rijke dalgronden, in het noordwesten schrale heidegronden. Boerderijen waren in het zuiden van de toenmalige gemeente gesitueerd. Heidegrond bezette in het midden van de vorige eeuw nog het grootste gedeelte van Stiphout. Tijdens de negentiende eeuw was er onvoldoende landbouwgrond voor de (langzaam) groeiende bevolking. Eind jaren twintig, werd met het omspitten van de woeste gronden als werkverschaffingsprojekt een begin gemaakt. In 1931 had de gemeente haar gehele woeste grond ontgonnen. Toen werd er door de Stichting Geloof, Hoop en Liefde terrein aangekocht om met de bebossingswerkzaamheden te kunnen doorgaan. Tussen 1921 en 1940 was het percentage woeste grond van de gemeentegronden gedaald van 41 tot 9%.

Het kerkdorp heeft de vorm van een straatdorp, de Hoofdstraat gaat ten noorden van het spoor over in de Mierloseweg, om vervolgens naar het oosten af te buigen in de richting van het centrum van Helmond. De bouw van de parochiekerk heeft niet geleid tot de vorming van een uitgesproken dorpsplein. Er is wel een concentratie van bebouwing verbonden met het R.K- geloof: kerk met begraafplaats, pastorie, gemeenschapshuis, school, klooster (nu met bejaardenwoningen en bejaardentehuis). De vroegere gespreide bebouwing is in de laatste twintig jaar grotendeels tussen nieuwbouw komen te staan. Ook lage gronden die vroeger geen bebouwing kenden worden nu

De bevolking van Stiphout bedroeg in 1867 672 inwoners. De beroepsbevolking telde toen 53 landbouwers, 73 wevers en 32 dagloners. Thuis weverij was een economisch alternatief voor het bevolkingsdeel zonder landbouwgrond of met een te kleine hoeveeldheid daarvan. Na 1894 was

11

de thuiswevcrij praktisch uit Stiphout verdwenen. Belangrijk voor de Stiphoutsc economie was het ontstaan van de Stiphoutse afdeling van de Noordbrabantsche Christelijke Boerenbond in 1896. Tussen 1884 en 1894 werden veel thuisweversfabrieksarbeiderste Helmond. De bevolking verminderde in die periode met 10 %. Na 1904 ontstond er echter een explosieve bevolkingsgroei. Tussen 1904 en 1914 vond er een toename van 30 % van de bevolking plaats. Aan het begin van deze eeuw kende Stiphout slechts twee kleine industriële ondernemingen, de kousenbreierijen van Van Eijnden &c Brunschot en van W.P. van Wijk. Vanaf de jaren twintig, ging de steenbakkerij De Nijverheid uit Mierlo-Hout klei delven in de Stiphoutse hei bij de Vennen. Scholen kwamen vrij laat in Stiphout: in 1880 een meisjesschool voor lager onderwijs in het klooster aan de Kloosterstraat, in 1882 uitgebreid met een bewaarschool. In 1906 werd een openbare lagere school opgericht, die tot 1931 open was. Toen werd het gebouw verkocht aan het R.K. kerkbestuur om als patronaat dienst te doen. In 1931 werd de R.K. jongensschool St. Trudo opgericht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10505361/1