Eenzaamheid-voorkomen-in-een-periode-van-social-distancing-covid-19 - Universiteit van Tilburg 2020
Tekst van het document
Samenvatting Onze hypothese dat een grotere stijging in eenzaamheid geassocieerd zou zijn met een lagere levenstevredenheid en zelfvertrouwen wordt verworpen. Wel blijkt een grotere mate van eenzaamheid tijdens de coronacrisis gerelateerd aan een lagere levenstevredenheid en zelfvertrouwen. Dus niet zozeer de verandering in eenzaamheid maar de effectieve eenzaamheid tijdens de coronacrisis is negatief gerelateerd aan ons welzijn tijdens de crisis.
32
Tabel 6 Gemiddelden (M), standaardafwijkingen (SD) en correlaties [met betrouwbaarheidsintervallen] van de variabelen gemeten in mei 2020 (uitgezonderd coping, zie hierboven) Variabele
M
SD
1. Eenzaamheid
1.36
0.39
2. Levenstevredenheid
5.21
1.08
3. Zelfvertrouwen
5.57
1.00
4. Hoeveelheid contact partner
4.92
0.41
5. Hoeveelheid contact huisgenoten
6. Hoeveelheid contact vrienden
7. Hoeveelheid contact familieleden
8. Hoeveelheid contact anderen verderaf
9. Kwaliteit contact partner
4.75
2.65
2.88
2.68
8.68
0.80
1.16
1.16
1.31
1.63
1
2
3
4
5
6
-.45** [-.49, -.42] -.45** [-.49, -.42]
.47** [.43, . 50]
-.09**
.11**
.09**
[-.14, -.04]
[.06, . 16]
[.04, . 14]
-.11**
.01
.04
.19**
[-.18, -.04]
[-.06, .08]
[-.03, .11]
[.11, . 27]
-.02
-.03
.02
.00
.10**
[-.07, . 02]
[-.07, .02]
[-.02, .07]
[-.05, .05]
[.03, . 17]
-.06*
.01
.05*
.07**
.08*
.37**
[-.10, -.01]
[-.04, .05]
[.01, . 10]
[.02, . 12]
[.00, . 15]
[.33, . 41]
-.07**
.06**
.04
.01
.17**
.34**
.27**
[-.11, -.02]
[.02, . 11]
[-.01, .09]
[-.04, .06]
[.10, . 24]
[.30, . 38]
[.23, . 31]
-.33**
.41**
.30**
.22**
.03
-.07*
-.02
-.07**
[-.38, -.29]
[.36, . 45]
[.25, . 35]
[.17, . 27]
[-.05, .11]
[-.12, -.02]
[-.07, .04]
[-.12, -.02]
33
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16
Variable
M
SD
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10. Kwaliteit contact huisgenoten
8.18
1.68
-.32**
.34**
.35**
.14**
.12**
-.06
.02
.00
.59**
[-.38, -.26]
[.27, . 40]
[.28, . 41]
[.06, . 22]
[.05, . 19]
[-.13, .01]
[-.05, .10]
[-.07, . 07]
[.53, . 64]
-.26**
.23**
.20**
.07**
.03
.13**
.11**
.02
.30**
.31**
[-.30, -.21]
[.19, . 27]
[.16, . 25]
[.02, . 12]
[-.05, .10]
[.09, . 18]
[.06, . 15]
[-.03, . 06]
[.25, . 35]
[.24, .37]
-.22**
.21**
.17**
.04
-.03
.05*
.19**
-.02
.29**
.33**
.66**
[-.26, -.18]
[.16, . 25]
[.12, . 21]
[-.01, .10]
[-.10, .05]
[.00, . 10]
[.14, . 23]
[-.06, . 03]
[.24, . 33]
[.27, .40]
[.63, . 68]
-.25**
.22**
.16**
.05
.01
.10**
.08**
.13**
.26**
.33**
.67**
.61**
[-.29, -.20]
[.17, . 26]
[.12, . 21]
[-.01, .10]
[-.06, .08]
[.05, . 15]
[.03, . 13]
[.08, .1 8]
[.21, . 31]
[.27, .40]
[.65, . 70]
[.58, .6 4]
11. Kwaliteit contact vrienden
12. Kwaliteit contact familieleden
13. Kwaliteit contact anderen verderaf
7.16
7.38
6.98
2.16
2.19
2.10
10
11
12
13
14
15
14. Face-to-face contact
3.77
1.42
-.13** [-.18, -.09]
.04 [-.01, .08]
.03 [-.01, .07]
.02 [-.03, .07]
.16** [.10, . 23]
.14** [.09, . 18]
.06* [.01, . 10]
.23** [.18, .2 7]
-.06* [-.11, -.01]
.03 [-.04, .10]
.01 [-.04, .05]
-.01 [-.05, .0 4]
.05* [.00, . 09]
15. Bellen
3.72
1.14
-.09** [-.13, -.04]
.04 [-.01, .08]
.11** [.07, . 15]
.01 [-.04, .06]
.11** [.04, . 18]
.20** [.15, . 24]
.19** [.14, . 23]
.15** [.11, .2 0]
-.01 [-.06, . 04]
.01 [-.06, .08]
.06** [.02, . 11]
.04 [-.01, .0 8]
.06* [.01, . 10]
.21** [.17, . 25]
16. Privé tekstberichten
4.00
1.35
-.09** [-.13, -.05]
.05* [.00, . 09]
.04 [-.00, .09]
.02 [-.03, .07]
.25** [.18, . 31]
.15** [.11, . 20]
.08** [.03, . 12]
.24** [.19, .2 8]
-.07** [-.12, -.02]
.02 [-.05, .09]
-.03 [-.07, .02]
-.09** [-.14, -.05]
-.00 [-.05, .04]
.30** [.26, . 34]
.37** [.34, . 41]
17. Online communities
1.82
1.38
.04 [-.01, . 08]
-.04 [-.08, .01]
-.05* [-.10, -.01]
-.02 [-.07, .03]
.02 [-.05, .09]
.14** [.09, . 18]
-.02 [-.07, .02]
.11** [.06, .1 5]
-.03 [-.08, . 02]
-.09** [-.16, -.02]
-.04 [-.08, .01]
-.09** [-.14, -.05]
-.02 [-.06, .03]
.13** [.09, . 17]
.15** [.10, . 19]
Noot. Waarden tussen vierkante haakjes tonen het 95% betrouwbaarheidsinterval aan voor elke correlatie. Het betrouwbaarheidsinterval is een plausibele range van populatie correlaties die kunnen geleid hebben tot de steekproef correlaties. * p < .05. ** p < .01.
34
16
.24** [.20, . 28]
Aanvullende onderzoeksvraag 5. Associaties met leeftijd Zijn eenzaamheid, coping en sociaal contact gerelateerd aan leeftijd? Introductie In deze sectie onderzoeken we of er een samenhang is tussen leeftijd aan de ene kant, en eenzaamheid, coping strategieën en sociaal contact aan de andere kant, allen gemeten in mei 2020. Hypotheses Deze Spearman correlatie analyses zijn aanvullend op basis van een verzoek van het ministerie, we hebben geen concrete hypothesen. Resultaten Leeftijd is niet significant gerelateerd aan eenzaamheid in mei (r = .00, p = .71), alsook niet aan het aantal gebruikte niet-sociale coping strategieën (r = -.03, p = .15). Leeftijd is wel significant negatief gerelateerd aan het aantal gebruikte sociale coping strategieën (r = -.24, p = .00) alsook aan het totaal aantal gebruikte coping strategieën (r = -.14, p = .00). Dus een oudere leeftijd hangt samen met het minder gebruiken van (sociale) coping strategieën. Leeftijd is significant positief gerelateerd aan de hoeveelheid contact met de partner (r = .11, p = .00) en familieleden (r = .13, p = .00), en significant negatief gerelateerd aan de hoeveelheid contact met huishoudleden (r = -.16, p = .00), vrienden partner (r = -.11, p = .00), en anderen die iets verder af staan (r = -.29, p = .00).
Dus een oudere leeftijd hangt samen met meer contact met je partner en familieleden, en minder contact met huishoudleden, vrienden en anderen die iets verder van je af staan. Leeftijd is significant positief gerelateerd aan de kwaliteit van contact met de partner (r = .20, p = .00), huishoudleden (r = .14, p = .00), vrienden (r = .16, p = .00), familieleden (r = .24, p = .00) en anderen die iets verder af staan (r = .08, p = .001). Dus een oudere leeftijd hangt samen met een kwalitatiever contact met al deze groepen. Tot slot is leeftijd significant negatief gerelateerd aan alle manieren van sociaal contact: faceto-face contact (r = -.30, p = .00), bellen (r = -.08, p = .00), privé tekstberichten (r = -.45, p = .00), en online communities (r = -.33, p = .00). Dus een oudere leeftijd hangt samen met het minder gebruiken van al deze manieren van sociaal contact. Samenvatting Leeftijd is niet significant gerelateerd aan eenzaamheid. Een oudere leeftijd hangt echter wel samen met het minder gebruiken van (sociale) coping strategieën. Daarnaast is het ook zo dat hoewel een oudere leeftijd samenhangt met meer contact met je partner en familieleden, en minder contact met huishoudleden, vrienden en anderen die iets verder af staan, de kwaliteit van al deze contacten positiever is bij mensen die iets ouder zijn.
Dit ondanks het minder gebruik van face-to-face contact, bellen, privé tekstberichten en online communities.
35
Conclusie en discussie Samenvatting belangrijkste bevindingen Gemiddeld hebben deelnemers minder contact en ervaren zij een lagere kwaliteit van contact dan voor de coronacrisis. Maar, voor veel deelnemers geldt dat zij geen verschil ervaren in vergelijking met voor de crisis. Meer specifiek geldt dat het aantal dagen van sociaal contact heeft met de partner en anderen met wie men samenwoont voor de meeste mensen gelijk is gebleven (sectie 1.1). Het aantal dagen van sociaal contact is gemiddeld afgenomen voor vrienden, familieleden met wie men niet samenwoont en mensen die iets verder weg staan, hoewel ongeveer de helft van de deelnemers ook hier geen verschil in de hoeveelheid contact rapporteert. In vergelijking met voor de coronacrisis rapporteert meer dan de helft van de deelnemers geen verschil in de kwaliteit van de relaties (sectie 1.2). Dit geldt zelfs voor 80-90% van de deelnemers voor contact met de partner en andere huisgenoten. Wat betreft de manier van sociaal contact geldt dat de hoeveelheid face-toface contact is afgenomen, maar bellen (inclusief videobellen), tekst contact (bv. via WhatsApp), en contact via online communities is toegenomen (sectie 1.3). De ruime meerderheid van de participanten gebruikt coping strategieën om om te gaan met het feit dat er door de coronacrisis niet meer dezelfde mogelijkheden voor sociaal contact zijn als daarvoor (sectie 2.1).
Gemiddeld gaven mensen aan 4.49 van de getoonde sociale coping strategieën te gebruiken (bv. chatten of [video]bellen), en 5.94 van de niet-sociale coping strategieën (bv., naar buiten gaan, huishouden, tv kijken) (sectie 2.2). Er was geen duidelijke clustering waarneembaar in welke strategieën mensen gebruikten (sectie 2.3). We vergeleken het niveau van eenzaamheid in oktober 2019 en mei 2020 (secties 3.1 en 3.2). Eenzaamheid is gemiddeld gesproken licht toegenomen, van 1.31 tot 1.36 (op een schaal van 1 tot 3). Extreme verschillen in eenzaamheid tussen oktober 2019 en mei 2020 kwamen nauwelijks voor. Bijna 40 procent laat een (meestal kleine) toename zien in eenzaamheid, terwijl ruim 25 procent een (meestal kleine) afname in eenzaamheid laat zien. We keken naar de samenhang tussen sociaal contact en eenzaamheid (sectie 3.3). Mensen met frequentere sociale contacten en hogere tevredenheid over de kwaliteit van contact rapporteren minder eenzaamheid, gemeten in mei 2020. Daarbij hangt de kwaliteit van dat contact sterker samen met eenzaamheid dan de kwantiteit. Meer gebruik van elk van de manieren van sociaal contact hing samen met minder eenzaamheid. We keken ook naar de verandering in eenzaamheid in relatie tot de verandering in sociaal contact (gemeten door mensen te vragen naar sociaal contact nu en in een typische maand voor corona).
We zagen dat afnames in de hoeveelheid contact (met name met collega’s en kennissen) en afnames in de ervaren kwaliteit van dat contact (met name met mensen buiten het huishouden) samenhingen met een toename in eenzaamheid. Voor de manier van sociaal contact gold dat toenames in eenzaamheid samenhingen met afnames in face-to-face contact, maar juist met toenames in bellen, tekst contact en online contact. Dat laatste hoeft niet te
36
betekenen dat bijvoorbeeld bellen eenzaamheid veroorzaakt, een meer waarschijnlijke verklaring is dat mensen als ze eenzaam worden en geen mogelijkheid hebben voor face-toface contact, meer gebruik gaan maken van andere manieren van contact. Wat betreft de samenhang tussen eenzaamheid en het gebruik van coping strategieën zien we dat het gebruik van meer coping strategieën samenhangt met minder eenzaamheid (sectie 3.4), waarbij vooral de sociale coping strategieën van belang lijken. De sociale coping strategieën die het sterkst negatief samenhingen met eenzaamheid waren videobellen (bv. Skype), mensen buitenshuis ontmoeten, quality time doorbrengen met huishoudleden (focus op kinderen en partner) en brieven/kaarten/cadeaus sturen. De nietsociale coping strategieën die het sterkst negatief samenhingen met eenzaamheid waren tuinieren, lezen, en huishouden/inrichting/klussen aan het huis. Er waren echter ook andere coping strategieën die samenhingen met eenzaamheid, het volledige overzicht is terug te vinden in sectie 3.4 Tegen onze verwachting vonden we niet dat een grotere toename in eenzaamheid samenhing met het gebruik van meer coping strategieën. Het lijkt dus de ervaren eenzaamheid in het moment, en niet de verandering in eenzaamheid te zijn die samenhangt met het gebruik van coping strategieën. We onderzochten ook de relatie tussen eenzaamheid en welzijn (sectie 4).
We vonden geen bewijs dat een grotere stijging in eenzaamheid samenhing met levenstevredenheid of zelfvertrouwen. Wel bleek een grotere mate van eenzaamheid tijdens de coronacrisis gerelateerd aan een lagere levenstevredenheid en zelfvertrouwen. Dus niet zozeer de verandering in eenzaamheid maar de effectieve eenzaamheid tijdens de coronacrisis is negatief gerelateerd aan ons welzijn tijdens de crisis. Als laatste hebben we geëxploreerd of leeftijd gerelateerd was aan eenzaamheid en sociaal contact (sectie 5). Leeftijd was niet significant gerelateerd aan eenzaamheid, maar oudere leeftijd hing wel samen met het minder gebruiken van (sociale) coping strategieën. Een oudere leeftijd hing ook samen met meer contact met partner en familie, maar minder contact met andere huishoudleden, vrienden en anderen die iets verderaf staan. De kwaliteit van dit contact was wel positiever, ondanks het minder gebruik van face-to-face contact, bellen, privé tekstberichten en online communities. Discussie en nuancering Voor de juiste interpretatie van de gegevens in dit rapport is het belangrijk om rekening te houden met een aantal nuances.
De meest belangrijke nuance betreft causaliteit: Hoewel we in dit rapport diverse malen een samenhang tussen eenzaamheid en (verandering in) de sociale situatie wordt aangetoond, is dit geen bewijs dat (veranderingen in) de sociale situatie de oorzaak zijn van eenzaamheid. Bijvoorbeeld, het zou ook kunnen dat mensen die meer eenzaam worden zich meer terug gaan trekken, of dat bepaalde coping strategieën makkelijker worden toegepast door mensen die zich
37
minder eenzaam voelen. Ook is het mogelijk dat een derde factor (bijvoorbeeld verandering in dagelijkse taken) zowel eenzaamheid als sociaal contact beïnvloed. Wat betreft de verandering in eenzaamheid in relatie tot verandering in sociaal contact geldt bovendien dat er een verschil is in de tijd waarover mensen rapporteren: De vragen over sociaal contact gaan over “een typische maand voor corona” versus “mei 2020”, terwijl de eenzaamheid vragenlijst een vergelijking weergeeft tussen oktober 2019 en mei 2020. Deze opmerking over causaliteit is ook van belang voor de (onverwachte) bevinding dat een toename in niet-face-to-face contact (zoals bellen, tekstcontact en online contact) samenhangt met een toename in eenzaamheid. Het is mogelijk dat een toename van niet-face-to-face contact zorgt voor een toename in eenzaamheid, maar het is ook mogelijk dat mensen als ze meer eenzaamheid gaan ervaren meer contact gaan opzoeken. Dit is ook in lijn met theorie over de functie van eenzaamheid, dat aan zou zetten tot het herstellen van een ervaren tekort in de kwaliteit of kwantiteit van sociaal contact.17 Wat betreft de gebruikte meetinstrumenten zijn er ook enkele nuances nodig. Zo is eenzaamheid in deze studie gemeten met een verkorte vragenlijst. Hoe korter de vragenlijst is, hoe minder mogelijke scores er zijn. Dit betekent ook dat het moeilijker is om kleine effecten aan te tonen.
Daarnaast geldt dat er voor sommige mensen een plafond-effect in eenzaamheid heeft kunnen optreden: Mensen die al erg eenzaam waren voelen zich misschien wel meer eenzaam dan voor de corona crisis, maar zaten al op de maximale score van de vragenlijst. Voor zowel de coping vragenlijst als de vragenlijst die sociaal contact meet, is het zo dat dit geen gevalideerde instrumenten zijn. Daardoor kunnen we niet met zekerheid zeggen of de instrumenten functioneren zoals we verwachten. Daarnaast geldt dat we voor het sociale contact retrospectief in kaart brengen hoe mensen terugkijken op hun sociale ervaringen van voor de coronacrisis. Hun antwoorden zijn dus mogelijk beïnvloed door de huidige situatie. Bovendien betekent dit dat we op basis van analyses van de samenhang tussen verandering in eenzaamheid en coping strategieën niet kunnen vaststellen of bepaalde strategieën beschermend werken tegen eenzaamheid, we kunnen alleen zeggen of mensen die in vergelijking met oktober 2019 meer veranderd zijn in eenzaamheid geneigd zijn om in mei 2020 bepaalde strategieën te gebruiken. Daarnaast hebben we hier gevraagd naar het aantal dagen in de week dat mensen contact hebben met anderen. Mogelijk zouden we andere resultaten hebben gevonden als we bijvoorbeeld hadden gevraagd naar het aantal uur per dag dat mensen gebruik maken van bepaalde communicatiemiddelen.
Er zijn een aantal vraagstukken die in dit rapport niet behandeld zijn, maar die mogelijk wel inzichten zouden kunnen opleveren. Daarbij denken we vooral aan meer person-based analyses (d.w.z. analyses waarin niet het gemiddelde groepsniveau, maar juist de verschillen tussen mensen centraal staan). Daarbij kan er meer aandacht komen voor factoren die verklaren waarom bepaalde coping strategieën voor bepaalde mensen werken, terwijl ze voor andere mensen juist niet goed werken. Hierbij kan gedacht worden aan factoren als leeftijd, geslacht, sociaaleconomische status, samenstelling van het sociale netwerk, of persoonlijkheidskenmerken.
38
Aanbevelingen Gegeven de aard van het onderzoek is het niet mogelijk om causaliteit vast te stellen, wat betekent dat we niet kunnen vaststellen welke factoren een oorzaak zijn van veranderingen in eenzaamheid. Bovendien zijn de meeste van de gevonden effecten klein. Er is dus geen garantie dat onderstaande aanbevelingen zullen zorgen voor een kleinere toename in eenzaamheid. Het is van belang om voorzichtig te zijn met het trekken van (beleids-) conclusies op basis van dit rapport. Deze voorzichtigheid in acht nemend willen we de volgende aanbevelingen doen: • Eenzaamheid hangt samen met welzijn. Daarom is het van belang om eenzaamheid mee te nemen bij toekomstige beslissingen van politici en professionals als het gaat om social distancing maatregelen. Gelukkig is er op dit moment nog geen reden voor grote zorgen, omdat veel mensen geen toename in eenzaamheid ervaren, en sommige mensen zelfs een afname. Wel moet worden opgemerkt dat, hoewel de gemiddelde toename in eenzaamheid gering blijkt, er geen garantie is dat eenzaamheid bij een langdurige verlenging van social distancing maatregelen niet sterker zal toenemen. • Hoewel er meer onderzoek nodig is om onze bevindingen te bevestigen, lijkt het erop dat deze toename in eenzaamheid te maken heeft met een afnemende hoeveelheid contact met mensen die wat verder weg staan (zoals kennissen en collega’s).
Dit is interessant omdat de meeste aanbevelingen om om te gaan met social distancing zich richten op het bereiken van familie en vrienden. Het lijkt daarnaast dus van belang om contact te zoeken met mensen die wat verder weg staan. • We zagen grote individuele verschillen in (verandering in) sociaal contact en eenzaamheid, en de relatie tussen contact, coping strategieën en eenzaamheid. Dus: Wat werkt voor de een werkt niet automatisch ook voor de ander. Eenzaamheid is wel een signaal dat we serieus moeten nemen, daarom is het aan te bevelen om als eenzaamheid de kop op blijft steken, te proberen andere strategieën te gebruiken, wellicht hebben deze een ander effect. • Zowel het gebruik van sociale als niet-sociale coping strategieën lijkt samen te hangen met eenzaamheid, hoewel verandering in eenzaamheid niet samenhangt met het gebruik van coping strategieën. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat we door de meting (alleen in mei 2020) niet zeker weten of er mogelijk een beschermend effect van de coping strategieën is. • In tijden waarin face-to-face contact niet mogelijk is, zou een aanbeveling kunnen zijn om de volgende strategieën te volgen om eenzaamheid te bestrijden: videobellen (bv.
Skype), mensen buitenshuis ontmoeten (bv., een wandeling maken) [dit betreft dus een face-to-face contact, maar weliswaar in de buitenlucht], tuinieren, quality time doorbrengen met huishoudleden (focus op kinderen, partner) en lezen, maar ook brieven/kaarten/cadeaus sturen, en huishouden/inrichting/klussen aan het huis. • Dit zijn echter niet de enige coping strategieën die samenhangen met eenzaamheid: Veel verschillende strategieën hangen samen met eenzaamheid en bovendien hangt het gebruik van meer strategieën samen met minder eenzaamheid. Daarom kan het zinvol
39
zijn om te experimenteren met meer (verschillende) strategieën op het moment dat gevoelens van eenzaamheid blijven aanhouden. Een interessante bevinding was dat een afname van de kwaliteit van sociaal contact met een scala aan relatiepartners verband hield met een toename van eenzaamheid. In plaats van alleen te focussen op hoe we “een dosis sociaal contact kunnen krijgen”, lijkt het dus de moeite waard om elke dosis te laten tellen: politici en professionals zouden mensen kunnen aanbevelen om te investeren in de kwaliteit van hun relaties. De pandemie is tenslotte een ongebruikelijke situatie die verschillende stressfactoren in het dagelijkse leven van veel mensen met zich meebrengt en het beste dat mensen kunnen doen is elkaar steunen en beseffen dat iedereen stressoren kan ervaren. Deze aanbeveling is niet alleen van toepassing op het privéleven van individuen, maar ook op het openbare leven en werkplekken. Mensen brengen een groot deel van hun tijd op werk door, het is een gestructureerde omgeving waar mensen anderen ontmoeten, en onze analyses laten zien dat contact met mensen die wat verder weg staan zoals collega’s ook belangrijk is. Aandacht voor sociaal contact tussen werknemers is dus belangrijk, en zou expliciet meegenomen kunnen worden in de COVID-19 strategie van bedrijven.
40
Referenties 1.
Brooks, S. K., Webster, R. K., Smith, L. E., Woodland, L., Wessely, S., Greenberg, N., & Rubin, G. J. (2020). The psychological impact of quarantine and how to reduce it: Rapid review of the evidence. The Lancet, 395, 912920. https://doi.org/10.1016/S0140-6736(20)30460-8 2. Jones, W. H. (1981). Loneliness and social contact. The Journal of Social Psychology, 113(2), 295- 296. https://doi.org/10.1080/00224545.1981.9924386 3. Heinrich, L. M., & Gullone, E. (2006). The clinical significance of loneliness: A literature review. Clinical Psychology Review, 26(6), 695– 718. https://doi.org/10.1016/j.cpr.2006.04.002 4. Lodder, G. M. A., Scholte, R. H. J., Goossens, L., & Verhagen, M. (2017). Loneliness in early adolescence: Friendship quantity, friendship quality, and dyadic processes. Journal of Clinical Child and Adolescent Psychology, 46(5), 709720.https://doi.org/10.1080/15374416.2015.1070352 5. Binder, J. F., Roberts, S. G., & Sutcliffe, A. G. (2012). Closeness, loneliness, support: Core ties and significant ties in personal communities. Social Networks, 34(2), 206214. https://doi.org/10.1016/j.socnet.2011.12.001 6. Antheunis, M. L., Valkenburg, P. M., & Peter, J. (2012). The quality of online, offline, and mixed- mode friendships among users of a social networking site. Cyberpsychology: Journal of Psychosocial Research on Cyberspace, 6(3) https://doi.org/10.5817/CP2012-3-6 7.
IJzerman, H., & Semin, G. R. (2009). The thermometer of social relations: Mapping social proximity on temperature. Psychological science, 20(10), 12141220. https://doi.org/10.1111/j.1467-9280.2009.02434 8. Knop, K., Öncü, J. S., Penzel, J., Abele, T. S., Brunner, T., Vorderer, P., & Wessler, H. (2016). Offline time is quality time. Comparing within-group self-disclosure in mobile messaging applications and face-to-face interactions. Computers in Human Behavior, 55, 1076-1084. 9. Mallen, M. J., Day, S. X., & Green, M. A. (2003). Online versus face-to-face conversation: An examination of relational and discourse variables. Psychotherapy: Theory, Research, Practice, Training, 40(1-2), 155. https://doi.org/10.1037/00333204.40.1-2.155 10. Cacioppo, S., Grippo, a. J., London, S., Goossens, L., & Cacioppo, J. T. (2015). Loneliness: Clinical import and interventions. Perspectives on Psychological Science, 10(2), 238-249. https://doi.org/10.1177/1745691615570616 11. Shiovitz-Ezra, S., & Ayalon, L. (2010). Situational versus chronic loneliness as risk factors for all- cause mortality. International Psychogeriatrics, 22(3), 455462. https://doi.org/10.1017/S1041610209991426 12. Masi, C. M., Chen, H. Y., Hawkley, L. C., & Cacioppo, J. T. (2011). A meta-analysis of interventions to reduce loneliness. Personality and Social Psychology Review, 15(3), 219-266.
https://doi.org/10.1177/1088868310377394
41
13. KNAW; NFU; NWO; TO2-federatie; Vereniging Hogescholen; VSNU (2018): Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit. DANS. https://doi.org/10.17026/dans-2cj-nvwu 14. Luchetti, M., Lee, J. H., Aschwanden, D., Sesker, A., Strickhouser, J. E., Terracciano, A., & Sutin, A. R. (2020). The trajectory of loneliness in response to COVID19. American Psychologist. Advance online publication. http://dx.doi.org/10.1037/amp0000690 15. Killgore, W. D. S., Cloonan, S. A., Taylor, E. C., & Dailey, N. S. (2020, August 1). Loneliness: A signature mental health concern in the era of COVID-19. Psychiatry Research, Vol. 290, p. 113117. https://doi.org/10.1016/j.psychres.2020.113117 16. Van Tilburg, T. G., Steinmetz, S., Stolte, E., van der Roest, H., & de Vries, D. H. (2020). Loneliness and mental health during the COVID-19 pandemic: A study among Dutch older adults. The Journals of Gerontology: Series B, XX, 1–7. https://doi.org/10.1093/geronb/gbaa111 17. Cacioppo, J. T., & Cacioppo, S. (2018). Loneliness in the modern age: An evolutionary theory of loneliness (ETL). In Advances in Experimental Social Psychology (Vol. 58, pp. 127–197). https://doi.org/10.1016/bs.aesp.2018.03.003
42
Bijlagen Bijlage 1. Extra informatie over analyses Factor analyses In de factor analyse wordt onderzoek gedaan naar de factor structuur van al de coping strategieën, m.a.w., zijn er clusters van coping strategieën die vaak samen voor komen? Enkele voorbeelden van dergelijke clusters zouden kunnen zijn: de grote categorieën, namelijk de sociale en niet-sociale categorieën, of meerdere kleinere categorieën, zoals bv. gericht op online contact, ontspanning, etc. Bij het uitvoeren van factor analyses is het altijd van belang om de betrouwbaarheid van de categorie/factor te bekijken (d.w.z. hangen de strategieën onderling genoeg samen om van een cluster te spreken) en ook de interpreteerbaarheid van de factor (d.w.z. is het een logische samenhang van coping strategieën). Er werden meerdere exploratieve factor analyses uitgevoerd (CATPCA, Principal axis factoring). Uit de resultaten bleek dat de sociale coping strategieën statistisch gezien opgedeeld konden worden in 4 factoren (d.w.z. categorieën) en de niet-sociale coping strategieën in 5 factoren. Bij nadere inspectie bleek echter dat deze factoren een te lage betrouwbaarheid hadden, en niet eenduidig geïnterpreteerd konden worden.
Dit valt te verklaren vanuit het feit dat het niet de intentie was van de onderzoekers om een nieuwe coping schaal te ontwikkelen (waarbij deze analyse dan een eerste stap zou zijn om de schaal bij te schaven). Voor sommige factoren waren er waarschijnlijk te weinig items (d.w.z. strategieën) om van een duidelijke en betrouwbare factor te kunnen spreken. Het was echter wel de bedoeling om te onderzoeken welke coping strategieën gebruikt worden, en deze vraagstelling wordt dan ook beantwoord in het onderzoek (zie boven). Daarnaast bleek uit de factor analyses dat voor zowel de sociale als niet-sociale coping strategieën telkens de 1-factor oplossingen statistisch het beste pasten (d.w.z. de hoogste eigenwaarde en e meeste verklaarde variantie), wat bijkomende ondersteuning biedt voor het feit dat de sociale en niet-sociale categorie beiden beter als 1 aparte categorie beschouwd worden. Waarbij in de vorige analyses de 14 sociale en 20 niet-sociale coping strategieën apart werden geanalyseerd, werden nu alle 34 strategieën samen in de analyse gevoegd. Meer specifiek werd onderzocht of de 34 strategieën zich opsplitsen in de 2 categorieën die door de onderzoekers waren opgesteld (sociaal en niet-sociaal). Hoewel dit onderzocht werd, was dit niet onze verwachting. Deze vraag was dus opnieuw exploratief van aard.
Uit de resultaten bleek dat er geen 2-factor structuur was, maar een 9-factor structuur, weliswaar opnieuw met lage betrouwbaarheden en geen eenduidige interpretatie. Dezelfde verklaring als hierboven kan naar voren geschoven worden. Uit deze factoranalyses kan geconcludeerd worden dat de 34 strategieën niet eenduidig te reduceren zijn naar een aantal onderliggende dimensies. Wat we wel kunnen concluderen is dat de meeste strategieën samen voorkomen. Met andere woorden, als iemand 1 strategie
43
gebruikt (bv., videobellen), is het waarschijnlijk dat deze persoon ook andere strategieën gebruikt (bv., naar buiten gaan). Betrouwbaarheid van coping strategieën Om echter wel de twee grote categorieën van coping strategieën (sociaal en niet-sociaal) te kunnen handhaven in de verdere analyses, werden de betrouwbaarheden berekend van deze twee somscores (gezien de antwoordoptie: Nee = 0 of Ja = 1, waarbij de somscore duidt op het aantal gebruikte strategieën). De Cronbach’s alfa coëfficiënten voor de sociale en niet-sociale coping strategieën zijn respectievelijk .72 en .73, wat wijst op een goede betrouwbaarheid (d.w.z. de items zijn intern consistent en hangen goed samen). Hetzelfde kan gesteld worden voor de totale somscore van alle coping strategieën samen, met een Cronbach’s alfa van .83. De coping strategieën worden dus op een betrouwbare manier gemeten.
Bivariate analyses (correlaties) Bij bivariate associaties wordt gekeken naar het verband tussen twee variabelen (zonder rekening te houden met andere variabelen). Aangezien de verdeling van eenzaamheid geen normaalcurve volgt (zie boven), dienen niet-parametrische analyses gebruikt te worden die robuust zijn t.a.v. de geschonden normaliteitsassumptie. Daarom zijn Spearman’s rho correlatieanalyses uitgevoerd die de sterkte en richting aangeven van de verbanden.
Multivariate analyses (regressies) Analysestrategie: Gegeven de schending van de normaliteitsassumptie werd gekozen voor regressie analyses met bootstrapping (1000 x steekproeftrekking). Hieronder zullen dan ook de op basis van bootstrap bekomen p waarden gerapporteerd worden, samen met de gestandaardiseerde Bèta coëfficiënten (dewelke geïnterpreteerd kunnen worden zoals correlaties en dewelke onderling te vergelijken zijn).
Aanvullende analyses Tot slot zijn er nog twee regressiemodellen onderzocht, die beide significant waren: een met enkel de sociale strategieën (F (15,1977) = 5.05, p < .001, R² = .04) en een met enkel de nietsociale strategieën (F (21,1971) = 4.38, p < .001, R² = .05). Uit het model met enkel de sociale strategieën bleek dat naast de drie bovengenoemde strategieën (bellen met video, mensen buitenshuis ontmoeten, quality time met huishoudleden) eveneens de strategie ‘brieven, kaarten, of cadeaus sturen’ negatief geassocieerd is met eenzaamheid (β = -.06, p = .013). Uit het model met enkel de niet-sociale strategieën bleek dat naast de twee bovengenoemde strategieën (tuinieren en lezen) eveneens de strategie ‘huishouden, inrichting en klussen aan het huis’ negatief geassocieerd is met eenzaamheid (β = -.06, p = .017).
44
Gestandaardiseerde waarden Voor enkele analyses zijn er verschillen tussen de gestandaardiseerde uitkomsten en de ongestandaardiseerde uitkomsten. In dit rapport worden de gestandaardiseerde uitkomsten weergegeven, maar hieronder staan de volledige resultaten. Relatie tussen verandering in eenzaamheid en coping De verschilscore in eenzaamheid (oktober 2019 – mei 2020) is niet significant gerelateerd aan zowel totale coping (r = .07, p = .09 [ongestandaardiseerde waarden]; r = .04, p = .09 [gestandaardiseerde waarden]), sociale coping (r = .04, p = .10 [ongestandaardiseerde waarden]; r = .04, p = .10 [gestandaardiseerde waarden]) als niet-sociale coping (r = .04, p = .14 [ongestandaardiseerde waarden]; r = .03, p = .14 [gestandaardiseerde waarden]) gemeten in mei 2020. Relatie tussen verandering in eenzaamheid en welzijn De verschilscore in eenzaamheid (oktober 2019 – mei 2020) is niet significant gerelateerd aan zowel levenstevredenheid (r = -.01, p = .22 [ongestandaardiseerde waarden]; r = -.03, p = .21 [gestandaardiseerde waarden]) als zelfvertrouwen (r = .00, p = .97 [ongestandaardiseerde waarden]; r = -.00, p = .97 [gestandaardiseerde waarden]) gemeten in mei 2020.
Relatie tussen verandering in eenzaamheid en verandering in sociaal contact Tabel 7 Correlaties tussen verandering in eenzaamheid en verandering in sociaal contact Verandering in eenzaamheid Standaard Error p Gestandaardiseerde waarden Hoeveelheid Contact (verandering) Partner -0.030 0.026 .249 Andere mensen binnen huishouden 0.058 0.036 .111 Vrienden (buiten huishouden) -0.045 0.023 .052 Familie (buiten huishouden) -0.018 0.023 .434 Anderen (kennissen. collega's) -0.069** 0.023 .003 Kwaliteit Contact (verandering) Partner -0.034 0.026 .184 Andere mensen binnen huishouden -0.030 0.036 .405 Vrienden (buiten huishouden) -0.070** 0.023 .003 Familie (buiten huishouden) -0.051* 0.023 .030 Anderen (kennissen. collega's) -0.089*** 0.023 .000 Manier van Contact (verandering) Face-to-face -0.054* 0.022 .015 Bellen 0.067** 0.022 .003 Tekstberichten (sms. whatsapp) 0.080*** 0.022 .000 Online communities (facebook) 0.046* 0.022 .039 Noot. Verandering eenzaamheid tussen oktober 2019-mei 2020. * p < .05, ** p < .01, *** p < .001.
45
Bijlage 2. Frequentieplots Figuur B2.1. Verandering in hoeveelheid sociaal contact met de partner.
46
Figuur B2.2. Verandering in hoeveelheid sociaal contact met huisgenoten.
47
Figuur B2.3. Verandering in hoeveelheid sociaal contact met vrienden.
48
Figuur B2.4. Verandering in hoeveelheid sociaal contact met familie.
49
Figuur B2.5. Verandering in hoeveelheid sociaal contact met anderen.
50
Figuur B2.6. Verandering in kwaliteit van het contact met de partner
51
Figuur B2.7. Verandering in kwaliteit van het contact met huisgenoten.
52
Figuur B2.8. Verandering in kwaliteit van het contact met vrienden.
53
Figuur B2.9. Verandering in kwaliteit van het contact met familie.
54
Figuur B2.10. Verandering in kwaliteit van het contact met anderen.
55
Figuur B2.11. Verandering in de hoeveelheid face-to-face contact.
56
Figuur B2.12. Verandering in de hoeveelheid belcontact.
57
Figuur B2.13. Verandering in de hoeveelheid text contact.
58
Figuur B2.14. Verandering in de hoeveelheid contact in online communities.
59
Bijlage 3. Bubbel plots. Figuur B3.1. Verschil in eenzaamheid in mei 2020 in vergelijking met oktober 2019, in relatie tot het verschil in de hoeveelheid contact met de partner in mei 2020 in vergelijking met een typische maand voor corona. De blauwe lijn geeft de regressielijn weer. Hoe groter het bolletje, hoe meer mensen deze combinatie van waarden hebben.
60
Figuur B3.2. Verschil in eenzaamheid in mei 2020 in vergelijking met oktober 2019, in relatie tot het verschil in de hoeveelheid contact met huisgenoten in mei 2020 in vergelijking met een typische maand voor corona. De blauwe lijn geeft de regressielijn weer. Hoe groter het bolletje, hoe meer mensen deze combinatie van waarden hebben.
61
Figuur B3.3. Verschil in eenzaamheid in mei 2020 in vergelijking met oktober 2019, in relatie tot het verschil in de hoeveelheid contact met vrienden in mei 2020 in vergelijking met een typische maand voor corona. De blauwe lijn geeft de regressielijn weer. Hoe groter het bolletje, hoe meer mensen deze combinatie van waarden hebben.
62
Figuur B3.4. Verschil in eenzaamheid in mei 2020 in vergelijking met oktober 2019, in relatie tot het verschil in de hoeveelheid contact met familie in mei 2020 in vergelijking met een typische maand voor corona. De blauwe lijn geeft de regressielijn weer. Hoe groter het bolletje, hoe meer mensen deze combinatie van waarden hebben.
63
Figuur B3.5. Verschil in eenzaamheid in mei 2020 in vergelijking met oktober 2019, in relatie tot het verschil in de hoeveelheid contact met anderen in mei 2020 in vergelijking met een typische maand voor corona. De blauwe lijn geeft de regressielijn weer. Hoe groter het bolletje, hoe meer mensen deze combinatie van waarden hebben.
64
Figuur B3.6. Verschil in eenzaamheid in mei 2020 in vergelijking met oktober 2019, in relatie tot het verschil in de kwaliteit van de relatie met de partner in mei 2020 in vergelijking met een typische maand voor corona. De blauwe lijn geeft de regressielijn weer. Hoe groter het bolletje, hoe meer mensen deze combinatie van waarden hebben.
65
Figuur B3.7. Verschil in eenzaamheid in mei 2020 in vergelijking met oktober 2019, in relatie tot het verschil in de kwaliteit van de relatie met huisgenoten in mei 2020 in vergelijking met een typische maand voor corona. De blauwe lijn geeft de regressielijn weer. Hoe groter het bolletje, hoe meer mensen deze combinatie van waarden hebben.
66
Figuur B3.8. Verschil in eenzaamheid in mei 2020 in vergelijking met oktober 2019, in relatie tot het verschil in de kwaliteit van de relatie met vrienden in mei 2020 in vergelijking met een typische maand voor corona. De blauwe lijn geeft de regressielijn weer. Hoe groter het bolletje, hoe meer mensen deze combinatie van waarden hebben.
67
Figuur B3.9. Verschil in eenzaamheid in mei 2020 in vergelijking met oktober 2019, in relatie tot het verschil in de kwaliteit van de relatie met familie in mei 2020 in vergelijking met een typische maand voor corona. De blauwe lijn geeft de regressielijn weer. Hoe groter het bolletje, hoe meer mensen deze combinatie van waarden hebben.
68
Figuur B3.10. Verschil in eenzaamheid in mei 2020 in vergelijking met oktober 2019, in relatie tot het verschil in de kwaliteit van de relatie met anderen in mei 2020 in vergelijking een typische maand voor corona. De blauwe lijn geeft de regressielijn weer. Hoe groter het bolletje, hoe meer mensen deze combinatie van waarden hebben.
69
Figuur B3.11. Verschil in eenzaamheid in mei 2020 in vergelijking met oktober 2019, in relatie tot het verschil in de hoeveelheid face-to-face contact in mei 2020 in vergelijking met een typische maand voor corona. De blauwe lijn geeft de regressielijn weer. Hoe groter het bolletje, hoe meer mensen deze combinatie van waarden hebben.
70
Figuur B3.12. Verschil in eenzaamheid in mei 2020 in vergelijking met oktober 2019, in relatie tot het verschil in de hoeveelheid belcontact in mei 2020 in vergelijking met een typische maand voor corona. De blauwe lijn geeft de regressielijn weer. Hoe groter het bolletje, hoe meer mensen deze combinatie van waarden hebben.
71
Figuur B3.13. Verschil in eenzaamheid in mei 2020 in vergelijking met oktober 2019, in relatie tot het verschil in de hoeveelheid tekst contact in mei 2020 in vergelijking met een typische maand voor corona. De blauwe lijn geeft de regressielijn weer. Hoe groter het bolletje, hoe meer mensen deze combinatie van waarden hebben.
72
Figuur B3.14. Verschil in eenzaamheid in mei 2020 in vergelijking met oktober 2019, in relatie tot het verschil in de hoeveelheid online contact in mei 2020 in vergelijking met een typische maand voor corona. De blauwe lijn geeft de regressielijn weer. Hoe groter het bolletje, hoe meer mensen deze combinatie van waarden hebben.
73
Bijlage 4. Participanten Figuur B4.1. Leeftijd van de deelnemers.
Figuur B4.2. Aantal leden in het huishouden.
74
Figuur B4.3. Woonvorm van de deelnemers.
Figuur B4.4. Inkomen van de deelnemers, waarbij NA staat voor ‘weet ik niet’.
75
Figuur B4.5. Opleidingsniveau van de deelnemers.
Figuur B4.6. Mate van stedelijkheid van de woonomgeving.
76