CConstaterende datHelmond
Koppel je AI →
Document · PDF

Eenzaamheid-voorkomen-in-een-periode-van-social-distancing-covid-19 - Universiteit van Tilburg 2020

Adviescommissie Omgeving 28 januari 2021, gemeente HelmondBij agendapunt: Eenzaamheid - toelichting beleid en bestaande initiatieven (20.20-21.35 uur; 75 minuten)15.730 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Eindrapport “Eenzaamheid voorkomen in een periode van social distancing (COVID-19)”

Gefinancierd door Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) Onderzoeksteam: Dr. Gerine M. A. Lodder (G.M.A.Lodder@tilburguniversity.edu) Dr. Manon A. van Scheppingen (M.A.vanScheppingen@tilburguniversity.edu) Dr. Elien De Caluwé (Elien.DeCaluwe@tilburguniversity.edu) Dr. Anne K. Reitz (A.K.Reitz@tilburguniversity.edu)

Correspondentieadres: Tilburg School of Social and Behavioral Sciences Department of Developmental Psychology Warandelaan 2, Postbus 90153, 5000 LE Tilburg

1

Inhoudsopgave Inhoudsopgave ........................................................................................................................... 2 Voorwoord ................................................................................................................................. 3 Inleiding ..................................................................................................................................... 4 Onderzoeksvraag 1. Verandering in sociaal contact .................................................................. 6 Onderzoeksvraag 2. Coping met social distancing maatregelen ............................................. 15 Onderzoeksvraag 3. Relatie tussen coping en eenzaamheid .................................................... 20 Onderzoeksvraag 4. Verandering in eenzaamheid en welzijn ................................................. 31 Aanvullende onderzoeksvraag 5. Associaties met leeftijd ...................................................... 35 Conclusie en discussie ............................................................................................................. 36 Referenties ...............................................................................................................................

41 Bijlagen .................................................................................................................................... 43

2

Voorwoord De hoofdvraag in dit project is: Hoe gaan mensen om met de social distancing maatregelen van de overheid en wat zijn de gevolgen voor eenzaamheid? Om deze vraag te beantwoorden is data verzameld bij 2009 deelnemers van het “Langlopende Internet Studies voor de Sociale wetenschappen” (LISS) panel. In het LISS panel zitten mensen uit alle lagen van de Nederlandse bevolking. De deelnemers hebben in oktober 2019, voor de start van de coronacrisis, vragen beantwoord over hun sociaal leven en de mate waarin ze zich eenzaam voelen. In mei 2020 hebben zij dezelfde vragen beantwoord, en daarbij aangegeven welke coping strategieën (d.w.z. manieren om om te gaan met stressvolle gebeurtenissen in hun leven) zij gebruiken om om te gaan met de social distancing maatregelen. In het tussentijdse rapport wierpen wij een eerste blik op deze onderzoeksvragen. In het huidige rapport zijn ook aanvullende analyses opgenomen. Het is belangrijk om bij dit rapport in gedachten te houden dat het gaat om correlaties, wat niet betekent dat er ook causale verbanden zijn tussen de gemeten constructen. We kunnen bijvoorbeeld niet met zekerheid stellen of een positieve relatie tussen een coping strategie en eenzaamheid betekent dat de coping strategie zorgt voor een toename in eenzaamheid, of dat mensen juist als ze meer eenzaam zijn geneigd zijn om deze strategie te gaan gebruiken.

3

Inleiding Er bestaan zorgen over het mentaal en sociaal welbevinden van mensen als gevolg van de maatregelen voor social distancing tijdens de corona-crisis. Een van de meest waarschijnlijke gevolgen is eenzaamheid1, omdat er veranderingen te verwachten zijn in de hoeveelheid, kwaliteit2,3,4,5 en manieren6,7,8,9 van sociaal contact. De enkele onderzoeken die zijn uitgevoerd naar verandering in eenzaamheid in tijden van corona laten een wisselend beeld zien. Sommige studies laten zien dat er geen significante toename is in eenzaamheid14, en sommige studies wijzen zelfs op een toename in sociale support. Andere studies lijken wel een (lichte) toename in eenzaamheid te laten zien15, zo ook een studie naar veranderingen in eenzaamheid van Nederlandse ouderen16. Opvallend genoeg leek het niet sociale isolatie, maar persoonlijke verliezen, zorgen en afgenomen vertrouwen in mentale instituties zijn die een toename in (emotionele) eenzaamheid voorspelden. In de huidige studie kijken we naar veranderingen in eenzaamheid voor mensen van alle leeftijden. Het is belangrijk om te onderzoeken of eenzaamheid toeneemt, omdat eenzaamheid ernstige negatieve gevolgen heeft voor de geestelijke en lichamelijke gezondheid10,11. Dit maakt het ook belangrijk om te achterhalen welke coping strategieën kunnen helpen om met deze maatregelen om te gaan.

Hoewel het duidelijk is dat kwantiteit, kwaliteit en middelen van sociaal contact verband houden met eenzaamheid2,3,4,5, is het onduidelijk wat er nodig is om de gedwongen veranderingen in sociaal contact aan te kunnen. Bovendien is het de vraag of resultaten uit eerder onderzoek van toepassing zijn, nu voor iedereen een beperking van de mogelijkheden voor contact geldt. Zo laat eerder onderzoek naar effectieve interventies tegen eenzaamheid zien dat ogenschijnlijk logische interventies (zoals mensen met elkaar in contact brengen) in praktijk niet altijd het gewenste effect bereiken12. Het is dus mogelijk dat ook voor de sociale coping strategieën die mensen toepassen geldt dat deze niet altijd het gewenste of verwachte effect hebben. Vraagstelling en doelstelling De hoofdvraag in dit project is: Hoe gaan mensen om met de social distancing maatregelen van de overheid en wat zijn de gevolgen voor eenzaamheid? Specifiek zullen we in dit project het volgende in kaart brengen: 1. Veranderingen (tijdens vs. voor de uitbraak van het coronavirus) in de hoeveelheid, kwaliteit en manieren van sociaal contact (bijvoorbeeld videochat vs. contact in het echte leven). 2. De sociale en niet-sociale coping strategieën die mensen gebruiken om met deze veranderingen om te gaan. 3. De relatie tussen deze sociale veranderingen, coping strategieën en eenzaamheid. 4.

De relatie tussen (veranderingen in) eenzaamheid en welzijn. Deze kennis stelt ons in staat om individuele verschillen te identificeren in de wijze waarop mensen omgaan met social distancing, alsook om effectieve coping strategieën te identificeren.

4

Deelnemers Voor de beantwoording van de vragen is gebruik gemaakt van het LISS-panel12. Dit is een nationale, representatieve steekproef, met mensen tussen 17 en 102 jaar. We selecteren panelleden die in oktober 2019 vragen hebben beantwoord over eenzaamheid en sociaal contact, vanwege deze selectie hebben gemaakt is de sample niet meer volledig representatief. In totaal hebben 2009 deelnemers de vragenlijst ingevuld. De leeftijd van de deelnemers varieerde van 17 tot 102 jaar, met een gemiddelde van 56.35 (SD = 20.44). Het aantal leden van het huishouden varieerde van 1 tot 8, met een gemiddelde van 2.62 (SD = 1.27). Van de deelnemers gaf 77.3% aan dat ze samenwonen met een partner. Het gemiddelde netto-inkomen van de deelnemers is 1666 euro (SD = 1,65). Een verdere beschrijving van de deelnemers staat in Tabel 1, waarbij Bijlage 4 meer details bevat.

Tabel 1 Beschrijving Deelnemers Woonvorm Alleenstaand (On)gehuwd samenwonend, zonder kind(eren) (On)gehuwd samenwonend, met kind(eren) Alleenstaande, met kind(eren) Anders Woongebied Zeer sterk stedelijk Sterk stedelijk Matig stedelijk Weinig stedelijk Niet stedelijk Opleidingscategorie Basisonderwijs Vmbo Havo/vwo Mbo Hbo Wo Belangrijkste bezigheid Verricht betaald werk Werkzoekend of arbeidsongeschikt Gaat naar school of studeert Verzorgt de huishouding Verricht vrijwilligerswerk Is met pensioen (vervroegd, AOW of VUT) Doet iets anders

5

N

%

291 872

14.5 43.4

680 95 71

33.8 4.7 3.6

274 449 366 401 501

13.6 22.3 18.2 20.0 25.1

172 454 222 436 502 214

8.6 22.6 11.1 21.7 25.0 10.7

798 98 177 217

39.7 4.9 8.8 10.8

703 16

35.0 0.8

Onderzoeksvraag 1. Verandering in sociaal contact Is ons sociaal contact veranderd tijdens de coronacrisis? Introductie In deze eerste onderzoekvraag willen we veranderingen in kaart brengen in de (1) hoeveelheid, (2) kwaliteit en (3) manieren van sociaal contact (bijv. videochat versus contact in het echte leven) tijdens de uitbraak van het coronavirus in vergelijking met vóór de uitbraak. Daarom werden participanten telkens gevraagd naar hun sociaal contact zowel “in de afgelopen maand” (d.w.z. mei 2020) als “in een typische maand voor de uitbraak van het coronavirus”. Op deze manier vulden de participanten alle vragen tweemaal in betreffende de hoeveelheid, kwaliteit en manieren van sociaal contact. 1.1. In hoeverre is de hoeveelheid sociaal contact veranderd? Om de hoeveelheid aan sociaal contact te meten, werden participanten het volgende gevraagd: “Geef aan hoe vaak u in contact bent geweest met de volgende mensen (bijv. elkaar in het echt ontmoeten, bellen, online contact, etc.).” 1. Uw partner 2. Andere mensen met wie u in een huis woonde 3. Vrienden met wie u NIET in een huis woonde 4. Familieleden met wie u NIET in een huis woonde (bv. uitwonende kinderen) 5. Mensen die iets verder van u af staan (bijv., kennissen of collega’s) … in de afgelopen maand. … in een typische maand voor de uitbraak van het coronavirus. De antwoordopties waren: 1. 'nooit' 2.

'1-3 dagen per maand' 3. '1 dag per week' 4. '2-4 dagen per week' 5. '5-7 dagen per week' Voor elke categorie van sociale contacten werden dan twee gemiddelde scores berekend, één betreffende de hoeveelheid sociaal contact “in de afgelopen maand” (d.w.z. mei 2020) en één betreffende “een typische maand voor de uitbraak van het coronavirus”. Hoe hoger de gemiddelde score was, hoe meer sociaal contact met deze categorie van sociale contacten. Hypotheses We verwachtten een toename in de hoeveelheid sociaal contact met de partner en andere mensen met wie men in een huis samenwoont. We hadden geen hypotheses omtrent de verandering in hoeveelheid sociaal contact met niet-huishoudleden.

6

Stabiliteit in de hoeveelheid sociaal contact met de partner In de groep van n = 1518 deelnemers is de gemiddelde score van hoeveelheid sociaal contact met de partner niet significant veranderd (t(1517) = -0.35, p = .73). Op de schaal van 1 (nooit contact) tot 5 (5-7 dagen per week contact) heeft deze groep een gemiddelde score van 4.92 in een typische maand voor de uitbraak van het coronavirus, en een gemiddelde score van 4.92 in de afgelopen maand (d.w.z. mei 2020, dus ten tijde van de coronacrisis) (zie Figuur 1). Gemiddeld blijft de hoeveelheid sociaal contact met de partner dus stabiel en hoog (4.92 op een schaal van 1 tot 5). Bovendien rapporteert de meerderheid van de participanten (97.3%) dat er geen verandering was in de hoeveelheid contact met de partner. Hierbij dient opgemerkt te worden dat er mogelijk sprake is van een plafond effect: De meeste mensen kozen optie 5, die weergeeft dat ze hun partner 5-7 dagen in de week zagen. Het is niet mogelijk om hoger te scoren dan een 5 op deze schaal, dus eventuele toename in contact met de partner (bijvoorbeeld: Van alleen in de avonduren contact naar ook overdag contact) kan niet worden vastgesteld. Figuur 1. Verandering in hoeveelheid sociaal contact met de partner.

7

Stabiliteit in de hoeveelheid sociaal contact met anderen met wie men samenwoont In de groep van n = 764 deelnemers is de gemiddelde score van hoeveelheid sociaal contact met andere mensen met wie men in een huis woont eveneens niet significant veranderd (t(763) = -1.63, p = .10). Op de schaal van 1 (nooit contact) tot 5 (5-7 dagen per week contact) heeft deze groep een gemiddelde score van 4.72 in een typische maand voor de uitbraak van het coronavirus, en een gemiddelde score van 4.75 in mei tijdens de coronacrisis. De ruime meerderheid van de deelnemers (93.2%) rapporteert geen verschil in de hoeveelheid contact met anderen met wie men samenwoont. Voor een visuele weergave van deze gegevens, zie Bijlage 2, maar zie hieronder ook in Figuur 2. Afname in de hoeveelheid sociaal contact met vrienden In de groep van n = 1845 deelnemers is de gemiddelde score van hoeveelheid sociaal contact met vrienden met wie men niet in een huis woont significant afgenomen (t(1844) = 15.63, p < .001). Figuur 2 laat deze afname zien. Op de schaal van 1 (nooit contact) tot 5 (5-7 dagen per week contact) heeft deze groep een gemiddelde score van 3.01 in een typische maand voor de uitbraak van het coronavirus, en een gemiddelde score van 2.65 in mei tijdens de coronacrisis. Gemiddeld is er dus sprake van een afname in sociaal contact met vrienden van 0.36.

Het contact gaat gemiddeld gezien van ‘1 dag per week’ richting ‘1-3 dagen per maand’. Ongeveer de helft van de deelnemers (53.0%) rapporteert geen verschil in de hoeveelheid contact met anderen met vrienden. Afname in de hoeveelheid sociaal contact met familieleden In de groep van n = 1835 deelnemers is de gemiddelde score van hoeveelheid sociaal contact met familieleden met wie men niet in een huis woont (bv. uitwonende kinderen) significant afgenomen (t(1834) = 7.41, p < .001). Figuur 2 laat deze afname zien. Op de schaal van 1 (nooit contact) tot 5 (5-7 dagen per week contact) heeft deze groep een gemiddelde score van 3.03 in een typische maand voor de uitbraak van het coronavirus, en een gemiddelde score van 2.89 in mei tijdens de coronacrisis. Gemiddeld is er dus sprake van een afname in sociaal contact met familieleden van 0.14. Het contact gaat gemiddeld gezien van ‘1 dag per week’ richting ‘1-3 dagen per maand’, maar ook hier rapporteert 62.0% van de deelnemers geen verschil in de hoeveelheid contact met andere familieleden. Afname in de hoeveelheid sociaal contact met mensen die iets verder af staan In de groep van n = 1817 deelnemers is de gemiddelde score van hoeveelheid sociaal contact met mensen die iets verder af staan (bijv., kennissen of collega’s) significant afgenomen (t(1816) = 11.57, p < .001). Figuur 2 laat deze afname zien.

Op de schaal van 1 (nooit contact) tot 5 (5-7 dagen per week contact) heeft deze groep een gemiddelde score van 2.99 in een typische maand voor de uitbraak van het coronavirus, en een gemiddelde score van 2.69 in mei tijdens de coronacrisis. Gemiddeld is er dus sprake van een afname in sociaal contact met mensen die iets verder af staan van 0.30. Het contact gaat ook hier gemiddeld gezien van ‘1 dag per week’ richting ‘1-3 dagen per maand’, en 58.9% van de deelnemers rapporteert geen verandering in contact met anderen die iets verder af staan.

8

Figuur 2. Verandering in hoeveelheid sociaal contact tijdens de coronacrisis. Partner

Anderen met wie men samenwoont

Vrienden

Familieleden

Mensen die iets verder af staan

Hoeveelheid sociaal contact (1 = nooit - 5 = 5-7 dagen/week)

5

4

3

2

1

Voor corona

Mei 2020

Samenvatting In vergelijking met voor de coronacrisis is de hoeveelheid sociaal contact tijdens de crisis stabiel gebleven voor de partner en anderen met wie men samenwoont. Dit is niet in lijn met onze hypothese gezien we een toename van sociaal contact verwachtten met deze groepen. Mogelijks is hier sprake van een plafondeffect. Daarnaast is er een significante daling (in volgorde van sterkste naar minst sterke daling) in hoeveelheid sociaal contact met vrienden, anderen die iets verder af staan (bijv. kennissen of collega’s), en familieleden waarmee men niet samenwoont. Ongeveer de helft van de deelnemers rapporteert hier echter ook geen verschil in de hoeveelheid contact. 1.2. In hoeverre is de kwaliteit van het sociaal contact veranderd? Om de kwaliteit van sociaal contact te meten, werden participanten het volgende gevraagd: “Hoe tevreden was u met het contact met …”. 1. Uw partner 2. Andere mensen met wie u in een huis woonde 3. Vrienden met wie u NIET in een huis woonde 4. Familieleden met wie u NIET in een huis woonde (bv. uitwonende kinderen) 5. Mensen die iets verder van u af staan (bijv., kennissen of collega’s) … in de afgelopen maand. … in een typische maand voor de uitbraak van het coronavirus. De antwoordopties gingen van: Helemaal niet tevreden (= 0) tot Helemaal tevreden (= 10).

9

Voor elke categorie van sociale contacten werden dan twee gemiddelde scores berekend, één betreffende de kwaliteit van sociaal contact “in de afgelopen maand” (d.w.z. mei 2020) en één betreffende “een typische maand voor de uitbraak van het coronavirus”. Hoe hoger de gemiddelde score was, hoe hoger de kwaliteit van sociaal contact met deze categorie mensen. Hypotheses We hebben geen gerichte hypotheses met betrekking tot de kwaliteit van contact. Hoewel het aannemelijk is dat de waargenomen kwaliteit van sociaal contact afneemt als gevolg van verminderd persoonlijk contact, is het mogelijk dat bewuste sociale coping, zoals het gebruik van videochat, dat kan compenseren in termen van ervaren kwaliteit. Afname in de kwaliteit van sociaal contact met de partner In de groep van n = 1529 deelnemers is de gemiddelde score van kwaliteit van sociaal contact met de partner significant afgenomen (t(1528) = 3.60, p < .001). Figuur 3 laat deze afname zien. Op de schaal van 0 (Helemaal niet tevreden) tot 10 (Helemaal tevreden) heeft deze groep een gemiddelde score van 8.76 in een typische maand voor de uitbraak van het coronavirus, en een gemiddelde score van 8.68 in mei tijdens de coronacrisis. Gemiddeld is er dus een afname in kwaliteit van sociaal contact met de partner van 0.08.

Voor een grote groep deelnemers (84.7%) geldt echter dat er geen verschil wordt ervaren in de kwaliteit van het contact met de partner. Afname in de kwaliteit van sociaal contact met anderen met wie men samenwoont In de groep van n = 780 deelnemers is de gemiddelde score van kwaliteit van sociaal contact met anderen met wie men samenwoont significant afgenomen (t(779) = 3.74, p < .001). Figuur 3 laat deze afname zien. Op de schaal van 0 (Helemaal niet tevreden) tot 10 (Helemaal tevreden) heeft deze groep een gemiddelde score van 8.30 in een typische maand voor de uitbraak van het coronavirus, en een gemiddelde score van 8.19 in mei tijdens de coronacrisis. Gemiddeld is er dus een afname in kwaliteit van sociaal contact met anderen met wie men samenwoont van 0.11. Ongeveer drie kwart van de deelnemers (78.8%) rapporteert echter geen verschil in de kwaliteit van het sociaal contact met anderen met wie men samenwoont. Afname in de kwaliteit van sociaal contact met vrienden In de groep van n = 1852 deelnemers is de gemiddelde score van kwaliteit van sociaal contact met vrienden significant afgenomen (t(1851) = 17.27, p < .001). Figuur 3 laat deze afname zien.

Op de schaal van 0 (Helemaal niet tevreden) tot 10 (Helemaal tevreden) heeft deze groep een gemiddelde score van 7.91 in een typische maand voor de uitbraak van het coronavirus, en een gemiddelde score van 7.16 in mei tijdens de coronacrisis. Gemiddeld is er dus een afname in kwaliteit van sociaal contact met vrienden van 0.75. Veel deelnemers ervaren geen verschil in de kwaliteit van de relatie met vrienden (60.7%), een aantal deelnemers rapporteert een toename in kwaliteit (7%), en de overige deelnemers rapporteren een afname in kwaliteit (32.3%). Afname in de kwaliteit van sociaal contact met familieleden In de groep van n = 1849 deelnemers is de gemiddelde score van kwaliteit van sociaal contact

10

met familieleden significant afgenomen (t(1848) = 15.71, p < .001). Figuur 3 laat deze afname zien. Op de schaal van 0 (Helemaal niet tevreden) tot 10 (Helemaal tevreden) heeft deze groep een gemiddelde score van 8.06 in een typische maand voor de uitbraak van het coronavirus, en een gemiddelde score van 7.38 in mei tijdens de coronacrisis. Gemiddeld is er dus een afname in kwaliteit van sociaal contact met familieleden van 0.69. De verdeling lijkt vergelijkbaar met die van de kwaliteit van familieleden: 62.7% rapporteert geen verschil, 29.2% rapporteert een afname in kwaliteit, en 8.1% rapporteert een toename in kwaliteit. Afname in de kwaliteit van sociaal contact met mensen die iets verder af staan In de groep van n = 1809 deelnemers is de gemiddelde score van kwaliteit van sociaal contact met mensen die iets verder af staan significant afgenomen (t(1808) = 14.05, p < .001). Figuur 3 laat deze afname zien. Op de schaal van 0 (Helemaal niet tevreden) tot 10 (Helemaal tevreden) heeft deze groep een gemiddelde score van 7.54 in een typische maand voor de uitbraak van het coronavirus, en een gemiddelde score van 6.97 in mei tijdens de coronacrisis. Gemiddeld is er dus een afname in kwaliteit van sociaal contact met mensen die iets verder af staan van 0.57.

Ook hier rapporteert 63.9% geen verandering in kwaliteit, 28.2% rapporteert een afname in kwaliteit, en 7.8% een toename in de kwaliteit van het sociaal contact met mensen die iets verder weg staan. Figuur 3. Verandering in de kwaliteit van sociaal contact tijdens de coronacrisis. Partner

Anderen met wie men samenwoont

Vrienden

Familieleden

Kwaliteit sociaal contact (0 = Helemaal niet tevreden - 10 = Helemaal tevreden)

Mensen die iets verder af staan 10 9

8 7 6 5 4 3 2 1 Voor corona

Mei 2020

11

Samenvatting In vergelijking met voor de coronacrisis is tijdens de crisis de kwaliteit van ons sociaal contact gemiddeld gesproken afgenomen. In volgorde van sterkste naar minst sterke daling betreft de afname: vrienden, familieleden (waarmee men niet samenwoont, bijv. uitwonende kinderen), mensen die iets verder af staan (bijv. kennissen of collega’s), mensen met wie men samenwoont en de partner. Ook voor de kwaliteit van het contact geldt echter dat veel deelnemers geen verandering ervaren. Voor de mensen die wel verandering ervaren is er vaker sprake van een afname in kwaliteit dan van een toename. 1.3. In hoeverre is de manier van sociaal contact veranderd? Om de manieren van sociaal contact te meten, werden participanten het volgende gevraagd: “Geef aan hoe vaak u in contact bent geweest met mensen (binnen EN buiten uw huishouden) via de volgende communicatiemiddelen:” 1. Face-to-face contact (elkaar in het echt ontmoeten) 2. Bellen (telefoon, videobellen, Skype, FaceTime, etc.) 3. Privé tekstberichten (sms, WhatsApp, DM, Tinder, etc.) 4. Publieke online communities (Twitter, chatgroepen, games, etc.) … in de afgelopen maand. … in een typische maand voor de uitbraak van het coronavirus. De antwoordopties waren: 1. 'nooit' 2. '1-3 dagen per maand' 3. '1 dag per week' 4. '2-4 dagen per week' 5.

'5-7 dagen per week' Voor elke manier van sociaal contact werden dan twee gemiddelde scores berekend, één betreffende de manieren van sociaal contact “in de afgelopen maand” (d.w.z. mei 2020) en één betreffende “een typische maand voor de uitbraak van het coronavirus”. Hoe hoger de gemiddelde score was, hoe meer deze manier van sociaal contact werd gebruikt. Hypotheses Betreffende de manieren van sociaal contact, verwachtten we dat face-to-face contact zou afnemen en de andere manieren van contact zouden toenemen (d.w.z. bellen, privé tekstberichten, publieke online communities). Afname in face-to-face contact (elkaar in het echt ontmoeten) In de groep van n = 2000 deelnemers is de gemiddelde hoeveelheid van face-to-face contact significant afgenomen (t(1999) = 16.47, p < .001). Figuur 4 laat deze afname zien. Op een schaal van 1 (nooit) tot 5 (5-7 dagen per week) heeft deze groep een gemiddelde score van 4.11 in een typische maand voor de uitbraak van het coronavirus, en een gemiddelde score van 3.77

12

in mei tijdens de coronacrisis. Gemiddeld is er dus sprake van een afname in face-to-face contact van 0.34. Het contact gaat gemiddeld gezien van ‘2-4 dagen per week’ richting ‘1 dag per week’. Van de deelnemers rapporteert 65.7% geen verandering in het aantal dagen per week dat men face-to-face contact heeft. Dit kan mogelijk deels verklaard worden door het feit dat veel deelnemers met minimaal 1 andere persoon samenleven. Verder ervaart 28.2% een afname in de hoeveelheid face-to-face contact, en 5.8% ervaart een toename. Toename in bellen (telefoon, videobellen, Skype, FaceTime, etc.) In de groep van n = 2000 deelnemers is de gemiddelde hoeveelheid van bellen significant toegenomen (t(1999) = -14.07, p < .001). Figuur 4 laat deze toename zien. Op een schaal van 1 (nooit) tot 5 (5-7 dagen per week) heeft deze groep een gemiddelde score van 3.45 in een typische maand voor de uitbraak van het coronavirus, en een gemiddelde score van 3.72 in mei tijdens de coronacrisis. Gemiddeld is er dus sprake van een toename in bellen van 0.28. Het gaat gemiddeld gezien van ‘1 dag per week’ richting ‘2-4 dagen per week’. Van de deelnemers rapporteert 9.9% een afname in het aantal dagen waarop gebeld wordt, 60.9% rapporteert geen verschil, en 29.2% rapporteert een toename.

Toename in privé tekstberichten (sms, WhatsApp, DM, Tinder, etc.) In de groep van n = 2000 deelnemers is het gemiddelde gebruik van privé tekstberichten significant toegenomen (t(1999) = -8.44, p < .001). Figuur 4 laat deze toename zien. Op een schaal van 1 (nooit) tot 5 (5-7 dagen per week) heeft deze groep een gemiddelde score van 3.90 in een typische maand voor de uitbraak van het coronavirus, en een gemiddelde score van 4.00 in mei tijdens de coronacrisis. Gemiddeld is er dus sprake van een toename in gebruik van privé tekstberichten van 0.10. Het gaat gemiddeld gezien van ‘1 dag per week’ richting ‘2-4 dagen per week’. De meerderheid van de deelnemers (81.4%) rapporteert echter geen verschil in het aantal dagen waarop tekstberichten gestuurd wordt. Toename in publieke online communities (Twitter, chatgroepen, games, etc.) In de groep van n = 2000 deelnemers is het gemiddelde gebruik van publieke online communities significant toegenomen (t(1999) = -3.31, p = .001). Figuur 4 laat deze toename zien. Op een schaal van 1 (nooit) tot 5 (5-7 dagen per week) heeft deze groep een gemiddelde score van 1.79 in een typische maand voor de uitbraak van het coronavirus, en een gemiddelde score van 1.82 in mei tijdens de coronacrisis. Gemiddeld is er dus sprake van een kleine toename in gebruik van publieke online communities van 0.04.

Het aantal deelnemers dat geen verschil rapporteert in het aantal dagen waarop men online contact heeft is echter 90.6%.

13

Figuur 4. Verandering in de manieren van sociaal contact tijdens de coronacrisis. Face-to-face contact

Bellen

Privé tekstberichten

Publieke online communities

Hoeveelheid manieren van sociaal contact (1 = nooit - 5 = 5-7 dagen/week)

5

4

3

2

1 Voor corona

Mei 2020

Samenvatting Al onze hypotheses omtrent manieren van sociaal contact zijn aanvaard aangezien we verwachtten dat face-to-face contact zou afnemen en de andere manieren van contact zouden toenemen (d.w.z. bellen, privé tekstberichten, publieke online communities). De sterkte van de effecten (van groot naar klein) betreft dan ook de opgenoemde volgorde. Hierbij dient te worden opgemerkt dat veel mensen geen verschil rapporteren in het aantal dagen waarop men contact heeft via tekstberichten en publieke online communities.

14

Onderzoeksvraag 2. Coping met social distancing maatregelen Wat is de frequentie en verdeling van elk van de individuele coping strategieën (d.w.z. de items), de sociale versus niet-sociale coping strategieën en eenzaamheid? Deze onderzoeksvraag is verkennend. Het doel is om te beschrijven welke coping strategieën individuen gebruiken en hoe eenzaam ze zijn. Van alle deelnemers van het LISS panel vulden n = 1993 deelnemers de vragenlijst in over strategieën en eenzaamheid, en n = 16 deelnemers hadden ontbrekende waarden op alle strategie-items. De percentages in de onderstaande tabellen zijn geldige percentages (d.w.z. gebaseerd op degenen die de vragenlijst hebben ingevuld). 2.1. Hoeveel individuen gebruikten elke coping strategie? Introductie Voorafgaand aan het onderzoek hebben we op verschillende wijzen coping strategieën geïnventariseerd die mensen gebruiken om met veranderingen in sociaal contact om te gaan (op basis van onderzoek, sociale media, etc.). Op deze manier zijn we tot een lijst gekomen van 14 sociale en 20 niet-sociale coping strategieën die we hebben voorgelegd aan de onderzoeksgroep. De participanten konden aanduiden of ze deze 34 strategieën wel of niet hadden toegepast. Ook konden ze aangeven dat ze geen enkele van deze strategieën hadden toegepast. Ook konden participanten aangeven welke andere coping strategieën zij gebruiken.

Voor dit tussenrapport zijn deze open antwoorden niet meegenomen. Wat zijn nu deze coping strategieën? Meer specifiek werd het volgende gevraagd betreffende de sociale coping strategieën: ‘Door het coronavirus zijn er niet meer dezelfde mogelijkheden voor sociaal contact als daarvoor. Geef aan wat u hebt gedaan om hiermee om te gaan.’ (Antwoordoptie: Nee = 0 of Ja = 1) Daarna werden de niet-sociale coping strategieën bevraagd: ‘Er zijn ook andere manieren om om te gaan met de veranderingen in sociaal contact door het coronavirus. Geef aan wat u hebt gedaan om hiermee om te gaan.’ (Antwoordoptie: Nee = 0 of Ja = 1) Tabel 2 toont het aantal en de percentages van het gebruik van elke sociale strategie (geordend in afnemende frequentie). Elke strategie werd gebruikt door tussen 6.7% en 62.3% van de steekproef, en 9.6% gebruikte geen enkele van de vermelde sociale strategieën. Meer dan de helft van de steekproef gebruikte de volgende drie strategieën: “chatten via privé berichten”, “bellen zonder video” en “bellen met video”. Tussen een derde en een vierde van de steekproef gebruikte de volgende strategieën: “Mensen buitenshuis ontmoeten”, “Brieven, kaarten, of cadeaus sturen”, “Delen van en praten over coronanieuws”, “Op bezoek gaan bij iemand of iemand op bezoek hebben”, “Delen van foto’s en/of video’s” en “Quality time doorbrengen met huishoudleden”.

Minder dan een vijfde van de steekproef gebruikte de volgende strategieën: “Actief zijn op publieke online communities”, “Hulp aanbieden aan anderen”, “Videobellen om activiteiten te delen” en “Doelen stellen voor een minimum van sociaal contact”.

15

Tabel 2 Frequenties van sociale strategieën Sociale Strategie Chatten via privé berichten (bv., WhatsApp Bellen zonder video Bellen met video (bv., Skype) Mensen buitenshuis ontmoeten (bv., een wandeling maken) Brieven, kaarten, of cadeaus sturen Delen van en praten over coronanieuws Op bezoek gaan bij iemand of iemand op bezoek hebben Delen van foto’s en/of video’s (bv., Instagram) Quality time doorbrengen met huishoudleden (bv., focussen op kinderen, partner) Seks Actief zijn op publieke online communities (bv., Facebook, Twitter) Hulp aanbieden aan anderen (boodschappen doen, opvang van kinderen delen, etc.) Videobellen om activiteiten te delen (bv., een spel spelen, samen sporten) Doelen stellen voor een minimum van sociaal contact (bv., minstens 1 keer per dag bellen) Niets van het bovenstaande

N 1241 1198 1064 688 677 649 561 558 523

% 62.3 60.1 53.4 34.5 34.0 32.6 28.1 28.0 26.2

346 343 299

17.4 17.2 15.0

270

13.5

134

6.7

192

9.6

Tabel 3 toont het aantal en de percentages van het gebruik van elke niet-sociale strategie (gerangschikt in afnemende frequentie). Elke strategie werd gebruikt door 2.4%-68.7% van de steekproef en 6.5% gebruikte geen enkele van de genoemde niet-sociale strategieën. Meer dan de helft van de steekproef gebruikte de volgende drie strategieën: "Naar buiten gaan", "Huishouden, inrichting en klussen aan het huis", "TV kijken", "Lezen", "Zorgen voor jezelf". Tussen 40% en 50% van de steekproef gebruikte: "Geïnformeerd blijven over de coronacrisis", "Tuinieren", en "Luisteren naar de radio/muziek". Ongeveer een vierde gebruikte: "Meer tijd besteden aan werk", "Sport", "Activiteiten om alleen te doen". Minder dan een vijfde van de steekproef gebruikte de volgende strategieën: "Meer tijd besteden aan huisdieren", "Humor", "Een routine aanbrengen in de dag", “Bidden”, "Het nieuws vermijden", "Het volgen van cursussen", "Meditatie", "Masturbatie", en "Schrijven in een dagboek". Van de participanten gaven 90% en 94% aan wel gebruik te hebben gemaakt van respectievelijk sociale en niet-sociale strategieën. Over alle strategieën heen, bleek dat 3.9% personen geen enkele strategie had toegepast. Eén persoon had 31 van de 34 bevraagde strategieën gebruikt. Geen enkele van de strategieën werd door niemand of door iedereen gebruikt.

16

Tabel 3 Frequenties van niet-sociale strategieën Niet-sociale strategie Naar buiten gaan Huishouden, inrichting en klussen aan het huis TV kijken (films/Netflix) Lezen Zorgen voor jezelf (gezond eten, genoeg slapen) Geïnformeerd blijven over de coronacrisis Tuinieren Luisteren naar de radio/muziek Meer tijd besteden aan werk Sport (een workout thuis, etc.) Activiteiten (spelletjes, hobbies) om alleen te doen (oude foto’s bekijken, muziek maken) Meer tijd besteden aan huisdieren Humor (kijken naar grappige plaatjes, memes, etc.) Een routine aanbrengen in de dag (bv., een tijd instellen voor activiteiten) Bidden Het nieuws vermijden Het volgen van cursussen (webinars, etc.) Meditatie Masturbatie Schrijven in een dagboek Niets van het bovenstaande

N 1370 1238 1201 1061 1023 915 936 866 540 495 474

% 68.7 62.1 60.3 53.2 51.3 45.9 47.0 43.5 27.1 24.8 23.8

332 321 248

16.7 16.1 12.4

237 157 153 117 101 48 129

11.9 7.9 7.7 5.9 5.1 2.4 6.5

2.2. Hoe vaak werden de sociale en niet-sociale coping strategieën gebruikt? Gemiddeld gebruikten mensen 4.29 (SD = 2.77) van de genoemde sociale coping strategieën en 5.94 (SD = 3.25) van de genoemde niet-sociale coping strategieën. De histogrammen van de frequenties zijn weergegeven in Figuur 5 (sociale strategieën) en Figuur 6 (niet-sociale strategieën). De blauwe lijnen in de figuren geven het gemiddelde weer.

17

Figuur 5. Frequenties van sociale strategieën

Figuur 6. Frequenties van niet-sociale strategieën

18

2.3 Wat is de factor structuur van de coping strategieën? Inleiding Om te onderzoeken of bepaalde coping-strategieën vaak samen voorkomen is een factor analyse uitgevoerd. Als er een duidelijke samenhang is tussen bepaalde strategieën is het mogelijk om een cluster van coping strategieën in relatie te brengen met (veranderingen in) eenzaamheid. Deze analyses waren exploratief, wat betekent dat we vooraf geen duidelijke verwachtingen hadden van de factorstructuur. Resultaten De resultaten van deze analyses lieten zien dat er geen betrouwbare en eenduidig te interpreteren factoren naar voren kwamen. Wel bleken de betrouwbaarheden van de vooraf opgestelde sociale en niet-sociale coping categorie goed te zijn (net als die van de totale coping). Op basis van deze bevindingen zal in de verdere analyses gebruik gemaakt worden van de somscores van de sociale en niet-sociale coping strategieën, de somscore van alle coping strategieën, en de 34 individuele strategieën. Daarom zullen wij in de rest van het rapport de relatie tussen eenzaamheid en coping (d.w.z. totale coping, sociale coping, niet-sociale coping, en individuele strategieën) bespreken. De betrouwbaarheid van deze schalen was voldoende (Cronbach’s alpha voor sociale, niet-sociale en totaalaantal coping strategieën was respectievelijk .72, .73 en .83). Voor details over de factoranalyse, zie Bijlage 1.

Samenvatting: Op basis van de factor analyses is geen duidelijke factorstructuur naar voren gekomen, daarom analyseren we de vervolgvragen door te kijken naar het aantal sociale en niet-sociale coping strategieën dat participanten hanteren, en naar het totale aantal strategieën. Ook bekijken we elk van de strategieën los.

19

Onderzoeksvraag 3. Relatie tussen coping en eenzaamheid Wat is de relatie tussen coping strategieën en eenzaamheid? 3.1 Hoe eenzaam waren individuen in mei? Eenzaamheid werd op 20 mei 2020 gemeten op een schaal van 1 tot 3 (1=nee, 2=min meer, 3=ja) met een gemiddelde score van 6 items uit een standaard eenzaamheidsschaal: 1. Ik ervaar een leegte om me heen 2. Er zijn genoeg mensen waarop ik in geval van narigheid kan terugvallen 3. Ik ken veel mensen op wie ik volledig kan vertrouwen 4. Er zijn voldoende mensen met wie ik mij nauw verbonden voel 5. Ik mis mensen om me heen 6. Vaak voel ik me in de steek gelaten De gemiddelde score van eenzaamheid (gemeten met de schaal; zie Figuur 7) in de steekproef was 1.36 (SD = 0.39). De eenzaamheidsscores waren relatief laag, wat een veel voorkomende bevinding is. Zoals de onderstaande histogrammen laten zien, zijn de scores scheef verdeeld (d.w.z. een vloereffect), wat aangeeft dat veel individuen een lage mate van eenzaamheid rapporteerden. Voor de eenzaamheidsscore waren 25% van de waarden 1.0, 50% onder 1.33 en 75% onder 1.5. Hierbij moet opgemerkt worden dat er sprake is van zelfrapportage, wat mogelijks onderrapportage van eenzaamheid met zich mee kan brengen (bv. omwille van sociale wenselijkheid). Figuur 7. Verdeling van de scores op eenzaamheidsschaal

20

3.2 Is eenzaamheid veranderd tijdens de coronacrisis? Gemiddelde toename in eenzaamheid In de groep van n = 1993 deelnemers (leeftijdsrange 17 tot 102 jaar) die gevolgd is vanaf oktober 2019 tot mei 2020, is de gemiddelde score van eenzaamheid significant toegenomen (t(1992) = - 5.95, p < .001). Figuur 8 laat deze toename zien. Op de schaal van 1 (niet eenzaam) tot 3 (zeer eenzaam) heeft deze groep een gemiddelde score van 1.31 in oktober 2019, en 1.36 in mei 2020. Gemiddeld is er dus sprake van een toename in eenzaamheid van 0.05. Ondanks de toename blijft de gemiddelde score aan de lage kant tijdens de coronacrisis in mei 2020 (1.36 op een schaal van 1 tot 3). Figuur 8. Gemiddelde toename in eenzaamheid in op een schaal van 1 (niet eenzaam) tot 3 (zeer eenzaam). De zwarte lijn geeft de mediaan aan, de blauwe sterretjes het gemiddelde.

Verschillen in verandering in eenzaamheid Mensen laten grote verschillen zien in hoe eenzaamheid is veranderd tussen oktober 2019 (voor de coronacrisis) en mei 2020. Om in kaart te brengen hoeveel mensen van elkaar verschillen in verandering over deze periode hebben we een verschilscore gemaakt (eenzaamheid mei 2020 minus eenzaamheid oktober 2019). In Figuur 9 zijn deze verschilscores weergegeven. Omdat eenzaamheid is gemeten op een schaal van 1 tot 3, lopen de mogelijke verschilscores van -2 (extreme afname in eenzaamheid) tot 2 (extreme toename in eenzaamheid). In deze groep van 1993 personen liep de verschilscore van -1.83 tot 1.67. Wat opvalt in Figuur 5 is dat meer dan 600 personen een verschilscore hebben van 0 (34.9%). Dit betekent dat hun niveau van

21

eenzaamheid gelijk is gebleven. Een substantiële groep (25.7 %) heeft een negatieve verschilscore. Dit betekent dat zij een afname laten zien eenzaamheid. De derde en grootste groep heeft een positieve verschilscore (39.4%). Dit betekent dat ze zijn toegenomen in eenzaamheid van oktober 2019 tot mei 2020. Wat ook te zien is, is dat de meeste scores tussen de -0.5 en 0.5 vallen, wat betekent dat een extreme afname of toename in eenzaamheid zeldzaam is in deze groep. Figuur 9. Aantal personen dat een afname (verandering in eenzaamheid < 0), of toename (verandering in eenzaamheid > 0) laat zien in eenzaamheid, of gelijk is gebleven (verandering in eenzaamheid = 0) vanaf oktober 2019 tot mei 2020.

Samenvatting Ook al laat eenzaamheid gemiddeld een kleine toename zien tijdens de coronacrisis vergeleken met vorig jaar (Figuur 8), is dit zeker niet op iedereen van toepassing. Bijna 40 procent laat een (meestal kleine) toename zien in eenzaamheid, maar er is ook een grote groep die gelijk blijft of zelfs afneemt in eenzaamheid (Figuur 9).

22

3.3. Is de verandering in eenzaamheid tijdens corona gerelateerd aan veranderingen in ons sociaal contact? Introductie We hebben onderzocht hoe we veranderingen in eenzaamheid van oktober 2019 tot mei 2020 kunnen verklaren. Een mogelijke verklaring voor deze veranderingen ligt in de veranderingen in sociaal contact. In deze sectie onderzoeken we het verband tussen veranderingen in eenzaamheid en veranderingen in sociaal contact van een gemiddelde maand voor de coronacrisis tot mei 2020. Om de verandering in zowel eenzaamheid als sociaal contact weer te geven hebben we verschilscores berekend door de eerste score (T1) af te trekken van de tweede score (T2), dus T2-T1. Dit is een geldige en intuïtieve maatstaf voor verandering over twee tijdpunten bij gebruik van manifeste variabelen. Hypotheses We verwachtten dat toenames in de kwantiteit en kwaliteit van contact zou samenhangen met een afname in eenzaamheid, terwijl een afname in de kwantiteit en kwaliteit van contact zou samenhangen met een toename in eenzaamheid. Omtrent de manieren van contact hadden we geen hypotheses. Resultaten – Bivariate associaties Bij bivariate associaties wordt gekeken naar het verband tussen twee variabelen (zonder rekening te houden met andere variabelen). Hierbij is een correlatie van -1 een perfecte negatieve correlatie (d.w.z.

hoe meer X, hoe minder Y) en een correlatie van + 1 een perfecte positieve correlatie (d.w.z. hoe meer X, hoe meer Y). Een correlatie van 0 duidt aan dat er geen verband is tussen X en Y. De hoogte van de correlatie is een indicatie voor hoe sterk de relatie tussen 2 variabelen is. Volgens Cohen’s standaarden is er bij een correlatie tot .29 sprake is van een klein effect, tussen .30-49 sprake is van een matig effect, en vanaf .50 een groot effect. Of de correlatiecoëfficiënten statistisch betekenisvol (significant) zijn, wordt uitgedrukt in p waarden, waarbij vanaf p < .05 een verband significant is. Tabel 6 (zie pagina 33) laat zien dat eenzaamheid gemeten in mei 2020 negatief samenhangt met de kwantiteit en kwaliteit van contact. Voor kwantiteit van contact geldt dat meer contact (bv., meer bellen) samenhangt met minder eenzaamheid. Deze relatie is niet significant voor de hoeveelheid contact met vrienden, de andere correlaties variëren tussen r = -.06 en r = -.11, en zijn dus klein tot zeer klein. Voor kwaliteit van contact geldt dat meer tevredenheid met de hoeveelheid contact samenhangt met minder eenzaamheid. Deze correlaties variëren van r = -.22 tot r = -.33, en zijn daarmee klein tot middelmatig van sterkte. Tevredenheid met de hoeveelheid contact laat een sterkere samenhang zien met eenzaamheid dan de hoeveelheid contact op zich.

Als we kijken naar de manier waarop mensen contact hebben met anderen geldt dat het meer gebruik van elk van de manieren samenhangt met minder eenzaamheid, met kleine effecten (r = -.09 tot r = -.13). De uitzondering daarop is het meer gebruik maken van online communities, dat hangt niet significant samen met eenzaamheid.

23

Resultaten – Veranderingen Tabel 4 laat de correlaties tussen veranderingen in eenzaamheid en verandering in sociaal contact zien. De verandering meet een toename of afname in sociaal contact tijdens de crisis (mei 2020) vergeleken met een typische maand voor de coronaciris. Een positieve correlatie betekent dat een toename in eenzaamheid samenhangt met een toename in sociaal contact, een negatieve correlatie betekent dat een afname in eenzaamheid samenhangt met een toename in sociaal contact. In Tabel 4 staan de ongestandaardiseerde waarden (voor de gestandaardiseerde waarden, zie Bijlage 1). Tabel 4 Correlaties tussen verandering in eenzaamheid en verandering in sociaal contact Verandering in Standaard Error p eenzaamheid Ongestandaardiseerde waarden Hoeveelheid Contact (verandering) Partner -0.003 0.002 .250 Andere mensen binnen huishouden 0.010 0.006 .112 Vrienden (buiten huishouden) -0.015 0.008 .053 Familie (buiten huishouden) -0.005 0.007 .435 Anderen (kennissen. collega's) -0.026** 0.009 .003 Kwaliteit Contact (verandering) Partner -0.010 0.007 .184 Andere mensen binnen huishouden -0.009 0.011 .405 Vrienden (buiten huishouden) -0.044** 0.015 .003 Familie (buiten huishouden) -0.033* 0.015 .030 Anderen (kennissen. collega's) -0.052*** 0.014 .000 Manier van Contact (verandering) Face-to-face -0.017* 0.007 .015 Bellen 0.021** 0.007 .003 Tekstberichten (sms.

whatsapp) 0.015*** 0.004 .000 Online communities (facebook) 0.008* 0.004 .039 Noot. Verandering eenzaamheid tussen oktober 2019-mei 2020. * p < .05, ** p < .01, *** p < .001. Veranderingen in de hoeveelheid contact in relatie tot veranderingen in eenzaamheid Wat betreft de hoeveelheid contact lijken afnames in contact samen te gaan met toenames in eenzaamheid (een negatieve correlatie). Alleen voor de hoeveelheid contact met anderen (zoals kennissen en collega’s) is deze verandering echter significant. Dit betekent dat een afname in de hoeveelheid contact met mensen die wat verder weg staan, zoals collega’s en kennissen, samengaat met een toename in eenzaamheid. Figuur 10 laat deze relatie zien.

24

Figuur 10. Verschil in eenzaamheid in mei 2020 in vergelijking met oktober 2019, in relatie tot het verschil in de hoeveelheid contact met anderen in mei 2020 in vergelijking met voor de coronacrisis. De blauwe lijn geeft de regressielijn weer. Hoe groter het bolletje, hoe meer mensen deze combinatie van waarden hebben. Elke cirkel in deze figuur representeert dus een bepaalde combinatie van verschil in eenzaamheid tussen 2019 en 2020 en verschil in de hoeveelheid contact met anderen. Hoe groter de cirkel, hoe meer deelnemers die combinatie van waarden heeft. De grootste cirkel zit in het midden van de schaal, waarbij er geen verschil is in eenzaamheid en geen verschil in contact. Het kwadrant linksboven bevat alle mensen die een daling in eenzaamheid en een stijging in contact rapporteren. Rechtsboven representeert de mensen die een stijging in eenzaamheid en een stijging in contact rapporteren. Linksonder zijn de mensen die een daling in eenzaamheid en een daling in hoeveelheid contact rapporteren. En rechtsonder zien we de mensen die een stijging in eenzaamheid en een daling in contact rapporteren. Het is duidelijk dat in dit kwadrant meer deelnemers te vinden zijn dan in de andere kwadranten. Dus, voor mensen die verschil in eenzaamheid ervaren gaat dat vaker samen met een daling in de hoeveelheid contact, dan een stijging in de hoeveelheid contact.

Veranderingen in de kwaliteit sociaal contact in relatie tot veranderingen in eenzaamheid Ook voor veranderingen in de kwaliteit van contact geldt dat een afname in de kwaliteit van contact samenhangt met een toename in eenzaamheid. Dit verband is significant voor niethuisgenoten, dat wil zeggen, voor vrienden en familie buiten het huishouden en anderen met wie het contact wat minder sterk is. Ter illustratie laat Figuur 11 dit verband zien voor vrienden, voor de overige figuren verwijzen we naar Bijlage 3.

25

Figuur 11. Verschil in eenzaamheid in mei 2020 in vergelijking met oktober 2019, in relatie tot het verschil in de kwaliteit van contact met vrienden in mei 2020 in vergelijking met voor de coronacrisis. De blauwe lijn geeft de regressielijn weer. Hoe groter het bolletje, hoe meer mensen deze combinatie van waarden hebben. Veranderingen in manieren van contact in relatie tot veranderingen in eenzaamheid Als laatste hebben we gekeken naar de relatie tussen veranderingen in de manieren van contact en eenzaamheid. Uit deze analyse (zie Tabel 4) blijkt dat een afname in face-to-face contact samengaat met een toename in eenzaamheid. In tegenstelling tot onze verwachting bleek dat een toename in eenzaamheid samengaat met een toename in bellen, tekstberichten en deelname aan online communities. Dit betekent niet automatisch dat meer bellen, tekstberichten sturen of deelnemen aan online communities eenzaamheid veroorzaakt. Het is ook mogelijk dat een toename in eenzaamheid maakt dat mensen meer geneigd zijn om via niet face-to-face middelen contact te onderhouden met anderen. Dat laatste lijkt meer waarschijnlijk: eenzaamheid ontstaat op het moment dat de sociale behoeften van mensen niet vervuld kunnen worden.

Door de pandemie en de bijbehorende social distancing maatregelen is het moeilijker om (face-to-face) contact met anderen te onderhouden, wat betekent dat mensen die eenzaamheid ervaren door de social distancing maatregelen mogelijk meer gebruik gaan maken van andere middelen om de eenzaamheid te doorbreken. Ook moet worden opgemerkt dat slechts een klein deel van de deelnemers verandering in de hoeveelheid contact via tekstberichten en online communities rapporteerde. Het (kleine) effect wordt dus veroorzaakt door een zeer kleine groep mensen. Ook dient te worden opgemerkt dat de effecten niet erg groot zijn. Alles bij elkaar verklaren veranderingen in sociaal contact slechts 1% van de variantie in veranderingen in eenzaamheid.

26

Samenvatting Mensen met frequentere sociale contacten en hogere tevredenheid over de kwaliteit van contact rapporteren minder eenzaamheid, gemeten in mei 2020. Als we een vergelijking maken van sociale contacten voor en tijdens de coronacrisis, zien we dat afnames in de kwantiteit (m.n. contact met anderen zoals collega’s en kennissen) en kwaliteit van contact (m.n. met mensen buiten het huishouden) samengaan met toenames in eenzaamheid. Ook afnames in face-to-face contact hangen samen met een toename in eenzaamheid. Daarentegen zien we dat een toename in eenzaamheid samenhangt met een toename in bellen, tekstberichten en online contact. Dit betekent niet automatisch dat bellen ‘slecht’ is als mensen zich eenzaam voelen: mogelijk grijpen mensen die zich eenzaam voelen sneller naar de telefoon, vooral omdat mogelijkheden tot face-to-face contact beperkt zijn. 3.4. Wat is de samenhang tussen coping strategieën en eenzaamheid? Inleiding Voordat we hebben gekeken of bepaalde coping strategieën samenhangen met de mate waarin eenzaamheid tijdens de coronacrisis toeneemt of afneemt, hebben we in kaart gebracht wat de samenhang is tussen het gebruiken van de coping strategieën en de mate waarin mensen zich eenzaam voelen in mei 2020. Hypothese Onze verwachting was dat personen die meer coping strategieën gebruiken minder eenzaam zijn.

Voor sommige personen zou het echter ook zo kunnen zijn dat een stijging in eenzaamheid een stijging in het gebruik van coping strategieën zou kunnen veroorzaken. Over het algemeen verwachtten we dus dat het gebruik van meer coping strategieën – en met name sociale coping strategieën – gerelateerd zou zijn aan minder eenzaamheid (d.w.z. een negatief verband). Bivariate associaties In Tabel 5 is te zien dat totale coping, alsook sociale coping en niet-sociale coping significant negatief gecorreleerd zijn aan eenzaamheid in Mei 2020, wat onze hypothese bevestigt. Dus over het algemeen is meer coping geassocieerd met minder eenzaamheid. Dit is vooral zichtbaar bij sociale coping, maar de verschillen met totale en niet-sociale coping zijn minimaal. Wat betreft de individuele sociale coping strategieën, zien we dat de volgende negatief geassocieerd zijn met eenzaamheid (in volgorde van groot naar klein):  Bellen met video (bv., Skype)  Mensen buitenshuis ontmoeten (bv., een wandeling maken)  Quality time doorbrengen met huishoudleden (bv., focus op kinderen, partner)  Op bezoek gaan bij iemand of iemand op bezoek hebben  Brieven, kaarten, of cadeaus sturen  Hulp aanbieden aan anderen (bv., boodschappen doen, opvang kinderen delen)

27

 Seks (bv., met vaste partner of losse relatie)  Videobellen om activiteiten te delen (bv., een spel spelen, samen sporten)  Bellen zonder video Wat betreft de individuele niet-sociale coping strategieën, zien we dat de volgende negatief geassocieerd zijn met eenzaamheid (in volgorde van groot naar klein):  Tuinieren  Huishouden, inrichting en klussen aan het huis  Naar buiten gaan  Lezen  Tijd besteden aan werk  Geïnformeerd blijven over de coronacrisis  Zorgen voor jezelf (gezond eten, genoeg slapen) Zoals verwacht hangen sommige strategieën echter positief samen met eenzaamheid (groot naar klein):  Meditatie  Het nieuws vermijden  Bidden Het gebruiken van geen enkele strategie hangt ook positief samen met eenzaamheid. N.B. Let wel dat er bij cross-sectionele analyses (op 1 tijdstip) niet gesproken kan worden van causale relaties, het gaat puur om de sterkte en richting (positief of negatief) van samenhang tussen coping en eenzaamheid. Ook blijkt dat alle significante verbanden een kleine effectgrootte hebben. Hoewel er dus weldegelijk statistisch significante relaties zijn tussen het gebruik van coping strategieën en eenzaamheid, zijn deze relaties niet heel sterk.

28

Tabel 5 Spearman’s rho correlaties tussen coping strategieën en eenzaamheid Eenzaamheid rs p Coping -.12*** .000 Totale coping -.13*** .000 Sociale coping -.09*** .000 Niet-sociale coping Individuele sociale coping strategieën Bellen met video (bv., Skype) -.12*** .000 Bellen zonder video -.05* .043 Videobellen om activiteiten te delen (bv., een spel spelen, samen sporten) -.05* .027 Actief zijn op publieke online communities (bv., Facebook, Twitter) -.02 .291 Chatten via privé berichten (bv., WhatsApp) -.04 .074 Delen van foto’s en/of video’s (bv., instagram) -.03 .260 Mensen buitenshuis ontmoeten (bv., een wandeling maken) -.11*** .000 Brieven, kaarten, of cadeaus sturen -.08*** .000 Doelen stellen voor minimum van sociaal contact (bv., min.

1/dag bellen) .03 .220 Quality time doorbrengen met huishoudleden (bv., focus op kinderen, -.10*** .000 partner) Delen van en praten over coronanieuws -.01 .562 Op bezoek gaan bij iemand of iemand op bezoek hebben -.08*** .000 Hulp aanbieden aan anderen (bv., boodschappen doen, opvang kinderen -.07** .002 delen) Seks (bv., met vaste partner of losse relatie) -.06** .005 Niets van het bovenstaande sociale coping strategieën .06** .005 Individuele niet-sociale coping strategieën Sport (een workout thuis, etc.) -.04 .094 Naar buiten gaan -.08*** .000 Tuinieren -.11*** .000 Huishouden, inrichting en klussen aan het huis -.11*** .000 Het volgen van cursussen (webinars, etc.) .02 .371 Zorgen voor jezelf (gezond eten, genoeg slapen) -.05* .044 Lezen -.08** .001 Het nieuws vermijden .05* .023 Geïnformeerd blijven over de coronacrisis -.05* .020 TV kijken (films/Netflix) -.03 .150 Luisteren naar de radio/muziek -.03 .169 Bidden .05* .035 Meditatie .06* .014 Een routine aanbrengen in de dag (bv., een tijd instellen voor activiteiten) .01 .753 Schrijven in een dagboek .00 .896 Humor (kijken naar grappige plaatjes, memes, etc.) .01 .736 Activiteiten (spelletjes, hobbies) om alleen te doen (foto’s bekijken, muziek -.02 .415 maken) Tijd besteden aan werk -.07** .001 Tijd besteden aan huisdieren -.01 .532 Masturbatie (zelfbevrediging) .04 .081 Niets van het bovenstaande niet-sociale coping

strategieën .06* .015 * p < .05, ** p < .01, *** p < .001; N = 1993

29

Multivariate associaties Vervolgens zijn multivariate analyses uitgevoerd waarbij niet de 1 op 1 relatie wordt bekeken zoals hierboven, maar meerdere variabelen worden meegenomen in het model. Hiermee kan onderzocht worden welke variabelen de sterkste effecten vertonen, rekening houdend met de andere variabelen. Bijvoorbeeld: Wat is het effect van het gebruiken van sociale strategieën, als we rekening houden met de mate waarin mensen niet-sociale strategieën gebruiken? Het regressiemodel waarbij sociale coping en niet-sociale coping worden gebruikt om eenzaamheid te voorspellen is significant (F (2,1990) = 17.16, p < .001, R² = .02). De R2 van 0.02 betekent dat we 2% van de verschillen tussen mensen in eenzaamheid kunnen verklaren door te kijken hoe veel sociale en niet-sociale coping strategieën zij gebruiken. Enkel sociale coping is een significante negatieve predictor van eenzaamheid (β = -.12, p = .001), terwijl niet-sociale coping geen significante voorspeller is (β = -.02, p = .54). Meer sociale coping is dus geassocieerd met minder eenzaamheid. Het regressiemodel waarbij alle individuele coping strategieën samen in een model werden gevoegd, is significant (F (36,1956) = 4.14, p < .001, R² = .07). Samen verklaren het gebruik van deze coping strategieën 7% van de verschillen tussen mensen in eenzaamheid.

Wanneer rekening wordt gehouden met alle strategieën samen, blijkt dat de volgende eenzaamheid negatief voorspellen (van groot naar klein):    

Bellen met video (bv., Skype) (β = -.10, p = .001) Mensen buitenshuis ontmoeten (bv., een wandeling maken) (β = -.09, p = .001) Tuinieren (β = -.07, p = .002) Quality time doorbrengen met huishoudleden (focus op kinderen, partner) (β = -.06, p = .015)  Lezen (β = -.06, p = .026) Er waren ook strategieën die positief samenhangen met eenzaamheid (van groot naar klein):  Het nieuws vermijden (β = .06, p = .020)  Het volgen van cursussen (webinars, etc.) (β = .06, p = .024)  Meditatie (β = .06, p = .026)  Bidden (β = .05, p = .030) Veranderingen in eenzaamheid in relatie tot coping strategieën In voorgaande passage onderzochten we de cross-sectionele link tussen eenzaamheid en coping (d.w.z. op hetzelfde moment gemeten, namelijk in mei 2020). In de huidige sectie willen we kijken naar de veranderingen in eenzaamheid tijdens de uitbraak van het coronavirus in vergelijking met vóór de uitbraak en deze linken aan onze coping strategieën. Met andere woorden, hangt een stijging in eenzaamheid samen met coping tijdens de coronacrisis? Onze hypothese is dat een grotere stijging in eenzaamheid gerelateerd is aan het minder gebruiken van coping strategieën.

30

De gestandaardiseerde resultaten worden hier weergegeven (zie Bijlage 1 voor ongestandaardiseerde resultaten). De verschilscore in eenzaamheid (oktober 2019 – mei 2020) is niet significant gerelateerd aan zowel totale coping (r = .04, p = .09), sociale coping (r = .04, p = .10) als niet-sociale coping (r = .03, p = .14) gemeten in mei 2020. Samenvatting Over het algemeen is het gebruik van meer coping strategieën geassocieerd met minder eenzaamheid. Wanneer het aantal sociale en niet-sociale strategieën tegen elkaar afgezet worden, is vooral het aantal sociale coping strategieën van belang. Wanneer alle individuele strategieën worden beschouwd, lijken de volgende strategieën het sterkst negatief samen te hangen met eenzaamheid: videobellen (bv. Skype), mensen buitenshuis ontmoeten (bv., een wandeling maken), tuinieren, quality time doorbrengen met huishoudleden (focus op kinderen, partner) en lezen, maar ook brieven/kaarten/cadeaus sturen, en huishouden/inrichting/klussen aan het huis. Tenslotte waren er een aantal niet-sociale strategieën die positief leken samen te hangen met eenzaamheid. Onze verwachtingen werden over het algemeen dus bevestigd. Het is van belang om er rekening mee te houden dat de effecten klein zijn, en dat we niet zeker kunnen zijn van de causale relatie tussen het gebruik van deze strategieën en eenzaamheid.

Tegen onze verwachting in vonden we geen bewijs voor de hypothese dat een grotere toename in eenzaamheid samenhangt met het gebruik van minder coping strategieën. Het lijkt dus de ervaren eenzaamheid in het moment, en niet de verandering in eenzaamheid te zijn die samenhangt met het gebruik van coping strategieën.

Onderzoeksvraag 4. Verandering in eenzaamheid en welzijn Is (verandering in) eenzaamheid tijdens corona gelinkt aan ons welzijn? Introductie In deze onderzoekvraag willen we veranderingen in eenzaamheid tijdens de uitbraak van het coronavirus in vergelijking met vóór de uitbraak linken aan welzijn. Meer specifiek willen we de gemiddelde stijging in eenzaamheid op groepsniveau (zoals eerder besproken; zie ook tussentijds rapport) linken aan levenstevredenheid en zelfvertrouwen gemeten tijdens de coronacrisis in mei. Met andere woorden, heeft de stijging in eenzaamheid een effect op ons welzijn tijdens de coronacrisis. Let wel dat het hier correlatie analyses betreffen waardoor causale uitspraken onmogelijk zijn. Het gaat dus over een samenhang tussen eenzaamheid en welzijn. Meting van levenstevredenheid en zelfvertrouwen Levenstevredenheid alsook zelfvertrouwen werden beide op een erg betrouwbare manier gemeten in mei 2020 aan de hand van respectievelijk 5 items en 10 items die gescoord werden op een 7-puntenschaal gaande van 1 (helemaal niet mee eens) tot 7 (helemaal mee eens). Voor elk construct werd een gemiddelde score berekend. Hoe hoger de gemiddelde score, hoe meer

31

levenstevredenheid/zelfvertrouwen. Voor levenstevredenheid bleek de gemiddelde score voor de volledige groep 5.21 (SD = 1.08) te zijn, terwijl dit voor zelfvertrouwen 5.57 (SD = 1.00) was. Deze scores liggen dus aan de hoge kant op een schaal van 1 tot 7. Hypotheses In het tussentijds rapport toonden we reeds dat eenzaamheid op algemeen groepsniveau is gestegen. Nu onderzoeken we of een grotere stijging in eenzaamheid negatieve gevolgen heeft voor welzijn. Specifiek verwachten we dat een grotere stijging in eenzaamheid geassocieerd zal zijn met een lagere levenstevredenheid en zelfvertrouwen. Relatie tussen verandering in eenzaamheid en welzijn De verschilscore in eenzaamheid (oktober 2019 – mei 2020) is niet significant gerelateerd aan zowel levenstevredenheid (r = -.03, p = .21) als zelfvertrouwen (r = -.00, p = .97) gemeten in mei 2020. Relatie tussen eenzaamheid en welzijn Daarnaast werd ook eenzaamheid in mei 2020 gerelateerd aan levenstevredenheid en zelfvertrouwen in mei 2020. Wanneer de constructen op hetzelfde moment gemeten worden, zijn beide associaties significant en negatief (beide r = -.45, p < .01; zie Tabel 6). Dit betekent dat meer eenzaamheid in mei gerelateerd is aan minder levenstevredenheid en zelfvertrouwen in mei.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9706119/1