CConstaterende datHelmond
Koppel je AI →
Document · PDF

E VNG ledenbrieven

Gemeenteraad 27 januari 2026, gemeente HelmondBij agendapunt: VNG37.807 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

29

Bouwstenen voor een nieuw regeerakkoord

8: Investeringsagenda en toekomstgericht begroten Gesteund door

Urgentie en noodzaak Er is grote maatschappelijke urgentie om de komende periode de benodigde investeringen te doen om ons toekomstige verdienvermogen en daarmee brede welvaart ook in de toekomst te borgen. Dit moeten we zo snel mogelijk en realistisch doen, om ook economisch gezien geen schade op te lopen. Daarbij speelt ook de urgentie van schaarste in ruimte, mensen en middelen, welke de komende jaren naar verwachting niet vanzelfsprekend minder nijpend wordt. De afgelopen jaren hebben opeenvolgende kabinetten hun investeringsambities niet behaald door onrealistische planning in combinatie met een oververhitte economie en krappe arbeidsmarkt. Dit leidde vervolgens tot hoge onderuitputting. Ook wijst de Studiegroep Begrotingsruimte erop dat de houdbaarheid van de Nederlandse overheidsfinanciën op middellange termijn onder druk staat door hogere uitgaven aan vergrijzing, defensie, klimaat en rente. Om als overheid te kunnen blijven investeren in het lange-termijn-verdienvermogen van de economie zijn dus keuzes nodig. Het vergroten van het verdienvermogen draagt óók bij aan gezonde overheidsfinanciën, doordat de staatsschuld (als % van het bbp) op termijn kan dalen. Daarnaast is onvermijdelijk dat de groei van de vergrijzingsgerelateerde sociale uitgaven meer in lijn met de structurele groei wordt gebracht.

Kortom, ons begrotingsbeleid kan – binnen de kaders van de Europese begrotingsregels – tegelijkertijd gericht zijn op gezonde overheidsfinanciën én het verantwoord achterlaten van een goed ingerichte samenleving en economie voor toekomstige generaties. Hieronder doen we gezamenlijke voorstellen welke investeringen prioriteit te geven. Vervolgens doen we een voorstel hoe – binnen de gewijzigde Europese begrotingsregels – deze investeringsagenda in te passen in gewijzigde nationale begrotingsregels die ook op de lange termijn de overheidsfinanciën gezond houden.

Inventarisatie investeringsagenda 2050 en het effect in 2026-2030 De noodzakelijke investeringen voor de komende kabinetsperiode staan weergegeven op de volgende pagina. De investeringen zijn langjarig bezien (richting 2050), maar het effect op de begroting is weergegeven voor de komende kabinetsperiode. De weergegeven bedragen zijn extra uitgaven t.o.v. huidige begroting welke nog niet zijn begroot. In de totstandkoming is gesteund op gegevens die voortkomen uit openbare onderzoeken, aangevuld met interne documentatie van relevante partijen. Vanzelfsprekend zijn de bedragen indicatief. Er is getracht een zo volledig mogelijk overzicht te genereren, maar er zullen gegevens ontbreken.

30

Bouwstenen voor een nieuw regeerakkoord

Financieel kader 2026-2030 (in miljarden euro’s; + = verslechtert EMU-saldo)

Structureel

T.l.v. schuld

Investeringsuitgaven voor verdienvermogen (structurele uitgaven) 1

Verhogen R&D-uitgaven naar 3% bbp, deel publieke uitgaven

2,0

2

Versnellen digitalisering en AI

0,3

3

Menselijk kapitaal (leven lang ontwikkelen, gezonde bevolking incl. WKR)

0,7

4

Gezonde generatie: uitrol gezonde scholen

0,8

5

Vernieuwen onderwijshuisvesting

5,2

6

Versterken balans en uitbouw naar Nationale Investeringsinstelling

10,0

Investeringsuitgaven voor grote transities 7

Landbouw en natuur

0,9

15,0

8

Infrastructuur

4,1

9

Wonen

PM

4,8

10

Energie en Warmte

0,9

20,0

11

Klimaatadaptatie en waterveiligheid

1,0

12

Versnellen digitalisering openbaar bestuur en zbo’s

1,0

13

Investeringsagenda transformatie zorg en digitalisering

1,2

Defensie en weerbaarheid (structurele uitgaven) 14

Vervolgstap defensie richting NAVO-norm 3,5% bbp in 2035

PM

15

Weerbaarheid

1,0

Sociale uitgaven (structurele uitgaven) 16

Sociaal minimum/bestaanszekerheid

0,5

Totaal extra overheidsuitgaven (1 t/m 16)

14,4 mld. + PM

Inverdieneffecten als gevolg van baten investeringsuitgaven

-PM

Totaal: effect op structureel EMU-saldo (% bbp)

PM

55 mld. + PM

Onderbouwing Nr. Toelichting en bron

31

1

Uit 3% Actieplan; investeringen in o.a. PPS programma’s (kwantum, ChipNL etc), deelname in EUprogramma’s (zoals IPCEI’s), stabiele bekostiging van wetenschappelijk, praktijkgericht en toegepast onderzoek, modernisering van wetenschappelijke infrastructuur via OCW en NWO, en (nieuwe) experimentele en valorisatie infrastructuur

2

VNO-NCW/MKB-Nederland, 2025, Investeren in de toekomstige welvaart van Nederland

3

Investeringen in gezonde werknemers vallen voortaan onder nihilstelling WKR. Ook vergroten we de vrije ruimte, zodat mkb-werkgevers meer mogelijkheden krijgen voor vitaliteitsbeleid. Er komt een Nationaal Instituut Werk & Gezondheid. Er komt een nieuwe faciliteit om leven lang ontwikkelen te stimuleren.

Bouwstenen voor een nieuw regeerakkoord

Nr. Toelichting en bron 4

Uitrol bewegen en gezonde maaltijden basisscholen, + stimuleren in kinderopvang, VO, en MBO. Daarnaast gaan we ervan uit dat de bezuinigingen van het kabinet Schoof op funderend onderwijs (o.a. brede brugklassen, School&Omgeving, achterstandenbeleid) worden teruggedraaid.

5

Jaarlijks € 1,3 mld. extra nodig voor vernieuwen scholen naar gebouwen die (onderwijs)adaptief, inclusief, gezond, duurzaam en betaalbaar in de exploitatie zijn (zie IBO Onderwijshuisvesting), mogelijk in een nieuw fonds op afstand van de overheid, waardoor het niet saldorelevant is.

6

Beschikbaar stellen van eigen vermogen voor nationale investeringsbank/-instelling om investeringen te doen

7

Landbouw en natuur – totale opgave is € 50 miljard voor komende 25 jaar – PBL stikstof en natuur verbeteren

8

Openbaar vervoer 2040, ministerie van IenW (onderhoud en uitbreiding spoor). HWS, HWN en HVWN, Verkeersveiligheid en Fiets en ONW Rebel 2024, - Openbare informatie uit kamerbrieven.

9

Ongedekte nieuwbouwopgave incl. voorzieningen € 8,4 mld. tot 2033 naar rato. Verduurzaming en isolatie bestaande bouw: op PM omdat onduidelijk is waar de structurele lasten landen.

10

Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) naar bekostiging elektriciteitsinfrastructuur en uitbreiden van het elektriciteitsnetwerk. Gerekend met jaarlijkse extra lening van € 4 miljard per jaar (€ 20 miljard totaal in 2030); bij rente 3% is structurele rentelast € 0,6 miljard. Totale investering is € 195 miljard. Studie Raad voor het Openbaar bestuur naar kosten decentrale uitvoering van het klimaat en energiebeleid. Tevens opgenomen warmte in publieke handen – eenmalig, warmtenetten – overzetten t/m 2030, energie- en warmteopwekking (groot), PM energie- en warmteopwekking (lokaal en regionaal) uitkomsten af te wachten nieuw ROB-onderzoek.

11

Waterveiligheid Deltaprogramma. Optelling van diverse onderzoeken naar nationale aanpak van GIOS/ groennormen studie &lfux et al (2023), Verzakkings/funderingsproblematiek Rli en Klimaatadaptatie Arcadis. Inclusief informatie Uvw. PM zoetwater

12

Verdere uitrol Nationale Digitaliseringsstrategie (NDS). Incidentele bedragen lopen op van € 0,8 mld. vanaf 2026 naar € 1,5 mld. in 2030. Daarna zal de digitaliseringsopgave een fase ingaan van structurele uitgaven.

13

NAVO-norm 3,5% structureel 17 miljard (uiterlijk in 2035) – PM welk bedrag opnemen = politieke afweging

14

Extra investeringen in weerbaarheid van Nederland eerste 72 uur en m.b.t. digitale, fysieke en sociale infrastructuur. Dit vraagt de komende kabinetsperiode vooral planvorming, daarna volgen de investeringen. Er kan worden gedacht aan een fonds waarmee het weerbaar maken van bestaand beleid wordt bekostigd vanuit het dual-use principe. Het kabinet ontwikkelt samen met de medeoverheden een kader voor het toetsen van mate waarin een beleidsmaatregel extra bijdraagt aan weerbaarheid.

15

Investeren werkzekerheid en participatie, ondersteuningsbehoefte en vereenvoudiging Banenafspraak Sommige investeringen (elektriciteit ad 9, onderwijshuisvesting ad 4) worden via amortisatie gefinancierd, alleen rente-uitgaven zijn saldorelevant. De investeringsuitgaven (1 t/m 5) hebben (nader te kwantificeren) baten: o.m. hogere productiviteit, arbeidsdeelname, minder instroom WIA, lager zorggebruik. Twee belangrijke elementen zitten nog niet in de berekeningen: 1. De bouw van vier kerncentrales (plusminus € 50 miljard). Dit vraagt een politieke afweging. 2. De verdere stappen waarbij warmtenetten in publieke handen komen. Dit vraagt additionele investeringen, waarbij het publieke deel (50%) geraamd wordt op plusminus € 16 miljard.

Invulling van investeringsagenda Het mogelijk maken van een dergelijke investeringsagenda vraagt om aanpassingen van de nationale begrotingsregels en slim gebruik maken van de nieuwe Europese begrotingsregels die de ontwikkeling van het EMU-saldo en EMU-staatsschuld van lidstaten in een meerjarig perspectief beoordelen: • Binnen de rijksuitgaven moet meer prioriteit worden gegeven aan investeringen in het toekomstig

32

Bouwstenen voor een nieuw regeerakkoord

verdienvermogen van Nederland. Investeren in toekomstig verdienvermogen is de beste manier om op termijn brede welvaart én gezonde overheidsfinanciën te waarborgen. Deze benadering sluit aan bij de aanbevelingen van het IMF, de Europese Commissie en de OESO, die erop wijzen dat Nederland een oververhitte economie kent en het begrotingsbeleid meer moet richten op economische groei. • De noodzakelijke groei van de defensie-uitgaven – om Europa en Nederland veilig te houden – vraagt om een herprioritering binnen de rijksuitgaven, mogelijk in combinatie met doelgerichte lastenverzwaring. Dit betekent onder andere meer doelmatigheid en op termijn aanpassing van sociale aanspraken om het totaal aan overheidsuitgaven beheersbaar te houden. Dit hoeft niet per se ten koste te gaan van burgers, aangezien hun behoefte aan zelfredzaamheid en eigen regie in de afgelopen jaren is toegenomen. Tot 2028 kunnen extra defensie-uitgaven buiten het EMU-saldo worden gehouden, in lijn met de escapeclausule van de Europese Commissie. Dit geeft ruimte om de verzorgingsstaat geleidelijk te hervormen, zodat burgers zich daarop kunnen voorbereiden • De grote transities in Nederland kunnen we voorfinancieren via de staatsschuld. Voor het EMU-saldo telt dan alleen de rente op de schuld mee.

Het gaat hier onder meer om het uitkopen van boeren (stikstof), de grootschalige uitbreiding van het elektriciteitsnet (verduurzaming), inhaalinvesteringen in nieuwe schoolgebouwen en investeringen in infrastructuur (ook ten behoeve van veiligheid). De bestaande instellingen worden gebundeld tot één krachtige Nationale Investeringsinstelling. Deze opereert op afstand van de overheid en valt buiten de EMU-schuld. Deze investeringen hebben een meerjarig nut en zijn ook cruciaal voor de noodzakelijke transformaties. Volgens de gulden regel voor overheidsfinanciën moeten lopende uitgaven worden gedekt door lopende inkomsten (een sluitende begroting), terwijl leningen uitsluitend worden ingezet voor investeringen. Dit betekent ook dat het Klimaatfonds en het Groeifonds – waarvoor reeds middelen zijn gereserveerd –worden voortgezet. De rijksoverheid werkt op dit moment – als één van de weinige EU-lidstaten - nog met een kas-verplichtingenstelsel, niet met een baten-lastenstelsel wat meer passend is bij investeren en afschrijven in meerjarig perspectief. Zoals de Algemene Rekenkamer eerder ook al zei, zijn er mogelijkheden om de boekhouding van de rijksoverheid meer op investeringsuitgaven in te richten. Zo dragen we Nederland verantwoord over aan volgende generaties. Voor de reguliere begroting ligt een structureel begrotingsevenwicht als doelstelling in de rede.

Dat pleidooi heeft veel weerklank gekregen in de politiek. De Tweede Kamer heeft een motie aangenomen om in de Miljoenennota een overzicht te geven van de investeringsuitgaven. In de Miljoenennota 2026 was voor het eerst zo’n overzicht gemaakt. Onlangs is over dit onderwerp ook een initiatiefnota gemaakt. CDA en D66 hebben in economenvakblad ESB hun ideeën voor toekomstgericht begrotingsbeleid gepubliceerd. Ten slotte is bij de Algemene Financiële Beschouwingen een motie aangenomen die vraagt om – richting een nieuw kabinet – een lijst op te stellen van noodzakelijke investeringen, uit te werken hoe een beter onderscheid kan worden gemaakt tussen consumptieve en investeringsuitgaven en uit te werken hoe een nationale investeringsbank vorm te geven.

Tekst voor regeerprogramma Kerntekst We gaan investeren in Nederland en kiezen voor toekomstgericht begrotingsbeleid. De investeringen worden helder geprioriteerd, waarbij het vergroten van ons verdienvermogen en de aanpak op stikstof, woningbouw en ons elektriciteitsnetwerk de belangrijkste eerste opgaven zijn. Dit vraagt om een verschuiving van consumptieve naar investeringsuitgaven en het benutten van de ruimte binnen de gewijzigde Europese begrotingsregels. Investeringen die ons verdienvermogen en onze maatschappelijke weerbaarheid versterken, worden verantwoord voorgefinancierd. Sociale uitgaven groeien op termijn niet harder dan de economie, terwijl we toewerken naar structureel begrotingsevenwicht. Zo zorgen we dat Nederland ook voor toekomstige generaties sterk, welvarend en duurzaam blijft. We werken aan de komst van een Nationale Investeringsinstelling en er komt een advies van een technische commissie om stapsgewijs over te stappen naar batenlastenstelsel. Daarnaast zorgen we voor prioritering in de uitgaven om de doelmatigheid van rijksuitgaven te vergroten.

33

Bouwstenen voor een nieuw regeerakkoord

Tekst regeerprogramma We willen investeren in Nederland en maken ons begrotingsbeleid toekomstgericht. We maken onderscheid tussen consumptieve en investeringsuitgaven en benutten de ruimte binnen de gewijzigde Europese begrotingsregels. Investeringen die ons verdienvermogen en onze maatschappelijke weerbaarheid versterken, worden verantwoord voorgefinancierd. Sociale uitgaven groeien op termijn niet harder dan de economie, terwijl we toewerken naar structureel begrotingsevenwicht in 2045. Zo zorgen we dat Nederland ook voor toekomstige generaties sterk, welvarend en duurzaam blijft. Het advies van de ambtelijke studiegroep begrotingsruimte voor begrotingsregels wordt overgenomen, met de volgende aanvullingen of afwijkingen: Hoofdindeling rijksbegroting 1. Conform de brede wens van de Tweede Kamer worden de uitgavenkaders geherformuleerd naar a) investeringsuitgaven b) sociale uitgaven c) openbaar bestuur, rechtsstaat en veiligheid. Onder publieke investeringsuitgaven vallen (sommige) uitgaven voor kennis, innovatie, onderwijs, fysieke, digitale en energie-infrastructuur, gezondheid en preventie, veiligheid en weerbaarheid; mits deze aantoonbare baten in de rijksbegroting realiseren. Alle bestaande begrotingsartikelen worden beoordeeld en onder de nieuwe uitgavenkaders gebracht in de begroting van 2027.

Investeringsuitgaven 1. Eenmalige uitgaven om de transities te voorfinancieren worden via staatsdeelnemingen gerealiseerd of rechtstreeks ten laste van de staatsschuld gebracht. Cf. de Europese begrotingsregels en Eurostat-definities zijn dat financiële transacties die alleen saldorelevant zijn waar het extra rente-uitgaven betreft. Dit geldt in ieder geval voor de uitbreiding van het elektriciteitsnetwerk. 2. Er komt een Nationale Investeringsinstelling (NII) die bestaande instellingen en instrumenten bundelt en bijdraagt aan het versterken van het verdienvermogen. De NII ondersteunt innovatieve bedrijven en grote transities met voldoende kapitaal en fungeert als Nederlands aanspreekpunt bij de EIB. Lopende activiteiten van Invest-NL en Invest International worden in de overgangsperiode voortgezet. 3. Onder strikte voorwaarden kunnen baten van investeringsuitgaven, voor zover deze neerslaan in de overheidsbegroting, worden ingeboekt. Daarbij wordt gebruikgemaakt van relevante expertise: voor het verdienvermogen de Productiviteitsraad, en voor onderzoek, onderwijs en leven lang ontwikkelen, evenals voor fysieke, digitale en energie-infrastructuur, aparte technische commissies die richtlijnen opstellen (vergelijkbaar met de Commissie Richtlijn Gezondheidseffecten).

Het ministerie van Financiën en het CPB – dat namens Nederland de overheidsfinanciën rapporteert aan de Europese Commissie – verwerken deze baten vervolgens in de rijksbegroting. 4. Tot dusverre worden in de huidige begrotingssystematiek van het rijk alleen de kosten van investeringen meegenomen, terwijl deze ook tot meerjarige economische en maatschappelijke baten leiden. Er komt een technische commissie die – ook kijkend naar hoe andere EU-lidstaten investeringsuitgaven in hun begroting prioriteren – verbeteringen doorvoert in de huidige begrotingssystematiek die ertoe bijdragen dat investeringen makkelijker van de grond komen, beter beschermd worden in de rijksbegroting en minder incidenteel gefinancierd worden. 5. Nederland doet – in navolging van 16 EU-lidstaten – alsnog een beroep op de national escape clause van de EC waardoor defensie-uitgaven tot 2,75% bbp (het meerdere boven de uitgaven in 2021 die 1,25% bbp waren) buiten het saldo vallen in de periode tot en met 2028. 6. De meevallerformule wordt als volgt: bij een EMU-saldo dat vooruitkijkend meerjarig onder een tekort van -2,25% wordt geraamd, wordt voor 50% voor extra publieke investeringsuitgaven en voor 50% voor lastenverlichting burgers/bedrijven gebruikt. De nieuwe Productiviteitsraad adviseert hoe de extra investeringen het beste bijdragen aan toekomstige welvaart. 7.

De nieuwe Productiviteitsraad (te hernoemen naar Deens model in: Economische Adviesraad) gaat jaarlijks en bij formaties adviseren: hoe kan het verdienvermogen en daarmee toekomstige welvaart verder worden vergroot en tot welke aanpassingen leidt dat; en welke baten worden 34

Bouwstenen voor een nieuw regeerakkoord

hiermee gerealiseerd in de rijksbegroting en per wanneer. Doelmatigheid in rijksuitgaven vergroten 8. In aanvulling op de periodieke beleidsevaluaties worden in de komende vier jaar alle begrotingen onafhankelijk doorgelicht op de vraag hoe dezelfde (of betere) resultaten met minder publieke middelen en/of minder regeldruk kunnen worden gerealiseerd, rekening houdend met good practices uit andere EU-lidstaten (en aanbevelingen van de OECD, EC en IMF aan Nederland). Het kabinet doet vervolgens voorstellen aan de Tweede Kamer hoe deze aanbevelingen te implementeren. 9. Op verzoek van de TK komt er een staatscommissie die zich over de zorg zal buigen. Deze commissie krijgt als opdracht om een integrale visie te ontwikkelen hoe de sociale uitgaven houdbaar georganiseerd worden (in personele, budgettaire en maatschappelijke zin) in een vergrijzende samenleving. De commissie werkt als eerste uit hoe de zorg voor ouderen in de samenleving te organiseren en hoe burgers daarop voor te bereiden. Vervolgens doet zij voorstellen over de volle breedte van de uitgaven voor zorg en welzijn die – met behoud van de solidariteit die ons huidige stelsel kenmerkt – bijdragen aan een duurzaam financieel kader, waarin de sociale uitgaven aan zorg en welzijn op termijn gericht op 2040 niet sneller stijgen dan de structurele groei van het bbp.

35

Bouwstenen voor een nieuw regeerakkoord

De Tweede Kamer t.a.v. Bureau Woordvoering Kabinetsformatie Postbus 20018 2500 EA Den Haag

Datum

20 november 2025 Kenmerk

COS/U202500738 Bijlage

Bouwstenen voor een nieuw regeerakkoord

Gezamenlijke brief namens een brede coalitie van maatschappelijke organisaties en medeoverheden Geachte heer Buma, beste Sybrand,

Nederland staat op een kruispunt. De impasse waarin het land verkeert, raakt mensen, gemeenschappen en bedrijven. Er is behoefte aan perspectief, aan leiderschap dat verbindt en vooruit durft te kijken. Een nieuw kabinet kan die doorbraak brengen. De opgaven waarvoor we staan zijn groot en urgent. Klimaat, energie, wonen, zorg, onderwijs, veiligheid, bestaanszekerheid – het zijn geen losse dossiers, maar verweven transities die vragen om samenhangend beleid. Niet vanuit technocratie en eigenbelang, maar vanuit waarden: rechtvaardigheid, duurzaamheid, gezamenlijkheid en vertrouwen. Ingrijpende besluiten zijn onvermijdelijk en kunnen niet zonder maatschappelijk draagvlak. Wij bieden onze steun aan als bondgenoten in verandering. Als u kiest voor samenwerking, kiest u voor slagkracht. Voor beleid dat landt in de praktijk en gedragen wordt door mensen. We roepen op om de transities van deze tijd te benoemen als systeemveranderingen die vragen om een lange adem, brede samenwerking en mensgericht handelen. Kies voor gedeelde taal en gedeelde doelen. Wij reiken u daarom bouwstenen aan voor een nieuw regeerakkoord. Gesteund door organisaties op onderwerpen waar zij dagelijks aan werken en die aan de door hen gesteunde bouwstenen ook samen uitvoering willen geven. Geen dichtgetimmerd plan, maar een uitnodiging tot gesprek.

Een aanzet tot beleid dat werkt voor mensen, regio’s en sectoren. We gaan daarover graag met u in overleg. De geschiedenis biedt inspiratie. Het akkoord van Wassenaar in 1982 liet zien dat doorbraken mogelijk zijn als belangen worden verbonden en verantwoordelijkheid wordt gedeeld. Ook nu is zo’n afspraak denkbaar en wenselijk. We hebben een aantal doorbraken voor ogen en zijn bereid om met het nieuwe kabinet nieuwe akkoorden over de urgente vragen van dit moment te sluiten. Daarvoor zijn randvoorwaarden nodig: financiering die vanuit de regio’s wordt gedreven, niet topdown vanuit het rijk; een programmatische aanpak die domeinen overstijgt; beleid dat mensgericht, probleemgestuurd en kwalitatief hoogstaand is. Met oplossingen die niet alleen in het hier en nu

Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 Den Haag | Postbus 30435 | 2500 GK Den Haag 070 - 373 83 93 | info@vng.nl | vng.nl

U202500738

PROD

1/2

werken, maar ook voor toekomstige generaties. Alleen dan ontstaat ruimte voor echte verandering. Om de woningbouw te versnellen en het brede bedrijfsleven, inclusief de landbouw, een duurzaam toekomstperspectief te bieden, is het essentieel dat we het stikstofvraagstuk oplossen. Daarbij is het cruciaal te investeren in een robuuste economische en ruimtelijke inrichting die de veerkracht en ontwikkelkracht van Nederland versterkt. Duurzame economische groei vereist vereenvoudiging van regels, hoogwaardig onderwijs en onderzoek. Er zijn keuzes nodig rond arbeidsmigratie, uitvoerbare asielopvang en integratie om de houdbare demografische ontwikkelingen van het scenario ‘gematigde groei’ van de staatscommissie te bewerkstelligen en recht te doen aan de zorgen van veel mensen over migratie. Laat dit moment niet verloren gaan. Kies voor verbinding boven versnippering, voor samenwerking boven sectorale logica, voor vertrouwen boven wantrouwen. Nederland rekent op u. En wij staan klaar om samen met u het verschil te maken.

Met vriendelijke groet, mede namens Ad Melkert, voorzitter Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ) Liesbeth Spies, voorzitter Aedes Ger Koopmans, voorzitter LTO Caspar van den Berg, voorzitter Universiteiten van Nederland Ina Adema, voorzitter Interprovinciaal Overleg Jeroen Haan, voorzitter Unie van Waterschappen Ahmed Aboutaleb, voorzitter Jeugdzorg Nederland Lotte Prins, voorzitter Nationale Jeugdraad (NJR) Mohamed el Mokaddem, voorzitter Cedris Henk Hagoort, voorzitter VO-raad Freddy Weima, voorzitter PO-raad Cindy Kremer, algemeen directeur Vereniging Eigen Huis Bianca Buurman, voorzitter Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland Adnan Tekin, voorzitter MBO-raad Wim Wensing, voorzitter Vereniging van Institutionele Beleggers in Vastgoed (IVBN) Ruth Peetoom, voorzitter De Nederlandse ggz Lex Staal, directeur-bestuurder Sociaal Werk Nederland Maurice Limmen, voorzitter Vereniging Hogescholen Pieter Litjens, voorzitter Vewin André Rouvoet, voorzitter GGD GHOR Boris van der Ham, voorzitter Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN) Anneke Westerlaken, voorzitter ActiZ Jan Kamminga, voorzitter Stichting Professioneel Platform Vastgoed Erwin Lots, bestuurslid Associatie Wijkteams Mieke Damsma, voorzitter Landelijke Vereniging voor Kleine Kernen (LVKK) Karen Strengers, voorzitter Branchevereniging Maatschappelijke Kinderopvang Victor Everhardt, voorzitter Divosa

Sharon Dijksma, voorzitter Vereniging van Nederlandse Gemeenten

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

2/2

Aan de leden

Datum

9 december 2025 Ons kenmerk

U202500792 Lbr. 25/062 Telefoon

070 373 83 93 Bijlage(n)

4

Onderwerp Wijziging Model Verordening rechtspositie raads- en commissieleden en Model Regeling rechtspositie burgemeester en wethouder

Geachte leden van college en gemeenteraad, Met deze ledenbrief informeren wij u over de geactualiseerde versies van de Model Verordening rechtspositie raads- en commissieleden en de Model Regeling rechtspositie burgemeester en wethouder. Aanleiding Het rijk actualiseert jaarlijks het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de onderliggende Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers om bedragen te indexeren en inhoudelijke wijzigingen door te voeren. Daarnaast zijn in de afgelopen periode enkele circulaires verschenen die invloed hebben op de bepalingen over scholing, informatie- en communicatievoorzieningen en declaratie van onkosten. De VNG heeft deze wijzigingen verwerkt in de modelverordening en -regeling en de toelichtingen hierop geactualiseerd. Daarnaast zijn de modellen redactioneel en fiscaaltechnisch herzien voor een betere aansluiting op de gemeentelijke praktijk. Ook heeft de projectgroep Duidelijke Overheidscommunicatie de modellen herschreven voor betere leesbaarheid en begrijpelijke taal. We adviseren u deze wijzigingen in uw eigen Verordening en Regeling over te nemen. Wijzigingen De wijzigingen in beide modellen zijn hieronder kort opgesomd.

Wijzigingen in beide modellen (zowel de Verordening als Regeling) • Het is nu expliciet vastgelegd dat overname van ICT-middelen na schoning mogelijk is tegen vergoeding van de resterende waarde in het economisch verkeer. Deze bepaling sluit aan op de actuele fiscale richtlijnen en de Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO); • Beide modellen verduidelijken dat bij forfaitaire vergoedingen geen bewijsstukken hoeven te worden overgelegd;

Vereniging van Nederlandse Gemeenten Nassaulaan 12 Den Haag | Postbus 30435 | 2500 GK Den Haag 070 - 373 83 93 | info@vng.nl | vng.nl

1/2

• •

•

De bepaling over niet-partijpolitieke scholing is uitgebreid met voorwaarden over prijskwaliteitverhouding, overeenkomstig artikel 3.3.3 Rechtspositiebesluit; De bepalingen over de aanwijzing van vergoedingen als eindheffingsbestanddeel onder de Wet op de loonbelasting 1964 zijn geactualiseerd en afgestemd op de actuele werkkostenregeling; De bepalingen over indiening en betaling van declaraties zijn verduidelijkt en op onderdelen dynamisch gemaakt (aanduiding van percentages in plaats van vaste bedragen);

Aanvullende wijzigingen Model Verordening rechtspositie raads- en commissieleden • Het artikel is geactualiseerd naar aanleiding van de invoering van artikel 3.1.4a van het Rechtspositiebesluit (toelage voor voorzitterschap ‘zware’ commissies); • In artikel 4 is de bepaling over niet-partijpolitieke scholing verduidelijkt: alleen functiegerichte scholing komt voor vergoeding in aanmerking, met aandacht voor redelijke prijs-kwaliteitverhouding en uitsluiting van dubbele vergoedingen; Aanvullende wijzigingen Model Regeling rechtspositie burgemeester en wethouder • De regeling verduidelijkt de procedurele verantwoordelijkheid van het college bij de uitvoering van individuele verzoeken, zoals scholing en ICT-voorzieningen; • De bepaling over niet-partijpolitieke scholing is aangescherpt: aanvragen verlopen via de gemeentesecretaris en worden door het college getoetst binnen de kaders uit het Rechtspositiebesluit; Bijlagen Deze ledenbrief bevat vier bijlagen: Bijlage 1. Model Verordening rechtspositie raads- en commissieleden Bijlage 2. Model Regeling rechtspositie burgemeester en wethouder Bijlage 3. Toelichting Model Verordening rechtspositie raads- en commissieleden Bijlage 4.

Toelichting Model Regeling rechtspositie burgemeester en wethouder Informatie De geconsolideerde teksten van de VNG-modellen (met de bijbehorende toelichtingen) zijn te raadplegen via de Kennisbank Decentrale Regelgeving. De VNG-modelverordeningen (zonder de toelichtingen) staan ook in Modellen Decentrale Regelgeving. Vragen Voor vragen over deze ledenbrief kunt u terecht bij het Klantcontactcentrum van de VNG (070-3738393 of info@vng.nl).

Met vriendelijke groet, Vereniging van Nederlandse Gemeenten

dr. mr. L.K. Geluk Algemeen directeur

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

2/2

Model Verordening rechtspositie raads- en commissieleden Leeswijzer modelbepalingen -

[…] of (bijvoorbeeld) [tijdstip] = door gemeente in te vullen, zie bijvoorbeeld artikel 3 lid 1.

-

[iets] = facultatief, zie bijvoorbeeld artikel 2.

-

[(iets)] = een duiding ter illustratie of uitleg voor gemeente, zie bijvoorbeeld artikel 3 lid 1.

Combinaties zijn ook mogelijk.

De raad van de gemeente [naam gemeente] gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van [datum en nummer]; gelet op de artikelen 95, eerste en tweede lid, 96, eerste en tweede lid, en 97, 98, 99 van de Gemeentewet en de artikelen 3.1.1, vijfde lid, 3.1.3, eerste lid, 3.1.4, eerste lid, artikel 3.1.4a, eerste lid, 3.1.8, eerste lid, 3.1.9, eerste lid, 3.3.2, 3.3.3, tweede lid, 3.4.1, eerste lid, en 3.4.2 en 3.3.8 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers; gezien het advies van [naam commissie]; besluit vast te stellen de volgende verordening: Verordening rechtspositie raads- en commissieleden [naam gemeente].

[Artikel 1. Vergoeding voor de werkzaamheden van raadsleden Van de vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, wordt [percentage (maximaal 20%)] uitgekeerd op basis van het aantal bijgewoonde raadsvergaderingen ten opzichte van het aantal gehouden vergaderingen.]

Artikel 2. Toelage raadslid onderzoekscommissie [en bijzondere commissie] 1. Een raadslid dat lid is van een onderzoekscommissie als bedoeld in artikel 155a, derde lid, van de Gemeentewet ontvangt een maandelijkse toelage van [bedrag] zolang de commissie actief is. (De toelage is per jaar maximaal driemaal de maandelijkse vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers.) 2. Een raadslid dat lid is van een bijzondere commissie als bedoeld in artikel 3.1.4, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers ontvangt een maandelijkse toelage van maximaal [percentage] procent van het bedrag genoemd in artikel 3.1.4, eerste lid, zolang de commissie actief is.

3. Een raadslid dat voorzitter is van een commissie als bedoeld in artikel 3.1.4a, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, ontvangt een maandelijkse toelage van maximaal [percentage] procent van het bedrag genoemd in artikel 3.1.4, eerste lid, zolang de commissie actief is. [4. Raadsleden die roulerend voorzitter zijn in één commissie als bedoeld in artikel 3.1.4a, eerste lid,

van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, ontvangen ieder een maandelijkse toelage van maximaal [percentage] procent van het bedrag genoemd in artikel 3.1.4, eerste lid, per persoon, zolang de commissie actief is.]

Artikel 3. Verhoging vergoeding commissieleden (niet-raadsleden) voor het bijwonen van commissievergaderingen i.v.m. bijzondere deskundigheid of zwaarte taak 1. Een commissielid krijgt een verhoogde vergoeding van [percentage (bijvoorbeeld 10 %)] bovenop de vergoeding van artikel 3.4.1, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, als het commissielid op grond van zijn bijzondere beroepsmatige deskundigheid deelneemt. 2. Een commissielid krijgt een verhoogde vergoeding van [percentage (bijvoorbeeld 10 %)] bovenop de vergoeding van artikel 3.4.1, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, als de vergoeding van artikel 3.4.1, eerste lid niet redelijk wordt geacht ten opzichte van de zwaarte van zijn taak en/of de omvang van de werkzaamheden.

Artikel 4. Niet-partijpolitiek georiënteerde scholing raads- en commissieleden 1. Een raads- of commissielid dat een vergoeding wil ontvangen in verband met het deelnemen aan niet-partijpolitiek georiënteerde scholing voor de uitvoering van zijn functie, zoals bedoeld in artikel 3.3.3 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, dient daarvoor vooraf een gemotiveerd verzoek in [bij het [presidium OF seniorenconvent]] via de griffier. 2. Bij dit verzoek worden documenten (papier of digitaal) met de benodigde inhoudelijke informatie meegestuurd. Ook wordt een kostenspecificatie meegestuurd waaruit blijkt dat de prijskwaliteitverhouding van de desbetreffende scholing redelijk is, en dat de kosten ervan niet al op een andere basis kunnen worden betaald. [3. De maximale vergoeding voor de scholing bedraagt:

a. b.

€ [bedrag] per jaar per raadslid; € [bedrag] per jaar per commissielid.

Artikel 5. Informatie- en communicatievoorzieningen 1. Een raads- of commissielid tekent, zolang hij actief is in zijn functie, een bruikleenovereenkomst voor de informatie- en communicatievoorzieningen die ter beschikking zijn gesteld. Het gaat hier om de informatie- en communicatievoorzieningen zoals bedoeld in artikel 3.3.2 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. Het college stelt het model van de bruikleenovereenkomst vast. 2. Een raads- of commissielid levert [termijn (bijvoorbeeld 6 weken / twee maanden)] na beëindiging van zijn functie, de ter beschikking gestelde informatie- en communicatievoorzieningen in bij de gemeente.

3. Overname van de informatie- en communicatievoorzieningen is mogelijk na schoning en tegen vergoeding van de resterende waarde van de voorzieningen in het economisch verkeer.

Artikel 6. Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel 1. Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen, genoemd in artikel 3.3.8 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. 2. Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden verder aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen, genoemd in deze verordening, voor zover deze worden gerekend tot een vergoeding, tegemoetkoming of verstrekking als bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdelen a tot en met h, van de Wet op de Loonbelasting 1964.

Artikel 7. Betaling vaste vergoedingen De betaling van de vergoeding van commissieleden, bedoeld in artikel 3.4.1 het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers vindt [termijn (bijvoorbeeld maandelijks)] plaats met inachtneming van een vergoeding per bijgewoonde vergadering, tenzij het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers of de Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers anders bepalen.

Artikel 8. Betaling en declaratie van onkosten 1. Tenzij het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers of de Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers anders bepalen, vindt de betaling van kosten die op grond van deze verordening voor vergoeding of tegemoetkoming in aanmerking komen plaats door: a. betaling uit gemeentelijke middelen, op basis van een rechtstreeks aan de gemeente toegezonden factuur; b. betaling vooruit uit eigen middelen; of c. betaling ten laste van de gemeentelijke creditcard. 2. Een verzoek om een vergoeding van de onkosten als bedoeld in dit artikel gaat vergezeld van een declaratieformulier en bewijsstukken. Het vereiste om bewijsstukken te overleggen geldt niet wanneer de vergoeding een forfaitair bedrag betreft. 3. Het declaratieformulier en de bewijsstukken worden binnen [termijn] na factuurdatum of betaling door raads- of commissieleden ingediend via de griffier. 4. Voor zover van toepassing draagt de gemeente er zorg voor dat de betaling aan raads- of commissieleden binnen [termijn] na het indienen van de aanvraag wordt overgemaakt.

Artikel 9. Titel en inwerkingtreding 1. Deze verordening word aangehaald als: Verordening rechtspositie raads- en commissieleden [naam gemeente] en treedt in werking met ingang van [de dag na de datum van publicatie van het Gemeenteblad waarin deze regeling wordt geplaatst].

2. De [citeertitel verordening (Verordening rechtspositie Raads- en commissieleden 2019)] wordt ingetrokken.

Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van de gemeente [naam gemeente], [datum], De voorzitter, De griffier,

Model Regeling rechtspositie burgemeester en wethouder Leeswijzer modelbepalingen -

[…] of (bijvoorbeeld) [tijdstip] = door gemeente in te vullen, zie bijvoorbeeld de aanhef.

-

[iets] = facultatief.

-

[(iets)] = een duiding ter illustratie of uitleg voor gemeente.

Combinaties zijn ook mogelijk. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [naam gemeente], gelezen het voorstel van [datum en nummer]; gelet op de artikelen 44 en 66 van de Gemeentewet en [de ]artikel[en] [3.2.10], 3.3.2, 3.3.3, tweede lid en 3.3.8 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en artikel 3.8 van de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers; gezien het advies van [naam commissie]; besluit nadere regels vast te stellen: Regeling rechtspositie burgemeester en wethouder [naam gemeente].

Artikel 1. Nadere regels niet-partijpolitiek georiënteerde scholing 1. De burgemeester of de wethouder die een vergoeding wil ontvangen in verband met de deelname aan niet-partijpolitiek georiënteerde scholing voor de uitvoering van zijn functie (zoals bedoeld in artikel 3.3.3 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, dient vooraf een gemotiveerde aanvraag in bij de gemeentesecretaris. 2. Bij dit verzoek worden documenten (papier of digitaal) met de benodigde inhoudelijke informatie meegestuurd. Ook wordt een kostenspecificatie meegestuurd waaruit blijkt dat de prijskwaliteitverhouding van de desbetreffende scholing redelijk is, en dat de kosten ervan niet al op een andere basis kunnen worden betaald. [3. De maximale vergoeding van de scholing bedraagt:

a. b.

€ [bedrag] per jaar voor de wethouder; € [bedrag] per jaar voor de burgemeester.

4. Het verzoek wordt uitgevoerd nadat het is getoetst aan de kaders van deze regeling, het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers.]

Artikel 2. Informatie- en communicatievoorzieningen 1. De burgemeester of de wethouder tekent een bruikleenovereenkomst wanneer hem ten laste van de gemeente voor de duur van de uitoefening van zijn functie informatie- en communicatievoorzieningen ter beschikking worden gesteld als bedoeld in artikel 3.3.2 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. 2. De burgemeester of de wethouder levert na beëindiging van zijn functie de ter beschikking gestelde informatie- en communicatievoorzieningen in bij de gemeente. Overname van de informatie- en communicatievoorzieningen na schoning is mogelijk tegen vergoeding van de resterende waarde van de voorzieningen in het economisch verkeer.

Artikel 3. Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel 1. Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen, genoemd in artikel 3.3.8 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. 2. Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden verder aangewezen de vergoedingen, tegemoetkomingen en verstrekkingen, genoemd in deze regeling, voor zover deze worden gerekend tot een vergoeding, tegemoetkoming of verstrekking als bedoeld in artikel 31a, tweede lid, onderdelen a tot en met h, van de Wet op de Loonbelasting 1964.

Artikel 4. Betaling en declaratie van onkosten 1. Tenzij het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers of de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers anders bepalen, vindt de betaling van onkosten die op grond van deze regeling voor vergoeding of tegemoetkoming in aanmerking komen plaats door: a.

betaling uit gemeentelijke middelen, op basis van een rechtstreeks aan de gemeente toegezonden factuur;

b.

betaling vooruit uit eigen middelen; of

c.

betaling ten laste van de gemeentelijke creditcard.

2. Een verzoek om een vergoeding van de onkosten als bedoeld in dit artikel gaat vergezeld van een declaratieformulier en bewijsstukken. Het vereiste om bewijsstukken over te leggen geldt niet wanneer de vergoeding een forfaitair bedrag betreft. 3. Het declaratieformulier en de bewijsstukken worden binnen [termijn] na factuurdatum of betaling door de burgemeester of wethouder ingediend bij de gemeentesecretaris. 4. Voor zover van toepassing draagt de gemeente er zorg voor dat de betaling aan burgemeester of wethouder binnen [termijn] na het indienen van de aanvraag wordt overgemaakt.

Artikel 5. Titel en inwerkingtreding 1. Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling rechtspositie burgemeester en wethouder [naam gemeente] en treedt in werking met ingang van [de dag na de datum van publicatie van het Gemeenteblad waarin deze regeling wordt geplaatst]. 2. De regeling rechtspositie burgemeester en wethouder [naam gemeente en eventueel jaartal] wordt ingetrokken.

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [naam gemeente], [datum], De burgemeester, De secretaris,

Toelichting Modelregeling rechtspositie burgemeester en wethouder NB: Deze toelichting is geschreven met de (mogelijke) keuzes die in deze modelregeling gemaakt zijn in gedachten. Als een individuele gemeente op punten andere keuzes maakt, dan sluit deze toelichting mogelijk niet aan. Wel kan ze uiteraard als basis dienen voor een door de gemeente zelf op te stellen toelichting. Voor een goed beeld dient deze modelregeling in samenhang met de hierbij behorende ledenbrief gelezen te worden.

ALGEMEEN DEEL Wettelijke regelingen In de wet en nadere regelgeving zijn alle van belang zijnde onderwerpen geregeld betreffende de rechtspositie van gemeentelijke politieke ambtsdragers. In de Gemeentewet is aangegeven dat de nadere invulling van de rechtspositie van burgemeesters en wethouders alsmede de financiële voorzieningen moet worden geregeld bij of krachtens de wet (AMvB en ministeriële regeling). Deze nader regeling is vastgelegd in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. In de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers zijn de (onkosten)vergoedingen nader uitgewerkt.

College verantwoordelijk voor uitvoering Een belangrijke noot betreft de uitvoering van het Rechtspositiebesluit, de Rechtspositieregeling en deze regeling. Steeds vaker zijn onderwerpen als scholing, preventieve beveiligingsmaatregelen en andere vergoedingen van individuele politieke ambtsdragers onderwerp van gesprek. Het is niet de bedoeling individuele verzoeken te agenderen en te bespreken in raads- en collegevergaderingen. Als een verzoek voldoet aan deze regeling en de centraal gestelde kaders uit het Rechtspositiebesluit en de Rechtspositieregeling, dan wordt het verzoek uitgevoerd. Het college is verantwoordelijk voor de toetsing aan de kaders en de uitvoering. Ook het college is dus niet bevoegd om uitzonderingen of beperkingen op te leggen bij individuele verzoeken. In paragraaf 3.1 van de circulaire Wijzigingen in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers voor gemeenten wordt hier uitgebreid bij stilgestaan.

Dynamische regels Tijdens deze herzieningsronde is de regeling op enkele punten dynamisch gemaakt. In bepaalde artikelen zie je tussen blokhaken het woord ‘percentage’ in plaats van bedrag. Als de gemeente het maximale bedrag uit het Rechtspositiebesluit hanteert, kan hier dus 100% worden ingevuld. Als het bedrag wordt geïndexeerd, hoeft de regeling niet te worden aangepast. Uiteraard is het niet verplicht dit over te nemen. Indien uw gemeente liever bedragen opneemt in de regeling, attenderen wij u op de aanpassing daarvan bij indexatie van bedragen.

Hoofdlijnen gemeentelijke regeling In deze regeling zijn alleen bepalingen opgenomen inzake de rechtspositie van burgemeesters en wethouders zover die niet dwingend geregeld zijn in hogere wet- en regelgeving. De grondslag hiervoor is te vinden in de Gemeentewet en het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers. Bij de laatste moderniserings- en harmoniseringsoperatie (Staatsblad 15 oktober 2018) betreffende de rechtspositiebesluiten voor decentrale politieke ambtsdragers zijn er wederom een aantal bepalingen imperatief in hogere wet- en regelgeving vastgelegd. De overweging hierbij is dat het bestuurlijk wenselijk is om de voorzieningen zoals vergoedingen, tegemoetkomingen en andere rechtspositionele aanspraken voor decentrale politieke ambtsdragers dwingendrechtelijk in hogere wet- en regelgeving vast te leggen om politieke discussies te voorkomen. Dit betekent dat er voor gemeenten minder ruimte is om lokaal van wettelijke regelingen af te wijken. Wel kunnen er nadere regels gesteld worden. Indien een gemeente besluit om nadere regels te stellen, zijn een aantal regels van belang. Het ministerie van BZK publiceert jaarlijks circulaires waarin artikelen uit het Rechtspositiebesluit en de onderliggende Regeling wijzigen. Deze wijzigingen kunnen van invloed zijn op de gemeentelijke regeling.

In artikel 44 en 66 Gemeentewet is bepaald dat ‘buiten hetgeen bij of krachtens de wet is toegekend’, de burgemeester en wethouders als zodanig geen andere vergoedingen en tegemoetkomingen ten laste van de gemeente ontvangen. Deze regeling is een (nadere) uitwerking van de gestelde regels van de bij of krachtens de wet toegekende vergoedingen en tegemoetkomingen voor de burgemeesters en wethouders.

De arbeidsverhoudingen en fiscale positie Burgemeesters en wethouders zijn niet in dienstbetrekking bij de gemeente, maar wel benoemd. De gemeente is dus niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij niet vallen onder de werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet (WW), Ziektewet (ZW) en de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). Omdat burgemeesters en wethouders wél ambtenaar in formele zin zijn, worden zij fiscaal behandeld als ware zij actief in dienstbetrekking door de Wet op de loonbelasting 1964. Er wordt daarom op de bezoldiging van burgemeesters en wethouders ook loonheffingen ingehouden. De Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) is van toepassing op wethouders en burgemeesters. De burgemeester volgt de pensioenaanspraken van de ABP-Pensioenregeling.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Artikel 1. Nadere regels niet-partijpolitiek georiënteerde scholing Voor burgemeesters en wethouders is expliciet bepaald dat de kosten voor niet-partijpolitiek georiënteerde functionele scholing, zoals deelname aan congressen en opleidingen, ten laste kunnen worden gebracht van de gemeente. Partijpolitieke scholing komt niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking. De inhoud van de scholing is bepalend of deze al dan niet partijpolitiek georiënteerd is.

Wanneer scholing verzorgd wordt door een politieke partij betekent dat niet automatisch dat die scholing partijpolitiek georiënteerd is. Om in aanmerking te komen voor vergoeding van de scholingskosten, moet gemotiveerd worden dat het gaat om functiegerichte scholing. Scholing is functiegericht als zij beoogt de voor de functie benodigde vakkennis en vaardigheden te verwerven dan wel actueel te houden. Scholing is partijpolitiek georiënteerd als zij geheel of gedeeltelijk tot doel heeft betrokkene op te leiden in het gedachtegoed van de desbetreffende partij. Overigens kan de gemeente ook zelf dit soort scholing (laten) verzorgen. Ook die lasten komen ten laste van de gemeente. Er is ruimte voor lokale accenten. Op grond van artikel 3.3.3 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, tweede lid kan het college nadere regels stellen voor de eigen scholing. Deze nadere regels kunnen bijvoorbeeld in een scholingsplan komen te staan. In dit plan kunnen procedureregels voor individuele scholingsverzoeken worden opgenomen als ook regels over de hoogte van de tegemoetkoming. Dit plan kan vervolgens als handvat dienen bij toetsing van individuele scholingsaanvragen. Het beoordelen of fiatteren van scholingsaanvragen is de verantwoordelijkheid van het college. De gemeentesecretaris kan worden gemandateerd hiervoor. Het Rechtspositiebesluit is op twee onderdelen aangevuld.

Ten eerste is prijs-kwaliteitverhouding van de scholing als voorwaarde toegevoegd om de kosten redelijk te houden. Daarnaast moeten de kosten niet al uit anderen hoofde worden vergoed. Verder is in artikel 3.3.3 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, derde lid een koppeling gemaakt met artikel 3.1.7 onderscheidenlijk 3.2.9 om, als daar redelijkerwijs aanleiding voor is, reis- en verblijfkosten in het kader van de scholing te vergoeden ten laste van de gemeente.

Artikel 2. Informatie en communicatievoorzieningen Het college van burgemeester en wethouders stelt ten laste van de gemeente aan een wethouder of de burgemeester voor de duur van de uitoefening van zijn functie de noodzakelijke informatie- en communicatievoorzieningen ter beschikking op grond van een bruikleenovereenkomst. Onder informatieen communicatievoorzieningen wordt ook verstaan een smartphone een computer en de daarbij behorende (internet)abonnementen. Een computer is een desktop, een tabletcomputer of een laptop. Er mag slechts één computer verstrekt worden. De gemeente verstrekt informatie- en communicatievoorzieningen in bruikleen aan de politieke ambtsdrager, omdat dit noodzakelijk gereedschap is voor het vervullen van de politieke functie. Het fiscale noodzakelijkheidscriterium vereist dat dit digitale gereedschap bij aftreden of ontslag weer door de ambtsdrager wordt ingeleverd bij de gemeente. Hiervoor wordt een redelijk termijn (bijvoorbeeld een termijn tussen de 6 en 8 weken) afgesproken. De gemeente draagt zorg voor het schonen van dit ICTmiddel en het al dan niet beschikbaar stellen voor hergebruik. Als hergebruik niet aan de orde is, kan de gemeente ambtsdragers de mogelijkheid bieden het ICT-middel over te nemen. Dit overnemen is dus geen recht van de ambtsdrager, maar het gevolg van een keuze van de gemeente.

In dit geval is er bereidheid het ICT-middel af te stoten. Een circulaire vereist in dat geval dat de gemeente ervoor zorgt dat het ICTmiddel door of namens de gemeente is geschoond met speciale software (conform Baseline

Informatiebeveiliging Overheid (BIO)).1 Verder dient de politieke ambtsdrager voor het overnemen van het ICT-middel op grond van de circulaire een vergoeding te betalen. Deze vergoeding dient gelijk te zijn aan de resterende waarde van het ICT-middel in het economisch verkeer.

Artikel 3. Aanwijzing als eindheffingsbestanddeel In het kader van de werkkostenregeling op grond van artikel 31 Wet op de Loonbelasting 1964 zijn een aantal vergoedingen in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en in deze regeling aangewezen als eindheffingsbestanddeel. De gemeente draagt in dat geval de loonbelasting, waardoor de vergoeding belastingvrij (netto) aan een burgemeester of wethouder kan worden overgemaakt. Anders worden deze door de Belastingdienst als loon gezien en moet hierover bij de bestuurder loonbelasting worden ingehouden. In het kader van de werkkostenregeling kan in de financiële administratie worden aangegeven of een verstrekking of vergoeding onder de gerichte vrijstellingen, intermediaire kosten of onder de nihil-waarderingen valt. Gemeenten mogen daarnaast een verstrekking of vergoeding in de vrije ruimte - tot 1,2% fiscale loonsom - onderbrengen zonder fiscale consequenties. Indien de grens van 1,2% wordt overschreden, zal de gemeente 80% eindheffing moeten betalen. Op de website van de VNG treft u advies over de vrije ruimte.

Artikel 4. Betaling en declaratie van onkosten Het Rechtspositiebesluit en Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers regelen op welk moment vergoedingen en onkosten betaald worden aan burgemeesters en wethouders. Daar waar geen expliciete termijn is genoemd, kan dit artikel uitkomst bieden. De betaling van onkosten kan worden voorgeschoten uit eigen middelen, later gedeclareerd worden of de factuur wordt rechtstreeks naar de gemeente verstuurd. Hierbij gaat de voorkeur uit naar rechtstreeks facturering bij de gemeente. Het verdient aanbeveling dat het college een formulier vaststelt waarmee burgemeester en wethouders gemaakte onkosten kunnen verantwoorden. Burgemeester en de wethouders declareren hun onkosten bij de gemeentesecretaris en dienen daarbij bewijsstukken te verstrekken. Het vereiste om bewijsstukken te verstrekken geldt niet wanneer de vergoeding een forfaitair bedrag betreft. 2

1 Circulaire “overname ICT na ambtstermijn decentrale politieke ambtsdragers” 2022-0000173050, 29 maart 2022. 2 Circulaire Introductie bij gemeenten van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers (

2018, 68918) p.8.

Stcrt. 7 december

Toelichting Model Verordening rechtspositie raads- en commissieleden Let op: Deze toelichting hoort bij de (mogelijke) keuzes die in de modelverordening zijn gemaakt. Als een individuele gemeente andere keuzes maakt, past deze toelichting misschien niet precies. Wel kan deze toelichting worden gebruikt als basis een door de gemeente zelf geschreven toelichting. Lees deze modelverordening samen met de hierbij behorende ledenbrief voor een volledig beeld.

ALGEMEEN DEEL Wettelijke regelingen In de wet en nadere regelgeving zijn alle belangrijke onderwerpen over de rechtspositie van gemeentelijke politieke ambtsdragers opgeschreven. In de Gemeentewet staat dat de precieze afspraken over de rechten en plichten en de financiële afspraken van raads- en commissieleden moet worden opgeschreven bij of krachtens de wet (AMvB en ministeriële regeling). Die precieze uitwerking staat in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers. In de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers zijn de regels over (onkosten)vergoedingen verder opgeschreven.

Dynamische regels Tijdens deze herzieningsronde is de verordening op enkele punten dynamisch gemaakt. In bepaalde artikelen zie je tussen blokhaken het woord ‘percentage’ in plaats van bedrag. Als de gemeente het maximale bedrag uit het Rechtspositiebesluit hanteert, kan hier dus 100% worden ingevuld. Als het bedrag wordt geïndexeerd, hoeft de verordening niet te worden aangepast. Uiteraard is het niet verplicht dit over te nemen. Indien uw gemeente liever bedragen opneemt in de verordening, attenderen wij u op de aanpassing daarvan bij indexatie van bedragen.

Hoofdlijnen gemeentelijke verordening In deze verordening staan alleen regels over de rechtspositie van raadsleden en leden van gemeentelijke commissies in het geval zij niet al hiertoe worden verplicht door hogere wet- en regelgeving. Dit volgt uit de Gemeentewet het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers en de Rechtspositieregeling decentrale politieke ambtsdragers. Bij de laatste moderniserings- en harmoniseringsoperatie (Staatsblad 15 oktober 2018) over, de rechtspositiebesluiten voor decentrale politieke ambtsdragers zijn er opnieuw een aantal bepalingen imperatief in hogere wet- en regelgeving vastgelegd. De reden hiervan is het voorkomen van politieke discussies over voorzieningen zoals vergoedingen, tegemoetkomingen en andere rechtspositionele aanspraken voor decentrale politieke ambtsdragers. Dit betekent dat er voor gemeenten minder ruimte is om door middel van een verordening af te wijken. Het ministerie van BZK publiceert jaarlijks circulaires waarin artikelen uit het Rechtspositiebesluit en de onderliggende Regeling wijzigen. Deze wijzigingen kunnen van invloed zijn op de gemeentelijke verordening. Indien een gemeente besluit om bij verordening voorzieningen voor politieke ambtsdragers te regelen, zijn een aantal regels van belang.

In artikel 99 Gemeentewet is bepaald dat ’buiten hetgeen hun bij of krachtens de wet is toegekend’, de leden van de raad en/of door de raad ingestelde commissie (in de zin van artikel 82, 83 of 84 Gemeentewet) als zodanig geen andere vergoedingen en

tegemoetkomingen ten laste van de gemeente ontvangen. Deze verordening vormt een (verdere) uitwerking van de bij of krachtens de wet toegekende vergoedingen en tegemoetkomingen.

De arbeidsverhoudingen en fiscale positie Raads- en commissieleden zijn niet in dienst van de gemeente. De gemeente is dus niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het betreft het raadslidmaatschap niet vallen onder de werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet (WW), Ziektewet (ZW) en de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). Omdat er geen sprake is van een dienstbetrekking vallen raadsen commissieleden niet onder de Wet op de loonbelasting 1964 maar worden hun inkomsten belast in de Wet inkomstenbelasting 2001. Wel kunnen raads- en commissieleden kiezen voor de loonbelasting als voorheffing door samen met de gemeente te kiezen voor het fictief werknemerschap, het zogenaamde opting-in. Het fictief werknemerschap kan worden aangevraagd met behulp van een opting-in verklaring bij de Belastingdienst. Als de raads- en commissieleden en de gemeente niet kiezen voor het fictief werknemerschap, dan moeten de onkostenvergoedingen en raadsvergoeding als inkomsten worden gezien en mogen de (beroeps)kosten die worden gemaakt worden afgetrokken. Het resultaat zal het raads- of commissielid moeten opgeven in de aangifte inkomstenbelasting, onder de post inkomsten uit overige werkzaamheden.

De gemeente dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen voor de raads- en commissieleden die niet als fictief werknemerschap te kwalificeren zijn op grond van deze verordening aan de Belastingdienst door te geven middels een formulier IB-47. Omdat raads- en commissieleden persoonlijk worden gekozen, worden zij niet gezien als (fiscaal) ondernemer. Daarom hoeft er geen VAR-verklaring of/Modelovereenkomst ZZP overgelegd te worden aan de gemeente. De Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Appa) geldt niet voor raads- en commissieleden.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING [Artikel 1. Vergoeding voor de werkzaamheden van raadsleden Raadsleden krijgen een vaste vergoeding. Hoeveel dat is, hangt af van het aantal inwoners van de gemeente (de inwonersklasse). Vanaf de dag van beëdiging hebben de raadsleden recht op de vergoedingen die bij hun functie horen. Wat betreft de vergoeding voor de werkzaamheden is dit geregeld in artikel 3.1.1, eerste lid van het Rechtspositiebesluit. De gemeenteraad kan op basis van het zesde lid van artikel 3.1.1 bij verordening bepalen dat een deel van de vergoeding wordt uitbetaald als presentiegeld. Dit kan maximaal 20% van de vergoeding zijn. In een dergelijke verordening mag geen onderscheid worden gemaakt tussen de raadsleden: een presentievergoeding geldt dan voor alle raadsleden. Deze bepaling kan bijvoorbeeld worden gebruikt bij spookleden. Spookleden zijn volksvertegenwoordigers die wel zijn gekozen, maar die niet of nauwelijks aanwezig zijn bij de vergaderingen of activiteiten van de desbetreffende gemeenteraad. Het raadslid kan de vergoeding niet weigeren en de gemeente is verplicht de raadsvergoeding over te maken naar de bankrekening van het raadslid. Het raadslid mag zelf ervoor kiezen om (een deel) van de raadsvergoeding aan de eigen politieke partij te geven, maar dit is niet verplicht.

Het is ook niet toegestaan om af te spreken dat de vergoeding direct naar de partij gaat (bijvoorbeeld met een akte van cessie). De reden hiervoor is dat het raadslid een onafhankelijke positie heeft en niet financieel afhankelijk mag zijn van de politieke partij.]

Artikel 2. Toelage raadslid onderzoekscommissie [en bijzondere commissie] Dit artikel gaat over de toelagen (extra vergoedingen) voor de raadsleden die lid zijn van zogenaamde ‘zware commissies’. Dit geldt voor de vertrouwenscommissie en de onderzoekscommissie, zoals deze in de Gemeentewet zijn genoemd. Let op: de rekenkamerfunctie kan op basis van de Gemeentewet niet meer worden gecombineerd met het raadslidmaatschap. Zo'n bijzondere commissie, met deze financiële gevolgen, moet bij verordening worden vastgesteld. Daarbij moet worden aangegeven dat het lidmaatschap van deze commissies duidelijk extra werk (meerwerk) is naast het gewone lidmaatschap van de gemeenteraad. De hoogte van de toelage voor het werk in de eerdergenoemde zware commissies is anders voor de vertrouwenscommissie dan voor de onderzoekscommissie. Voor de toelage van een lid van de vertrouwenscommissie geldt een vast bedrag per maand. Dit bedrag is belast en staat in artikel 3.1.2. van het Rechtspositiebesluit. Voor de toelage van een lid van een bijzondere commissie geldt het bedrag genoemd in artikel 3.1.4, eerste lid, per maand voor de periode dat de commissie actief is. Het bedrag wordt berekend in verhouding tot die periode. Zolang een commissie «slapend» is, althans niet actief, ontvangen de leden geen toelage.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16498091/1