CConstaterende datHelmond
Koppel je AI →
Document · PDF

20230620 Beantwoording vragen HH raad 20230620 agpt 12. Aanwijzing voorkeursrecht Stationskwartier

Gemeenteraad 20 juni 2023, gemeente HelmondBij agendapunt: Aanwijzing voorkeursrecht Stationskwartier.21.454 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Er kunnen zich ook omstandigheden voor doen die leiden tot planinhoudelijke wijzigingen zoals aanpassingen in programmering en planning en daarmee materiële financiële gevolgen hebben. Alsdan zal de raad nauwer geïnformeerd en betrokken moeten worden in het kader van de besluitvorming dan bij afwijkingen die het gevolg zijn van ondergeschikte punten met nauwelijks financiële gevolgen. De commissie BBV doet daarom de volgende stellige uitspraak: Jaarlijks zal een herziening van de grondexploitatiebegroting moeten plaatsvinden. Een actualisatie van het grondexploitatiecomplex en de grondexploitatiebegroting met planinhoudelijke wijzigingen, danwel autonome wijzigingen met materiële financiële gevolgen, moet opnieuw door de raad worden vastgesteld. In Helmond willen we hier als volgt mee omgaan. Bij de jaarrekening wordt jaarlijks een uitgebreide herziening gedaan van alle grondexploitaties waarbij alle aspecten diepgaand tegen het licht worden gehouden. De uitgangspunten die hieraan ten grondslag liggen worden vooraf door het college vastgesteld. Dit zijn uitgangspunten voor parameters kostenstijging, opbrengststijging en rente, de te hanteren grondprijzen, de planning voor de woningbouw en uitgifte van bedrijventerreinen en eventuele programma aanpassingen.

Op grond van deze gegevens wordt bij de jaarrekening inzicht gegeven in de verwachte looptijd en de te verwachten eindresultaten van de grondexploitaties. In de paragraaf grondbeleid bij de jaarrekening wordt hierbij uitgebreid stilgestaan waarbij o.a. de volgende aspecten aan de raad zullen worden voorgelegd:  de gehanteerde uitgangspunten voor de herziening  een toelichting op het jaarrekeningresultaat  een totaalbeeld van alle grondexploitaties met inzicht in looptijd en de te verwachten eindresultaten (zowel nominaal als contant)  de ontwikkeling van de boekwaarde  voortgang beleidsuitvoering waarbij ook, indien van toepassing, planinhoudelijke wijzigingen in programmering en planning aan de orde komen  resultaatbestemming Met de vaststelling van de jaarrekening door de raad worden daarmee ook de nieuwe grondexploitatiebegrotingen vastgesteld. Deze handelwijze sluit aan bij de stellige uitspraak van de commissie BBV. Dit betekent dus ook dat we in principe planinhoudelijke wijzigingen in programmering en planning tussentijds niet separaat aan de raad zullen voorleggen tenzij het college het in een specifiek geval noodzakelijk acht dat de raad vooraf betrokken wordt bij de besluitvorming.

Dit betekent overigens niet dat we de raad het hele jaar niet zullen betrekken bij de grondexploitaties:  Bij de jaarlijkse begrotingsbehandeling en bij de 2e berap (in tijd ongeveer gelijktijdig) wordt op hoofdlijnen een nieuwe actualisatie van de grondexploitaties uitgevoerd. In de paragraaf grondbeleid van de begroting zal inzicht gegeven worden in de nieuwe prognoses van de te verwachten eindresultaten. Bij de behandeling van de 2e berap zal een 1e inschatting gegeven worden van het jaarrekeningresultaat.

46

 Zoals aan het begin van dit hoofdstuk is gezegd moeten afspraken gemaakt worden met de raad in hoeverre een financiële afwijking op de jaarschijf vooraf moet worden voorgelegd aan de raad. De grondexploitaties zijn afzonderlijk opgenomen in de productenraming en vormen gezamenlijk het hoofdproduct 880 Bouwgronden in Exploitatie. Indien het totaal van de verwachte uitgaven of het totaal van de te verwachten opbrengsten in de lopende jaarschijf op het niveau van het hoofdproduct de begroting dreigt te overstijgen, zal dit aan de raad worden voorgelegd. Dit zal gebeuren bij de 2e berap. Indien zich in de periode na de 2e berap en vóór de jaarrekening nog onverwacht een overschrijding op het niveau van het hoofdproduct zou voordoen, dan wordt de raad hierover geïnformeerd via een raadsinformatiebrief waarin de reden en omvang van de overschrijding wordt toegelicht. Overigens is de hoogte van uitgaven c.q. opbrengsten in een jaarschijf niet bepalend voor het verwachte eindresultaat op een grondexploitatie. Het zegt meer over de planning in tijd. Het jaarrekeningresultaat van het grondbedrijf wordt bepaald door (tussentijdse) winstnemingen op winstgevende grondexploitaties ofwel door bijstellingen van de verwachte negatieve eindresultaten op verliesgevende grondexploitaties. Hiervoor moet de voorziening verwachte verliezen op grondexploitaties worden bijgesteld ten laste c.q.

ten gunste van het jaarrekeningresultaat. Hierop komen we hierna terug. Voorbereidingskosten bij faciliterend grondbeleid. Bij faciliterend grondbeleid worden afspraken gemaakt met derde partijen inzake de realisatie van de plannen. Ook bij dit soort projecten geldt vaak dat dit jaaroverstijgende projecten zijn waarbij dus ook met jaarschijven gewerkt moet worden. Wanneer nog geen anterieure overeenkomst is gesloten of nog geen exploitatieplan is opgesteld worden vaak reeds voorbereidende kosten gemaakt die ook verhaalbaar zijn op het moment dat wel een overeenkomst of exploitatieplan is gesloten c.q. vastgesteld. De commissie BBV doet hieromtrent de volgende stellige uitspraak: Het kwalificeren van voorbereidingskosten voor faciliterende exploitatieplannen of nog te sluiten anterieure overeenkomsten als “nog te verrekenen kosten” onder de overlopende activa is toegestaan onder de volgende voorwaarden:  De kosten moeten passen binnen de kostensoortenlijsten van het Bro (Besluit ruimtelijke ordening)  De kosten mogen maximaal 5 jaar als overlopend actief blijven staan.

Na maximaal 5 jaar moet het kostenverhaal zijn gerealiseerd ofwel dienen de kosten te worden afgeboekt tlv het jaarrekeningresultaat  Er is een besluit door de raad of ‐indien gedelegeerd‐ het college genomen tot het maken van voorbereidingskosten voor facilitair grondbeleid in een aangewezen gebied voor het ontwikkelen van het exploitatieplan of tot het sluiten van een anterieure overeenkomst. Uit pragmatische overwegingen worden dergelijke besluiten niet separaat voorgelegd aan de raad maar door het college genomen. Bij de jaarrekening zal worden toegelicht wat de stand van zaken is met betrekking tot eventueel voorbereidingskosten en het kostenverhaal. 47

Begrotingstechnisch geldt ook hier dat de kosten en baten budgettair neutraal zijn vanwege de verrekening met de balanspost overlopende activa. Vanwege deze budgettaire neutraliteit zullen wij daarom een afwijking c.q. overschrijding ten opzichte van de geraamde uitgaven in een jaarschijf niet separaat aan de raad voorleggen maar toelichten bij de jaarrekening. Faciliterend grondbeleid Voorheen werd geen onderscheid gemaakt tussen actief en faciliterend grondbeleid en werd het faciliterend grondbeleid administratief en verslag‐technisch ondergebracht bij de bouwgronden in exploitatie. Volgens de nieuwe BBV voorschriften is bij faciliterend grondbeleid geen sprake van een bouwgrond in exploitatie of een voorraad grond in bezit van de gemeente. Feitelijk schiet de gemeente kosten voor die op basis van een overeenkomst worden teruggevorderd bij een derde partij. De commissie BBV doet daarom de volgende stellige uitspraken: Kosten die gemeenten maken in het kader van faciliterend grondbeleid en kunnen verhalen op derden, classificeren als vordering op de gemeentelijke balans. Afhankelijk van de status van de vordering dient deze vordering op de balans van de gemeente tot uiting te komen als kortlopende vordering of overlopend actief. Bepalend voor de classificatie is de aanwezigheid van een getekende overeenkomst.

Als de gemeente kosten verhaalt op basis van een exploitatieplan, maar verrekening nog niet kan plaatsvinden doordat nog geen omgevingsvergunning is aangevraagd of nog geen posterieure overeenkomst is gesloten, dienen de gerealiseerde nog te verhalen kosten te worden verantwoord als ”nog te verhalen kosten” onder de overlopende activa, voor zover verwacht wordt dat deze binnen 10 jaar nog verrekend kunnen worden. Als geen zicht is op een toekomstige verrekening dan rest slecht een “niet in de balans opgenomen recht”. De kosten die de gemeente maakt in het kader van faciliterend grondbeleid hebben geen relatie meer met de bouwgronden in exploitatie en worden daarom niet langer meer verantwoord bij hoofdproduct 880. De kosten voor faciliterend grondbeleid zijn ondergebracht bij hoofdproduct 885 Facilitair Grondbeleid. In de productenraming wordt een zo goed mogelijke inschatting gemaakt van de verdeling van de te verhalen kosten over de jaarschijven. Ook hier geldt dat dit van vele factoren afhankelijk is, maar vooral van de derde partij en dus buiten de invloedsfeer van de gemeente. Begrotingstechnisch zijn de kosten en baten budgettair neutraal vanwege de verrekening met de balansposten die in bovenstaande stellige uitspraken zijn opgenomen. Vanwege deze budgettaire neutraliteit zullen wij daarom een afwijking c.q.

overschrijding ten opzichte van de geraamde uitgaven in een jaarschijf niet separaat aan de raad voorleggen maar toelichten bij de jaarrekening. 4. Kostentoerekening Kostensoortenlijst Wanneer grond kwalificeert als BIE vindt waardering plaats tegen vervaardigingsprijs. Dit betekent dat naast de verkrijgingsprijs (inkoopprijs en de bijkomende kosten zoals transactiekosten, taxatiekosten en schadeloosstellingen) ook overige kosten die rechtstreeks 48

kunnen worden toegerekend aan de vervaardiging van de grondexploitatie kunnen worden geactiveerd. De verkrijgingskosten plus de overige kosten worden per grondexploitatie geactiveerd op de balanspost onderhanden werk. De commissie BBV doet hieromtrent de volgende stellige uitspraak: Voor de kosten die bij BIE kunnen worden gerekend tot de vervaardigingskosten wordt aangesloten op de kostensoortenlijst zoals opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betekent dat maximaal deze kostensoorten kunnen worden toegerekend aan de BIE, waarbij ten aanzien van de rente alleen de rente over het vreemd vermogen mag worden toegerekend en geen rente over het eigen vermogen. De opzet van de kostensoortenlijst maakt het mogelijk om alle kosten die gemoeid zijn met de ontwikkeling van locaties mee te nemen. De “kan” bepaling betekent dat het niet verplicht is om deze kosten toe te rekenen. Bij de gemeente Helmond is het al jaren gebruik om bij grondexploitaties aansluiting te zoeken bij de kostensoortenlijst van de Bro. Dat sluit dus aan bij deze stellige uitspraak van de commissie BBV. Bovenwijkse voorzieningen Met betrekking tot bovenwijkse voorzieningen (bijvoorbeeld de ontsluiting van een nieuw gebied) was het in Helmond tot en met 2015 gebruikelijk om per verkochte m2 een bijdrage te doen in de reserve RIW (Reserve Infrastructurele Werken).

Uit de reserve werd de aanleg van bovenwijkse voorzieningen betaald. Hieromtrent doet de commissie BBV de volgende stellige uitspraak: Het is vanaf 2016 niet meer toegestaan om toevoegingen te doen aan een voorziening voor bovenwijkse voorzieningen. Bestaande voorzieningen per ultimo 2015 mogen worden gehandhaafd en kunnen volgens planning worden afgewikkeld. Sparen voor bovenwijkse voorzieningen die na het afsluiten van een grondexploitatie zullen worden aangelegd, is nog wel mogelijk via een door de raad in te stellen bestemmingsreserve. Toevoegingen aan deze bestemmingsreserve kunnen alleen plaatsvinden via resultaatbestemming. Op basis van de Bro kostensoortenlijst kunnen bovenwijkse voorzieningen wel rechtstreeks aan de grondexploitatie worden toegerekend. Voor de omvang van de toerekening van deze kosten zijn de volgende criteria van belang:  Er is profijt of nut van de kosten voor de locatie.  Er bestaat een causaal verband tussen kosten en de grex  Als meerdere locaties profijt hebben van bepaalde kosten, worden de kosten verdeeld naar rato over de betrokken locaties. Wanneer echter een deel van de betrokken locaties nog niet als BIE in ontwikkeling is genomen mag dat deel van de bovenwijkse voorziening niet op onderhanden werk worden geactiveerd.

De commissie BBV doet hieromtrent de volgende stellige uitspraak: Het deel van de kosten van bovenwijkse voorzieningen dat aan een in de toekomst te openen grondexploitatie wordt toegerekend, moet tot het moment dat de betreffende grond feitelijk 49

in exploitatie wordt genomen, worden geactiveerd onder de betreffende categorie materiële vaste activa. Naar de aard van de bovenwijkse voorzieningen zal de betreffende activacategorie veelal de activa met maatschappelijk nut zijn ( bijv ontsluitingswegen, bruggen etc.) In de periode van activering als maatschappelijk nut tot en met het eventueel openen van de betreffende grondexploitatie, moet vanaf de ingebruikname worden afgeschreven op het actief op basis van de verwachte gebruiksduur. De gemeente kan er ook voor kiezen om de kosten voor bovenwijkse voorzieningen niet toe te rekenen aan de grondexploitatie, maar deze als materieel vast actief laten staan. Dit zal er echter toe leiden dat er verschillen ontstaan met de fiscale balans voor de vennootschapsbelasting omdat daarbij de bovenwijkse voorzieningen sowieso meegenomen worden. Wij kiezen daarom voor het standpunt dat, indien is voldaan aan de hiervoor vermelde 3 criteria, de kosten voor bovenwijkse voorzieningen op onderhanden werk worden geactiveerd en daarmee dus aan de grondexploitatie worden toegerekend. Beslispunt: Bovenwijkse voorzieningen voor zover toerekenbaar aan een grondexploitatie vanaf het moment dat de betreffende grond in exploitatie is genomen op de post onderhanden werk activeren en zo dus aan die grondexploitatie toerekenen.

Hiermee voldoen we aan de (procedurele) aanbeveling van de commissie BBV: De commissie BBV adviseert om de wijze waarop met de toerekening van bovenwijkse voorzieningen wordt omgegaan, vast te leggen in de financiële verordening (in Helmond in dat dus in deze nota grondbeleid 2017‐2020). Rentetoerekening De invoering van de vennootschapsbelasting voor gemeenten heeft geleid tot nieuwe aandachtspunten in de discussie over rentetoerekening aan grondexploitaties. De commissie BBV doet hieromtrent de volgende stellige uitspraak: De toegestane toe te rekenen rente aan BIE moet worden gebaseerd op de daadwerkelijk te betalen rente over het vreemd vermogen. Het is niet toegestaan om rente over het eigen vermogen toe te rekenen aan BIE. Het over het vreemd vermogen te hanteren rentepercentage moet als volgt worden bepaald:  Het rentepercentage van de direct aan de grondexploitatie gerelateerde financiering in het geval van projectfinanciering  Het gewogen gemiddelde rentpercentage van de bestaande leningenportefeuille van de gemeente, naar verhouding vreemd vermogen/totaal vermogen, indien geen sprake is van projectfinanciering Indien de gemeente geen externe financiering heeft, dan wordt geen rente toegerekend aan BIE. De rente aan BIE wordt toegerekend over de boekwaarde van de BIE per 1 januari van het betreffende boekjaar. Dit wordt per grondexploitatiecomplex berekend.

50

Voorheen werd aan de grondexploitatie het gemeentelijke rente omslagpercentage doorberekend. Bij de jaarrekening 2015 was dit bepaald op 3,25%. Het rentepercentage conform de nieuwe werkwijze van de BBV (verhouding vreemd vermogen/totaal vermogen) is voor 2016 bepaald op 1,3%. In de nieuwe BBV voorschriften is een coulanceregeling opgenomen om te voorkomen dat de renteparameter in de meerjarenraming van de grondexploitatiebegroting ook elk jaar fluctueert. Daarbij wordt de ruimte geboden om het rentepercentage zoals dat initieel is vastgesteld (in 2016 dus 1,3%) te blijven hanteren zolang de werkelijke rente volgens de verhouding vreemd vermogen/totaal vermogen niet meer dan 0,5% afwijkt. Volgens de coulanceregeling moet echter ook, als een nieuwe grondexploitatie wordt opgestart, voor de nieuwe grondexploitatie het rentepercentage worden berekend volgens de verhouding vreemd vermogen/totaal vermogen van het jaar van vaststellen van de nieuwe grondexploitatiebegroting. Dit zou er toe kunnen leiden dat we met verschillende rentepercentages moeten gaan rekenen voor de diverse grondexploitaties. Dit achten wij niet wenselijk en kiezen daarom voor de werkwijze conform de stellige uitspraak waarbij het te hanteren rentepercentage voor de grondexploitaties elk jaar opnieuw wordt berekend.

Beslispunt: Om te voorkomen dat er verschillende rentepercentages moeten worden gehanteerd tussen grexen geen gebruik maken van de coulanceregeling en jaarlijks de rente voor alle grondexploitaties opnieuw bepalen en toepassen. Interne leveringen In het BBV wordt een interne levering van grond verantwoord tegen de boekwaarde van het betreffende complex of de kavel. Er wordt dan geen positief exploitatieresultaat verantwoord. Dit zou immers een herwaardering van de gronden bij de gemeente betekenen en herwaardering van gronden is binnen het BBV niet toegestaan. Hierna wordt uitgewerkt hoe in Helmond wordt omgegaan met de levering van gronden:  Interne levering aan het grondbedrijf. Gronden die zijn verworven met het oog op exploitatie in de toekomst (strategisch en anticiperend) worden in 1e instantie geactiveerd onder de Materiële Vaste Activa (MVA). Pas wanneer de raad het grondexploitatiecomplex inclusief de grondexploitatiebegroting heeft vastgesteld wordt de grond gekwalificeerd als BIE en wordt de grond overgeboekt van MVA naar voorraad onderhanden werk tegen de boekwaarde van het MVA. De boekwaarde van het MVA is de verkrijgingswaarde van het MVA (aankoopprijs incl bijkomende kosten zoals transactiekosten, taxatiekosten en schadeloosstellingen) tenzij de marktwaarde in het verleden lager is vastgesteld. Alsdan is de verkrijgingswaarde verlaagd naar de marktwaarde.

 Interne levering van het grondbedrijf. Uitgangspunt is dat bij een interne levering van grond geen winst wordt genomen. Bij een interne levering van grond die onderdeel is van een BIE is nagenoeg altijd sprake van een slechts beperkt gedeelte van de totale oppervlakte van de betreffende BIE. Het is onmogelijk om te bepalen of op dat specifieke gedeelte van de BIE sprake is van een verwachte winst of verlies. De vraag of er bij BIE sprake is van een verwacht verlies of winst wordt daarom altijd bepaald op het totaal van de betreffende BIE. Dit betekent dat bij een interne levering van grond die onderdeel is van een verliesgevende BIE nooit sprake kan zijn van een 51

winstneming. Bij de bepaling van de hoogte van de waarde van de grond die intern geleverd wordt, geldt in dergelijke gevallen dus geen beperkende voorwaarde. Het is ondoenlijk om uit te rekenen welk gedeelte van de vervaardigingskosten van de betreffende BIE specifiek betrekking heeft op de intern te leveren grond. Voor de bepaling van de hoogte van de waarde wordt daarom aangesloten bij het grondprijzenbesluit zoals dat jaarlijks door de gemeenteraad wordt vastgesteld. In veruit de meeste gevallen zal daarbij sprake zijn van maatschappelijke voorzieningen zoals OBG (Openbare Bijzondere Gebouwen) en OBT (Openbare Bijzondere Terreinen). Deze werkwijze geldt in principe ook bij de interne levering van grond die onderdeel is van een winstgevende BIE. Omdat bij de interne levering van grond die onderdeel is van een winstgevende BIE wel mogelijk sprake kan zijn van een winstneming, geldt dat bij de bepaling van de hoogte van de waarde van de grond getoetst moet worden of de kostprijs van de te leveren grond hoger ligt dan de waarde volgens het grondprijzenbesluit. Alsdan is er geen sprake van winstneming. Ligt de kostprijs van de te leveren grond lager dan de prijs volgens het grondprijzenbesluit dan zou het hanteren van het grondprijzenbesluit wel een winstneming betekenen.

Zoals al eerder gezegd, is het ondoenlijk om uit te rekenen welk gedeelte van de vervaardigingskosten van een BIE specifiek betrekking heeft op de intern te leveren grond. De hoogte van de kostprijs van de intern te leveren grond wordt daarom bepaald aan de hand van de verhouding tussen de oppervlakte van de intern te leveren grond in relatie tot de totale uitgeefbare oppervlakte van de betreffende BIE. Deze verhouding wordt vermenigvuldigd met het totaal van de te verwachten kosten van de betreffende BIE over de gehele looptijd. Ligt de waarde volgens deze berekening hoger dan de waarde volgens het grondprijzenbesluit dan wordt de grondprijs van de intern te leveren grond, conform de werkwijze bij verliesgevende BIE’s, bepaald volgens het grondprijzenbesluit. Ligt de waarde volgens deze berekening lager dan is deze uitkomst de norm voor de waarde van de intern te leveren grond. Samenvattend: Is de grond onderdeel van een verliesgevende BIE, dan is de waarde van de interne levering van grond volgens het grondprijzenbesluit. Is de grond onderdeel van een winstgevende BIE, dan is de waarde van de interne levering van de grond volgens het grondprijzenbesluit behalve als de kostprijs lager is. Dan geldt de kostprijs als norm.

Hiermee voldoen we aan de aanbeveling van de commissie BBV: De commissie BBV adviseert gemeenten een grondprijzenbrief op te stellen met een vastgestelde uitgifteprijs voor zowel maatschappelijke grond als intern door te leveren grond, waar bij interne levering alleen fiscaal gezien eventuele resultaten worden gerealiseerd. Herwaardering van gronden is binnen het BBV niet toegestaan. Het grondprijzenbesluit wordt jaarlijks door de raad vastgesteld bij de behandeling van de begrotingsstukken.

52

5. Waarderingsgrondslagen Activeren van baten en lasten Inzake de verantwoording van budgetten doet de commissie BBV de volgende stellige uitspraak: De lasten en baten verband houdende met grondexploitaties worden in de exploitatie verantwoord en via een tegenboeking (onderhanden werk) naar de balans gemuteerd. Het is niet toegestaan om gelden uit eigen middelen (reserves) in minder te brengen op de onderhanden werk positie van de bouwgronden in exploitatie In de vorige hoofdstukken van deze bijlage is reeds aangegeven dat de jaarlijkse lasten en baten die verband houden met de grondexploitatie worden verantwoord in de producten en programmarekening. Bij de jaarrekening wordt het saldo van de lasten en baten verrekend met de balanspost voorraad onderhanden werk. Met deze werkwijze voldoet de gemeente Helmond aan de stellige uitspraak van de commissie BBV. Voorheen kwam het voor dat er interne bijdragen gedaan waren aan grondexploitaties. Dit is niet meer toegestaan volgens de nieuwe stellige uitspraak van de commissie. In de actualisatie van de grondexploitaties vanaf 2016 worden geen interne bijdragen meer opgenomen in de toekomstige kasstromen. Winstnemingen De commissie BBV doet de aanbeveling om bij winstnemingen de afweging tussen het voorzichtigheidsbeginsel en het realisatiebeginsel nader uit te werken.

De gemeente Helmond hanteert al jaren een voorzichtige werkwijze voor tussentijdse winstneming en kiest er voor om deze werkwijze ook voor de periode van deze nota grondbeleid te blijven hanteren. Deze werkwijze is als volgt: Als de verwachte eindresultaten berekend zijn, wordt voor de grondexploitaties met een verwachte winst op de einddatum bepaald of het mogelijk is om reeds een gedeelte van deze winst te nemen. Daarbij geldt het realisatieprincipe en het voorzichtigheidsprincipe. Met andere woorden: de winst mag pas worden genomen als hij ook daadwerkelijk is behaald (realisatieprincipe). Dit betekent dat er minimaal sprake moet zijn van een negatieve boekwaarde (meer opbrengsten gerealiseerd dan lasten). Als extra voorwaarde is daarbij gesteld dat de behoedzaam geraamde nog te maken laatste kosten geheel zijn gedekt door de gerealiseerde verkopen (voorzichtigheidsprincipe). Beslispunt: Voor tussentijdse winstneming het voorzichtigheidbeginsel en realisatiebeginsel blijven hanteren conform beschrijving in deze nota en aanbeveling van de commissie BBV. Verwerking van verliezen Inzake de verantwoording van verliezen doet de commissie BBV de volgende stellige uitspraak: Het treffen van een afboeking of een voorziening gebeurt bij een geprognosticeerd verlies direct ter grootte van dit volledige verlies.

Als sprake is van een voorziening ingericht ter bestrijding van de verwachte (tekorten) in grondexploitaties, dan moet die worden

53

gepresenteerd als een waardecorrectie op de post Bouwgrond in exploitatie. Deze wijze van verantwoording is naar analogie van de voorziening voor dubieuze debiteuren. Verliezen worden genomen zodra deze blijken (voorzichtigheidsprincipe). Verliezen worden dus vooraf gedekt. Bij een verwacht negatief eindresultaat op grondexploitaties wordt voor de contante waarde van de te verwachten verliezen een voorziening gevormd. De totale voorziening wordt tot uiting gebracht door een correctie op de boekwaarde van de balanspost voorraad onderhanden werk. Met deze werkwijze voldoet de gemeente Helmond aan de stellige uitspraak van de commissie BBV. Voor de berekening van de contante waarde van de voorziening voor te verwachten verliezen op grondexploitaties wordt door de commissie BBV de volgende stellige uitspraak gedaan: De disconteringsvoet die moet worden gehanteerd in de berekening van de contante waarde ten behoeve van het treffen van een verliesvoorziening voor negatieve grondexploitaties wordt voor alle gemeenten gelijk gesteld aan het maximaal meerjarig streefpercentage van de Europese Centrale Bank voor de inflatie binnen de Eurozone. De disconteringsvoet is in de notitie van de commissie BBV vastgesteld op 2%. Bij de berekening van de hoogte van de voorziening moet vanaf 2016 met dit percentage gerekend worden.

Tenslotte is door de commissie BBV in de notitie nog een stellige uitspraak opgenomen met betrekking tot de presentatie van de te verwachten resultaten. De commissie acht het van belang dat voor alle grondexploitaties (dus zowel de winstgevende als de verliesgevende) de verwachte resultaten op dezelfde wijze worden berekend. De commissie BBV doet hieromtrent de volgende stellige uitspraak: De presentatie van de te verwachten resultaten in de paragraaf grondbeleid dient te gebeuren tegen nominale waarde. Wanneer bij de berekening van de voorziening voor de verliesgevende grondexploitaties een andere waarderingsgrondslag wordt gehanteerd (de contante waarde), dan moet het effect hiervan op de te verwachten resultaten voor zowel de negatieve als de positieve grondexploitaties worden toegelicht in de paragraaf grondbeleid. Wij nemen al een aantal jaren een totaalbeeld op in de paragraaf grondbeleid bij de jaarrekening waarin voor alle grondexploitaties de verwachte eindresultaten nominaal en contant worden gepresenteerd en toegelicht. Dit is conform de werkwijze zoals we die eerder in deze notitie hebben beschreven bij het onderdeel autorisatieafspraken. Conclusie. Middels de werkwijze zoals die in deze bijlage is beschreven voldoen wij aan de stellige uitspraken zoals die in de notitie van de commissie BBV zijn beschreven.

Daarbij is gekozen voor een pragmatische werkwijze waarbij enerzijds sprake is van voldoende “bewegingsvrijheid” om binnen de gestelde kaders uitvoering te geven aan het grondbeleid en te kunnen anticiperen op marktontwikkelingen en anderzijds sprake is van op een gestructureerde manier regelmatig informatie aan de raad verstrekken. Daarbij is ook gebruik gemaakt van de aanbevelingen uit de notitie van de commissie BBV. 54

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12897923/1