Ruimtelijke onderbouwing Zonnepark Dalvoordeweg (9-4-2021)
Tekst van het document
Participatie omgeving: Initiatiefnemers hebben de verplichting om de omgeving te betrekken bij hun initiatief en stellen hiervoor een participatieplan op.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
24
Ruimtelijke onderbouwing “Zonnepark Dalvoordeweg, Daarle” Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning •
•
•
Participatie direct betrokkenen/omwonenden: De initiatiefnemer dient met de direct omwonenden/direct betrokkenen afspraken te maken over de inpassing en invulling van het gebied rondom een project en maakt hierbij duidelijk in hoeverre omwonenden hierin mee kunnen participeren. Compensatie: De initiatiefnemer geeft in een compensatieplan aan hoe de omgeving baat heeft bij de ontwikkeling (hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden: aan initiatieven die meer bieden dan alleen het opwekken van energie, of initiatieven waarbij productie en afname bij elkaar worden gebracht). Communicatie: De initiatiefnemer stelt een communicatieplan op waarbij de gemeente een ondersteunende en faciliterende rol kan hebben.
4.3.1.4 Uitgangspunten ruimtelijke en landschappelijk inpassing •
• •
De gemeente kiest voor kwaliteit op locaties waar een project wordt gerealiseerd, waarbij rekening wordt gehouden met de toekomstige uitstraling van het gebied. Landschappelijke inpassing betekent niet dat het project niet zichtbaar mag zijn. De gemeente streeft zoveel mogelijk naar meervoudig grondgebruik en behoud en ontwikkeling van de Biodiversiteit. De handreiking ‘Kwaliteitsimpuls zonnevelden’ bevat inspirerende voorbeelden van zonnevelden met ruimtelijke kwaliteit, die duurzaam zijn in combinatie met sociale kwaliteit.
4.3.1.5 Toetsing van het initiatief aan het ‘beleidskader zon- & windenergie Voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met het ‘beleidskader zon- & windenergie’. De omgevingsvergunning wordt voor een termijn van maximaal 25 jaar afgegeven. In de memo opgenomen in bijlage 3 bij deze ruimtelijke onderbouwing wordt uitgebreid ingegaan op de manier waarop de omgeving actief is benaderd en betrokken en op welke manier de participatie is vormgegeven. Tevens is hierin opgenomen hoe het aspect compensatie wordt ingevuld. Tevens voorziet het plan in een landschappelijke inpassing van het zonnepark. De randen van het zonnepark wordt ingepast door het treffen landschapsmaatregelen waarbij gebruik wordt gemaakt van steekeigen soorten. Voor een andere toelichting hierop wordt verwezen naar het inpassingsplan opgenomen in bijlage 1 bij deze toelichting. Om de biodiversiteit ter plaatse te stimuleren, wordt aan de zuidzijde van het plangebied een strook ingezaaid met een zaden mengsel M1 Cruydthoeck. Dit mengsel bevat ongeveer 16 verschillende soorten kruiden en bloemen. Hier wordt gesteld dat het zonnepark op een adequate wijze wordt ingepast in de omgeving en de maatregelen een impuls geven aan de biodiversiteit ter plaatse. 4.3.2
Welstandsnota Hellendoorn
4.3.2.1 Inleiding Om bouwplannen op welstand te mogen toetsen zijn gemeenten sinds 1 juli 2004 verplicht een welstandsnota vast te stellen. Met het opstellen van een welstandsnota worden de procedures en de toetsing transparanter gemaakt. De gemeente Hellendoorn heeft er voor gekozen een welstandsnota op te stellen om voor specifieke gebieden in de gemeente Hellendoorn het uiterlijk van gebouwen in de omgeving tot zijn recht te laten komen. Het onderwerp van deze nota is de kwaliteit van de bebouwing in de gemeente Hellendoorn. Het gaat hier om gebouwen en bouwwerken die iedereen dagelijks om zich heen ziet. Bepalend daarbij zijn zowel de kwaliteit van de individuele gebouwen en bouwwerken, als de kwaliteit van het totaalbeeld van de gebouwen in hun onderlinge samenhang. Doorgaans zijn inwoners positief over die dagelijkse leefomgeving. Deze kwaliteit is door bewust en meestal zorgvuldig handelen van particulieren en overheid door de eeuwen heen ontstaan. Sinds een eeuw is deze zorg voor de architectonische kwaliteit ook nadrukkelijk een overheidstaak. Daarbij is het gemeentelijke welstandstoezicht het belangrijkste instrument geweest. De welstandsnota is opgebouwd uit verschillende deelgebieden. Onderhavig plangebied is gelegen in gebied 15: Daarler Es.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
25
Ruimtelijke onderbouwing “Zonnepark Dalvoordeweg, Daarle” Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning 4.3.2.2 Welstandsgebied 15: Daarler Es Algemeen Ten oosten van de dorpskern van Daarle ligt rondom de langgerekte Daarler Es een keten van agrarische bebouwing. Aan de noord- en de oostzijde bevinden zich de lager gelegen gronden; de oorspronkelijk weideen hooilanden. Fundamentele veranderingen hebben zich in de loop der tijd niet voorgedaan. De positie en oriëntatie van de bebouwing, de tussenliggende ruimtes en de verbondenheid met het landschap zijn argumenten om dit gebied afzonderlijk te benoemen. Waardering Het totale ruimtelijke beeld is van belang. De bebouwing en het gebruik van de es en de lager gelegen gronden zijn op dezelfde agrarische bedrijfsvoering geënt. In dat onderling verband moet de typologie van de bebouwing en de positie ervan hoog worden gewaardeerd Beleidsintensies Het beleid is er op gericht om de bestaande karakteristiek in stand te houden. Daarvoor zullen ook met betrekking tot het uiterlijk van de bebouwing de evidente aspecten van de bestaande toestand als referentiekader gaan dienen teneinde het ruimtelijke totaalbeeld in stand te houden. Welstandscriteria Er gelden welstandscriteria voor de situering, de hoofvorm, de aanzichten en de opmaak van de bebouwing die wordt beoogd.
4.3.2.3 Toetsing van het initiatief aan de Welstandsnota Hellendoorn Het welstandsbeleid richt zich voornamelijk op de type bebouwing en de detaillering daarvan. Hierbij gaat het om woningen, boerderijen en de daarbij behorende schuren en overige gebouwen. Een specifieke ontwikkeling als een zonnepark wordt in de welstandsnota niet benoemd. Wel wordt in de welstandsnota benadrukt dat het beleid erop is gericht om nieuwe ontwikkelingen goed in te passen in de landelijke omgeving. In voorliggend geval wordt, zoals in voorgaande hoofdstukken reeds is beschreven, het zonnepark doormiddel van gebiedseigen beplanting, in het landschap ingepast. Hiermee wordt voldaan aan het welstandsbeleid ten aanzien van het landschappelijk inpassen van nieuwe ontwikkelingen in de omgeving. 4.3.3
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de gemeentelijke beleidsambities zoals verwoord in het hiervoor behandelde gemeentelijk beleid.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
26
Ruimtelijke onderbouwing “Zonnepark Dalvoordeweg, Daarle” Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning
HOOFDSTUK 5
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een omgevingsvergunning een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een ruimtelijke onderbouwing vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, Besluit milieueffectrapportage en water.
5.1
Geluid (Wet geluidhinder)
5.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2
Situatie projectgebied
Een zonnepark vormt een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Het zonnepark is een type A-inrichting. De inrichting valt daarmee onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit. Op voorhand kan worden geconstateerd dat deze inrichting geen relevante geluidbelasting veroorzaakt. Daarnaast bevinden zich de nutsvoorzieningen op grote afstand van omliggende geluidsgevoelige objecten. Als gevolg van de ontwikkeling is tevens geen sprake van een significante verkeersaantrekkende werking. Het zonnepark wordt incidenteel bezocht, uitsluitend ten behoeve van beheer en onderhoud. Ook is het zonnepark geen geluidgevoelig object. Het plan voorziet dan ook niet in het toevoegen van een geluidsgevoelig object, waardoor onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder niet nodig is. 5.1.3
Conclusie
Het aspect geluid in het kader van de Wgh vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
5.2
Bodemkwaliteit
5.2.1
Algemeen
Bij het verlenen van een omgevingsvergunning dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. 5.2.2
Situatie projectgebied
Het uitvoeren van onderzoek naar de bodemkwaliteit doet zich voor in situaties waarin personen langdurig verblijven of aanwezig zijn. In voorliggend geval worden overwegend bouwwerken geen gebouwen zijnde gerealiseerd waar zonnepanelen op bevestigd worden. Daarnaast worden kleine gebouwen (trafostation e.d.) gerealiseerd, echter wordt hierin niet langdurig door personen verbleven. Verder wordt opgemerkt dat de in BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
27
Ruimtelijke onderbouwing “Zonnepark Dalvoordeweg, Daarle” Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling geen risicovolle activiteit voor de bodem betreft. Het instellen van een bodemonderzoek is daarom niet noodzakelijk. 5.2.3
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip ‘niet in betekenende mate’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2
Situatie projectgebied
Gelet op de aard en omvang van dit project en de beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 5.3.1.1, kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. In de aanlegfase vinden er alleen maar verkeersbewegingen plaats en in de gebruiksfase wordt het zonnepark incidenteel bezocht,
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
28
Ruimtelijke onderbouwing “Zonnepark Dalvoordeweg, Daarle” Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning uitsluitend in het kader van beheer en onderhoud. Er is dan ook geen sprake van significante verkeersaantrekkende werking. Vermindering van de luchtkwaliteit is daarom niet aan de orde en vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het zonnepark. Tot slot wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het ‘Besluit gevoelige bestemmingen’. 5.3.3
Conclusie
Gezien het vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
Voor buisleidingen geldt het Besluit buisleidingen externe veiligheid (Bevb) die op 1 januari 2011 in werking is getreden. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2
Situatie projectgebied
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het projectgebied (rode contour) en omgeving weergegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
29
Ruimtelijke onderbouwing “Zonnepark Dalvoordeweg, Daarle” Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning
Afbeelding 5.1
Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)
Uit de inventarisatie blijkt dat de locatie: • • • •
5.4.3
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie
Het plan is in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
30
Ruimtelijke onderbouwing “Zonnepark Dalvoordeweg, Daarle” Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 5.5.2
Situatie projectgebied
Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). Het zonnepark betreft, in het kader van milieuzonering, geen milieugevoelige functie. Anderzijds brengt de functie geen milieubelasting met zich mee. Eventuele geluidhinder zou door het trafostation kunnen ontstaan. Het betreft een trafostation die vergelijkbaar is aan die in woonwijken. Voor transformatorstations geldt een te hanteren afstand van 30 meter. De dichtstbijzijnde woning (Daarleseweg 47) is op een afstand van circa 10 meter van het projectgebied gelegen. Met de situering van de transformatiestations is rekening gehouden met de afstand tot het woonperceel, waardoor de afstand meer dan 30 meter bedraagt. Er is geen sprake van (onevenredige) aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 5.5.3
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de in dit project besloten ontwikkeling.
5.6
Ecologie
5.6.1
Algemeen
Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Met deze wet worden de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen (de Vogel- en Habitatrichtlijn) zo helder mogelijk geïmplementeerd. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. In voorliggend geval is door Natuurbank Overijssel een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen in bijlage 4 bij deze onderbouwing. Hierna wordt op de bevindingen ingegaan. 5.6.2
Gebiedsbescherming
5.6.2.1 Natura 2000 Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Nederland heeft aan de hand van een
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
31
Ruimtelijke onderbouwing “Zonnepark Dalvoordeweg, Daarle” Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning vergunningenstelsel een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Het projectgebied behoord niet tot het Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden, zijn gelegen op een afstand van circa 4,3 kilometer van het projectgebied. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling en de afstand tot de Natura 2000-gebieden, wordt geconcludeerd dat er als gevolg van de bij deze ruimtelijke onderbouwing besloten ontwikkeling, geen sprake is van significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. 5.6.2.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het projectgebied behoort niet tot het NNN. De dichtstbijzijnde gronden behorende bij het NNN zijn gelegen op een afstand van circa 4 kilometer van het projectgebied.
Gelet op de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot het NNN wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 5.6.3
Soortenbescherming
Het plangebied behoort vermoedelijk tot het functionele leefgebied van verschillende vogel-, amfibieën-, vleermuis- en grondgebonden zoogdiersoorten. Vogels, Amfibieën, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten sommige amfibieënsoorten er een (winter)rustplaats en bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en/of voortplantingslocatie. Van de vogelsoorten die in het plangebied nestelen, zijn uitsluitend de bezette nesten beschermd, niet de oude nesten of de nestplaats. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. Voor de grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die een rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’ (of de soort is niet beschermd). De functie van het plangebied als foerageergebied is voor de in het gebied voorkomende vogel-, amfibieën-, en grondgebonden zoogdiersoorten niet beschermd. Door uitvoering van de voorgenomen plannen wordt het foerageergebied, als onderdeel van het totale functionele leefgebied van vleermuizen, niet meetbaar aangetast.
Er blijft voldoende geschikt foerageergebied beschikbaar in de directe omgeving. In het kader van de zorgplicht worden geen specifieke matregelen voorgesteld. 5.6.4
Conclusie
Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
5.7
Archeologie & Cultuurhistorie
5.7.1
Archeologie
5.7.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
32
Ruimtelijke onderbouwing “Zonnepark Dalvoordeweg, Daarle” Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning archeologische relicten die in het projectgebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het projectgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.7.1.2 Situatie projectgebied Op basis van het geldende bestemmingsplan “Buitengebied” in het projectgebied in het oosten voor een beperkt deel voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologische verwachtingswaarde’. Op basis van deze dubbelbestemming geldt dat bij projectgebieden die groter zijn dan 2.500 m² en de grond dieper dan 0,3 meter verstoren, een onderzoeksplicht. Doordat de zonnepanelen op stellages worden geplaatst betreft het oppervlak waarover de grond wordt verstoord, ter plaatse van de archeologische dubbelbestemming, niet meer dan 2.500 m². Daarnaast wordt ook bij de aanleg van de ondergrondse leidingen de grond, ter plaatse van de archeologische dubbelbestemming, niet over een groter oppervlak van 2.500 m² verstoord.
Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. 5.7.2
Cultuurhistorie
5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een ruimtelijk plan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.7.2.2 Situatie projectgebied Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Overijssel, in het projectgebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In het projectgebied of in de directe nabijheid van het projectgebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. 5.7.3
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
5.8
Besluit milieueffectrapportage
5.8.1
Algemeen
In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd dat voorafgaande aan het ruimtelijke plan dat voorziet in een grootschalig project met belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport (MER) opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een MER-rapportage opgesteld moet worden zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit m.e.r. Een plan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn op de volgende manieren: •
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
33
Ruimtelijke onderbouwing “Zonnepark Dalvoordeweg, Daarle” Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning •
•
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In artikel 1 onder e van de bijlage van het Besluit m.e.r. wordt een omgevingsvergunning waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan gelijk gesteld aan een bestemmingsplan indien een plan wordt genoemd in kolom 4. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 5.8.2
Situatie projectgebied
Voorliggend plan voorziet in het realiseren van een zonnepark van circa 7 hectare. Realisatie van projecten met zonne-energie worden niet in het Besluit milieu-effectrapportage (besluit m.e.r.) genoemd . Wel leiden grondgebonden zonneparken tot de herinrichting van een stuk landelijk gebied. In de D-lijst is de volgende activiteit opgenomen 'Een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan'. Een zonnepark valt hieronder, waardoor toetsing aan de drempelwaarden dient plaats te vinden. De drempelwaarde voor landinrichtingsprojecten uit het Besluit m.e.r. is 125 hectare. Op basis van de omvang van het project, een zonnepark van ongeveer 7 hectare groot, is een m.e.r.- beoordeling of het doorlopen van een m.e.r.-procedure niet nodig. Gelet op de omvang van het totale project (circa 7 hectare), de kenmerken van het project (zonnepark) en de aard van de effecten (zeer beperkt), wordt geconcludeerd dat het uitvoeren van een m.e.r- beoordeling of het doorlopen van een m.e.r-procedure niet aan de orde is. 5.8.3
Conclusie
De ontwikkeling is niet m.e.r.(beoordelings)-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling als gevolg van de verlening van de omgevingsvergunning.
5.9
Wateraspecten
5.9.1
Vigerend beleid
5.9.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
34
Ruimtelijke onderbouwing “Zonnepark Dalvoordeweg, Daarle” Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning 5.9.1.2 Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema's als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 5.9.1.3 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied.
5.9.1.4 Waterschap Vechtstromen Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta, en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van het waterschap Vechtstromen heeft in de vergadering van 7 oktober 2015 het 'Waterbeheerplan 2016-2021' vastgesteld. In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2016 tot 2021) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op het: • • • 5.9.2
voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte; beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater en het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem; het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties. Waterparagraaf
5.9.2.1 Watertoets Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de onderbouwing van ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 5.9.2.2 Watertoetsproces Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (http://www.dewatertoets.nl). De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de ‘normale procedure’ van toepassing is. Na aanleiding van de watertoets, heeft overleg met het waterschap
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
35
Ruimtelijke onderbouwing “Zonnepark Dalvoordeweg, Daarle” Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning Vechtstromen plaatsgevonden. Hierin heeft het waterschap aangegeven met welke wateraspecten in ieder geval rekening moet worden gehouden. Keurzone Overijsselse Kanaal Binnen het projectgebied ligt een beschermingszone van het Overijsselse Kanaal. De functie van deze watergang moet te allen tijde worden gegarandeerd. Hierbij wordt rekening gehouden met de beschermingszone van deze watergangen zoals in de Keur beschreven. Ten behoeve van het beheer en onderhoud geldt langs de watergang (vanaf de insteek) een obstakelvrije zone van 5 meter. Door middel van een Watervergunning kan hiervan worden afgeweken. In voorliggend geval wordt de beschermingszone langs de watergang gerespecteerd. Dat wil zeggen, een zone van 5 meter zal onbebouwd blijven. Overstromingsgebied Met name in de lager gelegen delen in het projectgebied is de kans op overstromingen het grootst. De overstromingen in de lager gelegen delen vindt ten minste één keer per jaar plaats. Het gebied zal op basis van een ruwe schatting circa 30 cm onder water staan. Bij met name de inrichting van de transformatorstations zal heir rekening mee moeten worden gehouden. De zonnepanelen zelf staan met ten minste 80 cm hoogte, hoog genoeg van de grond.
Overige waterhuishoudkundige voorzieningen Bij de beoogde ontwikkeling worden zonnepanelen geplaatst op een metalen frame. Het regenwater dat op de panelen valt, stroomt af richting de bodem (tussen de zonnepanelen is voldoende ruimte aanwezig zodat het regenwater verspreid op het maaiveld kan vallen), waar het water infiltreert. Het regenwater zal dan ook niet versneld afstromen richting het oppervlaktewater. Het zonnepark wordt door de vrije afstroming van het regenwater richting de onderliggende bodem niet gezien als toename in verharding. De toegangsweg zal worden uitgevoerd als open bestrating met graskeien. Watercompensatie is voor dit plan dan ook niet vereist. Ook zijn de zonnepanelen niet verontreinigend. Door het afstromende regenwater vindt dan ook geen verontreiniging van bodem en water plaats. Het zonnepark wordt niet aangesloten op het rioleringsstelsel. De ontwikkeling is dan ook niet van invloed op de belasting van het rioleringssysteem. Advies waterschap In kader van de watertoets heeft het waterschap de volgende opmerkingen: Een punt van aandacht voor eventuele nieuw vestiging is het minimale bouwpeil. Het minimale bouwpeil is de hoogte die eventuele nieuw vestiging minimaal moet hebben. De norm die hiervoor gebruikt wordt, is de t=100 norm. Deze norm staat voor het hoogte peil dat het water één keer per 100 jaar haalt.
Nieuwe bebouwing mag niet vaker dan één keer per 100 jaar wateroverlast ondervinden. De collectoren dienen dus voldoende hoog te plaatsen. In de nabijheid van het plangebied liggen meerdere waterleidingen WL 07174, WL01576, en WL01578 W van waterschap Vechtstromen. De waterlopen hebben een belangrijke aan-, af-, en doorvoer functie. Voor het onderhoud van deze waterlopen is een obstakelvrije zone van 5 meter vanaf de insteek noodzakelijk. In deze obstakelvrije zone mag niet zonder toestemming van het waterschap worden gebouwd. Voor onderhoud van deze waterlopen dienen deze altijd bereikbaar te zijn. Voor alle ingrepen in de waterhuishouding moet tijdig een vergunning worden aangevraagd of een melding worden ingediend in kader van de Waterwet. Onder ingrepen in het watersysteem worden ook het onttrekken- en lozen van grond- en oppervlaktewater verstaan. Het voorliggende plan voorziet wellicht in de bouw van enkele obstakels in de beschermingszone. Hiervoor dient ruim van te voren in kader van de Waterwet een vergunning worden aangevraagd. Voor het behandelen van de aanvraag is een formele procedure tijd van 8 weken.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
36
Ruimtelijke onderbouwing “Zonnepark Dalvoordeweg, Daarle” Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning Slootprofiel In overleg met het waterschap de afspraak gemaakt dat het huidige slootprofiel (in het noorden van het plangebied) behouden blijft, maar dat het broekbos een verlaagde en uitgegraven grond krijgt. Hierdoor stroomt het water vanuit de kavelsloten het broekbos in. In dit broekbos wordt tijdelijk het water gebufferd en zorgt dit voor een natte bodem. Het water heeft via een aantal overstorten de mogelijkheid deze ondiepte te verlaten en zo de sloot in te stromen. Hiermee wordt voldaan aan de wens een natter broekbos te ontwikkelen aan deze rand en wordt het huidige profiel niet aangepast, zodat het waterschap de dijksloot kan blijven onderhouden.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
37
Ruimtelijke onderbouwing “Zonnepark Dalvoordeweg, Daarle” Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning
HOOFDSTUK 6 6.1
UITVOERBAARHEID
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Initiatiefnemer heeft aangegeven dat het oprichten van een energie coöperatie en participeren door middel van de postcoderoosregeling tot de mogelijkheden behoort. Doordat het kabinet de uitvoering met betrekking tot de postcoderoos mogelijk aanpast, zal deze waarschijnlijk (aanzienlijk) minder aantrekkelijk worden. Na Prinsjesdag ontstaat hier meer duidelijkheid over. Een alternatief is om voor het project via www.duurzaaminvesteren.nl obligaties uit te gegeven met een rendement van circa 4% . De obligatie is eerst 31 dagen opengesteld voor inwoners van de gemeente Hellendoorn. Vervolgens wanneer er nog obligaties over zijn, worden deze landelijk aangeboden. Voor een nadere toelichting op het vorenstaande wordt verwezen naar bijlage 3 bij deze onderbouwing. Om sociaal ook betrokken te zijn bij Daarle, heeft er een gesprek plaats gevonden met het bestuur van muziekvereniging Emos. Aan hen is gevraagd of men in het kader van de compensatie een zonne-installatie op het dak van het verenigingsgebouw zou willen. Compleet gemonteerd werkend opgeleverd en geen kosten. Het bestuur gaat hiermee akkoord.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad naar aanleiding van een omgevingsvergunning moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk plan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan of omgevingsvergunning geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De gemeentelijke kosten zijn beperkt tot de ambtelijke kosten, welke worden verhaald middels de gemeentelijke legesverordening. Eventuele planschade komt voor rekening van de initiatiefnemer. Vorenstaande wordt geregeld met een anterieure overeenkomst. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is op grond van artikel 6.12 Wro geen exploitatieplan nodig. Voor de totstandkoming van het zonnepark wordt een subsidie op grond van de Subsidieregeling Duurzame Energie (SDE+) aangevraagd. Met deze subsidieregeling worden de elektriciteitsopbrengsten voor de initiatiefnemer aangevuld tot het basisbedrag dat nodig is om de investering terug te verdienen. Voor het verlenen van de subsidie is een omgevingsvergunning, waartoe deze ruimtelijke onderbouwing dient, vereist.
Indien de omgevingsvergunning is verleend is, is er geen indicatie dat de SDE+ subsidie zal worden geweigerd. De (overige) kosten voor de realisatie van het zonneveld worden voor het overige gedragen door de initiatiefnemer. Hierdoor is de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
38
Ruimtelijke onderbouwing “Zonnepark Dalvoordeweg, Daarle” Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning
HOOFDSTUK 7 7.1
Vooroverleg
7.1.1
Het Rijk
VOOROVERLEG EN ZIENSWIJZEN
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat deze ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een omgevingsvergunning geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 7.1.2
Provincie Overijssel
Het voeren van vooroverleg met de provincie Overijssel is noodzakelijk m.b.t. het inrichtingsplan. Het overleg heeft plaats gevonden waarbij de provincie de volgende opmerking heeft. De weergaven met 3d-renderings zijn voor een eerste inschatting goed te gebruiken. Voor ons wordt het echter onvoldoende inzichtelijk om een oordeel te vellen hoe de profielen m.b.t. de watergangen en natuuroevers uitgevoerd worden. Dit is voor het Waterschap ook een toegevoegde waarde. Je kunt dit tackelen door een kaart met daarop helder uiteengezet wat de inpassingsmaatregelen zijn met heldere doorsneden. 7.1.3
Waterschap Vechtstromen
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een watertoets uitgevoerd. De watertoets heeft geleid tot de ‘normale procedure’, waardoor het waterschap het voornemen heeft beoordeeld. In paragraaf 5.9 zijn de wateraspecten reeds beschreven. Hierin is rekening gehouden met de uitgangspunten van het waterschap. 7.1.4
Omwonenden
Initiatiefnemer heeft contact gehad met omwonenden omtrent de voorgenomen realisatie van het zonnepark. Er is vanuit de omwonenden geen bezwaar naar voren gekomen. Voor een verslag van de informatieavond wordt verwezen naar bijlage 2 bij deze onderbouwing. Daarnaast zal na de vergunningsfase aandacht worden besteed aan mogelijke participatie van omwonenden. Er wordt gekeken dat directe en indirecte omwonenden tegen een aantrekkelijk tarief (energiebelastingvoordeel) duurzame energie kunnen afnemen van het zonnepark. Het gebied dat hiervoor in aanmerking komt zou door middel van een postcoderoos kunnen worden bepaald.
7.2
Zienswijzen
Indien er zienswijzen worden ingediend, wordt deze paragraaf nadat de ontwerp-omgevingsvergunning ter inzage heeft gelegen, ingevuld.
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
39
Ruimtelijke onderbouwing “Zonnepark Dalvoordeweg, Daarle” Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning
BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE ONDERBOUWING
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
40
Ruimtelijke onderbouwing “Zonnepark Dalvoordeweg, Daarle” Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning
Bijlage 1
Inpassingsplan
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
41
Ruimtelijke onderbouwing “Zonnepark Dalvoordeweg, Daarle” Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning
Bijlage 2
Wijziging inpassingsplan
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
42
Ruimtelijke onderbouwing “Zonnepark Dalvoordeweg, Daarle” Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning
Bijlage 3
Memo communicatie, participatie en compensatie
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
43
Ruimtelijke onderbouwing “Zonnepark Dalvoordeweg, Daarle” Ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van omgevingsvergunning
Bijlage 4
Natuurwaardenonderzoek
BJZ.nu Ruimtelijke Plannen en Advies
44