CConstaterende datHellendoorn
Koppel je AI →
Document · PDF

Rapport inventarisatie buitengebied gemeente Hellendoorn Geanonimiseerd

Informatieronde 19 mei 2026, gemeente HellendoornBij agendapunt: Op locatie: kennismaken agrarische sector en resultaten inventarisatie buitengebied15.501 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

34

3.6 Sociaal-economisch In deze paragraaf wordt de sociaal-economische situatie van het buitengebied van Hellendoorn feitelijk in beeld gebracht op basis van beschikbare data (CBS, SEIA West Twente, KVK en gemeentelijke bronnen). De focus ligt op werkgelegenheid, voorzieningen, leefbaarheid, ondernemersklimaat en sociaal-maatschappelijke veerkracht. Werkgelegenheid De werkgelegenheid in het buitengebied van Hellendoorn is relatief kleinschalig en verspreid van karakter. In vergelijking met de kernen is het aantal arbeidsplaatsen beperkt, maar wel divers van samenstelling. De belangrijkste bronnen van werkgelegenheid zijn: ▪ agrarische bedrijven ▪ technische en ambachtelijke bedrijven ▪ recreatie- en toerismesector ▪ zorg- en maatschappelijke voorzieningen ▪ kleinschalige dienstverlening. Uit de gegevens van SEIA West-Twente en de KVK blijkt dat het buitengebied een duidelijke aanwezigheid kent van kleine en middelgrote ondernemingen, vaak met een lokale of regionale oriëntatie. Veel bedrijven hebben een beperkt aantal werknemers en zijn sterk verweven met het erf of de directe omgeving. Daarnaast is sprake van een groeiend aandeel zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers), met name in de bouw, dienstverlening en agrarisch gerelateerde activiteiten. De recreatie- en toerismesector is goed vertegenwoordigd in de gemeente Hellendoorn en vormt een belangrijke economische pijler.

Volgens de Visie Vrijetijdseconomie 2030 gemeente Hellendoorn zorgt deze sector voor ongeveer 7,8% van de werkgelegenheid. Jaarlijks trekt de gemeente meer dan een half miljoen overnachtingen en ligt de economische impact tussen de €25 en €30 miljoen per jaar. Daarmee levert de sector een duidelijke bijdrage aan de lokale economie en werkgelegenheid. Tegelijk ontbreken recente en volledige cijfers over het aantal arbeidsplaatsen in VTE (fte), waardoor dit niet exact kan worden weergegeven in deze rapportage. Het Nationaal Park Sallandse Heuvelrug speelt hierin een belangrijke rol als trekker van toeristen. Met jaarlijks tussen de 1,2 en 2,5 miljoen bezoekers draagt het park sterk bij aan de vrijetijdseconomie in het buitengebied. Voorzieningen Het buitengebied heeft een beperkt, maar functioneel aanbod aan voorzieningen. De meeste basisvoorzieningen, zoals scholen, winkels en zorg, liggen in de kernen zoals Nijverdal en Hellendoorn. In het buitengebied zelf zijn verschillende soorten voorzieningen aanwezig. Dit zijn onder andere: ▪ zorg- en opvanglocaties zoals zorgboerderijen en kinderopvang; ▪ recreatieve voorzieningen zoals campings, horeca en dagrecreatie; ▪ maatschappelijke functies zoals onderwijs en zorginstellingen. Daarnaast zijn er ook grootschalige voorzieningen in het buitengebied aanwezig zoals verpleeghuis Krönnenzommer.

Dergelijke locaties hebben een groot oppervlak en een duidelijke functie voor de regio. De voorzieningen liggen verspreid over het buitengebied en zijn niet overal even sterk aanwezig. Hierdoor verschilt het aanbod per buurtschap.

35

Leefbaarheid Leefbaarheid gaat over hoe prettig het is om ergens te wonen en te leven. Het gaat erom in hoeverre de omgeving past bij wat mensen nodig hebben en belangrijk vinden. Denk aan woningen, de kwaliteit van de leefomgeving, voorzieningen, sociale samenhang en veiligheid. Het buitengebied van Hellendoorn wordt gekenmerkt door een rustige en groene omgeving met weinig bebouwing. Bewoners ervaren vaak ruimte, rust en een sterke band met het landschap. Uit de Leefbaarometer blijkt dat de leefbaarheid in de gemeente Hellendoorn over het algemeen goed is. In veel gebieden, waaronder delen van het buitengebied, wordt zelfs een zeer goede score gehaald. De totale score ligt rond of boven het landelijk gemiddelde. De verschillende onderdelen van leefbaarheid laten wel verschillen zien. De sociale samenhang, veiligheid en fysieke leefomgeving scoren positief ten opzichte van het landelijk gemiddelde. Het onderdeel voorzieningen scoort juist lager. Dit komt doordat voorzieningen vaak verder weg liggen en de afhankelijkheid van de auto groot is. De woningen en functies liggen verspreid over het gebied. Hierdoor zijn sociale contacten vaak kleinschalig en gebonden aan het buurtschap. Tegelijk is er in het buitengebied vaak sprake van sterke sociale samenhang, ook wel noaberschap genoemd. Mensen kennen elkaar en helpen elkaar waar nodig. Dit draagt positief bij aan de leefbaarheid.

Bron: Leefbaarometer | Kaart .

Figuur 20 Afwijking totaalscore t.o.v. de rest van het land, en de bijdrage aan de afwijking per dimensie.

Ondernemersklimaat en sociaal-maatschappelijke veerkracht Het ondernemersklimaat in het buitengebied wordt gekenmerkt door: ▪ kleinschaligheid ▪ functiemenging (werken en wonen op één locatie) ▪ sterke lokale netwerken. Veel ondernemingen zijn afhankelijk van de directe omgeving, zowel qua ruimte als qua bereikbaarheid. De aanwezigheid van verschillende sectoren naast elkaar (landbouw, recreatie, zorg, techniek) zorgt voor een zekere mate van economische spreiding. De sociaal-maatschappelijke veerkracht uit zich onder andere in: ▪ initiatieven op erf- en buurtschapsniveau ▪ combinaties van functies (bijvoorbeeld zorg en landbouw) ▪ betrokkenheid van bewoners bij hun leefomgeving. Deze veerkracht is echter sterk plaatsgebonden en afhankelijk van individuele initiatieven.

36

Economische dragers in het buitengebied Op basis van de inventarisatie zijn circa 78 niet-agrarische economische dragers geïdentificeerd in het buitengebied. Deze bestaan uit een mix van bedrijvigheid, voorzieningen en maatschappelijke functies. De belangrijkste categorieën zijn: ▪ Techniek, bouw en ambacht ▪ Recreatie en toerisme ▪ Zorg en maatschappelijke functies ▪ Transport en logistiek ▪ Detailhandel en horeca ▪ Agrarisch gerelateerde dienstverlening.

Categorie Techniek, bouw en ambacht Recreatie en toerisme Zorg en maatschappelijke functies Transport en logistiek Detailhandel en horeca (overig) Agrarisch gerelateerde dienstverlening Dienstverlening en advies Onderwijs Overig/gemengd Totaal

Aantal 18 14 11 8 8 6 6 3 4 78

Indicatief aandeel ca. 23% ca. 18% ca. 14% ca. 10% ca. 10% ca. 8% ca. 8% ca. 4% ca. 5% 100%

Tabel 2. Categorie economische dragers buitengebied

De spreiding van deze dragers is overwegend diffuus, met beperkte clustering langs infrastructuur en nabij landschappelijk aantrekkelijke gebieden. Deze economische dragers vormen samen met de agrarische sector de basis van de sociaaleconomische structuur van het buitengebied.

37

4 INVENTARISATIE OPGAVEN 4.1 Water en bodem Het waterbeleid in Nederland wordt in belangrijke mate bepaald door de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Deze richtlijn verplicht lidstaten om de kwaliteit van oppervlakte- en grondwater te verbeteren en verdere achteruitgang te voorkomen. De doelen zijn concreet, juridisch bindend en tijdgebonden: uiterlijk in 2027 moeten alle waterlichamen voldoen aan de vastgestelde normen voor een goede ecologische en chemische toestand. Voor sterk veranderde of kunstmatige wateren, zoals veel beken in Nederland, geldt het doel van goed ecologisch potentieel. Kern van de KRW-doelen De Kaderrichtlijn Water (KRW) stelt doelen voor zowel oppervlaktewater als grondwater. Deze doelen zijn Europees vastgelegd en moeten uiterlijk in 2027 worden behaald. De beoordeling van waterkwaliteit gebeurt aan de hand van een aantal hoofdcriteria: ecologische kwaliteit, chemische kwaliteit en de hoeveelheid en kwaliteit van grondwater. In onderstaande tabel zijn de belangrijkste doelen en normwaarden samengevat. Onderdeel Ecologische kwaliteit oppervlaktewater

Voedingsstoffen (nutriënten)

Chemische kwaliteit oppervlaktewater

Grondwater – chemische toestand Grondwater – kwantitatieve toestand Hydromorfologie

Waar wordt naar gekeken Aanwezigheid en kwaliteit van waterplanten, vissen en macrofauna Stikstof en fosfaat in oppervlaktewater

Schadelijke stoffen (prioritaire stoffen zoals metalen en pesticiden) Nitraat en andere stoffen in grondwater Balans tussen onttrekking en aanvulling Inrichting van waterlopen (stroming, oevers, beekstructuur)

Belangrijkste norm/doel Waterlichamen moeten minimaal een goede ecologische toestand bereiken Concentraties moeten onder de vastgestelde KRW-normen per waterlichaam liggen Concentraties moeten onder de Europese milieukwaliteitsnormen liggen ≤ 50 mg/l nitraat (Europese Nitraatrichtlijn) Geen structurele verdroging of overonttrekking Waterlopen moeten zodanig zijn ingericht dat een goede ecologische toestand mogelijk is

Uiterste termijn 2027

2027

2027

continu/uiterlijk 2027

2027

2027

4.2 Natuur In het kader van de inventarisatie is een gronddrukanalyse uitgevoerd door het Kadaster. Deze analyse geeft inzicht in de vraag naar grond voor verschillende opgaven en het beschikbare aanbod binnen het gebied. Het buitengebied is daarbij opgedeeld in zogenoemde ‘blokdelen’. Dit zijn deelgebieden die worden begrensd door wegen, spoorlijnen of waterlopen. Per blokdeel is bepaald of sprake is van overvraging (meer vraag dan aanbod) of ondervraging (meer aanbod dan vraag).

38

De grondvraag en het grondaanbod zijn uitgedrukt als percentage van de aanwezige landbouwgrond per blokdeel. Voor het thema natuur bestaat de grondvraag uit meerdere onderdelen. Dit zijn de resterende opgaven voor groenblauwe dooradering (GBDA), de nog te realiseren delen van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en de opgaven vanuit Natura 2000 en de natuurdoelanalyses (NDA), inclusief de stikstofopgave. De stikstofopgave is niet op gemeentelijk niveau uit te splitsen. Om toch een volledig beeld te geven, wordt deze opgave op provinciaal niveau meegenomen. Deze komt voort uit de Europese en nationale wet- en regelgeving, zoals de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR), de Wet natuurbescherming (Wnb), de Omgevingswet en de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn). Tussen de verschillende natuurdoelen zit verschil in prioriteit en juridische status. De GBDA-opgave is niet direct gekoppeld aan wet- en regelgeving en heeft geen vaste locatie. De NNN-opgave is dat wel. Deze is vastgelegd in provinciaal beleid en draagt bij aan de realisatie en verbinding van Natura 2000gebieden. Groenblauwe dooradering Groenblauwe dooradering is een beleidsmatige ambitie van onder andere de provincie Overijssel, gericht op het versterken van natuur, landschap en biodiversiteit.

Het is opgenomen in de provinciale Omgevingsvisie en geeft daarmee richting aan de ontwikkeling van het landelijk gebied in Overijssel. Daarbij is het niet juridisch bindend voor andere overheden of partijen. De provincie Overijssel heeft als landschappelijke ambitie dat 10% van het landelijk gebied bestaat uit groenblauwe dooradering. Volgens de provinciale storymap Landschapselementen is in de gemeente Hellendoorn momenteel 5,2% gerealiseerd. Dat betekent dat nog 4,8% moet worden toegevoegd. Voor de gemeente Hellendoorn komt dit neer op een aanvullende opgave van circa 301 hectare. Aangezien er geen specifieke gebieden zijn aangewezen waar deze groenblauwe dooradering gerealiseerd moet worden, is de grondvraag in de analyse evenredig over het buitengebied verdeeld. In veel blokdelen is daardoor een grondvraag van circa 4,8% van de aanwezige landbouwgrond zichtbaar. In blokdelen waar reeds nieuwe natuur wordt gerealiseerd, is de resterende opgave lager, omdat een deel van de groenblauwe dooradering daar al via natuurontwikkeling wordt ingevuld. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Op basis van het Natuurbeheerplan 2026 zijn de netto begrensde nog te realiseren NNN-gronden in beeld gebracht. In totaal betreft dit 50 hectare nieuwe natuur binnen de gemeentegrenzen. Van deze oppervlakte is 6,2 hectare reeds in eigendom van overheden of terrein beherende organisaties.

De resterende 43,8 hectare moet nog worden verworven. Deze resterende opgave leidt tot een gerichte grondvraag, met name langs de Regge. De grootste concentratie bevindt zich in het gebied bij Rhaan. Daarnaast is sprake van een kleinere opgave nabij het Wierdense Veld. Naast deze concrete NNN-opgave worden in het Natuurbeheerplan nog twee aanvullende ontwikkelrichtingen genoemd: een uitwerkingsgebied Natura 2000 (50 hectare) en een zone ‘ondernemen met natuur en water’ buiten het NNN (295 hectare). Vanwege de onzekerheid over de exacte invulling en begrenzing van deze opgaven zijn deze niet als grondvraag meegenomen in de gronddrukanalyse. Voor het NNN geldt dat delen nog gerealiseerd moeten worden. Dit betekent niet altijd dat de grond in eigendom moet komen van een terrein beherende organisatie. Ook andere eigenaren, zoals agrariërs,

39

kunnen bijdragen aan de invulling van de NNN-opgave, bijvoorbeeld door het aanpassen van het gebruik of beheer van de grond. In dat geval gaat het om verwerving van de functie en niet per se van de grond zelf. Samenhang in gronddruk Door de grondvraag voor natuur en groenblauwe dooradering te combineren met het grondaanbod van overheden en potentiële stoppers, en dit af te zetten tegen de herverkavelingswens van agrarische bedrijven (waarbij wordt verondersteld dat bedrijven hun gronden zo veel mogelijk aaneengesloten bij het erf wensen), ontstaat een integraal beeld van de gronddruk in het gebied. Deze analyse biedt inzicht in waar ruimte is voor verwerving, ruiling en mogelijke herschikking van gronden wanneer er sprake is van een gebiedsproces of vrijwillige ruilverkaveling.

Figuur 21 . Grondvraag nieuwe natuur

40

Figuur 22. Grondvraag GBDA

4.3 Landbouw Mestbalans en grondgebondenheid Uit de analyse blijkt dat er in de gemeente Hellendoorn meer mest wordt geproduceerd dan op de eigen landbouwgrond geplaatst kan worden. Om dit inzichtelijk te maken, is berekend hoeveel extra grond nodig zou zijn om alle mest binnen de gemeente te kunnen benutten. Bij deze berekening is uitgegaan van de huidige norm van 170 kg stikstof per hectare. Deze norm is de afgelopen jaren verlaagd (voorheen 230 kg), waardoor er minder mest per hectare mag worden uitgereden. Op basis van het aantal dieren en de hoeveelheid mest die zij produceren, is berekend hoeveel landbouwgrond nodig is. Als alleen wordt gekeken naar mest van melkvee en andere graasdieren (dus zonder varkens en pluimvee), is hiervoor ongeveer 3.334 hectare landbouwgrond nodig. In de praktijk ligt dit genuanceerder. Een deel van de mest wordt namelijk al afgevoerd buiten de gemeente en veel boeren gebruiken ook grond buiten Hellendoorn. Ook wordt er door agrarische ondernemers buiten de gemeente Hellendoorn grond gebruikt binnen de gemeente Helendoorn. Daarnaast wordt mest uit de intensieve veehouderij vaak verwerkt of elders gebruikt. De uitkomst van deze berekening moet daarom vooral worden gezien als een indicatie van de druk op landbouwgrond en niet als een directe ruimteclaim binnen de gemeente zelf.

41

Jaar

Hectares voor mestplaatsing

% derogatie

Plaatsingsruimte dierlijke mest kg N

2016 6.321 45 1.245.237 2019 6.259 45 1.233.023 2024 6.129 0 1.041.930 Figuur 23. N mestbalans gemeente Hellendoorn

Productie kg N dierlijk

Kg N overschot op gemeenteniveau

1.888.906 1.629.369 1.608.667

-643.669 -396.346 -566.737

Extra grond voor plaatsing 3.786 2.331 3.334

Dieraantallen en vergunde situaties De vergelijking tussen het aantal dieren in de praktijk en het aantal dieren dat volgens vergunningen is toegestaan, laat zien dat er verschillen zijn. Deze verschillen geven inzicht in de ruimte die er op papier is, maar zeggen niet direct hoeveel ruimte echt beschikbaar is. Een deel van de vergunde ruimte zit bij bedrijven die inmiddels zijn gestopt. Deze ruimte is in theorie nog aanwezig in de vergunningen, maar hoort niet meer bij een actief agrarisch bedrijf. Dit kan mogelijkheden bieden bij toekomstige ontwikkelingen in het gebied. Tegelijk geldt dat ook veel actieve agrarische bedrijven een verschil hebben tussen het aantal dieren dat ze houden en wat ze mogen houden. Deze zogenoemde latente ruimte is vaak nodig voor een goede bedrijfsvoering. Ondernemers houden bewust ruimte in hun vergunning om te kunnen inspelen op veranderingen, bijvoorbeeld in markt, regelgeving of bedrijfsontwikkeling. Dit betekent dat latente ruimte niet automatisch gezien kan worden als “vrije ruimte” die beschikbaar is voor andere functies of opgaven. Een deel van deze ruimte is nodig om bedrijven toekomstbestendig te houden. De opgave ligt daarom in het goed begrijpen van deze verschillen. Het vraagt om onderscheid tussen: ▪ ruimte bij stoppende bedrijven; ▪ ruimte die nodig is voor blijvende bedrijven.

Daarbij speelt ook dat toekomstige ontwikkelingen, zoals strengere regels voor landbouw, invloed kunnen hebben op hoeveel van deze ruimte daadwerkelijk gebruikt kan worden. Samenvattend vraagt dit onderwerp om een zorgvuldige afweging. De vergunde ruimte geeft kansen, maar moet in samenhang worden bekeken met de toekomst van agrarische bedrijven en andere opgaven in het buitengebied. 4.4 Klimaat en energie Op basis van de huidige situatie ontstaat een beeld van de belangrijkste opgaven rondom klimaat en energie in het buitengebied.

42

Energieopgave en ruimtegebruik De RES-doelstelling vraagt om een aanzienlijke uitbreiding van duurzame energie. Dit leidt tot een duidelijke ruimtevraag in het buitengebied. De opgave ligt in: ▪ het inpassen van wind- en zonne-energie in het landschap; ▪ het maken van keuzes tussen verschillende vormen van energie; ▪ het combineren van functies binnen dezelfde ruimte. Voortgang en realisatie De huidige productie ligt nog onder de doelstelling. De realisatie van lopende projecten, zoals Energiepark Daarle, is bepalend voor het behalen van de doelen. De opgave zit in: ▪ het realiseren van bestaande plannen; ▪ het omgaan met onzekerheden in vergunningstrajecten en procedures; ▪ het afstemmen met andere ruimtelijke en ecologische belangen. Netcongestie De beperkte capaciteit van het elektriciteitsnet vormt een belangrijke randvoorwaarde. De opgave ligt in: ▪ het afstemmen van energieprojecten op beschikbare netcapaciteit; ▪ het omgaan met wachttijden voor aansluitingen; ▪ het zoeken naar alternatieve oplossingen binnen het energiesysteem. Rol van groen gas Naast elektriciteit biedt groen gas uit monomestvergisting een belangrijke aanvullende route. Op basis van de mestproductie van de huidige veestapel (ruim 420.000 ton mest per jaar) heeft Hellendoorn een potentieel van circa 4,6 miljoen m3 groen gas, goed voor ongeveer 43 GWh energie.

Dit is een substantieel volume met meerdere voordelen: ▪ Een beperkte ruimteclaim. ▪ De energieopbrengst is vergelijkbaar met circa 50 hectare zonnepark of 3-4 windturbines, terwijl de fysieke footprint van vergisters relatief klein is. ▪ Ontlasting van het elektriciteitsnet. ▪ Groen gas wordt ingevoed in het gasnet en belast het elektriciteitsnet niet, wat relevant is gezien de netcongestie. ▪ Lokale en circulaire energiebron. ▪ De energieproductie sluit direct aan bij de agrarische structuur van de gemeente en benut bestaande reststromen. ▪ Bijdrage aan de energievraag. ▪ De productie kan voorzien in circa 48,8% van het huishoudelijk gasverbruik (ongeveer 7.200 huishoudens). Daarmee vormt groen gas geen vervanging van de RES-opgave (die zich richt op elektriciteit), maar wel een strategische aanvulling die de totale energietransitie versnelt en ruimtelijke druk kan verlagen.

43

Samenhang met andere functies De energieopgave staat niet op zichzelf, maar heeft raakvlakken met landbouw, natuur, wonen en landschap. De opgave ligt in: ▪ het afwegen van verschillende ruimteclaims; ▪ het voorkomen van conflicten tussen functies; ▪ het zoeken naar combinaties van functies in het buitengebied. Samenvattend De klimaat- en energieopgave in Hellendoorn vraagt om ruimte, infrastructuur en afstemming met andere functies. De realisatie van projecten, de beschikbare netcapaciteit en de keuze voor verschillende energiebronnen bepalen in belangrijke mate hoe deze opgave zich verder ontwikkelt. 4.5 Wonen Op basis van de huidige situatie ontstaat een beeld van de belangrijkste opgaven rondom wonen in het buitengebied van Hellendoorn. Woningbouw en ruimtelijke keuzes De woningbouwopgave richt zich primair op de kernen, maar heeft indirect ook invloed op het buitengebied. De aanwezigheid van voorkeurslocaties en woningbouwprogramma’s prioriteitsprojecten en locaties waar een voorkeursrecht is gevestigd, geven richting aan toekomstige ontwikkelingen. De opgave ligt in: ▪ het afstemmen van woningbouw in de kernen op ontwikkelingen in het buitengebied; ▪ het omgaan met de vraag naar wonen buiten de kernen; ▪ het bepalen van de rol van het buitengebied in de totale woningbouwopgave.

Functieverandering en vrijkomende erven Door ontwikkelingen in de landbouw komen agrarische erven vrij. Deze erven bieden mogelijkheden voor hergebruik, onder andere voor wonen. Dit leidt tot een opgave rondom: ▪ het omgaan met functieverandering van vrijkomende bebouwing; ▪ het bewaken van de balans tussen wonen en agrarische functies; ▪ het voorkomen van versnippering van functies in het buitengebied. ▪ het aansluiten van woningbouw op woonbehoeften. Rood voor Rood en ruimtelijke kwaliteit De Rood voor Rood-regeling draagt bij aan het saneren van bebouwing en het toevoegen van woningen. Tegelijkertijd vraagt dit om afwegingen in ruimtegebruik. De opgave zit in: ▪ het afwegen van locaties voor nieuwe woningen; ▪ het bewaken van landschappelijke kwaliteit; ▪ het inzichtelijk maken van de optelsom van individuele initiatieven.

44

Afstandsnorm gewasbescherming De toepassing van de afstandsnorm van 50 meter heeft directe invloed op de mogelijkheden voor woningbouw en functieverandering in het buitengebied. De opgave ligt in: ▪ het inzichtelijk maken van de ruimtelijke impact van deze norm; ▪ het omgaan met situaties waarin functies dicht bij elkaar liggen; ▪ het verkennen van hoe hiermee in de toekomst wordt omgegaan, mede gezien de toenemende maatschappelijke aandacht voor gewasbescherming. Samenhang met andere functies Wonen in het buitengebied staat niet op zichzelf, maar hangt samen met landbouw, natuur, recreatie en bedrijvigheid. Dit leidt tot opgaven rondom: ▪ het combineren van functies binnen dezelfde ruimte; ▪ het voorkomen van belemmeringen voor bestaande functies; ▪ het maken van afwegingen tussen verschillende belangen. 4.6 Sociaaleconomisch Op basis van de inventarisatie van de huidige situatie ontstaat een beeld van de belangrijkste sociaaleconomische opgaven in het buitengebied van de gemeente Hellendoorn. Deze opgaven hangen samen met ontwikkelingen in werkgelegenheid, voorzieningen, leefbaarheid en het gebruik van het buitengebied door verschillende functies. Werkgelegenheid en economische structuur De werkgelegenheid in het buitengebied is kleinschalig en verspreid, met een mix van sectoren zoals landbouw, techniek, recreatie en zorg.

Tegelijkertijd is zichtbaar dat het aantal agrarische bedrijven afneemt en dat andere vormen van bedrijvigheid toenemen. Dit leidt tot een opgave rondom: ▪ het behouden van voldoende werkgelegenheid in het buitengebied; ▪ het faciliteren van nieuwe economische activiteiten naast de landbouw; ▪ het omgaan met functieverandering van vrijkomende agrarische erven. De economische structuur wordt daarmee geleidelijk breder wat kansen biedt, maar ook vraagt om afstemming in ruimtegebruik. Leefbaarheid De leefbaarheid in het buitengebied staat onder invloed van demografische en ruimtelijke ontwikkelingen, zoals vergrijzing en langer thuiswonen, individualisering, functieverandering en schaalvergroting in de landbouw. Hieruit volgen opgaven rondom: ▪ het behouden van een aantrekkelijk woon- en leefklimaat; ▪ het omgaan met veranderingen in bevolkingssamenstelling; ▪ het in balans houden van rust, ruimte en economische activiteit; ▪ het behoud van veiligheid, denk aan ondermijning, leegkomende stallen. De leefbaarheid verschilt per buurtschap en is sterk afhankelijk van lokale omstandigheden.

45

Ondernemersklimaat en functiemenging Het buitengebied kent een toenemende mate van functiemenging, waarbij landbouw, recreatie, zorg en andere bedrijvigheid naast elkaar bestaan. Dit leidt tot opgaven zoals: ▪ het omgaan met verschillende ruimteclaims binnen hetzelfde gebied; ▪ het afstemmen van functies met uiteenlopende belangen; ▪ het bieden van ruimte voor ondernemerschap binnen bestaande kaders. Functiemenging kan zowel versterken als spanningen opleveren, afhankelijk van de locatie en schaal. Sociaal-maatschappelijke veerkracht De veerkracht van het buitengebied hangt samen met de aanwezigheid van lokale initiatieven, betrokkenheid van bewoners en de combinatie van functies. De opgave ligt in: ▪ het ondersteunen van initiatieven vanuit het gebied; ▪ het behouden van sociale samenhang; ▪ het versterken van de verbinding tussen bewoners, ondernemers en organisaties. Deze veerkracht is niet overal gelijk en vraagt om aandacht per gebied. Economische dragers en ruimtelijke samenhang Niet-agrarische economische dragers spelen een steeds belangrijkere rol in het buitengebied. Tegelijkertijd zijn deze functies verspreid en kleinschalig, waardoor de ruimtelijke impact vaak beperkt lijkt, maar in totaliteit wel relevant is.

De opgave zit in: ▪ het inzichtelijk maken van de optelsom van functies; ▪ het afwegen van spreiding versus clustering; ▪ het omgaan met de ruimtelijke en functionele samenhang tussen activiteiten. Samenvattend De sociaaleconomische opgaven in het buitengebied van Hellendoorn hangen samen met een geleidelijke verschuiving naar een meer multifunctioneel gebruik van het gebied. Verschillende functies en belangen komen steeds vaker samen in dezelfde ruimte. Dit vraagt om afstemming en inzicht in hoe deze ontwikkelingen zich per gebied manifesteren.

46

5 INVENTARISATIE PRAKTIJKERVARINGEN 5.1 Resultaat agrarische buurtschapsbijeenkomsten Tijdens de buurtschapsbijeenkomsten hebben agrariërs hun ervaringen gedeeld. Dit deden zij als reactie op de landbouwanalyse die gepresenteerd werd door het Kadaster. De gesprekken geven een beeld van hoe boeren de huidige situatie in het buitengebied ervaren. Over het algemeen geven agrariërs aan dat het type gewas in de afgelopen jaren weinig is veranderd. Zolang bedrijven blijven bestaan, blijft het gebruik van de grond grotendeels hetzelfde. Als een bedrijf stopt, verandert het gebruik vaker en neemt akkerbouw toe. Mais blijft een belangrijk gewas, maar boeren geven aan dat er eigenlijk meer grond nodig is voor mais dan nu beschikbaar is. Boeren ervaren dat regels, bijvoorbeeld voor gewasrotatie en rustgewassen, zorgen voor extra werk en minder flexibiliteit. Ook geven zij aan dat afstandsnormen en regels invloed hebben op wat er geteeld kan worden. Tegelijk zien zij op sommige plekken een toename van intensievere teelten, zoals aardappelen en lelies, vooral op gronden van stoppende bedrijven. Grasland hangt sterk samen met de melkveehouderij. Zolang er melkveebedrijven zijn, blijft grasland aanwezig. Als bedrijven stoppen, verdwijnt dit vaak. Boeren geven aan dat zij soms bewust kiezen voor tijdelijk grasland om flexibel te blijven in hun bedrijfsvoering.

Een belangrijk onderwerp is mest en bodem. Door het afbouwen van derogatie en strengere regels is er meer grond nodig om mest te kunnen plaatsen. Boeren schatten dat de grondbehoefte hierdoor flink toeneemt. Tegelijk geven zij aan dat de bodem op sommige plekken armer wordt, wat invloed heeft op de opbrengst. De beschikbaarheid van grond wordt door veel agrariërs als een groot knelpunt gezien. Volgens hen lijkt er op papier soms voldoende grond beschikbaar, maar is deze in de praktijk vaak al in gebruik door andere boeren. Ook wordt genoemd dat overheden en investeerders grond opkopen, wat invloed heeft op de prijs en beschikbaarheid. Daarnaast is er behoefte aan betere verkaveling. Boeren willen hun huiskavels vergroten om efficiënter te kunnen werken. Vrijwillige kavelruil wordt hierbij als mogelijke oplossing gezien. Agrariërs geven ook aan dat hun bedrijven vaak niet alleen binnen de gemeente liggen. Zij gebruiken ook grond in omliggende gemeenten. Dit is belangrijk om mee te nemen, omdat het invloed heeft op de bedrijfsvoering. Over natuurbeleid bestaan zorgen. Sommige boeren ervaren dat natuurdoelen en regels niet altijd goed aansluiten bij het gebied. Ook maken zij zich zorgen over uitbreiding van natuur en de gevolgen voor hun bedrijf.

De groenblauwe dooradering wordt nu gezien als een ambitie, maar er is zorg dat dit in de toekomst verplicht wordt en beperkingen kan opleveren. Tot slot geven agrariërs aan dat ontwikkelingen zoals woningbouw invloed hebben op hun bedrijf, bijvoorbeeld door strengere regels. Ook worden zorgen genoemd over zaken zoals de verspreiding van Jacobskruiskruid, vogelgriep en nieuwe regels voor dierenwelzijn. Samenvattend laten de bijeenkomsten zien dat agrariërs vooral behoefte hebben aan duidelijkheid, ruimte om te ondernemen en een goede afstemming tussen beleid en praktijk.

47

5.2 Resultaat interviews Naast het verzamelen van data is ook informatie opgehaald uit de praktijk. Cijfers laten niet altijd zien hoe het buitengebied echt wordt gebruikt en beleefd. Daarom zijn gesprekken gevoerd met mensen uit het gebied. In totaal zijn er 15 interviews gehouden. Dit waren onder andere 9 agrarische ondernemers zoals melkveehouders, intensieve veehouders en akkerbouwers. Ook zijn gesprekken gevoerd met andere partijen zoals Vitens, Landschap Overijssel, de Hellendoornse Ondernemers Recreatie en Toerisme (HORT) en vertegenwoordigers van plaatselijke belangen. Het aantal gesprekken per sector of functie is gebaseerd op de fysieke ruimte die zij inneemt in het buitengebied. Hoe meer ruimte hoe meer gesprekken zijn gevoerd. De gesprekken gingen over de huidige situatie. Er is gevraagd naar wat mensen zien en ervaren in het buitengebied. Bijvoorbeeld: ▪ Veranderingen in het landschap. ▪ Hoe gronden worden gebruikt. ▪ Plekken waar functies elkaar in de weg zitten zoals landbouw, natuur, wonen en recreatie. De uitkomsten van deze gesprekken staan in deze paragraaf. Samen met de data geven ze een completer beeld van het buitengebied van Hellendoorn. Uit de interviews komt naar voren dat mensen het buitengebied van Hellendoorn over het algemeen als prettig ervaren om in te wonen en te werken. De sociale samenhang in de buurtschappen wordt als goed beoordeeld.

Tijdens het groepsinterview met de plaatselijke belangen werd dit gemiddeld gewaardeerd met een 8. Tegelijk laten de gesprekken zien dat er verschillende belangen spelen in het gebied. Zo hebben stoppende agrariërs behoefte aan ruimte om hun erf anders te gebruiken, bijvoorbeeld voor wonen. Ondernemers die willen doorgaan, zien juist risico’s als er meer woningen in de omgeving komen, omdat dit hun bedrijfsontwikkeling kan beperken. Zowel agrariërs als recreatieondernemers geven aan dat ruimte in vergunningverlening belangrijk is om hun bedrijf toekomstbestendig te houden. Ook wordt leegstand en verloedering van erven en gebouwen genoemd als aandachtspunt. Op sommige plekken is dit al zichtbaar. Daarnaast wordt de druk op de ruimte duidelijk, doordat functies zoals landbouw, natuur, recreatie en wonen elkaar soms in de weg zitten. Voor recreatie wordt aangegeven dat grootschalige ontwikkelingen niet altijd goed passen in het buitengebied. Kleinschalige recreatie, bijvoorbeeld als nevenactiviteit bij agrarische bedrijven, wordt juist als kans gezien. Wel zorgen recreatie en verkeer op sommige plekken voor overlast en onveilige situaties. Op het gebied van natuur en water zien inwoners zowel kansen als knelpunten. Er is bereidheid bij agrariërs om meer aan natuurbeheer te doen, mits daar een passende vergoeding tegenover staat.

Tegelijk zijn er zorgen over droogte, wateroverlast en waterkwaliteit. Voor wonen is er een duidelijke behoefte aan nieuwe woningen, vooral voor eigen inwoners. Daarbij wordt gevraagd om maatwerk en meer flexibiliteit in regels, zowel in de kernen als in het buitengebied. Tot slot wordt aangegeven dat het buitengebied ook kansen biedt voor kleinschalige bedrijvigheid en nieuwe vormen van energie, maar dat hier soms weerstand en belemmeringen spelen.

48

49

6 INVENTARISATIE AANDACHTSPUNTEN In dit hoofdstuk worden per thema de belangrijkste knelpunten en aandachtspunten in het buitengebied van Hellendoorn beschreven. Hierbij is waar mogelijk onderscheid gemaakt tussen de verschillende buurtschappen, omdat de situatie en ontwikkelingen per gebied verschillen. In alle thema’s zien we dat er keuzes nodig zijn m.b.t. functie, ruimte, landschap, infrastructuur en andere zaken. Dit zijn politieke keuzes die niet in dit rapport zijn opgenomen. 6.1 Water en bodem Water en bodem vormen de basis van het buitengebied en hebben invloed op hoe en waar functies zich kunnen ontwikkelen. Verschillen tussen hoge en lage gronden zorgen voor verschillende uitdagingen en vragen om afstemming in het gebruik van de ruimte. Knelpunten ▪ Water en bodem worden steeds belangrijker voor het gebruik van het buitengebied. ▪ Door Europese regels, zoals de Kaderrichtlijn Water, moeten doelen voor waterkwaliteit uiterlijk in 2027 worden gehaald. ▪ Dit betekent dat water en bodem een grotere rol gaan spelen bij keuzes over het gebruik van grond. ▪ Het buitengebied heeft te maken met zowel droogte als wateroverlast. Op hogere gronden ontstaat snel een tekort aan water, terwijl in lagere delen water kan blijven staan. ▪ Verschillende functies, zoals landbouw, natuur en waterwinning, vragen om hetzelfde water en dezelfde ruimte.

▪ Drinkwatergebieden zorgen voor extra regels en beperkingen in het gebruik van bodem en grondwater. ▪ Maatregelen voor water en bodem kunnen het agrarisch gebruik beperken, bijvoorbeeld door minder bemesting of andere teelten. ▪ Opgaven voor water, natuur en drinkwater sluiten niet altijd goed op elkaar aan. ▪ Aanpassingen in water- en bodembeheer kosten tijd en geld, terwijl de voordelen vaak pas later zichtbaar zijn. ▪ Onzekerheid over toekomstig beleid maakt het lastig voor ondernemers om keuzes te maken. Aandachtspunten ▪ Het watersysteem biedt kansen om water beter vast te houden en te verdelen. ▪ Door rekening te houden met water en bodem kan beter worden bepaald wat waar mogelijk is in het buitengebied. ▪ Als grootste functie in het buitengebied kan landbouw bijdragen aan waterbeheer, bijvoorbeeld door water vast te houden of beter te benutten. ▪ Verschillen in bodem en hoogte maken maatwerk per gebied mogelijk. ▪ Door goed bodembeheer en landgebruik kan de kwaliteit van grondwater en drinkwater op pijl blijven of verbeteren waar nodig. ▪ Landbouw kan een rol spelen in de bescherming van drinkwater, bijvoorbeeld door (aangepast) gebruik van de grond. ▪ Samenwerking tussen landbouw, waterschappen en drinkwaterbedrijven biedt kansen voor nieuwe verdienmodellen.

▪ Maatregelen voor water en bodem helpen om het landbouwsysteem beter bestand te maken tegen droogte en extreme neerslag.

50

6.2 Natuur De natuur in het buitengebied bestaat uit beschermde gebieden, landschapselementen en agrarisch gebied. Er liggen verschillende opgaven voor natuur, zoals het versterken van bestaande natuur en het verbeteren van de samenhang tussen gebieden. Deze opgaven hebben invloed op het gebruik van de ruimte en vragen om afstemming met andere functies zoals landbouw en water. Knelpunten ▪ In en rond Natura 2000-gebieden gelden regels die invloed hebben op wat mogelijk is in het buitengebied. ▪ De natuur staat onder druk door factoren zoals droogte en stikstof. ▪ Natuurdoelen vragen ruimte, terwijl diezelfde ruimte ook nodig is voor andere functies zoals landbouw, water (kwaliteit/kwantiteit) en drinkwater. ▪ De opgaven voor NNN en GBDA kunnen spanning geven met de landbouw. Het NNN is locatiegebonden en kan leiden tot functieverandering van landbouwgrond of beperkingen in het gebruik. De GBDA vraagt ruimte voor natuur en landschap, wat kan zorgen voor minder efficiënte bedrijfsvoering of verlies van productieve grond. ▪ Door de onzekerheid over de exacte invulling en begrenzing van deze opgaven zijn deze niet meegenomen als grondvraag in de gronddrukanalyse. Hierdoor kan het beeld van de totale ruimtedruk onvolledig zijn. Aandachtspunten ▪ Het gebied heeft al veel natuur en landschapselementen die verder kunnen worden versterkt.

▪ Er zijn mogelijkheden om natuur en landbouw beter te combineren, bijvoorbeeld via agrarisch natuurbeheer. ▪ De groenblauwe dooradering kan onderdeel worden van de agrarische bedrijfsvoering en bijdragen aan biodiversiteit en een sterker landschap. ▪ Verbindingen tussen natuurgebieden kunnen worden verbeterd, waardoor de natuur robuuster wordt. ▪ De opgaven voor NNN en GBDA bieden ook kansen voor agrariërs, bijvoorbeeld via vergoedingen voor natuurbeheer. ▪ Maatregelen voor natuur kunnen bijdragen aan een betere waterhuishouding en bodemkwaliteit. 6.3 Landbouw De landbouw is de belangrijkste gebruiker van het buitengebied en bepaalt in grote mate het landschap en het grondgebruik. In het gebied komt vooral melkveehouderij voor, wat zorgt voor een groot aandeel grasland. Tegelijk staat de sector voor verschillende uitdagingen, zoals toenemende regelgeving, druk op de ruimte en veranderingen in het verdienmodel. Ontwikkelingen in landbouw hebben direct invloed op andere functies zoals natuur, water en recreatie. Daarom is afstemming tussen deze functies belangrijk voor een toekomstbestendig buitengebied. Knelpunten ▪ De vraag naar landbouwgrond is groot, terwijl beschikbare grond beperkt is. ▪ Grond die beschikbaar lijkt, is in de praktijk vaak al in gebruik. ▪ Regels voor mest, water en natuur hebben invloed op de bedrijfsvoering.

▪ De beschikbare ruimte moet worden gedeeld met andere opgaven zoals natuur, water, wonen en energie. ▪ De druk op de ruimte en de toenemende regelgeving zorgen voor druk op het verdienmodel van de agrarische ondernemers. In delen van de gemeente stoppen relatief veel agrarische bedrijven, wat kan leiden tot leegstand, verandering van het landschap en onzekerheid over het toekomstig gebruik van gronden en erven.

51

▪ ▪ ▪

▪

Bij functieverandering van gronden of erven kan het gebruik van het landschap veranderen. Bij functieverandering van gronden of erven kan het gebruik van het landschap veranderen. Onzekerheid over toekomstig beleid maakt het lastig voor ondernemers om te investeren. Agrarische ondernemers hebben ruimte nodig binnen vergunningverlening om hun bedrijf aan te passen en toekomstbestendig te maken, maar ervaren dat de huidige regels en procedures dit soms beperken. Recreatie, landbouw en natuur maken gebruik van dezelfde ruimte, wat op sommige plekken spanning kan geven.

Aandachtspunten ▪ Landbouw blijft de grootste gebruiker van grond en een belangrijke drager van het buitengebied. ▪ De landbouw speelt een belangrijke rol in het beheer en behoud van het landschap. ▪ De aanwezigheid van veel melkveehouderij zorgt voor een groot aandeel grasland, wat bijdraagt aan het huidige landschap. ▪ Er zijn mogelijkheden voor nieuwe verdienmodellen zoals natuurbeheer, energie en andere vormen van verbreding. ▪ Vrijwillige kavelruil kan helpen om grond beter te verdelen en efficiënter te gebruiken. ▪ Samenwerking tussen agrariërs kan bijdragen aan beter grondgebruik. ▪ In delen van de gemeente zijn relatief veel bedrijven met jonge ondernemers of een opvolger, wat kansen biedt voor vernieuwing en toekomstbestendige bedrijfsvoering. ▪ De combinatie van landbouw, landschap en recreatie biedt kansen voor een aantrekkelijk en beleefbaar buitengebied. ▪ Agrarische bedrijven kunnen inspelen op ontwikkelingen door functies te combineren, bijvoorbeeld met recreatie of andere activiteiten. ▪ De diversiteit tussen de buurtschappen maakt maatwerk per gebied mogelijk. ▪ Door goed bodembeheer kan de landbouw bijdragen aan een goede waterkwaliteit en bodemkwaliteit. ▪ Landbouw kan een rol spelen in het vasthouden van water en het omgaan met droogte en wateroverlast.

▪ Samenwerking met andere partijen, zoals overheden en drinkwaterbedrijven, kan nieuwe kansen en vergoedingen opleveren. ▪ Innovatie en nieuwe technieken kunnen helpen om efficiënter en duurzamer te produceren. 6.4 Klimaat en energie De opgave voor klimaat en energie brengt nieuwe functies en ruimtevragen met zich mee in het buitengebied. Deze ontwikkelingen moeten worden ingepast in een gebied waar al verschillende functies aanwezig zijn. Knelpunten ▪ De opgave voor duurzame energie vraagt ruimte in het buitengebied. ▪ Energieprojecten kunnen invloed hebben op landschap en leefomgeving. ▪ De capaciteit van het elektriciteitsnet is beperkt, waardoor niet alle plannen direct kunnen worden uitgevoerd. ▪ Verschillende belangen moeten worden afgewogen binnen dezelfde ruimte. Aandachtspunten ▪ Lopende en geplande projecten kunnen een grote bijdrage leveren aan de energieopgave. ▪ Groen gas biedt kansen die goed aansluiten bij de agrarische sector, als verdienmodel en als bijdrage aan de warmtetransitie. Deze kansen doen zich vooral voor in Daarle. ▪ Er zijn mogelijkheden om functies te combineren, zoals energie en landbouw.

52

▪

De energietransitie kan bijdragen aan nieuwe inkomstenbronnen.

6.5 Wonen Ontwikkelingen rondom wonen vragen om zorgvuldige afweging en kunnen op sommige plekken leiden tot knelpunten met andere functies. Knelpunten ▪ De vraag naar woningen neemt toe, terwijl ruimte in het buitengebied beperkt is. ▪ Wonen kan botsen met agrarische functies, bijvoorbeeld door afstandsnormen. ▪ Regels en afstandsnormen beperken waar gebouwd kan worden. ▪ Verspreide ontwikkelingen kunnen invloed hebben op landschap en structuur. Aandachtspunten ▪ Vrijkomende agrarische erven bieden mogelijkheden voor hergebruik. ▪ De Rood voor Rood-regeling draagt bij aan verbetering van het landschap. 6.6 Sociaaleconomisch Het buitengebied van Hellendoorn kent een mix van functies en activiteiten zoals landbouw, bedrijvigheid, recreatie en wonen. Deze functies dragen samen bij aan de leefbaarheid en economie van het gebied, maar vragen ook om onderlinge afstemming. Knelpunten ▪ Voorzieningen liggen vaak buiten het buitengebied. ▪ Functiemenging kan zorgen voor spanning tussen verschillende activiteiten. ▪ Leefbaarheid verschilt per gebied. Aandachtspunten ▪ Het buitengebied heeft een sterke sociale samenhang en betrokkenheid. ▪ Er is ruimte voor verschillende vormen van ondernemerschap. ▪ Door landbouw te combineren met andere vormen van bedrijvigheid kan de ruimte op meerdere manieren worden gebruikt. Dit draagt bij aan de economie en de leefbaarheid van het buitengebied.

▪ Initiatieven vanuit bewoners en ondernemers dragen bij aan de vitaliteit van het gebied.

53

7 BIJLAGEN B1. Gebruikte datasets en bronnen Voorwoord: 🔗 Ontstaan van Overijssels landschap in drie tijdsvensters 🔗 Landschapsbiografie van het Nationaal Park Sallandse Heuvelrug & Twents Reggedal.pdf 🔗 Beleidsregel Beleid Nieuw Buitengebied | Lokale wet- en regelgeving Specifiek voor Hellendoorn: 🔗 Beleid nieuw buitengebied (april 2020).pdf 🔗 Beleidsplan Samen leven met water 2021-2025.pdf 🔗 Beleidsregel beleid nieuw buitengebied 🔗 Agrarisch actieplan (2021) 🔗 *Handboek Openbare Ruimte Waterschap: 🔗 Watervisie 2050 – Vechtstromen (2021) 🔗 Waterbeheerprogramma 2022 - 2027 – Vechtstromen (2021) Provinciaal: 🔗 Omgevingsvisie Provincie Overijssel 2026 🔗 Omgevingsverordening Overijssel 🔗 Natuurbeheerplan Provincie Overijssel 2024 🔗 Basiskwaliteit Natuur in Overijssel 🔗 Ontwikkelopgave Natura 200 (Jaarverslag 2023) Rijk 🔗 Ontwerp Nationaal Programma Landelijk Gebied 🔗 Vogelrichtlijn 🔗 Habitatrichtlijn Bronnen voor thema Water & Bodem 🔗 Bodemdata 🔗 Kaarten | Atlas Leefomgeving (Waterkaart) 🔗 Legger oppervlaktewateren (WDOD) 🔗 Legger oppervlaktewaterlichamen (Waterschap Vechtstromen) 🔗 Gebiedsatlas | Kennishub Landelijk Gebied 🔗 Overstromingsgebied (T=100) | Geschiktheidskaarten voor bebouwing in Vechtstromen 🔗 ANLb - Topografische_kaart

54

Bronnen voor thema Natuur: Specifiek voor Sallandse Heuvelrug 🔗 Natura 2000 – Sallandse Heuvelrug (gebiedspagina) 🔗 Aanwijzingsbesluit Sallandse Heuvelrug 🔗 Beheerplan Sallandse Heuvelrug 🔗 Natuurdoelanalyse Sallandse Heuvelrug (2023) Specifiek voor Wierdense Veld 🔗 Natura 2000 – Wierdense Veld (gebiedspagina) 🔗 Aanwijzingsbesluit Wierdense Veld (2016, PDF) 🔗 N2000 gebiedsanalyse Wierdenseveld 2017 🔗 Advies Ecologische Autoriteit – Wierdense Veld (2023) 🔗 Natuurdoelanalyse Wierdense Veld (2023)

Specifiek voor Vecht- en Beneden-Reggegebied 🔗 Natura 2000 - Vecht- en Beneden-Reggegebied (gebiedspagina) 🔗 Aanwijzigingsbesluit Vecht- en Beneden-Reggegebied (2013 + wijziging 2014) 🔗 N2000 Gebiedsanalyse Vecht- en Beneden-Reggegebied 🔗 Advies Vecht- en Beneden-Reggegebied 🔗 Natuurdoelanalyse Vecht- en Beneden-Reggegebied Specifiek voor Boetelerveld 🔗 Natura 2000 - Boetelerveld (gebiedspagina) 🔗Aanwijzingsbesluit Wierdense Veld 🔗 N2000 Gebiedsanalyse Boetelerveld 🔗 Advies ecologische autoriteit Boetelerveld 🔗Natuurdoelanalyse Boetelerveld (2022) Overige bronnen voor thema Natuur 🔗 Dashboard groenblauwe landschapselementen Hellendoorn 🔗 Groenkaart Atlas Leefomgeving 🔗 ANLb - Topografische_kaart 🔗 Basiskwaliteit Natuur in Overijssel Bronnen voor thema Energie 🔗Het Klimaatakkoord (landelijk) 🔗Energiestrategie Twente - RES Twente (regionaal) 🔗Beleid Nieuw Buitengebied Hellendoorn (gemeentelijk) Bronnen voor thema Wonen 🔗 WEB Woonvisie 2019 Hellendoorn 🔗 Routekaart versnelling woningbouw Gemeente Hellendoorn “De stap naar 1.000 woningen

55

Bronnen voor thema Sociaal Economisch 🔗 20251028-BB-Koersdocument_raad.pdf 🔗 WBMbu_Hellendoorn | Tableau Public 🔗 Cijfers op de kaart | CBS 🔗 VISIE VRIJETIJDSECONOMIE 2030 GEMEENTE HELLENDOORN 🔗 De Wiki van Hellendoorn 🔗 Leefbaarometer | Kaart 🔗 Buitengebied - Regels op de kaart - Omgevingsloket

B2. Betrokken gesprekspartners In het kader van de inventarisatie zijn gesprekken gevoerd met verschillende agrarische ondernemers en andere betrokken partijen uit het gebied. Deze gesprekken hadden als doel om de verzamelde gegevens te toetsen, aan te vullen met gebiedskennis en beter inzicht te krijgen in de samenhang tussen de verschillende thema’s. Daarnaast is een groepsinterview afgenomen tijdens een bijeenkomst van de Plaatselijke Belangen binnen de gemeente Hellendoorn. De gesprekken zijn gebruikt om praktijkervaringen op te halen en de aansluiting met het gebied te versterken. B3. Gebruikte definities en begrippenlijst 1. Kaderrichtlijn Water (KRW) Europese regels die ervoor zorgen dat het water in rivieren, beken, meren en grondwater schoon en gezond blijft. De doelen voor waterkwaliteit moeten uiterlijk in 2027 worden gehaald. 2. Agrarische cultuurgrond Grond die in gebruik is voor de landbouw, zoals grasland en akkerland, en die wordt gebruikt voor het telen van gewassen of het houden van dieren. 3. Waterwingebied Gebied waar grondwater wordt opgepompt om drinkwater van te maken. In deze gebieden gelden strenge regels om het water schoon te houden. 4. Grondwaterbeschermingsgebied Gebied rondom een waterwingebied waar extra regels gelden om te voorkomen dat vervuiling het grondwater bereikt. Dit helpt om de drinkwaterbronnen te beschermen. 5.

Intrekgebied Het gebied waar regenwater in de bodem zakt en uiteindelijk naar een waterwingebied stroomt. Wat hier gebeurt, heeft invloed op de kwaliteit van het grondwater op de langere termijn. 6. Huiskavels Grond die direct bij het agrarisch bedrijf ligt, meestal rondom het erf. Deze grond is makkelijk bereikbaar en wordt vaak gebruikt voor intensiever gebruik, zoals beweiding of het verbouwen van gewassen dichtbij huis.

56

7. Veldkavels Grond die verder van het agrarisch bedrijf ligt en niet direct grenst aan het erf. Deze percelen liggen vaak verspreid in het gebied en zijn minder efficiënt in gebruik door extra reistijd en transport. 8. Graasdierbedrijven Agrarische bedrijven die dieren houden die vooral gras eten, zoals melkvee, schapen of vleesvee. 9. Latente ruimte De ruimte in een vergunning die wel is toegestaan, maar op dat moment niet wordt gebruikt. Bijvoorbeeld: een agrarisch ondernemer mag meer dieren houden dan er daadwerkelijk aanwezig zijn. 10. NB-vergunningen (Natuurvergunningen) Vergunningen die nodig zijn voor activiteiten die invloed kunnen hebben op natuurgebieden, zoals Natura 2000. Hierbij wordt bijvoorbeeld gekeken naar stikstofuitstoot. 11. PAS-melder Een bedrijf dat zich in het verleden heeft gemeld onder het Programma Aanpak Stikstof (PAS), maar nog geen definitieve natuurvergunning heeft gekregen. 12. Gronddruk De mate waarin er vraag is naar landbouwgrond in een gebied. Hoge gronddruk betekent dat er veel vraag is en weinig beschikbare grond. 13. Gecombineerde opgave / BAB Jaarlijkse opgave van agrarische ondernemers bij de overheid, waarin zij gegevens doorgeven over hun bedrijf, zoals gewassen, dieren en grondgebruik. BAB staat voor Basisregistratie Agrarische Bedrijven. 14.

Areaal De totale oppervlakte grond die voor een bepaald doel wordt gebruikt, bijvoorbeeld het areaal grasland of mais. 15. Bouwplan Het overzicht van gewassen die een agrariër op zijn percelen teelt, vaak verdeeld over meerdere jaren. Dit helpt bij een goede bodemkwaliteit en gewasrotatie. 16. Derogatie Een uitzondering op Europese mestregels, waardoor boeren meer dierlijke mest per hectare mochten gebruiken dan normaal is toegestaan. Deze uitzondering wordt afgebouwd, waardoor er minder mest op eigen grond mag worden uitgereden.

57

B4. Overige bijlagen Leeftijd opvolging per buurtschap

58

59

60

Legenda toegepaste uitzonderingsgrondslagen In dit document zijn gegevens definitief geanonimiseerd op grond van: Wet

Artikel

Omschrijving

Pagina's

Wet open overheid

Art. 5.1 lid 2 sub e

De eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer

1, 2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16877597/1