CConstaterende datHellendoorn
Koppel je AI →
Document · PDF

Provincie Overijssel Overzichtsdocument

Informatieronde 17 juni 2025, gemeente HellendoornBij agendapunt: Provincie Overijssel over ontwikkelingen op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen14.855 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Herikerberg en Goor (I)

* Bentazon (2018)

Geen stoffen boven de rapportagegrenzen

Desfenylchloradizon (2018) Metaldehyde (2018) Dithiocarbamaat (2021) Vriezenveen-Daarle (I)

Desfenylchloradizon (2018 + 2021)

Strategische reservering (ASV)

Dithiocarbamaat (2021)

Geen stoffen boven de rapportagegrenzen (2018) Dithiocarbamaat (2021)

Dikegulac (2021; 9 x de norm) Bruchterveld (I)

* Bentazon (2018 + 2021)

AMPA (2018)

Strategische reservering (ASV)

AMPA (2018)

Dithiocarbamaat (2021)

Dithiocarbamaat (2021) * Sinds december 2022 is het gebruik van Bentazon in grondwaterbeschermingsgebieden verboden. Bron: Overijssels meetnet grondwaterkwaliteit

De gegevens laten zien dat gewasbeschermingsmiddelen ook in het grondwater van de grondwaterbeschermings- en intrekgebieden voorkomen. In totaal gaat het om acht stoffen. Ondiep grondwater In alle zeven gebieden zijn in totaal zeven gewasbeschermingsmiddelen in het ondiepe grondwater aangetroffen. Bij zes gebieden komen geen normoverschrijdingen voor. In Vriezenveen-Daarle komt de stof Dikegulac met een concentratie van 0,9 microgram per liter voor en dat is een overschrijding van 9 keer de norm. Diep grondwater In Hammerflier, Herikerberg en Goor zijn geen gewasbeschermingsmiddelen aangetroffen. In de andere vier gebieden zijn in totaal zes gewasbeschermingsmiddelen gevonden zonder normoverschrijdingen.

Gewasbeschermingsmiddelen in de Overijsselse drinkwaterwinningen Voor de Overijsselse drinkwaterwinningen zijn in 2023 de gebiedsdossiers bijgewerkt. Voor water dat wordt gebruikt voor menselijke consumptie zijn KRW-doelstellingen gemaakt. De waterkwaliteit van de winningen wordt getoetst aan: 1) geen achteruitgang van de waterkwaliteit (resultaatverplichting) 2) streven naar verbetering van de waterkwaliteit, zodat er minder water hoeft te worden 35

gezuiverd (inspanningsverplichting zonder vaste deadline) In de bijgewerkte gebiedsdossiers zijn de problemen en risico’s voor de drinkwaterwinningen in beeld gebracht. In 18 van de 22 beoordeelde drinkwaterwinningen (82 procent) komen gewasbeschermingsmiddelen in het onttrokken ruwwater, in de winputten of in het grondwater voor. De mate waarin is afhankelijk van de kwetsbaarheid van de ondergrond, de aanvoer van oppervlaktewater en hoe het land wordt gebruikt. In de winningen Deventer Ceintuurbaan, Deventer Zutphenseweg, Diepenveen en Hammerflier zijn geen gewasbeschermingsmiddelen gevonden. Het beeld in de drinkwaterwinningen sluit aan bij wat bovenin het grondwatersysteem wordt gemeten. In het provinciale meetnet grondwaterkwaliteit blijkt dat gewasbeschermingsmiddelen in het hele grondwatersysteem van Overijssel voorkomen. Drinkwaterwinningen staan niet op zich. Ze pompen weliswaar grondwater uit grotere diepte op, maar zijn onderdeel van dat grondwatersysteem en staan onder invloed daarvan. Bij de winning Engelse Werk zijn de concentraties zodanig dat deze leiden tot overschrijding van de KRW-signaleringswaarden in het gezamenlijk ruwwater. De stoffen bij Engelse Werk komen waarschijnlijk door infiltratie van oppervlaktewater van de IJssel. Voor deze drinkwaterwinning geldt een hoog risico en is in beeld gebracht wat daar aan maatregelen moet gebeuren.

Bij de winningen Archemerberg, Espelose Broek, Herikerberg en Wierden worden in individuele winputten overschrijdingen van de KRWsignaleringswaarde gemeten. Voor deze winningen geldt een matig risico en is ook in beeld gebracht wat daar moet gebeuren. In zeven winningen zijn gewasbeschermingsmiddelen gevonden zonder normoverschrijdingen en in zes winningen zijn gewasbeschermingsmiddelen aangetroffen met een normoverschrijding in het meetnet. Voor deze dertien winningen geldt een beperkt of verwaarloosbaar risico en er zijn geen restopgaven. Figuur 13 geeft weer de stand van zaken in de winningen weer.

36

Figuur 13. Beoordeling van de aanwezigheid van gewasbeschermingsmiddelen in de Overijsselse drinkwaterwinningen en benoemde risico’s. De kaart toont waar de winningen liggen inclusief het gebied waaruit het grondwater wordt onttrokken (gebiedsdossiers drinkwaterwinningen Overijssel 2023).

Vergelijking met landelijke data Het Nederlandse grondwater laat een breed gebruik van milieuvreemde en chemische stoffen zien. Vooral gewasbeschermingsmiddelen komen in hoge mate verspreid in het Nederlandse grondwater voor (60 procent van de monsters). In alle provincies zijn gewasbeschermingsmiddelen gevonden, maar het vaakst in Gelderland, Noord-Brabant, Limburg en Overijssel (in meer dan 70 procent van de monsters per provincie). De Europese kwaliteitseis wordt het vaakst overschreden in Limburg (88 procent van de filters) en Noord-Brabant (42 procent van de monsters). In 2018 lag Overijssel met 30,4 procent iets lager, maar in 2021 is het percentage normoverschrijdingen van de genomen monsters opgelopen tot 58 procent. Bronnen 1) KWR, 2020. Landelijk rapport Grondwaterkwaliteit Nederland 2020. 2) www.emissieregistratie.nl 3) KRW-factsheets | Het Waterkwaliteitsportaal 4) Afzet van gewasbeschermingsmiddelen, 2011-2021 | Compendium voor de Leefomgeving (clo.nl)

37

Natuur Tabel 11 geeft een overzicht van de hoeveelheid natuur dat nabij percelen ligt met intensieve teelten. Tabel 11 Oppervlakte van overlappende natuur in Overijssel bij afstandszonering tot akkers met intensieve teelten

<50 m

<50 afstand <100

<100 afstand <250

>250 m

Bestaande natuur

2.180

2.681

9.808

37.81 3

Bestaande natuur, water

116

162

651

6.610

Natuur of landschapselement buiten de NNN

1.962

1.486

3.654

4.269

Bestaande natuur

4%

5%

19%

72%

Bestaande natuur, water

2%

2%

9%

88%

Natuur of landschapselement buiten de NNN

17%

13%

32%

38%

Oppervlakte (ha)

Total

4.257

4.329

14.114

48.69 1

%

Total

6%

6%

20%

68%

Oppervlakte (ha)

%

Effectroutes gewasbeschermingsmiddelen op Natura 2000 Gewasbeschermingsmiddelen kunnen op een directe manier en op een indirecte manier effect hebben op Natura 2000-gebieden. Voor de vergunningplicht is het niet relevant of het effect direct of indirect optreedt. Een direct effect is acute toxiciteit bij planten en soorten door directe toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op habitats, Indirecte effecten kunnen mutagene/reprotoxische/carcinogene/hormonale (langetermijn)effecten op kenmerkende soorten zijn als gevolg van eventuele depositie door drift, verdamping, en verstuiving, afspoeling van percelen naar oppervlaktewater en uitspoeling naar grondwater. Ook kunnen kenmerkende soorten indirect gevolgen ondervinden van de effecten van gewasbeschermingsmiddelen op insecten en het bodemleven (bv. afname bestuivers leidt tot achteruitgang van kenmerkende soorten). De huidige kennis omtrent de chronische toxische effecten van de gevonden cocktails op de biodiversiteit is echter nog beperkt. Een meer omvattende duiding van de ecotoxicologische risico’s van de gevonden gehalten, ook in combinatie, is nog niet goed mogelijk. Tegelijkertijd constateren we ook een aanzienlijk gekrompen insecten-populaties, waardoor de essentiële 38

rol die deze insecten spelen bij de voedselproductie – in het bijzonder dankzij de bestuiving van de meeste groenten- en fruitgewassen – in het gedrang komt. Teelten bevinden zich op verschillende afstanden tot én binnen N2000 gebieden. Tabel 12 en Tabel 13 geven weer welke oppervlaktes in welke zones in en om de gebieden liggen. Hiermee is duidelijk dat een significant deel van de landbouwpercelen nabij N2000 ligt. Tabel 12 Oppervlakte van landbouwgrond in zones in en rondom N2000

Binnen 500 m - 1 N2000 0- 250 m 250 - 500 m km

Buiten 3 km 1 - 3 km zone

Grasland

7.274

6.945

6.527

11.859

37.805

68.626

Mais

267

1.355

1.459

2.626

8.142

19.022

Aardappelen

24

218

234

525

1.582

4.230

46

88

145

511

1.538

Bieten Tarwe

8

113

106

148

560

1.120

Gerst, zomer-

10

24

33

55

319

776

Sierteelt (bollen)

0

51

55

47

265

412

Uien

4

42

52

112

248

369

Overige gewassen

220

312

330

477

1.515

3.060

Tabel 13 Percentages van oppervlaktes landbouwgrond in zones in en rondom N2000

GEWAS (group)

Binnen 0- 250 N2000 m

250 500 m

500 m Buiten 3 1 km 1 - 3 km km zone

Grasland

5,2%

5,0%

4,7%

8,5%

27,2%

49,4%

Mais

0,8%

4,1%

4,4%

8,0%

24,8%

57,9%

Aardappelen

0,4%

3,2%

3,4%

7,7%

23,2%

62,1%

2,0%

3,8%

6,3%

22,0%

66,1%

5,5%

5,2%

7,2%

27,3%

54,5%

Bieten Tarwe

0,4%

39

Gerst, zomer-

0,8%

2,0%

2,7%

4,5%

26,2%

63,9%

Sierteelt (bollen)

0,0%

6,1%

6,6%

5,7%

31,9%

49,7%

Uien

0,5%

5,0%

6,3%

13,5%

30,0%

44,6%

Overige gewassen

3,7%

5,3%

5,6%

8,1%

25,6%

51,7%

Beheerplannen In het beheerplan worden activiteiten op gebiedsniveau beoordeeld. In onze huidige beheerplannen is de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen als onderdeel van regulier agrarisch gebruik overwegend vergunningvrij beoordeeld (categorie groen, 15 keer). Enkele keren is toepassing als vergunningvrij beoordeeld, mits beperkende maatregelen worden genomen (categorie geel, 3 keer), of is geconcludeerd dat onvoldoende informatie beschikbaar is om vast te stellen of er, en zo ja wat, het effect is van de beschreven activiteit op de instandhoudingsdoelstellingen. Er is nader onderzoek nodig (categorie oranje, 3 keer). De systematiek van het beheerplan is momenteel dat deze activiteiten zonder vergunning gecontinueerd mogen worden. Bij een herziening van het beheerplan zullen deze activiteiten echter opnieuw beoordeeld moeten worden en alleen van een vergunningplicht mogen worden vrijgesteld als uitgesloten is dat er negatieve effecten op Natura 2000-gebieden zullen optreden. De komende tijd zullen de beheerplannen worden herzien. Vaststelling van herzieningen is uiterlijk in 2028. Herzieningen komende tijd.

Vergunningverlening en handhaving Voor activiteiten die significante (negatieve) gevolgen kunnen hebben voor het N2000-gebied wordt alleen een vergunning verleend als uit een passende beoordeling blijkt de natuurlijke kenmerken van het gebied niet worden aangetast. In de praktijk ligt de bewijslast bij de initiatiefnemer: initiatiefnemers mogen activiteiten die potentieel negatieve effecten hebben op Natura 2000 niet uitvoeren, tenzij deze effecten objectief en naar wetenschappelijke standaarden zijn uitgesloten. Natura 2000 heeft externe werking. Dat betekent dat alle activiteiten die negatieve effecten kunnen hebben op Natura2000, beoordeeld moeten worden, ook as deze activiteiten plaatsvinden buiten Natura 2000 Vanwege de aard van gewasbeschermingsmiddelen zijn (in)directe effecten op Natura 2000 niet uit te sluiten. Dit betekent dat in en rondom Natura 2000 alleen gewasbeschermingsmiddelen mogen worden toegepast als negatieve effecten van die toepassing op het Natura 2000-gebied objectief en naar wetenschappelijke standaarden zijn uitgesloten.

40

Onderzoek naar effecten van gewasbeschermingsmiddelen op Natura 2000 is complex Onderzoek is complex vanwege de hoeveelheid van te onderzoeken relaties. Een toegelaten actieve stof komt meestal voor in meerdere producten met verschillende draagstoffen en additieven. De (juridische) vraag is of de effecten op habitattypen en -soorten dan op stofniveau of productniveau moeten worden uitgesloten. Voorts bestaan habitattypen niet uit één plant- of diersoort, maar uit meerdere voor dat habitattype kenmerkende soorten. Dat betekent dat het effect van de actieve stoffen of producten op alle kenmerkende soorten beoordeeld moet worden. Het voornoemde betreft alleen de directe effecten van één actieve stof op de kenmerkende soorten van een habitattype. Het kan echter zijn dat een combinatie van actieve stoffen leidt tot andere effecten. Dit kan voordeliger of nadeliger uitpakken. Zo zijn er producten met meerdere actieve stoffen en slaan op een habitattype vaak meerdere gewasbeschermingsmiddelen neer. Van het gecombineerde effect (combitoxiciteit) van meerdere actieve stoffen moet worden onderzocht of dit afwijkt van de effecten van de losstaande actieve stoffen.

Overzicht juridische procedures Verzoek Meten = Weten verbod op 14 middelen 2021 In oktober 2021 heeft Meten = Weten ons verzocht handhavend op te treden tegen de toepassing van 14 gewasbeschermingsmiddelen omdat negatieve effecten op Natura 2000gebieden door hun vluchtigheid op elke afstand niet uit te sluiten valt. Naar aanleiding van dit verzoek is een interprovinciale juridische werkgroep opgericht. Een aantal provincies heeft besloten op het handhavingsverzoek, die procedures bevinden zich nu in de bezwaaren beroepsfase. Overijssel heeft bewust nog niet besloten op het verzoek. Uit de bezwaarprocedures van andere provincies is destijds gebleken dat Meten = Weten een provinciaal verbod nastreeft in plaats van handhaving. Daarop is aan Meten = Weten medegedeeld dat wij het verzoek integraal oppakken en dat het verzoek te zijner tijd aan PS ter besluitvorming zal worden doorgezonden. Deze voorliggende GS-nota is onderdeel van de integrale reactie op het verzoek. Handhavingsverzoek Meten = Weten bollenteelt Lemelerveld 2021 In augustus 2021 verzocht Meten = Weten ons om handhavend op te treden tegen een bollenteler in de nabijheid van Natura 2000-gebied Vecht- en Beneden Reggegebied. Dit verzoek ging hoofdzakelijk over grondwateronttrekkingen en is later uitgebreid met gewasbeschermingsmiddelen.

De rechtbank Overijssel heeft het beroep van M=W tegen onze afwijzing van het verzoek in juni 2024 ongegrond verklaard. Meten = Weten heeft aangegeven in hoger beroep te gaan. 41

Raad van State 2 april 2025 Er is meer onderzoek nodig naar de gevolgen voor de natuur bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de lelieteelt. Uit het beschikbare onderzoek kan namelijk niet uitgesloten worden dat deze middelen negatieve gevolgen hebben voor Natura 2000gebieden. Milieudefensie vroeg het college van gedeputeerde staten van Drenthe om handhavend op te treden tegen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen door een lelieteler in Vledder. Volgens de milieuorganisatie tasten die middelen het nabijgelegen Natura 2000-gebied Holtingerveld aan en beschikt de teler niet over een natuurvergunning. Het college wees het verzoek af, omdat er volgens hem geen sprake is van een overtreding van de natuurbeschermingsregels. Later vernietigde de rechtbank Noord-Nederland dat besluit en droeg het college op om een nieuw besluit te nemen. Er is nog veel onbekend over de mogelijke effecten van gewasbeschermingsmiddelen in de lelieteelt voor Natura-200 gebieden. Maar uit wat Milieudefensie in deze zaak naar voren heeft gebracht, wordt wel duidelijk dat er effecten kunnen zijn. Zo zijn er concentraties gewasbeschermingsmiddelen in het Holtingerveld gevonden die mogelijk negatieve effecten kunnen hebben op onder andere insecten en beschermde habitatsoorten. Aan zulke mogelijke negatieve effecten mag niet worden voorbijgegaan.

Dat volgt uit het voorzorgsbeginsel dat ten grondslag ligt aan de Europese Habitatrichtlijn en natuurbeschermingsregels. Wanneer onzeker is welke gevolgen een activiteit heeft voor een Natura 2000-gebied, maar er wel aanwijzingen zijn voor negatieve gevolgen, is nader onderzoek noodzakelijk. Zolang dat ontbreekt, moet uit voorzorg worden aangenomen dat een natuurvergunning nodig is. Net als de rechtbank vindt de Afdeling bestuursrechtspraak dan ook dat het college het handhavingsverzoek niet had mogen afwijzen, zolang negatieve effecten voor het Holtingerveld niet uitgesloten zijn. Het college van gedeputeerde staten voerde in deze zaak aan dat een afstand van 250 meter voldoende zou zijn om negatieve gevolgen van gewasbeschermingsmiddelen voor het Natura 2000-gebied uit te sluiten. Maar naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak is die afstand niet wetenschappelijk onderbouwd. Bovendien komt die afstand van 250 meter uit een onderzoek naar effecten van gewasbeschermingsmiddelen op omwonenden, terwijl het in deze zaak ging om de effecten op beschermde natuur. Ook het feit dat het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) de gebruikte gewasbeschermingsmiddelen had toegelaten, maakt het oordeel in deze zaak niet anders.

De beoordeling die het Ctgb maakt bij de toelating van gewasbeschermingsmiddelen is namelijk een andere dan het college moet maken bij besluiten op grond van de Wet natuurbescherming. Ter uitvoering van de opdracht van de rechtbank heeft het college een nieuw besluit genomen. Daarin stelde het college zich op het standpunt dat de lelieteler de 42

natuurbeschermingsregels wel overtreedt door gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken bij lelieteelt. Het college besloot daarom een waarschuwing te geven. Daar was Milieudefensie het ook niet mee eens, maar de Afdeling bestuursrechtspraak gaat daar niet in mee. Een waarschuwing biedt de teler een herstelmogelijkheid voordat het college overgaat tot handhaving. Met de waarschuwing heeft de teler de mogelijkheid om aan te tonen dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen geen negatieve gevolgen heeft voor het Natura 2000-gebied. Als zulke gevolgen niet uitgesloten kunnen worden, zal hij voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen een natuurvergunning moeten aanvragen.

43

Milieu en gezondheid/gezondheid omwonenden Naast de zorg over de milieukwaliteit, is er een toenemende maatschappelijke zorg over het gebruik van en onze blootstelling aan chemicaliën. Dit speelt vooral rondom bedrijven, landbouwpercelen en stoffen van bronnen binnenshuis[37]. De daadwerkelijke gezondheidsrisico’s en de ziektelast door blootstelling aan deze stoffen/middelen zijn moeilijk vast te stellen. Dit komt voornamelijk doordat de feitelijke blootstellingsniveaus vaak onbekend zijn. Ook zijn causale verbanden tussen blootstelling en gezondheidseffecten niet altijd duidelijk, vooral wanneer het gaat om blootstelling aan lage concentraties over een langere periode. De gezondheidseffecten van blootstelling zijn bovendien divers. Er is wetenschappelijk bewijs dat blootstelling aan verschillende stoffen (w.o. die in gewasbeschermingsmiddelen) kan leiden tot onder andere (een verhoogd risico op) aandoeningen zoals allergieën, astma, neurologische aandoeningen, reproductiestoornissen, aandoeningen van het immuunsysteem, hart- en vaatziekten, diabetes en enkele kankersoorten. Om een indicatie te krijgen voor de hoeveelheid woningen en gevoelige objecten nabij percelen met intensieve gewassen is aan de hand van afstanden een berekening gemaakt. Deze staan weergegeven in Tabel 14 en Tabel 15.

Tabel 14 Aantal woningen in Overijssel overlappend met afstandszonering tot akkers met intensieve teelten

woningen

<50 afstand <100

<50 m

<100 afstand <250

>250m

Aantal 11.608

14.809

59.918

408.578

2%

3%

11%

75%

Aandeel Tabel 15 Aantal gevoelige objecten overlappend met afstandszonering tot akkers met intensieve teelten

Overige objecten

Gezondheidsen welzijnszorg

Aantal Gevoelige objecten

50

Geestelijke gezondheids- en verslavingszorg met overnachting

100

Percentage

250

>250

50

3

4

50

Gezondheidscentra

1

2

Huizen en dagverblijven voor nietverstandelijk gehandicapte

2

4

Huizen en dagverblijven voor verstandelijk gehandicapten

21

27

100

250

>250

5%

7%

88%

14

6%

12%

82%

6

35

4%

9%

13%

74%

75

469

4%

5%

13%

79%

44

Onderwijs

Jeugdzorg met overnachting en dagverblijven voor jeugdzorg

12

6

22

109

8%

4%

15%

73%

Kinderopvang

46

59

222

1.32 6

3%

4%

13%

80%

Maatschappelijk opvang met overnachting

2

1

3

41

4%

2%

6%

87%

Ondersteuning en begeleiding van gehandicapten

18

11

58

455

3%

2%

11%

84%

Verpleeghuizen

1

3

7

60

1%

4%

10%

85%

Verzorgingshuizen

2

4

20

129

1%

3%

13%

83%

Welzijnswerk voor ouderen

1

4

5

71

1%

5%

6%

88%

Overig sport- en recreatieonderwijs

29

48

145

1.08 0

2%

4%

11%

83%

Universitair hoger onderwijs

1

1

4

13

5%

5%

21%

68%

Totaal

139

168

573

3.85 2

3%

4%

12%

81%

In gewasbeschermingsmiddelen en biociden worden verschillende stoffen gebruikt. Deze zijn te onderscheiden in werkzame stoffen en formuleringsstoffen. Het gevaar van deze stoffen wordt beoordeeld aan de hand van de verwachte blootstelling aan het middel. In het geval dat het middel als veilig wordt beoordeeld, mag deze toegepast worden. Effecten op het milieu worden vervolgens beperkt gemonitord. Grond- en oppervlaktewaterkwaliteit is een van de factoren waar consequente monitoring plaats vind. Dit kan alleen voor de stoffen die toetsbaar zijn. Er zijn zorgen over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, met name waar het gaat om de rol van gewasbeschermingsmiddelen en het ontstaan van neurodegeneratieve ziekten, zoals de ziekte van Parkinson, Alzheimer en ALS. Deze ziekten ontstaan door een combinatie van factoren zoals ouderdom, leefstijl en omgevingsfactoren, waaronder langdurige blootstelling aan stoffen in het milieu of op het werk. Dit maakt het moeilijk om één stof als oorzaak aan te wijzen. Het gebruik van een aantal (oude) gewasbeschermingsmiddelen (zoals rotenon, paraquat, diquat, maneb en mancozeb) is mogelijk geassocieerd met de ziekte van Parkinson. Deze stoffen zijn inmiddels in Nederland niet meer toegelaten.

Er is één wetensschappelijk verdachte stof (metiram) welke momenteel in Europa opnieuw beoordeeld wordt maar waarvoor nog een oude toelating geldt – deze stof is de afgelopen jaren in Nederland niet als gewasbeschermingsmiddel verkocht.

45

Gewasbeschermingsmiddelen zijn mogelijk betrokken bij het ontstaan van Parkinson, maar daarop worden deze middelen nog onvoldoende getest. Onderzoekers van Radboudumc, het Nederlands Herseninstituut en het RIVM willen hier verandering in brengen. Ze adviseren een systematische testaanpak voor pesticiden, waarin ze dierenleed zoveel mogelijk beperken. Towards improved Screening of Toxins for Parkinson’s Risk. L. Shan, H.J. Heusinkveld, K.C. Paul, S. Hughes, S.K.L. Darweesh, B.R. Bloem, J.R. Homberg. DOI: 10.1038/s41531-02300615-9. Het herbicide glyfosaat staat al enige tijd ter discussie als het gaat om de gezondheid van gebruikers en omwonenden. Er is jaren geleden onrust ontstaan omdat glyfosaat mogelijk kankerverwekkend zou zijn. Sindsdien blijft ongerustheid over dit product met regelmaat terugkomen in de politieke en publieke discussie, reden dat we het hier specifiek bespreken. De Europese Voedsel Autoriteit (EFSA) heeft een uitgebreid onderzoek laten doen in het kader van de verlenging van de toelating van glyfosaat. De conclusie daarvan is dat er geen ‘kritisch punten’ (lettterlijk: did not identify critical areas of concern) naar voren zijn gekomen, maar dat er desondanks wel wat kleine onzekerheden zijn in de risicobeoordeling.

Niet-toetsbare stoffen Naast de (bekende) stoffen die worden gemeten, zijn er ook stoffen die niet-toetsbaar zijn. Dit komt door de norm waarvoor de analysemethode niet specifiek genoeg is. Het is van belang om het gebruik van deze middelen in beeld te hebben. Sinds begin 2024 is er een methode ontwikkeld om het grootste deel van deze stoffen aan te kunnen tonen [38]. Desondanks zijn 2 werkzame stoffen, deltamethrin (factor 160) en λ-cyhalothrin (factor 10), tot op heden niet toetsbaar. Tabel 16 geeft weer wat de toepassing en in welke gewassen de toepassing is. Tabel 16 Niet-toetsbare gewasbeschermingsmiddelen en biociden en de toepassing

Middel

Toepassing

Gewas

Deltamethrin

Biocide en gewasbescherming

Pootaardappel, Tarwe, Gerst, Koolzaad, Aardbei, komkommer, tomaten, paprika’s, sluitkool, spruitkool, zaai-uien, poot- en plantuien, asperges, prei, lelies, gladiolen, hyacinten, bladplanten, potplanten, chrysanten, 46

bloemkwekerijgewasse n, laan- en parkbomen, bos- en haagplantsoen, vruchtbomen, vaste planten λ-cyhalothrin

Biocide en gewasbescherming

Pootaardappelen, tarwe, gerst, witlofwortel, sluitkool, spruitkool, zaai-uien, poot- en plantuien, prei, tulpen open grond, lelies, narcissen, hyacinten, bloemkwekerijgewasse n, bos- en haagplantsoen, vaste planten

Uit een inventarisatie blijkt dat er alternatieven zijn voor toepassing van niet-toetsbare stoffen[39]. De toelating voor een deel van deze alternatieven is recentelijk vervallen of vervalt binnenkort. Dit benadrukt het belang van robuuste teeltsystemen. Waarin de landbouwer niet afhankelijk is van bepaalde middelen in het agrarisch management.

Gewasbeschermingsmiddelen en PFAS Een tweede aandachtspunt in gewasbeschermingsmiddelen en biociden zijn de stoffen die vallen onder PFAS, de ZZS-lijst en de pZZS-lijst. Deze middelen zijn voor mens, dier en milieu veilig bevonden bij gebruik. Uit een inventarisatie blijkt dat circa 20% van de toegelaten gewasbeschermingsmiddelen en biociden een stof op de ZZS lijst bevat, en 10% een stof op de pZZS-lijst[40]. Bij gewasbeschermingsmiddelen gaat het met name om formuleringshulpstoffen. Voor biociden geldt dit ook, maar is 45% het aandeel toegepast werkzame stoffen. Stoffen met gevaareigenschappen kunnen hierdoor als veilig worden beoordeeld. Dit kunnen stoffen zijn die vallen onder PFAS, de ZZS-lijst of de pZZS (potentiele zeer zorgwekkende stoffen). Daarnaast is het gebruik van PFAS-middelen toegestaan. Circa 5% van de gewasbeschermingsmiddelen en biociden samen bevat een werkzame stof die onder PFAS valt. 27 van deze stoffen zijn opgenomen in het CTGB toelatingsregister[41]. Er zijn 105 toegelaten gewasbeschermingsmiddelen en 3 toegelaten biociden die onder de definitie PFAS 47

vallen[42]. Daarnaast bevatten 5 toegelaten gewasbeschermingsmiddelen en 1 toegelaten biocide PFAS als hulpstof. Het gaat hierbij om de 3 hulpstoffen Trans-1,3,3,3-tetrafluoroprop1-ene, bis(perfluoroalkyl (C6-C12)) fosforzuur-, en perfluoroalkyl (C6-C12) fosforzuur3. Deze middelen zijn getoetst door het Ctgb en in dat kader veilig bevonden. Ondanks dat deze stoffen in de ZSS-lijst, pZZS-lijst of PFAS voorkomen, hoeft dit niet direct als zorgwekkend beoordeeld te worden. Het toelatingsbeleid met een risicobeoordeling op middelniveau zorgt ervoor dat alleen middelen die bij gebruik veilig zijn voor mens, dier en milieu worden toegelaten. Bij het toewerken naar een emissiearme landbouw en gezonde leefomgeving is het wenselijk om in te zetten op alternatieven. Vanuit de landelijke politiek wordt toegezien op de juiste beoordelings- en monitoringsmethodologie.

GS van Overijssel besloot in 2018 tot de initiatief- of voortrekkersrol bij het ontwikkelen van de regio-specifieke aandachtspunten voor ZZS. Zij namen hiermee het advies over van het adviesbureau Sweco dat in opdracht van hen onderzoek deed naar de Overijsselse harmonisatie van het gebruik én het kunnen toezien op de naleving van deze ZZS. Dit betekent dat zij een ‘kennisnetwerk risicovolle stoffen’ met de omgevingsdiensten, gemeenten en waterschappen in Overijssel tot stand gaan brengen waarin gezamenlijk op de regio toegesneden (kennis)projecten uitgevoerd en handvatten opgesteld worden. Lessons learned stemmen zij af met het ministerie IenW en andere landelijke platforms in het kader van de nationale aanpak en impulsprogramma chemische stoffen 2023-2026. De GGD’en in Overijssel ontvangen nauwelijks meldingen van gezondheidsklachten die gerelateerd zijn aan gewasbeschermingsmiddelen gebruik door telers. Bij het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC) betreft 4% van alle meldingen een blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen en desinfectantia, waarbij de blootstelling aan desinfectantia overheerst (Jaaroverzicht 2022). De blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen betreft vooral accidentele blootstellingen van niet-professionele gebruikers aan niet-professionele middelen.

Onderzoek Het is in zijn algemeenheid niet bekend of en hoe groot het gezondheidsrisico van omwonenden is als gevolg van blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen uit de omgeving. Aangezien de toelatingssystematiek waar het gaat om het testen van gewasbeschermingsmiddelen op het induceren van de ziekte van Parkinson niet waterdicht is wordt er internationaal gewerkt aan een gevoelige testmethode. Het RIVM heeft opdracht gekregen om de mogelijke gezondheidseffecten, waaronder de ziekte van Parkinson, van de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen van agrariërs en omwonenden te onderzoeken. Dit is op basis van een advies van de Gezondheidsraad (2020).

48

Een belangrijk onderdeel van het Onderzoek Blootstelling en Omwonenden (2) is het doorontwikkelen van een model dat de blootstelling van omwonenden in kaart kan brengen. Hiervoor hebben onderzoekers een protocol opgesteld. Het is voor mij van groot belang dat de resultaten van dit onderzoek bruikbaar zijn op Europees niveau. Daarom zijn de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA) en het Ctgb betrokken bij de klankbordgroepen. Daarnaast zijn er onder andere twee deelonderzoeken gestart naar de relatie tussen de blootstelling van omwonenden aan gewasbeschermingsmiddelen en de ziekte van Parkinson. Bij deze onderdelen zijn onderzoekers van het RadboudUMC en Institute for Risk Assessment Sciences (IRAS) van de Universiteit Utrecht betrokken. Deze instituten zijn specialisten op het gebied van de ziekte van Parkinson en blootstelling aan verschillende componenten in de leefomgeving. Tot slot is het uitermate belangrijk dat het brede publiek het onderzoek goed kan volgen. Op de website www.gewasbeschermingsmiddelen-omwonenden.nl worden alle ontwikkelingen en resultaten van het onderzoek gepubliceerd[43]. Uit buitenlands onderzoek komen aanwijzingen voor een verband tussen blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen en de kans op gezondheidsschade, zoals de ziekte van Parkinson en ontwikkelingsstoornissen bij kinderen.

De uitkomsten van onderzoek in Nederland zijn minder uitgesproken, maar kunnen de ongerustheid ook niet wegnemen. Er zijn aanwijzingen dat mensen die in het verleden lang met sommige gewasbeschermingsmiddelen hebben gewerkt, zoals telers, een grotere kans hebben om ziekten te krijgen die het zenuwstelsel aantasten (neurodegeneratieve ziekten). Voorbeelden daarvan zijn de ziekte van Parkinson en Alzheimer. Uit eerder onderzoek van het RIVM bleek dat er voor vijf stoffen sterke aanwijzingen zijn dat ze neurodegeneratieve ziekten kunnen veroorzaken. Deze stoffen mogen niet meer in de Europese Unie worden gebruikt. Ook bleek dat de vereiste informatie voor de risicobeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen moet worden verbeterd om mogelijke gevolgen als de ziekte van Parkinson te kunnen onderzoeken. Er wordt nu onderzocht hoe de risicobeoordeling verder kan worden verbeterd. Vooruitlopend hierop heeft het RIVM gekeken of er op dit moment stoffen worden gebruikt die lijken op deze vijf verboden stoffen. Stoffen met een vergelijkbare chemische structuur kunnen soortgelijke effecten veroorzaken. Als dat zo is, dan zouden maatregelen wenselijk zijn om de eventuele risico’s voor telers te verkleinen. Hier blijkt weinig informatie over te zijn.

Maar in de beschikbare informatie heeft het RIVM één stof gevonden (metiram) waarvan op basis van de structuur wordt verwacht dat deze neurodegeneratief kan zijn. Deze stof wordt in Nederland heel weinig gebruikt en naar verwachting niet opnieuw goedgekeurd tijdens de nu lopende Europese herbeoordeling. In afwachting van deze herbeoordeling is er volgens het RIVM nu geen reden om extra maatregelen te nemen.[44]

49

Meer onderzoek zal op korte termijn geen duidelijkheid geven en de toelatingsprocedure voor de middelen kan nooit alle risico’s uitsluiten. Daarom adviseert de Gezondheidsraad voorzorg toe te passen, door het streven naar vermindering van de afhankelijkheid van de landbouw van chemische gewasbeschermingsmiddelen te intensiveren. Ook voorlichting en handhaving zijn van belang, want telers blijken veilig werken niet altijd genoeg prioriteit te geven. De raad adviseert goed te registreren welke middelen op welke percelen gebruikt worden en de blootstelling van mensen aan gewasbeschermingsmiddelen periodiek te meten aan de hand van afbraakproducten in bijvoorbeeld urine. Tot slot adviseert de raad door te gaan met verbetering van de toelatingsprocedure. In een vervolgadvies (april 2024) adviseert de raad om een biomonitoringsprogramma in te richten dat bestaat uit regelmatige, herhaalde metingen in lichaamsmateriaal bij een representatieve groep deelnemers. Hierdoor kan de totale blootstelling vanuit verschillende bronnen tegelijk worden gemeten en worden risicogroepen in beeld gebracht. Ook kan de overheid trends in blootstelling in beeld krijgen en meetgegevens vergelijken van locaties waarover zorgen zijn.

Door het meetprogramma kan de overheid burgers beter beschermen tegen schadelijke blootstelling.[45] Het ministerie van IenW vroeg het RIVM naar het voorkomen van Zeer Zorgwekkende Stoffen in het milieu als gevolg van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. In ongeveer 20 procent van de gewasbeschermingsmiddelen in Nederland zitten ZZS. In ongeveer 10 procent zitten stoffen die ervan worden verdacht ZZS te zijn, en in ongeveer 5 procent per- en polyfluoralkylstoffen (PFAS(Per- en polyfluoralkylstoffen)). Het toelatingsbeleid voor gewasbeschermingsmiddelen accepteert alleen aanvaardbare risico’s voor mens, dier en milieu. Dat geldt ook voor de gewasbeschermingsmiddelen die deze stoffen bevatten. Het RIVM wijst er wel op dat het huidige Nederlandse ZZS-beleid bedoeld is om ZZS uit het milieu te weren. Het ZZS-beleid heeft voor een deel dezelfde zorgwekkende stoffen in beeld als het toelatingsbeleid voor gewasbeschermingsmiddelen. Maar er zijn ook verschillen. Zo is de definitie van een zorgwekkende stof in een bestrijdingsmiddel net iets anders dan de definitie van een ZZS. Hierdoor is een zorgwekkende stof in het ZZS-beleid soms geen zorgwekkende stof in een bestrijdingsmiddel, en andersom. Het RIVM geeft mogelijkheden om de verschillen tussen de twee soorten regels te verkleinen.

Bijvoorbeeld door de verschillende definities van wat een zorgwekkende stof is op elkaar af te stemmen. Het RIVM beveelt aan ook te onderzoeken in welke hoeveelheden de verschillende gewasbeschermingsmiddelen met ZZS worden gebruikt.[46]

50

Omgevingswet Een van de hoofddoelen van de Omgevingswet is om de gezondheid een plek te geven binnen de fysieke leefomgeving. De fysieke leefomgeving heeft invloed op de gezondheid van mensen. In een omgeving die gezond gedrag stimuleert, zijn de bewoners over het algemeen gezonder dan in een omgeving die daar niet op is ingericht. Het voorzorgsbeginsel in de omgevingswet beoogt geen ruimere toepassing te bieden dan (nu) al mogelijk is. Toepassing stelt (echter) hoge eisen aan de onderbouwing en de motivering; tenminste aangetoond moet zijn: • de bepaling van de potentieel schadelijke gevolgen; • de evaluatie van de beschikbare wetenschappelijke gegevens; • de mate van wetenschappelijke onzekerheid. Jurisprudentie De rechtbank in Roermond verbood recent een akkerbouwer uit Maasbree het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij de teelt van lelies op een perceel dat grenst aan de dorpsrand van Sevenum[47]. De voorzieningenrechter is met de omwonenden van oordeel dat niet alleen voor de overheid maar ook voor de voorzieningenrechter in kort geding ruimte bestaat om op grond van het voorzorgsbeginsel het gebruik van al toegelaten gewasbeschermingsmiddelen in bepaalde gevallen en onder bepaalde omstandigheden te verbieden of te beperken.

De rechter is het -in kort geding- met de 35 omwonenden eens dat er een reële kans bestaat op gezondheidsschade van de omwonenden en hun kinderen door het gebruik van de vele gewasbeschermingsmiddelen die bij deze teelt worden ingezet. Het verweer dat het Ctgb de middelen als veilig test en goedkeurt voor de Nederlandse markt, betekent volgens de rechter nog niet dat deze veilig zijn en er geen risico bestaat op neurodegeneratieve ziektes voor omwonenden of ontwikkelingsstoornissen bij hun kinderen. Bij het testen van de middelen wordt namelijk niet getest op neurologische gevolgen die pas op de lange termijn optreden, zoals de ziekte van Parkinson, of op ontwikkelingsstoornissen van kinderen. Volgens de rechter is het duidelijk dat gewasbeschermingsmiddelen gezondheidsschade kunnen opleveren. Daarbij verwijst ze naar rapporten van de Gezondheidsraad en het RIVM uit 2020 en 2021. De rechter haalt ook een RIVM-onderzoek uit 2019 aan, waaruit zou blijken dat restanten van gewasbeschermingsmiddelen zijn aangetroffen in de buitenlucht bij woningen tot wel 250 meter afstand en zelfs in het huisstof en op de deurmat en in de urine van omwonenden. Dit terwijl er tijdens het spuiten geen meetbare 'drift' was, doordat de wind tijdens het spuiten niet gericht was op de huizen van de bewoners.

Ook de spuitmachine, voorzien van driftreductie, die de teler wil gaan gebruiken, is volgens de rechter niet afdoende om gezondheidsschade te voorkomen. 51

De kortgedingrechter vindt daarom dat er reële kans is op gezondheidsschade bij de omwonenden en hun kinderen. Het voorkomen van mogelijke gezondheidsschade vindt de rechter belangrijker dan het commerciële belang van de teler.

Ook op Rijksniveau zijn er veel ontwikkelingen omtrent gewasbeschermingsmiddelen. Zo wordt er gewerkt aan verschillende moties en onderzoeken[48]

52

Referenties [1] CLM | Particulier gebruik van gewasbeschermingsmiddelen onder de loep | CLM Onderzoek en Advies [2] RIVM | Particulier gebruik van gewasbeschermingsmiddelen | RIVM [3] Infomil | Bedrijven en milieuzonering [4] Bestrijdingsmiddelenatlas | Atlas Gewasbeschermingsmiddelen in oppervlaktewater (bestrijdingsmiddelenatlas.nl) [5] Parkinson vereniging | Parkinson en pesticiden - Parkinson Vereniging (parkinson-vereniging.nl) [6] Rijksoverheid | Toekomstvisie gewasbescherming 2030, naar weerbare planten en teeltsystemen | Publicatie | Rijksoverheid.nl [7] Rijksoverheid | https://www.toekomstvisiegewasbescherming2030.nl/onderwerpen/strategischdoel-planten-en-teeltsystemen-zijn-weerbaar/documenten/rapporten/2023/02/12/ministerie-vanlnv---overzicht-van-lopende-onderzoekstrajecten-bijdragend-aan-het-uitvoeringsprogrammagewasbescherming [8] Dit is: > 20 kg/ha (2016) [9] CBS | Landbouw; gewassen, dieren en grondgebruik naar regio [10] CBS | Landbouw; gewassen, dieren en grondgebruik naar regio. Intensieve teelten [11] CLO | Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de landbouw per gewas, 2012-2016-2020 | Compendium voor de Leefomgeving [12] WUR | Impact van stoppen van gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in grondwaterbeschermingsgebieden [13] Provincie Overijssel |Landbouwvisie Overijssel 2040 – Naar een nieuwe balans.

Conceptversie ten behoeve van externe consultatie [14] WEcR | Jaarlijkse actualisatie van prijzen en opbrengsten (KWIN-AGV). Wageningen economic research (2024). https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2024/09/Gewasprijzen-akkerbouw2024.pdf [15] Agrimatie | Ontwikkeling gemiddelde opbrengsten per bloembollenbedrijf (2024). Agrimatie. agrimatie.nl/ThemaResultaat.aspx?indicatorID=2079&sectorID=2234&subpubID=2232&themaID=22 72&utm_source=chatgpt.com [16] van Galen, M., Baltussen, W., Gardebroek, K., Hercegliç, N., et al (2021). Agro-Nutri Monitor 2021 – Achtergrondrapport. Monitoring prijsvorming voedingsmiddelen en analyse belemmeringen voor verduurzaming. https://edepot.wur.nl/549562 [17] Thangasamy, A., Gorrepati, K., Ahammed, T. P. S., Savalekar, R. K., Banerjee, K., V, S., & Chavan, M. K. (2017). Comparison of organic and conventional farming for onion yield, biochemical quality,

53

soil organic carbon, and microbial population. Archives of Agronomy and Soil Science, 64(2), 219– 230. https://doi.org/10.1080/03650340.2017.1341045 [18] David, C., Celette, F., Abecassis, J., Carcea, M., Friedel, J.K., Corre-Hellou, G., Hiltbrunner, J., Messmer, M.M., Peigné, J., Samson, M., Schweinzer, A., Thomsen, I.K., & Thommen, A. (2011). New challenges to improve organic bread wheat production in Europe. [19] Smoluk-Sikorska, J. (2023). PRICE RELATIONS OF ORGANIC AND CONVENTIONAL FRUIT AND VEGETABLES. Annals PAAAE, XXV(4), 378-390. https://doi.org/10.5604/01.3001.0053.9680. [20] Prijsverschil biologische en niet-biologische voeding weer iets kleiner. Biojournaal (2025). https://www.biojournaal.nl/article/9630071/prijsverschil-biologische-en-niet-biologische-voedingweer-iets-kleiner/?utm_medium=email [21] Veltman, A. (2023). Teelt biedt kansen, maar markt is ‘er nog niet klaar voor’. Nog geen biologische suikerbieten in Nederland. Ekoland nr 3. https://www.ekoland.nl/artikel/669391-noggeen-biologische-suikerbieten-in-nederland/ [22] Zie studies: Riemens, M., Huiting, H., Deru, J., van Schooten, H., van der Schans, D., Verloop, K., Aarts, F., van der Weide, R. (2013). Duurzaam bodembeheer maïs. Louis Bolk. https://www.louisbolk.nl/sites/default/files/publication/pdf/2778.pdf Van Rossum, M (2023). Geïntegreerde onkruidbestrijding in mais niet duurder.

Nieuwe Oogst Lechenet M, Bretagnolle V, Bockstaller C, Boissinot F, Petit M-S, et al. (2014) Reconciling Pesticide Reduction with Economic and Environmental Sustainability in Arable Farming. PLoS ONE 9(6): e97922. https://doi.org/10.1371/journal.pone.0097922 Jean-Philippe Boussemart, Hervé Leleu, Oluwaseun Ojo, Could society's willingness to reduce pesticide use be aligned with farmers' economic self-interest?, Ecological Economics 70(10): https://doi.org/10.1016/j.ecolecon.2011.05.005 . [23] Ohlen, B. (2023). De precisielandbouwtechnieken welke door loonbedrijven rendabel toepasbaar zijn. Aeres Hogeschool Dronten [24] Sanyaolu, M., & Sadowski, A. (2024). The Role of Precision Agriculture Technologies in Enhancing Sustainable Agriculture. Sustainability, 16(15), 6668. https://doi.org/10.3390/su16156668 [25] CLO | Bedrijfsgrootte en economische omvang landbouwbedrijven, 2000-2021 | Compendium voor de Leefomgeving: https://www.clo.nl/indicatoren/nl212211-bedrijfsgrootte-en-economischeomvang-landbouwbedrijven-2000-2021 [26] Riemens, M., Huiting, H., Deru, J., van Schooten, H., van der Schans, D., Verloop, K., Aarts, F., van der Weide, R. (2013). Duurzaam bodembeheer maïs. Louis Bolk.

https://www.louisbolk.nl/sites/default/files/publication/pdf/2778.pdf [27] Middelengebruik akkerbouw daalt, kosten stijgen: https://agrimatie.nl/ThemaResultaat.aspx?subpubID=2232&themaID=2275&indicatorID=2072 [28] Klinnert, A., Barbosa, A.L., Catarino, R. et al. Landscape features support natural pest control and farm income when pesticide application is reduced. Nat Commun 15, 5384 (2024). https://doi.org/10.1038/s41467-024-48311-3 [29] Tortosa, A., Giffard, B., Sirami, C. et al. Increasing landscape heterogeneity as a win–win solution to manage trade-offs in biological control of crop and woodland pests. Sci Rep 13, 13573 (2023). https://doi.org/10.1038/s41598-023-40473-2 Klinnert, A., Barbosa, A.L., Catarino, R. et al. Landscape features support natural pest control and farm income when pesticide application is reduced. Nat Commun 15, 5384 (2024). https://doi.org/10.1038/s41467-024-48311-3

54

[30] Aleksejs Nipers, Irina Pilvere, Ilze Upite, Agnese Krievina, Aija Pilvere, (2024). When pesticide reduction objectives meet business as usual: Possible impacts on the crop sector in Latvia. Resources, Environment and Sustainability 15. https://doi.org/10.1016/j.resenv.2023.100145 . [31]Meissle M, Romeis J, Bigler F. Bt maize and integrated pest management--a European perspective. Pest Manag Sci. 2011 Sep;67(9):1049-58. https://doi.org/10.1002/ps.2221 . [32] EFSA | Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA) - EU monitor [33] CTGB | Ctgb past werkwijze aan na uitspraak Europees Hof | Nieuwsbericht | College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden [34] RIVM | Bestrijdingsmiddelen | RIVM [35] In de praktijk wordt veelal een afstand van 50m tot gevoelige functies aangehouden. Die blijkt tot nu toe volhoudbaar.

[36] RVO | Alles over bufferstroken 2023 (rvo.nl) [37] Gezondheidsraad | Gezondheidsraad 25 april 2024 [38] Ferdinand van Sloten (Aqualysis) (2024) ‘Niet-toetsbare stoffen’ meetbaar met nieuwe methode [39] NVW | NVW (2023) Inventarisatie van alternatieven voor toepassing van niet-toetsbare stoffen [40] RIVM | Inventarisatie van bestrijdingsmiddelen met ZZS | RIVM [41] RIVM | RIVM (2022) Inventarisatie Zeer Zorgwekkende Stoffen in bestrijdingsmiddelen [42] Min LNV | Ministerie Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (2024) Kamerbrief Beantwoording vragen inzake PFAS in bestrijdingsmiddelen [43] Rijksoverheid | - (overheid.nl) [44] RIVM | Gewasbeschermingsmiddelen met mogelijke neurodegeneratieve effecten: een analyse van werkzame stoffen op basis van de chemische structuur. [45] Gezondheidsraad | Meetprogramma voor blootstelling aan chemische stoffen [46] RIVM | Inventarisatie Zeer Zorgwekkende Stoffen in bestrijdingsmiddelen [47] Verbod teler om gewasbeschermingsmiddelen lelieteelt te gebruiken (rechtspraak.nl) [48] Tweede Kamer der Staten-Generaal | Gewasbeschermingsmiddelen

55

Bijlage interventiemogelijkheden NB: genoemde interventiemogelijkheden zijn niet beoordeeld op politiek bestuurlijke wenselijkheid, haalbaarheid, en juridische houdbaarheid.

Beleidsmatig

•

Agenderen/onderzoeken (bewustwording/kennisontwikkeling) Informeren/signaleren (wegwijzer) Faciliteren (emissiescans) Stimuleren (dienstverlening) Afspreken (convenanten) Ondersteunen (herverkaveling) Bemiddelen (klachtenbehandeling) (…) Aanlegstelstel (vergunning) Zoneren (spuitvrij, alternatieven) Verbieden (middelen, teelten)

•

Toezien (Interbestuurlijk Toezicht)

•

Eigendom (grond)

• • • • • • • • • •

Juridisch •

•

•

•

Regulering van toepassing in:  N2000-gebied  NNN-gebieden  Percelen in provinciaal bezit (pachtpercelen)  Waterwingebieden  Grondwaterbeschermingsgebieden  Intrekgebieden Regulering van toepassing rondom:  KRW-oppervlaktewateren (bufferzone)  N2000-gebieden (bufferzone)  Gevoelige gebouwen  Bebouwingscontouren Omgevingswet/bebouwde kom Wegenverkeerswet Interbestuurlijk toezicht  Op VTH-beleid en programma’s  Op ruimtelijk beleid  Opdrachtgeverschap richting omgevingsdiensten (TH op toepassing) Ruimtelijke ordeningsinstrumenten  Zienswijzen en reactief interventiebesluit bij omgevingsplanwijzigingen  Advies en instemming bij gemeentelijke omgevingsvergunningen (BOPA).  Instructiebesluiten  Instructieregels

56

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15655679/1