Provincie Overijssel Overzichtsdocument
Tekst van het document
Achtergronddocument gewasbeschermingsmiddelen Overzicht ontwikkelingen
1
Inhoud Inleiding .................................................................................................................. 4 Gewasbescherming ................................................................................................. 5 Terminologie ..................................................................................................... 5 Herkomstbronnen ............................................................................................. 5 Gebruik/afzet (in Nederland) .............................................................................. 6 Emissies........................................................................................................... 7 (Oppervlakte)water ........................................................................................... 9 Ontwikkelingen ............................................................................................... 11 Overige ontwikkelingen ................................................................................... 12 Landbouw en gewassen ......................................................................................... 13 Gewassen met een hoog gebruik aan gewasbeschermingsmiddelen .................. 13 Gebruik per gewas ..........................................................................................
16 Economische perspectieven op verduurzaming van gewasbescherming in Overijssel . 18 Economische waarde van intensieve teelten in Overijssel .................................. 18 Biologische teelten ......................................................................................... 19 Economische kosten en baten van verminderd gebruik van gewasbeschermingsmiddelen ......................................................................... 19 Juridisch kader....................................................................................................... 22 Europese regelgeving ...................................................................................... 22 Nederlandse regelgeving ................................................................................. 23 Provinciale regelgeving .................................................................................... 27 Gemeentelijke regelgeving in Overijssel ............................................................ 28 De grond- en drinkwaterkwaliteit ............................................................................. 29 Grondwater .................................................................................................... 29 Drinkwater ......................................................................................................
29 Landelijk beeld ............................................................................................... 30 Belasting ondiep en diep grondwater ................................................................ 30 Normoverschrijdingen – de probleemstoffen..................................................... 32 Gewasbeschermingsmiddelen in grondwaterbeschermings- en intrekgebieden .. 34 2
Gewasbeschermingsmiddelen in de Overijsselse drinkwaterwinningen .............. 35 Vergelijking met landelijke data ........................................................................ 37 Natuur .................................................................................................................. 38 Effectroutes gewasbeschermingsmiddelen op Natura 2000 ............................... 38 Beheerplannen ............................................................................................... 40 Vergunningverlening en handhaving ................................................................. 40 Onderzoek naar effecten van gewasbeschermingsmiddelen op Natura 2000 is complex ......................................................................................................... 41 Overzicht juridische procedures....................................................................... 41 Milieu en gezondheid/gezondheid omwonenden ...................................................... 44 Niet-toetsbare stoffen ..................................................................................... 46 Gewasbeschermingsmiddelen en PFAS ............................................................ 47 Onderzoek ......................................................................................................
48 Omgevingswet ................................................................................................ 51 Referenties ............................................................................................................ 53 Bijlage interventiemogelijkheden ............................................................................ 56
3
Inleiding In dit document beschrijven we de ontwikkelingen op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen vanuit de provinciale praktijk. Hierbij gaat het in het bijzonder om de ontwikkelingen in de toepassing van middelen, in teelten en op de beleidsterreinen natuur, water en milieu & gezondheid. Het heeft als doel om als achtergronddocument en/of uitgangspunt te dienen bij vragen en discussies over dit onderwerp. Het beschrijft allereerst informatie over de bronnen en de omvang (afzet en emissie) van de betrokken middelen en de regels en ontwikkelingen omtrent toelating en gebruik ervan. Daarna volgt een overzicht van de gewassen en teelten die een (relatief) hoog gebruik van gewasbeschermingsmiddelen kennen. Een indicatieve en grove analyse van de economische context is gemaakt. Vervolgens gaat het in op de specifieke omstandigheden en ontwikkelingen bij successievelijk grond- en drinkwaterkwaliteit, natuur en milieu & gezondheid (omwonenden).
Disclaimer Dit document is opgesteld met de intentie om een algemeen overzicht te bieden van de huidige stand van zaken en relevante gegevens. De hierin opgenomen informatie is gebaseerd op objectieve data en feiten, die als zodanig worden gepresenteerd. Wij erkennen dat de interpretatie en betekenis van deze gegevens kunnen variëren afhankelijk van belangen, inzichten en perspectieven. Zodoende dient dit document als een indicatief uitgangspunt.
4
Gewasbescherming Terminologie Gewasbeschermingsmiddelen en biociden worden gebruikt voor het beschermen van een gewas, bijvoorbeeld door het bestrijden van schimmels, insecten en onkruiden. Een gewasbeschermingsmiddel bevat één of meer werkzame stoffen die zorgen voor het gewenste effect. Middelen die in huishoudens, ziekenhuizen, stallen, publieke ruimtes en bedrijven worden gebruikt zijn meestal geen gewasbeschermingsmiddelen, maar biociden. Voor de leesbaarheid gebruiken we zoveel mogelijk de term gewasbeschermingsmiddelen. Waar onderscheid nodig is, hanteren we de specifieke terminologie.
Herkomstbronnen Voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen buiten de landbouw geldt een algemeen verbod, tenzij dit: - noodzakelijk is voor de veiligheid op bedrijven/terreinen (w.o. spoorwegen, munitiedepot); - noodzakelijk is om mens, dier of het milieu te beschermen (zoals Japanse duizendknoop); - plaatsvindt op recreatieterreinen of bepaalde sportterreinen waar ander onderhoud onmogelijk is. Voor particulier gebruik geldt het verbod niet. In het najaar van 2022 onderzocht CLM Onderzoek en Advies in opdracht van de provincies Drenthe en Overijssel hoeveel van deze middelen gebruikt worden door de particulier en wat de risico’s daarvan zijn[1]. De totale hoeveelheid die particulieren gebruiken lijkt relatief klein ten opzichte van de landbouw. Uit een vragenlijst (64 respondenten) blijkt dat grofweg 44% van de ondervraagden gewasbeschermingsmiddelen of biociden gebruikt, zoals middelen tegen onkruid, slakken of luizen. Daarnaast gebruikt 90% van de ondervraagden chemievrije alternatieven. De hoeveelheid van het particuliere gebruik van chemische middelen blijft nagenoeg gelijk[2]. Tuinbezitters gebruiken vooral steeds meer middelen tegen insecten. Tegen onkruid gebruikt men wel steeds meer middelen op basis van organische zuren en minder op basis van glyfosaat.
In het werkveld van bedrijventerreinen wordt gewerkt met ‘Milieuzonering’.[3] Deze regels zijn er enerzijds om ervoor te zorgen dat de hinder van bedrijven naar de omgeving/omwonenden beperkt is en anderzijds dat ondernemers ook binnen bepaalde hinder- en milieugrenzen wel kunnen ondernemen. De regels gaan daarbij verder dan alleen gebruikte (chemische) stoffen, maar ook bijv. geluid en geur speelt daarbij een rol.
5
ProRail meldt op 7 mei 2024 minder chemische onkruidbestrijders te willen inzetten op en langs het spoor. De komende jaren moet het gebruik van middelen als het omstreden glyfosaat worden afgebouwd. Het spoorbedrijf zegt dat er niet altijd geschikte alternatieven beschikbaar zijn. ProRail belooft in 2028 helemaal geen chemische onkruidbestrijding meer langs het spoor te gebruiken. Nu al verbiedt ProRail in contracten met aannemers het gebruik van chemische onkruidverdelgers op sporen en schouwpaden in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en Natura 2000-gebieden.
Gebruik/afzet (in Nederland) Er is sprake van een dalende afzet van gewasbeschermingsmiddelen op de Nederlandse markt. Figuur 1 geeft de afzet van gewasbeschermingsmiddelen tussen 2011 en 2022 op de Nederlandse markt weer.
Figuur 1 Afzet van gewasbeschermingsmiddelen op de Nederlandse markt
Ook is er een dalende trend in het percentage overschrijdende stoffen t.o.v. de ecologische doelstelling. Dit percentage is een indicatie voor de mate van milieubelasting omdat het geen duidelijk beeld geeft van de effecten van cumulatie van middelen. Vanuit het verleden hebben middelen zich kunnen opstapelen in bodem of water. De effecten hiervan zijn tot op heden niet (altijd) eenduidig te verklaren. De Figuur 2 laat zien dat de doelen nog niet gehaald worden.
6
Figuur 2 Trend van het percentage overschrijdende stoffen gebaseerd op ecologische doelstelling[4]
Emissies Van de afzetgegevens hebben we geen Overijsselse cijfers. Uit de emissiemetingen krijgen we een indicatie dat de dalende trens ook in Overijssel zijn. Datapunten uit 2010, 2015, 2020 en 2021 zijn genomen om een eerste inzicht te krijgen in de ontwikkeling van (nationale) emissies vanuit meerdere bronnen. De emissies zijn in eerste instantie gecategoriseerd per sector en gebaseerd op emissies naar lucht en oppervlaktewater. Daarnaast is een indicatie gegeven voor twee stoffen die vanuit literatuur zijn gelinkt aan (risico’s voor) negatieve gezondheidseffecten; glyfosaat en mancozeb[5]. Hierbij is een belangrijke kanttekening om te maken: eigenlijk zegt de som niet heel veel, doordat de impact per stof kan verschillen. De cijfers geven wel een beeld van het totale (emissie)volume. Lucht Tabel 1 geeft een indicatie van de ordegrootte van emissies vanuit verschillende sectoren in 2010, 2015, 2020 en 2021. Het laat zien dat de landbouw in 2010, 2015 en 2020 respectievelijk voor ruim 46%, 97%, 98% van de emissies naar lucht verantwoordelijk was. Dit benadrukt de impact van landbouw als het gaat om totale GBM emissies. Daarnaast laat de tabel een toename van de totale emissies zien tussen 2010 en 2021. Tabel 1 Som van emissies van gewasbeschermingsmiddelen via de lucht in kg per sector (emissieregistratie)
Sector
Som 2010
Som 2015
Som 2020
Som 2021
Chemische Industrie
0,665991903
0,913212435
0,868178243
0,903944505
Consumenten
402,1105292
279,2941493
187,2672406
171,8802604
Landbouw
19418,45861
23765,16742
28284,63439
28284,63439
Verkeer en vervoer
394,3933275
393,0053085
358,9965563
370,1963614
Eindtotaal
20215,62846
24438,38009
28831,76637
28827,61496
7
In Tabel 2 is specifiek ingezoomd op de emissies van glyfosaat en mancozeb. De emissies via lucht zijn voor beide stoffen tussen 2010 en 2021 toegenomen. Opvallend is dat spuittoepassing voor beide stoffen voor een deel de toename bepaalt. Tabel 2 Som van emissies van glyfosaat en mancozeb in kg per sector (emissieregistratie)
Sector
Landbouw Glyfosaat NMI4 cumulatieve vervluchtiging vanaf gewas, open
Som 2010
Som 2015
Som 2020
Som 2021
4539,50
6172,15
8827,08
8827,08
1600,26
2101,46
2070,41
2070,41
652,08
831,62
765,37
765,37
0,14
0,11
0,06
0,06
948,04
1269,73
1304,98
1304,98
2939,24
4070,68
6756,67
6756,67
1776,59
2474,99
4313,15
4313,15
0,36
0,06
0,08
0,08
1162,29
1595,63
2443,44
2443,44
teelt NMI4 vervluchtiging door toepassing in kassen NMI4 vervluchtiging tijdens spuittoepassing Mancozeb NMI4 cumulatieve vervluchtiging vanaf gewas, open teelt NMI4 vervluchtiging door toepassing in kassen NMI4 vervluchtiging tijdens spuittoepassing
Voor een relatief beeld is een vergelijking gemaakt tussen provincies (Figuur 3 en Figuur 4). Deze laat zien dat Overijssel niet tot de grootste emitters behoort en dat de trend van een toenemende emissie ook te zien is in de andere provincies.
8
Figuur 3 Overzicht provincies som alle gewasbeschermingsmiddelenemissies lucht alle sectoren
Figuur 4 Overzicht provincies som gewasbeschermingsmiddelenemissies lucht vanuit landbouw
(Oppervlakte)water Emissies naar het oppervlaktewater worden in mindere mate bepaald door landbouw wanneer we dit vergelijken met de lucht emissies. Toch draagt ook hier de landbouw voor een groot deel bij aan de totale emissies (18%, 35%, 71%, 71%). De toename in het aandeel wordt met name verklaard door de sterke afname van het aandeel door riolering en waterzuiveringsinstallaties. Positief is dat het totaal aan emissies naar oppervlaktewater een afname laat zien. Emissies in 2021 liggen ongeveer 70% lager dan in 2010. Deze bijdrage is te zien in Tabel 3 die de verhoudingen tussen sectoren weergeeft als het gaat om emissies in relatie tot oppervlaktewater.
9
Tabel 3 Som van emissies oppervlaktewater GBM (kg) per sector (emissieregistratie)
Sector
Som 2010
Percent age
Som 2015
Percent age
Som 2020
Percent age
Som 2021
Percent age
Consumen ten
0,19280 399
0,01%
0,10771 227
0,01%
0,06032 806
0,01%
0,06032 806
0,01%
Landbouw
301,761 925
18,16%
286,921 74
35,60%
352,470 735
71,37%
352,470 738
71,23%
Overig
2,05416 898
0,12%
1,90721 835
0,24%
1,78971 315
0,36%
1,78971 315
0,36%
Riolering en
1351,61 152
81,33%
511,011 956
63,40%
134,189 994
27,17%
134,989 537
27,28%
Verkeer en vervoer
6,27562 625
0,38%
6,04589 533
0,75%
5,33125 627
1,08%
5,55767 748
1,12%
Eindtotaal
1661,89 604
100%
805,994 522
100%
493,842 027
100%
494,867 994
100%
waterzuive ring
Voor de specifieke stoffen glyfosaat en mancozeb is wel een toename te zien. Tabel 4 laat eenzelfde trend zien als de totalen, met een afname vanuit de riolering en waterzuiveringsinstallaties en een toename vanuit de landbouw. Tabel 4 Emissies oppervlaktewater (kg) glyfosaat en manzoceb (emissieregistratie)
Sector
Som 2010
Som 2015
Som 2020
Som 2021
8,713481566
11,93074248
14,80589743
14,80589743
4,263897697
5,496600513
5,315015581
5,315015581
NMI4 drift
4,262405568
5,495144333
5,313646764
5,313646764
NMI4 emissies vanuit kassen
0,001492129
0,00145618
0,001368818
0,001368818
4,449583869
6,434141971
9,490881852
9,490881852
NMI4 drift
4,449583854
6,434141487
9,490881852
9,490881852
NMI4 emissies vanuit kassen
1,51955E-08
4,84172E-07
Riolering en waterzuiveringsinstallaties
1135,791601
438,2586564
73,56461578
73,99751026
1135,791601
438,2586564
73,56461578
73,99751026
Effluenten RWZI's berekend
597,6936825
197,6901687
29,73928498
29,90019197
Overstorten
130,5729807
42,68626131
5,536698787
5,634518257
Regenwaterriolen
407,5249379
197,8822264
38,28863201
38,46280003
Landbouw Glyfosaat
Mancozeb
Glyfosaat
10
Voor een relatief beeld is een vergelijking gemaakt tussen provincies (Figuur 5 en Figuur 6). Deze laat zien dat Overijssel niet tot de grootste emitters behoort als het gaat om oppervlaktewater en dat de trend van een afnemende emissie ook te zien is in de meeste andere provincies.
Figuur 5 Overzicht provincies som emissies oppervlaktewater alle sectoren
Figuur 6 Overzicht provincies som emissies oppervlaktewater vanuit landbouw
Ontwikkelingen Sinds de jaren ‘60 worden in de landbouw chemische middelen gebruikt voor de bescherming van gewassen tegen ziektes en plagen. Sommige middelen zijn inmiddels verboden vanwege de schadelijke effecten op mens en milieu, anderen zijn nog op de markt (zie ook verderop in dit document) . In Europa zijn bijna 500 middelen op de markt. Hoeveel middelen in welke hoeveelheid worden gebruikt, welke residuen daadwerkelijk in het ecosysteem en in mensen te vinden zijn, en welke effecten de mengsels van residuen op de gezondheid van ecosysteem en mens hebben, is niet eerder op (inter)nationale schaal onderzocht. 11
In het Europese project SPRINT, gefinancierd door de Europese Commissie, wordt op grote schaal onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van gewasbeschermingsmiddelen in het milieu, dieren en mensen. De tussentijdse resultaten laten zien dat bijna overal een mengsel van resten van gewasbeschermingsmiddelen in de omgeving, maar ook in dieren en mensen terug te vinden zijn. Het vervolg van het onderzoek moet uitwijzen wat de effecten van deze mengsels van stoffen zijn op de gezondheid.
In Nederland is onderzoek gedaan bij 24 Groningse en Friese boeren met voornamelijk aardappelteelt, en hun omgeving, net als 24 inwoners van de stad Groningen. In totaal zijn hier 170 verschillende middelen aangetroffen. Het onkruidbestrijdingsmiddel glyfosaat is het meest en in de grootste hoeveelheden gevonden. In het onderzoek is gekeken naar zowel de gangbare landbouw als biologische landbouw. Ook bij de biologische boeren, waar het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen is verboden, zijn resten aangetroffen. De gevonden hoeveelheden zijn gemiddeld wel lager. In vergelijking met andere landen zijn er in de gangbare landbouw ligt Nederland aan de hoge kant van residuen in het milieu en de mens. De komende jaren wordt onderzocht wat de risico’s zijn van de gevonden residuen op het ecosysteem en mensen. Hierin wordt samengewerkt met toxicologische instituten door heel Europa.
Overige ontwikkelingen Duurzame gewasbescherming Het gewasbeschermingsmiddelenbeleid richt zich op het verminderen van de milieulast van gewasbeschermingsmiddelen in 2030 (LNV, 2019, 2020) Minder gebruik van een zelfde stof betekent bijna altijd minder milieubelasting. Een vermindering van de milieubelasting kan ook samengaan met een toename van het gebruik, als er bijvoorbeeld een verschuiving plaats vindt naar laag-risico middelen. Om te kunnen bepalen of de milieubelasting afneemt is het noodzakelijk de gebruiksontwikkeling per middelengroep en/of per werkzame stof te kennen. Naast gewasbeschermingsmiddelen worden in duurzame gewasbescherming ook biologische en mechanische bestrijdingen toegepast. IPM Binnen de landbouw wordt ingezet op geïntegreerde gewasbeschermingsmiddelen (IPM). IPM is de behoedzame overweging van alle mogelijke ziekte- en plaagbestrijdingen, waarbij de gepaste methode om de ziekte/plaag te bestrijden zo wordt gekozen dat het gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen wordt beperkt. Deze aanpak gaat uit van een 12
gezond gewas, met zoveel mogelijk natuurlijke ziekte- en plaagbestrijding, en bestaat uit de volgende 8 stappen: 1. Preventie (vruchtwisseling, keuze uitgangsmateriaal, bemesting etc.) 2. Monitoring van schadelijke organismen 3. Gebruik van waarschuwings-, advies- en beslissingsondersteunende systemen voor het tijdig signaleren van toenemende ziektedruk 4. Niet chemische bestrijdingsmethoden (biologisch, fysisch en mechanisch, in veel gevallen zijn deze methodes langzamer of minder doortastend) 5. Gebruik van selectieve chemische middelen (afweging van de neveneffecten) 6. Gebruik van GBM reducerende maatregelen (verminderde dosering, toepassingsfrequentie en plaats-specifieke toepassing dragen bij aan IPM. Belangrijk is om hierbij niet perse uit te gaan van een verminderd volume, aangezien dat potentieel het risico met zich meebrengt van hoger potente producten.) 7. Anti-resistentie strategieën 8. Evaluatie Visie gewasbescherming 2030 Deelnemende partijen zijn het eens dat een omslag naar minder of duurzaam gebruik wenselijk en noodzakelijk is.
De partijen van de toekomstvisie gewasbescherming 2030 [6] spraken uit dat de Nederlandse agrarische ondernemers in 2030 duurzaam zijn: in 2030 bestaat de land- en tuinbouw in Nederland uit een duurzame productie met weerbare planten en teeltsystemen, waardoor ziekten en plagen veel minder kansen krijgen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zo veel mogelijk kan worden voorkomen. Daar waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, is dit conform de principes van geïntegreerde gewasbescherming, nagenoeg zonder emissies naar het milieu en nagenoeg zonder residuen. Hiermee wordt tegelijkertijd een blijvend economisch perspectief voor de land- en tuinbouw gerealiseerd. Deze visie werken partijen op hoofdlijnen uit in drie strategische doelen: 1. Plant- en teeltsystemen zijn weerbaar; 2. Land- en tuinbouw en natuur zijn met elkaar verbonden; 3. Nagenoeg zonder emissies naar het milieu en nagenoeg zonder residuen op producten Vanuit de visie loopt een uitgebreid onderzoeksprogramma naar weerbare teelten [7].
Landbouw en gewassen Gewassen met een hoog gebruik aan gewasbeschermingsmiddelen In 2020 is van het totale gebruik aan gewasbeschermingsmiddelen 90% toegepast in elf gewassen. Consumptieaardappelen, pootaardappelen en zetmeelaardappelen zijn samen goed voor 44 procent van het totale gebruik[8]. In Tabel 5 staat een overzicht van het areaal van de meest toegepaste akkerbouwgewassen in Overijssel. 13
Tabel 5 Selectie typen gewassen intensieve teelt en oppervlaktes in Overijssel
Oppervlakte (ha)
Percentage
Maïs, snij-
31.645
73,44%
Aardappelen
7.306
16,96%
Bieten, suiker-
2.004
4,65%
Tarwe, winter-
881
2,05%
Bloembollen
702
1,63%
Uien
529
1,23%
Appelen en Peren
24
0,06%
Algemene trend is dat ook bij de intensieve teelten het gebruik afneemt. Ongeveer 20% van de Overijsselse oppervlakte bevindt zich op een akker of binnen een zone van 50 m van een akker. Een toets afstand van 250 m bedekt 58% van de provinciale oppervlakte. Tabel 6 geeft weer hoeveel oppervlakte de teelten beslaan met daarbij een zonering rondom de percelen. Tabel 6 Oppervlakte van de provincie Overijssel beslagen door percelen met intensieve gewassen inclusief zonering.
Toets afstand
Oppervlakte (% Overijssel)
Oppervlakte (ha)
<50 m
20,2% (waarvan 10 % van de percelen zelf)
69.269
<50 afstand <100
10,8%
36.982
<100 afstand <250
26,6%
90.844
>250m
42,4%
144.980
Vanaf 2024 is het verplicht om gewassen op bouwland te roteren en gelden normen waaraan voldaan moet worden. Gewasrotatie is goed voor de bodemgezondheid. Het maakt de bodem weerbaarder, voorkomt ziektes en verbetert de bodemstructuur. Tussen twee teeljaren zien we dat bij een afstand van 50 m, 77% van het areaal in 2023 ook binnen de 50 m zone in 2022 viel. Voor de afstand tot 250 is dat 75%. Er is (in deze jaren) een zekere stabiliteit in de ruimtelijke patroon. En dat zorgt voor een betere opbrengst. Tabel 7 geeft weer wat dit betekent voor de oppervlakte in het totaal,
14
Tabel 7 Oppervlakte van hele provincie bij afstandszonering tot akkers met intensieve teelten met inachtname van rotatie
2023
2022
Buiten de 250
<50 m
<50 afstand <100
<100 afstand <250
Buiten de 250
125.975
4.100
2.866
12.039
<50 m
3.057
55.721
3.881
6.611
<50 afstand <100
2.157
4.321
26.059
4.445
<100 afstand <250
9.204
7.910
5.211
68.519
Totaal 2023
140.394
72.051
38.016
91.613
Totaal 2022
144.980 69.269
36.982
90.844
Uit de navolgende grafieken (Figuur 7 en Figuur 8) blijkt dat de lelieteelt een relatief klein grondbeslag heeft in Overijssel. Inclusief de teelt van andere bloembollen is dat 0,35%. De percelen voor lelieteelt in Overijssel bevinden zich in onder andere de gemeenten Hardenberg, Hellendoorn, Ommen, Tubbergen, Twenterand en Wierden (Bron: Atlas van Overijssel – Agrarisch grondgebruik). In een aantal gemeenten, zoals Hardenberg en Twenterand, zijn er bloembollentelers die met de gemeente een convenant hebben afgesloten om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de eventuele blootstelling daaraan te beperken.
Figuur 7 Ontwikkeling grondgebruik sierteelt in Overijssel[10]
15
Figuur 8 Ontwikkeling grondgebruik voedsel/overige gewassen Overijssel [10]
In 2014 sloten de brancheorganisatie van de bollentelers (KAVB), LTO Noord, de Stichting Bollenteelt Hardenberg e.o. en de gemeente Hardenberg voor het eerst het 'convenant bollenteelt Harenberg'. Het convenant is mede ondertekend door de meeste telers in de gemeente. In het convenant is onder meer afgesproken dat de telers hun planten bij bepaalde weersomstandigheden niet bespuiten met gewasbeschermingsmiddelen. Rond gevoelige bestemmingen zoals woonpercelen, scholen, campings en het Nationaal Natuurnetwerk nemen de bollentelers teeltvrije zones in acht. En ook informeren de bollentelers de omwonenden wanneer zij op een perceel bollen gaan telen. Telers gebruiken de best beschikbare technieken gebruiken om hun teelt zo milieuvriendelijk mogelijk te maken. Het convenant wordt volgens afspraak jaarlijks gezamenlijk geëvalueerd. Het convenant is in de afgelopen jaren enkele malen verlengd.
Gebruik per gewas Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de land- en tuinbouw is in 2020 met 5,0 miljoen kg werkzame stof ruim 11% lager dan bij de vorige meting in 2016. Het gemeten areaal is bijna 85% van het areaal cultuurgrond exclusief grasland. Het gebruik per gewas is weergegeven in Figuur 9.
16
Figuur 9 Gebruik gewasbeschermingsmiddelen nationaal [11]
Om per gewas de ontwikkeling van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in beeld te brengen kan het gebruik aan werkzame stof per hectare voor verschillende onderzoekjaren met elkaar worden vergeleken. Zeker bij schimmelbestrijding en onkruidbestrijding is het weer van invloed op de jaarcijfers. Tussen 2016 en 2020 is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij sommige gewassen toegenomen, maar bij de meeste afgenomen. Het is belangrijk om bij een dergelijke vergelijking ook de toepassingsgroep in beschouwing te nemen, omdat er bij geringe verschillen in het totale gebruik sprake kan zijn van grote verschillen in de gebruikte middelen en toepassingsgroep. De WUR heeft een Quick Scan uitgevoerd om een indicatie te krijgen van de impact van een verbod op gewasbeschermingsmiddelen in grondwaterbeschermingsgebieden op verschillende teelten[12]. Op basis van de Quick Scan kan nog niet worden geconcludeerd dat een generiek verbod geschikt, noodzakelijk en proportioneel is. De impact van een generiek verbod is groot terwijl er maar van een beperkt aantal nog toegelaten stoffen een overschrijding van de drinkwatersignaleringswaarde is gevonden.
Het omgekeerde kan ook niet wordt geconcludeerd, omdat uit de Quick scan naar voren is gekomen dat er – ondanks de vele monsters – nog veel hiaten zitten in het monitoringsprogramma van grondwater in de grondwaterbeschermingsgebieden, zowel in de gebieden waar monsters zijn genomen als de stoffen waarop is geanalyseerd. LNV zal in overleg treden met betrokken partijen om te bezien of monitoringsprogramma’s voor grondwater ten behoeve van drinkwaterwinning aanpassing behoeven. De WUR heeft opdracht om deel twee van het onderzoek te gaan uitvoeren.
17
Economische perspectieven op verduurzaming van gewasbescherming in Overijssel Economische waarde van intensieve teelten in Overijssel Overijssel is een belangrijke agrarische provincie met een primaire sector die jaarlijks bijna 600 miljoen aan toegevoegde waarde van creëert[13]. Binnen die landbouw speelt de intensieve teelt van gewassen, waarin gewasbeschermingsmiddelen veelvuldig worden gebruikt, een aanzienlijke rol. De meest relevante gewassen in Overijssel zijn snijmaïs, aardappelen, suikerbieten, wintertarwe, uien en bloembollen. Hoewel snijmaïs het grootste areaal beslaat (circa 73% van het intensieve areaal in Overijssel, zie Tabel 8), is het niet een typische intensieve teelt zoals aardappelen of bloembollen dat zijn. Snijmaïs wordt voornamelijk geteeld op zandgronden als voedergewas voor vee. De teelt vereist minder inputs per hectare vergeleken met bijvoorbeeld aardappelteelt, maar vanwege het grote areaal is het totale gebruik van gewasbeschermingsmiddelen aanzienlijk. In economische zin is de opbrengst per hectare relatief laag[14]. De andere intensieve akkerbouwgewassen beslaan gezamenlijk ongeveer een kwart van het intensieve teeltareaal in Overijssel, maar ruim 70% van de economische waarde. Tabel 8 Gewassen, oppervlaktes en economische waarde in Overijssel
Gewas
Oppervlakte Opbrengst (ha) per ha (ton)
Prijs per kg (€)[14]
Economische waarde (€)
Maïs (snijmaïs)
31.645
~14.5
~0.14
64.239.350
Aardappelen
7.306
~47.5
~0.16
55.525.600
Suikerbieten
2.004
~82.5
~0.43
70.266.252
Wintertarwe
881
~9.5
~0.22
1.799.002
Bloembollen
702
Zeer variabel, maar gemiddeld ~41.000 € per hectare[15]
Rekenend met landelijk gemiddelde: 28.782.000
18
Uien
529
~50.0
~0.15
3.967.500
Appels en peren
24
?
?
?
Biologische teelten Biologische landbouw blijft relatief klein in Overijssel. Landelijk is ongeveer 4,7% van het landbouwareaal biologisch, maar in Overijssel ligt dit percentage lager (ca. 4,1%). Biologische producten kennen doorgaans hogere verkoopprijzen, maar de opbrengsten per hectare liggen lager. Tijdens de omschakelperiode mogen producten nog niet als biologisch verkocht worden, wat tijdelijk lagere inkomsten voor de boer betekent. Uiteindelijk behalen biologische telers gemiddeld voor bepaalde intensieve gewassen zoals aardappelen ~70-85% van de gangbare opbrengst[16], terwijl voor andere gewassen (bijv. uien) de biologische opbrengst veel lager kan zijn door ziekten/plagen[17]. Hoewel biologische producten doorgaans hogere marktprijzen opleveren, varieert de prijsprikkel per gewas en land. In Europese landen ligt de prijs voor biologische tarwe bijvoorbeeld 50-200% hoger dan conventionele tarwe[18], en voor aardappelen tot 500% hoger in nichemarkten[19]. In Nederland is de vraag naar biologische producten groeiende, maar het prijsverschil dalend (tussen 2020 en 2025 van 63% tot 48%[20]). Daardoor blijft de prijspremie voor veel gewassen onzeker, wat de overstap risicovol maakt voor boeren in Overijssel. Het marktaandeel van biologisch in intensieve teelten is klein, dus ook de totale omzet in Overijssel uit biologische akkerbouw is gering vergeleken met gangbaar.
Sommige gewassen, zoals suikerbiet, worden niet of nauwelijks biologisch geteeld[21]. Niettemin groeit de biologische sector langzaam en draagt deze bij aan de toegevoegde waarde met producten met hogere marges en een onderscheidende markt. De provincie streeft ernaar het aandeel biologisch versneld te verhogen naar 15% in 2030, en zet hier via subsidieregelingen op in om de kostenderving te verlichten in de omschakelperiode.
Economische kosten en baten van verminderd gebruik van gewasbeschermingsmiddelen De overstap naar geïntegreerde, mechanische of biologische bestrijdingsmethoden kan technisch of bedrijfseconomisch uitdagend zijn, vooral in intensieve teelten zoals aardappelen of bloembollen, die sterk afhankelijk zijn van chemische gewasbescherming. Tegelijkertijd kan het reduceren van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelende bedrijfskosten ook aanzienlijk verlagen. Of de kosten en baten onder de streep positief 19
uitkomen hangt sterk af van de mate waarin gereduceerd wordt, de manier waarop gereduceerd wordt, de schaalgrootte van het bedrijf, het teeltsysteem en het gewas, en de omgeving rondom het bedrijf. Geïntegreerde gewasbestrijding Studies en proeven naar lage tot matige reductie (10-30%) gecombineerd met geïntegreerde gewasbescherming laten voor een grote variatie aan gewassen zien dat de winstgevendheid vergelijkbaar of licht positief is vergeleken met gangbare chemische gewasbestrijding[22]. Precisietechnieken Bij precisielandbouwtechnieken hang de winstgevendheid en de terugverdientermijn sterk af van schaalgrootte, gewas en het type technologie[23]. Zo kunnen de kosten van een RTK GPSsysteem automatische sectieaansturing terugverdiend worden door het bijhouden van 36 hectare consumptieaardappelen, maar moet voor mais 1250 hectare bespoten worden om de kosten terug te verdienen. Bij beide gewassen zorgt het systeem voor een 5-10% reductie in het middelengebruik. Europees onderzoek naar precisielandbouwtechnieken die leiden tot een middelengebruikreductie van 20% winstgevend toont aan dat, onafhankelijk van het land, precisietechnieken winstgevend zijn voor bedrijven met een economische omvang van >100,000 euro[24]. In Overijssel heeft bijna 60% van de land- en tuinbouwbedrijven deze economische omvang[25].
Als boeren loonwerkers inhuren voor gewasbescherming is schaalgrootte minder belangrijk, zolang de vraag uit de sector groot genoeg is. Biologische bestrijders Biologische bestrijders zijn natuurlijke vijanden van plaaginsecten en ziekten die bewust worden ingezet om gewassen te beschermen. In de glastuinbouw is biologische bestrijding inmiddels zeer gangbaar. Plaaginsecten en spintmijten worden in de negen grootste glastuinbouwgewassen op 95% van het areaal op biologische wijze bestreden, door bijvoorbeeld sluipwespen of roofmijten. De potentie van biologische bestrijding in andere teelten is groot, maar de kosten zijn vooralsnog aanzienlijk. Dit komt onder andere door dat de biologische bestrijders herhaaldelijk geïntroduceerd moeten worden. Onderzoek naar bestrijding van de stengelboorder in maïs toonde, bijvoorbeeld, een gemiddelde kostenverhoging van 30-60 euro per hectare[26]. Ter vergelijking besteed een akkerbouwer gemiddeld zo'n 500 euro per hectare aan chemische gewasbeschermingsmiddelen[27]. Diversiteit en landschapsbeheer Naast introductie van biologische bestrijders, kan een boer ook natuurlijk plaagbeheer stimuleren door gewasdiversiteit te vergroten, en natuurlijke landschapselementen[28]. Het aanleggen van bloemstroken, heggen of houtige elementen blijkt uit studies in Europa niet
20
alleen ecologisch effectief, maar verhoogt ook het inkomen per hectare bij verminderd middelengebruik[29]. Abrupte reducties zonder alternatieven of steunmaatregelen Uit internationaal onderzoek dat abrupte of slecht begeleide reducties aanzienlijke economische risico’s met zich meebrengen. Met name in situaties waarin boeren geen toegang hebben tot effectieve alternatieven, zoals hierboven genoemd, kan een reductie leiden tot forse opbrengst- en inkomensverliezen. Een recente studie over het Farm to Fork-beleidsscenario van de Europese Unie – dat mikt op een 50% reductie in pesticiden tegen 2030 – laat zien dat de economische impact hiervan sterk verschilt per land. In Letland bijvoorbeeld, werd een winstderving van 41% gesimuleerd in akkerbouwbedrijven die geen toegang hadden tot ondersteunende technologieën of maatregelen[30]. Ook in Zuid-Europese regio’s met eenvormige monoculturen en hoge plaagdruk – zoals maïsteelt in droge gebieden – is de afhankelijkheid van chemische bestrijding momenteel nog groot. Zonder integratie van kennis, infrastructuur en maatregelen zoals gewasrotatie of landschapsbeheer, leidt middelenreductie daar vaak tot grote opbrengstverliezen en verhoogde arbeidsdruk[31].
21
Juridisch kader Europese regelgeving Gewasbeschermingsmiddelen De Plant Protection Products Regulation (PPPR, Verordening (EG) 1107/2009) regelt binnen de EU de toelating, harmonisatie van toelating, en toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Voor de werkzame stoffen worden wettelijke normen afgeleid voor de consumptiegewassen (voedsel en diervoeder) waarop het middel wordt gebruikt: Maximale Residu Limieten (MRLs). Dit zijn de maximaal toegestane gehaltes van de werkzame stof in of op een agrarisch product, op het moment dat het product op de markt wordt gebracht. De MRLs worden opgenomen in Verordening (EG) 396/2005 en zijn te vinden in de EU-database. De Europese Richtlijn 2009/128/EG inzake duurzaam gebruik van pesticiden heeft als doel om de risico’s en effecten van gewasbeschermingsmiddelen op mens en milieu te verminderen en het gebruik van geïntegreerde gewasbescherming en alternatieve benaderingswijzen te bevorderen. Centrale rol in de Europese beoordeling heeft het European Food Safety Authority (EFSA). EFSA is een agentschap van de Europese Unie dat in 2002 is opgericht om als onpartijdige bron van wetenschappelijk advies te geven over risico’s in verband met de voedselketen. Het agentschap is ingesteld ter ondersteuning van de EU-wetgeving en beleidsmaatregelen.
De belangrijkste taken van het EFSA[32] zijn het uitbrengen van wetenschappelijk advies met betrekking tot: • alle gebieden met een directe of indirecte uitwerking op de veiligheid van voedingsmiddelen en diervoeder; • aanverwante vraagstukken op het gebied van gezondheid en welzijn van dieren en de gezondheid van gewassen; • risico's voor de voedselketen; • voeding, genetisch gemodificeerde gewassen en nieuwe levensmiddelentechnologieën. In de context van de Europese Green Deal identificeert de ‘van boer tot bord’-strategie een dringende noodzaak om de afhankelijkheid van gewasbeschermingsmiddelen te verminderen. De belangrijkste beleidsdoelen die tegen 2030 moeten worden bereikt in het kader van de ‘van boer tot bord’-strategie, het actieplan om vervuiling tot nul terug te brengen en de biodiversiteitsstrategie voor 2030 zijn onder meer: • een vermindering van 50% in het gebruik en risico van chemische pesticiden; • een vermindering van 50% in het gebruik van de gevaarlijkere soorten; 22
•
ten minste 25% van de landbouwgrond in de EU moet biologisch geteeld worden.
Op 6 februari 2024 heeft de Europese Commissie aangegeven een voorstel van 22 juni 2022 voor het halveren van de hoeveelheid in de landbouw gebruikte pesticiden tegen 2030, in te trekken. Het voorstel had tot doel de ecologische voetafdruk van het voedselsysteem te verminderen, de gezondheid van burgers en werknemers in de landbouw te beschermen, om de verslechtering van de bodem- en grondwaterkwaliteit tegen te gaan en het verlies van bestuivende insecten tegen te gaan. Dit voorstel, onderdeel van de Green Deal, was bedoeld ter vervanging van Richtlijn 2009/128/EG en moest de bij controles en onderzoeksmissies in de lidstaten geconstateerde tekortkomingen in de uitvoering, toepassing en de handhaving van deze Richtlijn tegen gaan. De Commissie heeft aangekondigd aan de slag te willen gaan met een nieuw voorstel, maar dit keer in betere samenspraak de met belanghebbenden waaronder de boeren.
Vogel- en Habitatrichtlijn Het juridisch kader voor het natuurspoor ligt in de Omgevingswet. De natuuraspecten van deze wet zijn een doorvertaling van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Het te beschermen belang is het voorkomen van verslechtering en halen van de (uitbreidings)doelstellingen van de Overijsselse Natura 2000-gebieden. Natura 2000gebieden worden beschermd via beheerplannen en via vergunningverlening en handhaving. Kaderrichtlijn Water De KRW is een Europese richtlijn over de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater. In 2000 hebben de landen uit de Europese Unie (EU) deze richtlijn vastgesteld. Al het water in Nederland moet in 2027 een goed leefgebied vormen voor de planten en dieren die er thuishoren. En er moet redelijk eenvoudig drinkwater van te maken zijn. De KRW is ook in de Nederlandse Waterwet opgenomen.
Nederlandse regelgeving Verordening (EG) 1107/2009 (Plant Protection Products Regulation; PPPR) heeft directe werking en hoeft niet te worden omgezet in nationale wetgeving. Centrale rol in die van het College ter beoordeling en College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) en is vastgelegd in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden.
23
College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) Het Ctgb beoordeelt volgens internationale afspraken en in de wetgeving verankerde criteria of de betrokken middelen – bij juist gebruik – veilig zijn voor mens, dier en milieu én of ze werkzaam zijn. Op basis van recente Europese jurisprudentie, worden de bestaande beoordelingskaders verbeterd op basis van nieuwe wetenschappelijke inzichten. Dit betreft o.a. beoordeling van de risico’s voor bijen, vogels, zoogdieren, amfibieën en reptielen, de aansluiting op de eisen uit de Kaderrichtlijn Water en de effecten van mengsels (cocktails) van middelen. Verder is het noodzakelijk om de nieuwe inzichten over cumulatieve effecten op het milieu (beter) mee te wegen in de beoordeling[33]. RIVM Het RIVM verricht onderzoek naar specifieke vraagstukken rond gewasbeschermingsmiddelen[34], zoals gewasbeschermingsmiddelen en voedsel, gewasbeschermingsmiddelen in het milieu, omwonenden, modellen en methodieken en gewasbeschermingsmiddelen buiten de landbouw. NVWA De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), de Nederlandse Arbeidsinspectie en de Inspectie voor de Leefomgeving en Transport (ILT) controleren en handhaven deze regels. Dit gebeurt in samenwerking met het RIVM, provincies, gemeente en waterschappen.
Zij controleren of de wettelijke gebruiksvoorschriften worden opgevolgd, de voorraad van middelen, het bewijs van vakbekwaamheid en administratieve verplichtingen. De wet is verder uitgewerkt in het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden en de Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden. Wijziging Wgb Op dit moment ligt een wijzigingsbesluit voor waarmee in het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden een grondslag wordt opgenomen om bij ministeriële regeling het gebruik van alternatieven voor chemische gewasbeschermingsmiddelen te kunnen verplichten. Het gaat daarbij onder meer om alternatieven voor het toepassen van glyfosaathoudende middelen voor het doodspuiten van grasland, groenbemesters en vanggewassen. De alternatieven dienen te voldoen aan de criteria noodzakelijkheid, evenredigheid en geschiktheid.
24
Omgevingswet Voor provincies is (ook) de Omgevingswet van belang. Deze wet gaat over de fysieke leefomgeving en geeft de taken en bevoegdheden voor onder meer water, natuur en milieu & gezondheid. In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Een van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. Het bevoegd gezag moet (in de omgevingsvisie) rekening moet houden met het voorzorgsbeginsel en andere milieubeginselen. Bij de toedeling van functies houdt het in ieder geval rekening met het belang van het beschermen van de gezondheid. Bij vergunningverlening is gezondheid één van de (weigerings-) gronden (art. 5.32 en 5.42 lid 4 van de Omgevingswet en de artikelen 8.101 en 8.102 van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Het voorzorgsbeginsel is het beginsel dat inhoudt dat bedrijven en overheden maatregelen nemen wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat activiteiten negatieve gevolgen kunnen hebben voor het milieu of de gezondheid. Het gaat om activiteiten waarbij de beschikbare wetenschappelijke gegevens wel indicaties geven voor een risico, maar nog onvoldoende wetenschappelijk bewijs beschikbaar is over de aard of omvang van een risico.
De instrumenten uit de Omgevingswet bieden mogelijkheden om de leefomgeving op een gezonde manier te beïnvloeden. Om wet in de praktijk uit te voeren, hebben overheden meerdere instrumenten tot hun beschikking. Daarnaast biedt de wet instrumenten voor specifieke doelen. In provinciale omgevingsplannen kan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen gereguleerd worden op een bepaalde afstand van gevoelige functies [35]. Ook kan de provincie gemeenten instrueren in hun (nieuwe) omgevingsplannen zones hiertoe op te nemen en/of regels hieromtrent stellen. Op enig moment kan er geen aanspraak (meer) worden gemaakt op het (nu nog) geldende overgangsrecht voor van het omgevingsplan afwijkende situaties. En is het nodig ook bestaande situaties te reguleren. Door de integrale benadering van de leefomgeving via de instrumenten van de Omgevingswet, kan gezondheid eerder een plek krijgen in de ruimtelijke afweging. Daarmee kan gezondheid een meer sturende rol krijgen.
25
Op grond van de Omgevingswet bepaalt de provincie het natuurbeleid voor haar gebied. Zij geeft ook vergunningen af voor activiteiten in de buurt van natuurgebieden. Hierbij gaat het om: • het behoud of herstel van dier- en plantensoorten die van nature in Nederland in het wild voorkomen, van hun biotopen en habitats, en van in Nederland voorkomende typen natuurlijke habitats, in overeenstemming met de internationaalrechtelijke verplichtingen; • het zorg dragen voor het treffen van maatregelen voor Natura 2000-gebieden, in overeenstemming met de vogelrichtlijn en de habitatrichtlijn; • de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van (aangewezen) invasieve uitheemse soorten. Water is een essentieel onderdeel van onze leefomgeving. Belangrijke opgaven zijn het voorkomen en beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste. Zeker in samenhang met het beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit. Met de regelgeving voor water in het stelsel van de Omgevingswet integreert deze (meer) met andere aspecten van de fysieke leefomgeving. Bij het provinciebestuur berusten op dit gebied o.a. de volgende taken (art.
2.18 Omgevingswet): • de gebiedsgerichte coördinatie van de uitoefening van taken en bevoegdheden door gemeenten en waterschappen; • het beschermen van de kwaliteit van het grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden, in verband met de winning daarvan voor de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water; • het beheer van (toegedeelde) watersystemen, het houden van toezicht op het beheer van watersystemen bij waterschappen (m.u.v. primaire waterkeringen); • het beheer van de zwemwaterkwaliteit, in ieder geval door het nemen van beheersmaatregelen als bedoeld in de zwemwaterrichtlijn. De meeste regels over milieu zoals luchtkwaliteit, geur, geluid, zijn opgenomen in de Omgevingswet. En geldt (nog) overgangsrecht, zoals afvalwater, geluid of luchtkwaliteit. Voor veel milieuthema’s is de gemeente het 1e aanspreekpunt voor initiatiefnemers van plannen (geworden). Voor de uitwerking van deze plannen moeten ook provinciale plannen en belangen worden meegenomen. Wil de provincie gebruikmaken van bevoegdheden uit de Omgevingswet, dan moet worden voldaan aan de eisen die zijn opgenomen in art. 2.3 lid 2 Omgevingswet, waarin is bepaald dat de provincie een taak of bevoegdheid kan uitoefenen indien sprake is van een provinciaal belang en dat belang niet op een doelmatige of doeltreffende manier door de gemeente kan worden uitgevoerd.
Het subsidiariteitsbeginsel dwingt verder tot afweging
26
en een motiveringsplicht waarom de taak of bevoegdheid doelmatiger door de provincie dan door de gemeente kan worden uitgeoefend. In de memorie van toelichting is bewust geen definitie gegeven van een provinciaal belang. Of een bepaald onderwerp als een provinciaal of nationaal belang kan worden aangemerkt, is afhankelijk van de bestuurlijke context op een bepaald moment. Voor een aantal onderwerpen blijft de Wet milieubeheer (nog) van toepassing: stoffen, afvalstoffen, broeikasgasemissies, openbaarheid milieu-informatie en milieuaansprakelijkheid. Het Bal geeft bepalingen over opslag en toepassing van bestrijdingsmiddelen. De mestwetgeving Vanaf 2023 is het voor (het Gemeenschappelijk landbouwbeleid) en de mestwetgeving verplicht om bufferstroken langs alle waterlopen te hebben. Op een bufferstrook mag geen mest of gewasbeschermingsmiddelen worden gebruiken[36]. De breedte van de bufferstrook hangt af van het type waterloop. Er zijn 5 types: ecologisch kwetsbare waterlopen, waterlopen die vallen onder de Kaderrichtlijn Water (KRW), KRW watervoerende sloten van maximaal 10 meter breed, overige waterlopen en droge sloten. Spuitlicentie Voor de juiste toepassing binnen de landbouw is een spuitlicentie verplicht. Dit is vanwege de impact die de middelen kunnen hebben op mens, dier en milieu.
De licentie geeft aan dat de licentiehouder haar kennis op peil heeft en weet hoe veilig te werken. De licentie is verplicht voor een ieder die professionele chemische middelen verkoopt, koopt, gebruikt of in opslag heeft.
Provinciale regelgeving In de provinciale omgevingsverordening is het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen in waterwingebieden verboden: Art. 3.28 lid 1 Het is verboden om in waterwingebieden schadelijke stoffen op of in de bodem te brengen, te hebben, te gebruiken of te vervoeren. Art 3.27 lid 3 geeft aan dat gewasbeschermingsmiddelen tot schadelijke stoffen wordt gerekend. Er geldt geen generiek beleid voor toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op pachtgronden, Alleen op de percelen waarvan het PIP/Projectbesluit is genomen waar natuur moet komen hebben wij beperkingen, o.a. op bollenteelt en toepassing gewasbeschermingsmiddelen. Dit staat opgenomen in het uitvoeringskader tijdelijk beheer provinciale gronden 2024. 27
Voor gronden binnen de verschillende projecten en waarvoor een functiewijziging geldt naar een natuurbestemming worden in het kader van tijdelijk beheer de volgende gebruiksbeperkingen in het pachtcontract opgenomen. • beweiding is niet toegestaan; • bollenteelt is niet toegestaan; • bemesting is niet toegestaan; • er wordt een rustperiode in acht genomen van 1 april tot 15 juni, waarin het niet is • toegestaan om te maaien, te rollen of te slepen; • scheuren, frezen, (her)inzaaien en doorzaaien is niet toegestaan; • het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen is niet toegestaan.
Gemeentelijke regelgeving in Overijssel Regels omtrent gewasbeschermingsmiddelen verschillen tussen gemeentes in Overijssel. In sommige gemeentes wordt gewerkt via convenanten, in andere wordt in bepaalde mate normerend opgetreden. De
28
De grond- en drinkwaterkwaliteit Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen leidt tot een hoge belasting van het milieu en verontreiniging van het oppervlakte- en grondwater. Dit komt door uitspoeling vanaf het maaiveld via de bodem of via wind (drift). Een andere wijze is dat deze middelen, na lozing van afvalwater, via het oppervlaktewater infiltreren in het grondwater. Verder komen ze ook via afspoeling over verharde oppervlakken als straten en pleinen en via infiltratie in de bodem en in het grondwater terecht.
Grondwater Metingen op 65 grondwatermeetlocaties tonen aan dat het grondwatersysteem van Overijssel vrijwel overal verontreinigd is met gewasbeschermingsmiddelen. In zowel 2018 als 2021 werden in ca. 90 procent van de grondwatermeetlocaties gewasbeschermingsmiddelen aangetroffen. In ondiep grondwater komen gewasbeschermingsmiddelen op de onderzochte locaties voor met percentages van 74-85 procent. In diep grondwater ligt dat met 62-75 procent gemiddeld wat lager. In 2018 en 2021 voldoet respectievelijk 22 procent en 25 procent van de locaties niet aan de Europese norm. De normoverschrijdingen worden in beide jaren veroorzaakt door tien middelen. Het betreft insecticiden, herbiciden, fungiciden en groeiregulatoren.
Drinkwater Meer dan 80% van gewasbeschermingsmiddelen.
de
drinkwaterwinningen
is
verontreinigd
met
In 18 van de 22 Overijsselse drinkwaterwinningen (82 procent) komen gewasbeschermingsmiddelen in het onttrokken ruwwater of het grondwater voor. Bij de winning Engelse Werk in Zwolle zijn de concentraties zodanig dat deze leiden tot overschrijding van de KRW-normering in het gezamenlijk ruwwater. Voor deze winning geldt daarom een hoog risico. Bij de winningen Archemerberg, Espelose Broek, Herikerberg en Wierden worden in individuele winputten overschrijdingen van de KRW-normering gemeten. Voor deze winningen geldt een matig risico. Voor de overige dertien winningen geldt een beperkt of verwaarloosbaar risico. Het beeld in de drinkwaterwinningen sluit aan bij wat in het grondwatersysteem wordt gemeten. Het hoge percentage gewasbeschermingsmiddelen én de normoverschrijdingen in 2018 en 2021 bovenin het grondwatersysteem, kunnen een risico gaan vormen voor de toekomstige kwaliteit van de drinkwatervoorzieningen in Overijssel.
29
Landelijk beeld Gewasbeschermingsmiddelen in het grondwater worden het vaakst in Gelderland, NoordBrabant, Limburg en Overijssel gevonden; in meer dan 70 procent van de monsters per provincie. De Europese kwaliteitseis wordt het vaakst overschreden in Limburg (88 procent van de filters) en Noord-Brabant (42 procent van de monsters). In 2018 lag Overijssel met 30,4 procent iets lager, maar in 2021 is het percentage normoverschrijdingen opgelopen tot 58 procent. Tijdens de landelijke KRW-monitoringsrondes in 2018 en 2021 zijn in Overijssel alle 65 grondwatermeetlocaties onderzocht op de aanwezigheid van gewasbeschermingsmiddelen. Er werden in totaal 149 monsters genomen, 94 in ondiep grondwater en 55 in diep. De werkwijze was in beide jaren gelijk zodat de resultaten goed vergelijkbaar zijn.
Belasting ondiep en diep grondwater Het grondwater van Overijssel wordt op zeer grote schaal belast met gewasbeschermingsmiddelen (Figuur 10). In 2018 en 2021 werden op 88 procent en 91 procent van de grondwatermeetlocaties gewasbeschermingsmiddelen aangetroffen. Als beide jaren worden opgeteld dan komen deze middelen op 63 grondwatermeetlocaties voor (97 procent). Deze stoffen komen dus in vrijwel alle meetpunten voor en daarmee het hele grondwatersysteem. In 2018 en 2021 werden respectievelijk 26 en 22 gewasbeschermingsmiddelen gevonden. Voor beide jaren samen gaat het in totaal om 29 stoffen.
2018 – op 88 procent van de grondwatermeetlocaties
2021 - op 91 procent van de grondwatermeetlocaties
Figuur 10. De aanwezigheid van gewasbeschermingsmiddelen op 65 onderzochte grondwatermeetlocaties in 2018 en 2021 in het ondiepe en diepe grondwater van Overijssel (Overijssels meetnet grondwaterkwaliteit).
30
De aanwezigheid van gewasbeschermingsmiddelen voor ondiep grondwater (3-7 meter en 816 meter) en diep grondwater (17-25 meter) is weergegeven in Figuur 11. De aanwezigheid van gewasbeschermingsmiddelen ligt in het ondiepe grondwater iets hoger dan in diep grondwater. Op 3-7 meter diepte komen in beide jaren op 74-85 procent van de meetlocaties gewasbeschermingsmiddelen voor. Op 8-16 meter diepte is dat 77-79 procent. In diep grondwater (17-25 meter) is dat 62-75 procent.
2018 3-7 meter diep 23 meetlocaties (85 procent) 18 stoffen
2021 3-7 meter diep 20 meetlocaties (74 procent) 15 stoffen
2018 8-16 meter diep 47 meetlocaties (77 procent) 19 stoffen
2021 8-16 meter diep 48 meetlocaties (79 procent) 18 stoffen
2018 17-25 meter diep 34 meetlocaties (62 procent) 18 stoffen
2021 17-25 meter diep 41 meetlocaties (75 procent) 15 stoffen
Figuur 11. De aanwezigheid van gewasbeschermingsmiddelen op 65 grondwatermeetlocaties in 2018 en 2021 in het ondiepe grondwater (3-7m en 8-16m) en diepe grondwater (8-16) van Overijssel (Overijssels meetnet grondwaterkwaliteit).
31
Normoverschrijdingen – de probleemstoffen In 2018 voldoen veertien grondwatermeetlocaties (22 procent) niet aan de Europese normering (Figuur 12). Van de veertien meetlocaties voldoen er elf niet aan de stofnorm en acht niet aan de somnorm. Er zijn vijf meetlocaties die niet voldoen aan beide normeringen en drie meetlocaties hebben alleen een overschrijding van de somnorm. De normoverschrijdingen in 2018 worden door zeven stoffen veroorzaakt. In 2021 voldoen zestien grondwatermeetlocaties (25 procent) niet aan de Europese normering (Figuur 12). Hiervan voldoen er vijftien niet aan de stofnorm en acht niet aan de somnorm. Er zijn zeven locaties die niet voldoen aan beide normeringen en één locatie heeft alleen een overschrijding voor de somnorm. De normoverschrijdingen worden in 2021 door elf stoffen veroorzaakt.
2018 11 meetlocaties > stofnorm van 0,1 ug/l 8 meetlocaties > somnorm > 0,5 ug/l 14 meetlocaties (22%) voldoen niet aan de norm
2021 15 meetlocaties > stofnorm van 0,1 ug/l 8 meetlocaties > somnorm van 0,5 ug/l 16 meetlocaties (25%) voldoen niet aan de norm normoverschrijdingen door 7 stoffen normoverschrijdingen door 10 stoffen
Figuur 12. Grondwatermeetlocaties waar gewasbeschermingsmiddelen de stofnorm (0,1 microgram per liter) en de somnorm (0,5 microgram per liter) overschrijden in het ondiepe+diepe grondwater samen (Overijssels meetnet grondwaterkwaliteit)
In 2018 werden in het GGA-gebied Zuidoost-Twente geen normoverschrijdingen vastgesteld. Dit geldt in dat jaar ook voor het overgrote deel van Noordoost-Twente en het Vechtdal. In het Vechtdal werden dat jaar alleen overschrijdingen van de somnorm vastgesteld. In 2018 werden ook geen normoverschrijdingen vastgesteld in de noordelijk helft van NoordwestOverijssel. In 2021 zien we normoverschrijdingen in alle GGA-gebieden. Gebieden zonder overschrijdingen liggen het noordelijk deel van Noordwest-Overijssel, het Vechtdal (alleen bij Dedemsvaart een normoverschrijding) en Noordoost-Twente (alleen bij Overdinkel een normoverschrijding) en Zuidoost-Twente (alleen bij Hengevelde een overschrijding van beide normen). 32
De middelen die in 2018 en 2021 boven de stofnorm van 0,1 ug/l zijn aangetroffen zijn weergegeven in Tabel 9. Twee stoffen, Chloridazon en Simazine, zijn inmiddels verboden, maar worden nog steeds in het grondwater gevonden. De oorzaak ligt in het gebruik van meer dan twintig jaar geleden. Sommige gewasbeschermingsmiddelen zijn niet of nauwelijks afbreekbaar en verplaatsen zich steeds verder naar diepere grondwaterlagen. Dit kan op de lange termijn ook risico’s vormen voor de drinkwatervoorziening in Overijssel (zie verder bij gewasbeschermingsmiddelen in de drinkwaterwinningen). Tabel 9 Gewasbeschermingsmiddelen die tijdens de KRW-monitoringsrondes in 2018 en 2021 boven de norm van 0,1 microgram per liter zijn aangetroffen
Bestrijdingsmiddel
Aantal locaties aangetroffen
Aantal locaties
Toepassing
> norm 0,1 ug/l 2018
2021 2018
2021
2,4-Dimethylfenol
2
1
2
1
Fungicide, insecticide en organisch oplosmiddel.
Bentazon
25
14
4
4
Herbicide: ingezet voor de bestrijding van tweezaadlobbige onkruiden en tegen knolcyperus. Toegepast in grasland en in de akkerbouw waaronder mais- en bollenteelt. Het gebruik is vanaf eind 2022 niet meer toegestaan in grondwaterbeschermingsgebieden.
Chloridazon
6
2
1
1
Herbicide: ingezet bij een aantal breedbladige onkruiden bij de teelt van bieten en verder uien, sjalotten, bloembollen en in boomkwekerijen. Sinds 1999 verboden.
Dimethylsulfamide
31
10
5
4
Fungicide: metaboliet van het biocide Tolyfluamide en humaan toxicologisch relevant. Aanvankelijk gebruikt als pesticide, maar sinds 1989 vooral ingezet bij de conservering van hout (schimmel- werend).
Dikegulac
0
4
0
4
Groeiregulator en bijproduct Vitamine Cproductie
Dikegulac-natrium
5
4
3
4
Groeiregulator en bijproduct Vitamine Cproductie
Glufosinaat
1
1
0
1
Herbicide: glufosinaat is een actief bestanddeel in verschillende onkruid- verdelgers en wordt op grote schaal gebruikt.
33
Imidacloprid
1
1
1
1
Insecticide veel gebruikt middel tegen o.a. bladluizen, mieren en witte vlieg. O.a. gebruikt op appelbomen, tomaten, tabak, hop, sierplanten en zaaizaad suikerbieten. Middel wordt ook gebruikt tegen o.a. emelten op o.a. sportterreinen.
Simazine
1
1
1
1
Herbicide: ingezet bij de teelt van o.a. granen, koolzaad, erwten, fruit en bloembollen. Sinds 2004 verboden.
* Voor Dithiocarbamaat (somparameter) geldt geen stofnorm van 0,1 ug/l; in 2021 werd deze stof bij de Pollen boven de somnorm van 0,5 ug/l vastgesteld. Bron: Overijssels meetnet grondwaterkwaliteit
Gewasbeschermingsmiddelen in grondwaterbeschermings- en intrekgebieden Van het Overijssels grondwatermeetnet liggen vier meetlocaties binnen de begrenzing van de grondwaterbeschermingsgebieden en drie binnen de begrenzingen van de intrekgebieden. De gemeten gewasbeschermingsmiddelen in 2018 en 2021 zijn voor deze gebieden zijn weergegeven in Tabel 10. Tabel 10 Aangetroffen gewasbeschermingsmiddelen in het grondwater van 4 grondwaterbeschermingsgebieden (G) en 3 intrekgebieden (I) in Overijssel in 2018 en 2021
Grondwaterbeschermingsgebied en Intrekgebied
Ondiep (3-16m)
Diep (17-25m)
Archemerberg (G)
Dimethylsulfamide (2018)
Dimethylsulfamide (2018)
Dithiocarbamaat (2021) Hammerflier (G)
*Bentazon (2018)
Geen stoffen boven de rapportagegrenzen
Desfenylchloradizon (2018 + 2021)
Weerselo (G)
Dimethylsulfamide (2018)
* Bentazon(2018)
Espelose Broek (G)
* Bentazon (2018 + 2021)
Aminomethylfosfonzuur (2018)
Desfenylchloradizon (2018 + 2021)
* Bentazon (2018) Desfenylchloradizon (2018 + 2021)
34
Methyl-desfenylchloradizon (2018 + 2021)