Concept TOE BP Grotestraat 162a en 164 (08-10-21)
Tekst van het document
In deze periode moeten zachte plannen hard worden gemaakt en moet ook al een deel van deze nieuwe toegevoegde harde plancapaciteit worden gerealiseerd om de totale woningbouwopgave tot 2030 te halen. Daarvoor is de realisatie van 2.000 woningen per jaar noodzakelijk. Daarnaast moet worden gezocht naar extra bouwlocaties zodat ook in de periode tot 2030 de gewenste snelheid in woningbouwproductie gehaald kan worden.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
27
Bestemmingsplan “Grotestraat 162 en 164 Nijverdal” Concept Opgave tot 2030 Zoals blijkt uit de tabel in afbeelding 4.1 is de bestaande harde plancapaciteit circa 8.300 woningen. Voor het realiseren van de woningbouwambitie van circa 20.000 - 22.000 woningen tot 2030 is een uitbreiding van de harde plancapaciteit met minimaal 11.700 woningen nodig. Deze uitbreiding is voor een deel in te vullen door de bestaande zachte plancapaciteit (circa 5.800 woningen) om te zetten in harde plancapaciteit (mits passend binnen de kwalitatieve kaders). Aanvullend daarop moet 'ruimte' gemaakt worden voor nog eens zo'n 6.000 woningen. 4.3.1.3 Kwalitatieve behoefte Algemeen Twente is en blijft een regio van de menselijke maat. Het is belangrijk dat er voor iedere woningzoekende een passende, betaalbare en niet in de laatste plaats kwalitatief goede woning is. Vertrekpunt van de regionale Woonagenda is het lokaal én regionaal blijven bieden van de woningen waar huidige en toekomstige inwoners behoefte aan hebben. Dat betekent dat gemeenten door nieuwbouw, transformatie en herstructurering woningen toevoegen die goed aansluiten op de bestaande en toekomstige vraag. Dat vraagt om een toekomstgericht kwalitatief programma op lokaal en regionaal niveau, alsmede om het inlopen van woningtekorten en de realisatie van voldoende woningen voor de groeiende behoefte.
Maar ook vraagt het om maatregelen en strategieën om de bestaande woningvoorraad toegankelijker te maken, onder andere door de doorstroming binnen de woningvoorraad te bevorderen. De Regionale Woonagenda Twente bevat met name ten aanzien van de kwantitatieve behoefte informatie waar gemeenten bij de uit te voeren laddertoets gebruik van kunnen maken. Ten aanzien van de kwalitatieve behoefte wordt in 2021 een kwalitatieve monitor opgezet aan de hand waarvan de gemeenten in de relevante woningmarktregio invulling kunnen geven aan het kwalitatieve aspect van de verantwoordingsplicht. Wel onderscheidt de woonagenda drie verschillende ruimtelijke strategieën. Deze geven richting aan de ontwikkeling en geven aan waar in een gebied het accent op ligt, maar dienen niet als dwingend kader. De strategieën kenmerken vooral de verschillen tussen de steden, dorpen en het buitengebied. Er kunnen zich meerdere ruimtelijke woonstrategieën binnen een stad, dorp of gemeente bevinden. Hellendoorn Voor de gemeente Hellendoorn geldt de woonstrategie ‘wonen langs de radialen’. Hier is het uitgangspunt het wonen langs de radialen in de grote kernen met een goed voorzieningenniveau en die goed bereikbaar zijn. Het gaat dan om kernen met een goede ontsluiting op de A-, N- en spoorwegen en die een breed aanbod en mix van dorps, groenstedelijke en suburbane woonmilieus kunnen bieden.
Voor de radialen wordt aangesloten op de Omgevingsvisie/ Omgevingsagenda Oost. De unieke kwaliteit van deze kernen is dat je er relatief rustig en ruim kunt wonen, met goede basisvoorzieningen binnen handbereik. De behoefte aan dergelijke woonmilieus is groot. Er worden kansen gezien om in deze kernen woningen en milieus toe te voegen, om daarmee ook de vitaliteit en economie van de kernen kracht bij te zetten. 4.3.1.3 Conclusie In voorliggend geval is sprake van een woningbouwontwikkeling waarbij in totaal 16 woningen worden gerealiseerd. Dit betreft een toevoeging aan de woningvoorraad van 14 (- twee bestaande woningen) woningen. Gezien de woningbouwopgave tussen 2021 en 2025, en tot 2030, wordt gesteld dat hiermee sprake is van een ontwikkeling die past binnen de aantoonbare kwantitatieve woningbouwbehoefte binnen de regio Twente. Het appartementengebouw wordt gerealiseerd op een inbreidingslocatie in het centrum van Nijverdal. Hiermee wordt aangesloten op de kwalitatieve behoefte aan binnenstedelijk wonen waarbij de (basis)voorzieningen binnen handbereik liggen. In paragraaf 4.2.2 wordt getoetst aan het gemeentelijk woonbeleid. Hier wordt nader ingegaan op de kwalitatieve behoefte voor de gemeente Hellendoorn. Geconcludeerd wordt dat voorliggend bestemmingsplan in overeenstemming is met de ‘Regionale Woonagenda Twente’.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
28
Bestemmingsplan “Grotestraat 162 en 164 Nijverdal” Concept
4.4
Gemeentelijk beleid
Het gemeentelijk beleid is verwoord in tal van plannen. Met betrekking tot het voorliggende bestemmingsplan zijn de hieronder genoemde beleidsstukken van toepassing. 4.4.1
‘Omgevingsvisie Hellendoorn, Natuurlijk Avontuurlijk’
4.4.1.1 Algemeen De ‘Omgevingsvisie Hellendoorn, Natuurlijk Avontuurlijk’ (vastgesteld d.d. 12 februari 2014) bevat een brede visie op de toekomst en vormt het kader van alle ruimtelijke ontwikkelingen. De visie is opgebouwd in 3 lagen, namelijk identiteit, context en kernvisie: •
• •
Identiteit: gericht op versterken en kwaliteit van een gebied: deze geeft deze geeft niet aan welke ontwikkelingen waar mogelijk zijn maar meer binnen welke identiteit een bepaalde ontwikkeling moet worden uitgewerkt/vormgegeven. Context: gericht op de functionele opgave: Dit vanuit het huidige programma; wonen, werken natuur en verkeer. Kernvisie: In de kernvisie zijn de prioriteiten vanuit de workshops gedestilleerd en wordt aangegeven op welke ontwikkeling/wisselwerking de focus ligt.
4.4.1.2 Identiteit, Context en Kernvisie 4.4.1.2.1
Identiteit: ‘Sterke kernen’
De gemeente Hellendoorn is ingedeeld in zes identiteitsgebieden. Onderhavig plangebied bevindt zich in het identiteitsgebied ‘Sterke kernen’. De leefbaarheid van de dorpen (Nijverdal en Hellendoorn), de kernen (Daarle, Daarlerveen, Hulsen en Haarle) en de buurtschappen (Egede, Elen en Raahn, Marle en Hancate) is goed. De lichte daling van het aantal inwoners, ontgroening en vergrijzing zullen ook in de gemeente Hellendoorn hun impact hebben op wonen, zorg, werkgelegenheid en economie. Ondanks deze demografische veranderingen spant de gemeente Hellendoorn zich in om in alle dorpen, kleine kernen en buurtschappen een duurzaam samengestelde samenleving in stand te houden, met een voorzieningenniveau dat daarbij hoort. Passende woon-, leef- en zorgmogelijkheden voor alle leeftijdscategorieën vormen daarbij het uitgangspunt. Dat betekent dat de gemeente Hellendoorn kiest voor vraaggerichte nieuwbouw voor speciale doelgroepen met de nadruk op combinaties van wonen, welzijn en zorg. Creatieve initiatieven van alle mogelijke marktpartijen en particulieren op dit gebied worden nadrukkelijk gefaciliteerd. Bij voorkeur wordt gekozen voor inbreiding in plaats van uitbreiding. 4.4.1.2.2
Context: ‘Woongebied – te beheren’
Dit deel geeft een beschrijving van de gemeente Hellendoorn en schetst in het kort de verwachte ontwikkelingen op ruimtelijk, economisch en maatschappelijk vlak. De indeling is gebaseerd op de leidraad van de provincie Overijssel voor structuurvisies (april 2010). In dit geval is het thema ‘woningbouw’ van belang. Woningbouw vindt plaats binnen de in ontwikkeling zijnde gebieden en op inbreidingslocaties (bijvoorbeeld door transformatie). Onderhavig plangebied is gelegen in een gebied dat op basis van de context-laag is aangemerkt als ‘woongebied – te beheren’. Deze bestaande woongebieden functioneren in algemene zin goed. Op gemeentelijk niveau zijn er geen opgaven deze woongebieden volledig te transformeren. Uiteraard zal er blijvend moeten worden geïnvesteerd in de kwaliteit van openbare ruimte, de nabijheid van voorzieningen en de sociale veiligheid. 4.4.1.2.3
Kernvisie
Het plangebied ligt binnen de het centrum van Nijverdal, welke is aangewezen als sterlocatie. In het centrum van Nijverdal en de stationsomgeving spelen tal van ontwikkelingen. Deze geven het dorp een geheel andere aanzicht. De ontwikkelingen zijn in deze visie relevant, omdat ook andere opgaven hierop moeten aansluiten. Eén van de ambities is het groen vanuit de Sallandse Heuvelrug door te trekken richting de Regge, bijvoorbeeld via de ‘tuinen van Nijverdal’.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
29
Bestemmingsplan “Grotestraat 162 en 164 Nijverdal” Concept Binnen de kernvisie liggen tien concrete opgaven, waarvan zes ruimtelijke en vier procesmatige. In voorliggend geval zijn de volgende opgaven van belang: • •
De Grotestraat Begrens het kernwinkelgebied van Nijverdal
De Grotestraat Omdat de huidige inrichting van de straat nog gericht is op de doorstroom van grote verkeersaantallen en de inrichting van de weg daarop is afgestemd, zal de Grotestraat opnieuw gepositioneerd moeten worden. Daarnaast zal nagedacht moeten worden over de winkelstructuur in de Grotestraat. Mogelijk kan het programma worden verbreed door toevoeging van andere publieksgerichte functies die de aantrekkingskracht voor bezoekers vergroten (zoals leisure, horeca, cultuur en zorg). Dit kan de bekendheid van het gehele winkelgebied vergroten en in het gunstigste geval leiden tot dubbelbezoek en verlenging van de verblijfstijd. Anderzijds gaat het ook om de toevoeging van functies met een autonoom bestaansrecht, met name woningen en kantoren. Deze functies hebben hun eigen dynamiek en vestigingscondities: ze kunnen indirect het functioneren van winkels versterken, maar hebben vooral in stedenbouwkundig en financieel opzicht een belangrijke rol in de planconcepten. Woningen zorgen voor levendigheid en sociale controle wanneer de winkels gesloten zijn (avond, weekend), leisure, zorg en horeca vormen extra motieven voor consumenten om dezelfde omgeving te bezoeken, kantoren en andere werkgelegenheid in de directe omgeving zorgen voor extra levendigheid midden op de dag.
Een gemengd programma zorgt ook voor verbetering van de exploitatieresultaten van parkeergarages en overige betaalde parkeerplaatsen door een verhoging van de bezettingsgraad (buiten de drukste winkelmomenten). Begrens het kernwinkelgebied van Nijverdal Nijverdal beschikt over een groot winkelgebied: het winkeloppervlak sluit niet goed aan op de huidige vraag. De verwachting is dat de vraag naar winkelruimte verder zal afnemen vanwege de toename van aankopen via internet. De opgave voor Nijverdal is daarom een compact kernwinkelgebied aan te wijzen, welke kan concurreren met nabijgelegen winkelgebieden. Nijverdal zal zich daarom moeten onderscheiden van andere winkelgebieden in de omgeving. Op navolgende luchtfoto is het centrumgebied weergegeven, het plangebied is aangegeven met de rode contour.
Afbeelding 4.4
Compact kernwinkelgebied Nijverdal (Bron: gemeente Hellendoorn)
4.4.1.3 Toetsing van het initiatief aan de ‘Omgevingsvisie Hellendoorn, Natuurlijk Avontuurlijk’ De beoogde (her)ontwikkeling sluit goed aan bij de beleidsdoelen zoals verwoord in de ‘Omgevingsvisie Hellendoorn, Natuurlijk Avontuurlijk’. Het initiatief draagt bij aan de identiteit ‘sterke kernen’ en voorziet in een aantrekkelijk woonmilieu met middeldure en duurdere koopappartementen. Verder draagt het voornemen bij het behouden en versterken van het kernwinkelgebied door in de plint commerciële ruimtes mogelijk te maken. Het plan betreft een inbreidingsplan dat zorgt voor een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse, aangezien ontsierende bebouwing wordt gesloopt en de nieuwe bebouwing zich goed voegt in de maat en schaal van de omgeving, en een ‘afronding’ van de noordzijde van de Henri Dunantplein vormt.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
30
Bestemmingsplan “Grotestraat 162 en 164 Nijverdal” Concept 4.4.2
Woonvisie gemeente Hellendoorn 2020-2025
4.4.2.1 Algemeen De Woonvisie gemeente Hellendoorn 2020-2025 is op 4 december 2019 door de gemeenteraad van Hellendoorn vastgesteld. Deze woonvisie is tot stand gekomen samen met woningcorporaties, zorgpartijen, marktpartijen, dorpsraden en inwoners. In deze woonvisie wordt het beleid vanaf 2012 geëvalueerd en is de woningmarktsituatie in kaart gebracht en doorvertaald naar een visie tot 2025. 4.4.2.2 Beleid in hoofdlijnen Het thema van de Woonvisie 2020-2025 is ‘van kwantitatieve opgave naar kwalitatieve kans’. De rode draad hierin is het op peil brengen en houden van een hoog kwaliteitsniveau in de bestaande woningvoorraad. Deze bestaande voorraad is het vertrekpunt van de Woonvisie. Nieuwbouw dient te worden ingezet als kwalitatieve toevoeging op de bestaande woningvoorraad. Woningen worden niet toegevoegd voor korte termijn vraag, maar voor lange termijn behoefte. Woningen die nu gebouwd worden staan er immers voor een lange tijd. Een andere belangrijk uitgangspunt is ‘inbreiding gaat voor uitbreiding’. Woningbouw dient in principe binnen bestaand stedelijk gebied gerealiseerd te worden. Daarnaast dragen centrumlocaties meer bij aan structuurversterking van een kern (of gemeente) dan locaties aan de rand. Voor de gemeente Hellendoorn is voor de structuurversterking wenselijk aanvullend gebruik te maken van transformatielocaties en aanpakken van ‘rotte kiezen’.
4.4.2.3 Behoefte De basis voor de onderbouwing van de kwalitatieve behoefte is opgenomen in de woonvisie en de woningmarktanalyse die hieraan ten grondslag ligt (bijlage van de Woonvisie). Uit de gemeentelijke Woonvisie blijkt dat er de komende jaren sprake is van een toename van circa 340 tot 420 huishoudens. Onderliggend speelt echter huishoudensverdunning (meer één- en tweepersoonshuishoudens) en vergrijzing. Het aantal 75-plussers neemt sterk toe, terwijl andere doelgroepen in omvang gelijk blijven of afnemen. In tabel 1 is dit weergegeven. De grootste kwalitatieve woningmarktopgave op de middellange termijn is daarom het passend huisvesten van deze toenemende groep oudere huishoudens. De woningvoorraad in de gemeente Hellendoorn bestaat namelijk grotendeels uit grondgebonden (koop)woningen. Levensloopbestendige woningen voor ouderen (waar ook andere doelgroepen in kunnen wonen) zijn nog beperkt beschikbaar.
Tabel 1
Ontwikkeling van huishoudens op basis van leeftijd en huishoudenssamenstelling (Bron: woonvisie 2020-2025, gemeente Hellendoorn (2019))
Door het toevoegen van appartementen kunnen oudere huishoudens doorstromen vanuit hun grondgebonden woningen. Dit draagt bij aan een gezonde woningmarkt, omdat andere huishoudens met interesse in grondgebonden woningen dan in de bestaande woningvoorraad terecht kunnen. Uit de gemeentelijke woonvisie blijkt dat er nog behoefte is aan meer koopappartementen, omdat deze een toevoeging zijn op de bestaande woningvoorraad en voorzien in een behoefte op (middel)lange termijn. Voorliggend plan voorziet in koopappartementen in het middeldure en hogere segment.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
31
Bestemmingsplan “Grotestraat 162 en 164 Nijverdal” Concept Ook uit tabel 2 blijkt dat er een toenemende behoefte is aan appartementen in alle segmenten. De ontwikkeling van vergrijzing is hierin duidelijk terug te zien. Oudere huishoudens krijgen vaker de behoefte om te verhuizen naar een nultredenwoning. Ze laten vaak een grondgebonden woning achter. Naast vergrijzing ontstaat deze vraag vanuit huishoudensverdunning. Er komen steeds meer één-en tweepersoonshuishoudens in de gemeente, deze huishoudens hebben vaker een voorkeur voor een kleinere woning.
Tabel 2
Behoefte aan appartementen in de gemeente Hellendoorn (Bron: woonvisie 2020-2025, gemeente Hellendoorn (2019))
De woningmarktanalyse laat daarnaast zien dat er voor netto uitbreiding van de woningvoorraad behoefte is aan nultredenwoningen, zowel in het koop als (midden)huursegment. Levensloopbestendige grondgebonden woningen zijn idealiter nultreden. Brede deurposten, geen drempels en gemakkelijk toe te voegen ruimtes, zoals een slaapkamer en badkamer op de begane grond maken de woning geschikt voor ouderen. 4.4.2.4 Woningbouwprogramma en afwegingskader Het woningbouwprogramma van de gemeente Hellendoorn is dynamisch en bestaat uit initiatieven vanuit de gemeente, woningstichting, particulieren en ontwikkelaars/bouwers. Het college kan besluiten om in specifieke gevallen en onder voorwaarden af te wijken van het woningbouwprogramma en nieuwe initiatieven toe te staan. Voorwaarde vanuit de provincie Overijssel is echter dat wanneer nieuwe initiatieven worden toegestaan andere plannen uit het woningbouwprogramma moeten worden geschrapt. Om te helpen bij het maken van bewuste keuzes over welke woningtypen worden toegestaan en op welke (structuurversterkende) plekken in de gemeente, is in de Woonvisie 2020-2025 een afwegingskader opgesteld. Door de stappen in het afwegingskader te doorlopen ontstaat een gesprek over de toegevoegde waarde van een nieuwbouwplan.
Essentieel is dat kiezen voor een bepaald plan altijd gevolgen heeft voor de bestaande voorraad en ook voor andere nieuwbouwplannen. Het afwegingskader helpt bij het beoordelen en beargumenteren (van de gevolgen) van een plan. De eerste twee criteria van het afwegingskader zijn dwingend: er moet voorzien worden in een kwalitatieve behoefte en het plan moet op een inbreidingsplek liggen. 4.4.2.5 Toetsing van het initiatief aan de Woonvisie gemeente Hellendoorn 2020-2025 Zoals verwoord in paragraaf 4.4.2.3 is er een behoefte aan appartementen in alle sectoren. Hiermee is het plan in overeenstemming met de geactualiseerde gemeentelijke woonvisie. Daarnaast sluit de ontwikkeling goed aan bij de gemeentelijke ambitie om zoveel mogelijk in te zetten op ‘inbreiding’ in plaats van ‘uitbreiding’, waarbij tevens sprake is van de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit door sloop van verouderde bebouwing en het realiseren van een kwalitatief hoogwaardige woonbebouwing. Hiermee voldoet het plan ook aan het gemeentelijk afwegingskader.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
32
Bestemmingsplan “Grotestraat 162 en 164 Nijverdal” Concept 4.4.3
Visie stedenbouwkundig wensbeeld Kernwinkelgebied Grotestraat
4.4.3.1 Algemeen De afgelopen jaren hebben er positieve ontwikkelingen plaatsgevonden in het centrum van Nijverdal. Binnen het kernwinkelgebied, het ‘winkel-achtje’, zijn vierkante meters winkelvloeroppervlak en appartementen ontwikkeld in een vrij stedelijke setting met een kubistische/moderne architectuur. In de Grotestraat, die deel uitmaakt van het ‘winkelachtje’, heeft een herinrichting van de openbare ruimte plaatsgevonden die zich kenmerkt door een hoge ruimtelijke en verblijfskwaliteit met elementen die hun oorsprong vinden in het landschap rondom Nijverdal. Met de visie wordt door middel van richtlijnen ruimte gegeven aan ontwikkelingen die op basis van het vigerende bestemmingsplan ‘Nijverdal Centrum’ niet passen binnen de gestelde regels. Door middel van de opgenomen richtlijnen wordt de mogelijkheid geboden op bijzondere ruimtelijke plekken in het kernwinkelgebied af te wijken van de vastgelegde hoogtematen. De bestaande parcelering is bepalend met daarbij een toevoeging van een meer traditionele architectuur. Het streven is om elke ontwikkeling een individuele kwaliteitsimpuls te geven, zonder afhankelijk te zijn van omliggende ontwikkelingen. 4.4.3.2 Grotestraat/Hendri Dunantplein, Grotestraat/ Keizerserf De afgelopen tijd heeft de openbare ruimte van de Grotestraat een positieve ontwikkeling doorgemaakt.
Door herinrichting van de openbare ruimte, gekenmerkt door meer groen en plek voor water, waarbij veel aandacht is voor ruimtelijke - en verblijfskwaliteit met elementen die hun oorsprong vinden in het landschap rondom Nijverdal. Het ligt in de lijn der verwachting dat op het gebied van nieuwbouw (woningbouw) of verbouw/ transformatie van de bestaande woningen en commerciële ruimtes ontwikkelingen worden opgepakt. Ontwikkelingen die vragen om visie op de omgeving. Een visie die past bij de bijzondere leef-, woon- en winkelomgeving die het kernwinkelgebied van Nijverdal is. Rondom het H. Dunantplein wordt de bebouwing gekenmerkt door veel grootschalige volumes, waaronder het gemeentehuis. Het gemeentehuis, gekenmerkt door zijn unieke uitstraling staat in de lijn met een deel van de Noordwand. Door ter hoogte van de zichtlijn vanaf het Gemeentehuis naar de Noordwand, een accent te leggen, zal het plein door een passend volume worden afgerond. Vanaf de Grotestraat zal dit accent (6 a 7 lagen) een herkenningspunt worden voor als het middelpunt van het centrum van Nijverdal. Een en ander is weergegeven in afbeelding 4.5.
Afbeelding 4.5
Mogelijk aanzicht Grotestraat – plangebied met rood omlijnt (Bron: gemeente Hellendoorn)
4.4.3.3 Toetsing van het initiatief aan de ‘Visie stedenbouwkundig wensbeeld Kernwinkelgebied Grotestraat’ Vanuit de ‘Visie stedenbouwkundig wensbeeld Kernwinkelgebied Grotestraat’ is de beoogde bebouwingsmassa overgenomen. Op deze basis is een doorontwikkeling van het ontwerp gemaakt. De maat en schaal van de beoogde bebouwing passen goed bij de toekomstige ontwikkeling die voor ogen is bij de herontwikkeling van de Grotestraat. Daarnaast sluit de grootte van de ontwikkeling goed aan bij de beoogde kwaliteit van het Henri Dunantplein. De prominente plek aan het plein wordt ingevuld door een kenmerkend gebouw, dat het Henri Dunantplein op een kwalitatieve manier afsluit.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
33
Bestemmingsplan “Grotestraat 162 en 164 Nijverdal” Concept 4.4.4
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling is in overeenstemming met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten zoals verwoord in de voorgenoemde beleidsstukken.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
34
Bestemmingsplan “Grotestraat 162 en 164 Nijverdal” Concept
HOOFDSTUK 5
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en het Besluit milieueffectrapportage.
5.1
Geluid
5.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2
Situatie plangebied
5.1.2.1 Industrielawaai Het plangebied ligt binnen de wettelijke geluidszone van het industrieterrein ‘Nijverdal Noord en Zuid’. In het kader van voorgenomen ontwikkeling is daarom een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 1 bij deze plantoelichting. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten. Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat op meerdere punten de grenswaarde van 50 dB(A) overschreden wordt. De maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A) wordt niet overschreden. De hoogst berekende waarde bedraagt 52 dB(A). Voor de gevels waar de grenswaarde van 50 dB(A) overschreden wordt, geldt dat conform de systematiek van de Wet geluidhinder woningbouw mogelijk is na het vaststellen van een hogere waarde. Hierbij zal bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen aangetoond moeten worden dat het maximaal toelaatbare binnenniveau van 35 dB(A) niet overschreden wordt. 5.1.2.2 Weg- en railverkeerslawaai In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een akoestisch onderzoek weg- en railverkeerlawaai uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 2 bij deze plantoelichting. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten. • • • •
De voorkeursgrenswaarde van 48 dB ten gevolge van de N35 wordt overschreden ter plaatse van de noord- en oostgevels; Er wordt in het kader van wegverkeerslawaai niet voldaan aan de ambitiewaarde uit het gemeentelijk geluidbeleid; Maatregelen om de voorkeursgrenswaarde terug te dringen tot aan de voorkeursgrenswaarde stuiten op overwegende bezwaren van financiële en verkeerskundige aard; Voor de appartementen moet een hogere waarde worden aangevraagd;
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
35
Bestemmingsplan “Grotestraat 162 en 164 Nijverdal” Concept •
•
•
De maximale gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer ter plaatse van de gevels is hoger dan 53 dB op de zuid- en noordgevel. Voor deze gevels zijn geluidwerende voorzieningen noodzakelijk. Dit zal in een gevelweringsonderzoek moeten worden aangetoond; De voorkeursgrenswaarde van 55 dB ter plaatse van de appartementen ten gevolge van het railverkeerslawaai wordt niet overschreden. Daarmee wordt ook voldaan aan het gemeentelijk geluidbeleid voor railverkeerslawaai. Uit berekening blijkt dat de cumulatieve geluidbelasting Lcum maximaal 57 dB bedraagt ter plaatse van de appartementen. Extra geluidwerende voorzieningen zijn noodzakelijk om aan het maximaal toelaatbare binnenniveau van 33 dB ter plaatse van de verblijfsgebieden te kunnen voldoen.
Met het vaststellen van de benodigde hogere waarden ten aanzien van wegverkeerslawaai en het nemen van nader te bepalen noodzakelijke gevelmaatregelen, is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren appartementen. 5.1.3
Conclusie
Met inachtneming van het verkrijgen van een hogere waarde inzake industrie- en wegverkeerlawaai, vormt de Wet geluidhinder geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
5.2
Bodemkwaliteit
5.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen dient een bodemonderzoek te worden verricht. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een verkennend en aanvullend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten van het onderzoek. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar het volledige rapport wat is opgenomen in bijlage 3 bij deze toelichting. 5.2.2
Situatie plangebied
Zintuiglijk zijn in de vaste bodem sporen tot matige bijmengingen aan puin, kolengruis en slakken waargenomen. In de bodem is zintuiglijk en analytisch geen asbest aangetroffen. In de ondergrond zijn sterk verhoogde gehalten aan zware metalen aangetoond. De maximaal aangetoonde gehalten overschrijden de interventiewaarden. De verontreiniging is binnen de perceelsgrenzen globaal ingekaderd. De sterk verhoogd aangetoonde gehalten zijn naar verwachting te relateren aan de bijmengingen met puin, kolengruis en slakken. De omvang van de aangetoonde sterke verontreiniging met zware metalen is binnen het te ontwikkelen gebied > 25 m3. Het betreft daarom een geval van ernstige bodemverontreiniging. Geadviseerd wordt om de verontreiniging met zware metalen binnen het te ontwikkelen gebied, onder milieukundige begeleiding te saneren. 5.2.3
Conclusie
Na sanering van de saneringsplichtige verontreinigingen zijn er geen milieutechnische bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling, aangezien de overige vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt na sanering geschikt geacht voor het toekomstige gebruik (wonen met tuin).
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
36
Bestemmingsplan “Grotestraat 162 en 164 Nijverdal” Concept
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);
5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze ‘gevoelige bestemmingen’ zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van ‘gevoelige bestemmingen’ binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.2
Situatie plangebied
Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een herontwikkeling van het plangebied waarbij 16 appartementen en circa 450 m2 aan commerciële ruimte wordt gerealiseerd. Een ontwikkeling met een dergelijke omvang is aan te merken als een project welke “niet in betekenende mate bijdraagt” aan luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat deze ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. 5.3.3
Conclusie
Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is daarom niet nodig.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
37
Bestemmingsplan “Grotestraat 162 en 164 Nijverdal” Concept
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • de Regeling basisnet; • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); • de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied). Regelgeving ten aanzien van transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2
Situatie plangebied
Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart Overijssel staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart weergegeven. Het plangebied is indicatief aangegeven met de blauwe omlijning.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
38
Bestemmingsplan “Grotestraat 162 en 164 Nijverdal” Concept
Afbeelding 5.1
Uitsnede Risicokaart Overijssel (Bron: Nederland Risicokaart)
Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: • • • •
zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is (buisleiding gasunie); niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Buisleiding Nederlandse Gasunie B.V. Zoals in afbeelding 5.1 is weergegeven, ligt het plangebied nabij een gasleiding van de Nederlandse Gasunie B.V. Het betreft de gasleiding met het kenmerk N-557-35. Deze buisleiding heeft een uitwendige diameter van 114 mm en een werkdruk van maximaal 40 bar. Bij dergelijke gasleidingen ligt de 1% letaliteitsgrens op 50 meter. De gasleiding ligt op circa 285 meter afstand van het plangebied. De buisleiding ligt daarmee buiten de 1% letaliteitsgrens. Een verantwoording van het groepsrisico wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Ten Cate Nederland BV Zoals in afbeelding 5.1 is weergegeven, ligt het plangebied ten zuidwesten van Ten Cate Nederland BV. De afstand tot de bij deze inrichting behorende ‘grens invloedsgebied verantwoording groepsrisico’ bedraagt 99 meter. Het plangebied ligt op circa 290 meter van de betreffende inrichting. Een verantwoording van het groepsrisico wordt daarom niet noodzakelijk geacht. 5.4.3
Conclusie
Eén en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met de wet- en regelgeving inzake externe veiligheid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
39
Bestemmingsplan “Grotestraat 162 en 164 Nijverdal” Concept
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2
Gebiedstypen
Volgens de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Voor gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging, of in gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), kunnen de gebieden worden aangemerkt als ‘functiemengingsgebied’. Bij ‘functiemengingsgebieden’ moet gedacht worden aan: 1. 2. 3. 4.
stadscentra, dorpskernen en winkelcentra; horecaconcentratiegebieden; zones met functiemenging langs stedelijke toegangswegen en in lintbebouwingen; (delen van) woongebieden met kleinschalige c.q. ambachtelijke bedrijvigheid.
Zoals in de VNG-publicatie is aangegeven kan, vanwege de bijzondere kenmerken van gebieden met enige vorm van functiemenging, niet worden gewerkt met een systematiek van richtafstanden en afstandsstappen: vanwege de zeer korte afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies is een dergelijke
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
40
Bestemmingsplan “Grotestraat 162 en 164 Nijverdal” Concept systematiek niet geschikt voor functiemengingsgebieden. De ‘Staat van Bedrijven (SvB) - functiemenging’ bevat geen richtafstanden, maar categorieën A, B en C, die aangeven onder welke omstandigheden activiteiten inpasbaar zijn. De toelaatbaarheid van milieubelastende functies in gebieden met functiemenging wordt beoordeeld aan de hand van de volgende drie ruimtelijke relevante milieucategorieën: •
Categorie A: Activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze inpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend.
•
Categorie B: Activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden.
•
Categorie C: De activiteiten zoals genoemd onder B, waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen.
Ten aanzien van het plangebied en de omgeving (het centrum van Nijverdal) wordt opgemerkt dat er sprake is van een situatie waarbij bewust functiemenging wordt nagestreefd, daarom wordt hier uitgegaan van een ‘functiemengingsgebied’. 5.5.3
Situatie plangebied
5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de situatie ter plaatse van het plangebied. De VNG uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.
past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Ten aanzien van de toe te voegen woningen (woonfunctie) wordt opgemerkt dat dit geen milieubelastende functie betreft. Er is daarmee geen sprake van aantasting van het woon- en leefklimaat ten aanzien van de in de omgeving aanwezige milieugevoelige functies. Ten aanzien van de beoogde commerciële plint wordt opgemerkt dat dit op basis van het geldende bestemmingsplan “Nijverdal Centrum” reeds is toegestaan. Hiermee is dan ook geen sprake van een (verdere) verslechtering van het woon- en leefklimaat ten aanzien van de in de omgeving aanwezige milieugevoelige functies. Bovendien vallen de beoogde commerciële functies binnen de milieucategorie 1 en 2. Dergelijke bedrijven/inrichtingen vallen op basis van functiemengingsgebieden in de categorieën A en B van de VNGbrochure. Deze functies kunnen inpandig aan woningen worden uitgevoerd (categorie A) of dienen bouwkundig afgescheiden te zijn van woningen of andere gevoelige functies (categorie B).
5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het plangebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. Omgekeerd gaat het om de vraag of bestaande functies in de omgeving belemmerd worden in de bedrijfsvoering door de nieuwe milieugevoelige functies. In paragraaf 5.1.2.1 is reeds ingegaan op het nabij gelegen industrieterrein ‘Nijverdal Noord en Zuid’. Hierna wordt ingegaan op de in de omgeving aanwezige individuele bedrijven/inrichtingen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
41
Bestemmingsplan “Grotestraat 162 en 164 Nijverdal” Concept Het plangebied ligt in het centrum van Nijverdal waar uitsluitend milieucategorie 1 en 2 bedrijven/inrichting zijn toegestaan. Dergelijke bedrijven/inrichtingen vallen op basis van functiemengingsgebieden in de categorieën A en B van de VNG-brochure. Deze functies kunnen inpandig aan woningen worden uitgevoerd (categorie A) of dienen bouwkundig afgescheiden te zijn van woningen of andere gevoelige functies (categorie B). In voorliggend geval is er een bouwkundige scheiding tussen de beoogde woningen en de in de omgeving voorkomende centrumfuncties (incl. de te realiseren commerciële plint binnen het plangebied). Gelet op het vorenstaande wordt gesteld dat ter plaatse van de beoogde woningen sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast worden omliggende milieubelastende functies niet (verder) in de bedrijfsvoering belemmerd. 5.5.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan
5.6
Ecologie
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet Natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. 5.6.1
Gebiedsbescherming
5.6.1.1 Natura 2000-gebieden In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 1,8 kilometer afstand van het plangebied. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk.
Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitatypen binnen Natura 2000-gebieden. Om dit te beoordelen is er een zogenaamde AERIUS-berekening uitgevoerd voor zowel de bouwfase (tijdelijk karakter) en de gebruiksfase die samenhangt met de voorgenomen ontwikkeling. Hierna wordt de belangrijkste conclusie van het onderzoek weergegeven. Voor de volledige onderzoeksrapportage wordt verwezen naar bijlage 4 bij deze toelichting. Uit de berekeningen wordt geconcludeerd dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000-gebieden. Het project is in het
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
42
Bestemmingsplan “Grotestraat 162 en 164 Nijverdal” Concept kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000gebieden, niet vergunningsplichtig. 5.6.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij' - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het NNN. Het dichtstbijzijnde onderdeel van natuur dat onderdeel uitmaakt van het NNN bevindt zich op circa 570 meter afstand. Het onderzoeksgebied behoort niet tot het NNN en het grenst niet aan gronden die tot het NNN behoren. Vanwege de lokale invloedsfeer en de ligging van het onderzoeksgebied op enige afstand van het NNN, wordt gesteld dat de voorgenomen activiteit geen negatief effect heeft op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN. 5.6.2
Soortenbescherming
In voorliggend geval heeft Natuurbank Overijssel ter plaatse van het plangebied een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten van het onderzoek opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 5 van deze toelichting. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het plangebied uitsluitend als foerageergebied en bezetten er geen vaste rust of voortplantingsplaats. Mogelijk benutten sommige vogel-, grondgebonden zoogdier-, vleermuis- of amfibieënsoorten de buitenruimte als foerageergebied. Als gevolg van het bebouwen en verharden van de (onbebouwde) buitenruimte, neemt de betekenis ervan als foerageergebied voor de in het plangebied foeragerende dieren af. Dit leidt niet tot wettelijke consequenties omdat de functie van het plangebied als foerageergebied, voor de in plangebied foeragerende beschermde diersoorten, niet beschermd is. 5.6.3
Conclusie
De Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen activiteit. Nader onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming wordt niet noodzakelijk geacht. Vaststelling van dit bestemmingsplan heeft tevens geen significant negatieve effecten op Natura-2000 gebieden of het Natuurnetwerk Nederland.
5.7
Archeologie & Cultuurhistorie
5.7.1
Archeologie
5.7.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor kan archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
43
Bestemmingsplan “Grotestraat 162 en 164 Nijverdal” Concept plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.7.1.2 Onderzoeksresultaten archeologie Het plangebied is getoetst aan de Indicatieve Kaart Archeologische Waarde (IKAW) en aan de provinciale archeologische verwachtingskaart uit de provinciale Omgevingsvisie. Hieruit blijkt dat het plangebied niet is gekarteerd. Door de aanwezigheid van de huidige bebouwing is de bodem binnen het plangebied, net zoals vrijwel de gehele kern van Nijverdal, (grotendeels) geroerd en dus verstoord. Daarom is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Een archeologische dubbelbestemming hoeft niet opgenomen te worden. 5.7.2
Cultuurhistorie
5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.7.2.2 Onderzoeksresultaten cultuurhistorie Er bevinden zich in het plangebied geen rijks- en/of gemeentelijke monumenten. In en in de omgeving van het plangebied is tevens geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Daarom wordt geconcludeerd dat het plan geen negatieve invloed heeft op de cultuurhistorische waarden. 5.7.3
Conclusie
Van archeologische waarden binnen het plangebied is geen sprake. Tevens is het niet noodzakelijk om een archeologische dubbelbestemming op te nemen. Daarnaast wordt geconcludeerd dat er geen cultuurhistorische waarden in of nabij het plangebied aanwezig zijn.
5.8
Besluit milieueffectrapportage
5.8.1
Algemeen
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: • •
•
Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
44
Bestemmingsplan “Grotestraat 162 en 164 Nijverdal” Concept eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 5.8.2
Situatie plangebied
5.8.2.1 Artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 1,8 kilometer afstand van het plangebied. Zoals in paragraaf 5.6.1.1 en bijlage 4 (stikstofonderzoek) van deze toelichting is beschreven is er voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatieve effecten heeft op de instandhoudingsdoelstelling van Natura 2000gebieden. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. Daarom is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 5.8.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in een directe eindbestemmingen waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r-beoordelingsplichtig plan. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn.
Wel kan geoordeeld worden dat er sprake is van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.’ Getoetst dient te worden of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. 2. 3.
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer.
De in dit kader relevante vraag die eerst beantwoord dient te worden is, is of met de ontwikkeling van 16 woningen en circa 450 m2 aan commerciële ruimte op de locatie aan de Grotestraat 162 en 164 in Nijverdal sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (o.a. ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2414) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aan de hand van aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat uit van het toevoegen van 16 appartementen en 450 m2 aan commerciële ruimte binnen de bebouwde kom van de kern Nijverdal. Hierbij dient opgemerkt te worden dat in de huidige situatie reeds twee appartementen en circa 500 m 2 aan commerciële ruimte aanwezig is. Op de schaal van Nijverdal is qua aard en omvang sprake van een kleinschalige ontwikkeling. Daarbij neemt het aantal verkeersbewegingen als gevolg van deze ontwikkeling niet onevenredig toe en voegt de bebouwing zich qua aard en functie in het stedenbouwkundig beeld van de Grotestraat.
Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een nieuwe functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen of een beperking voor andere functies in de directe omgeving. Gelet op het BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
45
Bestemmingsplan “Grotestraat 162 en 164 Nijverdal” Concept vorenstaande, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. 5.8.3
Conclusie
Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
46
Bestemmingsplan “Grotestraat 162 en 164 Nijverdal” Concept
HOOFDSTUK 6 6.1
WATERASPECTEN
Algemeen
Op grond van een afspraak uit de Startovereenkomst Waterbeleid 21 e eeuw, dienen decentrale overheden in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf op te nemen. In die paragraaf dient te worden uiteengezet wat voor gevolgen het plan in kwestie heeft voor de waterhuishouding, dat wil zeggen het grondwater en het oppervlaktewater. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets: het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren (door de waterbeheerder), afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. 6.1.1
Beleidskader
Het kader voor de watertoets is het vigerend beleid (Vierde Nota waterhuishouding, Waterbeleid 21 e eeuw, Europese Kaderrichtlijn water en de beleidslijn Ruimte voor de Rivier). De watertoets wordt uitgevoerd binnen de bestaande wet- en regelgeving op het gebied van ruimtelijke ordening en water, op basis van het commitment van de betrokken partijen blijkend uit de Startovereenkomst Waterbeleid 21 eeeuw. Een aantal relevante beleidsdocumenten wordt in het navolgende kort besproken. Rijksbeleid NWP, Nationaal Waterplan 2016-2021 Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de rijkswateren. Vanuit de verantwoordelijkheid voor het watersysteem verankert het Rijk de volgende principes: •