CConstaterende datHellendoorn
Koppel je AI →
Document · PDF

Concept gebiedsprogramma's

Informatieronde 13 juni 2023, gemeente HellendoornBij agendapunt: Toelichting over het Provinciaal programma landelijk Gebied (PPLG)32.882 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Gebiedspartners in WestTwente zijn gemeente Almelo, gemeente Hellendoorn, gemeente Rijssen-Holten, gemeente Twenterand, gemeente Wierden, Waterschap Drents Overijsselse Delta, Waterschap Vechtstromen, Vitens, Landschap Overijssel, Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer, Natuur en Milieu Overijssel, Overijssels Particulier Grondbezit, LTO Noord, Producenten Organisatie Varkenshouderij, Nederlandse Vakbond Pluimveehouderij, VNO-NCW midden, MKB-Nederland, erfcoaches WestTwente, provincie Overijssel. Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. Overijssel heeft er maar liefst 24 van. In West-Twente gaat het om Engbertsdijksvenen, Wierdense Veld, De Borkeld en de Sallandse Heuvelrug. Die natuur staat onder druk. Daarom werkt de provincie met partners de komende jaren aan het versterken en verbeteren ervan. Zo krijgen bijzondere planten en dieren betere kansen. En blijven er zoveel mogelijk verschillende dieren en planten of komen deze zelfs terug. Met de omgeving waarin ze horen te leven.

1.2 Algemene kenmerken Op de website van de provincie Overijssel is een data hub beschikbaar gesteld waar veel informatie over West-Twente terug te vinden is GGAHUB_stikstof (arcgis.com). Hieronder worden enkele gegevens die ook op deze data-hub terug te vinden zijn getoond. In West-Twente is er een variatie in bodemtype. De meest voorkomende bodemtypen zijn Humuspodzolgronden en Kalkloze zandgronden, maar in het noordoosten van het deelgebied zijn er ook veengronden te vinden.

1.3 Korte procesbeschrijving met bijzonderheden In september 2022 is de provincie Overijssel gestart met Provinciaal Programma Landelijk Gebied (PPLG). Het PPLG is vormgegeven in zes gebieden, die samen de hele provincie beslaan: NoordwestOverijssel, Salland, Vechtdal, West-Twente, Noordoost-Twente en Zuidoost-Twente. Deze indeling is naar aanleiding van de Gebiedsgerichte Aanpak Stikstof tot stand gekomen op basis van geografie en bestaande samenwerkingsverbanden. De gebieden zijn groot genoeg voor verbinden, klein genoeg om elkaar te kennen. Gebiedsteam Per PPLG-gebied vormt een gebiedsteam de werkorganisatie. Dit team heeft ook het proces van totstandkoming van de Concept gebiedsagenda’s ondersteund en begeleid. Vanuit de provincie is gezorgd voor de basisbemensing met gebiedsregisseurs en gebiedsondersteuners. De gebiedsteams bestaan verder uit enkele medewerkers afkomstig van andere gebiedspartners, waarbij deelname door de provincie wordt gefaciliteerd via een subsidieregeling. Gebiedstafels De afstemming in de gebieden vindt plaats aan zogenaamde Gebiedstafels die op zowel ambtelijk als bestuurlijk niveau worden georganiseerd. Aan de Gebiedstafels werken (vertegenwoordigende)

organisaties met een belang bij het gebied samen op basis van ‘noaberschap’. Draagvlak en gedeeld eigenaarschap zijn cruciaal voor het slagen van het PPLG.

2. Uitwerking van de 3 PPLG doelen

Voor de uitvoering van het PPLG wordt gewerkt aan drie doelen: 1. Het realiseren van natuurherstel, een robuust watersysteem en minder emissies van broeikasgassen; 2. Het behoud en de versterking van de sociaaleconomische kwaliteit van het platteland; 3. Het realiseren van een toekomstbestendig perspectief voor de landbouw.

2.1 Groen Blauwe doelen (inhoud) In het hoofddocument van het PPLG staat een uitwerking van de doelen vertaald naar de 6 gebieden. Voor West-Twente staat hierin de volgende tabel met opgaven uitgewerkt. In de volgende subhoofdstukken wordt per thema of doel ingegaan op de inhoud en wat dit betekent voor WestTwente. NR Thema/doel Spoor 1: Naar een grondgebonden melkveehouderij 1.1 Landbouwareaal in gebied 1.2 Melkveehouderij grondgebonden in 2032; Uitgangssituatie (intensiteit bedrijven (GVE/ha): >2,1 GVE >2,5 GVE >3 GVE 1.3

West Twente 21.175 ha

68% 36% 15%

Areaal landbouwstructuurversterking/kavelruil Nader te bepalen (raming) Spoor 2: Gebiedsgerichte opgaven natuur, water, klimaat i.c.m. extensieve natuurinclusieve landbouw 2.1 Areaal Natura 2000-gebieden met instandhoudings3.640 ha doelen: voor maatregelen zie Beheerplannen/ Gebiedsanalyses (inclusief uitbreiding NNN in uitwerkingsgebieden) 2.2 Zoekgebied maatregelen KRW-opgave oppervlakte- en 6277 ha grondwater: maatregelen bepalen in gebiedsproces

2.4

2.5 2.6 2.8 2.9

Overgangsgebieden: zoekgebied natuurinclusieve landbouw met leefgebied VHR soorten in boerenland i.c.m. vermindering stikstofemissie Veenweide opgave Uitbreiding bos /bossenstrategie (ruimtelijk binnen-2.32.5) (indicatieve mee-koppelopgave) Overlap van gebieden onder 2.2-2.5 Groen blauwe dooradering

2.10

Areaal uitwerkingsgebieden natuurinclusieve landbouw in combinatie met water, natuur en klimaat opgaven als percentage van landbouwareaal (areaal met meervoudige opgave) Spoor 3: Bedrijfsgerichte- en ketengerichte maatregelen 3.1 Maatregelen vermindering van ammoniakemissie

6277 ha

n.v.t. 500 ha 403 ha 10% van de prioritaire gebieden 38%

Aanvullend op de vermindering van de ammoniakemissies via spoor 1 en spoor 2 beogen wij via dit spoor ca. 40-66% van de Overijsselse opgave voor de vermindering van de ammoniakemissie te realiseren. Hiervan dienen streefwaarden voor 2030 en 2035 afgeleid te worden waarop ondernemers zich individueel of in samenwerking per gebied kunnen richten

2.2 Natuurherstel 2.2.1 N2000-gebieden Nadere toelichting volgt in het najaar - Inrichtingsplannen en PIPs (in hoeverre heeft dit nu al bijgedragen aan de PPLG doelen?) - Lopende N2000-processen (en in hoeverre dit al heeft bijgedragen aan de PPLG doelen) - Natuurdoelanalyses

2.2.2 Stikstof In 2021 is een analyse uitgevoerd voor West-Twente ten behoeve van de GGA (https://overijssel.notubiz.nl/document/10977404/1/Stand van zaken en vooruitblik aanpak stikstof). Per GGA-gebied zijn de gebiedsdata in kaart gebracht. Het resultaat is een brede verzameling gedetailleerde statistische gegevens afkomstig uit openbare bronnen van RIVM, BIJ12, CBS, PBL, aangevuld met gegevens die bij de provincie bekend zijn en van partijen uit de GGA-gebieden. De data zijn bij elkaar gebracht in een digitale tool, te raadplegen via https://ggahub-stikstofoverijssel.hub.arcgis.com/. De gebiedsdata zijn niet statisch, maar voortdurend in ontwikkeling. Zodra nieuwe data beschikbaar komen, worden deze verwerkt. West-Twente heeft een emissie-uitstoot van 4,2 miljoen kg. Dit is 14,9% van de totale uitstoot in de provincie Overijssel. Het aandeel vanuit de landbouwsector is 73,7%. Verkeer en vervoer volgt met 17,5%. De opgave is de stikstofemissie omlaag te brengen met het doel de stikstofdepositie in Natura

2000-gebieden omlaag te brengen zodat de staat van instandhouding van de natuur verbeterd wordt. De stikstofopgave volgt uit de Wet stikstofreductie en natuurherstel, die doelstellingen voor de omgevingswaarde bevat voor 2025, 2030 en 2035. Bij de ruimtelijke vertaling van de stikstofreductie wordt landelijk uitgegaan van richtinggevend 39 kton NH3-reductie. Naar verwachting is 39 kton emissiereductie van NH3 nodig om ten minste de wettelijke omgevingswaarde voor 2035 van 74% onder de KDW te behalen. Dit komt overeen met een daling van ongeveer 40% van de stikstofemissies uit de landbouw, boven op de verwachte daling uit het basispad (circa 10 kton NH3) ten opzichte van ijkjaar 2019. Dit zijn landelijke gemiddeldes. In het Nationaal Programma Landelijk Gebied is de stikstofopgave nader uitgewerkt en over de provincies verdeeld. Voor Overijssel kent het Rijk een aanvullende reductieopgave van provinciale emissies NH3 van 41% toe (ca. 5,7 kiloton). In totaal, het basispad plus de toegekende provinciale opgave, is de opgave een reductie van 50% ten opzichte van ijkjaar 2019.

2.2.3 Robuust watersysteem Binnen het PPLG vormt de wateropgave 1 van de 4 groenblauwe hoofddoelen. Het gaat daarbij over waterkwaliteit en waterkwantiteit. Waterkwaliteit Voor waterkwaliteit is vooral de Europese Kaderrichtlijn Water (hierna: KRW) leidend, inclusief alle daarbij horende dochterrichtlijnen (bijv. de Grondwaterrichtlijn en de Richtlijn Prioritaire Stoffen). Daarnaast speelt de Nitraatrichtlijn die direct doorwerking heeft op het mestbeleid, en in zijn geheel gericht is op de waterkwaliteit van grond- en oppervlaktewater, en daarmee de doelen van de KRW. Al deze richtlijnen zijn door vertaald naar Nederlands wetgeving, veelal in Waterwet en Wet milieubeheer en bijbehorende AMvB’s of MR’en, en per 1-1-2024 -in directe zin- overgenomen in de Omgevingswet. De KRW is in werking sinds eind 2000. De eerste planperiode startte eind 2009. Elke planperiode heeft een duur van 6 jaar. Op dit moment zitten wij in de derde planperiode. Nederland heeft tweemaal uitstel van 6 jaar gevraagd voor het halen van de doelen. Eind 2027 dienen die te zijn gehaald, na een looptijd van 18 jaar. De KRW loopt na 2027 door. Dat is nodig om de gehaalde doelen vast te houden, i.v.m. nieuwe inzichten en bijvoorbeeld ook om nieuwe stoffen aan de lijst met Prioritaire Stoffen toe te voegen.

De doelen gelden voor oppervlaktewater (ecologisch en chemisch) en grondwater (chemische kwaliteit, én kwantiteit). Overijssel heeft 88 KRW-oppervlaktewaterlichamen en 2 grondwaterlichamen (deels vallend in andere provincies). De drinkwaterwinningsgebieden en de aanpak (maatregelen) daarvan vallen direct onder de KRW (de zogenaamde ‘gebiedsdossiers’). De 88 KRW-oppervlaktewaterlichamen zijn gekozen om daarmee een representatief beeld te krijgen voor al het oppervlaktewater in Overijssel, omdat de KRW overal geldt. Voor deze 88 en de 2 grondwaterlichamen geldt een rapportageverplichting aan Brussel. Dat gebeurt met zogenaamde ‘factsheets’. Voor de KRW hebben de provincie en de Waterschappen een grote rol en verantwoordelijkheid. De provincie is kader stellend voor het regionaal waterbeheer en stelt de ecologische doelen voor de regionale wateren vast. Dit na een watersysteemanalyse door de Waterschappen en doorvertaling door hen naar een voorgesteld maatregelenpakket waarmee de doelen voor oppervlaktewater kunnen worden gehaald. Voor provincie is dat gericht op grondwater (veelal de gebiedsdossiers). Voor Waterschappen is dat gericht op de herinrichting van de wateren, vistrappen, RWZI’s, baggeren

etc. Dit wordt vastgelegd in zowel het provinciale Regionale Water Programma (RWP) als in de Water Beheer Programma’s (WBP) van de Waterschappen. Het halen van de doelen is alleen mogelijk als ook andere sectoren (w.o. landbouw) maatregelen treffen en het generieke beleid van het rijk (zoals op mest of gewasbescherming) tot resultaten leidt. De normen en doelen voor chemie in oppervlaktewater en grondwater liggen vast in een AMvB. Alle KRW-doelen en -maatregelen die provincie en Waterschappen te doen hebben voor de periode 2022-2027 liggen dus vast in eind 2021 vastgestelde programma’s/planfiguren. Waterkwantiteit Voor veel functies is de beschikbaarheid van water van groot belang. Dat geldt sowieso voor natuur en landbouw, voor drinkwaterwinning, voor overig bedrijfsleven (naast landbouw) en ook voor transport (scheepvaart) en recreatie. Met de klimaatverandering is steeds vaker sprake van droogte en daarnaast is er ook steeds meer sprake van verdroging (veelal natuur). Al enige tijd is sprake van het Deltaprogramma Zoetwater om tot maatregelen te komen om de gevolgen te beperken. Overijssel neemt deel aan Zoetwatervoorziening Oost-Nederland (ZON) wat de uitwerking van het Deltaprogramma is in het deelstroomgebied Rijn-Oost. Daarvoor loopt intussen een tweede planperiode (tot eind 2027), waarin voor Rijn-Oost 200 miljoen euro wordt geïnvesteerd in water vasthouden.

Het Deltaprogramma loopt sowieso door tot 2050. Ook vanuit de kamerbrief Water en Bodem Sturend van 24 november 2022 (Minister Harbers van IenW) is waterkwantiteit heel concreet (via 33 ‘structurerende keuzes’) benoemd als opgave voor de gebiedsprogramma’s (PPLG’s). Wat daarnaast niet onbenoemd mag blijven, is dat waterkwantiteit een KRW-doel is voor grondwater. Waterkwantiteit is daarnaast cruciaal voor het halen van de KRW-doelen in onze beeksystemen. Deze beeksystemen zijn de afgelopen droge zomers in de periode 2018-2022 in sterke mate en langdurig drooggevallen. Dat heeft grote en soms blijvende negatieve gevolgen voor de daarin levende organismen, waaronder ook veel N2000-doelsoorten. Waterkwantiteit is vooral van belang in (overgangsgebieden) N2000-gebieden, veengebieden, intrekgebieden drinkwaterwinning, waardevolle kleine wateren, beeksystemen en de haarvaten van het watersysteem (waaronder HOP-projecten; onderdeel van programma ZON) en zettingsgevoelige gebieden (waaronder én naast veen). Wat is sinds januari 2022 tot nu gedaan? Samen met Waterschappen en Vitens is door de provincie een waterdoelanalyse uitgevoerd voor de waterkwaliteit van resp. oppervlaktewateren en grondwater. En voor waterkwantiteit is gebruik gemaakt van het ZON-beekdalenonderzoek.

Waterdoelanalyse oppervlaktewater Hieruit is duidelijk geworden dat WDOD en Rijn en IJssel geen directe knelpunten vanuit de landbouw kunnen aanwijzen. Wel lijkt dit indirect te gebeuren via sediment en voor zware metalen. Daar is nader onderzoek voor nodig dat regionaal of landelijk uitgevoerd dient te worden. Voor Vechtstromen is sprake van veel knelpunten in beeksystemen die mede door de landbouw veroorzaakt worden. De hierbij aangewezen maatregel zijn brede bufferstroken. Het gaat om beekdalen (niet alle en ook niet de volledige beekdalen) in Twente en twee in het Vechtdal. De gekozen werkwijze voor oppervlaktewateren is getoetst door kennisinstituten (Deltares, WUR. KWR) en de eindrapportage is vrijwel gereed (deze wordt zodra mogelijk beschikbaar gesteld voor de

gebiedsregisseurs). Hieruit komen aanbevelingen voor een nadere onderbouwing/uitwerking die binnenkort gestart wordt maar niet gereed zal zijn voor 1 juli a.s. Voor grondwater zijn de drinkwaterwinningen bekeken. Het overige grondwater staat op dit moment op groen, alhoewel de grondwaterkwaliteit sterk en snel verslechterd, vooral door gewasbeschermingsmiddelen (uit landbouw). Dit is in geheel Nederland (in ieder geval de zandprovincies) gaande. Uit de 23 winningen (en 1 aanstaande) zijn 8 winningen gekomen die knelpunten hebben als gevolg van landbouw. Een deel hiervan was al in beeld vanuit de aanpak voor de Nitraatrichtlijn. Het gaat vooral om meststoffen, en daarnaast gewasbeschermingsmiddelen. Waterkwantiteit Hiervoor is gebruik gemaakt van het ZON-beekdalenonderzoek. Voor alle beekdalen in Overijssel (en Rijn-Oost) zijn verschillende scenario’s van verhoging va het grondwaterpeil doorgerekend en op kaart gezet. Hiervoor bestaan kaartbeelden en daaraan gekoppeld ook de hectares die in een bepaalde grondwaterstand vallen na een verhoging. Naast het ZON-beekdalen onderzoek is waterkwantiteit dus ook noodzakelijk voor andere gebieden naast de beekdalen.

Dus: (overgangsgebieden) N2000-gebieden, veengebieden, intrekgebieden drinkwaterwinning, waardevolle kleine wateren en overige haarvaten van het watersysteem (waaronder HOP-projecten; onderdeel van programma ZON) en zettingsgevoelige gebieden (waaronder én naast veen). West Twente Er zijn in West-Twente meerdere intrekgebieden voor drinkwaterwinningen (Wierden, Hoge Hexel, Espelose Broek, Holten (en Daarle-Vriezenveen als nieuwe winning)). Hoewel de richtlijnen van de KRW breder een rol spelen, staat in die gebieden de waterkwaliteit extra op de kaart omdat water hier ook voldoende geschikt moet zijn voor drinkwatergebruik. Naast waterkwaliteit, is ook de kwantiteit relevant. In West-Twente is met name droogte (en in sommige gevallen ook vernatting) een sterk aanwezig knelpunt. Er lopen diverse initiatieven die gericht zijn op het langer vasthouden van water. Het waterwin concept “De Eeuwige Bron” wordt momenteel verkend en kan potentieel veel invloed hebben in het gebied, mits uitvoering en werking van het concept haalbaar blijken te zijn. In West-Twente gaat het in verhouding tot andere gebieden in Overijssel niet slecht met de waterkwaliteit. De meeste wateren hebben een doelgat-percentage voor de KRW van 11-17% en in het oosten van het deelgebied zijn de percentages lager, namelijk 810%.

Voor wat betreft drinkwaterwinning en waterkwaliteit is de volgende data beschikbaar in de datahub op de provinciale website. Een duidelijk knelpunt hierin in is de drinkwaterwinning bij het Wierdense Veld, waar eveneens vernatting plaats moet vinden om te werken aan de instandhoudingsdoelen voor Natura 2000. Ook andere drinkwaterwinning zorgen voor knelpunten (Daarle-Vriezenveen, Hoge Hexel, Espelose Broek, Holten).

2.2.4 Bossenstrategie In de landelijke bossenstrategie hebben Rijk en provincies gezamenlijk een ambitie uitgesproken om 10% meer bos aan te leggen. Voor een groot deel is deze aanleg voorzien buiten het NNN en dus in het landelijk gebied. Een deel van deze opgave is al heel concreet ingevuld met hectares en budget (voor afwaardering en inrichting/aanleg). Een ander deel wordt nog verder uitgewerkt en daar wordt dekking voor gezocht. Als er op landbouwgrond bos wordt aangelegd wordt de grond afgewaardeerd en verandert de bestemming naar natuur waarmee er geen veldemissie meer zal zijn van stikstof. Daarnaast kunnen bomen door hun grote ‘ruwheid’ in het terrein ook stikstof afvangen en tevens CO2 binden. De omvang van alle bovenstaande effecten is mede afhankelijk van de ligging van de locatie voor bosaanleg ten opzichte van Natura 2000-gebieden en zal in sommige gevallen tegenstrijdig zijn met de doelen vanuit de Ontwikkelopgave (en dan kan het soms beter zijn om naar andere oplossingen te zoeken). pm

2.2.5 Minder emissies van Broeikasgassen De uitstoot van methaan en lachgas moet landelijk met 5 Mton CO2 eq. worden verminderd. Ook dit gebeurt deels via extensivering, maar er zal zeker nog een aanvullende opgave zijn. Het aandeel van provincie Overijssel hierin is nog niet bekend.

2.3 Perspectief voor de landbouw (proces) Toekomstige situatie Op 20 december 2022 heeft GS de Overijsselse visie op de landbouw vastgesteld. In deze visie heeft de provincie vier doelen centraal gesteld; Voedselproductie, Natuur, Klimaat en Water. Redenerend vanuit het principe; ‘water en bodem’ leidend vanuit het fundament van de omgevingsvisie, in combinatie met deze doelen komt er een verschuiving van ruimtegebruik van het landbouwareaal naar voren. De ‘gangbare’ landbouw zoals we dat nu in West-Twente kennen, zal voor een groot deel plaats moeten maken voor extensievere vormen van landbouw. Hierbij kan o.a. gedacht worden aan:

-

Verbetering van het opbrengend vermogen van de bodem op basis van minder (kunst-)mest, door optimaal de natuur te benutten (die gul is: gratis zon en bodemleven); Verlaging van de kosten door minder externe inputs (zoals kunstmest, veevoer, adviseurs, dierenarts, ….); Lagere grondkosten (afwaardering tot landschapsgrond); Inkomsten uit andere teelten/diensten, zoals bio-based gewassen als olifantsgras of silphie; Vergoedingen voor beheerdiensten voor bodem, water, natuur en landschap (bijvoorbeeld weidevogelbeheer); Zorg, recreatie, educatie en verkoop via de korte keten; Duurzame energie en wonen.

Opgaven Binnen de boven geschetste context betekent dit voor West-Twente dat voor de periode van nu tot 2040 in grote lijnen de volgende opgaven aan de orde zijn: 1. In extensievere gebieden, zoals rondom Natura 2000 en waterwingebieden, zal een basiskwaliteit natuur plus gehaald moeten worden, waarbij meer agrobiodiversiteit en ecosysteemdiensten financieel kunnen ondersteunen. 2. Ter versterking van de boer- burgerverbinding liggen er rondom steden zoals Almelo, kansen voor verbreding van agrarische bedrijfsmodellen (korte keten, zorg, recreatie, e.d.) en groenblauwe - bruine (recreatiepaden) dooradering. 3. Landschappelijke achteruitgang kan worden gekeerd door invulling te geven aan groenblauwe - bruine (recreatiepaden) dooradering. 4. Hoge veedichtheid – aandachtspunten als grondgebondenheid maatgevend wordt (om te kunnen voldoen aan de opgaves voor water, klimaat en natuur zal de veestapel krimpen) 5. In de hoogproductieve kringlooplandbouw gebieden zijn we zuinig op goede geschikte landbouwgronden, dus weinig extra nieuwe functies die belemmerend kunnen werken mogelijk maken. 6. Grond is goed en schaars… van stoppers aankopen… en grotendeels weer uitgeven aan andere agrariërs. Ontwikkelingspaden voor de landbouw Voor een handelingsperspectief voor de landbouw in West-Twente kunnen de hierboven genoemde doelen vertaald worden naar het niveau van boer en buurt.

Hetzelfde geldt voor de eisen die het bodem- en watersysteem (omgevingseisen) stellen aan de ondernemer. De combinatie van beide zal een ondernemer doen beslissen of hij/zij kan en wil doorgaan met de huidige bedrijfsvoering (op dezelfde, of een andere plek), wil omvormen naar een andere bedrijfsvoering, of wil stoppen of afbouwen. Vanuit de provincie worden deze keuzes uitgewerkt in ontwikkelpaden. De uitwerking hiervan is onderdeel van het PPLG-hoofddocument. De keuzes die een ondernemer maakt zijn enerzijds van belang op bedrijfsniveau en anderzijds belang voor het gehele gebied. Hoe dit onderdeel kan worden van een bredere ontwikkeling op gebiedsprocesniveau, wordt nader toegelicht in de uitvoeringsstrategie van dit document en de toelichting op het inzetten van het Markelo Model hiervoor.

2.4 Sociaal economische impact (proces) We nemen de ‘brede welvaart’ van een gebied als uitgangpunt bij plannen. Brede welvaart is ’alles wat mensen van waarde vinden’ (Planbureau voor de Leefomgeving).

Maatregelen voor natuur, stikstof, water en klimaat dragen bij aan een beter milieu en een betere gezondheid. Op andere indicatoren kunnen de maatregelen mogelijk ook een negatief effect hebben. Zo kunnen er minder arbeidsplekken beschikbaar komen in en rondom een agrarische onderneming, kan de materiële welvaart van regio’s onder druk komen als er geen alternatieve werkgevers zijn of kan de sociale cohesie binnen de samenleving minder sterk worden. Als het gaat over brede welvaart in Twente dan scoort de regio ten opzichte van andere Nederlandse regio’s, gemiddeld. Een aantal zaken gaan heel goed, maar op een aantal indicatoren doen de gemiddelde Tukker het wat minder dan in de rest van Nederland. Twentenaren zijn heel tevreden over hun woning, er is geen andere regio in Nederland waarin mensen hun woning zo’n hoog cijfer geven. Ook als het gaat over het contact met naasten, scoren Twentenaren zeer hoog. Nadelig voor de brede welvaart in Twente zijn de relatief slechte (ervaren) gezondheid, die zich uit in gemiddeld een lagere levensverwachting en een hoog percentage mensen met overgewicht. Ook het besteedbaar inkomen in Twente ligt onder het mediaan van besteedbare inkomens in Nederland.

Alle data over brede welvaart in Twente vindt je hier.

2.5 Impactanalyse sociaaleconomisch perspectief. In het PPLG wordt op dit moment hard gewerkt aan het zichtbaar én werkbaar maken van de sociaaleconomische effecten in de opgaven die we hebben in het landelijk gebied op natuur, water, klimaat en landbouw. We doen dit omdat de sociaaleconomische draagkracht in het landelijk gebied

randvoorwaardelijk is voor de uitvoering van de maatregelen die uit de genoemde opgaven zullen worden genomen. Doel in deze PPLG-werkwijze op het aspect sociaaleconomische impact is dat de uitkomsten daarvan in termen van indicatoren en monitoring brede welvaart, maar ook maatregelen én initiatieven in gebiedsprocessen, uiteindelijk inhoudelijk en effectief gaan bijdragen aan het te voeren beleid op het sociaaleconomisch perspectief. De stand van zaken is dat we 2023 benutten om de sociaaleconomische effecten – naar model brede welvaart- gebiedsgericht (GGA), te inventariseren om daarna te verdiepen en waar data beschikbaar is, daar ook aan te toetsen. Het is onze ambitie dit uit te werken in een dynamisch factsheet per GGA Gebied om op deze manier de komende jaren transparant te monitoren hoe de brede welvaart in het landelijk gebied zich ontwikkelt, zodat er kan worden bijgestuurd en kansen benut. Het behouden en versterken van de sociaaleconomische draagkracht in het gebied benaderen we lerend en iteratief: In gebiedsprocessen gaan, bottum-up, initiatieven, ervaringen en effecten hand in hand met, eventueel aanvullend, beleid, onderzoek en financiële impulsen. Er zijn reeds verschillende gebiedsprocessen in uitvoering (pilots) of verkennend in gesprek en doen we leerervaringen op. Daaruit blijkt tot nu toe dat de gekozen benadering kansrijk is.

De samenwerking met het PPLG is overigens per gebiedsproces verschillend en wordt vanuit maatwerk vormgegeven. Daarnaast reikt het PPLG-tools aan om in de gebieden het gesprek over en het gebiedsplan te verbreden naar sociaaleconomische effecten. Ook wordt er instrumentarium ingericht, om de sociaaleconomische onderdelen van de gebiedsplannen te kunnen helpen uitvoeren. Naast deze (proces)aanpak, kijken we ook nadrukkelijk naar wat er al is in het gebied. Hierbij wordt met name de LEADER netwerken maar ook de lokale ontwikkel strategie (LOS) die in West Twente is opgesteld als kans voor verbinding gezien.

3. Realisatiestrategie: hoe deze vorm te geven (proces) 3.1 Visie/ strategie op realisatie Binnen West-Twente worden integrale gebiedsprocessen opgestart met een omvang van enkele honderden tot enkele duizenden hectares. Er wordt gezocht naar een logische omvang. De gebiedsgrootte is onder meer afhankelijk van de ruimtelijke indeling, de opgaven en wensen van grondeigenaren/bewoners.

Niet elk gebiedsproces in West-Twente zal op dezelfde manier verlopen. Qua proces zal er veel gelijk op gaan: een verkenning, het maken van een gebiedsplan, en de uitvoering. Maar niet elk proces zal even makkelijk zijn. Dit heeft zowel met de stapeling van opgaven te maken (die het maken van een

goed plan complex maakt), en het draagvlak in een gebied, waarbij historie en recente positieve of negatieve ervaringen heel bepalend zijn. Dit zorgt ervoor dat voor sommige processen meer middelen nodig zijn dan anderen. We sluiten bij het opzetten van gebiedsprocessen aan bij de 3 sporen uit het hoofddocument PPLG: 1. 2. 3.

Naar een grondgebonden veehouderij (provinciegericht geleidelijk realiseren van een grondgebonden veehouderij) Gebiedsgerichte opgaven (gebiedsgericht reageren op de opgaven vanuit KRW, stikstof en Natura 2000) Bedrijfsgerichte en ketengerichte maatregelen (bedrijfsgericht uitvoeren van maatregelen voor toekomstgerichte landbouw binnen de randvoorwaarden voor milieu en met goede verdienmodellen

Er zal hierbij een aantal type gebiedsprocessen ontstaan, afhankelijk van de lokale situatie en de opgave: a. Vrijwillige processen (‘bottom-up’) b. Inrichtingsprojecten onder de Wet Inrichting Landelijk Gebied (wettelijk of vrijwillig) c. Omgevingsplannen en projectbesluiten onder de Omgevingswet/Wro We verstaan onder gebiedsprocessen de initiatieven in een gebied van 500 tot 4.000 hectare waar met meerdere grondeigenaren en partners een proces wordt doorlopen om te komen tot een gebiedsplan dat bijdraagt aan de PPLG-doelen en dat vervolgens kan worden gerealiseerd. Om te komen tot een goede afbakening van een gebied, zal dit lokaal verschillen. Hierbij kan gekeken worden naar het stroom- of peilgebied, of naar een andere (natuurlijke) afbakening, zoals een N2000-gebied, een (grote) weg, of een bebouwd gebied. Gebiedsprocessen kennen 6 fasen (initiatief, verkenning, uitwerking gebiedsplan, realisatie en oplevering). Aan de start van elk gebiedsproces zal aan de ondernemers en overige betrokkenen worden gevraagd welke opgaven zij voor dit gebied zien, wat de kansen en knelpunten zijn en hoe volgens hen de toekomst van het gebied en de daar aanwezig bedrijven er uit zien. Vervolgens wordt bekeken welke overige opgaven, naast de PPLG doelen, meegenomen kunnen worden, wanneer besloten wordt tot een gezamenlijk gebiedsproces. De inzet per gebiedsproces kan verschillen.

Landgoederen Voor wat betreft landgoederen zijn een aantal zaken specifiek relevant. Kenmerkend voor de Twentse landgoederen is dat zij naar verhouding een behoorlijk areaal agrarische gronden verpachten (gemiddeld 60% is agrarische grond). Daarvan is een deel regulier verpacht. Dit betreft een vorm van verpachting met sterke wettelijke bescherming voor de pachter, die aan de verpachter weinig mogelijkheden voor wijziging geeft. Een ander deel is in langjarige erfpacht of geliberaliseerde pacht. Een ontwikkeling die gaande is, is dat steeds meer landgoederen in samenwerking met hun pachters duurzame landbouw, waaronder natuur-inclusieve landbouw stimuleren. Uitgangspunten hierbij zijn het herstel van natuur, bodem en biodiversiteit, versterken van landschap en vasthouden van water. Dit zijn tevens ontwikkelingen die een bijdrage leveren aan de emissiereductie. Landgoederen zijn bereid hierin te blijven investeren als dit op lange termijn financieel-economische en sociaal-maatschappelijk bestaanszekerheid oplevert. Voor de landgoederen is het van belang dat hun terreinen multifunctioneel kunnen blijven. De mix van landbouw en natuur vormt daar de basis. Maar ook toegankelijkheid voor recreatieve doeleinden, zoals het mountainbikenetwerk dat de afgelopen jaren is ontstaan. Voor de landgoederen zijn mee-koppelkansen van belang op gebied van bos (herstel, revitaliseren en aanleg)

en water. Ook voor de landgoederen is het van belang de bezittingen financieel op orde te houden. De huidige verhouding landbouw vs. natuur/bos zorgt in veel landgoederen voor voldoende financiële balans. Beperking van het verdienvermogen van de landbouw door extensivering, zorgt voor onbalans waar ander verdienvermogen tegenover moet staan. In een gebiedsproces rondom of volledig binnen een landgoed, zal met deze punten rekening moeten worden gehouden en een passend proces worden georganiseerd.

3.2 Communicatiestrategie Provincie Overijssel verzorgt de communicatie van het ‘algemene’ PPLG-verhaal via haar communicatiekanalen. Woordvoering ligt bij de provinciale woordvoerder. Het informeren van inwoners in de breedste zin gebeurt via de gemeenten en eventueel andere partners in het gebied. Zij worden daarbij gefaciliteerd door de provincie. Deze communicatie wordt via het gebiedsteam met provincie, gemeente, eventuele andere partners en gebied afgestemd. Het is zaak communicatie zo goed mogelijk af te stemmen. In de komende periode wordt daarom een communicatieplan uitgewerkt gericht op het gebied West Twente.

3.3 Rol/verantwoordelijkheid Door de betrokken partners is gesproken over de wijze waarop de betrokkenheid van partners kan worden georganiseerd, hoe kan worden samengewerkt en hoe tot uitvoering kan worden gekomen en wie welke rol daarbij heeft. In de komende periode zal verder worden toegewerkt naar een wijze waarop dit uiteindelijk vorm kan krijgen. Voor nu zijn de volgende aandachtspunten/zaken hierover besproken: 1. Provincie Overijssel, gemeenten en Waterschappen zullen goed met elkaar moeten afstemmen om als één overheid te acteren. Ieder van hen heeft hierin wel een andere rol. 2. De gemeente is als eerste overheid vaak een aanspreekpunt voor inwoners (agrarische ondernemers, plaatselijk belang, etc.). 3. Partijen geven aan dat de provincie een taak heeft als het gaat om coördinatie tussen gebieden en soms ook in gebieden, hiervoor kan het gebiedsteam worden ingezet door de provincie (dat gebeurt nu met als coördinator een gebiedsregisseur). 4. Het gesprek op ambtelijke en bestuurlijke tafel op het schaalniveau West Twente is nodig om van elkaar te leren, uit te wisselen en processen goed op elkaar af te stemmen. 5. Gemeenten kunnen en willen in sommige gevallen in de lead zijn en samen met hun boeren de aanpak vormgeven. Ook hier kan het gebiedsteam eventueel worden ingezet voor ondersteuning en/of coördinatie. 6.

Voor het begeleiden van gebiedsprocessen en de uitvoering van het PPLG zal voor meerdere organisaties een groot beslag worden gedaan op capaciteit en eventueel ook andere middelen. Dit vraagt om een nadere uitwerking hoe hiermee om te gaan. 7. Partners concluderen dat we afhankelijk zijn van elkaar en een goede samenwerking van groot belang is om tot een goede uitvoering van het PPLG te kunnen komen. 8. De rol van gebiedsprocessen/initiatiefnemers is van groot belang. Om de uitvoering echt bottom-up te kunnen organiseren zal er veel aandacht moeten zijn voor de organisatie hier omheen.

3.4 Voorbeelden van lopende processen en hoe deze bijdragen Onder hoofdstuk 4, paragraaf 4.1 worden de lopende gebiedsprocessen kort toegelicht. Onder hoofdstuk 4, paragraaf 4.2 wordt toegelicht hoe de opbrengsten van de huidige processen kunnen helpen om ook in andere gebieden invulling te geven aan de opgaven. In geen enkel gebiedsproces wordt al aan uitvoering gewerkt, met name omdat de doelen nog niet zeker zijn en

uitvoering/resultaten juridisch nog niet geborgd kunnen worden (of vastgelegd in een monitoringssysteem).

3.5 Agenderende randvoorwaarden (vanuit het gebied) Om in West-Twente tot een goede aanpak voor de uitvoering van het PPLG te komen, is een aantal zaken gesignaleerd, waarvan beantwoording of nadere duiding van groot belang is. Dat kan wellicht in de nadere uitwerking van het PPLG of door middel van duidelijkheid die nog door het Rijk moet worden gegeven. Hoe hier duidelijkheid op kan komen is niet direct helder, dat het van belang is voor het vervolg wel. Het gaat om de volgende zaken: • De wijze waarop de doelen worden bereikt, moeten geen doel op zich worden, zoals bijvoorbeeld een GvE-norm.

• Duidelijkheid over de exacte opgaven (in ieder geval voor West-Twente en zo mogelijk ook per bedrijf) en de referentiedatum ten opzichte waarvan gereduceerd moet worden / het doelgat voor opgaven; • Duidelijkheid over goedgekeurde technieken / mogelijkheden om in te zetten op technische maatregelen en de juridische borging hiervan; • Een centraal borgings-/registratiesysteem om het bereiken van de doelen vast te leggen; • Duidelijkheid over de brede maatschappelijke opgaven en het ruimtelijk beslag (zodat een ondernemer een lange termijn keuze kan maken); • Aanpak op basis van eigen ondernemerschap tot 2030 of 2035, waarbij ondernemers dus zoveel mogelijk zelf nog mogelijkheden hebben om te kiezen op welke manier zij tot het bereiken van de doelen kunnen komen; • Voldoende aandacht voor de sociaaleconomische gevolgen van de opgaven en gebiedsprocessen voor individuele agrariërs en gebieden; • Mogelijkheid voor ondernemers om bedrijfsbegeleiding te krijgen bij het maken van toekomstplannen. • Inzicht in vergunningen op gebiedsprocesniveau (het is nu lastig om dit vanuit overheden goed in beeld te krijgen). • De mogelijkheid om écht vanuit onderop invulling te geven, bijvoorbeeld via het Markelo Model (zie later in dit document voor meer toelichting hierop) en dus niet (direct) vanuit harde normeringen die top-down worden ingevoerd.

• Een integrale aanpak rondom grond en grondmobiliteit • Zekerheid op meerjarige financiering van ecosysteemdiensten

4. Aanpak 4.1 Korte termijn 2023 – 2025 Een aantal gebiedsprocessen kent inmiddels een dusdanige start, dat er al een verkenning plaatsvindt of kan plaatsvinden en er mogelijk zelfs al een uitwerkingsplan ligt of uitvoering van maatregelen kan plaatsvinden in 2023/2024. Voor deze plannen zijn ook fiches ingediend bij het Ministerie van LNV met de vraag om de benodigde middelen beschikbaar te stellen. Deze fiches zijn niet goedgekeurd (o.a. omdat het ook procesgeld betrof en omdat het Rijk de tweede tranche met fiches niet meer in behandeling heeft genomen). Procesgeld dat beschikbaar gesteld is vanuit de provincie wordt daarom in deze gebiedsprocessen ingezet. We verkennen gebiedsindelingen, opgaven en gewenste aanpak per deelgebied. Daarnaast zorgen wij dat er instrumenten en middelen beschikbaar zijn. Wij doen dit in nauw overleg met de gemeenten en andere gebiedspartijen én lokale (groepen) mensen. De lopende processen ondersteunen wij en nieuwe initiatieven helpen wij op weg. De volgende gebiedsprocessen kennen al een traject op korte termijn:

CATB Wierden 75 boeren uit Wierden en omstreken werken samen aan een toekomstbestendige landbouwsector in de omgeving. Zij zijn onder andere bezig met de organisatie van de coöperatie agrarische terreinbeheer (CATB). Hiermee willen ze de natuur beheren, de biodiversiteit versterken en het helpen opwekken van duurzame energie. Ze zijn boer en blijven ze voedsel produceren. De CATB wil in Wierden en omgeving verandering brengen en zelf invulling geven aan de doelen die vanuit de overheid op hen afkomt. Ze werken hierin nauw samen met de gemeente Wierden en hebben hiervoor een Manifest opgesteld. De aanpak biedt kansen om gemeente-breed een aanpak op te richten voor de doelen die op het landelijk gebied afkomen, waarbij ook de gemeente haar rol zichtbaar pakt en nauw samenwerkt met de boeren. Er worden stappen gezet om dit op inhoud en proces nader vorm te geven. Wierdense Veld Het gebiedsproces vanuit de Ontwikkelopgave Natura 2000 bij het Wierdense Veld heeft tijdelijk stilgelegen en is inmiddels weer opgestart. Omdat er o.a. een aanvullend gebied bekend is waar mogelijk vernatting zal plaatsvinden, lopen er met omliggende agrarische ondernemers gesprekken om te bezien hoe daar passende oplossingen kunnen worden gevonden. In die gesprekken geven deze ondernemers aan ook de stikstofproblematiek direct mee te willen nemen in de verkenning naar mogelijke oplossingen.

Tijdens de Gebiedsgerichte Aanpak Stikstof is daarom een verkenning gestart door Aveco de Bondt. Een (eventueel) vervolg zal zich ook nog verder op de bredere PPLGdoelen moeten verbreden. Er zijn, o.a. vanwege de vernatting, meerdere agrarische bedrijven die zullen stoppen of gaan extensiveren. Door in beeld te brengen wat “blijvers” willen en wat zij voor kansen zien, welke opgaven in het gebied nog zullen landen, en wat mogelijke oplossingen zijn, kan er gebiedsgericht aan een duurzaam en integraal perspectief worden gewerkt. Duurzaam initiatief Markelo Noord (nabij De Borkeld) Duurzaam initiatief Markelo Noord (DiMN) is een samenwerking van 20 grondeigenaren in het gebied Markelo Noord. Deze samenwerking heeft als doel een duurzamere landbouw, meer biodiversiteit, beter leefgebied voor weidevogels en een gezond bodembeheer. DiMN is opgericht om samen met deze grondeigenaren deze doelstellingen te bereiken. In de afgelopen jaren heeft DiMN al verschillende activiteiten ontplooid om toe te werken naar deze visie. Zo hebben meerdere veehouderijen langs percelen akkerranden ingezaaid (eenmaal met subsidie van de gemeente), is er een plas-dras gebied gecreëerd, worden er alternatieve gewassen verbouwd (veldbonen en tarwe in plaats van mais), wordt er kruidenrijk grasland geteeld, en wordt aan weidevogelbeheer gewerkt.

De huidige uitdaging is dat voor deze activiteiten geen langdurige vergoedingen beschikbaar zijn. Qua ligging valt het gebied buiten de benodigde begrenzingen. DiMN heeft dus als opgave hoe ze het gehele gebied dusdanig kunnen inrichten (wellicht ook qua kavelligging, maar met name qua financiële stromen) dat duurzame landbouw, meer biodiversiteit, beter leefgebied voor weidevogels en gezond bodembeheer samen kunnen bestaan en er ook invulling wordt gegeven aan de doelen vanuit het NPLG/PPLG. Om deze volgende stap te zetten hebben ze met geld vanuit de GGA-stikstof een verkenning uitgevoerd en hierbij een model opgeleverd (het Markelo Model). Het model zou in meerdere gebieden toepasbaar kunnen zijn en wordt in hoofdstuk 5 nader toegelicht. Haarle Het gebiedsproces beslaat een gebied van circa 4000 ha tussen de Sallandse Heuvelrug en Boetelerveld. Er zijn ruim 30 agrarische ondernemers betrokken bij het proces. Er is een eerste start gemaakt met behulp van de gemeente Hellendoorn, waarbij in 2022 wordt uitgezocht in welke entiteit het initiatief verder wil en hoe de eerste uitdagingen het hoofd te bieden. Het gebied heeft aanzienlijke invloed op de deposities van de Natura 2000-gebieden Sallandse Heuvelrug en Boetelerveld. In de eerste bijeenkomsten is al duidelijk geworden dat er zowel stoppers

als blijvers zijn, waaronder een opvallend hoog aantal jonge boeren die graag actief blijven als agrarisch ondernemer. Het gebied zoekt daarom naar een oplossing voor zowel de opgaven in het gebied als de mogelijkheid om een duurzaam toekomstperspectief voor de blijvers te creëren. Bedoeling is in 2023 te starten met een verkenning om inzicht in de problematiek te krijgen, de huidige situatie in beeld te brengen en een uitvoeringsplan uit te werken. Er lopen daarnaast meerdere (prille) processen, waaronder (maar niet limitatief): - Rijssen-Holten (oostflank Sallandse Heuvelrug, signalen via de gemeente) Bornerbroek (signalen via boeren) Engbertsdijksvenen (signalen via ondernemershuis) West Dammarke, Hellendoorn (signalen via boeren) - Landgoed Huize Almelo (signalen via zowel gemeente als landgoed zelf) KPI’s (loopt via De Land Bouwers) - Boeren voor Drinkwater (signaal via facilitator)

4.2 Middellange termijn 2025 – 2027 en lange termijn 2027 – 2030 (of 2035) Voor de periode tot 2030 is voor de aanpak stikstof een doorrekening gemaakt met een breed maatregelenpakket in West-Twente. In de doorrekening is geen onderscheid gemaakt op basis van welke partij de maatregelen uitvoert en financiert en is er een inschatting van de kosten gemaakt, waardoor nog niet kan worden uitgesloten dat de daadwerkelijk benodigde financiering om de doelen te halen hoger uit vallen. Voor elk van de maatregelen is destijds ook een inschatting gemaakt van de effecten op andere doelen zoals water en klimaat. In deze fase is het nog lastig om een dergelijke doorrekening te maken voor de doelen vanuit het PPLG. Nog niet alle doelen zijn helder en ook effecten van mogelijke bronmaatregelen zijn nog niet duidelijk. Eén van de manieren waarop toegewerkt kan worden naar een goede aanpak binnen de kaders die nu bekend zijn, is met de opbrengsten uit het Model wat in het gebiedsproces in Markelo Noord tot stand is gekomen. Er zullen zich mogelijk ook andere werkwijzen ontwikkelen binnen West Twente waarmee ook tot goede planvorming kan worden gekomen. Onderstaande toelichting geeft een beeld bij de mogelijke resultaten die met het Markelo Model in beeld kunnen worden gebracht.

Markelo Model als mogelijke aanpak voor een gebiedsproces In Markelo Noord is een uitvoerige verkenning gedaan in het gebied. Er hebben keukentafelgesprekken plaatsgevonden en de opgehaalde informatie is tegenover de doelen vanuit het PPLG gezet. Dit leidt tot het volgende beeld. Er komt veel op het gebied af, doelen op het gebied van water, klimaat en natuur en stikstof. Deze doelen komen samen op het boerenbedrijf. Om hier invulling aan te geven, zijn er een aantal mogelijkheden (zie het mengpaneel). Er is echter ook sprake van een grote onderstroom, die relevant is voor elke boer. In onderstaand figuur is de onderstroom weergegeven als wortels van het bedrijf. Het kan om een veelheid aan zaken gaan, zoals de wijze waarop de financiering is geregeld, de leeftijd van de agrariër, eventuele overeenkomsten die bestaan, de fase waarin het bedrijf zich bevindt (afschaling, opschaling, overname, etc.), het kennisniveau van de agrarisch ondernemer, de mogelijkheid tot groei, mogelijkheid tot innovatie, etc. Deze zaken zijn allemaal aan het licht gekomen tijdens de verkenning en hebben voor het inzicht gezorgd dat niet elke boer dezelfde keuzes kan maken. Er is geen blauwdruk voor een agrarisch bedrijf om aan de doelen die op ze afkomen te voldoen.

Er is inzicht nodig in de vele mogelijkheden die er bestaan om invulling aan de doelen te geven en dit passend te maken voor zowel het bedrijf als het gebied.

Dit inzicht heeft geleid tot de ontwikkeling van het Markelo Model. In dit model is een uitwerking gemaakt van de gevolgen die 4 verschillende sporen hebben op het agrarische bedrijf: innovatie/techniek, management, extensiveren en stoppen. In veel gebieden zie je aan de keukentafel terug dat boeren één of een combinatie van deze mogelijkheden onderzoeken. De gezamenlijke som van deze keuzes heeft impact in een gebied en zal tot invulling van de PPLG-doelen moeten leiden.

Het belang van een gecombineerde inzet van verschillende sporen wordt duidelijk in de volgende figuur, waarbij inzichtelijk wordt gemaakt dat alle keuzes sterke en zwakke kanten hebben en voorwaardelijkheden kennen.

Om deze keuzes specifieker inzichtelijk te maken voor de agrarisch ondernemer is een uitgebreid overzicht gemaakt op basis van de mogelijkheden die er zijn om emissies van NH3 en CH4 te reduceren, effect op water en klimaat te bewerkstelligen, in beeld te krijgen hoe sterk dit wel/niet juridisch geborgd is, wat de eenmalige kosten hiervan zijn en de jaarkosten (op basis van de KWIN). Onderstaande snapshots geven een beeld bij de opbouw van dit overzicht. In sommige gebiedsprocessen of gebieden wordt gesproken over een menukaart: dit is een gedetailleerde uitwerking van een dergelijk product.

Het overzicht onder de snapshots is een voorbeeld van hoe de keuzes die een ondernemer wil maken, vervolgens vertaald kunnen worden naar de opgaven, het effect op het eigen bedrijf, en in het verlengde daarvan het effect op het hele gebied. Het geeft een ondernemer ook inzicht in de mogelijkheden ten aanzien van juridische borging die horen bij de keuzes die hij/zij wil maken. Dit helpt om een realistisch beeld te vormen van de keuzemogelijkheden die een ondernemer wel of niet heeft.

We willen in West-Twente inzetten op het nader uitwerken van deze werkwijze, en dit beschikbaar maken in heel West-Twente en ook agenderen in de andere gebieden in Overijssel. Een andere werkwijze om tot goede planvorming te komen wordt niet uitgesloten.

5. Middelen 5.1 Instrumentenmix Voor de inzet van verschillende instrumenten wordt In West Twente gekeken naar de uitwerking van een aantal onderdelen.r Er wordt ingezet op een combinatie van opkoopregelingen (gehele bedrijf of gedeeltelijk), opkoop van NB-vergunning (geheel of gedeeltelijk) en het extensiveren van landbouwgrond. Op basis van de gebiedsdata, kennis in de gebieden en ook de ervaringen die zijn opgedaan in de pilot projecten en startende gebiedsprocessen, is een inschatting gemaakt wat realistisch lijkt in West Twente. De volgende aantallen worden genoemd in dat licht en geven daarmee een indicatie van de mogelijkheden. • • •

Opkoopregeling van 40 bedrijven, geheel of gedeeltelijk Opkoopregeling van NB-vergunningen van circa 300 bedrijven, geheel of gedeeltelijk Extensivering van landbouwgrond, waarbij rekening wordt gehouden met 17079 ha (zie tabel met opgaven) wat 30% moet worden geëxtensiveerd (overlap met bossenstrategie)

Er wordt ingezet op het versterken van natuurinclusieve landbouw/extensiveren en voor een meerjaren-vergoeding voor het leveren van groene en blauwe diensten door de agrarische sector. Dit zorgt tevens voor perspectief in de komende jaren en geeft de sector de tijd om de transformatie te kunnen doorlopen. • •

Inzetten op het versterken van natuurinclusieve landbouw voor circa 200 bedrijven Het opzetten van een fonds waaruit meerjaren-vergoeding van ecosysteemdiensten kan worden gerealiseerd. Hierbij moet rekening worden gehouden met omzetderving van 1580 per ha. Dit is uitgerekend door het CATB in Wierden. Indien dit 21175 ha betreft (zie tabel met opgaven) betekent dit een fors fonds van tenminste 400 mln / 12 jaar.

Er wordt ingezet op bedrijfsgerichte en ketengerichte maatregelen, voor zowel agrarisch als industrieel. Er zijn daarnaast uitvoeringskosten voorzien van circa €250.000 per proces, waarbij een groot verschil kan bestaan tussen processen die volledig op basis van vrijwilligheid worden doorlopen en processen waarbij dringende instrumenten (moeten) worden ingezet.

5.2 Financiën Volgt.

Bijlagen: 1. Jaarplan 2024 (volgt)

2. Communicatieplan

Gebiedsprogramma Salland Gebiedsambitie Salland Ambitie met perspectief voor landbouw, water, klimaat, natuur, leefbaarheid en economie in Salland

concept 3 26 april 2023

0

Inhoud 0.

Samenvatting................................................................................................................................... 3

1.

Algemene toelichting ...................................................................................................................... 4 1.1

Inleiding ............................................................................................................................... 4

1.2 Korte gebiedsomschrijving van Salland ..................................................................................... 5 1.3 Korte procesbeschrijving van de tot stand komen van dit plan .................................................... 8 2.

Uitwerking van de 3 PPLG sporen ................................................................................................. 10 2.1 Inleiding 3 PPLG sporen ............................................................................................................... 10 2.2 Klimaat: Het realiseren van natuurherstel, een robuust watersysteem en minder emissies van broeikasgassen .................................................................................................................................. 13 2.2.1 Inleiding .................................................................................................................................... 13 2.2.2 Het realiseren van Natuurherstel ............................................................................................. 13 2.2.2 Het realiseren van een robuust watersysteem ........................................................................ 17 2.2.3 Het realiseren van minder emissies van broeikasgassen ......................................................... 19 2.3 Het realiseren van een toekomstbestendig perspectief voor de landbouw ............................... 20 2.3.1 Inleiding ................................................................................................................................

20 2.3.2 De landbouw in Salland ........................................................................................................ 20 2.3.3 De opgaven voor de landbouw in Salland ............................................................................ 21 2.3.4 Ontwikkelingspaden voor de landbouw in Salland .............................................................. 22 2.3.5 Perspectief voor de Sallandse landgoederen ....................................................................... 23 2.4 Het behoud en de versterking van de sociaaleconomische kwaliteit van het platteland .......... 23 2.4.1 Achtergrondinformatie sociaaleconomische kwaliteit ............................................................ 24 2.4.2 Visie De Kracht van Salland ...................................................................................................... 24

3. Realisatiestrategie: hoe deze vorm te geven (proces) ...................................................................... 28 3.1 Realisatie visie en strategie ......................................................................................................... 28 3.3 Realisatie aanpak: Salland Loont ............................................................................................. 29 3.4 Rol/verantwoordelijkheid, uitvoering PPLG-gebiedsplan Salland............................................... 31 3.6 Agenderende randvoorwaarden (vanuit het gebied) ................................................................. 32 4.

Aanpak ........................................................................................................................................... 33 4.1 Inleiding ....................................................................................................................................... 33 4.1.1 Organisatieontwikkeling, partnerschap, governance en instrumentarium 2023 .................... 33 4.1.2 Communicatie en informatievoorziening................................................................................. 33 4.1.3 Uitvoeren Communicatie 2023 en ontwikkelingen communicatieplan 2024 en verder ......... 34 4.1.4 Versterken van het sociaaleconomisch perspectief................................................................. 35 4.1.5 Deelgebiedsprocessen PPLG 2023-2024 .................................................................................. 35 4.1.6 Salland-brede processen .......................................................................................................... 35 1

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14994647/1