CConstaterende datHellendoorn
Koppel je AI →
Document · PDF

Concept gebiedsprogramma's

Informatieronde 13 juni 2023, gemeente HellendoornBij agendapunt: Toelichting over het Provinciaal programma landelijk Gebied (PPLG)32.882 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Kenmerkend voor de Twentse landgoederen is dat zij naar verhouding een behoorlijk areaal agrarische gronden verpachten (gemiddeld 60% is agrarische grond). Daarvan is een deel regulier verpacht. Een ander deel is in langjarige erfpacht of geliberaliseerde pacht. Een ontwikkeling die gaande is, is dat steeds meer landgoederen in samenwerking met hun pachters duurzame landbouw, waaronder natuur-inclusieve landbouw stimuleren. Uitgangspunten hierbij zijn het herstel van natuur, bodem en biodiversiteit, versterken van landschap en vasthouden van water. Dit zijn tevens ontwikkelingen die een bijdrage leveren aan de emissiereductie. Landgoederen zijn bereid hierin te blijven investeren als dit op lange termijn financieel-economische en sociaal-maatschappelijk bestaanszekerheid oplevert. De impact van de klimaatopgaven voor de landgoederen – in de breedste zin de van het woord – is op dit moment nog niet goed te beantwoorden. Wel is duidelijk dat per landgoed de uitdagingen en de opgaven verschillen. Middels het project Proeftuin Opgewekt, mede gefinancierd door de Erfgoed Deal, de provincie Overijssel en de gemeente Enschede, wordt in 2023 en 2024 een start gemaakt met het in beeld brengen van de kansen voor de inbedding van erfgoed in het kader van het klimaat en energievraagstuk. Ook is er een relatie met het Haarvaten op Peil programma (HOP).

Mogelijk kan Proeftuin Opgewekt een ‘puzzelstuk’ zijn binnen het PPLG en HOP programma. Dat de opgaven per landgoed verschillen heeft te maken met de ligging (nabij Natura 2000-gebied of niet) en hoe een landgoed georganiseerd is. Qua organisatie verschillen de doelstellingen en mogelijkheden per type eigenaar (particulier, TBO, stichting of vastgoedbelegger). Bij de samenstelling gaat het o.a. om de areaalverdeling (verhouding landbouwgrond, bos, natuur en overig grondgebruik), type landbouwkundig gebruik, vergunning situatie van de pachters, type verpachting (regulier of geliberaliseerd) en de hoeveelheid en diversiteit aan economische dragers. Het grootste deel van de landgoederen ligt op relatief grote afstand van Natura 2000 gebieden. Omdat de impact van de klimaatopgaven voor de landgoederen heel divers is, vraagt dat allereerst om een aantal geen-spijt-maatregelen én een breed pallet aan instrumenten waardoor maatwerk per landgoed toegepast kan worden. Op deze manier kan vanuit de landgoederen een bijdrage geleverd worden aan onder meer de PPLG opgaven. Bijlage II en III geven meer informatie over de aanpak die het Overijssels Particulier Grondbezit bepleit voor eigenaren van landgoedeigenaren: het landgoedmodel. Voor de landgoederen is het van belang dat hun terreinen multifunctioneel kunnen blijven.

De mix van landbouw en natuur/landschap en recreatie vormt daar de basis. Voor de landgoederen zijn mee-koppelkansen van belang op gebied van bos (herstel, revitaliseren en aanleg) natuur, landschap, landbouw en water. Ook voor de landgoederen is het van belang de bezittingen financieel op orde te houden. De huidige verhouding landbouw versus natuur/bos zorgt in veel landgoederen voor voldoende financiële balans. Beperking van het verdienvermogen van de

22

landbouw door extensivering, zorgt voor onbalans waar ander verdienvermogen tegenover moet staan.

23

5. Realisatiestrategie 5.1 Visie en strategie om te komen tot realisatie De realisatie van de kerndoelen vanuit het PPLG willen we via een aantal sporen realiseren. We doen dit vanuit de visie dat er in Zuidoost Twente voldoende ruimte en mogelijkheden zijn om in goed overleg met betrokkenen tot realisatie te komen. We gaan voor een gebiedsgerichte aanpak, waarbij processen van onderaf nadrukkelijk de voorkeur hebben. In deze gebiedsprocessen is er ook nadrukkelijk een rol voor de vertegenwoordigers van de plaatselijke agrarische grondeigenaren en inwoners. Voor de realisatie van de doelen sluiten we aan op de voorgestelde sporen en denklijnen zoals gepresenteerd in de landbouwvisie van de provincie Overijssel en gebaseerd op de NPLG. Deze sporen en denklijnen bepalen met name WAAR kan WAT (doelen en uitdagingen). Voor de invulling van het HOE, kiest Zuidoost Twente voor de gebiedsgerichte aanpak. Dus samen met eigenaren, inwoners, overheden en overige partners in gesprek om samen te komen tot een plan voor realisatie van de opgaven. Op voorhand hanteren we hierbij drie denklijnen. 1. We werken naar een grondgebonden melkveehouderij op basis van landelijk/EU beleid; 2. Gebiedsgerichte opgaven (gebiedsgericht uitwerken van de opgaven vanuit KRW, Natuur en Klimaat); 3. Bedrijfsgerichte en ketengerichte maatregelen (bedrijfsgericht uitvoeren van maatregelen t.b.v.

toekomstgericht landbouw binnen de randvoorwaarden voor milieu en met goede verdienmodellen.

5.1.1 GEBIEDSGERICHTE AANPAK Voor denklijn één en drie liggen bevoegdheden bij het Rijk en provincie. Voor wat betreft de gebiedsgerichte aanpak zit in het gebied Zuidoost Twente veel energie om aan de slag te gaan met gebiedsprocessen en daarmee een bijdrage te leveren aan de PPLG-doelen. Het gebied geeft prioriteit aan gebiedsprocessen met de volgende kenmerken: − Bestaande processen of gebieden met energie om aan de slag te gaan; − Te starten in gebieden met ‘laaghangend fruit’ en/of een hogere urgentie aan opgaven; − In te zetten op verschillende aanpakken met een spreiding in het gebied; − In samenhang uitvoeren van de PPLG opgaven en eventuele meekoppelkansen. Belangrijk element van de gebiedsgerichte aanpak in Zuidoost-Twente zijn de gebiedsprocessen die we op een kleinschalig gebiedsniveau willen opstarten. We verstaan onder gebiedsprocessen, initiatieven met een oppervlakte van 400 tot 4.000 hectare waar met meerdere grondeigenaren en partners een proces wordt doorlopen om te komen tot een gebiedsplan dat na realisatie bijdraagt aan de PPLG-doelen. Gebiedsprocessen kennen 6 fasen (initiatief, verkenning, uitwerking gebiedsplan, vaststelling gebiedsplan, realisatie en oplevering). Een vast onderdeel van de verkenningsfase is zicht krijgen op de toekomstvisie van de agrarisch ondernemer. Deze informatie kun je ophalen via zogenoemde keukentafelgesprekken.

Door deze gesprekken ontstaat er een beeld over de ruimte die ontstaat in relatie tot de te realiseren doelen. Deze keukentafelgesprekken zijn niet alleen tijdens de verkenningsfase van belang maar gedurende de gehele plan- en uitvoeringsfase.

24

Kaart met voorstel van de verschillende deelgebieden voor het opstarten van een gebiedsproces.

Aan de start van elk gebiedsproces zal aan de ondernemers, overheden en overige betrokkenen worden gevraagd welke opgaven zij voor dit gebied zien, wat de kansen en knelpunten zijn en hoe volgens hen de toekomst van het gebied en de daar aanwezig bedrijven er uit ziet. Primair vindt dit gesprek plaats met grondeigenaren, pachters en bewoners. Vervolgens wordt bekeken welke overige opgaven, naast de PPLG-doelen, meegenomen kunnen worden, wanneer besloten wordt tot een gezamenlijk gebiedsproces. De inzet per gebiedsproces kan verschillen. Denk bijvoorbeeld aan de aanpak vanuit Hof van Twente en gemeente Enschede. Uiteindelijk resulteren beide aanpakken in een programma van eisen, waarin uitvoeringsmaatregelen zijn beschreven die bijdragen aan de PPLG-doelen.

5.1.1.1 Bod van de vijf gemeenten binnen Zuidoost Twente aan de provincie Het werken van onderop, ruimte voor maatwerk en het gezamenlijk optrekken met inwoners en ondernemers is voor het gebied Zuidoost Twente een randvoorwaarde. De betrokkenheid en inzet vanuit de vijf gemeenten in Zuidoost Twente is daarbij essentieel. Op 19 april 2023 is tijdens een bestuurlijk overleg de inzet en samenwerking van de vijf gemeenten besproken. De vijf gemeenten hebben de handen ineengeslagen. In het bestuurlijk overleg op 8 mei 2023 is een voorstel voorgelegd, voor het vormen van een organisatie (Bureau Landelijk Gebied (BLG) Zuidoost Twente) met daarbij de benodigde financiering om de gezamenlijke aanpak vorm te geven. Disclaimer: Dit bod vanuit Zuidoost Twente is gedaan door de vijf gemeenten. Daarbij was overleg met de andere partners (waterschappen, TBO’s, landgoederen, LTO, enz.) en bredere interne afstemming in die korte periode niet mogelijk. Na het bestuurlijk overleg van 8 mei 2023 zal deze afstemming plaatsvinden.

Naast de PPLG-doelen kunnen ook andere opgaven spelen in de gebieden zoals: − Energietransitie (zon, wind, biogas); − Stadsuitbreiding (wonen, werken) en maatregelen om het wegennet robuuster te maken zoals de Vloedbeltverbinding; − Ook wonen in het landelijk gebied zoals via VAB en Rood voor Rood; − Rijksopgaven op andere terreinen, denk aan de reservering voor buisleidingen; − Recreatie (netwerk van paden, verblijfsrecreatie, horeca, evenementen) Al deze opgaven kunnen onderdeel vormen van een gebiedsproces.

5.1.2 WATEROPGAVEN IN RELATIE TOT UITVOERINGSSTRATEGIE Door de maatregelen neemt de grondwatervoorraad toe, bij het begin van het groeiseizoen en ook gedurende het groeiseizoen. Voor lage percelen leidt dit tot nattere (minder droge) omstandigheden voor het bestaande grondgebruik. Een groot deel van die nattere omstandigheden kan een plek hebben binnen een aangepaste bedrijfsvoering, zoals het werken met een goede mix van nattere en drogere percelen binnen hetzelfde bedrijf of cluster van bedrijven. Dan kan men op de lagere percelen de voorjaarsbewerking later doen en wellicht een natuurlijker beheer van graslanden toe te passen. In zeer droge perioden zijn dit dan juist de percelen waar nog wel normale productie mogelijk is. Te overwegen valt om voor dergelijke gebieden de (wateroverlast) normering aan te passen. Er ligt geen beperking op het grondgebruik vooraf. Het is onderdeel van het gebiedsproces om hier nader invullen aan te geven. Een mogelijke functiewijziging kan op voorhand niet worden uitgesloten. Diverse andere actuele ruimtelijke opgaven laten zich naar verwachting goed combineren met de hier aangegeven delen van beekdalen waar een transitie nodig is. Denk aan het realiseren van 25

nieuwe natuur en bossen (bossenstrategie), het bergen van water en extensivering voor het voldoen aan de KRW-normen. Tot slot zijn er mogelijkheden voor andere economische activiteiten, zoals zonneweides (bijvoorbeeld i.c.m. gestuurde waterberging), recreatie en kleinschalige klimaat adaptieve woningbouw.

5.1.3 LANDBOUW Voor de landbouwsector is binnen het gebiedsproces Zuidoost-Twente een aantal elementen essentieel: − PAS-melders voorzien van stikstofruimte en legaliseren in samenspraak met de sector; − Realisatie van de doelen en ambities in gebiedsprocessen; − Planologische ruimte met borging om te ondernemen voor bedrijven die willen omvormen; − Beoordeling van natuurwaarden breder dan de KDW; − Binnen gebiedsprocessen focussen op mogelijkheden voor blijvers, zoals innovatie, extensivering en verplaatsing waar nodig; opkoop wordt ingezet indien vrijwillig of wanneer echt niet anders mogelijk (nee, tenzij); − Gebiedsgericht toekomstperspectief voor de landbouw, te ontwikkelen in samenspraak met de sector en de ondernemer. Toekomstperspectief voor de landbouw In de afgelopen jaren heeft in Zuidoost-Twente een daling plaatsgevonden van het aantal landbouwbedrijven. In de periode 2004-2020 is dit een afname van zo’n 2% per jaar geweest. De verwachting is dat de daling van het aantal bedrijven ook de komende jaren nog met gemiddeld 23% door gaat als gevolg van gebrek aan opvolging. Dat heeft als gevolg dat er hectares landbouwgrond van eigenaar wisselen en/of een ander gebruik krijgen (bijvoorbeeld meer akkerbouw).

In Zuidoost Twente wordt gepleit voor een goede landelijke fiscale regeling waardoor agrarische ondernemers eerder geneigd zijn hun grond te verkopen in plaats van zelf in gebruik te houden. De ruimteclaims die volgen vanuit het proces wat moet leiden tot een transitie van het landelijk gebied zijn groot. Er is nog weinig (juridische) verankering en een concreet verdienmodel voor de agrariërs die door willen en kunnen gaan ontbreekt, met name in de overgangsgebieden rond de Natura 2000-gebieden en in de beekdalen. Een gezekerd toekomstperspectief voor het bedrijf is noodzakelijk. Agrarisch ondernemers maken immers strategische keuzes voor de langere termijn (minimaal 20 jaar). Beleid moet erop gericht zijn de strategische keuzes bij bedrijfsontwikkeling mogelijk te maken. PAS-melders De 58 agrarische bedrijven (aantallen gebaseerd op alle bedrijven die in de periode 2015 – 2018 een PAS melding hebben gedaan bij de Provincie Overijssel (https://ggahub-stikstofoverijssel.hub.arcgis.com)) in Zuidoost-Twente met een PAS-melding moeten snel worden gelegaliseerd. Voorgesteld wordt om binnen de provincie stikstofruimte vrij te maken, dat gebruikt kan worden voor legalisatie van de PAS-melders. Gedacht kan worden aan het opkopen en benutten van stikstofrechten bij gestopte bedrijven.

Reële ambities Het Rijk heeft ambities op het gebied van stikstof, natuur, water en klimaat en wil deze op korte termijn formuleren (2023) en realiseren (2030-2035). Het Rijk verwacht dat maatregelen om te voldoen aan de KRW uiterlijk 2027 genomen zijn. Realisatie van de opgaven, inclusief toekomstperspectief voor de landbouw, wordt in Zuidoost-Twente gerealiseerd via 26

gebiedsprocessen. Er moet echter voldoende tijd genomen worden om deze gebiedsprocessen zorgvuldig tot stand te brengen. Kritische Depositie Waarde (KDW) De KDW als enkel toetscriterium wordt vanuit de agrarische sector en het provinciaal bestuur als te enkelvoudig beschouwd. De inzet is om natuurherstel te realiseren. Daarbij speelt ook de grensproblematiek van de Natura 2000 gebieden in Zuidoost Twente. Vanuit de gebiedsagenda (gebiedsgerichte aanpak) is al aangegeven te werken vanuit emissiereductie, omdat hier invloed op uitgeoefend kan worden. Samenwerking met de ‘buren’ is noodzakelijk. Eenzijdige afrekening op KDW is niet haalbaar en doet afbreuk aan met name de sociaal economische doelen. Al haal je alle bedrijvigheid weg uit Zuidoost Twente, dan nog haal je de KDW-waarde niet. Focus op mogelijkheden voor blijvers Binnen de op te starten gebiedsprocessen focussen we ons op mogelijkheden voor de blijvers, zoals innovatie, extensivering en verplaatsing waar nodig. Opkoop wordt alleen ingezet indien vrijwillig of als dat echt niet anders mogelijk is, nee tenzij. Innovatie en het mogelijk maken daarvan op grond van valide regelgeving kan de sleutel zijn voor een toekomstige landbouwsector met lagere emissies voor onder andere ammoniak, broeikasgassen en nitraat. Extensivering van de bedrijfsvoering draagt daar ook aan bij.

Het is mogelijk dat voor een groep bedrijven het beter is dat ze op een andere locatie verder gaan, de verplaatsers. Deze groep kan geleid worden naar locaties waar bedrijven stoppen. Routekaart individuele adviezen agrariër Vanuit de zes gebieden van de Gebiedsgerichte Aanpak stikstof in Overijssel is de wens naar voren gekomen een routekaart te ontwikkelen om individueel agrariërs te kunnen adviseren over de mogelijkheden om de uitstoot van stikstof tegen te gaan op hun bedrijf. Met de PPLG is de opgave breder en zo mogelijk nog complexer, maar biedt tegelijkertijd ook mogelijkheden. De routekaart voor stikstof zou daarom ook uitgebreid moeten worden met alle andere opgaven, zodat er een integrale keuze gemaakt kan worden Landbouw instrumentenkoffer voor alle bedrijven en organisaties Bij het opstellen van de Gebiedsagenda is nagedacht over een menukaart (zie bijlage IV) van keuzemogelijkheden voor stikstofreductie door techniek en/of innovatie en/of management. Waar de, hiervoor genoemde, routekaart de agrariër eerste instantie op weg helpt, biedt de menukaart vervolgens een overzicht van stikstofreducerende maatregelen. De menukaart heeft voor ieder type bedrijf en/of logische eenheid in het (deel)gebied iets te bieden passend bij het huidige en/of toekomstige bedrijfsmodel van de aanvrager(s).

Van klein tot groot, land en/of dier, intensief of extensief, zand klei en/of veen. Er is veel aandacht voor de match van maatregelen met de karakteristieken van het (deel)gebied en/ of bedrijf. De menukaart wordt aan de provincie aangeleverd voor opname in de instrumentenkoffer.

5.1.4 INDUSTRIE, VERKEER EN VERVOER, BOUW EN INFRA, LANDBOUW (NOX) Reductie van de stikstofemissie in Zuidoost Twente zal vanuit alle sectoren moeten komen. In geheel Zuidoost Twente is de landbouw verantwoordelijk voor het grootste deel van de emissies. Het aandeel van de sector Verkeer en Vervoer is in Zuidoost-Twente groter dan in de rest van Overijssel. Hiervoor worden vanuit het Rijk maatregelen genomen. Specifiek voor Zuidoost-Twente valt op dat er een relatief grote uitstoot is in de gemeenten Hengelo en Enschede op de sectoren Chemische 27

industrie en afvalverwerking. Met Twence worden binnenkort gesprekken opgestart. Voor Nobian is het Rijk, in samenspraak met de provincie Overijssel, bezig met de toepassing van de Best Beschikbare Technieken. Hiervoor zijn de procedures inmiddels gestart. De bouw en infra is slechts voor een klein deel van de stikstofemissie verantwoordelijk. Maar ook hier is winst te behalen door toepassing van machines die geen stikstof meer uitstoten. Dit kan bijvoorbeeld door elektrificatie of door toepassing van waterstof als energiedrager. Dit kan ook in de gebruikte machines in de landbouw worden toegepast.

5.1.5 COMMUNICATIESTRATEGIE INCLUSIEF BETREKKEN INWONERS Voor Zuidoost Twente is een gebiedscommunicatieplan opgesteld die als bijlage is opgenomen (PM). In het gebied wordt door de partners constructief gewerkt aan de contouren van de transitie. De communicatie-opdracht ligt vooral in het informeren, communiceren en betrekken van inwoners, en dan met name agrarisch ondernemers. Onder een grote groep agrarische ondernemers is er een gebrek aan vertrouwen in de overheid. Er is behoefte aan duidelijkheid over gebruikte definities, consequenties en de uitvoerbaarheid van de beleidsvoorstellen. De roep vanuit de agrarische sector is een programmaplan voor de lange termijn met daaraan gekoppeld een langjarige samenwerking. Op basis daarvan kan een ondernemer voor de komende 15 tot 20 jaren een bedrijfsplan opstellen. De opgave van het PPLG is breed en complex. Met de gebiedspartners worden al maanden gesprekken gevoerd en tijdens gebiedsdagen zijn ook externe partijen gehoord en geraadpleegd. Met name veel agrarische ondernemers, die in deze fase het meest met de uitvoering van het PPLG te maken krijgen, moeten vroegtijdig worden geïnformeerd. Het is de opdracht van de provincie om, zo mogelijk samen met gemeenten, aan deze informatievoorziening te voldoen. Agrarisch ondernemers hebben beperkt tijd om nog zelf op de ontwikkelingen te anticiperen.

Vereist is dat ze daarvoor goed zijn geïnformeerd. Niet ‘actief de boer op’ betekent dat het vertrouwen kleiner wordt en de realisatie van de doelen in het PPLG lastiger. In andere deelgebieden zoals Salland en West Twente is/wordt ervaring opgedaan met een ingestelde boerenraad. In deze boerenraad zitten diverse agrariërs verspreid over het deelgebied en de verschillende soorten agrarische bedrijven die weten wat er in een bepaald gebied speelt. Zij kunnen de schakel vormen tussen het gebiedsteam, de ambtelijke en bestuurlijke tafel en het gebied. In Zuidoost Twente worden er gesprekken gevoerd om in dit deelgebied een soortgelijk overleggroep op te richten. In het communicatieplan is e.e.a. verder uitgewerkt.

5.2 Gebiedsprocessen 5.2.1 WELKE PROCESSEN PASSEN WAAR Binnen Zuidoost Twente is een inventarisatie gemaakt van een mogelijke indeling van het aantal processen en locaties. In totaal zijn er 25 gebiedsprocesgebieden gedefinieerd op basis van lopende projecten, logische landschappelijke indeling en initiatieven die reeds zijn ontstaan naar aanleiding van de opgaves binnen de PPLG. Deze indeling is niet in beton gegoten en kan in de tijd worden aangepast. Zeker omdat ten tijde van het definiëren van gebiedsprocessen de opgave nog niet volledig bekend was en niet alle stakeholders (voldoende) betrokken waren. Wel is van belang om een prioritering aan te geven hiervoor is een scoretabel gemaakt. − We ondersteunen gebieden met inwoners en ondernemers die aan de slag willen: Samen kunnen we aan de slag met het PPLG in het gebied. Een gebiedsproces is van het gebied en geeft ruimte aan het gebied om zelf aan de slag te gaan en invulling te geven aan de PPLGdoelen. Om deze reden adviseren wij om gebieden met energie te ondersteunen. 28

−

−

−

−

−

Een bestaand gebiedsproces te continueren: In verschillende gebieden in Zuidoost Twente lopen al gebiedsprocessen die verbreed of gecontinueerd kunnen worden binnen de PPLG-aanpak. Huidig draagvlak in het gebied te versterken of te behouden: In de afgelopen periode zijn meerdere bijeenkomsten voor agrariërs georganiseerd. Dit zijn informerende bijeenkomsten over de PPLG aanpak en de groen-blauwe opgaven die op ons afkomen. Onder andere naar aanleiding van deze bijeenkomsten, maar ook vanuit bestaande samenwerkingsvormen, melden groepen initiatiefnemers zich bij (een van de) partners met ideeën om aan de slag te gaan. Deze energie van initiatiefnemers willen we graag behouden en versterken in het gebied. Te starten met ‘laaghangend fruit’ en/of in gebieden met een hogere urgentie aan opgaven: Een groot deel van Zuidoost Twente staat aangemerkt als prioritair gebied door de zandgronden. Dit zijn gebieden waar we snel aan de slag willen gaan. Aangezien dit een groot deel van Zuidoost Twente beslaat; Te starten in gebieden met een grote KRW-opgave. Daarnaast moet de KRW-opgave als eerste van de groen/blauwe doelen uitgevoerd zijn. Daarom is het verstandig om eerst in de gebieden aan de slag te gaan waar de KRW nog niet voldoet; In te zetten op verschillende aanpakken met een spreiding in het gebied.

5.2.2 LOPENDE GEBIEDSPROCESSEN Binnen het deelgebied Zuidoost Twente lopen al verschillende gebiedsprocessen vanuit o.a. de provincie, gemeente en het waterschap. Enkele voorbeelden van lopende processen zijn de ontwikkelopgave Natura 2000-gebieden, KRW-opgave diverse beken, Haarvaten op Peil (HOP), gebiedsproces Broekheurne, kavelruil Markelo-Noord, kavelruil Twentse Maat en IBP vitaal platteland Groene Poort. De lopende processen zijn geïnventariseerd in het kader van het opstellen van de gebiedsagenda (versie 2 november 2022). Twee pilotprojecten zijn in het kader van de Versnellingsopgave binnen Zuidoost Twente in uitvoering: biogashub Markelose Broek en Twents Reggedal. Biogashub Markelose Broek In de gemeente Hof van Twente wordt een analyse uitgevoerd naar de haalbaarheid van het realiseren van een biogashub. Binnen een groep van 20 melkveebedrijven in het gebied Markelose Broek worden de mogelijkheden geïnventariseerd voor een gezamenlijke biogashub. Twents Reggedal De Stichting Enters Reggedal heeft door Strootman Landschapsarchitecten een visie laten uitwerken op het beekdallandschap van de Regge. Doelstelling is een toekomstbestendig gebied van zo'n 5.000 hectare door gebiedsgerichte aanpak van het Twents Reggedal samen met de partners in het gebied.

Dit moet leiden tot een aaneengesloten landschapspark met de Sallandse Heuvelrug met realisatie van waterberging en -infiltratie, kansen voor ontwikkeling NNN, met natuurinclusieve landbouw en stikstofreductie en een algehele verbetering van een historisch watersysteem en landschap en recreatief medegebruik. Door Aveco de Bondt is op basis van keukentafelgesprekken een inventarisatie uitgevoerd hoe de ondernemers binnen dit gebied denken over de opgestelde visie en of en hoe realisatie mogelijk zou kunnen zijn.

5.2.3 NIEUWE INITIATIEVEN VOOR GEBIEDSPROCESSEN Vanuit het PPLG is voor 2023 per gebied procesgeld beschikbaar om in gebiedsprocessen aan de slag te gaan. Het gaat om een budget van 300.000 euro met een maximum van 50.000 per gebied. Begin 29

februari 2023 is een oproep gedaan naar de partners van Zuidoost Twente om aan te geven welke initiatieven er spelen in het gebied en waar we in het komende jaar al mee aan de slag willen gaan. Dit heeft geleid tot input van 13 mogelijke gebiedsprocessen in de initiatief-, verkenning- of uitwerkingsfase. Kanttekeningen − Fasering van de gebiedsprocessen nodig over de jaren. Niet alles kan op hetzelfde moment. Voor een aantal van de voorgestelde gebiedsprocessen lukt het niet om in 2023 een start te maken. In de uitwerking van het gebiedsprogramma Zuidoost Twente hebben we hier aandacht voor en werken we naar een tijdsplanning voor de verschillende gebiedsprocessen. − Uitvoeringsbudget is nog niet beschikbaar. Op dit moment is er in 2023 alleen nog procesgeld beschikbaar. Voor de eventuele uitvoering van gebiedsprocessen moeten we wachten op het beschikbaar komen van de Rijksmiddelen per, naar verwachting op zijn vroegst 1/1/2024. Uit te werken initiatieven Uit de 13 mogelijke gebiedsprocessen worden onderstaande vijf initiatieven verder uitgewerkt: − Buurse: Initiatief vanuit de gemeenschap voor het behoud/versterken van een economisch en maatschappelijk vitaal en leefbaar landelijk gebied. Sterke verbinding met Natura 2000-opgave en projecten Groene Waaier en De Buursebeek op Dreef.

− Broekheurne: IBP-project voor realisatie van duurzame energievoorziening in de vorm van een zonneveld waarbij aanvullende doelen vanuit PPLG worden aangehaakt zoals: Bruninksbeek, peilverhoging, RES, natuur en landbouw. − Weldam: Agrariërs Weldam werken aan het verduurzamen van hun bestaande bedrijven: kringlooplandbouw. Onderzocht wordt of dit project kan worden uitgebreid met landgoed Diepenheim. − Landgoed Twickel: Diverse projecten gericht op kringloop/regeneratieve landbouw. Gebieden Oele, Woolde en Zenderse Es, KRW Hagmolenbeek. − Groene Poort Borne: KRW-opgave Azelerbeek, IBP-project verbreden naar PPLG-project.

5.2.4 LEREN VAN VERSCHILLENDE AANPAKKEN VAN GEBIEDSPROCESSEN Door in te zetten op verschillende aanpakken in Zuidoost Twente, kunnen we als gebied van elkaar leren. Belangrijk is om de uitwisseling van leerervaringen te organiseren en te werken naar uniformiteit in de op te leveren gebiedsplannen. Door de te starten gebiedsprocessen te spreiden over Zuidoost Twente werken we aan uitvoerbaarheid van de processen door de capaciteitsdruk te verdelen tussen de partners. Lopende gebiedsprocessen worden in het vervolg koploperprojecten genoemd

5.5 Rollen en verantwoordelijkheden Zoals in de visie aangegeven werken we met elkaar aan de realisatie van de opgaven in Zuidoost Twente. Dit doen we door in de eerste plaats samen te werken met alle partners. Deze manier van samenwerking zal wel verschillen per partner. In de onderstaande afbeelding is de participatieladder opgenomen. Hieruit blijkt dat afhankelijk van de (gewenste) invloed van een partner (dit kunnen (grond)eigenaren zijn, maar ook gemeenten, belangenorganisaties etc.), de vorm van de participatie verschilt. Ook heeft de rol van de participant gevolgen voor de manier waarop de provincie, maar ook gemeente of waterschap, als overheid zich dient op te stellen.

30

Participatieladder

Daarnaast kan het zijn dat de rol van eenzelfde partij per proces verschilt. Ten slotte hangt dit ook samen met het niveau waarop gesprekken plaatsvinden. Concreet kan hierbij worden gedacht aan gesprekken die Zuidoost Twente als geheel aangaan ten opzichte van gesprekken over een specifiek gebiedsproces met een meer geringe omvang. Ook kan het wenselijk zijn om in de gebieden die grenzen aan de deelgebieden Noordoost Twente en West Twente, met deze deelgebieden samenwerking en afstemming te zoeken. In de afgelopen maanden zijn er eerste gesprekken gevoerd over hoe we als partners invulling willen geven aan de verschillende rollen en verantwoordelijkheden. Deze gesprekken lopen op dit moment nog. Het is in dit stadium dan ook niet mogelijk nu al een beschrijving te geven van de uitvoeringsorganisatie met daarbij de taken, rollen, verantwoordelijkheden en benodigd aantal fte's. In het tweede en derde kwartaal van 2023 zal hier meer duidelijkheid over komen. Wel is nu al duidelijk dat er sprake zal zijn van een forse personele inzet om de opgaven tijdig te kunnen realiseren. Deze inzet zal ook vanuit de verschillende gebiedspartners moeten komen. Gedacht kan worden aan inhoudelijke expertise op het gebied van natuur, water en landbouw, maar ook aan expertise op het gebied van het leiden en begeleiden van projecten en processen.

Het verzoek aan de gebiedspartners is dan ook om hier nu reeds over na te denken en dit in de eigen organisatie onder de aandacht te brengen. Voor alle gebiedspartijen ligt de tijdsdruk op het gebiedsprogramma Zuidoost Twente hoog. Door de gebiedspartijen wordt aangegeven dat de redenen hiervoor begrijpelijk zijn maar dat het risico is dat partijen onvoldoende zijn betrokken en/of geïnformeerd. Dit geldt voor externe gebiedspartners (grondeigenaren, bewoners, gebruikers, etc.) en afstemming binnen de organisaties intern (collega’s en bestuurders).

31

5.6 Aandachtspunten Om gebiedsprocessen te kunnen starten en goed te kunnen doorlopen zijn er randvoorwaarden die moeten zijn ingevuld om dit succesvol te kunnen doen. Deze voorwaarden zitten enerzijds op de inhoud en anderzijds op het proces. Mochten randvoorwaarden wijzigen, dan kan dit gevolgen hebben voor draagvlak, doorlooptijd en benodigde financiën voor het doorlopen van een gebiedsproces Dit zijn de navolgende randvoorwaarden: 1) De te bereiken doelen voor Zuidoost Twente moeten duidelijk zijn en moeten inhoudelijk goed onderbouwd en uitlegbaar zijn; 2) Instrumenten, financiën en planning moeten duidelijk zijn en de kaders voor gebruik en inzet van instrumenten moeten werkbaar zijn. Sturing op het doel en niet op procedures is hierbij essentieel. Instrumenten en procedures moeten ondersteunend zijn aan het proces en realisatie van de opgaven en geen doel op zich zijn; 3) De te behalen doelen moeten tussen gebieden uitwisselbaar zijn (omwisselbesluit). Wanneer in een deelgebied de opgaven ruimschoots gerealiseerd worden, moet dit tot een verminderde opgave kunnen leiden in andere deelgebieden; 4) Bevoegdheid en mandatering van projectverantwoordelijken moet zijn geregeld waarbij deze zo laag als mogelijk moet worden belegd.

Dit onder voorwaarde van verantwoording en rapportage; 5) Er moeten tijdig voldoende mensen beschikbaar zijn die over voldoende kennis en expertise beschikken; 6) Wanneer agrarische grond met eventueel bedrijfsopstallen gekocht kan worden, moet er op aangeven van de verantwoordelijke, snel en zorgvuldig worden gehandeld om te komen tot aankoop. Beschikbaarheid van grond is essentieel voor een gebiedsproces. 7) Grond in eigendom van de overheid, moet 1:1 kunnen worden toebedeeld aan ondernemers conform het plan voor uitvoering; 8) Naast dat er duidelijkheid moet komen over aard en omvang van maatregelen, moet er duidelijkheid komen over de (on)mogelijkheden van het samenvallen van meerdere opgaven op dezelfde vierkante meters grond; 9) Transitie naar meer akkerbouw vraagt om duidelijkheid over de norm met betrekking tot het aandeel blijvend grasland vanuit de EU. Nu is deze norm in potentie beperkend voor een transitie; 10) Voor ondernemers die overwegen om te vormen naar (deels) andere bedrijfsvoering moeten helderheid hebben over de kaders waarbinnen omvorming kan plaatsvinden, maar ook over de vraag wat er met zekerheid gesteld kan worden over hun verdienmodel zodat de ondernemer een weloverwogen keuze kan maken.

Ideeën over omvorming zijn goed, maar moeten voor een ondernemer wel realistisch zijn; 11) Voor ondernemers die ervoor kiezen om grond met natuur(waarden) te beheren (ecosysteemdiensten), moet ook voor langere termijn zekerheid zijn over dekking van kosten voor beheer. Termijnen van 20 jaar of meer zijn hiervoor wenselijk; 12) Er moet perspectief blijven voor de landbouw, ook in de overgangsgebieden. 13) Vergunningverlening is nodig om beweging te kunnen creëren. 14) Vanuit de gebiedstafels/-dagen is de wens geuit om de vrijkomende stikstofruimte binnen Zuidoost Twente beschikbaar te houden voor de ondernemers/ontwikkeling binnen het deelgebied. 15) De KDW als enkel toetscriterium wordt vanuit de agrarische sector en het provinciaal bestuur als te enkelvoudig beschouwd. De inzet is om natuurherstel te realiseren. Daarbij speelt ook de grensproblematiek van de Natura 2000 gebieden in Zuidoost Twente. 16) Grondwaterverhoging heeft gevolgen voor woningen in het gebied. In natte periodes staat het grondwater al in kruipruimtes. Hiervoor moet meer aandacht komen. 17) Meer mogelijkheden bieden voor de invulling van VAB’s. Dit biedt kansen.

32

18) Meer aandacht voor de energietransitie in relatie tot de transitie van het landelijk gebied. Ook deze functie is onderdeel van gebiedsproces, maar komt niet (voldoende) terug in de PPLG. 19) De aanleg van houtwallen moet mogelijk zijn in het hele gebied als invulling van de bossenstrategie, groenblauwe dooradering en voorsorteren op eisen vanuit de Natuurherstelwet die naar verwachting volgend jaar van kracht wordt (Basiskwaliteit Natuur).

5.7 Aanpak Hieronder is kort weergegeven aan welke zaken op korte, middellange en lange termijn primair aandacht wordt besteed in Zuidoost Twente. a. Korte termijn: 2023 – 2025 In deze periode is de inzet gericht op de volgende zaken: 1) Opstellen en afronden gebiedsprogramma samen met gebiedspartners; 2) Afspraken met partners over de wijze van samenwerking waaronder de governancestructuur; 3) Informeren en betrekken inwoners, bestuurders en volksvertegenwoordigers; 4) Uitvoering communicatieplan 5) Fase van initiatief en verkenning voor een groot aantal gebiedsprocessen; 6) Toetsen van instrumenten en regelingen aan de praktijk; 7) Inrichting uitvoeringsorganisatie; 8) Aankopen eerste bedrijven; 9) Onderzoek t.b.v. detaillering opgaven; 10) (Doen) opzetten van monitoring; 11) Rapportage en verantwoording. b. Middellange termijn: 2025 – 2027 In deze periode is de inzet gericht op de volgende zaken: 1) Gebiedsprocessen opstarten en in uitvoering; 2) Opschalen uitvoeringsorganisatie; 3) Blijven informeren en betrekken inwoners, bestuurders en volksvertegenwoordigers; 4) Aankopen bedrijven en inzetten t.b.v. herverkaveling/extensiveringsopgaven; 5) Monitoring effecten maatregelen; 6) Indien nodig verfijning/bijsturing opgaven; 7) Rapportage en verantwoording. c.

Lange termijn: 2027 – 2030 (uitloop 2035) In deze laatste periode is de inzet gericht op de volgende zaken 1) Oplevering gebiedsprocessen; 2) Monitoring effecten maatregelen; 3) Afbouwen uitvoeringsorganisatie; 4) Rapportage en verantwoording.

5.8 Middelen − Instrumentenmix: iteratief proces, samen opstellen − Financiën: inclusief kosten en effecten (relatie doelen, maatregelen en draagvlak) − Beschrijving van de uitvoeringsorganisatie in het gebied: taken, rollen, verantwoordelijkheden 33

PM: verder aanvullen!

34

Bijlagen

35

BIJLAGE I - Communicatieplan voor Zuidoost Twente PM

36

BIJLAGE II - Het landgoedmodel voor Overijssel: verweving van natuur, landbouw, cultuur en maatschappij

Acht adviezen voor een vitaal, biodivers en leefbaar platteland Wat is natuur eigenlijk? Is het een houtwal tussen twee weilanden waarin grasmussen nestelen? Is het een opengesteld bos aan de rand van een stad waar bewoners zich kunnen ontspannen? Is het een statige laan op een historisch landgoed, omzoomd met bloeiend fluitenkruid? Is het een natte weide die zo beheerd wordt dat de grutto er kan overleven? Of is natuur alleen een gebied dat officieel door Europa als zodanig is aangewezen? Wij, de leden van Overijssels Particulier Grondbezit (OPG), bezitten en beheren 11% van het oppervlak van Overijssel. Wij zijn uitblinkers in het gezond houden van bossen en natuur en het onderhouden van cultureel erfgoed; gastvrij voor wandelaars en fietsers; hofleveranciers van publieke diensten tegen lage maatschappelijke kosten. In Overijssel bestaat ongeveer 7% van het oppervlak uit Natura 2000-gebieden. Vanzelfsprekend zijn deze N2000- gebieden stuk voor stuk uniek en het behouden waard. De bedreigingen zijn echter ook buiten N2000-gebieden legio: stikstofdepositie, verdroging en de schokkende vermindering van biodiversiteit. Het is een slechte zaak dat het grootste deel van het provinciale budget dat bestemd is voor natuurbehoud, vloeit naar 'donkergroene' N2000-gebieden. De provincie trekt een harde grens tussen N2000 en de rest van het buitengebied.

Zo ontstaan donkergroene eilanden in een oceaan van raaigras en mais, terwijl juist de verwevingsgebieden zo waardevol zijn en de identiteit van onze provincie bepalen. Met de mond belijdt de provincie weliswaar het vergroenen van de landbouw, versterking van het landschap en van de biodiversiteit, maar GS geeft nauwelijks thuis als het aankomt op daadwerkelijke verandering, bijvoorbeeld door het betalen van ecosysteemdiensten aan boeren en grondeigenaren waarmee men graanakkers, natte weiden of nieuwe houtwallen kan aanleggen en duurzaam onderhouden. Wij verzetten ons tegen de opstelling van de provincie, die zorgt voor een tweedeling tussen 'donkergroene' natuur en de rest. Help grondbezitters en boeren om een netwerk van kleinschalige natuurgebieden en natuurinclusieve landbouw te versterken, waardoor het historische coulisselandschap in grote delen van onze provincie weer (bio)divers én aantrekkelijk voor bezoekers wordt. Landgoederen, zoals die van onze leden, laten al eeuwen zien dat verweving van natuur, landbouw en cultuurlandschap heel goed mogelijk is. Geen maximalisatie van één functie, maar optimalisatie van de combinatie van functies met lange termijn rendement. Dit zowel op economisch, ecologisch als op sociaal en cultureel gebied. Dit is wat wij het landgoedmodel noemen.

Sterker nog, het landgoedmodel zou zeer goed toepasbaar kunnen zijn op grote delen van het Overijsselse buitengebied, waar nu mais en raaigras overheersen. Het is een uitstekend wapen om de enorme uitdagingen op het gebied van stikstofemissie, waterkwaliteit en klimaatadaptatie aan te gaan.

37

In acht adviezen delen wij onze standpunten om het landgoedmodel breed te implementeren in Overijssel. 1 • Investeer in biodiversiteit overal Verreweg het grootste deel van alle bestedingen voor natuur gaat naar de Natura 2000-gebieden (donkergroen) en is gericht op het instandhouden van een beperkt aantal zeldzame planten en dieren. Een fractie van dat bedrag wordt ingezet voor vergroting van de biodiversiteit in het agrarische cultuurlandschap. Een robuust natuurnetwerk inclusief de bijzondere topgebieden heeft een brede basis, de wederzijdse afhankelijk is groot. Erken dit en corrigeer deze scheve verhouding: investeer meer in biodiversiteit in de verwevingsgebieden van natuur en landbouw (lichtgroen). 2 • Ontwikkel landschapsgrond actief als nieuw instrument In de landelijke politiek wordt nu gesproken over 'landschapsgrond'; een stelsel waarin boeren en grondbezitters eerlijk gecompenseerd worden voor een meer extensieve manier van grondgebruik. Landschapsgrond zou een nieuwe bestemming moeten worden die tussen ‘natuur’ en ‘landbouw’ in ligt en waarop enkel extensieve landbouw plaats vindt, die leidt tot kruidenrijk grasland en die zorgt voor biodiversiteit en klimaatbestendigheid. De provincie kan een voortrekkersol spelen om landschapsgrond als nieuw instrument in te zetten om natuurbeheer en landbouwactiviteit te combineren.

De belangrijkste beperking op landschapsgrond zou een lage mestgift moeten zijn. De waardevermindering door bestemmingswijziging van landbouw naar landschapsgrond wordt in één keer door de provincie vergoed als een percentage van de marktwaarde. De vergoeding kan naar keuze bestaan uit geld, een bouwkavel of extra landbouwgrond. Landschapsgrond kan in gebruik worden gegeven aan boerenbedrijven die daarmee aan hun GLB-voorwaarden kunnen voldoen. 3 • Zorg voor duurzaam budget voor ecosysteemdiensten Voor vergroting van de biodiversiteit in het agrarische cultuurlandschap moet naast de voornoemde bestemming landschapsgrond, voldoende vergoeding voor agrarisch natuurbeheer bestaan. Er is grote vraag bij boeren naar beheervergoedingen, maar het huidige systeem van beheervergoedingen is niet (financieel) stimulerend noch duurzaam genoeg om structurele veranderingen teweeg te brengen. Dus het budget voor maatschappelijke- en ecosysteemdiensten moet flink omhoog en voor een langere tijd gegarandeerd zijn. Nog steeds gaat dit om relatief kleine bedragen vergeleken met de geldstroom naar N2000. Hiervoor kunnen ook goed de stikstofgelden gebruikt worden, die eigenlijk bedoeld waren voor uitkoop.

4 • Behoud particulier eigendom In het Nationaal Programma Landelijk Gebied zal een aantal boerenbedrijven worden uitgekocht, waarna de grond deels wordt verdeeld onder andere boeren en deels wordt omgezet in Natuur of Landschapsgrond. Het is zaak dat deze te herverdelen gronden beschikbaar komen voor de landbouwtransitie door particulieren middels een provinciale landinrichting (WILG). Op deze wijze kan sneller gehandeld worden en ontstaat draagvlak in het buitengebied. Deze te verdelen gronden worden toegevoegd aan natuurinclusief werkende agrarische bedrijven. Hiermee wordt actief invulling gegeven aan grondgebondenheid, door het faciliteren van de transitie van deze agrarische bedrijven naar natuur- en landschapsinclusief. 5 • Wees terughoudend en selectief met uitkoop Het is lang niet altijd het bedrijf dat het dichtst bij een natuurgebied ligt dat de meeste schade aanricht aan dat gebied. Feitelijk hangt er een dikke ammoniakdeken in de lucht boven onze provincie en zijn oorzaken en gevolgen van uitstoot veel moeilijker vast te stellen dan waar in model 38

AERIUS van wordt uitgegaan. Het gaat erom de totale ammoniakuitstoot in Overijssel te verminderen. Daarom moet uitkoop niet uitsluitend gericht zijn op bedrijven naast N2000 gebieden. Bij eventuele uitkoop zou prioriteit gegeven moeten worden aan bedrijven zonder opvolging of minder levensvatbare bedrijven die niet in staat zijn grote milieu-investeringen te doen. Maar beter dan uitkoop is een focus op verduurzaming van álle bestaande bedrijven met lokaal maatwerk. 6 • Stimuleer variatie in gebruik en verweef functies Als uitkoop of functieverandering van boerenbedrijven niet alleen plaatsvindt naast N2000-gebieden maar ook in andere delen van het verwevingsgebied, betekent dit dat ook daar percelen de bestemming landschapsgrond kunnen krijgen: zo ontstaan stapstenen van extensieve landbouw in gebieden met intensieve landbouw (maar straks met een lagere emissie), die grotere natuurgebieden met elkaar gaan verbinden. Juist de variatie van extensief en intensief gebruik leidt naar een robuust natuurnetwerk en daarmee naar grotere biodiversiteit en een aantrekkelijk landschap voor bewoners en bezoekers. 7 • Start mitigerende maatregelen Ook al zou morgen de ammoniakuitstoot van boerenbedrijven in Overijssel gereduceerd zijn tot nul, dan zal het nog vele jaren duren voordat de positieve effecten daarvan zichtbaar worden in de N2000 gebieden.

Er heeft zich in de loop der jaren zoveel stikstof in de bodem opgehoopt en de achtergrond-depositie is zo hoog dat de achteruitgang voorlopig niet stopt. Daarom moet er nu in de tussentijd al gestart worden met mitigerende maatregelen, zoals bijvoorbeeld goed bodembeheer door boeren stimuleren en het strooien van steenmeel om de verzuring van bodems te verminderen. 8 • Benut het landgoedmodel Landgoederen zijn van oudsher centra van verweving van landbouw, natuur en cultuur. Benut het landgoedmodel als instrument om samen te werken aan regionale vitaliteit, kringlooplandbouw en een robuust natuurnetwerk voor meer biodiversiteit, een mooier landschap en een leefbaar platteland.

39

BIJLAGE III - De landgoedaanpak, maatregelen, instrumenten en handvatten Het landgoedmodel Landgoedeigenaren hebben door de eeuwen heen altijd gestreefd naar rendement. De instandhouding van het landgoed als geheel staat daarbij echter centraal, inclusief de (financieel) kwetsbare onderdelen. Het grootste deel van de baten wordt dan ook geherinvesteerd in het landgoed: een gebiedsgerichte verevening van kosten en baten. Het rendement voor de eigenaar zelf is beperkt. Traditioneel zorgden landerijen voor inkomsten uit landbouw én bosbouw. Deze inkomstenbronnen leveren tegenwoordig niet meer vanzelfsprekend voldoende op om het beheer van natuur, landschap en monumentale gebouwen (de (financieel) kwetsbare onderdelen) te blijven bekostigen. Het maakt dat het in stand houden van landgoederen een uitdaging is. De landgoederen mogen dan ook geen financieel nadelige effecten ondervinden van stikstofmaatregelen omdat instandhouding financieel nu al een uitdaging is. Een voldoende zekere jaarlijkse cashflow onder de landgoederen is een voorwaarde voor duurzame instandhouding. Geen spijt maatregelen Het succesvol inzetten van de hierna genoemde instrumenten staat of valt met het helder hebben van de uitgangssituatie: dit is dan ook de eerste geen-spijt-maatregel.

Met de uitgangssituatie wordt de huidige situatie op de landgoederen op het gebied van stikstofemissie in beeld gebracht waarbij antwoord gegeven moet worden op vragen als: − Hoeveel stikstof wordt er op de landgoederen geëmitteerd en van welke functies is de stikstof afkomstig? − Op welke manier is het landbouwareaal in gebruik en binnen welke kaders? − Voor welk aandeel bestaan de inkomsten van de landgoederen uit landbouwinkomsten? − Wat zijn de ambities en toekomstplannen van de landgoedeigenaren en de pachters? De verkregen informatie geeft inzicht in welke instrumenten geschikt zijn om toe te passen. De overheid (alle niveaus) speelt bij nagenoeg alle instrumenten een belangrijke rol in het succesvol toepassen van de instrumenten. De tweede geen-spijt-maatregel is dan ook het laten uitvoeren van een haalbaarheidsstudie van de instrumenten op de verschillende overheidsniveaus. Instrumenten Zoals beschreven is ieder landgoed uniek. Dit maakt dat er geen universele instrumenten zijn die op ieder landgoed passend zijn. De onderstaande instrumenten zijn dan ook bedoeld als keuzemenu. Op basis van deze instrumenten kunnen de landgoederen een plan maken/een bod doen om aan de ene kant stikstofreducerende te treffen en aan de andere kant het landgoed beter te beheren. De lijst is niet limitatief. In bijlage IV zijn aandachtspunten bij een aantal van de instrumenten opgenomen.

1) Ontwikkelingsruimte om vrijgekomen erven van stoppende of wijkende pachters te kunnen herontwikkelen met nieuwe functies. Vooral op de landgoederen die binnen en dicht nabij Natura 2000 gelegen zijn moet stikstofruimte beschikbaar zijn om de herontwikkeling mogelijk te maken. De herontwikkeling kan zorgen voor de compensatie van de inkomsten die weggevallen zijn door het stoppen of wijken van de pachters. De ontwikkelruimte moet ruimer zijn dan de mogelijkheden die de landgoederen al hebben. 2) Een regeling om pachters zonder opvolgers stapsgewijs af te laten bouwen en daarmee 40

stikstofemissie stapsgewijs te verminderen. Gelijktijdig moet bij het afbouwen van de pachter voor het landgoed ruimte zijn om andere/nieuwe economische dragers te ontwikkelen of te creëren om daarmee de economische situatie op peil te houden. De pachtgrond die vrijkomt kan in de toekomst onder andere voorwaarden (‘stikstof positievere’) verpacht worden of een andere bestemming krijgen (bijvoorbeeld bos of natuur). Ook daarbij is het zaak voor de landgoederen om de economische dragers voldoende op peil te houden. 3) Pacht kan een instrument zijn om te sturen op de stikstofemissie. Dit zal waarschijnlijk gepaard gaan met lagere pachtopbrengsten. De pachtopbrengsten die de landgoederen hierdoor mislopen moeten aangevuld worden om hun toekomst te kunnen waarborgen. Dit kan op verschillende manieren: door extra grond (zie het volgende instrument) of de ontwikkeling van nieuwe economische dragers. 4) Landbouw op landgoederen extensiveren door bestaand landbouwareaal extensief te gaan gebruiken (bijvoorbeeld omvorming naar kruidenrijk grasland), hierdoor minder pachtopbrengsten en afwaardering voor de landgoedeigenaar. Met de inkomsten uit de afwaardering kan extra grond aangekocht worden door de landgoederen om pachters voldoende grond te bieden voor extensivering en pachtopbrengsten op hetzelfde peil te houden.

Aandachtspunten bij de instrumenten Pacht − Het merendeel van de landbouwgronden op de landgoederen is regulier verpacht. Daarmee is de zeggenschap van de verpachter, de landgoedeigenaar, over de grond beperkt in het huidige pacht. Bij stikstofwinst behalen op regulier verpachte grond valt of staat het slagen daarvan met het meewerken van de pachter. − Invloed uitoefenen op de stikstofemissie kan ook via liberaal verpachte grond. Het flexibele pachtcontract van landgoed Vilsteren (GGA-gebied Vechtdal) is hier een goed voorbeeld van. Opgemerkt moet worden dat het pachtsysteem op dit landgoed is ingesteld om verduurzaming van de landbouw te stimuleren en pachters zekerheid te bieden voor de langere termijn. Een dergelijk systeem toepassen op andere landgoederen is alleen mogelijk indien er grond vrijkomt uit de reguliere pacht en bij nieuwe liberale pachtcontracten. − Bij liberale verpachting van langer dan 6 jaar toetst de grondkamer aan de pachtprijs (regionorm) waardoor de landgoedeigenaar niet de maximale pachtprijs kan vragen. Extensiveren i.c.m. de aankoop van extra grond − Grond is schaars. De vraag naar grond is groot. Is er voldoende grond beschikbaar om dit mogelijk te maken? − De grondprijzen zijn hoog.

Is de afwaardeersom groot genoeg om extra grond aan te kopen? − Landinrichting of kavelruil? De twee vorenstaande aandachtspunten kunnen door de provincie beïnvloed worden door het toepassen van landinrichting of kavelruil. Gelijkberechtiging is hierbij een belangrijk aandachtspunt. − Vereisten Natuurschoonwet 1928 (NSW). Vooral voor particuliere landgoederen is het van belang dat de percelen ten hoogste een oppervlakte van 5 hectare hebben en voor tenminste 75% van de omtrek is omgeven wordt door houtopstanden of natuurterreinen. Wanneer niet direct aan deze voorwaarden 41

−

voldaan wordt moeten er kosten gemaakt worden om wel aan de vereisten van de NSW te kunnen voldoen. Daarnaast moet het totale landgoed voor tenminste 30% van de oppervlakte bestaan uit houtopstanden en/of natuurterreinen, dit is ook een vereiste van de NSW. Indien de gronden omgevormd worden tot kruidenrijk grasland dan worden deze verschraald. Daar moeten beheermaatregelen op aangepast worden (o.a. bemestingsnorm). Om er nog een redelijke agrarische productie mee te kunnen behalen moeten niet de maatstaven van de Index Natuur en Landschap gehanteerd worden.

42

Bijlage IV - Concept landbouw menukaart

Maatregelen landbouwmenukaart

Potenti ele stikstof reducti e

Mogelijkheden

Termijn effect

Dir ect

Technische stalmaatregelen

≥1 jaar

Conseque nties kostprijs

Win -win

Inschatting kosten per maatregel

Stijg ing 50 – 150K (op basis van m2)

(A) Versnellen afvoer van mest/urine

Vloeren/mest-schuif/mestrobot/koetoilet/

30%

X

X Robot en toilet: 10 – 50K

Mest aanlengen met water in kelder of over de roosters/water toevoegen tijdens het bemesten/ (B) Verlagen van ammoniak-concentratie

moment van uitrijden, temperatuur en bewolkt of zonnig weer/

10%

X

X

20-50%

X

X

PM

mestrobot met watersproeier

(C) Beïnvloeden mest/ chemische processen (stikstof-binder)

Stal/mestopslag koelen/ X

PM

additieven, FIR

(D) Reduceren van besmeurd oppervlak

Aanpassen hokgrootte

25%

X

X

0

(E) Beperken van luchtuit-wisseling mest

Vloeren/ballen in de mestkelder

15%

X

X

10 – 150K

65%

X

X

20 – 600k

Luchtwasser/ (F) End of pipe

lely sphere/joz stikstofstripper/monovergister etc.

Managementmaatregelen (G) Voermaat-regel

(H) Overig

Verlagen ruw eiwit/verlagen ureumgetal/ additieven

20%

Weidegang/management, voersoort, ruwvoersamen-stelling, manier van inkuilen, manier van uithalen / kruidenrijk grasland, klavers verminderen de stikstofbehoefte / teelten die geen stikstof hoeven of

43

X

X

X

X

5 -10%

beter benutten / fokkerij waarbij de voerefficiëntie wordt verbeterd etc.

44

Bijlage V - Definitielijst −

− −

− −

−

−

Basiskwaliteit Natuur is een in Nederland voorgestelde minimale vereiste waaraan condities van een landschap moeten voldoen om een gewenst niveau van bij dat landschap passende biodiversiteit duurzaam in stand te houden. Drie factoren zijn hierbij leidend: de milieucondities, de inrichting van het landschap en het beheer van het landschap. Het uitgangspunt is dat algemeen voorkomende soorten planten en dieren niet in aantal achteruit mogen gaan door negatieve menselijke invloeden, of daar waar dat al is gebeurd populaties kunnen herstellen. Kritische prestatie indicatoren (KPI’s): Beloningssysteem waarbij een ondernemer een vergoeding krijgt voor een geleverde dienst. Bijvoorbeeld koeien in de wei, stikstofreductie of een biodiversiteitsopgave. Natuurinclusieve landbouw: vorm van duurzame landbouw en onderdeel van een veerkrachtig eco- en voedselsysteem. Deze maakt optimaal gebruik van de natuurlijke omgeving en integreert die in de bedrijfsvoering. Natuurinclusieve landbouw produceert voedsel binnen de grenzen van natuur, milieu en leefomgeving met een positief effect op de biodiversiteit. Prioritaire gebieden: Rood voor Roodregeling (RVR): Met de Rood voor Roodregeling wil de provincie Overijssel opkomende leegstand van agrarische bebouwing aanpakken. Het gaat tussen 2012 en 2030 om duizende leegkomende gebouwen, met een totale oppervlakte van 4 milj. m2.

Dit zet de leefbaarheid, en daarmee ook de ruimtelijke kwaliteit, op het platteland onder druk. Vrijkomende agrarische bebouwing (VAB): Bij vrijkomende agrarische bebouwing gaat het om agrarische bedrijfsruimte die leeg komt te staan nadat een ondernemer is gestopt met zijn agrarische bedrijfsvoering. Graag duidelijkheid over de definitie van ‘hoogproductieve landbouw’. Wordt hierbij alleen gekeken naar GVE/ha? En we missen in het stuk iets over de toekomst van de intensieve (niet grondgebonden) landbouw.

45

Gebiedsprogramma West Twente concept 3 Versie 4 – 2 mei 2023

Inhoud Leeswijzer ................................................................................................................................................ 3 1.

Algemene toelichting....................................................................................................................... 4 1.1 Omschrijving gebied ...................................................................................................................... 4 1.2 Algemene kenmerken ................................................................................................................... 5 1.3 Korte procesbeschrijving met bijzonderheden ............................................................................. 6

2.

Uitwerking van de 3 PPLG doelen ................................................................................................... 7 2.1 Groen Blauwe doelen (inhoud) ..................................................................................................... 7 2.2 Natuurherstel ................................................................................................................................ 8 2.2.1 N2000-gebieden ..................................................................................................................... 8 2.2.2 Stikstof .................................................................................................................................... 8 2.2.3 Robuust watersysteem ........................................................................................................... 9 2.2.4 Bossenstrategie .................................................................................................................... 12 2.2.5 Minder emissies van Broeikasgassen ................................................................................... 12 2.3 Perspectief voor de landbouw (proces) ...................................................................................... 12 2.4 Sociaal economische impact (proces) ....................................................................................

13 2.5 Impactanalyse sociaaleconomisch perspectief. .......................................................................... 14

3.

Realisatiestrategie: hoe deze vorm te geven (proces) .................................................................. 15 3.1 Visie/ strategie op realisatie ........................................................................................................ 15 3.2 Communicatiestrategie ............................................................................................................... 17 3.3 Rol/verantwoordelijkheid ........................................................................................................... 17 3.4 Voorbeelden van lopende processen en hoe deze bijdragen ..................................................... 17 3.5 Agenderende randvoorwaarden (vanuit het gebied) ................................................................. 18

4.

Aanpak ........................................................................................................................................... 18 4.1 Korte termijn 2023 – 2025 .......................................................................................................... 18 4.2 Middellange termijn 2025 – 2027 en lange termijn 2027 – 2030 (of 2035) ............................... 20

5.

Middelen........................................................................................................................................ 24 5.1 Instrumentenmix ......................................................................................................................... 24 5.2 Financiën ..................................................................................................................................... 24

Leeswijzer Dit document bevat het Concept Gebiedsprogramma voor West Twente. Dit programma betreft een conceptversie welke besproken is met de partners uit het gebied (zie paragraaf 1.3 voor een nadere toelichting hier op). Mede vanwege nieuwe informatie of inzichten (denk hierbij o.a. het landbouwakkoord – op het moment van schrijven nog niet tot stand gekomen) zal het gebiedsprogramma nog onderhevig zijn aan aanpassingen. Het concept gebiedsprogramma West Twente wordt als bijlage bij het Ontwerp-PPLG (Provinciaal Programma Landelijk Gebied) gevoegd en toegezonden aan het Rijk. Het concept gebiedsprogramma geeft inzicht in wat West Twente uniek maakt, waar rekening mee moet worden gehouden en hoe het gebied zelf denkt uitvoering te kunnen geven aan de opgaven in het NPLG/PPLG.

1. Algemene toelichting 1.1 Omschrijving gebied Het gebied West-Twente omvat de gemeenten Almelo, Hellendoorn, Rijssen-Holten, Twenterand en Wierden. Daarbinnen zijn Almelo, Nijverdal, Rijssen, Holten, Wierden en Vriezenveen de grotere woonkernen. In West-Twente liggen vier Natura 2000-gebieden: Engbertsdijksvenen, Sallandse Heuvelrug (Oost en West), Wierdense Veld en De Borkeld. West-Twente is een agrarisch georiënteerd gebied waar relatief veel landbouwbedrijven gevestigd zijn ten opzichte van de andere GGA-gebieden. Ten noorden van Nijverdal bevinden zich de meeste bedrijven. Hier is een piek in dichtheid van het aantal landbouwbedrijven te zien. In de rest van het deelgebied is de hoeveelheid bedrijven lager. In West-Twente ligt de Sallandse Heuvelrug. Een bosrijk gebied met natuurlijk droog terrein. In het oosten van het gebied ligt de stad Almelo met veel bebouwing en een aantal bedrijfsterreinen. In het zuiden ligt de stad Rijssen dat ongeveer voor een derde bestaat uit bedrijventerrein. De rest van het deelgebied wordt het meest gebruikt in de landbouw. In West-Twente liggen relatief weinig landgoederen, waarvan twee grotere landgoederen, één op de Sallandse Heuvelrug en één in Almelo (Landgoed Huize Almelo). Daarnaast ligt in het oosten van het deelgebied een klein gedeelte van een grote landgoedzone die grotendeels in Zuidoost-Twente ligt.

Er is op meerdere locaties in West Twente sprake van waterwinningen, waarvan de effecten in de omgeving (op boer en natuur) duidelijk merkbaar zijn. Er zijn veel melkveehouderijbedrijven (41%), maar ook een aanzienlijk deel overige graasdierbedrijven (15%) met veel grasland. Er zijn veel middelgrote bedrijven (41%) en grote tot zeer grote bedrijven (20%). Opvallend is de grote hoeveelheid hobbybedrijven (23%). Kenmerkend is dat er sinds 2004 (>1500 bedrijven) een afname is in het aantal landbouwbedrijven in West-Twente. In 2020 was dit gezakt tot onder de 1000 (933 bedrijven). Deze daling was in de gemeente Wierden het grootst, maar liefst 41%. De daling doet zich hoofdzakelijk voor bij melkveebedrijven. Verwachting is dat deze trend doorzet. Van de landbouwbedrijven in West-Twente hebben 259 bedrijven geen opvolger. Daarvan gaat het in 65% van de gevallen om een graasdierbedrijf (bron: data-hub). In de periode van 1996 tot 2015 is een deel van het landbouwareaal omgevormd naar ander ruimtegebruik. Dit deed zich vooral voor rondom de steden en dorpen waar landbouwgrond is gebruikt voor nieuwe bebouwing (uitbreiding van de woningvoorraad).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14994647/1