CConstaterende datHellendoorn
Koppel je AI →
Document · PDF

BOPA-Onderbouwing Koersendijk

Gemeenteraad 18 juni 2024, gemeente HellendoornBij agendapunt: Advies gemeenteraad woon-zorgcomplex Koersendijk nabij nummer 116.979 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De ontwikkeling zal zo groen mogelijk worden ingepast en door de transformatie van deze locatie ontstaat er extra ruimte voor woningbouw, hetgeen past binnen de duiding van het gebed als een te beheren woongebied. 3.3.2

Woonvisie gemeente Hellendoorn 2020 - 2025 In de Woonvisie beschrijft gemeente Hellendoorn het beleid op het gebied van wonen voor de periode 2020 tot 2025. De woonvisie vormt de basis voor de ontwikkeling van woningbouwprojecten en voor samenwerkingsafspraken op het gebied van wonen, zoals de prestatieafspraken met Woningstichting Reggewoon. De woonvisie gaat over de kwaliteit van wonen in onze gemeente. De gemeente Hellendoorn kent een hoge kwaliteit van de leefomgeving. Dit maakt het aantrekkelijk om in Hellendoorn te wonen. Om die kwaliteit te behouden en te versterken staan er grote uitdagingen op stapel. De omslag naar een duurzame woningvoorraad, de transitie in de zorg en demografische veranderingen in onze bevolking zijn de uitdagingen voor de lange termijn. Het zijn ontwikkelingen die de komende decennia een grote inspanning vragen. In de visie doen we een beroep op alle partijen en inwoners om hieraan mee te werken.

3.3.3

Welstand Algemeen Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgevingpassen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de bruidsschat zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (art. 22.7), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29).

NL.IMRO. BOPA-Onderbouwing

Gemeente Hellendoorn

Blad 38 van 66

Nijverdal – Koersendijk 5

Februari 2024 Versie 01

Heeft de gemeente geen welstandsnota en ook een beleidsregels voor de beoordeling van het uiterlijk van bouwwerken, dan gelden de regels in de bruidsschat niet. De regelt geldt ook niet bij een bouwwerk of in een gebied dat de gemeente als welstandsvrij heeft aangewezen. Beoordeling van een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit Artikel 22.29 lid 1 onder b bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Tijdelijke bouwwerken, niet zijnde seizoensgebonden werken zijn uitgesloten van deze welstandstoets. Toets aan gemeentelijke welstandnota Het bouwplan zal worden getoetst aan de gemeentelijke welstandsnota.

NL.IMRO. BOPA-Onderbouwing

Gemeente Hellendoorn

Blad 39 van 66

Nijverdal – Koersendijk 5

Februari 2024 Versie 01

4

Hoofdstuk 4 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu Ruimtelijke plannen kunnen van invloed zijn op de omgeving. Anderzijds kan ook de zichtbare en soms niet zichtbare omgeving van invloed zijn op de uitvoerbaarheid van de voorgenomen plannen. In dit hoofdstuk worden de omgevingsfactoren beschreven. Daarnaast wordt per omgevingsfactor beoordeeld wat de invloed op het plan kan zijn.

4.1

Archeologie en cultuurhistorie

4.1.1

Juridische grondslag De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voor beschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan.

Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

4.1.2

Toets aan aanwezige waarden - Archeologie Op basis van het (tijdelijke) Omgevingsplan Duivecate – Reggedal geldt voor een deel van het projectgebied dat er sprake is van een archeologische dubbelfunctie te weten ‘Waarde – Archeologische verwachtingswaarde’. Op de hierna weergegeven kaart is dat zichtbaar gemaakt. Het gaat daarbij vooral om het westelijke deel van het projectgebied.

NL.IMRO. BOPA-Onderbouwing

Gemeente Hellendoorn

Blad 40 van 66

Nijverdal – Koersendijk 5

Februari 2024 Versie 01

De voor "Waarde - Archeologische verwachtingswaarde" aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor onderzoek naar en bescherming van naar verwachting aanwezige archeologische waarden. Op en in de gronden als bedoeld in dit artikel, mag ten behoeve van de andere bestemmingen van die gronden, voor zover die niet in een bouwvlak zijn begrepen, uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betreft: a. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing op de bestaande plaats, waarbij de oppervlakte op of onder peil niet wordt vergroot; b. een bouwwerk waarvoor de graaf- of heiwerkzaamheden niet dieper gaan dan 0,4 m onder peil; c. een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 2500 m²; d. een bouwwerk met een oppervlakte van meer dan 2500 m², mits: 1. de aanvrager van de bouwvergunning een rapport heeft overgelegd waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld, en 2. de aanwezige archeologische waarden, gelet op het onder 1 bedoelde rapport, door het bouwen niet wezenlijk worden geschaad, met dien verstande dat ter voorkoming van mogelijke schade aan de vergunning de volgende verplichtingen kunnen worden verbonden: a.

de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de aanwezige archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

NL.IMRO. BOPA-Onderbouwing

Gemeente Hellendoorn

Blad 41 van 66

Nijverdal – Koersendijk 5

Februari 2024 Versie 01

Van belang is om na te gaan of de nieuwe bodemverstoring ten opzichte van de verstoring die reeds heeft plaatsgevonden vanwege de aanwezigheid van de bowlingboerderij meer bedraagt dan 2.500 m2. Op de hierna weergegeven tekeningen is eerst de bestaande situatie getekend zoals die aanwezig was voor de brand en daarna de tekening van de gewenste situatie. De oppervlakte van het projectgebied bedraagt circa 3500 m2.

NL.IMRO. BOPA-Onderbouwing

Gemeente Hellendoorn

Blad 42 van 66

Nijverdal – Koersendijk 5

Februari 2024 Versie 01

Wat opvalt is dat in de beoogde nieuwe situatie de bebouwing grotendeels wordt gebouwd op de plek waar voorheen de bowlingboerderij aanwezig was. De nieuwe ruimtelijke ingreep zal daarom qua nieuwe bodemverstoring minder dan 2.500 m 2 groot zijn. Daarbij komt ook dat de archeologische dubbelfunctie ook alleen maar op het westelijke deel van het projectgebied aanwezig is. Er is geen onderzoek naar archeologische waarden nodig. 4.1.3

Toets aan aanwezige waarden – Cultuurhistorie Ter plaatse van het projectgebied zijn geen voor het aspect cultuurhistorie van belang zijnde waarden toegekend. Het aspect cultuurhistorie staat de planvorming niet in de weg.

4.2

Bodem

4.2.1

Grondslag Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet (AbO) opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het AbO bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders die de Omgevingswet voor deze vormen van gebruik stelt, zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door:

NL.IMRO. BOPA-Onderbouwing

Gemeente Hellendoorn

Blad 43 van 66

Nijverdal – Koersendijk 5

Februari 2024 Versie 01

▪ ▪ ▪

het beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; het duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.

Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: • Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerksvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); • Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22Bal); • Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4); Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. 4.2.2

Verkennend bodemonderzoek Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Het te bouwen woongebouw is aan te merken als een bodemgevoelig gebouw. Er is daarom een verkennend bodemonderzoek nodig. Er is vervolgens een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport daarvan is als bijlage bij deze BOPA-Onderbouwing gevoegd. Hierna volgen de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek. Ter plaatse van het perceel Koersendijk 7 zijn geen verhoogde gehalten aan onderzochte componenten in de grond aangetoond. Er is geen sprake van een grondverontreiniging. Voor wat betreft de milieuhygiënische kwaliteit van de grond hoeven er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen beperkingen te worden gesteld aan het gebruik van de locatie en bestaan er geen bezwaren tegen de toekomstige bouw van een woning/woningen op de locatie en ingebruikname van het perceel als woonlocatie. Voor wat betreft het grondwater is er wel sprake van matig tot sterk verhoogde gehalten aan zware metalen. Vanwege de veronderstelde herkomst (van nature) en de diepte van het grondwater (> 3 m -mv) wordt een nader onderzoek naar het voorkomen van de matig verhoogde zware metalen nikkel en zink en het sterk verhoogde metaal kobalt in het grondwater niet direct nodig geacht/ aanbevolen.

Voor wat betreft de voorgenomen bouw van een woning/woningen op de locatie

NL.IMRO. BOPA-Onderbouwing

Gemeente Hellendoorn

Blad 44 van 66

Nijverdal – Koersendijk 5

Februari 2024 Versie 01

en het gebruik van de woonkavel zullen geen milieuhygiënische risico’s optreden als gevolg van de verhoogde gehalten in het grondwater. Wel dient te worden opgemerkt dat het oppervlakkige grondwater niet direct geschikt is voor consumptief gebruik of besproeiing van gewassen. Indien de toekomstige eigenaar grondwater zou willen gebruiken voor bijvoorbeeld besproeiing van gewassen dan dient eerst het bronneringswater te worden onderzocht op zware metalen ten einde te onderzoeken of het water daar geschikt voor is (bronneringswater zal worden onttrokken uit de zandlaag onder de leemlaag waar de gehalten aan zware metalen vermoedelijk lager zullen zijn dan in het freatisch grondwater). Voor wat de overige gemeten maximaal licht verhoogde gehalten zullen eveneens geen risico’s voor milieu en volksgezondheid voorkomen en hoeft geen vervolgonderzoek plaats te vinden. Met de gevolgde onderzoeksstrategie is de algemene milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van het perceel Koersendijk 7 voldoende vastgelegd. Voor wat betreft de kwaliteit van de bodem bestaan er geen bezwaren tegen de bouw van een woning/woningen op de locatie en het gebruik van het gebruik van de kavel als woonlocatie.

4.3

Duurzaamheid

4.3.1

Grondslag In bijlage 1 van de Omgevingswet (Ow) is het begrip duurzame ontwikkeling gedefinieerd. Het gaat om "een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen." Artikel 1.3 en 2.1 Ow borgen het belang van duurzaamheid. In artikel 1.3 zijn de maatschappelijke doelen van de wet verwoord: "Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften." Artikel 2.1 geeft aan dat een bestuursorgaan zijn taken en bevoegdheden op grond van de wet uitoefent met het oog op de doelen van de wet, tenzij daarover specifieke regels zijn gesteld. Artikel 1.3 geeft ook richting aan de voor burgers en bedrijven opgenomen zorgplicht in artikel 1.6 Ow, namelijk dat men "voldoende zorg draagt voor een goede leefomgeving". Met deze bepalingen wordt een duurzame ontwikkeling voor het gehele domein van de fysieke leefomgeving geborgd.

Het vergt een samenhangende benadering vanaf het begin van de planvorming van alle relevante belangen, waaronder: ruimte, water, natuur, gezondheid en wonen.

NL.IMRO. BOPA-Onderbouwing

Gemeente Hellendoorn

Blad 45 van 66

Nijverdal – Koersendijk 5

Februari 2024 Versie 01

4.3.2

Toets aan waarden De te bouwen woningen worden zo duurzaam mogelijk gebouwd. De woningen zullen voldoen aan BENG. Verder wordt op de daken gebruik gemaakt van sedum voor een betere isolatie en duurzaamheid van de onderliggende materialen. Er zal ook (ten dele) gebruik worden gemaakt van natuurlijk gevelbekleding (hout). Waar mogelijk zal sprake zijn van prefab-bouw en wordt gebruik gemaakt van hernieuwbare materialen.

4.4

Gezondheid

4.4.1

Grondslag Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (Ow) is een gezonde fysieke leefomgeving (artikel 1:3 Ow, zie ook 4.4.1). In artikel 2.1 lid 4 Ow is bepaald dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Voorzorg kan daarbij een rol spelen. Naast de gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag het belang van gezondheidsbevordering meewegen. Zo heeft de fysieke leefomgeving positieve gezondheidseffecten als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten. De GGD kan hierbij adviseren. Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van de gezondheid. Bijvoorbeeld via instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit. In het omgevingsplan werken deze randvoorwaarden door.

4.4.2

Toets aan waarden Een toetsbaar planologisch aspect is of er bijvoorbeeld sprake is van de aanwezigheid van geitenhouderijen in de directe nabijheid van het plan. Geitenhouderijen zouden een verhoogde kans op longontsteking kunnen bieden. Er bevinden zich geen geitenhouderijen in de nabijheid. Verder wordt de gezondheid van de bewoners positief gestimuleerd doordat de locatie zich aan de rand van de bebouwde kom bevindt, waardoor de cliënten kunnen wandelen in de natuur in de omgeving, maar ook naar het nabij liggende centrum en voorzieningen van Nijverdal. De cliënten maken graag onderdeel uit van de maatschappij. Zo kunnen zij bijvoorbeeld meedoen of onderdeel uitmaken van o.a. avondvierdaagse of Strongmanrun of eventuele andere activiteiten die op het achterterrein plaatsvinden. Op deze manier wordt de gezondheid bevordert.

4.5

Natuur en ecologie

4.5.1

Grondslag In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn diverse regels ter bescherming van de natuur opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van plant- en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.

NL.IMRO. BOPA-Onderbouwing

Gemeente Hellendoorn

Blad 46 van 66

Nijverdal – Koersendijk 5

Februari 2024 Versie 01

Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een omgevingsplan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1.

Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Stikstof Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet (Ow). De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde. Soortenbescherming Onder de Ow zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Dit vorm krijgen in wet- en regelgeving, maar in fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren.

Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Ow zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hiervoor actief beleid voeren. Gedacht kan worden aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: ▪ er soorten aanwezig zijn; en ▪ welke soorten dat zijn.

NL.IMRO. BOPA-Onderbouwing

Gemeente Hellendoorn

Blad 47 van 66

Nijverdal – Koersendijk 5

Februari 2024 Versie 01

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is. 4.5.2

Toets aan waarden Ten behoeve van het plan is een ecologische quickscan uitgevoerd naar gebiedsbescherming, soortenbescherming en houtopstanden. Het onderzoeksrapport is als bijlage bij deze BOPA-Onderbouwing gevoegd. De resultaten van het uitgevoerde onderzoek worden hierna behandeld.

4.5.2.1

Gebiedsbescherming

4.5.2.1.1

Natura 2000 – gebieden De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewe-zen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000gebied, Sallandse Heuvelrug, bevindt zich op circa 2 kilometer afstand ten zuidwesten van de onderzoekslocatie (zie figuur 7.1). Een ander nabijgelegen Natura 2000-gebied is het Wierdense Veld op circa 2,5 kilometer afstand.

Figuur : Ligging projectgebied ten opzichte van Natura 2000.

De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten als gevolg van licht, trilling en geluid als door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot de meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden niet te verwachten. Externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie zijn vanwege de realisatie van appartementen op voorhand niet uit te sluiten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van stikstof wordt noodzakelijk geacht. Dit kan in eerste instantie worden onderzocht middels een modelberekening (AERIUS-calculator).

NL.IMRO. BOPA-Onderbouwing

Gemeente Hellendoorn

Blad 48 van 66

Nijverdal – Koersendijk 5

Februari 2024 Versie 01

4.5.2.1.2

NNN-Gebieden Het projectgebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt echter wel in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 45 meter afstand ten noordwesten van de onderzoekslocatie. In de hierna volgende figuur is de ligging van het projectgebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven.

Figuur : Ligging projectgebied ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.

De onderzoekslocatie is gelegen op 45 meter afstand van een onderdeel van het Overijsselse Natuurnetwerk. Het Natuurnetwerk betreft in Overijssel een louter planologische bescherming van de aangewezen gebieden zelf. Aangezien het planvoornemen niet leidt tot een wijziging van de bestemming van het aangrenzende onderdeel van het Natuurnetwerk zijn aanvullende maatregelen of aanvullend advies ten aanzien van het ONN of zone ONW niet aan de orde. 4.5.2.2

Stikstofdepositie Ten behoeve van het plan is een stikstofberekening uitgevoerd voor zowel de aanlegals ook de gebruiksfase. De bij de berekening behorende rekenbladen zijn als bijlage bij deze BOPA-Onderbouwing gevoegd. Vanuit de uitgevoerde berekeningen is duidelijk geworden dat er geen sprake van een stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/hectare/jaar op voor verzuring gevoelige Natura 2000-gebieden. Er is geen vergunning nodig.

4.5.2.3

Soortenbescherming De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in de hierna weergegeven tabel. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn

NL.IMRO. BOPA-Onderbouwing

Gemeente Hellendoorn

Blad 49 van 66

Nijverdal – Koersendijk 5

Februari 2024 Versie 01

om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.

Voor de te verwachten soorten geldt dat de bouwwerkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. In het kader van de zorgplicht zijn redelijkerwijs geen speciale maatregelen te treffen. 4.5.2.4

Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden als bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. De houtopstand op de onderzoekslocatie is gelegen binnen de bij besluit van gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom. Voor deze houtopstand geldt daarom geen meldingsplicht en herplantplicht. Bovendien blijven de bomen met de planvoornemens behouden.

4.6

Geluid

4.6.1

Grondslag Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van

NL.IMRO. BOPA-Onderbouwing

Gemeente Hellendoorn

Blad 50 van 66

Nijverdal – Koersendijk 5

Februari 2024 Versie 01

geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Ook zijn direct werkende regels in de bruidsschat opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten: • Activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS); • Geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS); • Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS). De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge).

Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. 4.6.2

Toets aan waarden – akoestisch onderzoek Er is sprake van de bouw van een woongebouw dat ruimte gaat bieden aan 24 wooneenheden voor mensen met een verstandelijke beperking. Het Rijk beschermt personen die ergens wonen tegen geluid. Om die reden wijst het Besluit kwaliteit leefomgeving gebouwen met een woonfunctie meestal aan als geluidgevoelige gebouwen met daarin geluidgevoelige ruimten. Gezien de aanwezigheid van wegen als ook andere voorzieningen in de omgeving (sportpark) zijn er een tweetal akoestische onderzoeken uitgevoerd. Eén onderzoek richt zich op de invloed van wegverkeerslawaai op het woongebouw en het andere onderzoek op geluid afkomstig vanaf het sportveldencomplex richting het woongebouw. Beide onderzoeken zijn als bijlage bij deze BOPA-Onderbouwing gevoegd. Hierna worden de onderzoeken ieder behandeld.

4.6.2.1

Akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai De woningen zijn ten aanzien van wegverkeerslawaai gelegen binnen de geluidzone van de Koersendijk, Willem de Clercqstraat en de Oranjestraat. Doel van het onderzoek is geweest om in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties in

NL.IMRO. BOPA-Onderbouwing

Gemeente Hellendoorn

Blad 51 van 66

Nijverdal – Koersendijk 5

Februari 2024 Versie 01

de BOPA-Onderbouwing de geluidbelasting op de woning ten gevolge van wegverkeerslawaai te bepalen en te toetsen aan de Wet geluidhinder en het gemeentelijk geluidbeleid. Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek blijkt dat: ▪ De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Koersendijk ten hoogste 54 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh bedraagt. Deze geluidbelasting is hoger dan de voorkeursgrenswaarde (en gemeentelijke ambitiewaarde) van 48 dB maar niet hoger dan de maximale ontheffingswaarde voor woningen in stedelijk gebied van 63 dB, incl. aftrek art. 110g Wgh; ▪ De berekende geluidbelasting ten gevolge van de Willem de Clercqstraat en Oranjestraat ten hoogste respectievelijk 38 dB en 38 dB, incl. aftrek artikel 110g Wgh bedraagt. Deze geluidbelasting is lager dan de voorkeursgrenswaarde (en gemeentelijke ambitiewaarde) van 48 dB incl. aftrek art. 110g Wgh; ▪ Maatregelen om de geluidbelasting te verlagen tot de voorkeursgrenswaarde zijn onderzocht maar ondervinden overwegende bezwaren van stedenbouwkundige en financiële aard; ▪ De berekende gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van alle wegen ten hoogste 59 dB, excl. aftrek artikel 110g Wgh bedraagt; ▪ De woning beschikt over een geluidluwe gevel en geluidluwe buitenruimte.

Aan te vragen hogere grenswaarden Een verzoek tot vaststelling voor de weergegeven hogere waarden dient ingediend te worden bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hellendoorn. Als ontheffingsgrond voor het verlenen van een hogere waarde wordt aangedragen dat de gekozen situering een open plaats tussen aanwezige bebouwing opvult. Daarnaast is er sprake van vervanging van bestaande bebouwing. Geluidwering van de gevel Voor woningen waarvoor een hogere waarde wordt aangevraagd met een gecumuleerde geluidbelasting van meer dan 53 dB, (excl. aftrek art. 110g Wgh) dient voor de bouwaanvraag een aanvullend onderzoek geluidwering gevels uitgevoerd te worden om de karakteristieke geluidwering van de gevel te bepalen en een binnenniveau van ten hoogste 28 dB (zorgfunctie met bedgebied) te waarborgen. De benodigde karakteristieke geluidwering bedraagt conform het Bouwbesluit 2012 ten hoogste 31 dB. 4.6.2.2

Akoestisch onderzoek naar geluid afkomstig van evenementenweide en sportveldencomplex Op de evenementenweide vinden naast sportactiviteiten ook andere evenementen plaats. Op de evenementenweide vinden jaarlijks onder andere de volgende activiteiten plaats: ▪ Strongman-run; ▪ Intocht avondvierdaagse; ▪ Kermis; ▪ Braderie; ▪ Oud- en nieuwviering; ▪ Winterbaan; ▪ Feesten met DJ’s.

NL.IMRO. BOPA-Onderbouwing

Gemeente Hellendoorn

Blad 52 van 66

Nijverdal – Koersendijk 5

Februari 2024 Versie 01

Het doel van het onderzoek is om de geluidbelasting ten gevolge van de maatgevende activiteiten op sportpark Gagelman op de zorgwoningen te bepalen en te toetsen aan de grenswaarden voor geluid in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Op de evenementenweide vinden naast sportactiviteiten ook evenementen plaats. Op voorhand is al rekening gehouden met de aanleg van een 3 m hoog geluidscherm aan de kant van de evenementenweide en een “dove” kopgevel aan de noordkant van de zorgwoning. Omdat niet wordt voldaan aan de richtafstand vormt stap 2 uit de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering” het maatgevende toetsingskader. Deze grenswaarden zijn gelijk aan de richtwaarden geldend voor het Activiteitenbesluit. In het Activiteitenbesluit wordt stemgeluid echter niet beoordeeld, terwijl dat in het kader van een goed woon- en leefklimaat in voorliggende situatie wel van belang is. Toetsing aan het Activiteitenbesluit is derhalve achterwege gelaten. Op basis van voorliggend onderzoek wordt geconcludeerd dat: Langtijd gemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT): ▪ de etmaalwaarde van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) in de representatieve bedrijfssituatie van maandag t/m vrijdag en van zaterdag-zondag ten hoogste respectievelijk 43 dB(A) en 38 dB(A) bedraagt en wordt voldaan aan de normstelling.

Maximaal geluidniveau (LAmax): ▪ het maximale geluidniveau (LAmax) in de maatgevende representatieve bedrijfssituatie van maandag t/m vrijdag in de avondperiode ten hoogste 60 dB(A) bedraagt en voldaan wordt aan de normstelling; Toetsing indirecte hinder De geluidbelasting ten gevolge van de indirecte hinder door de naar schatting ca. 75 verkeersbewegingen ten gevolge van de personenauto’s van sporters worden opgenomen in het heersende verkeersbeeld en zijn akoestisch niet relevant en verder buiten beschouwing gelaten. Uit de toetsing blijkt dat voldaan wordt aan de gestelde richtwaarden uit stap 2 van de Handreiking bedrijven en milieuzonering. Gesteld kan worden dat voor wat betreft het aspect geluid er sprake is van een aanvaardbaar woonen leefklimaat in het kader van een goede ruimtelijke ordening. 4.7

Geur

4.7.1

Grondslag Er bestaan diverse sectoren waar geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb’s. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het (tijdelijk) omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het

NL.IMRO. BOPA-Onderbouwing

Gemeente Hellendoorn

Blad 53 van 66

Nijverdal – Koersendijk 5

Februari 2024 Versie 01

tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over: • Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS); • Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS); • Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS); • Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS). Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 ‘Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit’ van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur. Bij vergunningverlening moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur).

In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. Bij vergunningverlening moet dan rekening worden gehouden met deze regels. 4.7.2

Toets aan waarden Een woning is aan te merken als een geurgevoelig gebouw. Rondom het projectgebied bevinden zich geen agrarische bedrijven die geurhinder veroorzaken. Er wordt geen geurhinder verwacht.

4.8

Luchtkwaliteit

4.8.1

Grondslag De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. De vergunningverlener beoordeelt een aanvraag op het effect op de luchtkwaliteit in de leefomgeving. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten

NL.IMRO. BOPA-Onderbouwing

Gemeente Hellendoorn

Blad 54 van 66

Nijverdal – Koersendijk 5

Februari 2024 Versie 01

in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Dit betekent dat een gemeente een initiatief soms moet toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat dan om een locatie van een initiatief dat zelf buiten het aandachtsgebied ligt. Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben. Denk aan extra verkeer of bedrijfsemissies. De vergunningverlener toetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze gaan over: • beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; • ammoniakemissies van veehouderijen; • geologische opslag van CO2.

Soms heeft de gemeente in een eerdere fase (toelaten van bedrijven in het omgevingsplan) al getoetst of het omgevingsplan voldoet aan de luchtkwaliteitsregels. Een dergelijke ‘voortoets’ is verplicht als het omgevingsplan in een aandachtsgebied ligt. Bij de daadwerkelijke aanvraag van een omgevingsvergunning moet het bevoegd gezag vervolgens beoordelen of deze aanvraag voldoet aan de luchtkwaliteitseisen. 4.8.2

Toets aan waarden Het project moet worden getoetst aan de rijksomgevingswaarden voor de luchtkwaliteit. Dat hoeft niet als een project geen of weinig luchtverontreiniging veroorzaakt. Het project draagt dan 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtvervuiling. Toetsing aan de rijksomgevingswaarde is dan niet nodig. Wel moet nog worden aangetoond dat het project binnen de NIBM-grens valt. Een project waarbij in totaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg worden gebouwd wordt nog aangemerkt als een Nibm-project. Voorliggend project blijft ruimschoots onder deze drempelnorm, immers er is ‘slechts’ sprake van het toevoegen van 24 extra woningen. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit is niet nodig.

4.9

Milieuhinder

4.9.1

Grondslag De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet worden daardoor het ruimtelijk spoor en het milieuspoor verder geïntegreerd. Het gemeentelijke omgevingsplan is straks hét instrument waarin deze integratie op lokaal niveau plaatsvindt.

NL.IMRO. BOPA-Onderbouwing

Gemeente Hellendoorn

Blad 55 van 66

Nijverdal – Koersendijk 5

Februari 2024 Versie 01

4.9.2

Toets aan waarden Om te bepalen of zich in de omgeving bedrijven en of functies bevinden die tot milieuhinder zouden kunnen leiden is onderstaand een weergave opgenomen van de gebedsfuncties in de directe omgeving van het plangebied.

Gelegen aan de zuidkant bevindt zich op basis van het onderliggende bestemmingsplan nog een bestemming ‘Wonen – 1’ maar is er momenteel sprake van een nieuw bestemmingsplan in voorbereiding voor dat gebied, waarbij het perceel een bestemming Maatschappelijk zal krijgen (zie onderstaande figuur). Daar komen 30 nieuwe wooneenheden (bijzondere woonvorm). Deze leveren geen milieuhinder op.

NL.IMRO. BOPA-Onderbouwing

Gemeente Hellendoorn

Blad 56 van 66

Nijverdal – Koersendijk 5

Februari 2024 Versie 01

Rechts van deze bijzondere woonvorm is eveneens sprake van een maatschappelijke bestemming. Er is daar sprake van een dierenkliniek. Dergelijke bestemmingen zijn in beginsel niet opgenomen in de concept-lijst lijst van bedrijfsactiviteiten van de VNGpublicatie’ Er is daarom aansluiting gezocht bij een functie van vergelijkbare aard en omvang namelijk 'Artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven'. Voor een dergelijke voorziening geldt een maximale milieucategorie 2 voor het aspect verkeer. Daarom zal ook deze bestemming niet voor belemmeringen zorgen voor realisatie van het plan. Ten noorden van het plangebied is de bestemming ‘Sport’ gelegen. In paragraaf 4.6 is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de invloed van het sportpark op de plannen binnen het projectgebied. Vanuit dat uitgevoerde onderzoek is gebleken dat deze bestemming niet voor belemmeringen zorgen voor de realisatie van het plan. Als laatste ligt op circa 160 meter van het projectgebied de bestemming ‘Bedrijventerrein - Industrie’. Op deze gronden is sprake van een gezoneerd industrieterrein. In het meest nabijgelegen deel daarvan zijn ‘slechts’ milieucategorie 3.1 inrichtingen toegestaan met een richtafstand van 50 meter. Daar wordt aan voldaan. Daarom zorgen deze bestemmingen niet voor de belemmering van het plan en wordt nader onderzoek voor de overige bestemmingen niet noodzakelijk geacht.

NL.IMRO. BOPA-Onderbouwing

Gemeente Hellendoorn

Blad 57 van 66

Nijverdal – Koersendijk 5

Februari 2024 Versie 01

4.10

Omgevingsveiligheid

4.10.1

Grondslag Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’.

Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.

NL.IMRO. BOPA-Onderbouwing

Gemeente Hellendoorn

Blad 58 van 66

Nijverdal – Koersendijk 5

Februari 2024 Versie 01

Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: • Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl; • Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl; • Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl); • Veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl). 4.10.2

Toets aan waarden Het te realiseren woongebouw is aan te merken als een kwetsbaar gebouw. Er is daarom geoordeeld of er sprake is van rondom gelegen voorzieningen die vanuit het aspect Omgevingsveiligheid van invloed kunnen zijn op de ontwikkeling binnen het projectgebied. Onderstaand is door middel van gebruikmaking van de risicokaart uit het Register externe veiligheidsrisico’s (REV) de omgeving geïnventariseerd.

4.10.2.1

Inrichtingen binnen het projectgebied Binnen het projectgebied zelf bevinden zich geen inrichtingen.

4.10.2.2

Inrichting buiten het projectgebied Nabij het projectgebied bevinden zich het bedrijf Koninklijke Ten Cate Nederland BV. De afstand tot het projectgebied bedraagt circa 265 meter. Binnen het bedrijf is sprake van een PR 10-6 veiligheidscontour om een opslagvoorziening. Deze bevindt zich echter op ruimte afstand van het projectgebied. Het genoemde bedrijf is vanuit het aspect omgevingsveiligheid niet van invloed.

NL.IMRO. BOPA-Onderbouwing

Gemeente Hellendoorn

Blad 59 van 66

Nijverdal – Koersendijk 5

Februari 2024 Versie 01

4.10.2.3

Buisleidingen Nabij het projectgebied bevinden zich geen buisleidingen die van invloed zijn op het project.

4.10.2.4

Route gevaarlijke stoffen Er bevinden zich geen transportroutes voor gevaarlijke stoffen in de nabijheid van het projectgebied.

4.10.2.5

Hoogspanningsleidingen Er bevinden zich geen hoogspanningsmasten in de nabijheid van het projectgebied.

4.10.2.6

Conclusie omgevingsveiligheid Nader onderzoek naar het aspect omgevingsveiligheid is niet vereist.

4.11

Trilling

4.11.1

Grondslag Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat.

4.11.2

Toets aan waarden Er zijn in de nabijheid geen bronnen waardoor dit onderzocht zou moeten worden.

4.12

Verkeer en vervoer en parkeren

4.12.1

Grondslag Primair is verkeersveiligheid geregeld in de weg- en verkeerswetgeving (o.a. Wegenverkeerswet). Deze regelgeving maakt geen deel uit van de Omgevingswet. Ook de bekende richtlijnen vanuit het CROW blijven bestaan. De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. Het initiatief dient hieraan getoetst te worden.

4.12.2

Toets aan waarden Om de parkeerbehoefte te bepalen is aan de hand van de ‘1e herziening paraplubestemmingsplan parkeren gemeente Hellendoorn’ de parkeerbehoefte bepaald. Daar hoort onderstaande tabel bij.

NL.IMRO. BOPA-Onderbouwing

Gemeente Hellendoorn

Blad 60 van 66

Nijverdal – Koersendijk 5

Februari 2024 Versie 01

Bij voorliggende woonvorm is het zo dat de bewoners zelf niet in een auto rijden. Zodoende is specifiek voor deze ontwikkeling niet goed gebruik te maken van de gemeentelijke parkeernormen. Voor deze ontwikkeling is het zo dat geen van bewoners auto zal gaan rijden. De verzorgers kunnen wel autorijden. Verder zal er ruimte zijn voor een taxibusjes. Er wordt voorzien in het realiseren van 8 vaste parkeerplekken. Bezoekers van de bewoners, en die zullen niet gelijktijdig voor de 24 woningen komen, kunnen ten dele van de aanwezige parkeerfaciliteiten gebruik kunnen maken en zonodig nog van de parkeervoorziening bij de ingang van de Koersendijk zelf. Vanaf daar is het dan nog circa 50 tot 100 meter lopen alvorens men bij de nieuwe woonvoorziening is.

NL.IMRO. BOPA-Onderbouwing

Gemeente Hellendoorn

Blad 61 van 66

Nijverdal – Koersendijk 5

Februari 2024 Versie 01

4.13

Waterbelang

4.13.1

Grondslag Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: 1. het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; 2. het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en 3. het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool.

Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodige aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie.

4.13.2

Toets aan waarden Op 14 december 2023 is ten behoeve van de ontwikkeling de zogeheten watertoets uitgevoerd via de website www.dewatertoets.nl. Op basis van de ingevoerde gegevens blijkt dat het plangebied zich bevindt binnen het beheersgebied van het waterschap Vechtstromen en dat er sprake is van de ‘normale procedure watertoets’. Bij het watertoetsproces gaat het om het hele proces van vroegtijdig meedenken, informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Waterschap Vechtstromen kijkt wat de invloed van het plan op de waterhuishouding is en geeft een wateradvies. Daarbij toetst het waterschap het plan aan het voorkeursbeleid dat is geformuleerd. Voor het verdere proces is het van belang om de RO adviseur van het waterschap te betrekken bij het plan. Ten behoeve van het aspect water is het volgende van belang.

NL.IMRO. BOPA-Onderbouwing

Gemeente Hellendoorn

Blad 62 van 66

Nijverdal – Koersendijk 5

Februari 2024 Versie 01

Bestaande toestand tot de brand Tot de brand van september 2021 was op het perceel voor 3000 m2 aan bebouwing en erfverharding aanwezig. In de nieuwe situatie zal dat vergelijkbaar zijn, zonodig zelfs iets minder zijn. Ter plaatse is sprake van een ‘vrij verval’ riool. Vrijvervalriolering maakt gebruik van de zwaartekracht om het water naar de plaats van bestemming te laten lopen. De rioolbuizen worden onder een kleine helling aangelegd, waardoor het regen- en afvalwater via natuurlijke stroming de juiste kant op gaat In de nieuwe situatie zal het vuil afvalwater, afkomstig van de 24 wooneenheden met bijbehorende voorzieningen ook weer worden aangesloten op dit vrij verval rioolstelsel. Ten aanzien van hemelwater zal gebruik worden gemaakt van infiltratriekratten en zonodig een oppervlaktewatervoorziening. Gezien het niet toenemen van de oppervlakte aan verharding en bebouwing is het aanleggen van extra water in de vorm van sloten/greppels e.d. niet nodig. 4.14

M.e.r-beoordeling

4.14.1

Grondslag De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er zal niet meer getoetst worden aan de limitatieve lijst van MER-plichtige plannen en programma’s uit de Bijlage bij het Besluit MER. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije MER-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één MER-beoordelingsprocedure.

4.14.2

Toets aan waarden – vormvrije m.e.r.-beoordeling Bij de realisatie van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals de realisatie van woningbouw, kan een m.e.r. nodig zijn. Een m.e.r. is nodig indien er sprake is van ene stedleijk ontwikkelingsproject die betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2°. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat,of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

NL.IMRO. BOPA-Onderbouwing

Gemeente Hellendoorn

Blad 63 van 66

Nijverdal – Koersendijk 5

Februari 2024 Versie 01

Qua aard, omvang en ligging is voorliggend ruimtelijk plan qua omvang bij lange na niet gelijk te stellen aan de betreffende en omschreven activiteit zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. Ook is verder op basis van de uitkomsten in voorliggend ‘Hoofdstuk 4 Aspecten fysieke leefomgeving’ van deze BOPA-Onderbouwing voldoende inzichtelijk gemaakt dat er geen belangrijk nadelige gevolgen zijn voor de omgeving en het milieu. Verder hebben de locatie en de omgeving verder geen bijzondere kenmerken die geschaad worden door het initiatief. De locatie was tot recentelijk ook bebouwd. Gezien de aard van de ingrepen zijn verder geen negatieve effecten te verwachten, zodat op basis hiervan verder kan worden afgezien van het verrichten van een verdergaande (vorm)vrije m.e.r.-beoordeling.

NL.IMRO. BOPA-Onderbouwing

Gemeente Hellendoorn

Blad 64 van 66

Nijverdal – Koersendijk 5

Februari 2024 Versie 01

5

Hoofdstuk 5 Economische uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt de wijze van bekostiging van het initiatief beschreven. Uitgangspunt is dat de kosten die gemaakt worden voor het opstellen van een buitenplanse omgevingsplan activiteit voor rekening komen van de initiatiefnemer.

5.1

Kostenverhaal Daar waar nodig zal op basis van artikel 13.18 het publiekrechtelijke kostenverhaal worden verrekend door middel van een kostenverhaalsbeschikking (artikel 13.18 Ow). Tevens worden voor het in behandeling nemen van en de procesbegeleiding kosten gerekend. Deze worden verrekend via de leges. In de gemeentelijke legesverordening 2024 is opgenomen dat de leges voor een BOPA worden bepaald aan de hand van de bouwkosten. In dit geval worden de kosten voor aanpassing van de openbare ruimte verhaald via een anterieure overeenkomst.

5.2

Nadeelcompensatie Voor iedere buitenplanse omgevingsplan activiteit wordt een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten op basis van art. 4.5 Awb.

NL.IMRO. BOPA-Onderbouwing

Gemeente Hellendoorn

Blad 65 van 66

Nijverdal – Koersendijk 5

Februari 2024 Versie 01

6

Hoofdstuk 6 Maatschappelijke uitvoerbaarheid In dit hoofdstuk wordt de maatschappelijke uitvoerbaarheid beschreven. De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat het project maatschappelijk draagvlak heeft.

6.1

Burgerparticipatie Vanuit de initiatiefnemer zijn de buren en omwonenden uitvoerig over de plannen ingelicht. Er is door de initiatiefnemer een uitvoerig participatieverslag opgesteld en die is beschikbaar en bekend bij de gemeente.

6.2

Procedure Voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) geldt de reguliere procedure. Dit sluit aan bij het uitgangspunt van de Omgevingswet dat bij de verlening van omgevingsvergunningen zoveel mogelijk de reguliere procedure wordt gevolgd. De beslistermijn voor de reguliere procedure is maximaal 8 weken met een mogelijkheid van verlenging met 6 weken. Daarna is er bezwaar en beroep mogelijk.

NL.IMRO. BOPA-Onderbouwing

Gemeente Hellendoorn

Blad 66 van 66

Nijverdal – Koersendijk 5

Februari 2024 Versie 01

Projectgegevens Project Code Projectnummer Versie Datum

RooBeek Advies Nautilusstraat 7b 7821 AG Emmen www.roobeek-advies.nl

NL.IMRO. BOPA-Onderbouwing

: BOPA-Onderbouwing Koersendijk 5 te Nijverdal : : RB 20.230 : 01 : Februari 2024

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14003153/1