Bijlage 2 Voorstel bestemmingsplan
Tekst van het document
uitsluitend zijn toegestaan bedrijfsmatige activiteiten die in de van deze regels deel uitmakende Bijlage 3: Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn aangeduid als categorie 1, of daarmee gelijk kunnen worden gesteld wat betreft de gevolgen voor de omgeving; b. in de omgeving van de betreffende woning mag geen onevenredige vergroting van de verkeers- en parkeerdruk optreden; c. de bedrijfsactiviteiten mogen door hun aard en visuele aspecten, zoals reclame-uitingen en technische installaties, het landelijk karakter van de omgeving niet onevenredig aantasten; d. de gezamenlijke oppervlakte van de bij de desbetreffende woning behorende bijgebouwen en overkappingen mag maximaal 150 m² bedragen, mits de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen niet meer dan 50% van de oppervlakte van het bestemmingsvlak bedraagt.
17
Artikel 6 Wonen-Doorstroomwoningen 6.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen-Doorstroomwoningen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen, b. beroep aan huis, en; c. tuinen en erven. 6.2 Bouwregels a. Voor het bouwen van gebouwen en/of overkappingen gelden de volgende regels 1. Hoofdgebouwen worden uitsluitend binnen het bouwvlak gebouwd; 2. Binnen elk bouwvlak mag het aantal woningen niet meer bedragen dan het aangegeven aantal ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’; 3. De woningen worden aaneen gebouwd; 4. De voorgevel van woningen dient aan de zijde van het bouwvlak met de aanduiding ‘gevellijn’ te worden gebouwd; 5. De inhoud van een woning, althans het hoofdgebouw, mag met toepassing van lid 2.3 omtrent ruimten onder de begane grondvloer niet meer bedragen dan 310 m³; 6. De goot- en bouwhoogte van een woning mogen niet meer bedragen dan respectievelijk 2,75 m en 3,50 m bouwhoogte; b. Voor het bouwen van andere bouwwerken, gelden de volgende regels: 1. de bouwhoogte van erf- en perceelafscheidingen bedraagt niet meer dan: a. 1 m, óf; b. 2 m en 1. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de erf- of perceelafscheiding in functionele relatie staat; 2. achter de voorgevelrooilijn; 2. de bouwhoogte van overige andere bouwwerken bedraagt niet meer dan 3 m c. In voorkomend geval artikel 10 lid 2 (Afstand tot wegen).
Artikel 7 Leiding - Gas 7.1 Bestemmingsomschrijving De voor "Leiding - Gas" aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor aardgastransportleiding en daarbij behorende voorzieningen, met de hartlijn van de leiding uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "hartlijn leiding - gas". 7.2 Bouwregels Op en in de gronden, als bedoeld in lid 7.1, mogen, in afwijking van het bepaalde ten aanzien van de andere bestemmingen, uitsluitend bouwwerken ten behoeve van de betreffende leiding worden gebouwd. 7.3 Afwijken van de bouwregels bouwen overeenkomstig de andere bestemmingen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 7.2, ten behoeve van het bouwen overeenkomstig de betreffende andere bestemming van deze gronden, mits: a. hierdoor geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van en de veiligheidssituatie rond de betreffende leiding en b. ter zake daarvan vooraf advies van de leidingbeheerder is ingewonnen. 18
7.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Behoudens het bepaalde in lid 7.1, is het verboden zonder een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning werken en werkzaamheden) de hierna aangegeven werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te voeren op en in de gronden als bedoeld in lid 7.1: a. het aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; b. het uitvoeren van graafwerkzaamheden anders dan normaal spit- en ploegwerk; c. het verlagen van de bodem en afgraven, ophogen en egaliseren van gronden. 7.5 Uitzondering omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden Het in lid 7.4 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van: a. werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud; b. werken en werkzaamheden, waarmee is of mag worden begonnen ten tijde van het onherroepelijk worden van de goedkeuring van het plan. 7.6 Toelaatbaarheid van werken en werkzaamheden Werken en werkzaamheden als bedoeld in lid 7.4, zijn slechts toelaatbaar, indien door de uitvoering daarvan, dan wel de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen: a. geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van en de veiligheidssituatie rond de betreffende leiding en b.
ter zake daarvan vooraf advies van de desbetreffende leidingbeheerder is ingewonnen.
8. Leiding-Riool 8.1 Bestemmingsomschrijving De voor "Leiding - Riool" aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor rioolpersleiding en daarbij behorende voorzieningen, met de hartlijn van de leiding uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "hartlijn leiding - riool". 8.2 Bouwregels Op en in de gronden als bedoeld in lid 8.1, mogen, in afwijking van het bepaalde ten aanzien van de andere bestemmingen, uitsluitend bouwwerken ten behoeve van de betreffende leiding worden gebouwd. 8.3 Afwijken van de bouwregels bouwen overeenkomstig de andere bestemmingen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 8.2, ten behoeve van het bouwen overeenkomstig de betreffende andere bestemming van deze gronden, mits: a. hierdoor geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van en de veiligheidssituatie rond de betreffende leiding en b. ter zake daarvan vooraf advies van de leidingbeheerder is ingewonnen.
19
8.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Behoudens het bepaalde in lid 8.5, is het verboden zonder een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning werken en werkzaamheden) de hierna aangegeven werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te voeren op en in de gronden als bedoeld in lid 8.1: a. het aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen; b. het uitvoeren van graafwerkzaamheden anders dan normaal spit- en ploegwerk; c. het verlagen van de bodem en afgraven, ophogen en egaliseren van gronden. 8.5 Uitzondering omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden Het in lid 8.4 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van: a. werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud; b. werken en werkzaamheden, waarmee is of mag worden begonnen ten tijde van het onherroepelijk worden van de goedkeuring van het plan. 8.6 Toelaatbaarheid van werken en werkzaamheden Werken en werkzaamheden als bedoeld in lid 8.4, zijn slechts toelaatbaar, indien door de uitvoering daarvan, dan wel de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen: a. geen blijvend onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de belangen van en de veiligheidssituatie rond de betreffende leiding en b.
ter zake daarvan vooraf advies van de desbetreffende leidingbeheerder is ingewonnen.
3 Algemene regels Artikel 9 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 10 Algemene bouwregels 10.1 Bestaande afmetingen en afstanden a. In die gevallen dat de bestaande goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud of afstand tot enige grens van bouwwerken, die rechtens, in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet tot stand zijn gekomen, minder dan wel meer bedraagt dan in de bouwregels in regels hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, geldt die goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud of afstand in afwijking daarvan als minimaal respectievelijk maximaal toegestaan; b. De onder a. genoemde bepaling geldt niet voor gebouwen die in het kader van voorliggend plan gesloopt dienen te worden zoals aangegeven in Bijlage 2: Sloopopgave.
20
10.2 Afstanden tot wegen 10.2.1 Afstand tot wegen Onverminderd het overige in deze regels met betrekking tot het bouwen bepaalde, mogen op en in gronden die grenzen aan de gronden als bedoeld in artikel 15 van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2009' (Verkeer - Wegverkeer), binnen 20 meter, loodrecht gemeten uit de as van de weg, uitsluitend andere bouwwerken worden gebouwd. 10.2.2 Afwijken afstand tot wegen Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, na advies te hebben ingewonnen van de desbetreffende wegbeheerder omtrent de aanvaardbaarheid daarvan uit het oogpunt van wegbeheer en verkeersveiligheid, met een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in artikel 9 lid 2.1 ten behoeve van het bouwen op een kleinere afstand tot de as van de weg.
Artikel 11 Algemene gebruiksregels 11.1 Vormen van verboden gebruik Een verboden gebruik is in ieder geval: a. het gebruik van bebouwde en onbebouwde gronden ten behoeve van een seksinrichting, behoudens in het geval dat gebruik uitdrukkelijk is toegestaan; b. het gebruik van onbebouwde gronden: 1. als stand- of ligplaats van onderkomens, tenzij dit gebruik verband houdt met het op de bestemming gerichte beheer van de gronden; 2. als opslag-, stort- of bergplaats van machines, voer- en vaartuigen en andere al of niet afgedankte stoffen, voorwerpen en producten, tenzij dit gebruik verband houdt met het op de bestemming gerichte beheer van de gronden; 3. het gebruik als paardenbak; c.
het openstellen van (struin)paden in weidevogel- en ganzengebieden in het broedseizoen (15 maart tot 15 juli).
11.2 Uitoefening beroep aan huis in en bij een woning Het gebruik van een woning, waaronder begrepen een bedrijfswoning, en daarbij behorende bijgebouwen voor de uitoefening van een beroep aan huis is toegestaan, mits de gezamenlijke brutovloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van het beroep aan huis, in voorkomend geval samen met de vloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van beroeps- en bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel 11 lid 3 niet meer bedraagt dan 30% van de totale brutovloeroppervlakte van de betreffende woning en de daarbij behorende bijgebouwen, en ieder geval niet meer dan 60 m². 11.3 Afwijken van de bouwregels beroeps- en bedrijfsactiviteiten aan huis Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in artikel 11 lid 2 ten behoeve van de uitoefening van beroeps- en bedrijfsactiviteiten, andere dan een beroep aan huis, in een woning en daarbij behorende bijgebouwen, mits: a. het betreft beroeps- en bedrijfsactiviteiten, die in de van deze regels deel uitmakende Bijlage 3: Staat van Bedrijfsactiviteiten zijn aangeduid als categorie 1 en 2, of daarmee gelijk kunnen worden gesteld wat betreft hun gevolgen voor de omgeving; b. het geen horeca of detailhandel betreft, behoudens detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit van de ter plaatse uitgeoefende beroeps- of bedrijfsactiviteit, c.
de gezamenlijke brutovloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van beroeps- en bedrijfsactiviteiten binnen een woning en de daarbij behorende bijgebouwen, in voorkomend geval samen met de brutovloeroppervlakte ten behoeve van de uitoefening van een beroep aan huis als bedoeld in artikel 11 lid 2 niet meer bedraagt dan 30% van de totale 21
brutovloeroppervlakte van de betreffende woning en de daarbij behorende bijgebouwen, en ieder geval niet meer dan 60 m²; d. op de bij de betreffende woning behorende gronden geen buitenopslag van goederen ten behoeve van de beroeps- en bedrijfsactiviteiten plaatsvindt; e. in de omgeving van de betreffende woning geen onevenredige vergroting van de verkeers- en parkeerdruk optreedt, met dien verstande dat: 1. het parkeren ten behoeve van de beroeps- en bedrijfsactiviteiten op eigen terrein dient plaats te vinden, en 2. behoudens in- en uitladen, geen beroeps- en bedrijfsactiviteiten in de openbare ruimte rond de betreffende woning mogen plaatsvinden, en f. de beroeps- en bedrijfsactiviteiten door hun aard en visuele aspecten, zoals reclame-uitingen en technische installaties, het landelijk karakter van de omgeving niet onevenredig aantasten. 11.4 Afwijken van de bouwregels paardenbak Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in artikel 11 lid 1 sub 2 onder 3, ten behoeve van het gebruiken van gronden als bedoeld in Artikel 5 Wonen, als paardenbak en het aldaar bouwen van andere bouwwerken ten dienste daarvan, met inachtneming van de volgende bepalingen: a. bij eenzelfde woning is ten hoogste één paardenbak toegestaan, b. de paardenbak dient in de onmiddellijke nabijheid van de betreffende woning te worden gesitueerd; c.
de bouwhoogte van andere bouwwerken mag niet meer dan 1,5 m bedragen; d. de ter plaatse dan wel in de directe nabijheid voorkomende landschaps- en natuurwaarden mogen niet onevenredig worden aangetast; e. ter bewerkstelliging van een redelijke visuele inpassing van een en ander in het landschap kunnen eisen worden gesteld betreffende situering en afscherming door beplanting of anderszins.
Artikel 12 Algemene afwijkingsregels Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met een omgevingsvergunning af te wijken van het plan: a. ten behoeve van het bouwen van niet voor bewoning bestemde bouwwerken voor nutsvoorzieningen, zoals gasdrukregelstations, wachthuisjes, fietsenstallingen, telefooncellen en transformatorhuisjes, uitgezonderd verkooppunten voor motorbrandstoffen, waarvan de oppervlakte niet meer dan 25 m², de goothoogte niet meer dan 3 m en de bouwhoogte niet meer dan 5 m mag bedragen; b. ten behoeve van het bouwen van niet voor bewoning bestemde bouwwerken voor ecologische voorzieningen, zoals uitkijkpunten en observatiehutten, waarvan de oppervlakte niet meer dan 25 m² en de bouwhoogte niet meer dan 12 m mag bedragen; c. indien en voor zover afwijkingen ten aanzien van de ligging van bestemmings-, bouw- en aanduidingsgrenzen noodzakelijk zijn ter aanpassing van het plan aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein, of uit oogpunt van doelmatig gebruik van gronden en bebouwing, mits die afwijkingen ten opzichte van hetgeen is aangegeven niet meer dan 5 m bedragen; d. voor afwijkingen van bepalingen, gesteld ten aanzien van maten en percentages, tot ten hoogste 10% van de in het plan aangegeven maten en percentages; e. ten behoeve van het bouwen van antennemasten tot een bouwhoogte van maximaal 40 m.
Een omgevingsvergunning wordt niet verleend indien: a. daardoor op enig aangrenzend terrein de realisering van het bestemmingsplan wordt belemmerd; b. daardoor onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende erven.
22
Artikel 13 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden 13.1 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden Behoudens het bepaalde in lid 13.2, is het verboden zonder een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning werken en werkzaamheden) op en in de hierna aangegeven gronden de daarbij aangegeven werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden uit te voeren: werken en werkzaamheden* gronden ter plaatse van de aanduiding:
a
b
c
d
milieuzone - hydrologische bufferzone
+
+
+
+
e
g +
karakteristiek
+
specifieke vorm van waarde - kleinschalig landschap
+
+
specifieke vorm van waarde - kwelafhankelijke slootkantvegetatie
+
+
+ +
+
specifieke vorm van waarde - openheid specifieke vorm van waarde - reliëf
f
+
+ +
+
+
Groen - Landschapselement
+
+
+
+
+
Natuur
+
+
+
+
+
gronden met de bestemming:
* de onderstaande letters worden hierna verklaard; in de tabel is: + = omgevingsvergunning werken en werkzaamheden vereist a
aanleggen en verharden van wegen en paden en het aanleggen of aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen
b
verlagen van de bodem en afgraven van gronden, tenzij daarvoor een vergunning is vereist krachtens de Ontgrondingenwet, en het ophogen en egaliseren van de gronden
c
aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- en telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur
d
diepploegen, zijnde het extra diep - meer dan circa 0,4 m - omploegen
e
bebossen of anderszins beplanten met houtopstanden, waaronder begrepen het kweken en telen van bomen, struiken en heesters
f
geheel of gedeeltelijk slopen
g
aanleggen van greppels en drainagesystemen
13.2 Uitzondering omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden Het in lid 13.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van de volgende werken en werkzaamheden: a. werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud; 23
b. werken en werkzaamheden, waarmee krachtens een aanlegvergunning of een omgevingsvergunning is of mag worden begonnen ten tijde van het onherroepelijk worden van de goedkeuring van het plan; c. werken en werkzaamheden die worden uitgevoerd ter ontwikkeling van landschaps- en natuurwaarden; d. werken en werkzaamheden op en in gronden die binnen agrarische bouwvlakken zijn begrepen; e. werken en werkzaamheden als bedoeld in lid 13.1, bij a, voor zover het betreft kavelpaden en in- of uitritten met per geval een oppervlakte van maximaal 60 m²; f. werken en werkzaamheden als bedoeld in lid 13.1, bij b, voor zover het betreft het aanleggen van poelen tot een inhoud van maximaal 500 m³; g. werken en werkzaamheden als bedoeld in lid 13.1, bij d, voor zover daarvoor een omngevingsvergunning voor het bouwen is vereist; h. werken en werkzaamheden die worden uitgevoerd in het kader van of via een verleende subsidie op basis van het Natuurgebiedsplan Overijssel. 13.3 Toelaatbaarheid werken en werkzaamheden Werken en werkzaamheden als bedoeld in lid 13.1, zijn slechts toelaatbaar, indien door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, een of meer waarden of functies van de in die artikelen bedoelde gronden, welke het plan beoogt te beschermen, a. niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel b.
de mogelijkheden voor het herstel van die waarden of functies niet onevenredig worden of kunnen worden verkleind, met dien verstande dat werken en werkzaamheden als bedoeld in lid 13.1, onder f, slechts toelaatbaar zijn, indien hetzij aannemelijk is gemaakt dat herbouw van het object met dezelfde karakteristieken zal plaatsvinden, hetzij er, naar het oordeel van burgemeester en wethouders, geen mogelijkheid is om verval van het object tegen te gaan. 13.4 In te winnen adviezen Alvorens een omgevingsvergunning werken en werkzaamheden te verlenen als bedoeld in lid 13.1, winnen burgemeester en wethouders advies in van een door hen aan te wijzen ter zake deskundige, ingeval ze advies nodig achten.
Artikel 14 Overige regels 14.1 Voorwaardelijke verplichting - landschappelijke inpassing a. Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van nieuwe hoofdgebouwen overeenkomstig de in artikel 6 lid 1 opgenomen bestemmingsomschrijving zonder de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het in Bijlage 1: Erfinrichtingsplan opgenomen erfinrichtingsplan, teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing; b. In afwijking van het bepaalde onder a mogen gronden en bouwwerken overeenkomstig de in artikel 6 lid 1 opgenomen bestemmingsomschrijving worden gebruikt, uitsluitend indien en voor zover binnen een termijn van 24 maanden na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de nieuwe hoofdgebouwen uitvoering wordt gegeven aan de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het in Bijlage 1: Erfinrichtingsplan opgenomen erfinrichtingsplan teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing. 14.2 Afwijken van de voorwaardelijke verplichting Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 14 lid 1, waarbij andere landschapsmaatregelen getroffen worden, met dien verstande dat deze 24
minimaal gelijk zijn aan de genoemde landschapsmaatregelen als gesteld in het landschappelijk inpassingsplan, zoals opgenomen in Bijlage 1: Erfinrichtingsplan. Verder geldt het volgende: a. er wordt voorzien in een minimaal gelijk beschermingsniveau van de landschappelijke waarde als gesteld in het erfinrichtingsplan; b. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in de omgeving aanwezige functies en waarden; c. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de in het geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en (agrarische) bedrijven. 14.3 Voorwaardelijke verplichting - sloopopgave Tot en met de bestemming strijdig gebruik wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van nieuwe hoofdgebouwen overeenkomstig de in artikel 6 lid 1 opgenomen bestemmingsomschrijving zonder de afgeronde sloop van de gebouwen conform de in Bijlage 2: Sloopopgave opgenomen sloopopgave binnen 12 maanden na onherroepelijk worden van dit bestemmingsplan. 14.4 Voldoende parkeergelegenheid Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of een omgevingsvergunning voor het wijzigen van het gebruik dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor motorvoertuigen op het eigen terrein dat bij het bouwwerk of terrein waarvoor vergunning wordt verleend, behoort.
Daarbij moet worden voorzien in parkeergelegenheid overeenkomst de normering als vermeld in Bijlage 4: Parkeernormen "Nota parkeernormen" vastgesteld door de raad op 21 september 2021. Indien de beleidsnota Nota parkeernormen wordt gewijzigd, moet rekening worden gehouden met deze wijziging. 14.5 Afwijken ten aanzien van parkeren Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 14 lid 4 ten behoeve van normen voor het parkeren overeenkomstig de flexibiliteit en uitzonderingen als vermeld in Bijlage 4: Parkeernormen "Nota parkeernormen" vastgesteld op 21 september 2021. Indien deze "Nota parkeernormen' wordt gewijzigd, moet rekening worden gehouden met deze wijziging. 14.6 Laden en lossen Indien de bestemming van een bouwwerk of een terrein aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte voor het laden of lossen van goederen moet, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of een omgevingsvergunning voor het wijzigen van het gebruik, op het eigen terrein worden voorzien in voldoende ruimte voor het laden en lossen.
14.7 Voldoende infiltratie van hemelwater op eigen terrein Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen of uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, dient te worden voorzien in voldoende infiltratie van hemelwater op eigen terrein conform de eisen gesteld in het beleidsplan "Samen leven met water 2021-2025, gemeente Hellendoorn". De regels hiertoe zijn vermeld in Bijlage 5: Handleiding Watertoets 2020 bij deze regels. Indien de betreffende regels gedurende de planperiode wijzigen, gelden de gewijzigde regels.
25
4 Overgangs- en slotregels Artikel 15 Overgangsrecht 15.1 Overgangsrecht bouwwerken 15.1.1 Bouwwerken Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 15.1.2 Afwijken van de bouwregels vergroting bouwwerken Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van het gestelde in artikel 15 lid 1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in artikel 15 lid 1.1 met maximaal 10%. 15.1.3 Uitsluiting bouwwerken artikel 15 lid 1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd zijn met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
15.2 Overgangsrecht gebruik 15.2.1 Gebruik Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 15.2.2 Verandering gebruik Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in artikel 15 lid 2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 15.2.3 Verbod hervatting strijdig gebruik Indien het gebruik, bedoeld in artikel 13 lid 2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 15.2.4 Uitsluiting gebruik artikel 15 lid 2.1, is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 16 Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'Doorstroomwoningen Haarlerveldweg 6-8 Haarle" van de gemeente Hellendoorn.
26
Bijlagen Bijlage 1: Erfinrichtingsplan Bijlage 2: Sloopopgave Bijlage 3: Staat van Bedrijfsactiviteiten Bijlage 4: Nota Parkeernormen Bijlage 5: Handleiding Watertoets 2020
27
Bosplantsoen 700 stuks Extensief gras met bloemrijkmengsel
Parkeerplaatsen 11 stuks Bosplantsoen 380 stuks
Bosplantsoen 140 stuks