CConstaterende datHeiloo
Koppel je AI →
Document · PDF

Reconstructie Vennewatersweg_Toelichting_Bijlage 14 Ecologisch Activiteitenplan

Raadsvergadering 15 december 2025, gemeente HeilooBij agendapunt: Bestemmingsplan Reconstructie Vennewatersweg13.104 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

3.2.1

Rugstreeppad

Omdat de aanwezige voortplantingspoelen op gepaste afstand (10 tot 250m) van het plangebied liggen en zullen deze niet aangetast worden door de herinrichting. Tevens blijven de poelen tijdens de werkzaamheden toegankelijk. De bekende overwinteringslocatie (het spoortalud) bevindt grotendeels ten oosten van het perceel met poel aan de Westerweg 405. Hierdoor blijft de poel op deze locatie ook tijdens de werkzaamheden deels bereikbaar. Voor het perceel aan de Westerweg 405 geldt dat de aanwezige houtwal kan fungeren als overwinteringslocatie evenals de houtsingel in het verlengde van de Vennewatersweg tussen de Hoogeweg en Kennemerstraatweg. Er kan niet worden uitgesloten dat de dieren zich gedurende de winterrust in de houtwal verborgen houden in zelf gegraven holen, holen van knaagdieren, onder aanwezige stenen of takken. Het kappen van de houtwal leidt daarmee tot het permanent vernietigen van een vaste rust- of verblijfplaats van de rugstreeppad. Dit is een overtreding van artikel 3.5, lid 4 van de Wnb. Indien er met de kapwerkzaamheden geen rekening wordt gehouden met de rugstreeppad, kunnen deze werkzaamheden ook leiden tot het doden en verstoren van individuen van de rugstreeppad. Hiermee is sprake van overtreding van art. 3.5, lid 1 en 2 van de Wnb.

25

Tabel 4. Overzicht effecten voor de Rugstreeppad.

Fase werkzaamheden

Effecten Rugstreeppad

Bouwrijp maken plangebied

verstoren of doden van individuen

Realisatie van weg

van

verbreding

Rooien houtsingel Westerweg en west van Hoogeweg

Aantasting van winterhabitat

3.2.2 Bunzing & Boommarter Nieuwbouwwijken zijn ongeschikt als foerageer- en leefgebied voor deze soorten. Door de omvorming tot nieuwbouwwijk gaat Zuiderloo grotendeels als jacht- en leefgebied van beide soorten verloren. In het kader van compensatie voor het verdwijnen van leefgebied in Zuiderloo zijn destijds maatregelen getroffen ter verbetering/optimalisatie van het leefgebied. Zo zijn in potentieel leefgebied extra verblijfplaatsen gerealiseerd en de historische houtwallen worden behouden en versterkt met takkenrillen. Recentelijke ruimtelijke ontwikkelingen in de nabije omgeving van Zuiderloo, ten behoeve van de uitvoering van het project A9-Aansluiting Heiloo, heeft al eerder de lokale populatie van de Bunzing in de weg gezeten (Arcadis, 2019). Daarom is het van groot belang is dat deze lokale populatie, na de in Zuiderloo voorgenomen plannen, nog genoeg leefgebied wordt geboden om te kunnen blijven voortbestaan. Zeker met de plannen van Zandzoom in gedachten. De autowegen vormen barrières voor kleine marters. De A9 is zonder twijfel de sterkste barrière in de omgeving waarvan de doorstroming niet zo makkelijk verbeterd kan worden. . De doorstroom van buiten- naar binnengebied zal het sterkst tegengewerkt worden door autowegen, zo ook door de Vennewatersweg.

De reconstructie van de Vennewatersweg zorgt dus tevens voor extra druk op de verplaatsingsmogelijkheden van populatie en een verhoogd risico op verkeersslachtoffers. Voor marterachtigen is het verkeer namelijk de belangrijkste doodsoorzaak. De voorgenomen ingreep kan ertoe leiden dat de al geringe aanwezige populatie verloren dreigt te gaan door aanrijding. Daarnaast zijn structuren en jachtgebied door de realisatie van Zuiderloo sterk verminderd waardoor de singels langs de Vennewatersweg van extra belang zijn voor zowel de migratie tussen leefgebieden van oost naar west (bv tussen de Zuiderneg en het Oosterbos) als vaste rust- en voortplantingslocaties. Het verwijderen van extra groen bij de beoogde wegen en de rotondes zal dan ook zorgen voor grotere onderbrekingen en bemoeilijkt daarmee de migratie tussen leefgebieden. Hiermee wordt een essentiële migratieroute onbruikbaar gemaakt, waardoor vaste voortplantings- of rustplaatsen niet toegankelijk meer zijn (en tevens geen geschikte alternatieve route is) en daardoor indirect worden aangetast. Het doden van individuen betreft een overtreding van artikel 3.10, lid 1 onderdeel a en het aantasten van vaste rust- en verblijfplaatsen van artikel 3.10, lid 1 onderdeel b.

26

Tabel 5: Overzicht effecten voor de Bunzing/Boommarter.

Fase werkzaamheden

Effecten Bunzing & Boommarter

Bouwrijp maken plangebied

Het verwijderen van de bomenrij aan de Vennewatersweg zal een aantasting zijn op de corridorfunctie. Alleen door de versterking van de houtwallen en aanleg van marterpassages onder kruisende wegen zullen verbindingsroutes aanwezig blijven. Binding met jachtgebieden buiten Zuiderloo en Zandzoom is belangrijk voor een blijvende aanwezigheid.

Realisatie van verbreding van weg

Drukkere weg zal resulteren in meer verkeersslachtoffers. Aanleg faunapassages zullen dit probleem onderscheppen.

3.2.3 Vleermuizen Een toenemend verkeersdrukte zal weinig tot geen effect hebben op de vleermuizen. Van grotere invloed is de verlichting. Indien de huidige verlichting van de Vennewatersweg wordt vervangen door nieuw straatverlichting met een hogere lichtintensiteit dan zal wel sprak zijn van meer verstoring en versterking van de barrièrewerking. Echter de staat van instandhouding wordt hierdoor niet aangetast en ook mortaliteit zal niet toenemen.

3.3 Toekomstige situatie 3.3.1 Rugstreeppad Door de bouw van de nieuwbouwwijk Zuiderloo en met de komst van Zandzoom, staat het leefgebied van Rugstreeppad in dit gebied onder druk. Echter met de reeds genomen aanvullende maatregelen is ervoor gezorgd dat de Rugstreeppad nieuw voortplantingsgebied en leefgebied krijgt en is het voorkomen van deze soort in Zuiderloo bewerkstelligd. Met de huidige ontwikkelingen bij de Vennewatersweg in het vizier wordt het in stand houden van deze populatie bemoeilijkt, omdat uitwisseling met andere populaties noodzakelijk is voor genetische uitwisseling. De verbreding van de weg zorgt voor extra barrière en kan uitwisseling belemmeren. Dit kan worden weggenomen door een blijvende verbinding te creëren (in de vorm van (half)droog liggende tunnelbuizen) met in ieder geval de sleutelpopulatie aan de Oosterzijweg. Tevens dient winterhabitat te worden gecompenseerd, waardoor achteruitgang van leefgebied niet aan de orde zal zijn.

3.3.2 Bunzing en boommarter Eerder was al te lezen dat de recentelijke ontwikkelingen in Zuiderloo het leefgebied van de Bunzing en Boommarter doen laten krimpen en ze verdrukken uit het gebied. Boommarters jagen tussen de bomen, maar vaker nog speuren ze naar muizen op de grond. Daarbij belanden ze nogal eens op een weg. Hun uitgebreide territoria wordt vaak ook door wegen doorsneden. En jonge dieren die op zoek moeten naar een eigen leefgebied, passeren daarbij eveneens de nodige wegen. Al die bewegingen zorgen ervoor dat Boommarters regelmatig worden doodgereden. De reconstructie van de Vennewatersweg zorgt voor extra verkeersdruk en kan daarom ertoe leiden dat de al kleine populatie verloren dreigt te gaan door aanrijding.

27

Om de Bunzing en Boommarter in Zuiderloo veilig te stellen is het belangrijk dat er voldoende corridors aanwezig, in de vorm van ecoducten/marterpassages, zodat de soorten van hun vaste rust- en verblijfplaatsen (die wel op rustige plekken in woonwijken kunnen liggen of net buiten Heiloo) naar de jachtgronden kan komen. De historische houtwallen en nieuw aangelegde groenstructuren langs de Vennewatersweg kunnen als corridor dienen. Door aanleg van wegpassages en kleine bosschages blijft de corridorroute parallel aan de Vennewatersweg behouden voor de Bunzing en Boommarter, en kunnen de dieren tevens een veilige oversteek maken naar verblijfplaatsen.

3.3.3 Vleermuizen Ter verbetering van het plangebied voor vleermuizen (en andere fauna) kan volstaan worden met enkele eenvoudige maatregelen in de vorm van aangepaste verlichting. Felle verlichting verandert nacht in dag en verstoort het biologische ritme voor dieren en mensen. Verstandig gebruik maakt het, met de huidige technologie, mogelijk om lichtvervuiling te minimaliseren en toch voldoende verlichting te bieden. Dimmers en sensoren kunnen ervoor zorgen dat het niveau van kunstlicht nauwkeurig kan worden gecontroleerd, wat de hinder voor dieren in het wild vermindert. Positionering heeft ook een impact - door lichtbronnen dicht bij elkaar te plaatsen en ze naar een lager luxniveau te dimmen, kan de impact op de directe omgeving aanzienlijk verminderen. En de lichttemperatuur maakt ook een enorm verschil. De nieuwe straatverlichting kan voorzien worden van speciale fauna led-verlichting om dit te bewerkstelligen. Let op de groene led-verlichting is gunstig voor trekvogels (geen aantrekking) maar voor vleermuizen en andere fauna is amberkleurige LED gewenst. Dit verstoort hun natuurlijke gedrag minimaal. Bovendien kan gekozen worden voor armaturen die geen licht uitstralen naar boven of achterliggende houtwallen maar uitsluitend op de weg schijnen.

Figuur 8. Voorbeeld van vleermuisvriendelijke Led-verlichting.

28

4 MAATREGELEN PER SOORT De nadelige effecten op aanwezige beschermde soorten kunnen met behulp van voorzorgsmaatregelen of mitigerende maatregelen en compenserende maatregelen voorkomen worden. Mitigerende maatregelen dienen voorafgaand aan en tijdens de werkzaamheden uitgevoerd te worden en voorkomen dat verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming overtreden worden. Onder mitigatie wordt verstaan het voorkomen of reduceren van de negatieve effecten van een besluit of feitelijk handelen door het treffen van maatregelen. Mitigatie heeft enkel en alleen betrekking op maatregelen en effecten binnen het gebied van het ruimtelijk plan. Compenserende maatregelen omvat het creëren van nieuwe waarden die gelijk zijn aan de waarden die verloren (dreigen te) gaan. Indien die waarden onvervangbaar zijn, heeft de compensatie betrekking op het creëren van zo gelijk mogelijke waarden. Compensatie vindt plaats binnen het plangebied, maar indien niet mogelijk dan vindt het plaats binnen het leefgebied van de getroffen soorten.

4.1

Maatregelen ten gunsten van de Rugstreeppad

Het kappen van de bomensingel (winterhabitat) langs de Vennewatersweg en bij het perceel Westerweg 405 zal leiden tot het vernietigen van vaste rust- en verblijfplaatsen (winterhabitat) (overtreding artikel 3.5, lid 4) en tevens tot het doden en verstoren van individuen van de Rugstreeppad (overtreding artikel 3.5, lid 1 en 2). Fase werkzaamheden

Effecten Rugstreeppad

Bouwrijp maken plangebied

verstoren of doden van individuen

Realisatie van weg

4.1.1

van

verbreding

Rooien houtsingel Westerweg en west van Hoogeweg

Aantasting van winterhabitat

Werken buiten kwetsbare periode en voorzichtig handelen

Het doden en verstoren van Rugstreeppadden kan voorkomen worden door de werkzaamheden te plannen op het moment dat individuen niet aanwezig zijn in het plangebied (winterperiode) en door een aangepaste werkwijze te volgen. Hiervoor dienen de volgende voorzorgsmaatregelen in acht te worden genomen:

1. Werken buiten de kwetsbare periode Het rooien van houtwal kan in de maanden april tot medio oktober, buiten de kwetsbare winterperiode van de soort.

2. Voorzichtig te werk gaan Door voorzicht te kappen op een diervriendelijke manier. Dat kan door: - Het terrein niet met machines betreden en; - Handmatig te werk te gaan (één a twee personen met een kettingzaag).

29

4.1.2 Ontoegankelijk maken van het plangebied Kolonisatie van de Rugstreeppad in het plangebied tijdens de werkzaamheden leidt tot het (tijdelijk) moeten stilleggen van de werkzaamheden omdat dit tot gevolg heeft dat individuen gedood of verstoord worden (overtreding artikel 3.5, lid 1 en 2). Om kolonisatie van het plangebied te voorkomen moeten voorzorgsmaatregelen worden getroffen. Door het gebied waar de werkzaamheden plaats gaan vinden ontoegankelijk te maken voor de soort, bijvoorbeeld door rondom het terrein amfibiewerende schermen te plaatsen van stevig plastic dat 50 cm boven de grond uitsteekt en minimaal 10 cm in de grond is ingegraven. Voor deze maatregel geldt dat : • •

•

De maatregel bij voorkeur door een specialistisch bedrijf dient te worden uitgevoerd; De amfibiewerende schermen vóór 15 maart van het jaar van uitvoering gerealiseerd dienen te zijn en in elk geval tot en met afronding van de werkzaamheden moeten worden gehandhaafd; De continuïteit van de werking van de afscherming aantoonbaar moet worden gemaakt door deze frequent te controleren.

4.1.3 Alternatief habitat creëren Het kappen van de bomensingel aan Westerweg 405 en de bomenrij tussen Westerweg en Kennemerstraatweg heeft permanente vernietigen van een vaste rust- of verblijfplaats van de Rugstreeppad tot gevolg. Hiervoor zijn geen voorzorgsmaatregelen te treffen en moeten dus compenserende maatregelen getroffen worden, namelijk: Rugstreeppadden overwinteren altijd op het land, ingegraven in losse grond maar buiten bereik van het grondwater. Rugstreeppadden overwinteren in (semi-) natuurlijke holtes tot 60-180 cm diep zijn. Vaak kruipen ze weg in puinhopen en onder stenen en boomstammen, holen van kleine zoogdieren, in zandige bodems en diep in de vegetatie. In agrarisch leefgebied zijn ze ’s winters vaak te vinden in en om de boerderijen waar zich droogblijvende schuilplaatsen bevinden. Nieuwe winterverblijfplaatsen kunnen gerealiseerd worden doormiddel van de aanleg van: • Stenen- of houtstapels; • Losgrondige, zandige heuvels; • Tegelpaden. In kader van de compensatie van de corridor voor marterachtigen zal een houtwal en takkenril worden aangelegd (zie Figuur 10 & Figuur 15) deze zal tevens een geschikte overwinteringslocatie zijn voor de Rugstreeppad, die tevens veel overeenkomst heeft met de oorspronkelijke overwinteringslocatie. Dit compensatiegebied is uiterlijk voor de kap van de bomenrij gerealiseerd.

Het definitieve ontwerp van deze zone is op dit moment nog niet concreet, maar de richtlijnen zijn wel bekend (zie Figuur 15). Daarnaast zijn er meerdere uitwijkmogelijkheden voor de soort aanwezig in de directe omgeving, zoals aangelegde zandheuvels in Zuiderloo en winterhabitat bij Oosterzijde.

30

4.2 Maatregelen ten gunste van de Bunzing & Boommarter De bomensingel langs de Vennewatersweg heeft een corridorfunctie1 tussen twee leefgebieden van de marter, waarmee deze corridor van essentieel belang is voor de lokale ‘Staat van Instandhouding’ van deze soort. Met het kappen van deze singel komt aantasting van essentiële migratieroute tot stand, waarmee indirect vaste rust- en verblijfplaatsen (overtreding artikel 3.10, lid 1 onderdeel b) worden vernietigd (wegens het onbereikbaar maken hiervan) en mogelijk ook het doden van individuen (overtreding artikel 3.10, lid 1 onderdeel a). Fase werkzaamheden

Effecten Bunzing & Boommarter

Bouwrijp maken plangebied

Het verwijderen van de bomenrij aan Vennewatersweg zal aantasting zijn op de corridorfunctie. Alleen door de versterking van de houtwallen en aanleg van marterpassages onder kruisende wegen zullen verbindingsroutes aanwezig blijven. Binding met jachtgebieden buiten Zuiderloo en Zandzoom is belangrijk voor een blijvende aanwezigheid.

Realisatie van verbreding van weg

Drukkere weg zal resulteren in meer verkeersslachtoffers. Aanleg faunapassages zullen dit probleem onderscheppen.

4.2.1 Voorzichtig handelen Voor ‘andere soorten’ betreft het verstoren van individuen geen wetsovertreding, enkel het doden van individuen is een overtreding. Aangezien er geen vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig zijn in de houtsingels, is er geen risico op doding van hulpbehoevende jonge marters en is het niet noodzakelijk om werkzaamheden buiten de voortplantingsseizoen te plannen of om vooraf potentiële verblijfplaatsen te verwijderen (deze zijn niet aanwezig). Echter dient wel met enige voorzichtigheid gewerkt te worden om verwonding of doding van aanwezige individuen te voorkomen. Wanneer de houtwal wordt gekapt dient dit onder ecologische begeleiding te gebeuren waarbij bomen als eerst worden gekapt. Hierbij wordt één kant op gewerkt. Ook bij het verwijderen van de opgaande groenstructuren wordt zoveel mogelijk één richting op gewerkt, zodat vluchtgelegenheid aanwezig is. Wanneer alle bomen zijn gekapt, kan met enige voorzichtigheid lagere beplanting worden weggehaald, zoals struikgewassen. Ondanks dat de Bunzing en Boommarter de singel alleen als corridor gebruiken en er dus geen juveniele marters zullen achterblijven, bestaat de mogelijkheid dat aanwezige marters door de verstoring al zijn verdwenen uit het plangebied, echter dient te alle tijden voorzichtig te worden gehandeld.

4.2.2 Nieuwe groenstructuur creëren Door het verwijderen van een essentiële migratieroute in de vorm van onder andere groenstructuren, wordt het functioneel leefgebied van de Bunzing en deels ook voor de Boommarter aangetast. Ter compensatie van de houtsingel die langs de Vennewatersweg wordt gekapt, zal vervangende groenstructuren aangeboden moeten worden die de oost-west migratie in stand houdt. Het te verwijderen groen dient voor start van de werkzaamheden gecompenseerd te worden zodat ten alle tijden een geschikte corridor aanwezig is.

1

Een corridor is ontheffingsplichting indien deze essentieel is voor de ‘Staat van Instandhouding’ (svi) van een 3.10 soort.

31

Het behouden van de corridorfunctie wordt gerealiseerd door dekkende beplanting te creëren van minimaal 2 meter breed, bestaande uit takkenrillen en lijnvormige aanplant van dekkende vegetatie ten zuiden van de Vennewatersweg op grensgebied van Zandzoom (Figuur 10). Dit is slechts enkele meters zuidelijker dan de oorspronkelijke migratieroute. Voor een situatieschets van het groenplan zie Bijlage 7.2, Figuur 15 t/m Figuur 19. De exacte samenstelling van de vervangende groenstructuur is nog niet definitief opgesteld maar het zal bestaan uit Haag/singel, bijvoorbeeld van verschillende soorten als meidoorn, kornoelje, sleedoorn, hazelaar, wilde roos etc. met een breedte van ca 2 m breed (indien op bepaalde locaties mogelijk; dan breder), verstevigd met takkenrillen in de ondergroei. De naastgelegen berm die in breedte varieert (1 tot 2m) dient te worden ingezaaid met een kruidenrijk grasmengel. Het beheer zal wel gericht moeten zijn op de kleine marters qua dekking en mogelijk voedselaanbod. De groenstructuur zorgt voor dekking en dient tevens als geleiding naar de faunatunnels (zie §4.2.3) zodat geschikt leefgebied ten noorden van de Vennewatersweg beter in verbinding staat met potentieel leefgebied ten zuiden van deze locatie. Deze maatregel dient functioneel te zijn alvorens de huidige corridor wordt gekapt.

4.2.3 Aanleggen faunapassages Naast dat langs de Vennewatersweg een groenstructuur wordt aangelegd, die de huidige houtwal met corridorfunctie vervangt, worden ook faunatunnels onder de Vennewatersweg door gecreëerd (van noord <-> zuid; oftewel van Zandzoom naar Zuiderloo). Dat is een verbetering op de huidige situatie omdat er nu nog geen faunatunnels aanwezig in het plangebied. Dit zorgt ervoor dat leefgebieden ten noord en zuiden van de Vennewatersweg met elkaar worden verbonden. Door de tunnels te plaatsen in het verlengde van de Vennewatersweg, waar nu grotendeels een houtwal aanwezig is, sluiten de passages aan op een bestaande looproute van de Bunzing. Er zijn twee passages voorzien ten oost en west van het spoor (zie Figuur 9 en Figuur 10 en Bijlage Faunapassages marterachtigen7.1, Figuur 12 en Figuur 13). De oostelijk geplande passage komt parallel aan de Hoogeweg te liggen en komt uit op de daar beoogde wadi. De westelijke passage kruist de Vennewatersweg ter hoogte van de Lijnbaan en Sporthal Vennewaters, waarvan de bosschages in de huidige situatie ook dienst doen als corridor en de daarbij gelegen moestuintjes als voortplantingsplek. De passages bestaan uit droogliggende faunatunnels met een doorsnede 600 mm en een grindkoffer (Figuur 14).

De tunnel wordt onder het maaiveld geplaatst en zo hoog mogelijk te worden aangelegd zodat de bodem van de tunnel het grootste deel van de tijd, al dan niet het gehele jaar, boven het hoogste grondwaterniveau staat. Tevens wordt de bodem van de tunnel voorzien van een laagje grond/aarde (minimaal 0,05m) eventueel aangevuld met grof materiaal voor extra dekking. Tot slot wordt gezorgd dat er voldoende ruimte aanwezig is voor aanloop naar de voorziening. Het van uiterst belang dat de te creëren groencorridor zo goed mogelijk aansluiten op de faunapassages en deze zo geleiding bieden naar de tunnels. Marters verplaatsen zich via dekkende vegetatie (zoals hagen). De aanleg van deze faunapassages in de toekomstige situatie zijn dan ook alleen zinvol indien er ook geschikte “aanlooproutes” aanwezig worden gecreëerd in de vorm van groenblijvende beplanting. Dit wordt bewerkstelligd met de eerdergenoemde maatregel in 4.2.2. De faunapassages zijn zo gepland, dat ze in het verlengde 32

van deze structuren te worden aangelegd, zodat deze geleidingsfunctie optimaal is. Op deze manier kan de Vennewatersweg als verbindingszone blijven dienen tussen leefgebieden van kleine marters. west

oost

Figuur 9: geplande locatie van faunapassages

Figuur 10: Geplande faunapassages (gele lijn) en bestaande groenstructuren (lichtgroene lijnen) en beoogde groenstructuren (groene lijnen), ten opzichte van huidige gecreëerde verblijfplaatsen (blauwe sterren) en bekende migratieroutes (rode lijnen).

33

4.3 Maatregelen ten gunstige van vleermuizen 4.3.1 Bij daglicht werken en geen licht in de nacht Negatieve effecten op (dwerg)vleermuizen kunnen ontstaan doordat bij de ingreep dieren verstoord kunnen worden Deze effecten vormen een overtreding van de Wet natuurbescherming (artikel 3.5, lid 2). In deze paragraaf staat aangegeven welke voorzorgsmaatregelen genomen dienen te worden om verstoring te voorkomen dan wel te beperken.

1.

Werkzaamheden alleen bij daglicht uitvoeren

Vleermuizen zijn nachtactieve dieren, wat betekent dat ze gedurende de dag in slaap zijn. Wanneer de werkzaamheden alleen tussen zonsopkomst en zonsondergang worden gepland, zal verstoring van vliegende en foeragerende vleermuizen niet optreden.

2. Geen bouwverlichting laten branden gedurende de nacht Vanwege het nachtactieve karakter van vleermuizen en de gevoeligheid voor (kunst)licht, is het van belang dat wanneer de dieren actief zijn, het plangebied niet te voorzien van verlichting, zodat vleermuizen ongehinderd kunnen foerageren nabij het plangebied. Daarom mag na zonsondergang en voor zonsopkomst geen bouwverlichting branden op werk- en opstelplaatsen. Dit geldt alleen in de actieve periode van vleermuizen, dus van half maart tot half november. Wanneer deze voorzorgsmaatregelen worden nageleefd is er voor dit aspect geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen van de Wnb en hoeft voor dit deel van de werkzaamheden geen ontheffing aangevraagd te worden. Doordat voldoende mitigerende maatregelen genomen worden voor vleermuizen zijn geen compenserende maatregelen nodig. Wel zijn inrichtingsmaatregelen mogelijk zie §3.3.3.

34

5 ZORGPLICHT EN ZORGVULDIG HANDELEN Om te voldoen aan het zorgvuldigheidsbeginsel uit de Wet natuurbescherming, wordt tijdens de werkzaamheden de zorgplicht uit artikel 1.11 van deze wet in acht genomen. Dit houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor alle plant -en diersoorten (ook de onbeschermde), voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden worden. Zo zal er gelegenheid worden gegeven aan amfibieën en grondgebonden zoogdieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Dit gebeurt door onder andere vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken, steenhopen) gefaseerd te verwijderen. De werkzaamheden worden zodanig uitgevoerd, bijvoorbeeld werkend vanuit één richting, dat aanwezige dieren kunnen wegvluchten. Indien watergangen gedempt moeten worden zal het water worden weggepompt zodat nog maar enkele centimeters water aanwezig is. Hiertoe wordt de watergang eerst om de ca. 50 m afgedamd. De waterstand in de compartimenten wordt één voor één verlaagd tot ongeveer 10 cm met behulp van een pomp, waarvan de zuigmond is voorzien van een gaas of net met geschikte maaswijdte. Hiermee wordt voorkomen dat er geen vissen of amfibieën worden opgezogen. Vervolgens wordt elke compartiment met een RAVON-schepnet afgevangen. Dit gebeurd binnen 24 uur na het verlagen van de waterstand.

De gevangen dieren worden vervolgens verplaatst naar geschikt habitat buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. Deze werkzaamheden worden uitgevoerd onder toezicht van een ter zake kundige op het gebied van vissen en amfibieën. De vissen en amfibieën worden niet verplaats op moment dat ze in winterslaap zijn en watergangen worden niet gedempt als er paddensnoeren/kikkerdril en/of paddenvisjes / kikkervisjes in aanwezig zijn. Daarnaast zullen de werkzaamheden zoveel mogelijk overdag uitgevoerd worden om verstoring van de nachtrust van en nachtactieve dieren zoveel mogelijk te vermijden. Uiteraard vinden deze werkzaamheden bovendien alleen maar plaats op moment dat een ecoloog heeft vastgesteld dat er geen broedende vogels aanwezig zijn binnen invloedssfeer van de werkzaamheden. Opgaande vegetatie mag onder geen beding worden verwijderd op moment dat er vogels in aan het broeden zijn. Strooisellagen worden niet verwijderd op moment dat Egels in winterslaap (aanwezig) zijn.

35

Figuur 11. Egels overwinteren in dikke strooisellagen op de bodem.

36

6 SAMENVATTING De werkzaamheden die schadelijk zijn voor beschermde soorten kunnen pas aanvangen na het verkrijgen van een ontheffing Wet natuurbescherming. Onderstaand is in tabel 6 een overzicht te zien van welke knelpunten en effecten er per soort optreden en hoe deze middels maatregelen vermeden dan wel verzacht kunnen worden. Tabel 6: Overzicht van de knelpunten, effect en te nemen maatregelen per soort

Soort (groep)

Bevindingen werkzaamheden

Rugstreeppad

Winterhabitat / Kappen bomensingels

Bunzing

/ Effect

Verbodsartikel Wnb

Maatregel

Vernietigen van winterhabitat & doden/verstoren van individuen

artikel 3.5, lid 1, lid 2 en lid 4

1. Werken buiten kwetsbare periode (april tm okt.) 2. Voorzichtig te werk gaan 3. Aanbieden alternatief winterhabitat

Voortplantingswateren

Geen negatieve

n.v.t.

n.v.t.

(Krommelaan, Westerweg, Nicolaas Blokkerlaan, Oosterzijweg)

effecten vanwege gepaste afstand tot werkzaamheden

Migratieroute tussen zomer en winterbiotoop / verleggen van greppels

Poelen blijven bereikbaar tijdens de werkzaamheden

n.v.t.

n.v.t.

Mogelijk kolonisatie van plangebied

Aantasten van vaste rust- en verblijfplaats & doden/verstoren van individuen

artikel 3.5, lid 1, lid 2 en lid 4

1. Ontoegankelijk maken van plangebied

Leefgebied rondom Vennewatersweg /

Migratie tussen leefgebieden wordt

Artikel 3.10, lid 1

1.Aanleggen van faunatunnels onder weg

Verbreden van weg

permanent bemoeilijkt

Corridorfunctie / Kappen van houtsingel langs Vennewatersweg

Doden van individuen

Artikel 3.10, lid 1

2. Voorzichtig handelen

Corridorfunctie / Kappen van houtsingel langs Vennewatersweg

Aantasting essentieel corridorfunctie

Artikel 3.10, lid 1

1.Alternatieve groenstructuur aanbrengen

37

van

Vleermuizen

Werkzaamheden weg

aan

Foerageren of migrerende vleermuizen kunnen mogelijk hinder hebben van eventueel aanwezige bouwlampen

Geen overtreding

1. Geen bouwverlichting laten branden ‘s nacht 2. Werkzaamheden alleen bij daglicht uitvoeren 3. Straatverlichting vervangen door fauna vriendelijke LED verlichting.

38

7 BIJLAGEN 7.1

Faunapassages marterachtigen west

oost

Figuur 12: Schetsontwerp Locatie van faunapassages west en oost van spoorweg; nieuwste versie.

west

oost

Figuur 13: Detailschets van faunapassages (de oostelijke faunapassage – onderste tekening – betreft een ietwat verouderde versie, en wordt voor de ovonde geplaatst, waar hij direct uitkomt op de daar geplande wadi/groenstrook.

1

Figuur 14: doorsnede faunapassages

2

7.2 Groenplan voor behoud corridorfunctie West van spoor

1

2

3

4 Oost van spoor

Figuur 15: Overzichtstekening groenplan Vennewatersweg; vervangende corridor aangegeven in groen (zie legenda). Cijfer in afbeelding corresponderen met onderstaande afbeeldingen die detailweergave zijn van deze overzichtstekening.

3

1 Figuur 16: Detailweergave groenplan sectie 1; westelijk gedeelte van reconstructiegebied Vennewatersweg.

4

2 Figuur 17: Detailweergave groenplan sectie 2; westelijk gedeelte van reconstructiegebied Vennewatersweg.

5

3 Figuur 18: Detailweergave groenplan sectie 3; oostelijk gedeelte van reconstructiegebied Vennewatersweg.

6

4 Figuur 19: Detailweergave groenplan sectie 4; oostelijk gedeelte van reconstructiegebied Vennewatersweg

7

Figuur 20: waarnemingen Rugstreeppad en marterachtigen (afgelopen 5 jaar) en bekende leefgebieden/habitats van Rugstreeppad rondom Vennewatersweg.

8

8 GERAADPLEEGDE LITERATUUR LITERATUUR Bouwens, S. (2017). Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming. 2017.32. Rapport van de Zoogdiervereniging In opdracht van de provincie Noord-Brabant. Buro SRO (2019). Bestemmingsplan Zandzoom 2019, Gemeente Heiloo. Buro SRO Stedebouw + Ruimtelijke ordening + Ontwikkelingsmanagement, Utrecht. Companen (2015). Woonvisie Heiloo. Companen Advies voor Woningmarkt en Leefomgeving. Heiloo (2008). Bomenbeleidsplan Heiloo 2008. Gemeente Heiloo. Heiloo (2009). Inrichtingsplan openbare ruimte Zuiderloo. Gemeente Heiloo. Heiloo (2014). Structuurvisie 2030. Koers in Beeld. Gemeente Heiloo. Heiloo (2018). Uitvoeringsprogramma Duurzaamheid Heiloo 2018. Gemeente Heiloo. Jansen, J.J.M. (2018). Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna aan Westerweg 340 te Heiloo. Blom Ecologie B.V., Advies & Onderzoek. Waardenburg. Jonker, N. (2016). Wezel, hermelijn en bunzing beschermd in Noord-Holland; wat betekent dit voor beheer en inrichting. Provincie Noord-Holland. Klaassen, M. (2015). Toekenning ontheffing Ruimtelijke ingreep. Rijksdienst voor ondernemend Nederland. Kenmerk. FF/75C/2014/0071.toek.jw. Kapteyn, K. (1995). Vleermuizen in het landschap. Over hun ecologie, gedrag en verspreiding. Provincie Noord-Holland, Noordhollandse Zoogdierstudiegroep, Het Noordhollands Landschap. Ottburg, F.G.W.A. & C.A.M. van Swaay (red., 2014).

Gunstige referentiewaarden voor populatieomvang en verspreidingsgebied van soorten van bijlage II, IV en V van de Habitatrichtlijn. Wageningen, Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, WOtrapport 124. 269. Scharringa, C.J.G., W. Ruiterbeek & P.J. Zomerdijk (2010). Atlas van de Noord-Hollandse broedvogels 2005-2009. SVN, Landschap Noord-Holland. Schiebel, D.R.R. (2020). QuickScan Flora en fauna: Kromme Laan, Heiloo. Bronnenonderzoek en beoordeling potentiële effecten in het kader van de Wet natuurbescherming. Rapport ER-20.56, Bureau Endemica B.V., Alkmaar. Shaffer, M.L. (1981). Minimum population sizes for species conservation. BioScience 131–134 (1981). Smit, G.F.J, P.H.N Boddeke en P. Spierenburg (2003). Inventarisatie beschermde soorten Zandzoom Heiloo. Bureau Waardenburg, bv, Culemborg. Tempel, C. van den & F. Visbeen (2013). Natuuronderzoek Zuiderloo, Heiloo. Rapportnummer 13.033. Landschap Noord-Holland, Heiloo. Timpaan (2013). Stedenbouwkundig plan Zuiderloo Heiloo. Thuis in Zuiderloo. 20130212rapportage Timpaan. Van Pijkeren (2015). Onderzoek ecologie en stikstofberekening Zandzoom en Zuiderloo te Heiloo. Laneco, Ede.

Van den Dries, B. (2019). Compensatieplan kleine marterachtigen en boomvalk; aansluiting A9 Heiloo. Arcadis Verschoor, J. & Rozema, J. (2017). Verbeteren leefomgeving wezel, hermelijn en bunzing. Zoogdier, 28 (3), pp. 8-9. Witte, R.H. (2016). Stand van zaken natuurwaarden Zuiderloo, Heiloo. Endemica-rapport 16028-2. Bureau Endemica, Alkmaar. Witte, R.H. (2017). Huidig voorkomen van de Rugstreeppad (Epidalea calamita) in het plangebied Zuiderloo, Heiloo. Endemica-rapport 1705. Bureau Endemica, Alkmaar. Witte, R.H. & Wondergem, J.P. (2018a). Quickscan Flora en Fauna voormalig BaZa-terrein te Heiloo. Bronnenonderzoek en beoordeling potentiële effecten in het kader van de Wet natuurbescherming. Rapport ER-18.22, Bureau Endemica, Alkmaar. Witte, R.H. & J. Wondergem (2018b). Voorkomen van de Rugstreeppad (Epidalea calamita) in het plangebied Zuiderloo in 2018, Heiloo. Endemica-rapport 18.24. Bureau Endemica, Alkmaar. Witte, R.H. (2019). Aanwezigheid van Rugstreeppadden (Epidalea calamita) in het plangebied Zuiderloo in 2019, Heiloo. Endemica-rapport 19.58. Bureau Endemica, Alkmaar. Witte, R.H. (2020a). Quickscan Flora en fauna: Hoogeweg, Zuiderloo, Heiloo. Bronnenonderzoek en beoordeling potentiële effecten in het kader van de Wet natuurbescherming en gemeentelijk beleid. Rapport ER-20.13, Bureau Endemica bv, Alkmaar. Witte, R.H. (2020b).

Activiteitenplan Woningbouw Toelichting op aanvraag ontheffing van de Wet natuurbescherming. Zorgvuldig handelen i.r.t. Bunzing, Zuiderloo, Heiloo. Rapport ER-20.48, Bureau Endemica B.V., Alkmaar. Wondergem, J.P. & R.H. Witte (2020). Quickscan Flora en fauna: Zuiderloo te Heiloo. Bronnenonderzoek en beoordeling potentiële effecten in het kader van de Wet natuurbescherming. Rapport ER-20.11, Bureau Endemica, Alkmaar.

WEBSITES https://bestanden.noord-holland.nl/internet/Onderwerpen/Natuur/nnn-wijzer/ https://florafaunacheck.nl/ https://www.floravannederland.nl https://www.vogelatlas.nl https://www.verspreidingsatlas.nl/zoogdieren https://www.verspreidingsatlas.nl/vaatplanten https://www.verspreidingsatlas.nl/reptielen https://www.verspreidingsatlas.nl/amfibieen https://www.verspreidingsatlas.nl/vissen https://www.atvdekrommesloot.nl/natuur/ https://www.stadszaken.nl/ruimte/groen/1079/natuurinclusief-bouwen-met-deze-40-punten https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2020-01-01 1

https://noord-holland-extern.tercera-ro.nl/MapViewer/ https://noord-hollandextern.terceraro.nl/MapViewer/Default.aspx?id=NLIMRO8002PRVNNNWKW2019-VG01 https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/effectenindicatormaatregelenappl.aspx?subj=so orten#maatregelen https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/effectenindicatorsoortenappl2016.aspx?subj=so orten https://www.noordholland.nl/Onderwerpen/Ruimtelijke_inrichting/Bijzonder_Provinciaal_Landschap https://www.natuurmonumenten.nl/dieren/boommarter https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/boommarter https://www.geaflecht.nl/de_boommarter_in_nederland\

2

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Heiloo&id=a2aed684-b7ad-445b-aa4b-5684ce6826db